Categorie

2000

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 2

Door | 2000, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

istorisc
Het Zwolse
carillon
P R I J S ^ 1 2 , 5 O
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
SiiBSonpoortbnig. ZWOLLE.
Ansichtkaart Sassenpoortbrug Zwolle
Poststempel: 12 november 1914
‘Zwolle 11 nov. 1914
CherD.J’airecu une carte de monsieur R., il consent
que tu viennes samedi prochain jusqu’a lundi 8 1/2.
Il faut donc prendre samedi Ie train de 2 heures.
Mets ton habit de dimanche et rempli ta valise de
linge sale. Notre oncle nest pas si bien, il est tres
court d’haleine. J’ai vu Coen qui est devenu enorme
et Goderd qui demandait tout de suite comment tu
te portais. Adieu cher te bien des choses de papa et
ton oncle, un gros baiser de ta mère.’
Een kaart met daarop de nieuwe Sassenpoortenbrug,
die in 1909 is ontworpen door stadsarchitect
Lourens Krook. De draagconstructie van de brug
is van be^on, een voor die tijd uiterst moderne
manier van bouwen. De brug ligt er anno 2000
nog net zo bij. Het verkeer is echter wezenlijk
anders en veel drukker. Een paard en wagen zie je
amper meer over de brug rijden.
De kaart, bestemd voor jonkheer Diederik
Gregorius van Teijlingen (geboren in 1902), is
geschreven door zijn moeder, Henrietta C.E.F,
barones Bentinck van Schoonheten. In dit milieu
was het heel gewoon Frans te spreken en te schrijven.
Diederik zat op een kostschool in Utrecht.
Hij ging een weekendje uit logeren. Hij moest van
zijn moeder zijn zondagse kleren aantrekken en de
vuile was;in zijn koffer doen. Ook informeerde zij
hem over de familie. Coen en Godert zijn neven
van elkaar uit de adellijke familie Van Dedem. De
vader var) Diederik was griffier bij het kantongerecht.
De familie woonde aan de Eekwal op nr. 14.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
De twee laatste afleveringen van het Zwols Historisch
Tijdschrift waren geheel (De Onze-Lieve-
Vrouwekerk) en bijna geheel (Tweede Wereldoorlog)
aan één onderwerp gewijd. Het zomernummer
2000 dat voor u ligt biedt u weer een
gevarieerde inhoud.
Twee artikelen in deze aflevering hebben een
kunsthistorisch accent: Lydie van Dijk belicht de
Zwolse schilders en tekenaars Gerhardus Meijer
en zijn zoon Joan Willem, en Jeanine Otten
schrijft over de rondtrekkende maar ook in Zwolle
opgetreden portretschilder Johannes Anspach.
Ank Meliesie verhaalt in het vierde en laatste
deel van haar herinneringen weer alleszins herkenbaar
over feestdagen en verjaardagen, maar ze
gaat ook in op alledaagse zaken zoals schoonmaken
en eten.
Wil Cornelissen heeft de Zwolsche sketsies van
Willem Kloeke herlezen en laat ons meegenieten
van daarin gevonden authentieke Zwolse namen
en uitspraken.
En wist u aan wie de Peperbus zijn carillon te
danken heeft? U kunt het lezen in de bijdrage van
Leon van der Eijk.
In de rubriek Groeten uit Zwolle een ansicht
van de Sassenpoortbrug uit 1914 met een curieuse
tekst die ons een blik gunt in het dagelijks leven
van de adel uit die tijd.
Een lange lijst met nieuw verschenen boeken,
een bespreking van de hand van Wil Cornelissen
van het boek Roelof Horreüs de Haas en tenslotte
een rectificatie bij het artikel over het rijke roomse
leven in het themanummer over de Onze-Lieve –
Vrouwekerk completeren deze aflevering.
Wij wensen u veel leesplezier in een hopelijk
mooie zomer.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Gerhardus en Joan Willem Meijer Lydie van Dijk 40
Herinneringen (4) J.A.M. Meliesie-Appelhof 44
De Zwolsche sketsies van Willem Kloeke Wil Cornelissen 50
‘Een welgelijkend Portrait voor ƒ 5.-.-‘
Johannes Anspach (1751-1823) in 1801 en 1811 in Zwolle
Jeanine Otten 52
Het Zwolse carillon 70 jaar Leon van der Eijk 60
Literatuur 66
Boekbespreking 67
Mededelingen 69
Auteurs 70
Omslag: Op 10 april 1931 vond de officiële overdracht van het carillon aan het
gemeentebestuur plaats. (Gemeentearchief Zwolle).
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gerhardus en Joan Willem Meijer’
Lydie van Dijk
De Watermolen in 1847
geschilderd door
Gerhardus Meijer
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
I n de periode dat de schilders en tekenaars Gerhardus
Meijer en zijn zoon Joan Willem in
Zwolle leefden, hebben zij de stad zien veranderen.
Het stadse leven speelde zich aanvankelijk binnen
de zeventiende-eeuwse wallen af. Buiten die
grachten bevonden zich slechts scheepswerven,
molens en blekerijen. In de loop van de negentiende
eeuw trad de stad buiten deze verdedigingswerken
als gevolg van de komst van de spoorwegen en
de industrie, en door de bevolkingstoename. Het
aanzicht van Zwolle veranderde in de eerste helft
van de negentiende eeuw. Dit was deels het gevolg
van het verlies van de militaire funktie van de stad.
De vestingwerken deden geen dienst meer. Op de
bolwerken werden wandelplantsoenen aangelegd
en ze werden gedeeltelijk bebouwd. De stadspoorten
werden afgebroken op één na: de nog steeds
bestaande Sassenpoort.
In de tweede helft van de negentiende eeuw
werden grote villa’s langs de stadsgracht, de huidige
Burgemeester van Royensingel, gebouwd. In de
jaren zestig kwamen de spoorverbindingen met
Utrecht, Kampen en Deventer tot stand. Rond de
eeuwwisseling verrezen in Assendorp, de wijk tussen
de stad en het spoor, vele huizenblokken. De
wijk tussen Stationsweg en Willemsvaart zou pas in
de jaren dertig van de twintigste eeuw gebouwd
worden. In diezelfde periode werd ook een deel van
het landelijke gebied ten noordoosten van de stad,
Dieze, bebouwd.
Het is opvallend dat de bedrijvigheid die deze
veranderingen met zich meebracht, niet is terug te
vinden in het werk van vader en zoon Meijer.
Zowel hun landschappen als de stadsgezichten
laten een rustig en overzichtelijk beeld van stad en
platteland zieri.
Tot de collectie van het Stedelijk Museum
Zwolle behoren schilderijen, een groot aantal tekeningen
en twee schetsboeken van de kunstenaars.
Deze schetsboeken zijn samen met twee portretten
in 1958 via een nazaat in de collectie van het museum
terecht gekomen. De overige schilderijen en
tekeningen zijn merendeels in tweede helft van de
jaren tachtig van de negentiende eeuw door J.W.
Meijer aan het toenmalige Geschiedkundig Overijsselsch
Museum verkocht.
Omdat de schilderijen die bekend waren op
klein formaat geschilderd zijn, rees het vermoeden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat zich in Zwolse huiskamers nog wel eens wat
werk van beide kunstenaars zou kunnen bevinden.
Ruim een halfjaar voor het begin van de expositie
plaatste het museum een oproep in de Zwolse Courant
in de hoop onbekende schilderijen die zich in
particuliere collecties bevinden, te achterhalen. Dit
leverde zo’n vijftien werken op. Evenals de collectie
die zich in het museum bevindt, zijn ook de meeste
van deze werken direct van Joan Willem Meijer
gekocht en zij zijn door vererving in bezit van de
huidige eigenaren gekomen.
Eén van de schilderijen die op de tentoonstelling
te zien was, één van de twee gezichten op de
Nieuwehavenbrug met de Peperbus op de achtergrond,
is door de eigenaar in 1999 ter veiling aangeboden
bij het Venduehuis in Zwolle. Dit schilderij,
gesigneerd J.W. Meijer 1889, is door het museum
aangekocht.
Gerhardus Meijer
Gerhardus Meijer werd geboren op 18 maart 1816 in
Ambt Hardenberg als zoon van Berend Meijer en
Jennigjen Vedelaar. Het gezin verhuisde naar
Zwolle waar Gerhardus op 29 september 1836 in het
huwelijk trad met de tien jaar oudere Janna List. Zij
was geboren in Neuenhaus, gelegen ten noordoosten
van Nordhorn, en woonde sinds 1830 in Zwolle.
Janna was weduwe van Jan Smit en ten tijde van
haar huwelijk met Gerhardus werkzaam als dienstmeid.
Het beroep van Gerhardus wordt in de
trouwakte niet verder gespecificeerd dan ‘geemploijeerde
der Stedelijke Secretarie.’ Vader Berend,
een van de vier getuigen, is dan 42 jaar oud en ‘suppoost’
van beroep. Of dit ook een functie bij de
gemeente was, is niet bekend. Ouders en grootouders
van Janna List waren al overleden. De andere
drie getuigen zijn Hendrikus Josephus Kattenbelt,
38 jaar, kantoorbediende, Johannes Bouwhuis, 42
jaar, vuurstoker, en Willem Bruins, 30 jaar oud en
timmerman van beroep.
Gerhardus en Janna kregen vier kinderen:
Berend Jan Herman, geboren op 13 maart 1837, Joan
Willem, geboren op 21 februari 1840, Gerherdina
Johanna, geboren in september 1843 e n Ia n Harmen,
geboren in oktober 1847.
In 1850 woonde het gezin Meijer in de Praubstraat.
Dit pand bevond zich op de linker helft van
het perceel waar nu nummer 5 staat. Het was eigendom
van de gemeente. Als beroep van de bewoner
wordt dan ‘bode’ vermeld.
Uit adresboeken van de gemeente Zwolle, die
zich op het gemeentearchief bevinden, blijkt dat
Gerhardus enige malen is verhuisd. Ook zijn
beroep wordt in deze boeken duidelijker omschreven:
gemeentebode. Uit het jaarverslag van de
gemeente Zwolle over 1866 komt naar voren dat de
1ste bode een goed salaris had: ƒ 600,- per jaar. Dit
is gelijk aan het jaarsalaris van de opzichter der
gemeentewerken en twee maal zo veel als dat van de
assistent-bode.
In 1867 woonde Gerhardus Meijer op een perceel
in de Hoogstraat, nummer K 501 II, vertaald
naar de huidige straatnamen en nummers is dat
Kleine Baan 17.
Zijn werkgever was niet erg tevreden over hem.
Dit blijkt uit de correspondentie van Burgemeesters
en Wethouders. Op 20 juli 1872 besloten deze:
‘.. in aanmerking nemende dat de gemeentebode
G. Meijer zich herhaaldelijk aan pligtverzuim
schuldig maakt, door niet steeds op den tijd bij de
instructie van den 15 november 1852 bepaalde aanwezig
te zijn, maar eigendunkelijk zich van het
gemeentehuis te verwijderen, hebben goedgevonden
den genoemde bode G. Meijer behalve het
ongenoegen deze vergadering daarvan te kennen te
geven te dier zake te straffen met inhouding ener
week bezoldiging en met ernstige waarschuwing
dat bij het minste pligtsverzuim zwaarder zal
bestrafd worden.’ De hier geuite dreiging heeft niet
geholpen. Op 8 februari 1873 namen B&W het
besluit Meijer een maand te schorsen met inhouding
van zijn salaris wegens het feit dat hij zich ‘herhaaldelijk
aan achteloosheid en pligtsverzuim
schuldig maakt..’. Ook deze maatregel had geen
effect; integendeel. Op 30 april van datzelfde jaar
werd besloten Gerhardus Meijer te ontslaan, omdat
hij ‘zich aanhoudend aan misbruik van sterken
drank en pligtverzuim schuldig maakt.’
Meijer was toen niet alleen zijn baan kwijt, ook
zijn vrouw had hij enige maanden daarvoor verloren.
Speculerend zou men kunnen denken dat hij
door ziekte en het overlijden van zijn vrouw af en
toe zijn werk verzuimde. Hij vertrok in 1874 naar
Amsterdam, maar keerde na niet al te lange tijd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De weg naar Kampen
geschilderd doorjoan
Willem Meijer, 1862
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
terug. Hij overleed op 26 februari 1875 op 58-jarige
leeftijd in een huis aan de Friesche Wal in Zwolle.
Hij liet geen bezittingen na.
Wat Gerhardus Meijer wel heeft nagelaten zijn
enkele schilderijen en vele tekeningen. Dit zijn
vooral landschappen uit de omgeving van Zwolle
en enkele stadsgezichten. Deze landschappen zoals
De Watermolen uit 1847 volgen de romantische uitbeelding
van het landschap zoals dit eind achttiende
en begin negentiende eeuw al door Derk Jan van
der Laan en Willem Gerrit van Ulsen, beiden schilders
in Zwolle, werd vastgelegd. Meijer kreeg les
van Adrianus Serné, een uit Haarlem afkomstige
schilder die in 1830 naar Zwolle kwam. Serné werd
aangesteld als stadstekenmeester na het overlijden
van Willem Gerrit van Ulsen. Van Serné bevinden
zich drie schilderijen in de collectie van het museum:
twee landschappen en een gezicht op de Grote
Markt in Zwolle.
Op een blad uit een van de genoemde schetsboeken
heeft hij een portret van zijn leermeester
getekend. Hieruit blijkt dat hij toen niet erg bedreven
was in het weergeven van personen.
Een aantal tekeningen leveren wat de toeschrijving
betreft problemen op: ze zijn zowel door Gerhardus
als door Joan Willem gesigneerd.
Joan Willem Meijer
Joan Willem werd op 21 februari 1840 geboren als
tweede zoon van Gerhardus Meijer en Janna List.
Joan Willem maakte, waarschijnlijk voor zijn opleiding,
nogal wat omzwervingen door het land. Op
20 april 1858 vertrok hij naar Haarlem; onbekend is
hoelang hij daar verbleef. Op 9 februari 1861 verliet
hij Zwolle weer, nu voor Rotterdam. Zes jaar later
stond hij ingeschreven als wonend bij zijn ouders
aan de Kleine Baan. In 1869 keerde hij terug uit
Genemuiden om zich in Zwolle te vestigen als
hoofd van een schildersbedrijf.
Op 20 november 1873 trad hij in het huwelijk:
‘Joan Willem Meijer, oud 33 jaren, geboren en
wonende te Zwolle, schilder, meerderjarige zoon
van Gerhardus Meijer, zonder beroep (Gerhardus
was toen al als bode ontslagen), wonende te Zwolle,
en Antje Petronella Eskes, geboren en wonende te
Zwolle, oud 26 jaren, zonder beroep, meerderjarige
dochter van Hendrikus Eskes en Gepkea Lutgerdina
van Diepenbroek, beide overleden..’ Als getuigen
traden op Albertus Meijer, 56 jaar en wijndrager
van beroep, oom van de bruidegom, Willem
Onno Eskes, 31 jaar, boekbinder, broer van de
bruid, Johannes Land, 41 jaar, koopman, en Alexander
Houtman, 30 jaar, timmerman, allen wonende
te Zwolle. Uit deze opsomming blijkt dat zijn
vader, toch het meest naaste familielid, niet als
getuige optrad.
Joan Willem heeft in de loop van zijn lange
leven ook na zijn huwelijkssluiting op veel plaatsen
binnen en buiten de stad gewoond. In 1877 woonde
hij in de Papendwarsstraat op nummer 10a, in 1891
aan de Schellerweg 50 en twee jaar later aan de
Deventerstraat nummer 2. In de Zwolse adresboeken
wordt in deze jaren als zijn beroep ‘schilder’
vermeld. Deze vermelding verandert een paar jaar
later. Van 1901 tot 1924 noemde hij zich ‘kunstschilder’
en woonde hij aan de Ossenmarkt 9b. Dit is het
pand De Atlas, waar de Sociaal Democratische
Arbeiders Partij werd opgericht. In dit pand vonden
vergaderingen van zeer verschillende verenigingen
plaats, zoals van vakbonden, verenigingen
voor algemeen kiesrecht en het Leger des Heils, ook
werden er toneel- en variété-voorstellingen gehouden.
Een tijd lang was de leeszaal van de Volksbond
tegen Drankmisbruik hier gevestigd. Hier huurde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
Joan Willem dus woonruimte. De zaal werd in 1920
verbouwd tot garage en kreeg zijn huidige aanzien.
Op hoge leeftijd verhuisde hij nog naar de Diezerstraat
en nam zijn intrek boven een winkel op
nummer 47a. In de winkel was een banketbakkerij
gevestigd. Joan Willem overleed op 30 december
1928. Hij liet twee zonen en twee dochters na en een
aantal kleinkinderen. Een van de zonen, G. Meijer,
tekende ook, hetgeen blijkt uit een gesigneerde
tekening uit 1929.
Evenals zijn vader schilderde Joan Willem
stadsgezichten en landschappen. Zijn tekeningen
tonen vooral het landelijke gebied in de wijde
omgeving van Zwolle. Enkele tekeningen in de
genoemde schetsboeken heeft hij dubbel gesigneerd,
eenmaal in potlood en eenmaal met een bibberende
hand in inkt. Dit laatste zou er op kunnen
wijzen dat hij op hoge leeftijd nogmaals vast heeft
willen leggen dat het om zijn werk ging.
Blijkbaar waren bepaalde stadsgezichten erg in
trek. Op de tentoonstelling was te zien dat hij enkele
onderwerpen meer dan een keer op doek heeft
vastgelegd. Er bestaan twee bijna identieke schilderijen
van de Singel (Burgemeester
van Royensingel) met uitzicht op de ;
Nieuwe Havenbrug en twee schilde- ;
rijen van de Katerdijk met de Peperbus
op de achtergrond. Het formaat
van deze laatste schilderijen is niet
gelijk.
Het museum bezit drie door
hem geschilderde portretten: dat
van een vrouw, traditioneel zijn
moeder genoemd, van zijn vrouw
en een zelfportret. Het zogenaamde
portret van Janna List is gesigneerd
en gedateerd 1867. Zijn moeder was
toen 61 jaar oud, terwijl de afgebeelde
vrouw hooguit dertig is.
Hij schilderde en verkocht niet
alleen zijn eigen werken, hij handelde
ook in schilderijen van anderen.
Dat blijkt uit de inventaris van het
museum. In de jaren tachtig van de
vorige eeuw zijn een aantal zeventiende-,
achttiende- en negentiende-
eeuwse schilderijen aangekocht
van Joan Willem Meijer. Het gaat hier onder andere
om het vroeger aan Gesina ter Borch en nu aan
de zeventiende-eeuwse Utrechtse schilder Hendrik
Bloemaert toegeschreven doek Simson en Delila,
een jachtstilleven van Pieter van Noort, een stilleven
van de negentiende-eeuwse Kamper schilder
Hendrik Jan Hein, portretten van Constantijn Netscher,
een bloemstuk van Carel Borchart Voet van
omstreeks 1700 en twee landschappen van de leermeester
van zijn vader, Adrianus Serné.
Vader en zoon Meijer hebben geen landelijke
bekendheid gekregen met hun werk; dit behoorde
niet tot de eigentijdse nieuwe kunststromingen.
Toch is dit voor de Zwolse regio historisch en topografisch
van belang. Zowel de tekeningen als de
schilderijen laten beelden zien van niet meer
bestaande plekken van de stad en de directe omgeving.
* Dit artikel is een bewerking van het informatieblad
dat door het Stedelijk Museum Zwolle is uitgegeven
bij de tentoonstelling over deze twee schilders. De
tentoonstelling vond plaats van 2 mei tot en met 15
juni 1998.
De Katerdijk in 1890
geschilderd door Joan
Willem Meijer (foto:
Stedelijk Museum
Zwolle).
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (4)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
Kinderen uit de buurt
op het Koningsplein:
ranja met een rietje.
Waarschijnlijk is deze
foto gemaakt tijdens een
verjaardagsfeestje (particuliere
collectie).
Feestdagen
Feest- en gedenkdagen werden bij ons thuis
uitgebreid gevierd. Ik keek altijd uit naar alle
verjaardagen en verheugde me niet alleen op
mijn eigen geboortedag (al was dat natuurlijk het
hoogtepunt). ‘Nog twee of drie nachtjes slapen’,
antwoordde mijn moeder altijd geduldig op mijn
herhaaldelijk gestelde vraag hoe lang het nog
duurde voordat ik jarig was. In die tijd leek me dat
een eeuwigheid. ‘Hoe ouder je wordt, hoe sneller
de tijd voorbij gaat’ werd mij vaak voorgehouden.
Nu besefik hoe waar dat is!
Ook de verjaardagen van mijn ouders waren
een groot feest. Sinds ik zelf getrouwd ben, begrijp
ik dat het voor mijn moeder geen onverdeeld
genoegen was. Als ik ’s morgens uit school kwam
zat de kamer al vol mensen: ooms en tantes, die
helemaal uit Enschede, Deventer en Den Helder
waren gekomen om hun felicitaties over te brengen.
En ze bleven allemaal eten! Mijn moeder liep
met een rood hoofd rond om het iedereen naar de
zin te maken. Ook ’s middags was er bezoek en
’s avonds zat de hele kamer vol. De mannen zaten
aan de ene kant en de vrouwen aan de andere.
Later op de avond kon je de overzijde van de
kamer nauwelijks zien, want dan hing er een dikke
blauwe rookwolk.
In de keuken stond een grote houten doos met
gebakjes. Mijn zus en ik zochten er altijd eentje uit
voordat ze op een schaal werden gelegd. Ik nam
steeds een roomhoorn met van die gele pudding
er in. Als de drankjes werden ingeschonken – er
werd bij ons thuis vrijwel nooit alcohol gedronken,
behalve op verjaardagen – lag ik al in bed. Op
zo’n feestdag ging ik met veel tegenzin. Als mijn
moeder mij veelbetekenend aankeek en met een
subtiel hoofdgebaar naar boven wees, keek ik steevast
een andere kant op. Maar dat lukte niet lang,
dus ging ik met frisse tegenzin, nadat ik alle meneren
en mevrouwen keurig een handje had gegeven.
Met pasen kregen we een haantje op een stokje
en een net, gevuld met mandarijntjes en noten.
Die netjes had mijn moeder zelf gehaakt van rode,
witte en blauwe katoen. Ook van mijn oma kregen
we vroeger een net.
Maar het prettigste feest vond – en vind – ik het
kerstfeest. Wij hadden niet elk jaar een kerstboom,
maar ik herinner mij dat we bomen met echte
kaarsjes hadden; die kaarsjes stonden in ijzeren
houdertjes. Ze brandden maar korte tijd, omdat er
altijd een volwassene in de kamer moest blijven,
met het oog op brand. De elektrische lichtjes van
tegenwoordig zijn wel praktischer, maar de echte
kaarsjes veel romantischer.
Ook de grote kerstboom in de gymnastiekzaal
van de Koningin Emmaschool aan de Roemer
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
Visscherstraat, waar altijd het kerstfeest van de
zondagsschool werd gevierd, had echte kaarsen.
Er stonden een spons aan een lange stok en een
emmer met zand naast. Als een dennentak begon
te knetteren werd het vlammetje onmiddellijk
gedoofd. Het kerstfeest van zondagsschool was in
mijn jeugdjaren een prettig evenement. Het kerstverhaal
vond ik altijd weer even prachtig. Ik stelde
mij alles geïllustreerd voor. In mijn gedachten
speelde de geboorte van Jezus zich af op bekende
plaatsen in de omgeving. De stal stond bij een
boerderij aan de Bonepadsweg (ik geloof, dat het
weggetje naar de Kindertjesweilanden zo heette)
en de herdertjes lagen bij nachte in de Kindertjesweilanden,
aan de rand van Herfte.
In de kerstverhalen die op de zondagsschool
verteld werden, sneeuwde het altijd. Ook gingen
ze altijd over arme of zieke mensen. Gelukkig liepen
ze altijd goed af. Na afloop kregen we een zak
met lekkers mee en een boekje van W.G. van der
Hulst. In die boekjes zaten streepjes tus-sen de letter-
gre-pen. Ik vond ze prachtig en las ze in één
adem uit.
Werken
Het leek wel of de mensen vroeger altijd aan het
werk waren.
In veel kringen was het bijna onfatsoenlijk om
als gezond mens overdag rustig te gaan zitten
lezen. De handen moesten uit de mouwen worden
gestoken. Ook mijn moeder was altijd bezig, hoewel
ze een ‘meisje voor de morgenuren’ had. Ik
heb er verscheidene zien komen en gaan. Het eerste
werkje, dat ze ’s ochtends moesten doen was
aardappelen schillen. Dat deden ze in de keuken;
alleen als het koud was mochten ze in de kamer
zitten.
Eén meisje had het buskruit niet uitgevonden.
Als ze in het halletje bij de voordeur bezig was en
er belde iemand aan, dan klopte ze aan de kamerdeur
om dat te melden. ‘Nou, doe de deur dan
open’, kreeg ze dan te horen. Dat deed ze dan wel,
maar als de bel weer ging, deed ze precies hetzelfde.
En er werd dikwijls gebeld, want alle leveranciers
kwamen aan huis. De bakker en de melkboer
kwamen elke dag. Eenmaal in de week kwam de
Cfc4oiu
& p*r rtuV
KEURIG IN DOOS VERPAKT
-45*
Choc MufclVrin.jM. 2)oni2D*
FendantkrwttJai… . 2rmi20&
,E*r« Oióe. Krintju .1i“. Maar
vraag-KLOKZEEPi Daarmee wtrhl .U
veel prettiger en schoner.’ ’t Schuirnt ao
royaal, ziel XJ en de siukken »»JTI *O kloek f
Klok poeder
En sta t.i op. dat V KUthfioexUr hrijet-
Blauwe, grote, bussen »ijn dat 32 cenL’
Onthoud htt ROéd: KLOKPOEDBRT
t Gaat vliegensvlug met icnjetl
Z E E P-M-MH E K „ 0 E • K L 0 K ” H E E R D E
gewenste lengte. Ik werd altijd draaierig van dat
passen en ronddraaien boen op de tafel, omdat ik
hoogtevrees heb. Op medelijden hoefde ik echter
niet te rekenen. ‘Dan kijk je maar niet naar beneden’,
was het advies.
Ik wilde graag eens gekochte kleren hebben,
maar dat was er niet bij. Mijn moeder kon goed
naaien en ze volgde de mode op de voet. Bovendien
had ik wel inspraak. Als kind was je vaak
ondankbaar. In tegenstelling tot mijn vader was
mijn moeder erg handig. Als er spijkers in de
muur moesten worden geslagen of als een stekker
gerepareerd moest worden, dan deed mijn moeder
dat. Mijn vader wilde best weten dat hij twee
linkerhanden had. Hij had genoeg gevoel voor
humor om de opmerkingen van anderen over zijn
onhandigheid naar waarde te schatten. Die linkerhanden
heb ik van hem geërfd.
Poetsen
Vroeger waren de huisvrouwen altijd aan het
schoonmaken. Zij poetsten, boenden, dweilden,
schrobden en klopten dat het een lieve lust was. Ze
hadden altijd een schort voor en vaak ook een
doek om het hoofd. Eenmaal in de week werd de
stoep geschrobd. Dat gebeurde ook in de portieken
en voor de winkels in de binnenstad. Soms
moest je je snel uit de voeten maken, voordat je
een emmer water over je schoenen kreeg. Ik vond
dat geschrob altijd onzin, omdat er toch heel gauw
weer iemand met vuile voeten over zo’n schoon
stoepje heen liep. Zo kon je wel aan de gang blijven.
Eenmaal in de week was het ‘kamerdag’. Dan
werden de stoelen achter elkaar in de gang gezet.
Als klein kind ging ik dan treintje spelen. Het
tapijt werd over een klopstok gehangen en duchtig
geranseld. Het hele huis rook naar boenwas, want
de stoelen werden gewreven totdat je je erin kon
spiegelen. Ook het zeil werd flink gewreven. Je
maakte bijna een doodsmak, wanneer je met het
slaapkamerkleedje over het gladde vloeroppervlak
gleed. Als ik vakantie had bleef ik meestal maar
iets langer in bed liggen, want dan was er beneden
niets aan. Het was koud en ongezellig. Toen ik
groter werd moest ik de franje van het kleed kammen
met een oud kammetje.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
’s Winters werd de haard ’s morgens ‘uitgehaald’.
Dikwijls zaten er slakken in en dan wilde
de haard niet goed branden. Ik zie mijn moeder
nog, met een sjaal om de hals, naar buiten lopen
met een volle asla. Als het glad was werd de as over
de stoep gestrooid. Dan moest er later natuurlijk
weer extra geschrobd worden!
Als ik ziek op de divan lag, lekker warm onder
een plaid, vond ik het wel interessant om al dat
gedoe aan te zien.
De jaarlijkse Grote Schoonmaak was een echte
ramp. In het voorjaar werd het hele huis met bezemen
gekeerd. Als ik uit school kwam stond de hele
boel op z’n kop. De vitrages lagen in het sop, de
overgordijnen hingen over de waslijn en de kleden
over de klopstok. Moeder liep met een rood hoofd
en slordige haarpieken rond. De gebruikelijke
thee, waarmee we na schooltijd werden ontvangen,
kon er op zo’n dag niet af.
In het najaar werd die schoonmaak altijd dunnetjes
overgedaan.
Het leek wel of sommige huisvrouwen er een
wedstrijd van maakten wie het eerst ‘de boel aan
kant’ had. De mannen hoefden niet te helpen. Die
hadden de hele dag al hard gewerkt. Alleen als er
mannenkracht aan te pas kwam of als er overgordijnen
moesten worden opgehangen wilde vader
de handen wel eens uit de mouwen steken.
Netjes
Wat waren we vroeger netjes. Onze ouders voedden
ons op tot keurige meisjes en jongens, die
altijd met twee woorden spraken. We zeiden ‘dag
mevrouw’ en ‘dag meneer’ en niet ‘hallo’, ‘hoi’ of
‘doei’. Dat was wel eens ingewikkeld. Als ik een
schoolvriendinnetje en haar ouders tegenkwam,
liep ik liever een straatje om, omdat je anders
moest zeggen: ‘dag mevrouw, dag meneer, dag
Mientje’. Dat was wel een beetje te veel van het
goede.
Vieze woorden mocht je beslist niet zeggen. Je
praatte over achterwerk of bibs. Schuttingwoorden,
die nu openlijk worden uitgesproken, zag je
Keurig gekleed op de
foto; 1930 voor de nieuwe
IJsselbrug (particuliere
collectie).
Kolen werden thuisbezorgd;
hier aan de Burgemeester
Van Roijensingel
(Gemeentearchief
Zwolle).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vishandelaar G. Schraa
had een standplaats bij
het Katerveer. De meeste
vishandelaren gingen
een keer per week met
hun kar langs de huizen
(Gemeentearchief
Zwolle).
wel eens op een muur staan, maar daarvan bloosde
je soms al. Veel woorden kende ik niet eens. Ik
vergeet nooit, dat ik eens, zonder aanleiding,
‘ouw’oer’ zei. Mijn moeder reageerde geschokt.
‘Wat zeg je nou?’ Geen idee!!! Ik had het de jongens
in de klas wel eens horen zeggen. Ik dacht dat
het iets met oeroud of zo te maken had. Ik kende
het woord hoer nog niet. Maar het scheen heel erg
te zijn en ik heb het woord nooit meer in de mond
genomen. Het heeft toen kennelijk wel indruk
gemaakt, want ik heb dit onbeduidende voorval
nooit vergeten. ‘Rot’ mocht je ook niet zeggen. Ik
heb mijn ouders nooit een onvertogen woord
horen uitspreken.
Je moest er ook altijd keurig netjes uitzien. Als
ik eens iets nieuws aan had en vroeg hoe het stond,
zei mijn moeder altijd: ‘Keurig’. Dat vond ik vreselijk,
want dat klonk zo tuttig. ‘Wat moet ik dan
zeggen?’ vroeg ze. Nou: leuk of vlot. Als ik nieuwe
schoenen aan had, dan hadden ze in de kortste
keren kale neuzen. Hoe het kwam, weet ik niet.
Waarschijnlijk schopte ik onderweg tegen stenen
of slofte ik tijdens het wandelen. Ik hoor het nog
zeggen: ‘Voeten optillen’. Maar ik liep liever hard,
dan dat saaie gewandel.
Mijn ouders waren overigens wel modern. Ik
mocht wel eens in een – nette – lange broek naar
school. Ook had ik een trainingspak, dat er precies
zo uitzag als de joggingpakken van tegenwoordig.
In de mode komt alles terug. Alleen de plus-fours,
die de jongens droegen, heb ik nooit meer gezien.
Als het korte-broeken-seizoen voorbij was, droegen
de keurig geklede jongelingen deze ‘drollenvangers’.
Het waren pofbroeken die onder de knie
met een boord en een knoopje waren vastgemaakt.
Daaronder droegen ze, vaak geruite, kniekousen.
Meisjes van streng calvinistische of roomskatholieke
huize, mochten geen lange broek dragen.
Alleen met een rok erover mocht het soms,
maar dat was geen gezicht.
Voorlichting
Aan voorlichting werd in mijn tijd niet veel
gedaan. Over veel dingen mocht niet worden
gepraat. Zo nam mijn vader mij zelfs kwalijk, dat
ik hem vroeg op welke partij hij stemde. Zoiets
hoorde je niet te vragen. Dat hij C.H.U. stemde
was blijkbaar een geheim.
Op seksueel gebied was ik zo groen als gras. Als
kinderen raadden we er dikwijls naar, waar de kindertjes
vandaan kwamen. In de ooievaar geloofden
we al gauw niet meer. Zó stom waren we nu
ook weer niet. Mijn nichtje had tenslotte de goede
oplossing. ‘Mijn moeder zegt, dat de kindjes van
God komen’. Dat leek mij wel logisch. Maar zou
zo’n baby dan ineens naast je in bed liggen? Het
was allemaal erg mysterieus. Ik durfde het niet aan
mijn moeder te vragen. Mijn vriendinnetjes wisten
het ook niet. Het schijnt dat moeders het in die
tijd erg moeilijk vonden om over deze zaken te
spreken.
Toen ik in de puberteit kwam ben ik op school
eens flauw gevallen. Ik schaamde me dood. Ik
werd met een auto thuis gebracht. Mijn moeder
stond met een verschrikt gezicht in de deuropening,
toen ze een spierwitte dochter uit de auto
zag stappen. Ik werd op de divan gelegd – wat
waren die divans eigenlijk heerlijke meubelstukken
– en de dokter werd geroepen. Ik weet nog als
de dag van gisteren, dat hij mijn moeder vroeg:
‘Heeft ze – moeilijk woord- al?’ Op mijn moeder’s
antwoord, zei hij streng: ‘Dan zou ik haar dat toch
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
maar gauw vertellen’. Dat moeilijke woord was
vrijwel zeker ‘menstruatie’. Mijn moeder vertelde
daarna iets vaags, maar het hoe en waarom werd
er niet bij gezegd.
Op school smoesden wij wel over ‘het’.
Toen ik op een avond met mijn vader ging
zwemmen in het Openluchtbad, ontdekte ik bij
het uitkleden in het badhokje, dat de grote
gebeurtenis had plaatsgevonden. Mijn vader zal
wel verbaasd zijn geweest dat ik nooit in het bad
verschenen ben, want ik ging in paniek naar huis.
Het enige, wat mijn moeder zei was: ‘Ben je een
grote meid geworden?’ Ik vond er niets aan om
een ‘grote meid’ te zijn met al die narigheid van
buikpijn en van die stomme gordeltjes en badstoffen
verbanden. Die had ik wel eens aan de waslijn
zien hangen, maar ik dacht toen nog dat het een
vreemd soort washandjes waren.
Op school voelde ik mij wel stoer. ‘Ik heb
“het”‘, zei ik trots en ik was de heldin van het
schoolplein, want ik was de eerste van de vriendinnetjes.
Vellen
Bij ons thuis aten we altijd a.v.g., ofwel aardappelen,
groenten en vlees. Pasta’s, pizza’s of chinees
eten werden nooit gemaakt. En buiten de deur
eten was er al helemaal niet bij, want ‘Je hebt het
nergens zo goed als thuis’. Mijn moeder kon goed
koken. Het vlees had meestal een randje vet dat ik
er direct afsneed, omdat ik dat niet door mijn keel
kon krijgen. Wij aten altijd iets na: griesmeel met
bessensap, griesmeelpap met rozijnen, havermout
of karnemelksepap met stroop. Mijn vader maakte
voor mij altijd een tekening van stroop op mijn
bord of hij schreef mijn naam. Dat vond ik prachtig,
’s Zondags was er pudding: chocoladepudding
met vanillesaus of vanillepudding. Die werd op
zaterdag gemaakt en in de kelder op de grond
gezet. Alle desserts werden zelf klaargemaakt en
kwamen niet uit een fles of kuipje. Tijdens het
afkoelen kwam een dik vel op de pudding. Vellen
vond (en vind) ik vreselijk. Ik zat regelmatig in de
warme chocolademelk te roeren om te voorkomen
dat er een vel op kwam. Ik kon geen vel zien!
Daar werd ik vaak mee gepest. ‘Kijk eens’, zeiden
mijn huisgenoten dan en dan legden ze zo’n
afzichtelijk vel over de rand van hun kopje of
beker.
De ongekookte melk werd bij de melkboer
gekocht in een melkkan en op het gasfornuis
gekookt. Je moest er wel bij blijven staan, want
voor je het wist was het overgekookt. Van de vellen,
die op de gekookte melk kwamen maakte
mijn moeder soms ‘slagroom’. Ik hoefde die slagroom
niet
Er werd weinig koffie gedronken bij ons thuis.
Als er koffie was, dan was dat koffie-extract, die
voor een aantal keren tegelijk werd klaargemaakt.
Daar werd kokende melk op gegoten. Met vellen!!
’s Avonds dronken we thee. Bij het eerste kopje
kregen we een koekje, meestal een bitterkoekje, en
bij het tweede kopje een klein stukje chocolade
van een reep, die bij de Gruyter werd gekocht.
Als kind was ik, volgens mijn ouders en de
dokter, veel te mager. Als ik uit school kwam kreeg
ik daarom een beker ovomaltine en twee biskwietjes
met dik boter. We hadden nooit margarine op
brood, maar altijd echte boter. Ook was er altijd
beleg, maar er moest één boterham ‘met tevredenheid’
worden gegeten. Daar mocht alleen boter op
worden gesmeerd. Aan de lijn doen, bestond in
die tijd niet.
Koken in een moderne
keuken: zo prees de
gemeentelijke Gas
Fabriek zichzelf aan in
1932 (Gemeentearchief
Zwolle, collectie kwitanties).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolsche sketsies van Willem Kloeke
Wil Cornelissen
Omslag van het boek
Zwolsche sketsies door
Willem Kloeke.
Op een lange winteravond kun je soms naar
de boekenkast lopen en er ‘zó maar’ een
boekje uitpakken; een boekje over Zwolle.
Als dat dan de Zwolsche sketsies zijn, dan zit je de
eerste paar uur grinnikend en met rode oortjes te
lezen. Het boekje is oorspronkelijk uitgegeven in
1930; de IJsselakademie heeft het in 1986 opnieuw
uitgegeven.
Kloeke heeft het, zoals de titel aangeeft, helemaal
in het Zwolse dialect geschreven. Maar wel,
zo staat er bij, het Zwols zoals dat in de vorige
eeuw in de binnenstad werd gesproken. Kloeke
kon daar uit eigen ervaring uit putten, want hij is
in 1852 in onze stad geboren. Hij overleed in 1934.
Ik sloeg het hoofdstuk ‘Skeldnaemen’ op. Wat
en wie werden er door Kloeke beschreven? Welke
bijnamen hadden veel Zwollenaren? Ik pikte er
een paar uit.
Er was in onze stad een meneer, en Kloeke zegt
‘dette um now maer Kees zal numen’, die door
’t leven ging als Waeter-Kees. Waarom? Omdat hij
geheelonthouder was, Kloeke zegt ‘iie was, zoo
aw’ dat tègensweurdig nuumt van de Blauwe
knoop’, en die man zei dat hij op de sociëteit
alleen maar water dronk. Misschien dronk hij ook
wel koffie of thee, zegt de schrijver, maar sterke
drank was taboe voor hem. Overigens betaalde hij
voor zijn glaasje water wèl de prijs van een borrel,
dus knieperigheid kende hij niet. Waeter-Kees gaf
ook wel geld aan arme mensen.
D’r was ook de Polletoerpoppe, dat was een
kastenmaker, die soms werd geroepen als een kast
opnieuw moest worden gepolitoerd. De Polletoerpoppe
wist ook alle ‘niejgies uut de stad’, ‘ij was ‘n
lèvendege niejspost diie van alles en nog wat wist,
zien geld wasse dubbeld en dwars weerd!’
Jópik met de Konte liep in een broek die wel
erg hoog in de bretels hing. Kloeke noemt overigens
die bretels: ‘ulpzeels.’ Natuurijk heette een
man met een grote neus De Noeuze en een advocaat
met een grote onderlip werd De Lippe
genoemd, dat is allemaal logisch. Maar waarom
De Peppernötte zo heette, wordt niet duidelijk. Er
wordt alleen verteld, dat hij ’n venindig kereltien’
was. Venijnig dus.
Veel namen sloegen op lichaamsgebreken,
zoals Mottege Kae en Kippege Sam.
Dat joden het bijvoegsel De Jeude kregen, was
me bekend. Maar Kloeke zegt ook, ‘dat d’Ummekeerde
Jeude deur d’eele stad bekend was’. Dat
was een afvallige jood. Hij was dus christen geworden,
deze Ummegekeerde Jeude!
Ook moest je niet te vaak een stopwoordje
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
W. Kloeke, de auteur
van Zwolsche sketsies;
circa 1920 (foto: Zwolsche
sketsies, Kampen
1986).
gebruiken. Zo werd de man die zijn verhalen vaak
besloot met de uitdrukking ‘Ma’k barsten as ’t niet
woeur is’ al gauw Ma’k Barsten genoemd.
Tot slot een deel van dit kostelijke hoofdstuk
geheel in het Zwols:
‘Al wat ofweek van ’t gewone, en doeurdeur
d’andacht trok, wier beskimpt en beskölden. Zoo
waren d’er driie breurs, eele braeve fesoenleke
mensen, maer mooi waeren ze now juust niiet,
d’iiene ad ’t eufd altied skiief nö rechs en d’ander
iel zien eufd altied ’n bettien skiief nö links en de
langste van de driie, dii altied in ’t midden liep, ad
’n lange ‘als en iel zien eufd zoo recht in d’eugte,
dat ’t net was off-e ’n wottel ad deur e-slokt. Diie
driie konnen zich best redden (Kloeke verduidelijkt
dit door te zeggen dat ze dus niet onbemiddeld
waren), ze gawen ieder ’t ziende, deeën gien
mense kwód, gongen op geregelde tieden kuieren,
lèfden eel regelmötig en waeren eelemöle mensen
van de klokke; is ’t dan wonder, dat ze biej zoovölle
verskil met andere mensen, met skeldnaemen
wieren beklad? De linkse, diie wat zoer keek, was ‘t
azienflessien, de rechtse, diie d’r wat vrendeleker
uutzag, was ’t öllieflessien, de langste, die in ‘t
midden liep, was de stelle van “t öllie- en azienstellechien’.
Nu er in onze tijd weer meer belangstelling is
voor de diverse Nederlandse dialecten, is het aardig
om Kloeke’s boekje nog eens ter hand te
nemen. ^^^m^^^miÊ^^^^mm
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
‘Een welgelijkend Portrait voor ƒ 5.-.-‘
Johannes Anspach (iysi-i823) in 1801 en 1811
in Zwolle
Jeanine Otten In het Gemeentearchief Zwolle bevindt zich
een paspoort voor de portretschilder Johannes
Anspach, in februari 1811 verleend door de stad
Rotterdam. Zeer opmerkelijk is dat het paspoort
voorzien is van een zelfportret van de schilder ‘en
profil’ in pen in bruine inkt.1 De letterlijke tekst
van het paspoort luidt:
‘De Maire der stad Rotterdam verklaard bij
deze, op het getuigenis van bij denzelve bekende
Ingezetenen dezer stad, dat indien Joh[anne]s
Anspach (in het hiernevenstaande declaratoir vermeld)
welke zich thans te Harderwijk bevind, binnen
deze stad Rotterdam zich in persoon sisteerde
tot opgave van zijn signalement en de ondertekening
vandien, de Maire voorn[oemd] geen zwarigheid
zoude maken, om aan hem, op zijn verzoek,
het noodige bewijs tot verkrijging van een
Paspoort te doen uitgeven.
In kennisse der waarheid is het zegel dezer stad
hierop gedrukt en deze door den Maire geteekent
den 27 van Sprokkelmaand 1811
A: van der Heim’.
Op bijgevoegde brief met zegel, recto geadresseerd
staat te lezen:
‘Mijn Heer / Den Heer Joh. Jacob Anspach /
Woonende op de Booter-Sloot / Nr 448 te / Rotterdam
franco Amsterdam
[handschrift Johannes Anspach]
dass ich bin dein dich liebenter bruder
Joh anspach
alles in aller Eyle
[drie regels in het handschrift van Johannes Anspach
doorgestreept]
Wij ondergen[oemden] Christiaan Bernard
Duffeke en Johannes Jurrien van Fliegener
wonende te Rotterdam verklaren dat wij zeer wel
kennen de heer Joh[anne]s Anspach portraitschilder
van beroep, en ook deszelfs schrift en naamteekening;
en dat wij uit herinnering van hetzelve
in vergelijking met het bovenstaande en t ommestaande
adres ons ter goeden trouwe overtuigd
houden dat de naamteekening hierboven in de
tweede regel staande, door niemand anders dan
door hem zelve is geschreven.
In getuigenis der waarheid is deze bij ons onderteekent
te Rotterdam den 26 van
sprokkelm[aand] 1811
C.B. Duffeke
J.J. van Fliegener
[handschrift Joh. Jacob Anspach]
De alom bekente Portraiteur Joh. Anspach heeft
zich zelfs dus beschreven:
“Ik ben klein van stature et wat gezet, rond van
wezen, blaauw van Oogen, / de Neus wat gebogen,
ben bruin van hairen en omtrent 60 Jaaren oud.”
Uit het hoogduitsche in het hollandsche overgezet
door diens broeder
Rotterdam den 25 feb. 1811.
Joh. Jacob Anspach’
Johannes Anspach
Wie was deze destijds alom bekende portrettist en
wie liet zich in Zwolle en omgeving door hem portretteren?
Johannes Anspach, zoon van Johan
Willem Anspach en Philippina Christina Schweikartin,
werd geboren te Nieder Ingelheim (Duitsland)
in 1751 en overleed te Rotterdam op 25 januari
1823. Hoewel hij Duitser van geboorte is, wordt
hij gerekend tot de Nederlandse schilderschool.
Vanaf 1791 was hij werkzaam in Nederland. In
december 1792 kwam hij naar Rotterdam, waar hij
zich op 8 januari 1793 liet opnemen in het schildersgilde.
Hij was ongehuwd en woonde bij zijn
broer Philip Adam Anspach. Een andere broer
was Joh. Jacob Anspach. Deze woonde op de
Botersloot 448 te Rotterdam en hij vertaalde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Johannes’ beschrijving van zichzelf, behorend bij
het hierboven geciteerde paspoort, in het Nederlands.
Johannes Anspach vervaardigde, ook op reizen
door het land, zeer veel portretten in crayon
en pastei. In zijn tijd was hij een zeer gezien portretschilder.
In het omvangrijke portret-iconografisch
apparaat van het Iconographisch Bureau te
Den Haag (hierna IB) zijn meer dan 400 portretten
van Anspach gedocumenteerd. Op een paar na
zijn het alle borststukken ‘en profil’, in een ovaal
met afmetingen van circa 10 x 14 cm. De houten
(of hout met koper belegde) lijstjes waarin de pastels
gestoken zijn, hebben veelal een dubbele rand
met een parelrand aan de binnenste zijde; de vorm
van de buitenste rand varieert.
Pastelkunst
Het tekenen met pastelkrijt staat van alle tekentechnieken
het dichtst bij de schilderkunst. Men
spreekt wel van pasteltekening bij het gebruik van
afzonderlijke lijnen en van pastelschilderij als het
eindresultaat bestaat uit gedoezelde en vloeiend in
elkaar over lopende kleuren. Anspach werkte in de
laatstgenoemde manier. Halverwege de achttiende
eeuw was de pastelkunst zeer populair geworden:
pastelkunst is snelwerkend en goedkoper dan
schilderen met olieverf. Hoewel pastelkrijt al in de
zestiende eeuw bekend was vond een grote toepassing
van de meerkleurige pastei pas plaats in de
achttiende eeuw. Frankrijk was in die tijd toonaangevend,
zowel op het gebied van de pastelkunst
als van de pastelfabricage. In Nederland
werd het pastei niet zo populair als in veel andere
Europese landen. Verondersteld wordt dat dit te
wijten is aan de Hollandse voorliefde voor degelijkheid:
pastels moeten altijd achter glas worden
ingelijst en zijn erg kwetsbaar. In de eerste helft
van de achttiende eeuw werd in Nederland het
pastei toegepast door Cornelis Troost (Amsterdam
1697-1750 Amsterdam) in zijn portretten ten
voeten uit en scènes uit kluchtspelen. Anspachs
directe voorgangers in Nederland in de tweede
helft achttiende eeuw zijn eveneens uit het buitenland
afkomstige reizende pastellisten. De gerenommeerde
Duitse schilder en portrettist Johann
Friedrich August Tischbein (Maastricht 1750-1812
Heidelberg) werkte in periodes tussen 1782 en 1794
in Nederland. Na de restauratie van de Oranjes in
1787 kreeg hij in 1788 opdracht voor het maken van
een reeks portretten van alle leden van het stadhouderlijk
gezin. Hij voerde deze opdracht niet uit
in olieverf maar maakte ovale pastelportretten die
dienden als voorbeeld voor replica’s in olieverf.2
In 1794 verliet Tischbein om politieke redenen
Amsterdam en vertrok naar Arolsen (Duitsland).
In Frankrijk was Lodewijk XVI onthoofd en als
overtuigd royalist was Tischbein bang voor een
Franse invasie.
Omstreeks 1800 is de belangrijkste pastelportrettist
in Nederland de Engelsman Charles
Howard Hodges (Portsmouth 1764-1837 Amsterdam).
Uitgeweken naar Holland in 1788 begon hij
met kleine ovale olieverfportretjes en kleine of
grotere rechthoekige pastels. Daarna vonden ovale
pastels gretig aftrek, omstreeks 1800 gevolgd
door levensgrote olieverfportretten. Hodges
maakte talrijke portretten in de omgeving van
Amsterdam en Den Haag.3 Hij portretteerde
onder anderen Rutger Jan Schimmelpenninck
Zelfportret van Johannes
Anspach (1751-1823)
in pen in bruin, afm. 8x
6 cm, in een paspoort
uitgegeven door de
Maire te Rotterdam,
februari 1811 (Gemeentearchief
Zwolle; Joos
Lensink 1999).
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ockje Groeneveld
(1748-1813), echtgenote
van Rhijnvis Feith, door
Johannes Anspach,
gedateerd 18 november
1801. Afin. 14,5 x 11 cm.
(Particuliere collectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den Haag).
(1761-1825), raadspensionaris van de Bataafse
Republiek.4
Anspach wordt gerekend tot de pastelportrettisten
van een wat minder garnituur dan Tischbein
en Hodges. Twee eind achttiende-eeuwse
kniestukken van een onbekende dame en heer
laten zien dat hij geen meester was in het perspectief.
5 Terecht heeft hij zich beperkt tot het tekenen
van borststukken ‘en profil’.
Een andere pastellist die in dezelfde tijd op
identieke wijze profielportretten maakte was de
uit Duitsland afkomstige rondreizende Wijnand
Esser (Keulen 1779 – Amsterdam 1860). Wellicht
werden Anspach en Esser voor hun profielen
geïnspireerd door het verschijnsel van de vanaf
1780 zo populair geworden silhouetportretjes. Het
silhouet is een achttiende-eeuws bedenksel, goedkoop
te maken en te vermenigvuldigen. In Nederland
waren veel Duitse silhouettisten werkzaam.
Uit advertenties in kranten uit 1794 en 1797 blijkt
hoe snel en goedkoop het maken was: in vijf
minuten konden twee silhouetten tegen twaalf
stuivers geleverd worden, of een silhouet tegen
vijftien stuivers, met wit afgezet voor een gulden
en vijf stuivers, in een medaillon voor twee gulden
en tien stuivers, in een ring voor vijf gulden.6 Ook
boekhandelaren en uitgevers zorgden voor de verspreiding
van silhouetten van bijvoorbeeld predikanten.
In de Zwolsche Courant, 27 januari 1802, 3
februari 1802,10 februari 1802 en 24 februari 1802,
liet de Zwolse boekhandelaar en uitgever Martinus
Tijl weten dat in zijn boekwinkel
‘thans [zijn] te bekomen de welgelykende
SILHOUETTES van de Zwolsche Nederduitsche
hervormde Leeraaren AITTON, SMIT, TINEKEN
en YSENDYK, met Lyst en Glas voor 2 Gulden het
stuk, en zonder Lyst en Glas a 1 Gulden. Als ook de
Silhouette van wylen den Wel Eerw. Heer
H. ADAMA7, voor dezelfde pryzen, als eerst
gemelde.’
Door middel van advertenties in de plaatselijke
kranten maakte Anspach bekend dat hij tijdelijk
in een stad aanwezig was en dat men zich bij hem
kon laten portretteren. Uit de advertenties blijkt
dat hij kriskras door het land reisde. Zo adverteerde
hij op 29 juni 1791 in de ‘s-Gravenhaagsche Courant:
‘fijnschildêr van Delft naar ‘s-Gravenhage
gekomen.’ Op 22 februari 1792 schreef hij in de
‘s-Gravenhaagsche Courant: ‘kunstschilder van
zijn reizen uit Duitsland, weer naar ‘s-Gravenhage
gekomen.’ Er komen ook advertenties voor in de
Rotterdamsche Courant in 1792, 1793, en 29 mei
1798. Anspach tekende niet alleen portretten maar
verwerkt ook mensenhaar en onder meer ‘hairpaerlen
of coralen, tot hals- en oorcieraadjes.’ In de
advertenties noemt hij zich steeds ‘pourtraiteur.’
Kramm, die in 1811 de kunstenaar zelf nog aan
het werk heeft gezien, vermeldt: ‘In veele aanzienlijke
huizen vindt men soms een aantal van zijne
werken, welke men dan ook voor zijne beste mag
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
houden, als hem ruimer beloond geweest zijnde,
dan door de burgerklasse, voor wie hij zich óók
dienstbereidvaardig betoonde. Ik herinner mij
zeer goed, dat ik als jongeling, te Utrecht veel naar
zijn kunstarbeid kwam zien; dit was in 1811, en dat
ik in hem een vriendelijken, hupschen, vluggen en
eenvoudigen kunstenaar aantrof, van wien ik
eenige jaren later niets meer heb vernomen.’8
Bezoeken aan Zwolle
Ook in de Zwolsche Courant kan men advertenties
van )ohannes Anspach aantreffen. Allereerst werd
gezocht naar advertenties in 1811, het jaar waarin
Anspachs paspoort werd verleend. In de Courant
van het Departement der monden van den Yssel,
zoals de Zwolse Courant tijdens Napoleon tijdelijk
heette, van 30 augustus 1811 en 3 september 1811 liet
Anspach weten: ‘Aan Vrienden en Begunstigers
der edele Pourtraiteerkonst in deze Stad Zwolle en
elders wordt bekend gemaakt, dat de in deze konst
zoo vergevorderde Pourtraitteur JOH. ANSPACH,
waarvan hij reeds in het jaar 180:1 alhier bewijzen er
van heeft afgelegt, is aangekomen, en is te spreeken
of te ontbieden ten huize van W. WERNER, Mr.
Timmerman in de Goudsteeg, het meest in
gebruik zijnde Pourtrait, een Profil, is, met een
schoone Lyst en Glas, ƒ 7-:-:, zonder Lyst, ƒ 5-:-:
Het meerdere kan bij hem gezien of vernomen
worden, van al de geene die er maar eenig belang in
zullen stellen. Het door de meerderheid niet gelykend
bevonden Pourtrait blyft voor rekening van
den Konstenaar.’
Tweeënhalve maand later vinden we op 19
november, 22 november en 26 november 1811 de
volgende advertentie: ‘De portraiteur JOH.
ANSPACH, is van Meppel in deze Stad Zwolle
weder gearriveerd, en is zoo al reeds bekend
gemaakt is, te spreken of te ontbieden ten Huize
van W. WERNER in de Goudsteeg No 10. Daar nu
zijn verblijf, zonder bezigheden, kort van duur zal
wezen, worden de Liefhebbers verzocht, zoo spoedig
mogelijk bestellinge te doen. De Prys is matig;
die verkiest van Lijst en Glas er bij te geven, heeft
een welgelijkend Portrait voor ƒ 5-:-: Nog veertien
dagen zal hij in deze Stad vertoeven.’
Uit de advertenties van augustus en september
1811 blijkt dat Anspach in 1801 ook al in Zwolle verbleef.
In de Zwolsche Courant, 31 oktober 1801 staat
de volgende merkwaardige advertentie:
‘De zo door zyn werk als ook door de Couranten
op veele plaatzen zo zeer bekende PORTRAIT-
SCHILDER en KONSTWERKER IN
MENSCHEN HAIR, brengt de Liefhebbers der
konst tot kennis, dat hy alhier te ZWOLLE is aangekomen.
Die geene welke nu gebruik van zyn
werk gelieft te maken, vooral van de PROFILPORTRAITJES,
die door hem in het land zyn
bekend gemaakt, voor de zo gematigde prijs van 6
guldens, met Lyst en Glas en voor het wel gelyken
hy in staat, zo dat de geene die hem noch niet kennen,
niet bevreest behoeven te weezen. Hy werkt
Rhijnvis Feith (1753-
1824), door Johannes
Anspach, gedateerd 15
november 1801. Afin.
14,5 x 11 cm. (Particulierecollectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den
Haag).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hondje Lindor (1794-3
juli 1809) door Johannes
Anspach, gedateerd
1802. Afm. 11 x 14,5 cm.
(Particuliere collectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den Haag).
ook op eene byzondere manier in Menschen hair,
zelfs Portraitten, daar de Hairen op het hoofd, in
plaats van getekend, met levend Hair gepapt, en
eene nieuwe manier van SILHOUETTEN, onder
de naam van KONST-SILHOUETTEN. Iemand
genegen zynde van het bovenstaande en noch
meer te zien, en hem met deszelfs gunst willende
vereeren, vervoege zich ten huize van J.F. Henning,
Banketbakker by de grote Kerkhof, liefst van
itot3 uren.’
De advertentie is opmerkelijk om twee redenen:
ten eerste verzuimt Anspach in de advertentie
zijn naam te vermelden en ten tweede blijkt uit
de advertentie dat hij mensenhaar verwerkt in
portretten. Of er dergelijke portretten van zijn
hand de tand des tijds hebben doorstaan is niet
bekend. Als we verder de prijzen uit 1801 en 1811
met elkaar vergelijken zien we dat in tien jaar tijd
Anspachs prijs voor een pastelportret met lijst en
glas met een gulden gestegen is (6 gulden in oktober
1801 en 7 gulden in augustus-september 1811).
Het vervaardigen van een pastelportret duurt aanzienlijk
langer dan een silhouet en is daarom aanmerkelijk
duurder.
Twee weken na de advertentie van oktober
1801 liet op 15 november de bekende Zwolse dichter
Rhijnvis Feith (1753-1824) zich door Anspach
portretteren. Zijn echtgenote Ockje Groeneveld
(1748-1813 Boschwijk) werd drie dagen later door
Anspach getekend. De portretjes hebben nogal
geleden: in vergelijking met andere portretten
door Anspach is het kwetsbare pastei vervaagd
waardoor de geportretteerden wat diffuus overkomen.
Waarschijnlijk eveneens in november 18019
ontstonden nog twee ongedateerde portretten:
van één van de dochters van Feith, Henriette
Engelina (Zwolle 1777-1851 Kleef) en van haar
echtgenoot Onno Zwier van Sandick (Den Haag
1759-1822 Den Haag).10 Kort daarna, begin 1802,
maakte Anspach een pastei van het hondje van het
echtpaar Feith-Groeneveld, dat luisterde naar de
naam Lindor (1794-3 juli 1809).” Of ook het overige
Zwolse patriciaat zich door Anspach liet portretteren
is niet bekend. Van bekende Zwolse
families zoals Van Haersolte, Van Fridagh, Van
Isselmuiden, Sloet, Queijsen, Crans, Scriverius,
Royer, Van der Gronden en Pruimers, om maar
enkele te noemen, zijn geen portretten door
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Anspach bekend. Een onbekend gebleven portretje
door Anspach uit 1804 was in het bezit van mr.
Jan Isaac van Doorninck (1804-1889 Zwolle),
advocaat en procureur te Deventer, sinds 1869
archivaris van Overijssel te Zwolle. Hij was in 1866
gehuwd met Alida Adolphine Anspach; misschien
een ver familielid van deportrettist.12
Anspach was in de loop van de tijd regelmatig
in Overijssel werkzaam. Enkele maanden nadat hij
de familie Feith had getekend werkte Anspach in
Deventer en Kampen. In de Zwolsche Courant van
6 maart 1802 en 10 maart 1802 liet Anspach weten
dat hij in Deventer was aangekomen:
‘DEVENTER. De POURTRAITSCHILDER
EN KUNSTWERKER IN MENSCHEN-HAIR,
JOH. ANSPACH, die meer dan vier maanden
lang, met veel succes in ZWOLLE veel personen
gepourtraitteert heeft, is thans alhier in Deventer
aangekomen, maar daar hy belofte gedaan heeft,
noch deezen zoomer, op meer plaatsen te komen,
kan hy zich niet langer dan omtrent 6 weeken blyven
ophouden. Die gene welke hem met zyne
gunst gelieven te vereeren, om zich te laten pourtraitteren,
gelieve zich hoe eerder hoe liever te vervoegen
ten Huize van A. de VRIES, Horologiemaker
aan den Brink, daar hy gelogeert is. Ook
zyn by hem fraaye Lysten voor Silhouette te bekomen.’
Twee maanden later was Anspach in Kampen.
Op 2 juni 1802 portretteerde hij Nicolaas Samuel
Rambonnet (Kampen 1781-1870 Huis Vogelenzang,
Hattemerbroek)13 als luitenant der Bataafse
Ruiters. Vermoedelijk in opdracht van Nicolaas
maakte Anspach elf jaar later, op 23 september
1813, als pendant een postuum portret van zijn
overleden vader Frederik Louis Rambonnet
(Kampen 1751-1811 Kampen).14 Anspachs signatuur
aan de achterzijde van het portretje van
Nicolaas Samuel Rambonnet is goed zichtbaar.
Op een oud etiket aan de achterzijde van het portret
van Frederik Louis Rambonnet staat: ‘Johan
Anspach 1813 9/23 gemaalt.’
In juni, juli en augustus 1802 portretteerde hij
(vermoedelijk in de omgeving van Kampen) leden
van de familie Van Ittersum: op 14 juni Anna
Johanna Judith Sloet tot Plattenburg (1756-1816),’5
weduwe van Frederik Alexander van Ittersum; op
Nicolaas Samuel Rambonnet
(1781-1870) door
JohannesA nspach,
gedateerd 2 juni 1802.
Afm. 13,$ x 11 cm. (Particuliere
collectie. Foto:
Iconographisch Bureau,
Den Haag).
De achterzijde van het
portret van Nicolaas
Samuel Rambonnet,
gesigneerd en gedateerd:
‘]oh. Anspach /1802 61 2
gemaalt.’ (foto: Iconographisch
Bureau, Den
Haag).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ernst Hendrik van
Ittersum (1780-1848)
door Johannes Anspach,
gedateerd 5 augustus
1802. Afin. onbekend
(Particuliere collectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den Haag).
19 juni zoon Lodewijk A. van Ittersum (1779-
1812)’6 als cadet in uniform; op 7 juli zoon Willem
van Ittersum (1776-1854)17 eveneens in uniform
met epauletten, en vermoedelijk terzelfder tijd
diens echtgenote Geertruyd Agnes de Vos van
Steenwijk (1776-1830).’8 Een derde zoon liet zich
op 5 augustus 1802 portretteren: Ernst Hendrik
van Ittersum (1780-1848).19 Ietwat bevreemdend is
het bijschrift bij dit laatste portret: ‘in politiek 6/11
[11-6] den 18 juni van Zutphen den 5 Aug. in
’t land gezeild’. De betekenis van deze woorden
blijft bij gebrek aan biografische gegevens over
Ernst Hendrik in het duister gehuld. Mogelijk
kwam Ernst Hendrik, na
het sluiten van de Vrede van Amiens met Engeland
op 2 juni 1802, vanaf 11 juni weer ‘aan de bak.’
Op zeker moment vertrok hij echter naar Oost-
Indië, keerde in 1816 terug en huwde in 1825 met
Johanna Philippina Wilhelmina van Westerholte
tot Hackfort (1797-1859).20
Tot slot lieten ook leden van de familie Bentinck
zich in de periode 1802-1820 door Anspach
portretteren. Op 6 februari 1802 liet Carolina
Medioburgensis van Borssele (Den Haag 1758-
1837 Zwolle),21 echtgenote van Berend Hendrick
Bentinck tot Buckhorst, zich door Anspach vereeuwigen.
In dezelfde tijd ontstond ook het pendant
van haar zoon Jan Hendrik Coninck Bentinck
tot Buckhorst (Zutphen 1787-1839 Zwolle).22
Beide portretten moeten, gezien Anspach verblijf
in Zwolle in de periode november 1801-maart
1802, in deze stad zijn ontstaan.
Mogelijk in augustus-september of
november-december 1811, ten tijde van
zijn advertenties in de Courant van
het Departement der monden van
den Yssel, vervaardigde Anspach
in Zwolle twee ongedateerde
portretten van een zoon en
dochter van Berend Hendrik
Bentinck tot Diepenheim en
Bonne Elisabeth Juliana du
Tetre. Het waren Derck Bentinck
tot Diepenheim (Huis
Schoonheten 1741-1813
Zwolle),23 tot de omwenteling
van 1795 o.a. drost van
Salland, daarna lid van het
departementaal bestuur van
Overijssel en Landdrost, in
die tijd wonend in de Diezerstraat
te Zwolle, en zijn zuster
Maria Wilhelmina Bentinck
(1744-1812 Zwolle),24 abdis van
het Stift ter Hunnepe. De laatste
twee portretten door Anspach van
leden van de familie Bentinck zijn niet
geïdentificeerd: op 1 augustus 1814 tekende
Anspach een onbekende dame25 en op 23
februari 1820 een onbekende heer.26
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
Noten:
ï. Gemeentearchief Zwolle, AAZ01, inv.nr. 5353.
2. N. Dekking e.a. (samenst.), Tischbein: een reizend
portrettist in Nederland (Utrecht 1987), 19,31.
3. ‘Het pastei in Nederland’, in: A. Staring, Kunsthistorische
verkenningen (Den Haag 1948), 96.
4. Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. A4227.
5. Den Haag, Iconografisch Bureau (IB).
6. ‘De silhouette in Nederland’, in: Staring, Kunsthistorische
Verkenningen, 120-131.
7. Hendrik Arnold Aitton (1753-1819) was gedurende
1785-1805 predikant te Zwolle. Marten Smit (1757-
1833), stond van 1797-1833 in Zwolle. Wernerus Tieneken
(1759-1829), stond 1798-1827 in Zwolle. Zie
voor een in prent gebracht portret van Tieneken
door H.W. Caspari, uitgegeven door J. v.L. Hulsebosch
1804: J.F. van Someren, Beschrijvende catalogus
van gega veerde portretten van Nederlanders, 3
dln. Amsterdam 1888-1891, nr, 5561. Arent van Ysendijk
(1759-1818), was van 1800-1802 predikant te
Zwolle. Zie voor een in prent gebracht portret van
Van Ysendijk: Van Someren, Catalogus van portretten,
nr. 6256. Henricus Adama (1729-1797) was van
1762-1797 predikant te Zwolle. Een getekend silhouet
van Adama, omgeven door vanitas-attributen,
met daaronder een 8-regelig vers door A. van Meden,
weduwe Snel, bevindt zich in de collectie van
het Stedelijk Museum Zwolle, inv.nr. 53-1.
8. C. Kramm, De Levens en Werken der Hollandsche en
Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en
bouwmeesters van den vroegste tijd tot op onzen , dl.i
(Amsterdam 1857), 19-20.
9. Op 10 juli 1801 vermeldt Rhijnvis Feith in een brief
aan P. Pijpers dat zijn dochter Henriette Engelina
en haar man Onno Zwier van Sandick waarschijnlijk
in oktober 1801 in Zwolle zullen aankomen.
J.C. Streng (ed.), ‘Zo als men aan gemeenzaame
vrienden gewoon is te schrijven’: de correspondentie
van Rhijnvis Feith 1753-1824 (Epe 1994), 145.
10. Particuliere collectie, resp. IB 53189, zonder jaar en
IB 53218, zonder jaar.
11. Collectie Familievereniging Feith, IB 58678, 1802.
Afgebeeld in Gelderman, Hagedoorn, 63.
12. J. Anspach, ‘De familie Anspach’, in: De NederlandscheLeeuw^
i (1894) nr. 7, k. 103, k. 109.
13. Particuliere collectie, IB 13310.
14. Particuliere collectie, IB 13312.
15. Particuliere collectie, IB 36220.
16. Particuliere collectie, IB 36219.
17. Particuliere collectie, IB 36224.
18. Particuliere collectie, IB 36226.
19. Particuliere collectie, IB 36225.
20. Zwolle, Rijksarchief in Overijssel. Familiearchief
Van Ittersum, inv.nr. 523, Genealogie van het Geslacht
Van Ittersum (v. Spaen), fol 14.
21. Particuliere collectie, IB 74035.
22. Particuliere collectie, IB 74036.
23. Particuliere collectie, IB 74038 (afgebeeld in: A.J.
Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Twente en
hun bewoners (Zwolle 1995), 178, abusievelijk als Berend
Bentinck tot Diepenheim) en IB 74039.
24. Particuliere collectie, IB 74026.
25. Particuliere collectie, IB 74091.
26. Particuliere collectie, IB 74090.
6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse carillon 70 jaar
Leon van der Eijk Twaalf jaar, nadat in 1815 het bovenste
gedeelte van de toren van de Onze-Lieve-
Vrouwekerk te Zwolle door brand was verwoest,
verscheen er een gedicht onder de titel ‘De
Zwolsche Toren Spreekt.’ In dit gedicht wendt de
toren zich, bij monde van boekhandelaar en uitgever
Hendrik Assuerus Doijer (1791-1866) op smartelijke
wijze tot de Zwolse bevolking met de beginregels:
‘Ik bid U, Zwolsche Burgerij!
Ai zie, en spiegel U aan mij,
En let wat al beziens hij geeft,
Die aan den weg getimmerd heeft:
Hoe ’t vuur des hemels ’t eerste treft,
Al wat zich hier te hoog verheft; ‘
En verder:
‘Daar sta ik, van mijn spits beroofd,
Nu als een oude zot, wiens hoofd
Geen hoed, noch zelfs een slaapmuts dekt,
Schoon dat de hemel telkens lekt, ‘
Nadat deze klaagzang zich nog enige tijd heeft
voortgezet, wordt er op verwijtende toon herinnerd
aan de vele goede diensten, die de toren de
Zwolse bevolking bewezen heeft:
‘Ik die met statig-klokgebrom,
Oranje’svadren ‘twellekom,
Aan ’t Katerveer reeds weten deed,
Eer dat hun trein de stad in reed;
Die steeds gedeeld heb in Uw vreugd,
En vrij al luider dan Uw jeugd,
Ook zonder aardig klokkenspel,
Weleer verkocht, dat evenwel
Mij innig spijt, wijl men aan ’t geld
Zich blaauwe vingers heeft geteld; ‘
In dit laatste citaat wordt gewag gemaakt van luidklokken
en een klokkenspel die verkocht zouden
zijn. Aan de opbrengst ervan zouden de Zwollenaren,
al tellende, blauwe vingers hebben overgehouden.
Het verhaal over die luidklokken klopt, maar
daarna wordt er een soort pastiche gemaakt van
enkele historische feiten en een hardnekkige
legende. Volgens die l

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 1

Door | 2000, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Elie Denneboom –
Hoofd der joodse school
P R I J S F 1 2 , 5 0
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
reeniging (Union postale universelle)
DRUKWERK
Gemeente
Zwolle,
archief
Zwolle ‘• ln U’Oudu Gaper, Diczcrstraat -^.
Ansichtkaart In d’Oude Gaper, Diezerstraat
Poststempel 28 december 1911
‘B.T.
We komen wel een beetje vroeg met onze wenschen
maar daarom zijn ze niet minder goed gemeend, dat
1912 veel gelukkigs voor jullie weggelegd heeft hopen
we van harte. Vandaag waren Moe en ik in Almelo
en heeft Zus ons heerlijk voort geholpen. Wil je
Martha wel bedanken voor de attentie op m’n jaardag?
Van ons allemaal hele hartelijke groeten aan
Moeder, Martha en de jongens en jij een zoen van
Keegie(?), Debbie en Lia.
Kom je in 1912 nog eens met je moe bij ons?’
In 1911 was drogisterij De Oude Gaper al bijna 130
jaar in hetzelfde pand in de Diezerstraat (nr. 14)
gevestigd. Daarvoor zat er een kaarsenmakerij,
annex grutterszaak. In 1785 kwam er een nieuwe
eigenaar die de zaak uitbreidde met drogerijen. De
eigenaren van de drogisterij waren steeds aan
elkaar verwant. In 1911 werd de zaak gedreven door
J. ten Doesschate. Toen deze in 1916 overleed werd
hij opgevolgd door zijn schoonzoon J.S. Piquet,
de eerste van drie generaties Piquet die ruim
zeventig jaar aan de drogisterij verbonden bleven.
De familie Piquet handhaafde het originele gezicht
van de winkel, waardoor deze steeds meer een bijzonderheid
werd. Toen de drogisterij begin jaren
negentig dreigde te verdwijnen, ontstond er spontaan
een actiecomité tot behoud.
Onder voorwaarde dat het vertrouwde uiterlijk
gehandhaafd werd, was er van 1992 tot 1996 een
Trekpleister filiaal gevestigd. Daarna werd het een
Benetton winkel, waarmee De Oude Gaper (voorlopig?)
zijn drogisterijbestemming verloor, maar
het oude karakter is nog herkenbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In dit nummer worden veel herinneringen opgehaald.
Ank Meliesie-Appelhof liep als jong meisje
door de weilanden naar Herfte. Zij heeft voor de
naam ‘Kindertjesweilanden’ een waarschijnlijk
juistere verklaring dan ons redactielid Wil Cornelissen.
Deze beweert dat de naam komt van de ooievaars
die daar de kindertjes neerlegden. Verder
komen herinneringen aan kinderspelen en warme
familieverhalen naar boven.
Nog meer herinneringen, maar dan aan de
bezettingstijd spelen een grote rol in het verhaal
van Willem Boxma. Wat weet hij nog van de Duitse
militair die in zijn huis werd ingekwartierd?
Een triest verhaal – over de joodse Zwollenaar
Elie Denneboom – is van de hand van Iet Erdtsieck.
Bij alle artikelen over rechtsherstel die de
laatste tijd gepubliceerd worden, kan nu ook dat
van Elie Denneboom en zijn gezin worden
gevoegd.
Een ansichtkaart, boekbesprekingen en een
reactie van Jan Drentje op een eerdere boekbespreking
completeren deze maal het tijdschrift.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en wim Huijsmans 2
Herinneringen (3) J.A.M. Meliesie-Appelhof 4
Willy Arsenault Wil Cornelissen 10
Zwolle’s bange dagen. Wat ik nog weet van Zwolle ’40-’45
Willem Boxma 11
Elie Denneboom – Hoofd der joodse school
Iet Erdtsieck 23
Boekbesprekingen 29
Mededelingen 32
Auteurs 34
Omslag: Geallieerde vliegtuigen vliegen over Zwolle naar Duitsland.
Deze foto van de ‘schrijvende vliegtuigen’ is in november 1943 gemaakt.
(Stichting Collectie Zwolle 1940-1945)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (3)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
De tuin van Eekhout
was een geliefde bestemming
voor een wandeling
met kleine kinderen
vanuit de Oude Vismarkt
(particuliere collectie).
Natuur
In de loop der jaren is er heel wat natuur uit
Zwolle verdwenen. Toen de stad zich uitbreidde,
zijn veel weilanden volgebouwd met huizen
en andere gebouwen. Zo is achter de Isala klinieken,
locatie Sóphia (zoals het vroegere Sophia-
Ziekenhuis tegenwoordig heet), nog maar weinig
overgebleven van de voormalige Kindertjesweilanden.
In die weilanden heb ik als meisje veel tijd
doorgebracht met vriendinnetjes.
De Kindertjesweilanden (deze naam zou te
maken hebben met de eigenaar van de grond, het
Hervormd Weeshuis) waren vrij groot. De velden
begonnen achter de De Genestetstraat en de Bilderdijkstraat
en liepen door tot aan Herfte. De
graslanden werden doorsneden door sloten, waar
je via vlondertjes overheen kon. Die vlondertjes
bestonden uit één enkele plank met een leuning.
Er bloeiden veel bloemen. We plukten regelmatig
boterbloemen, pinksterbloemen en dotterbloemen
en die namen we mee naar huis voor
onze moeders. Zij deden altijd alsof ze daar erg blij
mee waren en zetten ze in een vaas.
’s Zomers graasden er koeien en lag het gras
vol koeienvlaaien, waar we met een stok in roerden
en ook wel eens per ongeluk in trapten. In mei
zochten we kievitseieren; niet om mee te nemen,
maar alleen om naar te kijken. Die eieren waren
moeilijk te vinden, want de kieviten trachtten de
indringers luidkeels op een verkeerd spoor te zetten.
In de sloten krioelde het van de beestjes. Er
waren waterspinnen, kikkers, salamanders, waterjuffers
en veel andere amfibieën en insecten. Met
een leeg emmertje met een handvat, waaraan we
een touw hadden vastgemaakt, gingen we vaak
donderpadjes – zoals wij de kikkervisjes noemden
– vangen. Ik heb er heel wat mee naar huis genomen
en in een ronde glazen kom gegooid. De
milieuactivisten griezelen daar tegenwoordig van,
maar in die tijd wist je niet beter. Een enkele keer
namen we salamanders mee.
Ik herinner me niet dat er ooit één van de diertjes
die we meenamen, is doodgegaan. We gooiden
ze na een tijdje terug in de sloot. De donderpadjes
kregen eerst achterpootjes. Ik heb nooit
meegemaakt, dat ze voorpootjes kregen en kikkertjes
werden. Dat duurde me te lang. Voor die tijd
had ik ze allang de vrijheid gegeven!
Achter het Weezenland, het Jaagpad en de
Assendorperdijk strekten zich ook weilanden uit.
In het najaar werden die onder water gezet en als
het vroor deden ze dienst als ijsbaan. Daar groeiden
kievitsbloemen. Een enkele keer namen we
die paarse, gestippelde bloemen wel eens mee,
maar dat was geen succes. In een vaas gingen ze
onmiddellijk hangen.
Als het niet regende waren we in de vakanties
de hele dag buiten: in het zwembad of in de vrije
natuur. En in mijn herinnering scheen de zon bijna
elke dag!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wandelen
Wandelen is nooit mijn favoriete vrijetijdsbesteding
geweest. Lopen langs smalle bospaadjes of
langs het strand vind ik heerlijk, maar om door de
straten te wandelen is voor mij een noodzakelijk
kwaad. Je schiet niet op!
Op zon- en feestdagen trok menig gezin vroeger
de wandelschoenen aan. Ook mijn zus en ik
gingen met onze ouders op zondagmiddag op
pad. We liepen door de Kindertjesweilanden naar
Herfte en via de Wipstrikkerallee terug. Ik slofte
achteraan of rende vooruit. Mijn vader droeg een
gleufhoed, zoals alle vaders in die tijd en zwaaide
met een wandelstok, die ik ook wel eens mocht
vasthouden. Ook moeder droeg een hoed. Wij
hadden onze zondagse jurk aan – die tot ‘daagse
jurk’ werd gebombardeerd als er een nieuw exemplaar
was gemaakt – en smetteloze witte sokjes, die
bij mij nooit lang smetteloos bleven. Ook mijn
schoenen hadden al gauw kale neuzen, want ik
schopte tijdens die saaie wandelingen overal
tegenaan. Zo nu en dan gingen we naar het Engelse
Werk. We namen dan brood mee voor de karpers,
die we vanaf de bruggetjes voerden. Ze kwamen
met hun grote bekken boven water en hapten
de brokken in één keer op.
Toen ik klein was en wij nog op de Oude Vismarkt
woonden, ging mijn moeder met mij naar
de Tuin van Eekhout. Daar was een grote volière
met vogeltjes. Verder was en een grote zandbak,
waar ik helaas niet in mocht spelen, want dat was
vies.
In die tijd ging je bijna overal lopend naartoe.
We wandelden bijvoorbeeld naar oma of naar een
tante. Op die wandelingen nam ik altijd mijn ‘fantasie-
hondje’ mee. Vanaf het moment dat ik kon
schrijven, stond bovenaan mijn verlanglijstje ‘een
hond’. Ik heb er echter nooit één gekregen, want
mijn ouders hielden niet zo van huisdieren. Mijn
vader had het altijd plagend over ‘een lila hondje
met een groen staartje’.
Ik nam het beest altijd mee aan de lijn. Als we
bij mijn tante die destijds aan de Thorbeckegracht
woonde, op bezoek gingen, bond ik het dier – dat
geen naam had – aan een ijzeren hek. Volgens mijn
moeder vergat ik nooit de hond mee te nemen als
we weer naar huis gingen.
Met de zondagse kleren
aan ging vader wandelen
met zijn twee dochters
(particuliere collectie).
Langs het water aan de Diezerkade was een
muurtje. Daar liep ik altijd overheen, terwijl mijn
vader of moeder mijn handje vasthield. Zo werd
een wandeling toch nog een prettig avontuur.
Waarom wij meestal liepen en niet met de fiets
naar de stad gingen weet ik eigenlijk niet. Waarschijnlijk
omdat lopen gezond is.
Spelen
Jaren geleden kon je nog ongestoord buiten spelen.
Er waren veel kinderen in onze buurt en op
zomeravonden waren er altijd genoeg speelgenoten.
We deden ‘tegenlopertje’. Één meisje – we
speelden alleen met meisjes – liep een blokje om en
de anderen gingen in tegenovergestelde richting.
Als de ploegen elkaar tegenkwamen trachtte de
tegenstandster zoveel mogelijk personen te tikken,
die dan tot de ‘tikkers’ ging behoren. Dit duurde
net zo lang, totdat er nog maar één over was. Die
had gewonnen.
Verder speelden we verstoppertje, beeldenZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bellen blazen met een
stenen pijpje en een
bakje sop (particuliere
collectie).
trekkertje en ‘trioele’. Je stak de straat over en als je
op een put ging staan kon je niet afgetikt worden.
Ook op het speelplein en op de Turfmarkt,
waar onze lagere school lag, werd voor schooltijd
en in de pauze verwoed gespeeld. ‘Bok, bok, hoeveel
horens’ was een geliefd tijdverdrijf. Dat spel
was niet van gevaar ontbloot, want de ‘bok’ stond
bij een ijzeren hek met scherpe punten. Het was
niet denkbeeldig, dat je bij een flinke sprong op de
bokkenrug op zo’n punt terecht kwam. Overal
was een tijd voor. We hadden springtijd, knikkertijd
en toltijd. Tollen deden we met een priktol
met een touwtje of met een zweeptol. Je had tollen
met een appel- of met een peerpunt. We versierden
de tollen met mooie kleuren of met punaises.
Met je eigen tol probeerde je de tol van een ander
te raken.
Rolschaatsen heb ik erg veel en graag gedaan.
We kochten rolschaatsen bij Ester, op de hoek van
de Rhijnvis Feithlaan en de Vechtstraat, voor
ƒ 12,75. Als een wieltje versleten was kochten we
een nieuw.
’s Winters en bij regenachtig weer moesten we
ons binnenshuis vermaken. Er werd veel gelezen
bij ons thuis. Op zaterdagmiddag haalde ik altijd
boeken bij de bibliotheek aan de Kamperstraat.
We luisterden naar hoorspelen op de radio. Zo
was er op zondagmiddag Ome Keesje en later de
familie Doorsnee. Ook de Bonte Dinsdagavondtrein
vonden we erg leuk. Op zondagmiddag zat
mijn vader altijd naar de voetbaluitslagen te luisteren.
Hij schakelde naar alle sportprogramma’s.
‘Nu gelooft hij het nog niet’, merkte een oom uit
Enschede, die vaak bij ons was, dan op.
’s Zpndagsmiddags zaten we, als er visite was,
gezellig om de grote tafel pinda’s te pellen. We
kwartetten en speelden het ‘vijf minutenspel’. In
de krant werd een letter geprikt en dan moest je
zoveel mogelijk plaatsnamen opschrijven, die met
die letter begon. We hadden een leuk knikkerspel,
dat regelmatig van de zolder werd gehaald. Soms
leende mijn vader een tafelbiljart van een kennis
uit de buurt. Mijn ouders bridgeten regelmatig.
Ik kan me niet herinneren, dat we ons vaak
verveelden, al hadden we geen televisie en gingen
we weinig uit. Verjaardagsfeestjes bij vriendinnen
of een enkele keer naar een middagvoorstelling in
de bioscoop aan de Diezerstraat waren de enige
verzetjes. Maar we hadden er genoeg aan!
Kattenkwaad
De jeugd van vroeger was zeker niet braaf. Als
kind vond ik het leuk wanneer mijn vader vertelde
van de streken, die hij en zijn vrienden uitgehaald
hadden. Hoewel hij in de binnenstad woonde was
er gelegenheid genoeg om op straat te spelen,
omdat !er nauwelijks verkeer was. Hij voetbalde
vaak op het Grote Kerkplein. Dat moest stiekem
gebeuren, want eigenlijk was dat verboden. In die
tijd liepen er nog genoeg agenten – ‘tuutes’ in het
Zwols -! door de Zwolse straten. Echte voetballen
zag je |overigens alleen op het voetbalveld. De
straat)o’ngens trapten tegen een van papier gefabriceerde
bal of tegen een klein balletje. Mijn
vader was er, althans volgens hemzelf, erg handig
mee. Als ‘Bromsnor’ de jongens betrapte, pakte hij
de bal af. De jongelui renden dan achter hem langs
en als ze daar de kans voor kregen, sloegen ze de
bal uit zijn handen en gingen er vandoor. Op veilige
afstand stonden ze dan te schelden: ‘Wat zit er
aan de koffiepot, een tuuuute!’
In mijn kindertijd was vooral belletje trekken
een geliefd tijdverdrijf. Wanneer wij uit de stad
kwamen en langs de huizen van de Rhijnvis Feithlaan
liepen, was de verleiding erg groot om een
ruk aan die ouderwetse trekbellen te geven. Je
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
moest het niet te hard doen, want dan had je kans
om de hele belknop in je hand te houden.
Een andere flauwe grap was een portemonnee
aan een dunne draad op de stoep leggen. Je ging
dan achter een tuinmuurtje zitten en als een voorbijganger
de portemonnee wilde oprapen, trok je
het ding snel naar je toe. De kans bestond dat het
touwtje knapte. Dan was je je eigendom kwijt! Het
was ook een leuke mop om iemand te vragen,
waar meneer De Haan woonde. Als de meneer of
mevrouw serieus nadacht riep je ineens: ‘In het
kippenhok’ en dan rende je weg.
Nu vind je dit natuurlijk verschrikkelijk kinderachtig,
maar toen vonden we het allemaal erg
grappig en stoer. En we deden er niemand kwaad
mee.
Zwemmen
Vanaf mijn zesde jaar heb ik in de Brederostraat
gewoond. Wij woonden dichtbij het Openluchtbad,
waar ik de edele zwemkunst machtig ben
geworden. Eerst zwom je in het ondiepe bad aan
de hengel en later met kurken. Als je enigszins
gevorderd was ging je aan de ‘lange lijn’. Ik heb
onder meer zwemles gehad van badmeester Ter
Haar en van een juffrouw, die altijd riep: ‘Eénoö
spreid sluit’.
Je kon een abonnement kopen voor één of
voor twee gulden. Wij hadden het duurste abonnement,
want dan kon je op alle uren in het zwembad
terecht. En ik heb er, met mijn vader en zus en
later met schoolvriendinnetjes, vele uren doorgebracht.
Mijn vader kon goed zwemmen. Hij dook
als de beste. ‘Ik ga er op de kop in,’ noemde hij dat.
Hij kon meters onder water zwemmen en ik zat
dan vreselijk in angst, dat hij nooit meer boven
zou komen.
We hadden altijd erg veel lol op het vlot. Je
probeerde er zo lang mogelijk op te blijven zitten
en klemde je aan de bovenrand vast als het gevaarte
topzwaar werd. In de zomervakantie gingen we
altijd ’s morgens zwemmen. Soms namen we
brood mee en bleven de hele dag in het zwembad.
’s Morgens was er altijd een groepje dames. In
onze ogen waren ze al vrij oud, maar misschien
waren ze nog geen veertig! De meesten waren vrij
corpulent en we vonden het leuk om met hen op
het vlot te gaan, want dan was het gauw topzwaar.
De dames gleden dan gillend het water in. Later is
het vlot verdwenen. Eigenlijk was het vrij gevaarlijk,
want je kon je lelijk bezeren en er zelfs onder
geraken. Er is trouwens nooit iets ernstigs
gebeurd.
Op de Oude Vismarkt
kon je heel goed meteen
vliegende Hollander rijden;
dat ondanks het
bepaald niet gladde
wegdek (particuliere
collectie).
Niet alleen in het
zwembad, maar ook in
de Vecht kon je goed
zwemmen; 1929 (particuliere
collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het openluchtbad in de
jaren ’30 (particuliere
collectie).
Dames en heren zwommen gescheiden. Er was
een soort brug tussen de beide bassins. Op gezette
tijden werd die brug opzij geschoven, zodat er een
100-meterbad ontstond en er ‘gemengd zwemmen’
was.
’s Winters gingen we naar het Sportfondsenbad
aan de Turfmarkt. Dat ging later van de Verenigde
Sportfondsen over op de gemeente en
heette voortaan Stilobad. Het is – helaas – korte
tijd geleden afgebroken. Ik heb er prettige herinneringen]
aan. Vooral aan badmeester Lukkien, die
uitstekend met de jeugd kon opschieten. Ik heb er
met school gezwommen en met vriendinnen.
Onze familie mocht gratis van het zwembad
gebruik maken, omdat mijn vader de boeken van
de gemeentelijke instellingen controleerde. Ik
hoefde alleen mijn naam maar te noemen en dan
mocht ik doorlopen. Als kind vond ik dat zeer
gewichtig. Ik kreeg dan een witte handdoek met
een rode Istreep.
Voor de kinderen die zwemles in het Sportfondsenbad
hadden, was er ieder jaar een groot
afzwemfeest. Daar ging ik altijd graag naar toe met
een introducé, omdat wij vrijkaarten hadden en
bovendien gereserveerde plaatsen. Het was een
schitterende verkleedpartij. Er werden prijzen uitgereikt
voor de mooiste en orgineelste kostuums
en de moeders sloofden zich uit om er iets heel
Op zondag 24 april 1938
werden in hetsportfondsenbad
nationale
zwemwedstrijden
gehouden.
Op deze foto staan o.a.
de heren P. Nekkers en
Spanjaard; en geheel
rechts mevrouw
Appelhof-Kroeze en
G.B. Appelhof
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
moois van te maken. De kinderen die dat jaar hadden
afgezwommen, kwamen in een lange stoet
binnen en liepen het hele bad rond. Daarna moesten
ze gekleed het water in. De prachtige kleren,
waar hun moeders of grootmoeders vele uren aan
hadden besteed, werden natuurlijk kletsnat en
meestal voor altijd bedorven. Ik vond het erg jammer,
dat ik in het openluchtbad had afgezwommen
en niet aan het afzwemfeest mocht deelnemen.
Ooit heb ik aan schoolzwemwedstrijden meegedaan
en een ‘zilveren’ vulpotlood gewonnen.
Ook herinner ik mij een jubileumfeest, waaraan
wij als schoolkinderen mochten meedoen. We
kregen een strakke doorschijnende badmuts op
met daaronder een lampje. In het water moesten
we de letters S en B vormen. Ik weet alleen nog dat
de muts afschuwelijk strak zat. Hoe het elektrische
lampje kon branden zonder snoer of stopcontact
vraag ik me, nu dit evenement me te binnen
schiet, wel af!
Ijs
In het najaar gingen we naar de sigarenzaak van
Piet Kok aan de Oude Vismarkt om een kaart voor
de Ijsclub te halen. Als je ging schaatsenrijden,
droeg je die aan een koordje om je nek. Wanneer
de ijsbloemen op de ruiten van de slaapkamer
zaten was ik de koning te rijk, want schaatsen was
mijn lievelingssport. Dat mijn ouders daar minder
blij mee waren kon ik toen niet begrijpen. Ik was
hevig verontwaardigd wanneer mijn moeder de
geijkte opmerking maakte: ‘Ik hoop dat het warm
water gaat regenen’.
Voor mijn moeder en voor de andere huisvrouwen
viel die koude ook niet mee, want warm
water kwam niet uit de kranen en bovendien hadden
we geen centrale verwarming. Bij strenge
vorst kwam er helemaal geen water meer uit de
kraan van de wastafel en dan moesten we ons
beneden in de keuken wassen. Soms vroor het zo
hard dat het water in het glas op de slaapkamer in
ijs veranderde. Ook het wassen – zonder wasmachine
– en het spoelen in koud water was geen
pretje. Mijn moeder had daardoor last van winterhanden,
waar soms kloven in kwamen.
Voor de schooljeugd was het echter feest als de
ijsbaan werd geopend-. Eerst waren er twee ijsclubs
in de Weezenlanden. De achterste was voor de
Zwolse elite. Daar reden maar heel weinig mensen.
De voorste, met de ingang tegenover het
Kerkbrugje, was de Volksijsbaan. Daar reed het
gewone volk. De twee ijsbanen zijn samengevoegd
tot één grote ijsvlakte. Er was een houten gebouwtje,
waar je iets kon eten en drinken, maar dat is in
de oorlogsjaren afgebroken om dienst te doen als
brandhout.
Als het zo hard had gevroren dat de stadsgrachten
begaanbaar waren, gingen we daar graag
rijden omdat het daar, door de hoge walkanten,
beschutter was. Bij het Kerkbrugje werden koeken-
zoopietenten geplaatst, waar je lekkere koeken
en warme kwast kon kopen.
Je kon helemaal doorrijden tot aan het Zwartewater
en zo kon je tochten maken naar Hasselt
en Zwartsluis. Ook kon je in strenge winters via de
Nieuwe Vecht naar de Overijsselse Vecht rijden,
richting Dalfsen. Je moest dan klunen over de sluis
bij Koezen. Tochten maken in de Noordwesthoek
was er niet bij, want er waren niet veel mensen die
een auto bezaten.
Regelmatig hadden we ijsvrij. Soms werden er
schoolwedstrijden georganiseerd. Bij wedstrijden
in het Engelse Werk, waar je ook fijn kon schaatsen,
heb ik eens een eerste prijs gewonnen. Ik
mocht kiezen uit verschillende dingen en koos een
lichtgroene schrijfmap.
Voor de jeugd was het altijd weer een grote
teleurstelling om te ontdekken dat er geen ijsbloemen
meer op de ramen zaten. Het ijs werd borstplaat
en er kwamen grote plassen op. Aan de ijspret
was een einde gekomen.
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Willy Arsenault
Wil Cornelissen
Tijdens een plechtige
bijeenkomst werd een
Canadese esdoorn
geplant in hetArsenaultplantsoen
door
kinderen van de basisschool
De Octopus.
Ieder jaar wordt op 14 april de bevrijding van
Zwolle herdacht. Er is een bijeenkomst bij het
monument in het Ter Pelkwijkpark en de kinderen
van de Koningin Emmaschool leggen daar
dan bloemen neer. Van tevoren hebben de kinderen
natuurlijk over de oorlog gesproken; waarschijnlijk
hebben ze de folder van de gemeente
gelezen en misschien is de videofilm in de klas
gedraaid. We hopen dat de jeugd iets zal kunnen
meevoelen van die wonderlijke, bijzondere aprilmaand
van het jaar 1945.
Arsenaultplantsoen
Wllly Arsenoulc. Canadees militair (verkenner) één der
Mers «n Zwolle: gesneuveld nabij Zwolle «atnei, 14-04-1945.
Ongetwijfeld zal dan ook de naam van de
‘bevrijder van Zwolle’, Leo Major vallen. Hij was
de eerste Canadese militair die door de straten van
onze stad liep. Zijn verhaal is al vele malen verteld,
door anderen en door hemzelf. Major is na de
oorlog meerdere keren in Nederland terug
geweest. Met zijn echtgenote Pauline was hij
steeds zeer welkom in ons stadhuis. In 1970 kreeg
hij een oorkonde en in 1985 de erepenning van de
stad. En hij was het stralende middelpunt in de
optocht bij de grote 50-jarige herdenking in 1995.
Maar altijd gaat hij met zijn Nederlandse
vrienden naar de grote Canadese oorlogsbegraafplaats
iri Holten. Daar ligt zijn kameraad en medestrijder
Willy Arsenault. Samen gingen ze op die
vroege morgen van de 14e april als vrijwilligers
hun verkenningswerk doen. Ze kwamen uit de
richting Heino, de vijand tegemoet. Bij Zalné werden
ze onder vuur genomen. Arsenault werd
dodelijk getroffen.
Het is aan de voortdurende aandacht en het volhouden
van Leo Schotman te danken dat er in
Zwolle-Zuid twee jaar geleden door de gemeente
een plantsoen naar Arsenault is genoemd. Tijdens
een plechtige bijeenkomst werd daar een Canadese
esdoorn geplant door kinderen van de basisschool
De Octopus. De toenmalige wethouder
Bert Kunnen was namens het gemeentebestuur
aanwezig. De naam van Arsenault is nu voor altijd
in Zwolle voor iedereen zichtbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
Zwolle’s bange dagen
Wat ik nog weet van Zwolle ’40- ’45
Met het ouder worden denk ik sterker dan
ooit terug aan mijn jeugd in de kleine
Overijsselse provinciehoofdstad tijdens
de bezettingsjaren. Ik herinner me jongens en
meisjes met wie ik omging en die ik weer uit het
oog verloor; jongelui waarvan ik mij zelfs de
namen niet meer voor de geest kan halen en andere
waarvan ik de namen nooit zal vergeten.
Niet zonder weemoed denk ik terug aan Jossy,
enige jaren ouder dan ik. Ik had haar zeer lief,
maar ze wilde in mij niet meer dan een goede
vriend zien. Misschien kwam dat omdat zij katholiek
was en ik niet. Het kon daarom niets tussen
ons worden. Ze verliet mij voor een jonge slager.
In de jaren van schaarste had hij het voordeel dat
hij in staat was haar te behagen met wat hij van
onder de toonbank kon aanbieden. Tegen worst
zonder bon kon ik niet op.
Erna
Ook van Erna heb ik gehouden. Erna, een naam
die je destijds niet dagelijks tegenkwam. Niet
alleen haar naam was ongebruikelijk, ze straalde
ze ook iets Hongaars uit, vond ik. Als ze lachte,
waartoe ze spontaan en gul geneigd was, hoorde ik
de storm over de poesta blazen.
Erna werkte bij het plaatselijke distributiekantoor,
vanwaar ik haar in het vroege avondduister
afhaalde om haar knijpkattend naar huis te begeleiden.
Het viel me op dat Erna altijd gehaast uit
het kantoorgebouw naar buiten kwam en mij,
hangend aan mijn arm, steeds dwong de pas te
versnellen. Zo’n gezamenlijke avondwandeling,
zolang dat met het oog op de spertijd mogelijk
was, diende voor Erna behalve voor intieme conversatie
meestal ook voor een ander doel. Bij
bepaalde woningen glipte ze bij me weg om blaadjes
door de brievenklep te schuiven. Het ging, zei
ze, om een ‘krantje’ dat ze aan een volgende
‘abonnee’ doorgaf. Zowel naar het soort krantje
als naar de instelling van de abonnee hoefde ik
niet te raden.
’t Werd mij allengs duidelijk dat Erna in het
verzet zat. Wat ze precies deed, kon ik niet doorgronden.
Nooit sprak ze er met mij over, ook niet
als we uitgelaten van een schamel, maar niettemin
vrolijk feestje terugkwamen en vertrouwelijk werden.
Pas toen ik een brief van het Arbeidsbureau
kreeg, kreeg ik een beetje inzicht in haar bezigheden.
Met de verwerving van het einddiploma was
het Ausweis met de indicatie ‘studerend’ vervallen
verklaard. Ik werd opgeroepen om in het kader
van de Arbeitseinsatz in Duitsland te worden
gekeurd en ingedeeld. Bij die keuring zat een man
in militaire uitmonstering achter een tafeltje. Hij
zei niets en liet een overigens vriendelijke dame
voor zich spreken. Ik nam aan dat hij de gevreesde
‘volksduitser’ was over wie in de stad gemompeld
werd. Ik herinner mij een naam, Zimmermann of
Willem Boxma
De Grote Markt in mei
1940 kort na het begin
van de Duitse bezetting
(Stichting Collectie
Zwolle 1940-1945, collectie
Poelles).
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zoiets. De man was naar onze stad gedirigeerd met
de opdracht om het laatste restje stedelijke
arbeidspotentieel uit te kammen. De keuring had
niets om het lijf; ze bestond uit niet meer dan de
vraag van de jonge vrouw of ik een reden had om
gekeurd te worden. Ik had geen reden. Ik had
trouwens geen zin gehad in een moedwillig oproepen
van tijdelijke kwalen en afwijkingen, bijvoorbeeld
door het roken van met suiker vermengde
shagtabak en andere trucs die je hier en daar ter
ore kwamen. De meeluisterende man achter het
bureau bleef zwijgen. De jongedame zei dat ik er
wel van zou horen.
Enkele dagen later belde een ambtenaar van
het Arbeidsbureau me; het was nota bene de vader
van een mijner beste schoolvrienden. Hij had mijn
naam op een lijst gezien en bood me een mooie
oplossing. Hij kon me indelen bij de OT, de Organisation
Tödt. Dan werd ik te werk gesteld in
Frankrijk, en ‘dan hoef je niet naar Duitsland,
snap je?’
Toevallig trof ik Jan, ook van mijn leeftijd, die
in de Dahliastraat (of Begoniastraat) woonde. Hij
hoorde mij aan en zei dat hij wel redding kon
brengen, alleen moest ik mij daarbij niet al te veel
laten zien. Beter was het ergens anders onderdak
te zoeken. Een beetje uitkijken, noemde hij dat.
Hij nam mijn vriend en mij mee naar zijn woning
en haalde daar tot onze grote verbazing uit een
boekenkastje een bundeltje blanco Ausweise
tevoorschijn dat achteloos op een gebruiker had
liggen wachten. Joost mocht weten hoe hij er aan
gekomen was. We vroegen ons ook niet af of ze
‘echt’ waren of met vaardige hand nagemaakt.
‘Moet jij er ook een?’ vroeg hij mijn vriend.
Een Ausweis was natuurlijk nooit weg. Jan belikte
de top van zijn wijsvinger en telde twee van die
alom begeerde bruingele exemplaren van het stapeltje
af. Op een schrijfmachine die de slijtageslag
al lang verloren had, tikte hij op elk formulier
onze gegevens in. Nu kwam het nog op de ondertekening
aan. Na enkele vulpenoefeningen op een
vel papier kon de vervalsing van de handtekening
van de betrokken Arbeidsbureau-ambtenaar ons
aller goedkeuring wegdragen en zette Jan zwierig
‘J. Dokter’ op de plaats waar die op het Ausweis
behoorde te staan. Met een blik en een gebaar van
een ambtenaar van de burgerlijke stand bij een
huwelijksvoltrekking, stelde hij ons elk het op
naam gestelde document ter hand en vroeg ons
nogmaals er wel een beetje voorzichtig mee te zijn
en het slechts in noodgevallen te gebruiken. En
natuurlijk mochten we nooit zeggen waar en van
wie wij het Ausweis hadden gekregen. Nonchalant
ging het met een elastiekje omwikkelde pakje
terug in het boekenkastje. Wie weet voor hoeveel
klanten nog.
Ik heb dit Ausweis nooit hoeven tonen. Ik
bezit het nog steeds en koester het als een oorlogsrelikwie.
Soms kan ik niet nalaten het tegen het
licht te houden, want altijd nog weet ik niet of het
vals is of niet. Ik houd het halsstarrig op echt.
Toen trad Erna uit haar illegale schulp: ze wist
wel iemand die mij aan een onderduikadres kon
helpen. Ze zou hem vragen bij me langs te komen.
En jawel, kort erna verscheen een jongeman die
ook Jan heette en zei wel kans te zien mij ergens
onder te brengen. Van zijn goede dienst heb ik
geen gebruik hoeven maken, omdat ik een dag
ervoor onderdak had gevonden bij de Noordoostpolderwerken
en uit het oogpunt van de Ernahrungssicherung
een begeerd, nieuw en onvervalst
Ausweis zou verwerven.
Helaas, Erna verloor ik uit het oog. Onze liefde
bleek wederzijds niet hecht genoeg. Kort voor de
bevrijding vernam ik dat zij en haar vader waren
opgepakt en in het Huis van Bewaring in Zwolle
opgesloten. Maanden na het einde van de oorlog
kwam ik haar bij toeval in Den Haag tegen. Ze
nodigde me uit voor een kopje koffie op haar
kamer. Daar vertelde ze me hoe zij door een spectaculaire
verlossing uit ‘het spinhuis’ aan executie
waren ontsnapt. Plotseling werden de celdeuren
bij haar en haar vader opengesmeten en verscheen
in de opening een verzetsvriend, die hen sommeerde
zo snel mogelijk naar buiten te rennen. In
de hal afgedaald zagen zij zich in een chaos van
wanhopig naar de uitgang dringende gevangenen
terechtkomen. Doordat de overvallers geen notie
hadden in welke cellen hun vrienden waren opgesloten
hadden ze, na zich met list en geweld toegang
tot het Huis van Bewaring te hebben verschaft,
noodgedwongen de deuren van alle cellen
moeten openen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Erna overleefde de bezetting maar haar verzetsvriend
Jan die mij had willen helpen onder te
duiken, beleefde helaas het eind van de oorlog
niet. Hij werd gegrepen en gefusilleerd. Ik kan aan
zijn naam, in koperen letters in de muur van de
stationshal gegraveerd, niet voorbijgaan zonder
hem even voor de geest te halen. Wat verder van
Erna geworden is, weet ik niet. Bij ons treffen in
Den Haag is het gebleven.
Handen omhoog!
Dan had je de jongens, die van huis uit ‘fout’
waren. De zoon van een NSB-winkelier die bij de
Landwacht ging. Ik kwam hem tegen; hij aan de
overkant van de Assendorperstraat in gezelschap
van drie met jachtgeweer uitgeruste lummels.
Eerst liepen ze aan mij voorbij, maar achteraf
schenen ze een goede vangst in mij te zien. Dus
keerden ze op hun schreden terug en hun bespijkerd
schoeisel verraadde dat ze me snel achterop
kwamen. Ik nam nonchalant de houding aan van
‘jullie doen me niks, want ik heb een Ausweis’, het
begenadigde papiertje dat vrijgeleide waarborgde
– hoewel dat lang niet altijd opging. Zelfverzekerd
hield ik de handen in mijn broekzakken. Dat gaf
bovendien een gevoel van heidendom tegenover
het passerend publiek.
‘Handen uit de zakken!’, gelastte de winkelierszoon.
‘En omhoog. Ausweis!’ Hij begreep
gelukkig dat ik de twee opdrachten onmogelijk
tegelijk kon uitvoeren. Daarom gaf hij geen commentaar
toen ik met de ene hand in de lucht, met
de andere moeizaam mijn Ausweis opdiepte, aangestaard
door een toenemend aantal vrouwen,
kinderen en ouderen, die het tafereeltje duidelijk
met gevoelens van spanning en meelij volgden.
Hij griste het papier uit mijn hand, hield het
omhoog om er doorheen te kunnen kijken en nam
zonder meer aan dat het goed was. Mompelend
gaf hij het mij terug, waarna het viertal rechtsomkeert
maakte.
Enkele jaren later fietste hetzelfde jongmens
me tegemoet op een landweg, opgeruimd babbelend
met een meisje dat hem vergezelde. Hij keek
me niet aan; herkende me natuurlijk niet meer. Ik
was een van de velen geweest die zich aan zijn controle
hadden moeten onderwerpen.
Gerrit
Dan had je jongens die je dacht goed te kennen,
zelfs vrienden van je waren en die je plotseling in
SS-uniform zag verschijnen. Zo herinner mij Gerrit.
Gerrit was een puber toen zijn vader hertrouwde
na het overlijden van zijn moeder. Gerrits
vader was een monumentale, goedmoedige
spoorman. Zijn stiefmoeder kwam uit Staphorst
In oktober 1944 deden
Wim Bremmer, Leo
Gooy, Henk Braaksma
en Henk Beernink een
overval op het Zwolse
Huis van Bewaring. Ze
bevrijdden daarbij o.a.
Erna en haar vader.
Deze foto is vlak voor de
overval gemaakt (Stichting
Collectie Zwolle
1940-1945).
Overal op straat waren
verchillende uniformen
te zien. Hier zien we
leden van de WA en van
de Nationaal Socialistische
vrouwen Organisatie;
ca. 1944 (Stichting
Collectie Zwolle 1940-
1945)-
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oproepkaart om te
komen posten (collectie
W. Boxma).
of ergens uit die omgeving. Ze was oversopt met al
wat in die streek heersend was. Ze was ‘fien’,
streng hervormd dus, en ‘sunig’, zéér zuinig. Het
lag voor de hand dat Gerrit thuis in de knel kwam
en zich als een echte puber verzette. Stiefmoeder
kon voor hem weinig begrip opbrengen en zag liever
zijn hielen dan zijn tenen. Toen zijn vader
overleden was, kwam Gerrit op het verkeerde pad
en dreigde, althans naar verwachting van stiefmoeder,
in de richting van galg en rad te gaan.
Op zekere dag kwam ik Gerrit in de stad tegen;
in het uniform van de Waffen-SS. Liever was ik
hem uit de weg gegaan, want wie in die dagen in
het openbaar met de vijand praatte, liep kans ook
voor ‘fout’ te worden aangezien. Ik kon de jongen
niet ontlopen. Hij klampte me aan. Ik kon zeker
wel zien wat hij nu deed, was zijn vraag. Hij zou,
evenals ik, graag wat anders doen, maar wat moest
hij? Ik zei hem dat ik deze carrière niet zou hebben
verkozen. Wie gaat nou zover om met de Duitsers
mee te vechten en zo vreselijk ver van huis aan
kogel of kou ten onder te gaan?
Een overtuigd nazi bleek Gerrit bepaald niet.
Hij fluisterde in mijn oor dat Duitsland de oorlog
ging verliezen, ’t Werd niks met die moffen, vertrouwde
hij me toe. Daarginds, hij wees over zijn
schouder naar achter alsof die kant op Rusland
lag, daarginds verloren ze. Elke dag opnieuw.
‘Geen houen an. Daar krijgen de moffen op hun
donder, jongen!’ En hij kon het weten, hij was er
immers zelf bij geweest. Hij kneep me, als was hij
een goede vriend gebleven, in de arm en verliet
me, slungelig als hij altijd was geweest. Joviaal stak
De Ortskommandant heeft mij opgedragen er voor zorg te dragen, dat eenige
perccelen waarin voor de weermacht belangrijke goederen zijn opgeslagen, door
Zwolsche Burgers,worden’bewaakt.
In dit v^rbarul wijs ik U aan ‘om
,2ich op fL&&u%:,…VB^
aan perceel Melkmorkt 45 te Zwolle.
Nadere inlichtingen over een en ander
(S>uur dienst te doen, U behoort
kunt U
ontvangen tusschen’ 17 en 20 uur. (Niet op Zondag.)
wijs*.U
de Manege, Praubstraat,
Ik er op dat hel voldoen aan deze’U opgelegde verplichting in het
belang moet worden geacht van de gijzelaars, die uit de bevolking van Zwolle en
omgeving zijn gekomen. – -.
ZWOLLE, den (xS^CT ~ /
D e Burgemeester van Zwolle,
in geval van ziekte moet zoo’
spoedig mogelijk een geneesk.
‘ verklaring, waarop vermeld voor
hoelang de patiënt niet kan posten,
aan de manege, Praubstraat
worden bezorgd.
DEZE KAART MEDENEMEN.
K. 2662
hij nog zijn hand omhoog voor hij aan het eind
van de straat de hoek omging.
Een volgende ontmoeting met Gerrit zat er
niet in. Van zijn stiefmoeder vernam ik dat hij na
de ineenstorting van het Derde Rijk levend en
onbeschadigd van het Oostfront was teruggekeerd.
Het stiefmoederlijk huis bereikte hij niet.
Aan de grens was hij opgevangen door de Politieke
Opsporingsdienst en in een kamp opgesloten.
Ook vandaaruit zou Gerrit onze stad nimmer
bereiken. Enkele weken later ontving zijn stiefmoeder
een aangetekende brief. In kille bewoordingen
stond er dat Gerrit dood was. Hij had
getracht het kamp zonder toestemming te verlaten:
‘Tijdens vluchten neergeschoten’.
Posten
‘De Ortskommandant heeft mij opgedragen er
voor zorg te dragen, dat aan de Duitsche bewaking
bij voor de weermacht belangrijke objecten in
totaal een 25-tal Nederlandsche bewakers worden
toegevoegd. Dit houdt verband met het feit, dat in
sommige plaatsen van ons land naar alle waarschijnlijkheid
aanslagen zijn gepleegd op opslagplaatsen
enz. van de weermacht’.
Driemaal ontving ik van onze burgemeester
een kaartje met deze tekst en de opdracht of ik mij
op die en die dag om zo en zo laat maar wilde melden
op de plaats waar ik voor het wachtlopen was
ingezet. ‘Posten’ heette dat. Een stok achter de
deur ontbrak niet: ‘Ik wijs u er op, dat het voldoen
aan deze U opgelegde verplichting in het belang
moet worden geacht van de gijzelaars, die uit de
bevolking zijn gekomen’, hield de burgemeester
mij voor.
Evenzovele malen als ik zo’n kaartje heb ontvangen,
heb ik ook ‘gepost’. De eerste keer was
eind december 1943 bij een opslagplaats aan de
Pannekoekendijk. Een gemeenteambtenaar regelde
de indeling. Twee burgers, waaronder ik, moesten
aan de voor- en rechterzijde wachtlopen; twee
andere aan de achter- en linkerkant. Mijn medeposter
was ouder dan ik. Ik neem aan dat onze
conversatie over de ellende van de oorlog en het
vooruitzicht op het einde ervan is gegaan. Het was
bitter koud die dag en nog meer de nacht daarop.
De ligging nabij het Zwartewater en temidden van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
open veld maakte dat de schrale oostenwind vrij
spel had. Diep weggedoken in de kragen van onze
sleetse winterjassen liepen we vier uur lang de
voorgeschreven eentonige route: van voorkant
naar zijkant en van zijkant naar voorkant. Dat
duurde tot de volgende groep posters kwam opdagen
en de bewaking van ons overnam.
Snel pakte ik de fiets en haastte mij naar huis
om mij te warmen en wat te slapen. Na vier uur
werden we weer verwacht om nogmaals te posten.
Die cyclus van posten en rusten liep door tot de
vier-en-twintig uur verplicht wachtlopen voorbij
waren.
De tweede oproep tot posten in februari 1944,
herinner ik me al te zeer als ik langs het fraaie oude
pandje aan de Melkmarkt, bekend als het Vrouwenhuis,
kom. Dit keer waren mijn postgenoot en
ik de enigen, die de bewaking voor onze rekening
moesten nemen; weer met de regelmaat van vier
uur wacht en vier uur rust. Slechts eenmaal, in het
nachtelijk duister, doemde voor onze neus onverwacht
controle op: een dikkke gehelmde Duitse
militair op de fiets. Hij richtte het licht van zijn
zaklantaarn op onze gezichten en vroeg kortaangebonden
‘Alles in Ordnung?’ Na onze bevestiging
draaide hij zich om zonder verder ook maar
een woord aan ons te besteden en trapte de straat
en de vrieskou in.
Ik had het met mijn metgezel getroffen. Het
was een journalist van het plaatselijke dagblad en
gezien mijn journalistieke aspiratie, ervoer ik de
conversatie als aangenaam en nuttig. Als ik eens
een verslagje over het een of ander mocht hebben,
zei hij, wel dan kon ik dat bij hem thuis afgeven.
En mocht ik na de bevrijding nog altijd in de journalistiek
willen, dan hoefde ik bij de krant maar
naar hem te vragen. Dan zat er voor mij stellig een
plaatsje als leerling-verslaggever in. Dat laatste heb
ik inderdaad gedaan, maar toen bleek dat ik met
een lege kruiwagen van doen had. De man was tijdelijk
geschorst, omdat hij lid van de Kultuurkamer
was geweest. Niettemin hoop ik voor hem dat
het goed met hem is gegaan. Ik mocht hem wel.
Voor het derde postbevel in april 1944, diende
ik mij te vervoegen bij ‘Bureau Krenge’ in de Centrale
Werkplaats achter het spoorwegstation. Het
is mij tot vandaag niet duidelijk naar wat of wie
het ‘bureau’ was vernoemd. Ik houd het er maar
op dat met ‘Krenge’ de niet bepaald correct geüniformeerde
heer op leeftijd achter een gehavende
schrijftafel was bedoeld. Ik vermoedde in hem een
volksduitser, aan wie vanuit het schamele kantoortje
de leiding over het wachtpersoneel was
toegewezen.
Ik meldde mij gelijk met twee andere burgers
en kreeg meteen van Herr Krenge het verzoek mij
achter een van drie opgestelde soldaten van het
wachtbataljon aan te sluiten. Die fuseliers, eigenlijk
te oud om soldaat te spelen en evenals hun
baas in sleets tenue, namen hun geweer over de
schouder en verlieten zwijgend het kantoortje, elk
gevolgd door de hen toegewezen ‘poster’. Ze
gedroegen zich overigens weinig soldatesk. Het
viel me op dat ze, voor ze rechtsomkeert maakten,
niet eens de hakken tegen elkaar sloegen.
De bewaker aan wie ik was toegevoegd, was
Nederlander. Hij was ongeveer veertig jaar en
sprak naar mij voorkwam met een Limburgs
accent. Onvriendelijk was hij niet. ‘We zullen zien
dat we de twaalf uur zonder narigheid halen’, zei
hij. Dit keer dus geen posten met afwisselend
lopen en slapen, maar twaalf uur aan een ruk. Ik
was bedacht op wat ik zei; wist ik welk vlees ik in
de kuip had? Maar ik hoefde niet veel te zeggen, hij
was spraakzaam genoeg en hield de conversatie
Het station werd in
april 1945 zwaar getroffen
(Stichting Collectie
Zwolle 1940-1945).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Als werknemer bij de
Directie van de Wieringermeer
kreeg W. Boxma
een Ausweis (collectie
W. Boxma).
gaande. Over zijn vrouw en kinderen had hij het
en hoe hij ertoe gekomen was in dienst van de
Duitse weermacht te treden. Nee, NSB-er was hij
niet en hij voelde ook niets voor ‘de beweging’.
Wat dacht je, hij moest natuurlijk naar Duitsland.
De Arbeitseinsatz, weet je wel. Weg van vrouw en
kinderen en breed had zijn gezin het toch al niet.
Als je bij het wachtbataljon van de. weermacht
gaat, hadden ze tegen hem gezegd, ben je vrijgesteld
van de Arbeitseinsatz. Dan krijg je regelmatig
verlof en kun je naar huis. En je rantsoenen
natuurlijk! Toch ook niet onbelangrijk? Nou, wat
doe je dan? ‘Maar ik kijk net zo verlangend naar
het einde van de oorlog uit als jij, hoor!’ bekende
hij en het klonk alsof hij het werkelijk meende.
Hij slenterde keuvelend naast me voort. Van
mijn kant scheen hij geen bijdrage aan de conversatie
te verwachten, daarom volstond ik met zo nu
en dan nietszeggend te knikken of onverstaanbaar
te mompelen, ’t Was immers niet denkbeeldig dat
hij mij uit de tent wilde lokken.
VERKUARING
AUSWEIS
i Alleen geldig tezamen met persoonsbewijs
Nuf igullig in Verbindung mit der Kennkarte
Hiermede wordt verklaart; , dat
Es wird hiermit be cheinigt’da
geboren op 1 ? , ] . ] ^ * ?4- te
0&bor@n am in
ten behoeve van de voed elvoorzienlng
für die Er:
(polder werkzaam, is >
iShryng im Nordo tpolder
>n dientengevolge is vrijgesteld
] beschaftigt und deshalb vorlaufig freige iellt ist vom
1 arbeid inzet ln< Duit chl.ind ( Arbeit ein atz im Reich ^ STEMPELS -SIEGEL Rijksarbeid bureau ' ReichiarteiUamt DeVvtujyBefVh^t^die en ATj*Ver*^Tauernd bei( fph zu fuhren en bij ontslag bij den werkgever In te leveren * und be) Entla sung dem Arbeitgeber ziiruckzugeben 'Als we daar gaan staan, kunnen we een sigaretje opsteken', stelde hij voor. 't Is wel streng verboden in diensttijd te roken, maar hier komt niemand ons controleren.' Het was inmiddels nacht geworden en in de maanlichtloze duisternis, gedrongen in een nis tegen de muur van het werkplaatsgebouw om enige beschutting te hebben, bood hij me een sigaret aan. Hij nam er zelf ook één en stak ze beide aan. In die stikdonkere eenzaamheid waren we geen van beiden meer bewust waarvoor we hier samen waren gebracht. Alleen het na elke trek oplichtende vuurtje aan het uiteinde van zijn sigaret gaf aan, dat ik werkelijk een rokertje deelde met iemand die mijn vijand zou moeten zijn. Geen gerucht, ook geen vliegtuiggeronk drong tot ons door. Ik had geen idee wat in de spoorwegwerkplaats was opgeslagen. Het kwam mij voor dat mijn gewapende begeleider daarvan al evenzeer onkundig was. Die nam een laatste haal aan de sigaret, blies de rook de duisternis in, trapte de peuk uit onder zijn laarzen en pakte de karabijn op die hij voor het gemak tegen de muur had gezet. 'We moesten^iog maar eens een rondje doen', zei hij, terwijl hij de kraag van zijn overjas optrok. 'Nog een uurtje en dan is de dienst voorbij en kun je naar huis'. Hij scheen uitgepraat en liep verder zwijgend naast me voort. Voorzichtig drong de schemering door. Om zeven uur in de ochtend kwamen we terug bij Bureau Krenge; de tijd van het posten was om. Zonder een laatste woord, zelfs zonder een groet ten afscheid verwijderde mijn begeleider zich. Hij trad het Bureau Krenge binnen, waarschijnlijk om zich af te melden. Ik hem hem nooit terugzien. Meister Mahr Van 1943 tot aan de bevrijding heb ik in Zwolle gewerkt bij de Directie van de Wieringermeer, waaronder de drooglegging en het in cultuur brengen van de Noordoostpolder ressorteerde. Op het bekende gebouw met de toepasselijke naam 'Flevo' was ik geplaatst op de afdeling Personeelszaken, geleid door een blijmoedige en goedhartige Brabander. Personeelschef bij de NOP was een niet te onderschatten functie, vooral omdat het in cultuur brengen van de nauwelijks drooggeZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT legde polder veel arbeidskracht vroeg en daardoor een vergaarkuil van onderduikers was geworden. Ze eiste, om de noodzakelijke personeelssterkte op peil te houden, van de betrokken functionaris moed en tactiek. En over gebrek aan beide had de chef niet te klagen. Als jongste en laatst bijgekomene was ik het meestal, die behalve met het gebruikelijke administratieve werk, met bijzondere boodschappen werd opgezadeld. Zo ook op zekere dag. De chef: 'Wil jij even naar de Ortskommandantur gaan papieren halen?' Naar het hol van de leeuw dus! Ik wist waar dat was, aan de Burgemeester van Roijensingel aan de stadsgracht. Het statige herenhuis kon je onmogelijk missen. Op een van de gevel naar een boom aan de overkant breeduit gespannen doek was kenbaar gemaakt wat in het pand was ondergebracht. Voor de stenen trap die naar de robuuste voordeur leidde stond, compleet met wachthokje, steevast een schildwacht. 'Je moet vragen naar Meister Mahr', luidde de opdracht van de chef, 'en je zegt maar dat je van mij komt en dat je de stukken komt halen. Hij weet ervan.' Niet bepaald zelfverzekerd begaf ik mij naar het bewuste grachtenhuis. Ik liep op de voor de stenen trap posterende soldaat af en maakte hem duidelijk dat ik bij Meister Mahr moest wezen. De schildwacht adviseerde me om binnen nogmaals naar Meister Mahr te vragen. Ik volgde zijn raad op en trad binnen. In de ruime hal was het een heen en weer geloop van uniformen, de ene deur in, de andere uit; dikke mappen onder de armen. Het ijzer onder de lompe laarzen ketste op de vloertegels. Nu en dan verscheen iemand van de Feldgendarmerie tussen het gewoel, de slippen van zijn lange gummi regenjas opgeknoopt en het opdringerige insigne breeduit op de borst. Even leek het alsof niemand aandacht schonk aan de binnengekomen burgerjongen. Ik bleef aarzelend staan, onwetend tot wie ik mij moest wenden om toegang te krijgen tot de officier die als Meister Mahr bekend stond. Het duurde even tot een jongeman zich uit de drukte losmaakte en recht op mij afkwam. Hij vroeg me wat ik hier te maken had, merkbaar verbaasd over mijn aanwezigheid. In hakkelend Duits maakte ik hem duidelijk dat ik voor Meister Mahr kwam. Ik maakte schijnbaar een betrouwbare indruk want hij wees naar een openstaande deur. In de kamer erachter pronkte aan een breed-eiken schrijfbureau een dikbuikig, dunharig, grijsgeüniformeerd manneke. Naast en voor hem stonden militairen van kennelijk hoge rang die hem, elk op hun beurt, trachtten wat onder zijn aandacht te brengen. Het ging om een handtekening, een toestemming, een advies misschien. Klaarblijkelijk deed hij wat van hem verlangd werd toen ze hem, na hakkengeklap en Hitlergegroet, hun mappen torsend alleen lieten achter het reusachtige bureau. Ik had nu een betere kijk op hem en begreep onmiddellijk dat hij het was die ik hebben moest. Maar ik herkende meer in hem. Hij was de minnaar van een getrouwd vrouwtje dat schuin tegenover mijn ouderlijk huis woonde. Ze was Duitse van geboorte - je kon dat altijd nog heel goed 'hör'n' - en echtgenote van een veel oudere man die ambtenaar bij de posterijen was. 't Moet gezegd, ze was een knap wijf met een olijke, flirterige blik en altijd even vriendelijk. Haar man paste daar totaal niet bij. Hij was een iel, bedrijvig kereltje dat in de buurt doorging voor een pantoffelheld. Nee, 't kon niet missen. Deze Meister Mahr was beslist de hooggeplaatste mof met wie mijn overbuurvrouw scharrelde. Hij kwam regelmatig met de fiets voorrijden voor een kop koffie; of lie- Personeel van de afdeling Personeelszaken van de Directie van de Wieringermeer. Midden vooraan staat de personeelschef, de heer Spierings. Rechts van hem staat W. Boxma (collectie W. Boxma). 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT ver voor een schnaps natuurlijk. Hij was het ook die haar bij gelegenheid met een in camouflagekleur overgeschilderd Opeltje ophaalde om met haar uit te gaan. Ze werden met een keukendoek nagewuifd door pa die daarna stellig doorging met de afwas. Buren spiegelde ze voor dat het 'in Deutschland ganz normal' was dat getrouwde vrouwen met ook getrouwde mannen op pad gingen. 'Niks besonders also'. En haar 'Freund' kende ze al van vroeger. Er was dus 'nichts los' mee. Ik staarde nog naar het welgevulde uniform achter het bureau, met het beeld van onze frivole overbuurvrouw in het achterhoofd, toen ik met 'Ja, bitte' tot de orde werd geroepen. De Meister had, ongetwijfeld vanwege mijn burgerlijke oorlogsuitmonstering en aan het tijdstip van de afspraak, onmiddellijk door waarvoor ik kwam. Hij vroeg alleen: 'Vom Nordostpolder sicher?' Ik beaamde dat. Hij graaide in een bundel papier en reikte mij een envelop aan, met de blik op de schrijftafel gericht. Hij zei nog wel: 'Grüssen Sie bitte Ihrem Chef von mir'. Ik zag nadien Meister Mahr nog vele malen aan de overkant fiets of auto parkeren. Bij een volgende 'bijzondere boodschap' voor de chef, vond ik op de Ortskommandantur de Meister echter niet terug. Er zat iemand die Nederlands sprak en in mijn aanwezigheid een uitbrander gaf aan twee Vlaamse SS-jongens. Een burger had zich over hun gedrag beklaagd. Toen de eerste Canadezen in onze stad werden verwacht, vertrok onze beminnelijke overbuurvrouw. Waarheen kon niemand zeggen. Ook wist niemand of ze in gezelschap van haar Duitse vriend was. Heer Schaffner De enige keer dat ik Albert Entrup na de oorlog heb gezien, was op hemelvaartsdag 1949 toen ik hem op het tochtige, verschroeide perron van Osnabrück zag staan. Ik herkende hem onmiddellijk. Hij scheen mij nog magerder dan in de weken toen hij, tot op twee dagen voor de bevrijding van onze stad, bij ons was ingekwartierd. Ook zijn spoorweguniform leek mij niet vervangen. Op mijn wenken kwam hij naar het coupéraam gesneld en liet duidelijk merken dat hij verheugd was mij weer te zien. Lang mocht het gesprek niet duren, hêt werd een vluchtig informeren over en weer naar mij en mijn ouders en naar zijn gezin. Jawel, zijn vrouw had de vele bombardementen overleefd en zijn zoon was behouden van het front in Italië thuisgekomen. Hijzelf had de terugkeer naar de Heimat helemaal te voet, via de 'Abschlausdaik', moeten afleggen. De locomotief maakte echter dampend aanstalten om mij naar mijn bestemming te brengen en bood amper gelegenheid Herr Entrup een aangebroken pakje sigaretten aan te reiken. Hij nam het gretig in ontvangst en stond er nog bedremmeld mee in zijn hand toen ik hem vanuit het coupéraampje schimmig zag wegvloeien. Voorttuffend door Noord-Duitsland en behaaglijk teruggetrokken in een hoekplaatsje van de coupé, dwaalden mijn gedachten terug naar die winterse dag in januari 1945. De sneeuw lag hoog opgetast in de straat. Vader was als spoorwegstaker opgepakt en moest graafwerk verrichten voor een verdedigingslinie aan de Gelderse IJssel. Achter de vulkachel, waarin scharrelhout moeizaam vuur en Warmte bracht en waarop een pannetje roggepap pruttelde, schilde ik de aardappelen uit eigen tuin en verstelde moeder al eerder opgelapte kleding. Plotseling klingelde de bel. Moeder liep gewoontegetrouw naar de erker in de voorkamer om te zien wie voor de deur stond, want ook al bezat ik een compleet en veelvuldig getekend en gestempeld Ausweis, je kon immers nooit weten wat zich onverwachts aandiende. Ze schrok: voor de deur stond een man in uniform. 'Een Duitser!' riep ze me toe, 'een Duitser! Naar boven!' Ik haastte mij zo snel ik kon naar de gang, kroop onder het raampje in de voordeur langs, rende de trap op en bleef op de overloop staan. Daar bedacht ik dat een mof nooit in zijn eentje een inval zou wagen en nooit alleen iemand zou ophalen. Voor dat doel kwamen ze altijd met meer. Ik ging niet verder dan de overloop en liggend op de vloer kon ik zien wat zich aan de voordeur afspeelde. Ik zag moeder voor de deur verschijnen; zoals gewoonlijk met schort en op pantoffels, en zag overduidelijk hoe nerveus zij was. Met trillenZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT de hand trok ze het slot terug en opende de deur. Toen zag ik de man die ervoor stond. Inderdaad, naar zijn voorkomen te oordelen was het een Duitser al was het verre van een Germaans type. Hij droeg een zwart, al te ruimzittend uniform. Op zijn ongetwijfeld kale schedel hingen de kleppen van een eveneens zwart dienstpetje over de oren. Geen helm. Een militair pur sang was hij dus niet, hoewel hij behalve een gasmaskerbus en een zwartleren tas, een geweer met zich meezeulde dat duidelijk te groot en te zwaar voor hem was. Hij moest voortdurend de riem van de karabijn naar de schouder optrekken, omdat anders de kolf over de stoeptegels sleepte. Begreep hij dat de vrouw in de deuropening door zijn onverwachte verschijning de kluts was kwijtgeraakt? Hij maakte in elk geval geen opdringerige indruk. Integendeel, hij stelde zich netjes voor. Albert Entrup was zijn naam en hij was bij de Eisenbahn. Net als de 'Ehemann' van 'gnadiche Frau', die was immers ook 'an der Bahn'. 'Kollegen also!'. Hij was 'Schaffner' en was van Osnabrück naar hier gezonden. 'Ach, der Krieg, wissen Sie!'. Terwijl hij zich op zijn manier verontschuldigde, ontvouwde hij een papier dat hij moeder voorhield. In haar nervositeit was ze niet in staat te lezen. Daarbij kwam dat het goede mens geen Duits verstond, maar ze begreep wel waarom het ging. Niet alleen vanwege de adelaar die zijn vleugels boven het letterschrift uitspreidde. Van andere spoorvrouwen had ze al eerder vernomen, dat Duitse spoormannen bij gezinnen van stakende Nederlandse spoorlui werden ingekwartierd. Het was duidelijk dat nu wij aan de beurt waren. De semi-militaire conducteur uit Osnabrück doorzag moeders hulpeloosheid en besluiteloosheid en probeerde haar gerust te stellen. Hij ging over in het Westfalisch, dat veel op het Gronings lijkt. Dat vergemakkelijkte de conversatie. Ze moest zich door hem 'nicht so beunruhigen lassen'. Hij begreep haar volkomen. Hij was immers maar een doodgewone spoorman, net als haar echtgenoot, maar als ze niet op het bevel tot inkwartiering wilde ingaan of als ze geen kamer ter beschikking had, zou hij naar de 'Kommandantur' teruggaan om een ander adres te vragen. Hij was ook liever bij zijn vrouw in Osnabrück gebleven. Die had het ook moeilijk. Hij zou zich echter wel graag vooraf persoonlijk willen overtuigen van de in ons huis aanwezige ruimte, anders zouden ze bij de Kommandantur misschien moeilijk doen, 'verstehen Sie?' Moeder vertederde. Kwam er iets als lotsverbondenheid in haar op? Zo van 'we zijn allemaal maar mensen en slachtoffers van het nazidom?' Regelma tig vlogen geallieerde vliegtuigen over Zwolle naar Duitsland. Deze foto van de 'schrijvende vliegtuigen'is in november 1943 gemaakt (Stichting Collectie Zwolle 1940-1945). 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT In juni 1943 moesten alle radio's worden ingeleverd. In totaal werden 5100 radio's ingeleverd, bijvoorbeeld op een handkar. Sommige mensen leverden één radio in en behielden een andere om nog naar de Engelse zender te kunnen luisteren (Stichting Collectie Zwolle 1940-1945). Herr Entrup besteeg achter moeder de trap en ik haastte mij naar mijn kamer om op h^t moment dat zij de overloop hadden bereikt, de deur te openen en quasi-verrast met de Schaffner oog in oog te staan. 'Dat is mijn zoon', stelde moeder mij voor en daar voegde ze in haar onschuld aan toe: 'en hij heeft een Ausweis, hoor!' Herr Entrup reageerde niet op die tijdelijke vrijheidsverzekering. Hij had ook een zoon 'an der Italienischen Front, verstehen Sie'. Al maandenlang had hij niets meer van hem vernomen, dat was toch maar 'traurig'. Hij nam genqegen met het kleinste kamertje dat moeder liet zien. Er paste nauwelijks een eenpersoons bed in en het diende voornamelijk voor een sporadisch logerend familielid. De mensgrote karabijn werd tegen, de wastafel gepoot. Of hij dat zware schietijzer hier zo lang kon laten staan tot hij wat persoonlijke spullen van het station had gehaald. We knikten, hoewel we het uitermate vreemd vonden dat de vijand zo gemakkelijk zijn wapen bij ons achterliet. Later maakte hij daar een gewoonte van, tot grote angst bij moeder die tijdens het stof afnemen altijd weer om dat 'akelige schietding' heen moest. Albert Entrup raakte snel thuis. Moeder vond het maar zielig dat hij zich na zijn dienst alsmaar op het slaapkamertje terugtrok. We spraken hem alleen als hij voor het gebruik van het toilet bescheiden en verontschuldigend om doorgang van onze woonkamer vroeg. Tijdens een van die korte ontmoetingen beklaagde hij zich over de koude in het kamertje. Vooral in bed had hij last van koude voeten. Moeder loste dat onmiddellijk op door hem een extra deken te geven. Die meewarigheid leidde spoedig tot een 'u mag er wel even bij komen zitten'. Bij zo'n gelegenheid placht hij soms, onderwijl door ons met begerige ogen gevolgd, zijn rantsoen Schwarzbrot overvloedig met worst of leverpastei te besmeren en als afsluiting van een kennelijk ruime toewijzing tabak te roken. Herr Entrup bleek een gezellige prater. Vertellen kon hij! De oorlog 'i4-'i8 lag hem nog vers in het geheugen. In het 'Schützengrabenfront' voor Verdun had hij gelegen. Als er al een hel bestond, dan was het daar. Dagen achtereen hadden ze onder vuur gelegen en ondanks al die ellende kregen ze ook nog het bevel tot een aanval op de vijandelijke linies. Na zo'n uitval keerden elke keer slechts weinig mensen terug. Zij lieten zich onder dekking van loopgraaf en prikkeldraad, afgetobd en bemodderd en soms gewond, tegen zandzakken en stutsel zakken om nog een beetje te kunnen slapen. Vaak liet de ravitaillering het afweten en waren de soldaten genoodzaakt genoegen te nemen met muizen, ratten, padden en wat zich meer als noodrantsoen aanbood. In Albert Entrup begonnen wij het voorbeeld van 'de goeie Duitser' te zien. We waren blij dat we hem hadden gekregen en niet zo'n 'rotmof met een hakenkruis op borst. We lieten hem zelfs meeluisteren naar de Engelse zender. Waarom ook niet, hij was volgens ons volkomen betrouwbaar. Onze relatie werd alleen op de proef gesteld als we hem in de stad tegenkwamen. Liever maakten we tijdig een ommetje om aan zijn uitbundig groeten in het openbaar te ontkomen. Stadgenoten zouden ons als 'van de foute kant' zien en dat stempel wensten we bepaald miet. Toen, op een middag, nam mijn broer mij apart. 'Zal ik je eens wat vertellen? Entrup is een nazi!' fluisterde hij. Ik geloofde hem niet. 'Moet je maar eens goed zijn overjas bekijken', adviseerde mijn broer. 'Nooit wat opgevallen', zei ik. 'Natuurlijk niet, die jas hangt niet altijd op zijn kamer en dan kun je het ook niet weten', hield broerlief vol. 'Wat is er dan met die jas? Bewijst die ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 dan dat Entrup een nazi is?', vroeg ik kriegelig. 'Bij de eerste gelegenheid als Entrup beneden is, sluipen wij naar boven en dan zul je het zelf zien' besloot mijn broer de discussie. Die gelegenheid kwam gauw genoeg. Terwijl Entrup met vader van Entrups tabak een pijpje smoorde, slopen mijn broer en ik op onze tenen naar boven en traden de kleine slaapkamer binnen. Aan het kapstokje aan de kast hing de zwarte Eisenbahn-overjas. En jawel, onopvallend tussen de rij koperen spoorknopen, zag ik het insigne. Omgeven door een zilveren rand vertoonde zich in rood, wit en zwart het verfoeide hakenkruis: het bewijs van het partijlidmaatschap. Ik verschoot van kleur en wist me geen raad. Herr Entrup wist zoveel van ons, wat konden daar de gevolgen niet van zijn! Hij zou ons bij de SD kunnen aangeven omdat we naar de Engelse zender luisterden en naar Duitslands ondergang hunkerden. De gevolgen van het gestelde vertrouwen waren niet te overzien! Om meer zekerheid te krijgen leek het ons nuttig eens met de Schaffner over het nationaal-socialisme te praten. We hadden het weliswaar regelmatig met hem over de oorlog gehad en niet onder stoelen of banken gestoken wie de winnaar moest zijn, maar we realiseerden ons dat we eigenlijk tot nogtoe een gesprek over het nationaal-socialisme hadden gemeden. De avond van dezelfde dag, toen moeder Entrup een kopje surrogaat-koffie met een wolkje ondermelk had aangeboden, zagen we een schone kans de conducteur het vuur aan de schenen te leggen. Broerlief die niet gewend was een blad voor de mond te nemen, zette na het tweede kopje het offensief in: 'Zeg meneer Entrup, vertel me eens, bent u ook lid van Hitlers partij?' Moeder schrok. Dergelijke vragen waren te gevaarlijk. Vader keek trots naar zijn oudste zoon en wachtte gespannen op de reactie. Die vraag zat! Hij was toch al niet zo ingenomen met de aanwezigheid van de Duitse collega. De man aan wie de vraag was gericht, verschoot geenszins. Hij bleef kalmpjes rook uit zijn pijp trekken, alsof hij de vraag heel gewoon vond. Zonder enig blijk van verrassing, afkeuring of belediging antwoordde hij 'Selbstverstandlich.' 'Dus u bent nationaal-socialist, aanhanger van Hitler?' durfde ik. Een vraag die in wezen al overbodig was geworden. 'JawohP. Openhartiger vermocht het niet te klinken. Zelfs had hij eens met de Führer ontbeten. Een hele eer! Wie met de Führer oog in oog had gestaan, was 'ganzlich verandert'. Als hij zo dicht in de nabijheid van Hitler had verkeerd moest hij, naast eenvoudig conducteur bij de Eisenbahn, wel een hoge functie in de partij bekleden. Die vraag bleef onbeantwoord. De omgang met Herr Entrup verloor sindsdien wat ons betreft aan vertrouwelijkheid. Herr Schaffner voelde dat niet. Of hield hij de schijn op? Hij bleef voorkomend, bood ons aan van wat hij had. Nooit sprak hij denigrerend over joden, nooit afkeurend over sabotage van verzetstrijders die hij tijdens de treindienst stellig moet hebben ondervonden. Toen Duitse soldaten huis aan huis fietsen kwamen vorderen ging hij in uniform en nonchalant op sloffen,.rustig aan zijn pijpje zuigend in de deuropening staan. Nee, in deze woning waren geen 'Rader' en ook geen 'Manner' liet hij erop volgen. De militairen gingen vervolgens verder. Nooit toonde hij sympathie voor het nationaal-socialisme, eerder zweeg hij erover. Nimmer gaf hij ons de indruk de rol van aanbrenger te zullen spelen. Hij accepteerde onze mening als we het over Duitsland en de door zijn land ontketende oorlog hadden. Mijn broer zei hem eens recht voor z'n raap, dat alle Duitsers na verlies van hun oorlog stellig naar Siberië getransporteerd zouden worden. Hij nam die dreiging gelaten op. Niet alleen werden mensen ingezet in in duitsland te gaan werken, maar ookmoesten de fabrieken voedsel leveren aan Duitsland. Bij melkfabriek 'De Eendracht' zijn arbeiders bezig een vrachtauto te laden met kaas en boter voor Duitsland (Stichting Collectie Zwolle 1940-1945). 22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Wel zei hij later tegen moeder dat haar zoon er beter aan deed zich in acht te nemen. Zulke uitspraken konden ernstige gevolgen hebben. Van hem viel niets te vrezen, want het lag niet in zijn aard om iemand aan te geven. Hij verafschuwde zulke 'Kniffe', maar dat gold niet voor iedereen. Zag Herr Entrup de bui over zijn vaderland hangen? Begreep hij dat het verschijnen van geallie

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 3

Door | 2000, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

f
WÉ WOIS
istorisc
iidschri
1
* * ‘. i
*»•»
r
V*^BÉ
P R I J S F 12-, 5 O
“Slfeéfc-^wM-*
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
V
Ansichtkaart Eekwal
Poststempel 21 januari 1901
‘Lieve Betsy.
Ik stuur je ter eere nog van je verjaardag een heel
klein pakje [omcirkeld:] dat net zo groot is als deze
cirkel Ra ra wat zou dat zijn. Ik denk-—permiteer
mij […?] Misschien wel een klein stukje chocola van
een ]h et of zoo iets. Je moet me ook nog maar eens
schrijven hoor
Ontvang de groeten van je zooliefh. Broer EJC Greven.
[Met pijl:] hier leef ik
Deze kaart werd in 1901 geschreven door de toen
15-jarige Jan Greven aan zijn net 9 jaar geworden
zusje Betsy of Bep Greven. De familie Greven
woonde in Utrecht maar Jan zat in Zwolle op het
instituut Loman, een kostschool voor jongens van
gegoede huize die daar tegen een betaling van 800
gulden per jaar aan kost- en leergeld een gedegen
schoolopleiding kregen. Voor veel van deze jongens
volgde daarna een militaire loopbaan, zo ook
voor Jan Greven
Jan woonde weliswaar niet thuis, maar zat
zeker niet alleen in Zwolle: zowel de ouders van
zijn vader als van zijn moeder, Hélène Thiebout,
alsmede vele andere familieleden woonden hier.
Zie voor de familie Thiebout het artikel elders in
dit tijdschrift.
Het instituut Loman was gevestigd op de hoek
van de Veerallee en de Emmawijk, de ansicht geeft
ongeveer het uitzicht van daaruit weer. Jan geeft
dat zelf ook aan met de pijl en het tekstje ‘hier leef
ik’.
Verder zijn op de ansicht nog goed de Jufferenwalmolen
en de Eekwalmolen te zien.
Foto: Particuliere collectie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
Deze aflevering gaat over families en panden.
Thera Tromp Meesters haalt verhalen op over
twee eeuwen geschiedenis van de bekende Zwolse
familie Thiebout. Bijzonder was het bij hen soms
wel, want niet bij elke Zwolse burger trad de clown
van het Amsterdamse circustheater Carré op.
De talrijke activiteiten van de negentiendeeeuwse
architect en aannemer Bernardus Hermannus
Trooster worden door diens nazaat
Ph. Trooster belicht. Door heel de stad bouwde
Trooster zijn kleine en grote panden, waarvan er
tegenwoordig nog heel wat staan.
Jeannine Otten bericht over een dienstwoning
van de voormalige Reinders’ Oliefabrieken. Dit
pand uit het begin van deze eeuw is aangemerkt
tot industrieel erfgoed.
Kortom: families en panden vormen deze keer
de beste toegang tot de geschiedenis van de Zwolse
burgers.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 74
De Zwolse familie Thiebout Thera Tromp Meesters 76
Aannemer Bernardus Hermannus Trooster (1814-1898)
Ph. H. Trooster 82
Boerendanserdijk 1: dienstwoning van de voormalige
Reinders’ Oliefabriekenals industrieel erfgoed aangemerkt
Jeanine Otten 90
Boekbesprekingen 97
Mededelingen 101
Auteurs 106
Omslag: De familie Thiebout in 1894 achter Klein Weezenland 14. (Particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse familie Thiebout
Thera Tromp
Meesters*
Dr. Carel Hendrik
Thiebout sr., rector van
de Latijnse school,
omstreeks 1850. (Particuliere
collectie)
De Thiebouten, een Zwolse familie? Nee,
eigenlijk niet. De oorsprong van de familie
ligt niet in deze contreien maar in
Frankrijk. Het waren Hugenoten die in 1685, na de
opheffing van het Edict van Nantes, voor de
katholieke overheersing naar de Republiek
vluchtten. Via Walcheren en Gorcum kwamen zij
in Arnhem terecht. In 1795 was Johannes Thiebout
sr. (1770-1844) een gewaardeerd lid van de ‘Vaderlandsche
Sociëteit voor Vryheit, Gelykheit en
Broederschap’ in Arnhem. Onder de familiedocumenten
bevindt zich nog een knipsel waarin
Johannes in dat ‘Eerste Jaar van de Bataafse Vryheit’
een oproep deed aan andere Sociëteiten om
met Arnhem te corresponderen.
Dertig jaar later, in 1825, verhuisde Johannes’
zoon Carel (1802-1872) naar Zwolle, omdat hij
daar een aanstelling had gekregen als leraar aan de
Latijnse School. En ja, vanaf die tijd kunnen we
echt spreken van een Zwolse familie, want de
Thiebouten zouden tot 1946 in Zwolle blijven
wonen, zich ondertussen actief bewegend in de
Zwolse samenleving. Ook nu nog wonen er nazaten
van deze familie in Zwolle.
Dr. Carel Hendrik Thiebout sr. (1802 -1872)
Carel Thiebout, voluit Dr. Carel Hendrik Thiebout
sr., maakte in Zwolle deel uit van een vriendengroepje
waartoe ook Jan ter Pelkwijk behoorde.
Het onderwijs zal daarbij vast de samenbindende
factor zijn geweest. Carel was een zeer erudiet
mens, tijdens zijn studietijd in Utrecht gold
hij al als een briljant student. Behalve een grondig
kenner van de oude talen was hij echter ook een
uitstekend docent en pedagoog, geen vanzelfsprekende
eigenschappen in het onderwijs. In 1834
werd hij op 32-jarige leeftijd aangesteld tot rector
van de Latijnse School, hij zou dat 35 jaar blijven.
Hiervoor werd hij benoemd tot Ridder in de
Orde van de Nederlandse Leeuw. In zijn Historische
Wandelingen beschrijft W.A. Elberts Carel
Thiebout als ‘een man uit één stuk, eerlijk, rond
en wars van vleierij, geliefd bij zijn leerlingen,
gezien bij zijn stadgenoten en ver buiten zijn
woonplaats’. Niet de minste bewoordingen! Maar
ook al kun je deze lofprijzingen rustig relativeren,
hij moet wel een bijzondere persoonlijkheid zijn
geweest. Naast zijn werkzaamheden in het onderwijs
was Carel jarenlang voorzitter van het Zwolsche
Departement der Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen. In 1834, bij de Zwolse plechtige viering
van het landelijke vijftigjarige bestaan van de
Maatschappij, was Thiebout in de Broerenkerk
de feestredenaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Carel trouwde twee keer, zijn eerste echtgenote
overleed al in 1831 op 25-jarige leeftijd aan een
‘borstkwaal’, doorgaans een indicatie voor tuberculose.
Carel huwde beide keren met een dame uit
de familie Post. Deze familie was verwant aan
Neeltje Pater, een rijke zeventiende-eeuwse rederes
uit Broek in Waterland. Neeltje bezat een zeevloot
en diverse huizen en pakhuizen in Amsterdam.
Ze was op enig moment de stuwende kracht
van de Verenigde Oostindische Compagnie en
daardoor zelfs de rijkste vrouw van Nederland.
Carel Thiebout woonde tot zijn dood in 187″1
in de Walstraat op nummer 40. Ongetwijfeld wa
dit huis toen nog niet gepleisterd. Door de gladd
pleisterlaag en de lichtgroene kleur waarin het
tegenwoordig geschilderd is, heeft het pand wat
van zijn charme verloren. Als bakstenen huis, en
wellicht met zonneblinden, zal het in de eerste
helft van de negentiende eeuw een veel vriendelijker
uitstraling hebben gehad.
Carel Thiebout sr. ligt op Bergklooster begraven.
In 1952, naar aanleiding van zijn zeventigste
sterfdag, werd in de Zwolsche Courant een artikel
aan hem gewijd.
Mr. Johannes Thiebout jr. (1828 -1903)
Mr. Johannes Thiebout jr. (1828 – 1903) was de
oudste zoon van Carel sr. Hij studeerde net als zijn
vader in Utrecht en huwde bovendien in 1857
eveneens een lid van de familie Post, Diderica Elisabeth.
Het echtpaar woonde in de Bloemendalstraat
op nummer 10. Diderica stierf echter ook
jong aan een ‘borstkwaal’, op 32-jarige leeftijd na
slechts vijfjaar huwelijk. Zij liet twee dochtertjes
na: Betsy (Diderica Elisabeth Willemina, geb.
1860) en Hélène (Anna Helena, geb. 1861). Enkele
jaren later trad Johannes opnieuw in het huwelijk,
met Johanna Wenckebach (geb. 1839). Uit deze
echtverbintenis kwamen vier kinderen voort: Eva
(1867), Carel jr. (1868), Willem (1870) en jan
(1873)-
In diverse publicaties is vermeld dat Johannes
Thiebout advocaat was. De eerste zes jaar na zijn
afstuderen stond hij inderdaad als advocaat ingeschreven.
Maar al in 1859 werd hij secretaris en
ontvanger van het polderbestuur van Mastenbroek,
deze ambten bleef hij de rest van zijn werkzame
leven uitoefenen. Daarnaast vervulde hij
vele functies in het openbaar bestuur. Bijna dertig
jaar lang maakte hij deel uit van de Zwolse
gemeenteraad, enkele jaren was hij wethouder en
vijftien jaar lid van de Provinciale Staten van
Overijssel, waarvan vijf als Gedeputeerde. Hij was
ook bestuurslid van vele instellingen, zoals kerkvoogd
van de Nederlands Hervormde Kerk,
regent van het weeshuis, regent van het huis van
bewaring en lid van de commissies voor lager en
middelbaar onderwijs.
Of het nu door de erfenis van Johannes’ moeder
kwam of door de nalatenschap van zijn eerste
vrouw, een gegeven is dat hij het zich omstreeks
1865 kon permitteren een nieuw huis te laten bouwen
aan het Klein Weezenland. Hij was een van de
eersten, alleen Evert Jan Eekhout was hem voorgegaan,
die de oversteek over de stadsgracht
maakte. Toentertijd behoorde het gebied buiten
de grachten nog zo ongeveer tot het platteland.
Het was niet ‘comme il faut'”om daar te wonen.
Mr. Johannes Thiebout
jr. 1828-1903, in de bloei
van zijn leven. (Particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Achterkant van Klein
Weezenland (Van Roijensingel)
14, woonhuis
van Johannes Thiebout.
(Particuliere collectie)
Maar degenen die aan het Weezenland bouwden
hadden een fantastisch uitzicht op de stad en de
begroeide wallen. Ze hadden bovendien de ruimte.
Johannes liet achter zijn huis een grote tuin
aanleggen, ‘De Lindenhof geheten, die doorliep
tot aan de huidige Tuinstraat. Het huis zelf, Weezenland
14, stond op de hoek bij de Zeven Alleetjes.
Stond, want het is er helaas niet meer. In 1972
werd het afgebroken ten behoeve van de bouw van
een kantoorpand voor de IJsselmaatschappij. Het
was een immens groot huis, de schilder Joan Willem
Meijer heeft het in 1886 als achtergrond gekozen
voor zijn schilderij ‘Schaatsenrijden op de
Stadsgracht’ dat in bezit is van het Stedelijk Museum
Zwolle. Op dat schilderij en op foto’s is te zien
dat het een kloek pand was, zonder enige opsmuk.
Een huis zoals je ook nu nog veel ziet in Franse steden.
Zou Johannes zich toch nog een halve Fransman
gevoeld hebben? De contacten had hij er
zeker, want rond 1867 reisde hij per trein naar
Frankrijk om een compleet koper-instrumentarium
voor zijn amateur-blaasorkest op te halen. Hij
had dit bij een instrumentenmaker in Parijs
besteld om zodoende de kwaliteit van het orkest te
verhogen. Op zijn initiatief ontstond de muziekschool
waaruit later ook het conservatorium
voortkwam.
Uit bovenstaande mag al blijken dat Mr.
Johannes Thiebout een enthousiast bevorderaar
van de schone kunsten was. Een van Johannes’
kleindochters, Bep Tromp Meesters – Greven
(Diderica Elisabeth, 1892 -1984), wist nog uit eigen
herinnering te vertellen over de inspirerende sfeer
die er in Huize Thiebout heerste. Er werd dikwijls
gemusiceerd en geschilderd. Johanna Wenckebach
was bovendien ook iemand die het gezellig
maakte voor haar gezinsleden en gastvrijheid
bood aan vele vrienden, waaronder circusdirecteur
Oscar Carré en de toentertijd in Dalfsen
wonende kunstschilder Jacob van Heemskerck
van Beest. De familieoverlevering verhaalt eveneens
van het bezoek van een clown van Carré, die
langs kwam om dochter Hélène te leren ‘toveren’ –
het woord jongleren kende men toen nog niet –
met zes ballen en een beker! Deze exercitie was in
eerste plaats bedoeld als remedie tegen Hélène’s
‘kromme lopen’, maar wat zullen ze een plezier
gehad hebben!
Hélène, Betsy, Eva, Willem en Jan Thiebout
Hélène trouwde in 1884 met Corné Greven
(Jonkheer Cornelis Johannes, 1854 – 1928), een
legerofficier, die het tot garnizoenscommandant
van Den Haag zou brengen. Het paar Greven –
Thiebout vestigde zich echter aanvankelijk in
Utrecht. Het werd een goede gewoonte dat hun
kinderen Jan (Ernestus Johannes Christiaan, geb.
1885) en bovengenoemde Bep Greven ’s zomers
enkele weken bij hun grootouders Thiebout in
Zwolle kwamen logeren. Jan Greven bezocht later
het instituut Loman; eind negentiende eeuw een
bekende kostschool in Zwolle.
Hélène’s één jaar oudere zuster Betsy trouwde
in 1881 met Jo van Reede (Johan F.G., 1857 -1911),
wijnkoper en lid van de firma Ten Bruggencate en
Van Reede. Het echtpaar Van Reede -Thiebout
liet eveneens aan het Klein Weezenland een huis
bouwen, het huidige pand Van Roijensingel 18.
Deze imposante villa, opgetrokken in neorenaissancestijl,
werd ontworpen door de Zwolse architect
SJ.H. Trooster. In 1891 moest Jo van Reede
zijn majestueuze woning echter van de hand doen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
De nieuwe eigenaar werd Mr. B.P.G. van Diggelen
die tot 1941 de villa bleef bewonen. Jo en Betsy verhuisden
na de verkoop van Van Roijensingel 18
naar de Diezerkade.
Van de kinderen uit Johannes’ tweede huwelijk
was Eva de oudste en tevens de eerste die in het
grote huis aan het Weezenland werd geboren. Zij
trouwde in 1900 met Hendrik W.J. Roijaards (geb.
1862), op dat moment burgemeester van IJsselstein.
Opmerkelijk is dat Roijaards in 1906 dit
ambt neerlegde en zich met vrouw en kinderen in
Zwolle vestigde, waar hij zich evenals zijn zwager
Van Reede in de wijnhandel begaf.
Johannes’ tweede zoon Willem studeerde
medicijnen in Utrecht en werd huisarts in Maassluis.
Hij had veel patiënten die schipper waren.
Hij was getrouwd met een meisje Greve.
Willems jongere broer Jan (Johannes P.G.)
ging scheepsbouw te Delft studeren. Hij werd
scheepsbouwer en had met een compagnon een
scheepswerf in Amsterdam, onder de naam Van
‘Schaatsenrijden op de
stadsgracht’ door }. W.
Meijer, 1886. Met vol
zicht op het woonhuis
van Johannes Thiebout,
Klein Weezenland 14.
(Stedelijk Museum
Zwolle)
De eetkamer van Klein
Weezenland 14 in 1903.
(Particuliere collectie)
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De familie Thiebout in
1894 achter Klein Weezenland
14. De volwassenen
zijn vlnr. staand:
Jan Thiebout, Johannes
Thiebout, Helene Thiebout,
Carel Thiebout
jr., Jo van Reede, Willem
Thiebout. Zittend:
Corné Greven, Johanna
Wenckebach, Eva Thiebout,
Betsy Thiebout.
(Particuliere collectie)
Baay en Thiebout. Jan Thiebout trouwde laat: op
zestig-jarige leeftijd liep hij op een goede dag over
het Weezenland en kwam daar Frieda Wispelweij
tegen…
Mr. Carel Hendrik Thiebout jr. (1868 -1958)
De oudste zoon van Mr. Johannes Thiebout was
Mr. Carel Hendrik Thiebout jr. (1868-1958). Carel
was sportief van aard. Hij kon goed zeilen en
schaatsen, maar vooral de fietssport had zijn warme
belangstelling. De fiets was toen nog niet zo
lang uitgevonden en Carel jr. heeft de eer de eerste
fietser in Zwolle te zijn geweest! Zijn nog in leven
zijnde dochter Cateau Kloos-Thiebout (1903) kan
zich nog goed herinneren dat er in de gang van
hun huis een geel loopfietsje stond. Het was voor
haar en haar broertje streng verboden er op te
loopfietsen. Voor hun vader was het fietsje bijna
een heilig relikwie! Behalve de loopfiets bezat
Carel ook een vélocipède waarmee hij Zwolle
doorkruiste. Er werden geregeld fietswedstrijden
georganiseerd tegen andere steden. Groot was de
voldoening wanneer Zwolle won van Amsterdam!
De vélocipède behoort op dit moment tot de collectie
van het Stedelijk Museum Zwolle. Carel
Thiebout was verder een fervent vogelliefhebber.
Dikwijls fietste hij via het Kleine Veer of het Katerveer
naar Hattem om daar samen met zijn vriend
Piet van Tienhoven bijzondere vogels te bestuderen.
Samen richtten zij de Vogelbescherming
Nederland op, waarbij Van Tienhoven de grote
initiator was. Carel Thiebout jr. trouwde in 1902
met Cateau (Johanna Catharina) Loopuijt (geb.
1876). Zij woonden eerst in de Emmawijk, vervolgens
in de Terborchstraat en tenslotte van 1912 tot
1946 aan de Potgietersingel nr. 2. Carel Thiebout
koos na zijn rechtenstudie in Utrecht voor een
loopbaan als bankier, op Luttekestraat 19 was de
bank Frowein & Thiebout gevestigd. Daarnaast
was hij jarenlang gemeenteraadslid.
Examenvrees
Tot slot van dit beknopte overzicht van een Zwolse
familie een anekdote die bij tijd en wijle bij de
nazaten van de familie opduikt en waarin de eerste
Zwolse Thiebout, rector Carel, een rol speelt. De
pedagogische kwaliteiten van de laatste mogen
hieruit tevens blijken:
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
Carel Thiebout was lid van de commissie voor
het afnemen van het staatsexamen tot toelating
aan de universiteit. Zo moest hi) in 1848 de zestienjarige
Pieter de Génestet, die later bekend
werd als dichter, examineren. Het examen vond
plaats in de concertzaal van ’t Odéon. De Génestet
zag vreselijk tegen het examen op en had daardoor
last van een black out. Thiebout merkte dit en zei:
‘Kom, we gaan even buiten een luchtje scheppen,
daar zult u van opknappen.’ Beide heren gingen
een tijdje rondlopen in de tuin die ’t Odéon toen
nog rijk was. Onderwijl spraken zij over van alles
en nog wat het vak betreffende. Uiteindelijk ging
het weer richting examenzaal. ‘Oh nee’, verzuchtte
De Génestet, ‘opnieuw dat vreselijke examen!’
Waarop de rector uitriep: ‘Nee, dat hoeft niet
meer, u bent al geslaagd.’ Thiebout had hem, wel
bemerkend dat de jonge De Génestet overmand
was door zenuwen, ongemerkt in de tuin het examen
afgenomen.
De dichter heeft hem er later in stijl voor
bedankt. In het lange dichtwerk ‘Aan een lid der
commissie voor het staatsexamen’ spreekt hij
Thiebout onder meer met de volgende regels aan:
‘O wist gij, wel een heldre taal
Daar uit uw blikken sprak
Toen in diegroote, holle zaal
Mijn hart van weedom brak;
Toen ‘k riep: Odéons zaalgewelf,
Zink op den stommeling neer! –
Toen ‘k twijfelde aan mijn ikheid zelf,
Als aan de fabelleer.’ Etcetera.
Helaas staat de naam Thiebout op uitsterven.
Bovengenoemde Cateau Kloos – Thiebout is de
enige in de familie die deze naam nog draagt. Was
de wetgeving betreffende de naamgeving eerder
gewijzigd, dan waren er vast en zeker vrouwelijke
familieleden geweest die hun kinderen deze mooie
naam hadden meegegeven!
* Met dank aan Annèt Bootsma – van Hulten voor haar
inbreng bij de totstandkoming van dit artikel.
Bronnen
Mondeling:
Schriftelijk:
W.F.C. Tromp Meesters.
De dichtwerken van P.A. de Génestet,
1888, p. VI en p. 13-17
W.A. Elberts, Historische wandelingen in
en om Zwolle, Zwolle 1973, p. 100 en
p. 204. Zwolsche Courant 1 juli 1907 en
5 januari 1952 en het Huisarchief Schellerberg
Helene Greven – Thiebout,
met haar kinderen
Jan en Bep. (Particuliere
collectie)
Ansichtkaart van Circustheater
Carré, verstuurd
in 1901 door
Carel Thiebout jr. aan
zijn nichtje Bep Greven
in Utrecht. De tekst
luidt: ‘Zwolle 17.3. 01.
Beste Betsyl In dit
gebouw zaten wij (Pa
en ik) zaterdagavond;
en daar is Mama nog
nooit geweest. Zeg toch
datje eens spoedig met
M[ama] daar heen
gaat. Hoeveel is^x 17?
Heden eet Jan hier met
Betsy van Reede en Blijenburg.
Vele groeten
aan Pa Ma en Nero,
Oom Carel.’ (Particuliere
collectie)
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aannemer Bernardus Hermannus Trooster
(1814-1898)
Ph. H. Trooster * Op 16 Maart 1727 werd in het huwelijksregister
van Bredevoort in de Gelderse Achterhoek
geschreven: ‘Stephan Trooster
j.m., geboortigt van Evenkhausen gelegen in
Ceulsland, soldaat in de Comp.van de H-Lieutenant
Colonel Keppel, in ’t Reg. van wijlen de Hr.
Baron Haarsholt; met Gesina Willems j.d. van wijlen
Willem Willemsen, geboortigt van Groot-
Reken, gelegen in ’t sti v Munster.’ Dit echtpaar
Stephan en Gesina Trooster vertrok na de geboorte
van een zoon, Arend, naar Zwolle. Het beroep
van soldaat stond niet in hoog aanzien en de beloning
was schamel. Geboortig uit ‘Ceulsland’ (het
bisdom Keulen) betekende rooms-katholiek en
dat bracht maatschappelijke achterstelling met
zich mee. Stephan werd in Zwolle dan ook in 1739
van de armen begraven, met de aanduiding
‘wonende bij de Saagmeulen’.
Arend Trooster gaf aan zijn eerste zoon (1752)
weer de naam Stephan. Deze Stephan trouwde in
1776 met Hillegonda van der Kolk en was eerst
knecht bij een speldenmaker en later hout- en
turfkoper. Zijn zoon Johannes (1782), van beroep
sjouwer en arbeider, was de vader van de Bernardus
Johannes Trooster aan wie dit artikel gewijd
is. Bernardus zag het levenslicht in 1814.
Nieuwe kansen
De negentiende eeuw bracht een ommekeer ten
goede voor de katholieken. De leuze ‘Vrijheid,
Gelijkheid en Broederschap’, met de Fransen in
1795 naar Zwolle gekomen, miste haar uitwerking
op de verhouding tussen burgers onderling en
tussen burgers en overheid niet. Een groeiend
zelfbewustzijn bij katholieken bracht velen hunner
ertoe zich toe te leggen op de mogelijkheden
die het bedrijfsleven hen bood, vooral in de kleinhandel
met turf en talhout. Ook na de Franse
overheersing waren openbare ambten eerst nog
voor hen gesloten maar de gildedwang was definitief
opgeheven en men kon zich vrij als ambachtsman
vestigen.
Zo deed ook Bernardus Hermannus Trooster.
Hij begon als timmerman, maar ontwikkelde zich
gaandeweg steeds meer als aannemer. Hij was in
1836 te Haarlem getrouwd, nadat hij, waarschijnlijk
in de Spaarnestad, zijn militaire dienstplicht
had vervuld. Zijn vrouw overleed reeds twee jaar
later, zonder hem kinderen te hebben geschonken.
Bernard keerde terug naar zijn geboortestad
en trouwde daar in 1841 met Ursula Maria Bosch,
dochter van een wasbleker. In 1847 kochten zij een
huis vlakbij de hoek van de huidige Thorbeckegracht
en de Posthoornbredehoek (Thorbeckegracht
46). Het kostte Bernard 2500 gulden, waarvan
hij er 1900 onder hypotheek moest lenen.
Zijn eerste grote opdracht kreeg hij van de
‘Commissie tot opbouw van de R.K. kerk “Onder
de bogen'”. Hij mocht voor 36.000 gulden een
nieuwe kerk in de Nieuwstraat bouwen. Dat was
veel geld in een tijd dat een stadhuisklerk 300 gulden
per jaar verdiende. De commissie van aanbesteding
bestond uit vooraanstaande en gefortuneerde
katholieke burgers, onder wie Antony
Johan Helmich en Gerardus Antonius Vos de
Wael. Zij moeten overtuigd zijn geweest van de
betrouwbaarheid van de 34-jarige Trooster, want
diens financiële armslag kan nog niet groot zijn
geweest. De kerk, het Sint-Jozefgebouw, staat er
nog steeds, op Nieuwstraat 41, hoek Rozemarijnstraat.
Een aantal jaren geleden werd het verbouwd
tot appartementen.
Wonen op de wallen
Welk perspectief bood Zwolle in 1850 een aannemer?
Zwolle groeide in die jaren. De stadswallen
werden geslecht, de poorten gesloopt. Op de plek
van de oude vestingwallen liet de stad ‘wandelinZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen’ (parken) aanleggen en rond de oude binnenstad
werden steeds meer nieuwe huizen gebouwd.
Het stadsbestuur gaf ook geld uit aan de verbetering
van wegen en kanalen. Zo zou Trooster
betrokken worden bij de bouw van de Sassenpoortenbrug,
Vispoortenbrug en Nieuwe Havenbrug.
Toen de Grote Aa door de binnenstad werd
overkluisd en vervangen door een groot gemetseld
riool mocht Trooster het gedeelte over het Gasthuisplein
voor zijn rekening nemen. De werkzaamheden
vingen aan in 1857 en zouden in totaal
zo’n 13.000 gulden kosten.
De nieuw te bouwen huizen op de geslechte
stadswallen boden Trooster echter de meeste
vooruitzichten. De verdedigingswerken waren
aangelegd tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-
1621) en besloegen een oppervlakte die gelijk was
aan een vijfde van de binnenstad. Er lag een hoge
wal om de stad en verscheidene bastions zoals het
Maagjesbolwerk, de Eekwal, de Suikerberg, het
Van Nahuysplein, het Ter Pelkwijkpark en de
Badhuiswal.
Sommige aanzienlijke burgers uit de Koestraat
en de Walstraat hadden op de buitenglooiingen
van de wal tuinen aangelegd, vaak met een tuinkoepel.
Soms konden ze hun tuin aan de stadsgracht
via een poterne, een onderdoorgang, bereiken.
Het was mogelijk ook de bedoeling van notaris
mr. LA.van Roijen een tuin aan te laten leggen op
de wallen toen hij in 1848 de leerlooierij van de
Gebroeders Damman kocht. De leerlooierij lag
naast zijn huis aan de Sassenpoortenwal (nu Van
Nahuysplein 4) en besloeg een groot gedeelte van
het huidige Van Nahuysplein. Een leerlooierij had
nu eenmaal veel spoelwater nodig. De leerlooierij
bestond uit drie percelen, waarop in ieder geval
twee pakhuizen, zeven kalkkuipen, 50 andere kuipen,
een droogloods en een tuinkoepel stonden.
Ook was er een tunnel onder de wal naar het water
van de stadsgracht. Van Roijen kwam er nog toe
om rond de koepel een tuin te laten aanleggen,
maar werd vervolgens in 1850 benoemd tot commissaris
des konings in Groningen. Zijn zoon
moest de boel maar weer verkopen. Trooster
kocht de tuin met tuinkoepel in 1854 en drie jaar
later ook nog een tweede perceel. De opzet van de
Bernardus Trooster aan
het eind van zijn carrière,
omstreeks 1880.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle)
aannemer: koop een perceel grond op een geliefde
plek, bouw er voor eigen risico een mooi huis op
en verkoop het geheel met winst. Trooster werd
een soort projectontwikkelaar. De kant en klare
ontwerpen voor zijn stadsvilla’s vond hij in boeken
die bijvoorbeeld in Parijs te krijgen waren bij
de École d’architecture Francais.
Dat dit een profijtelijke gang van zaken was,
blijkt uit Troosters activiteiten op het Jufferenwalbolwerk,
ook wel Maagjesbolwerk genoemd. In
1850 en 1852 kocht hij daar enkele percelen met een
tuin, koepel en drie huisjes voor 4.325 gulden. Een
deel ervan verkocht hij voor 3.500 gulden weer aan
de heren Hens en Schaepman. Voor beide ondernemers
bouwde Trooster op het stuk grond een
bierbrouwerij, die ‘Het Schaap’ aan het Rodetorenplein
zou worden en waarvan het restant pas
kort geleden is afgebroken ten behoeve van een
moderne projectontwikkelaar. De overgebleven
grond met huis, tuin en koepel verkocht hij voor
8.500 gulden aan A.K.Kersjes. Alleen de handel in
onroerend goed had hem dus al meer dan 7.000
gulden winst opgeleverd en dan kwam de bouwopdracht
voor de bierbrouwerij er nog bij.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De hoek van het Van
Nahuysplein omstreeks
1866-1867. Trooster
heeft de lage aanbouw
naast nummer 12 nog in
gebruik voor zijn bouwmaterialen
en werktuigen.
De molen die
boven de daken uitsteekt,
zou pas in 1870
worden afgebroken.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle)
Het Van Nahuysplein
In 1857 was Trooster in het bezit van nagenoeg het
hele Van Nahuysplein, om precies te zijn de percelen
van de huidige huisnummers 5 tot en met 17.
Om hier huizen te kunnen bouwen, kocht Trooster
van de gemeente ook nog voor 480 gulden een
perceel achter de huidige huisnummers 13 tot en
met 17. Tweederde daarvan was water en werd als
spoelkom van de leerlooierij gebruikt. Trooster
moest het eerst dempen en ophogen. Alles bij
elkaar kostte dit project 8.580 gulden, van welk
bedrag hij 8.000 gulden moest lenen. Tot 1870 zou
Trooster aan het plein negen riante herenhuizen
bouwen, waarvan er nu nog zes staan. In 1866 had
de ondernemer vijf van de huizen verkocht, voor
de totale som van 66.750 gulden.
De voorloper van de huidige nummers 16 en
17, een ‘kapitaal nieuwgebouwd herenhuis’, werd
in 1859 op een veiling voor 14.000 gulden gekocht
door de rechter Van Nes van Meerkerk. Het huidige
nummer 8, dat lange tijd bekend stond als het
verzorgingshuis van Zuster Scheffer, ging naar
barones C.M.C. Bentinck, de echtgenote van mr.
W.F.E. baron van Aerssen Beijeren van Voshol. Ze
moest er 11.000 gulden voor neertellen.
De voorloper van het huidige nummer 13 wisselde
al van eigenaar toen het nog niet afwas. De
marineman (kapitein ter zee) B.H. Staring kocht
het in 1860 voor 8.000 gulden.
Van Nahuysplein 14 was in 1864 afgebouwd en
werd voor 11.250 gulden de woonstee van jhr.mr.
P.Z.J. van Hemert, lid van Gedeputeerde Staten,
burgemeester van Hasselt en burgemeester van
Kamperveen, een echte bestuurlijke bobo.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Van Nahuysplein
aan het eind van de
jaren tachtig van de
negentiende eeuw. Het
was een keurig plein,
waar vooral veel adel
woonde. (Collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
De statige villa in het midden (nummer 12) die
nog steeds het plein domineert, werd door Trooster
zelf bewoond (onder) en door de burgemeester
van Zwolle, mr. J.A.G. de Vos van Steenwijk. In
1866 kocht mr. A.M. van Roijen de villa voor
16.500 gulden. Trooster zat toen zo goed in de
slappe was dat hij hem daarvoor 9.000 gulden kon
lenen. Hij bedong wel dat hij nog een jaar lang de
naast de woning gelegen werkplaats mocht huren.
De twee kavels die overbleven (nu staan er de
huizen 7 tot en met 9) verkocht Trooster in 1870
voor 6.000 gulden aan de heer Schlingeman. Later
bouwde hij er in diens opdracht drie herenhuizen
op.
Eveneens in 1870 kocht de gemeente met steun
van de bewoners van het Van Nahuysplein de
molen aan, die op een hoek van het bolwerk het
uitzicht ‘verpestte’. De molen werd schielijk afgebroken.
De aristocratie voelde zich zeer thuis op
het, zoals het toen nog heette, Potgietersplein.
Zeker toen later in het midden een fraai plantsoen
werd aangelegd. In 1893 werd het plein ter ere van
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuys omgedoopt
in Van Nahuysplein. De fontein was het
jaar ervoor bij diens 25-jarig ambtsjubileum in
gebruik genomen.
Wan Nahuysplein 12, op
een zeer oude foto van
waarschijnlijk 1867. De
lage aanbouw aan de
villa is nog in gebruik
bij aannemer Trooster.
Zijn bouwmaterialen
liggen op de wal. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het succes
Trooster was succesvol toen hij met het Van
Nahuysplein bezig was. In 1864 was hij vijftig jaar
geworden. Het gezin telde, na het vroege overlijden
van twee meisjes, vijf kinderen. De oudste
zoon, Steven, bezocht de stedelijke tekenschool en
zou later als architect in Zwolle naam maken. Een
dochter, Regina, zat op de kweekschool. Zij zou
tot 1910 onderwijzeres in Dalmsholte zijn.
Bernard Trooster was lid van de Vereniging tot
Bevordering van de Bouwkunst, waarbij ook de
heren Dooijer, Breukel en Bosboom betrokken
waren. Tussen 1876 tot 1882 was hij er zelfs president
van. De voormalige timmerman bewoog zich
blijkbaar gemakkelijk in de kringen van zijn
opdrachtgevers.
De Stationsbuurt
In 1864 stoomde de eerste trein het station van
Zwolle, dat toen overigens nog gesitueerd was aan
de Willemsvaart, binnen. Vanaf 1866 werd het
huidige emplacement gebruikt en in juni 1868
kwam het stationsgebouw gereed. Tussen de stad
en het station lagen toen voornamelijk nog laaggelegen
weilanden, die voor de bouw van het station
waren opgehoogd. Langs de huidige Van Roijensingel
stonden nog niet de fraaie villa’s van tegenwoordig,
maar lagen wat tuinen met hier en daar
een tuinkoepeltje. Het gebied heette de Hertenkamp
(vandaar ook bijvoorbeeld de Hertenstraat)
en was in eigendom van de gemeente. Het stadsbestuur
wilde dat de nieuwe toegangsweg tot de
stad er fraai uit ging zien. In juni 1868 besloot het
vier grote percelen aan de oostkant van de Stationsweg
te verkopen, met de bedoeling ‘daarop
een villa, heerenhuis, groot koffijhuis of logement
van den eersten rang te [laten] bouwen. Op elk
perceel zal niet meer dan één gebouw mogen worden
opgerigt.’
Bernard Trooster kocht het derde perceel
waarop nu Stationsweg 9 staat. Het tweede perceel
(nu Hotel Wientjes) werd gekocht door een stroman
voor de kersverse burgemeester van Zwolle,
jhr. W.C.T. van Nahuys. Trooster kreeg van Van
Nahuys de opdracht er een mooi huis op te bouwen
en al in augustus van hetzelfde jaar werd met
de bouw een aanvang gemaakt. Van Nahuys zou
er 34 jaar wonen. In 1928 kocht hotelhouder F.Th.
Wientjes de villa, verdubbelde het gebouw door er
een identiek stuk tegenaan te laten zetten en
begon er een hotel.
Het perceel Stationsweg 9 verkocht Trooster
na de zomer met enige winst aan de belastinginspecteur
L.Wentholt. Vervolgens kreeg hij van
hem de opdracht daar een villa te doen verrijzen.
Momenteel is dit pand nog het onderkomen van
de Regiopolitie IJsselland.
De andere villa’s aan de Stationsweg verrezen
in dezelfde periode.
Vanaf de Sassenpoort liep de snelste weg naar
het station via de Zeven Alleetjes, een soort wandelgebied
waar zeven laantj es die met bomen
waren beplant samen kwamen. De gemeente
maakte zich zorgen over de waterhuishouding in
dit gebied en probeerde ook hier het aanzicht van
Zwolle te verfraaien. Pas in 1882 zou de Terborchstraat
worden aangelegd, maar al tien jaar ervoor
kocht Trooster het perceel op de hoek van de Van
Roijensingel en de Zeven Alleetjes (Van Roijensingel
13). Hij deed dat voor mr. E.J.I. van Sonsbeeck,
een Zwolse advocaat die ook in Provinciale
Staten zat. Trooster bouwde voor hem een riante
villa in voornamelijk neorenaissancestijl die in
1874 betrokken kon worden. Het huis kreeg later
bekendheid omdat vanaf 1899 burgemeester LA.
van Roijen er lange tijd woonde. Deze mr. LA. van
Roijen was de kleinzoon van de commissaris des
konings in Groningen A.M. van Roijen, met wie
Trooster aan het Van Nahuysplein te maken had
gehad.
De Eekwal
In de geschiedenis van de huidige panden 16,18 en
20 aan de Eekwal speelde Trooster ook een
belangrijke rol. Aan de Eekwal lagen vroeger, net
als aan het Van Nahuysplein, leerlooierijen. Eek is
eikeschors dat bij het looiproces werd ingezet. De
leerlooierijen verdwenen toen de wallen werden
geslecht en er statige herenhuizen verrezen.
Trooster kocht in de zomer van 1870 voor 6.000
gulden een stuk grond tussen de Eekwal en de Kalverstraat,
dus aan de stadszijde schuin tegenover
het bolwerk. Dat was erg veel geld voor een niet al
te groot stuk grond. Voor alle zekerheid bouwde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trooster er dan ook niet voor eigen risico een huis
op, maar verkocht de grond en bouwde het huis in
opdracht van de koper. Waarschijnlijk was dat
ook voordeliger: er hoefde dan slechts overdrachtsbelasting
over de grond te worden betaald.
In februari 1871 ging het perceel van het huidige
nummer 20 over in handen van de heer A.P.G.
Hens en mocht Trooster er een huis op bouwen.
Met de familie Hens had hij twintig jaar eerder al
zaken gedaan, toen hij brouwerij ‘Het Schaap’ aan
het Rodetorenplein bouwde. Het tweede stuk, het
huidige nummer 16, ging in de herfst van dat jaar
naar de familie Vos de Wael. Het derde pand dat
er tussenin kwam te liggen, nummer 18, werd
gebouwd voor de heer P. van Regteren Altena, een
grondeigenaar uit Heerde. Om de huizen te kunnen
bouwen moest Trooster met de gemeente nog
een paar stukjes grond ruilen. Het stadsbestuur
stond daar welwillend tegenover, omdat ‘een
thans leelijke en misvormde hoek eene belangrijke
verbetering zal ondergaan’, zoals in de raadsvergadering
van 16 december 1871 werd gemeld.
In 1872 was Trooster klaar aan de Eekwal.
Tussen 1874 en 1883
In 1874 werd Trooster 60 jaar, maar dat betekende
niet dat hij van een rustige oude dag ging
genieten. Zijn activiteiten namen wel af; bovendien
valt deze periode moeilijk uit de oude stukken
te reconstrueren. Uit de familieoverlevering is
bijvoorbeeld bekend dat Bernard Trooster betrokken
is geweest bij de bouw van Frisia State aan de
Ruiterlaan, maar het is niet te bewijzen aan de
hand van archiefstukken. Frisia State werd in 1874
gebouwd voor baroness A.A.A. de Vos van Steenwijk-
van Eijsinga, naar een ontwerp van de architect
L.H. Eberson. Volgens een ander verhaal dat
in de familie rondgaat, zou Trooster in 1882 voor
de schatrijke joodse boterhandelaar Samuel
Cohen Van Roijensingel 6 hebben gebouwd. Het
ontwerp was van de bekende Amsterdamse architect
I. Gosschalk, die ook het Groninger station
had ontworpen. Ook hij was een jood. Nu zou er
onder de erker aan de linkerzijde van de villa een
kruis als ornament zijn aangebracht. Toen de
opdrachtgever daar achter kwam, ontstond er een
hoog oplopende ruzie met de bouwer. Cohen
Eekwal 16 (rechts) en 18
omstreeks 1890. Het
rechter pand was
gebouwd voor de familie
Vos de Wael, het linker
voor P. van Regteren
Altena. (Collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De zuidzijde van de
Celestraat met de door
Trooster gebouwde huizen.
In de deuropening
van nummer 10 staat
Bauwina Horreüs de
Haas, de zuster van de
‘rode dominee’, die na
het overlijden van haar
moeder in de ouderlijke
woning bleef wonen. De
foto werd omstreeks
1930 gemaakt.
stond erop dat dit symbool van het christelijk
geloof weer verwijderd zou worden, Trooster zei
dat het zo op de bouwtekening stond en dat het
moest blijven zitten. Het einde van het verhaal was
dat Trooster voet bij stuk hield en zich niet meer
op het bouwterrein liet zien. Zonder behoorlijk
toezicht moeten toen de bouwkosten de begroting
ruim hebben overschreden, wil het verhaal.
Trooster was in die jaren nog wel betrokken bij
de bouw van de Nieuwe Havenbrug (de Polkabrug),
die in 1875 tot stand kwam, maar erg actief
was hij verder niet.
In het najaar van 1878 kocht hij van Engelien
Middag (van boerderij de Klooienberg in Holtenbroek)
een huis, erf en weiland in Assendorp, toen
nog een landelijk gebied met enkele tuinderijen.
Op dit forse perceel bouwde hij haaks op de
Assendorperstraat twaalf arbeiderswoningen. Het
blok woningen was symmetrisch opgezet; het
middelste huis (nummer 16) was het grootst. Aan
de voordeur van deze woning is ook meer aandacht
dan aan die van de anderen besteed. Naar de
kanten toe worden de woningen kleiner. In de
zomer van 1880 overlegde hij met de gemeente om
een stuk grond voor de gevels van deze huizen te
kopen, zodat daarop een straat kon worden aangelegd.
Dat werd de latere Celestraat. In een van
de huisjes, die aan de zuidzijde van de straat lagen,
heeft (op nummer 10) tot 1928 de moeder van G.
Horreüs de Haas, de ‘rode dominee’, gewoond.
Het einde
Op 18 mei 1880 overleed Ursula Bosch, Troosters
echtgenote. Ze werd 62 jaar oud. Toen de erfenis
in 1881 verdeeld werd, bleek hoe Trooster er voor
stond. En dat hield niet over. Er viel zo’n 74.000
gulden te verdelen, waarvan echter 55.000 gulden
in onroerend goed zat. Troosters deel bedroeg
37.000 gulden, maar 35.000 gulden daarvan zat in
de twaalf huisjes aan de Celestraat. Inmiddels had
hij de bouw aangenomen van het station te Sneek.
Om die bouw voor te financieren moest hij een
hypotheek afsluiten van 25.000 gulden. Op de een
of andere manier kon Trooster de eindjes niet
meer aan elkaar knopen en op 23 september 1883
werd het faillissement uitgesproken. Hij bezat
precies 36.715,32 gulden, waaronder de twaalf
huisjes. Daartegenover stond een schuld die meer
dan 73.000 gulden bedroeg.
Daarmee was er voor Trooster op 69-jarige
leeftijd een niet al te glorieus einde gekomen aan
een lange loopbaan als aannemer. De oorzaak van
de financiële ondergang is moeilijk te achterhalen.
Misschien heeft zijn koppig karakter hem parten
gespeeld. Misschien hebben zijn beide jongste
zonen, Bernard jr. en Martinus – die beiden in zijn
voetsporen wilden treden – te vaak een beroep op
zijn portemonnee gedaan. Het is gissen.
De oudste zoon, Stephanus J.H., werd een succesvol
architect, die veel in Zwolle heeft gebouwd.
Het hielp daarbij dat hij trouwde met Cornelia
Kamphuis, dochter van een schatrijke Zaanse
houtkoper. Steven zal zijn vader een rustige oude
dag hebben bezorgd.
Bernardus Hermannus Trooster overleed in
Zwolle in 1898, op 84-jarige leeftijd.
* Bij het onderzoek heb ik veel medewerking ondervonden
van Jan Wigger van het Rijksarchief Overijssel,
Wim Huijsmans van het Gemeentearchief Zwolle en
Klaas Por van het Kadaster. Daarvoor mijn hartelijke
dank.
Rechts: Staat van
bouwwerken van B.H.
Trooster(i8i4~i896)
met bronvermelding.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
DATUM
20.06.1847
06.07.1852
23.02.1 S48
1850
11.02.1852
14.10.1SS2
1 850/”53
07.02.1854
21.06.1854
22.11.1S54
28.O2.18S6
16.4.1857
29.12.1857
30.03.1858
I2.04.18S9
20.O6.1860
25.1O.1X6O
1 1.06.1860
6. 6 1861
1864
28.4.1866
1867
2.6.1868
13.6.1868
22,8.1868
18.8.1869
7.9.1 860
15.3.1870
21.4.1870
19.5.1870
5.6.1870
16.12.1 87O
17.12.1870
21.11.1870
29.12.1 87O
23.2.1871
1871
20.Jip.1871
1X71
16.12.1871
25.3.1872
19.6.1872
29.1.1873
1873
1874
12.4.1875
22.10.1878
aard van
gebeurtenis
koop
verkoop
bouw
koop
koop
koop
bouw
verkoop
koop
errpacjit
verkoop
demping
koop
koop
pi.ibl.verk.
verkoop
verkoop
koop
bouw
verkoop
verkoop
bouw
publ.koop
bouw
bouw
verkoop
bouw
verkoop
koop
verkoop
koop
verkoop
bouw
bouw
bouw
verkoop
koop
verkoop
koop
ruit
verkoop
koop
koop
bouw
verkoop
bouw
koop
kad no
F 181
F 181
not.vd.Biesen
8255
F 1605
F 1598
F 1595
F-1596
OAZ 77/H56
F2924/2925
F 2099
dlv F3044
F 2984
F 2806
F3124/3109
T3123
naar 3404
F3O46(2O99)
F 3471
F 3705
notul.gem-
F 3403
F3 400/72
not.gem.r.
O 1499
not.gem.r.
GAZ.AA201
G 1499
O 1499
F 3397
B980
B980
F 1641
F 3705
Not.ftem.r.
Not.gem.r.
Not.gem.r.
F 3723
P 3698
F 3768/69
F 1641
not gem.r.
F3 767/68
O 3703/4
G.1726
(Q67)
M 1889
G67 deel van
G.1726
not.gem.r.
Q442-3 en
163
kada regjstr •+-
not akte
dl.88-39
dl. 140-5
dl.129-80
dl. 133-47
dl. 134-72
dl. 156-42
dl.101-55
dl.232.26
dl. 178-70
not.gem.rd
no.179
dl.201-9
dl.203-40
dl.216-8S
dl.231-63
dl.236-6
dl.232.26
no.209/259
dl.289.30
dl.303.62
dl.332.114
25.5.68
31.80
345.76
OAZ AA 201
351.3
353.8
353.8
354.22
359.56
14.12.70
367.31
369.83
369.84
374.16
nol.gem.r.
383.24
overlevering
386.70
393.71
oppervl.
r ‘ roe
3 r90
5 r 90
39 el
31 el
3 r 90
11 r 10
1 r 60
6r 60
16 r 40
7r90
5 r40
8 r.94
7r .60
1 r 19
4 r
7r 88
27. 5r
27.5 r
27.5 r
2.5 r
7.64 r
7.64
Sr 8
1.81 r
1.8r
0.49 r
2.9 r
0.13 r
2.10r
11.83 r
19 r
1.7 r
30.88 r
bedrag in
guldens
2500
2500
36.000
325
3000
1000
3500
2100
220
8500
13015
6000
480
14000
1 1000
8000
2 2 0
9875
1 1 250
16250
2200
1100
19.500
100 +5%
1500
5900
6000
6000
4500
16.900
2 5 0
1 100
2 4 5
1100
300
3500
5 per
el
2500
200
17.875
4000
vorige eigenaar
mej.de Haan
stueadoor Arens
“onder de bogen”
kerk R.K.
W.Sterk banketbakker
P.J. de Vos
v.d. Waay
Wed. Souman
Hens &;
Schaepman
Hens &
Sdiaepman
I.A.v.Royen
Stad Zwolle
AKersjes
Stad Zwolle
I. A.v.Royen
SUid Zwolle
v.Nes van Meerkerk
Mw. Bentinek
B.H. Staring
Stad Zwolle
Stad Zwolle
P.J.van Hemort
AM.van Royen
Stad Zwolle
Stad Zwolle
Stad Zwolle
W.v.Nuhuys
L.Wentholt
L.Wentholt
Schlingeman
H.R-Overbeek
I… Scheurleer
Ballot
Schlirj goeman
Stad Zwolle
Stad Zwolle
Schlingeman
AP.O.Hens
Stad Zwolle
Vos de Waal
Stad Zwolle
Stad Zwolle
v.Regteren-
Altena
voor en namais
v.Sonsbeek.
Sohellcwald
Vos. v. Steenwijk
SJH Trooster
Stad Zwolle
E.Middag van
Klooien berg
bijzonderheden
hoek Dijk (nu: Thorbeckegracht)
Poslhoombr.hoek
als hierboven
comm.tot oprichting rk kerk
A.J.Helmich.G. AVos de Waal
tuin/koepel in bast.Jutf.wal
huis/erf binnensingel Juü’.w
2 huisjes/erven a.d.Jufif.wal
brouwerij a.d. Jufterenwal
1 923 kerkgeb.EI JM
tbv.bouw brouwerij,
kopers nemen f. 1000. hypotheek
tuin/koepel Sassenpoortenwal
a.d. Sassenpoortenwal
huis/tuin/koepel Juflèrenwal
Grote Aa tusen Blauwe Hand en Gasthuis
brug
huis en erf a.d. Sassenpoortewal
kolk v.voormalige leerlooierij
dempen.voor 1.1.’60 bouwen
Sassenpoortenwal : “kapitaal
nieuw gebouwd herenhuis”
a.d. Sassenpoortenwal
in aanbouw x.ijnd huis a.d.
Sassenpoortenwjil
a.d. Sassenpoortenwal (15.3..70)
on derbouw. Sassenpoorten brug.
burgern.Kamperveen .huis a.d. Sassenpoortenwal.
huis a.d. Sass.p.wal bewoond door BH Tr
en Burgemeester.De Vos v.Steenwijk
muur aan het Gr.Kerkplein
Stationsweg no.9
onderbouw VispooitenbruR
burgem.Zwolle Stationsw.7
(hotel Wienties)
Stationsweg 9
Stationsweg bij Hertenkamp
Sassenpoortenwal
huis/erf Diezerpoort
voor de Diezerpoort
Grond aan de Eekwal
aan de Sassenpoortenwal
school aan de Praubstraat
5 heipalen 1’annekoekendijk
koopt 2 ca. van stad tlnv bouw door
B.H.Trooster
ter bebouwing door B.H.Trooster
grenzend eigendom koper
ter bebouwing door B.H.Trooster
tbv bouw hoek Zuid van Hens
tbv bouw aanzienl.woning Eekwal
in aanbouw zijnd huis tussen Hens
en Vos de Waal.
nabij 7 Alledjes (v.Royensingel 1 3)
tuin-Hcoepel Assendorpersteeg
Frisia State-Ruiterlaan
zoon van B.H.Tr.j architect
bouw Nieuwe Havenbrug(PolkabruR>
huis. erf en weiland Assendorp. –
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerendanserdijk 1: dienstwoning van
de voormalige Reinders’ Oliefabrieken als
industrieel erfgoed aangemerkt
Jeanine Otten*
Boerendansedijk 1 aan
de ingang van het zogenaamde
DSM-terrein,
februari 2000. Foto:
Marcel Overbeek. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
Tegenover het einde van de Vondelkade ligt
het begin van de Boerendanserdijk. Daar,
op het zogenaamde DSM-terrein, staat tussen
hoog struikgewas aan de Nieuwe Vecht een
vrijstaande, dichtgetimmerde woning. Door de
vervallen toestand waarin het pand verkeert is er
op het eerste gezicht niet veel bijzonders aan te
beleven, maar degene die nog eens beter kijkt ziet
dat het huis allerlei aardige details bevat. Het
grondplan is vierkant. De voorgevel heeft op een
van de hoeken twee vierkante gemetselde zuiltjes,
gedekt met een Dorisch aandoend kapiteel, die de
overhangende daklijst ondersteunen. De zuiltjes
zijn onderdeel van de veranda die toegang geeft
tot de voordeur. De woning op het perceel Boerendanserdijk
1 is de voormalige dienstwoning
horend bij Reinders’ Oliefabrieken NV, in 1970
door Golden Wonder Holland BV overgenomen.
In 1989 werd de raffinaderij gesloten en kwam
er een einde aan de soms niet al te fris ruikende
geuren die in de omgeving van de fabriek hingen.
In de jaren daarna werden de fabrieksgebouwen
gesloopt. Momenteel is het terrein in het bezit van
projectontwikkelaar Nijhuis Rijssen BV te Rijssen.
In 1998 verleende de gemeente Zwolle een sloopvergunning
voor het pand Boerendanserdijk 1.
Diverse instanties, waaronder de adviescommissie
van Het Oversticht en FIEN (Federatie Industrieel
Erfgoed Nederland), hebben bij de gemeente
Zwolle gepleit voor het behoud van dit unieke
stukje industrieel erfgoed. Er is immers in Nederland
maar weinig bewaard van dit soort gebouwen.
Dergelijke gebouwen maakten deel uit van
een complex van aangrenzende gebouwen bij het
eigenlijke fabriekspand, zoals bijvoorbeeld de
directeurswoning, de woning voor de bedrijfsleider
en arbeiderswoningen. Deze behoorden alle
tot het industriële terrein en waren vaak in een bijzondere
bouwstijl uitgevoerd. Samen met molen
De Passiebloem en het nog naast Boerendanserdijk
1 aanwezige transformatorhuisje, waarin een
gevelsteen met de initialen van directeur Reinders,
herinnert de dienstwoning Boerendanserdijk 1
nog als enige aan het voor Zwolle zo belangrijke
en karakteristieke complex van Reinders’ Oliefabrieken.
Het pand kan daarom als industrieel erfgoed
worden aangemerkt.
Zwolle heeft meer complexen gekend die als
industrieel erfgoed beschouwd kunnen worden,
bijvoorbeeld het kleinschalige industriële gebied
op het Maagjesbolwerk dat in de tweede helft van
de jaren negentig van de juist afgelopen eeuw
voorgoed met de grond gelijk is gemaakt om
plaats te maken voor het prestigieuze project van
architect H.J.M. Ruijssenaars. Alleen op oude
foto’s van het Maagjesbolwerk is nog te zien dat de
molen van Kok, de bierbrouwerij Het Schaap en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de ijsfabriek, beide van Schaepman, de steenhouwerij
en het landbouwwerktuigenmagazijn van O.
de Leeuw in het begin van de twintigste eeuw nog
volop in bedrijf waren. Het is daarom zeer verheugend
dat dit bijzondere gebouwtje aan de Boerendanserdijk
voor Zwolle en Nederland behouden
blijft. Ondanks de al afgegeven sloopvergunning
heeft projectontwikkelaar Nijhuis Rijssen als
teken van goede wil namelijk beloofd het gebouw
te laten staan. Tot teleurstelling van vele kooplustigen
moet er bij gezegd worden dat Nijhuis Rijssen
geen woonbestemming aan het pand geeft.
In mei en juni 2000 kreeg het Gemeentearchief
Zwolle een bijzondere schenking van zeventien
foto’s uit de begintijd van Reinders’ Oliefabrieken
in Zwolle. Behalve informatie over de foto’s kon
de schenker (een kleinzoon van de eerste bewoner
van Boerendanserdijk 1) ook achtergronden over
het werken bij Reinders’ Oliefabrieken geven.
Deze verhalen uit overlevering vormen samen met
de geschonken foto’s een waardevolle aanvulling
op de reeds in het Gemeentearchief aanwezige
bouwtekeningen, foto’s en geschreven bronnen
over Reinders’ Oliefabrieken. Van belangvoor dit
artikel is dat er onder de schenking met name veel
foto’s van de eerste bewoners van Boerendanserdijk
1 zijn. Voordat we daar nader op in gaan, volgt
eerst wat algemene informatie over de firma Reinders.
Reinders & Co, 1893-1928
De oprichter van Reinders Oliefabrieken was
Koert Reinders (1845-1917). Deze Koert Reinders
werd geboren in de gemeente Hoogezand. Rond
1869 begon hij met een oliemolen in Martenshoek,
een buurtschap tussen Foxhol en Hoogezand.
Later had hij in deze omgeving een stoommeelfabriek.
In 1893 vertrok hij naar Zwolle waar hij de
stoomoliefabriek De Aloë, gelegen aan de Nieuwe
Het huis Boerendanserdijk
1 met op de achtergrond
de molen De Passiebloem
metknechtswoning
en pakhuizen
aan de andere kant van
de Nieuwe Vecht, ca.
1930. (Collectie
Gem een tea rch iefZwol-
Ie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Heiwerkzaamheden
voor de grote verbouwing
van De Aloë omstreeks
1915. Op de achtergrond
de dienstwoning van
Willem Reinders. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
Vecht, van de firma Van Engelen en Van Laer
overnam. Daartoe werd op 1 mei 1893 de firma
Reinders & Co, firmanten Koert Reinders en zijn
zoons Reinder Uneko (geb. 1869) en Douwe Jan
(1871-1940), opgericht. Koert Reinders had vier
zonen en één dochter, die allen kortere of langere
tijd bij het bedrijf betrokken zijn geweest.
Het in 1877 gebouwde fabriekje De Aloë was gunstig
gelegen aan diep vaarwater, op vijf minuten
afstand van de Dedemsvaartse Stoomtram. Het
complex bestond uit een fabrieksgebouw, loodsen,
baaswoning en stallen. De capaciteit van de
oliefabriek bedroeg in het eerste jaar van de
oprichting 70 ton per week, terwijl aan voederartikelen
en gruttenmeel ongeveer 50 ton per week
verwerkt werd. Het vervoer naar de markt, schepen,
het spoor en de omliggende plaatsen
geschiedde met behulp van wagens en vier paarden.
Er werkten in die tijd ongeveer 30 mensen.
De winsten waren zodanig dat al snel tot uitbreiding
kon worden overgegaan. De eerste hydraulische
napersen werden in bedrijf gesteld, terwijl in
1896 de oliemolens De Passiebloem en de Roode
Molen aan de Nieuwe Vecht door huurovereenkomst
aan het bedrijf verbonden werden. De beide
molens, met de daarbij horende knechtswoningen,
pakhuizen, schuren, enzovoorts en de gehele
inventaris, werden door Willem Hendrik Visscher
voor 460 gulden per jaar verhuurd aan Reinder
Uneko Reinders, firmant van Reinders & Co.
Opmerkelijk is dat 30 jaar later de huurprijs niet
hoger maar lager was: in 1926 werd een nieuw
huurcontract opgemaakt. De beide molens werden
verhuurd voor 400 gulden per jaar. De één na
laatste zin in dit huurcontract doet ons de wenkbrauwen
fronsen: ‘Op gevoelens der Schoonheidscommissie
zal door ondergeteekenden geen
acht worden gegeven’. De Roode Molen werd in
1934 gesloopt om ruimte te maken voor de Ceintuurbaan.
Maar oliemolen De Passiebloem staat
nog steeds in al haar schoonheid aan de Nieuwe
Vecht en is zelfs weer met behulp van een zeer
enthousiast molenaarsechtpaar volop in bedrijf.
In 1902 trad zoon Reinder Reinders uit de zaak.
Reinder was scheikundige en begon op hetzelfde
terrein een zeepfabriekje. Reinders jongere broer
Jan (Jan Douwes, 1876-1927) trad toen in als vennoot
van Reinders & Co.
Door het overlijden van één van de Zwolse
concurrenten, Jochem van Assen, in 1904 kon ook
diens fabriek Excelsior aan het Almelose Kanaal
aan het geheel worden toegevoegd. Deze fabriek
werkte met 40 man personeel en had een producZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
tie van 80 ton per week. In die jaren lag het accent
bij Reinders nog niet eens zozeer op olie, maar was
het ook een belangrijk gruttersbedrijf. Men verwerkte
tarwe, roggemeel en dergelijke met name
voor veevoer. In het voorjaar van 1914 begon men
met een grote verbouwing van De Aloë, de machines
en de capaciteit werden vermeerderd. Het
werk was half klaar toen de oorlog uitbrak. Desondanks
werd de verbouwing voortgezet. In 1915
werd besloten, na aankoop van diverse landerijen
om de fabriek De Aloë gelegen en na ruiling van
grond met de gemeente Zwolle, een olieraffinaderij
annex extraheerinrichting op circa 30 meter
afstand van de oliefabriek te bouwen. De vraag
naar spijsoliën nam dermate toe dat na al twee jaar
de installatie verdubbeld moest worden.
Het bedrijf was zeer succesvol. Tot de meest
vermogende Zwollenaren in 1916 behoorden dan
ook alle drie de toenmalige firmanten .
In 1928 werd de firma Reinders & Co omgezet
in Reinders’ Olie- en Veevoederfabrieken NV.
Willem Reinders, meesterknecht
Toen Koert Reinders van Groningen naar Zwolle
verhuisde, ging zijn meesterknecht met hem mee.
Dit betrof Willem Reinders (1852-1938). Hoewel
zijn achternaam anders doet vermoeden was Willem
Reinders geen familie van directeur Koert
Reinders. Ze waren wel allebei geboortig uit de
gemeente Hoogezand. In het najaar van 1869
begon Willem Reinders als zeventienjarige in de
oliemolen van Koert Reinders te werken. Vervolgens
werkte hij ook in de stoommeelfabriek van
Koert Reinders en bracht het daar tot meesterknecht.
Willem was getrouwd met Lammechien
Meijer (1848-1928), het gezin telde vijf kinderen.
Toen ze naar Zwolle kwamen woonden ze aanvankelijk
aan de Nieuwe Vecht P147, in het woonhuis
van molen De Passiebloem. Rond 1905 betrok
het gezin Reinders de gloednieuwe dienstwoning
aan de Boerendanserdijk, zij waren daarmee de
eerste bewoners. Het adres luidde destijds Boerendanserdijk
16, pas in juni 1974 is het vernummerd
IP
jjrg
Rij
gaf/-
De familie van Willem
Reinders omstreeks
1900. Zittend: Lammechien
Reinders-Meijer,
Aleida Reinders, Willem
Reinders. Staand:
Hendrik Reinders, Imko
Reinders, Jacob Reinders,
Siepko Reinders.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het personeel van De
Aloë omstreeks 1900.
Op de tweede rij in het
midden ‘baas’ Willem
Reinders, ‘meester’
Hendrik Reinders en
boekhouder Siepko
Reinders met hoed en
das. (Collectie Gemeentea
rch iefZwo lle).
tot Boerendanserdijk 1. Willem werd door de
werknemers van Reinders’ Oliefabrieken ‘baas’
genoemd. Hij was populair bij zijn ondergeschikten.
Zijn tongval bleef onmiskenbaar Gronings,
dat maakte hem vaak moeilijk te verstaan. Van
hem gaat het verhaal dat hij eens op een zaterdag
aan één van de arbeiders vroeg: ‘Hoeveel overuren
heb je gemaakt’. De man, die aan het lijnmeel
malen was, verstond hem niet goed en antwoordde:
’22’. Met de nodige krachtige bewoordingen
werd dit in twijfel getrokken, waarop de man zei,
tel zelf maar na. De arme man meende namelijk
dat gevraagd was hoeveel zakken meel gemalen
waren. Op 1 november 1924 werd Willem Reinders
gehuldigd voor zijn 55-jarig dienstverband, inclusief
Groningse jaren, bij de firma Reinders. Hij
was toen ruim 31 jaar baas op de fabriek De Aloë.
Bij die gelegenheid werd het bedrijf versierd en
het werd een gezellige dag.
Door zijn positie tussen arbeiders en directie
kon Willem Reinders zich wat meer permitteren
dan in die tijd van werknemers verwacht werd.
Hij durfde op een bepaalde manier het beleid van
de directie te bekritiseren. Zoals de meeste bedrijven
in die tijd blonk de firma Reinders niet uit in
royale beloningen. Op een gegeven moment had
de firma een uitzonderlijk goed jaar gehad. Na het
uitbreken van een mond-en-klauwzeer epidemie
onder het vee werden er uitzonderlijk veel veekoeken
van Reinders verkocht. De directie van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Reinders gunde daarom de werknemers in de
fabriek met kerstmis een kerstgratificatie: gehuwden
ontvingen ƒ 2,50, ongehuwden ƒ 1,50. Dat
hield zelfs in die tijd niet over. Op initiatief van
‘baas’ Reinders mocht het personeel toen eigen
flessen met lijnolie vullen.
Willem Reinders kreeg voor zijn werkzaamheden
bij de firma een koninklijke onderscheiding
Kort daarop kende de directie hem, weliswaar
schoorvoetend, nog een bescheiden oudedagsuitkering
toe, aanvankelijk 20 gulden per week, later
10 gulden. In de jaren dertig verhuisde Willem
Reinders als weduwnaar naar Diezerpoortenplas
30, waar hij in 1938 overleed.
De kinderen van Willem Reinders
Willem Reinders had vier zonen en één dochter.
Twee daarvan waren ook werkzaam bij de firma
Reinders. Willems zonen tekenden ter onderscheid
met de directie altijd met ‘Reinders Wzn.’
(Willemzoon). De oudste zoon Hendrik Reinders
Wzn. was machinist, door het personeel ‘meester’
genoemd. Zoon Siepko was boekhouder. Op een
foto rond 1900 zien we het voltallige personeel van
De Aloë met in het midden meesterknecht Willem
Reinders en zijn zoons Hendrik en Siepko. Nadat
zijn vader naar de Diezerpoortenplas was verhuisd
betrok Hendrik het huis Boerendanserdijk 1. In
april 1938 ging Hendrik in Spoolde wonen. Boerendanserdijk
1 werd toen de woning van een
andere werknemer van Reinders, de heer Koedijk.
Willem Reinders tweede zoon Siepko was aanvankelijk
kantoorbediende en boekhouder bij Reinders’
Oliefabrieken. Siepko Reinders Wzn. heeft
niet lang bij de firma Reinders & Co gewerkt. In
1901 ontstond onenigheid tussen Siepko en de
directie. Siepko was het niet eens met gevoerde
administratie en gooide met een kasboek naar de
directeur. Het gevolg was dat hij de laan uitvloog.
Later vinden we Siepko Reinders terug als winkelier
in tabak en sigaren aan de Diezerpoortenplas.
Van de derde zoon, Jacob Reinders Wzn., is
bekend dat hij bij de gemeente schrijver en bouwkundig
opzichter was bij de bouwpolitie (onze
huidige afdeling Bouw- en Woningtoezicht).
Begin 1904 vertrok hij naar Den Haag. De vierde
zoon Imko Reinders was eveneens bouwkundig
opzichter van beroep. Dochter Aleida Reinders
(1894-1978) trouwde met Albertus Jacobus Polder,
bouwkundige van beroep. In 1926 kregen ze te
Stompwijk hun zoon J.W. Polder. Deze laatste is
de schenker van de bovengenoemde foto’s.
De dienstwoning
Het huis Boerendanserdijk 1 werd omstreeks 1905
als dienstwoning gebouwd naar een ontwerp van
Imko Reinders. Op de begane grond bevindt zich
achter de voordeur een gang met aan de ene kant
een slaapkamer met het venster aan de veranda en
aan de andere kant van de gang een woonkamer.
Verder tekende Imko op de begane grond nog een
keuken met aangebouwde w.c, een kamer en een
trap naar de eerste verdieping waar onder de kap
nog drie slaapkamers gerealiseerd werden. Ruimte
genoeg voor het gezin van Willem Reinders waarvan
de vier zoons op dat moment het huis al uit
waren. Kort na de bouw kreeg het huis elektriciteit
vanuit de fabriek. Zeer modern! Om 22.00 uur
ging dan het licht even aan en uit als waarschuwing
dat kort daarop in de fabriek de stroom werd
uitgezet en men daarmee de dienstwoning in het
donker zou zetten. Zwolle werd na 1914 aangesloten
op het elektriciteitsnet. Imko Reinders is verantwoordelijk
voor meer ontwerpen voor Reinders’
Oliefabrieken in Zwolle. Op ettelijke bouwtekeningen
voor de firma Reinders & Co is zijn
handtekening te herkennen. Imko Reinders is ook
bekend als architect van de glasfabriek in Leerdam.
Ook de man van zijn zus Aleida, Polder, was
als bouwkundige werkzaam voor Reinders’ Oliefabrieken.
Hij ontwierp in 1934 het gebouwvan de
raffinaderij Nievecht. Op een luchtfoto (zie volgende
pagina) zien we het hele terrein van de NV
Reinders aan de Nieuwe Vecht, met linksonder
oliefabriek De Fortuin, de raffinaderij Nievecht
uit 1934, het gedeelte van De Aloë dat in 1877 werd
gebouwd, de uitbreiding van De Aloë omstreeks
1915 en tenslotte rechtsboven de dienstwoning
Boerendanserdijk 1.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De N. V. Reinders’ Olieen
Veevoederfabrieken
aan de Nieuwe Vecht.
Foto KLM Schiphol, ca.
1950. (Particuliere collectie).
Tentoonstelling Reinders en Reinders & Co
Omdat er veel meer foto’s van de firma Reinders &
Co en de familie Willem Reinders zijn dan hier bij
dit artikel kunnen worden afgedrukt, is vanaf september
2000 in het Gemeentearchief Zwolle een
kleine fototentoonstelling gewijd aan Reinders &
Co en Reinders.
* met dank aan Marcel Overbeek (Federatie Industrieel
Erfgoed Nederland), Dirk-Jan Baaiman (Het Oversticht),
Johan Teunis (Monumentenzorg en Archeologie,
Gemeente Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Boekbesprekingen
Aaldert Pol en Gerrit van Hezel. Kraggenburg en de
vaarweg van Zwolle naar zee. Publicaties van de
IJsselacademie nr. 126. Kampen 2000. (Prijs
ƒ29,95. 216 pp.)
Ruim anderhalve eeuw geleden ontstond in de
Zuiderzee een kunstmatig opgeworpen eiland:
Kraggenburg. Hier werd een haven aangelegd,
met daarbij een lichtwachterswoning. Het geheel
lag aan het eind ‘van de vaarweg van Zwolle naar
zee’, het Zwarte Water, dat door twee leidammen
van vijf en zes kilometer lang was verlengd. De
bedoeling was om op die manier het Zwolsche
Diep (gelegen aan de monding van de rivier) beter
bevaarbaar te maken. Deze geul was weliswaar
noch Zwols, noch diep, maar had zijn naam te
danken aan het feit, dat de stad er bakens stak en
tonnen legde. Zwolle had er dan ook alle belang
bij de vaarweg bevaarbaar te houden, omdat die
de toegang vormde tot de wereldzeeën. Dit belang
nam toe mét de concurrentie, vooral die uit Kampen
en Embden.
Een groep Zwolse notabelen stichtte daarom
in 1844 -vanuit de Overijsselsche Vereeniging tot
Ontwikkeling van Provinciale Welvaart, kortweg
‘Welvaart’- de ‘N.V. Maatschappij tot verbetering
van den handelsweg over het Zwolsche Diep,
mede door landaanwinning’. Het was deze ‘Zwolse-
Diepmaatschappij’ die de genoemde leidammen
en Kraggenburg tot stand bracht. De naam
van deze plaats was ontleend aan de kraggen die
werden gebruikt als onderlaag voor de dammen;
een noviteit die werd geïntroduceerd door ir.
B.P.G. van Diggelen. Zijn inzending voor een
prijsvraag waarbij werd gevraagd om plannen ter
verbetering van de vaarweg door het Zwolse Diep
werd beloond met de eerste prijs. (Al was hij de
enige inzender, de waardering voor zijn bijdrage
was er niet minder om.)
Het ontstaan van Kraggenbrug is slechts één
van de onderwerpen, de opmaat, in het boek
Kraggenburg en de vaarweg van Zwolle naar zee. De
beide auteurs, Aaldert Pol en Gerrit van Hezel,
belichten niet alleen de technische aspecten van
dit waterstaatkundig meesterwerk, maar gaan ook
uitgebreid in op de politieke perikelen vóór en na
de totstandkoming ervan. De tegenstand kwam
van verschillende kanten. Aanvankelijk vooral van
Gouverneur Jan Derk van Rechteren, die vond dat
een dergelijk project een taak was van het openbaar
bestuur. Geheel onverdacht was zijn kritiek
niet, want de Gouverneur leek meer op te hebben
met Kampen, waar zijn pleegzoons, de Van Hasselts,
een belangrijke rol speelden in de zeerederij.
Ondanks alles stelde hij zich echter wel coöperatief
op. Op 26 juni 1844 kreeg ‘Welvaart’ de concessie
voor de oprichting van de Zwolse-Diepmaatschappij
en in april 1945 waren de aandelen,
voor een bedrag van 350.000 gulden in totaal, voltekend.
Zelfs koning Willem II nam twintig aandelen
van 500 gulden per stuk. Aan het eind van
1848 kon op Kraggenburg de vlag in top. Maar
daarna begonnen de moeilijkheden pas goed. Er
kwam felle tegenstand van de kant van de kleine
schippers in Zwolle en de regio, die weigerden de
tol die met ingang van het nieuwe jaar zou worden
geheven, te gaan betalen. Ook beriepen zij zich op
het vrije gebruiksrecht van het Zwolse Diep als
openbaar vaarwater. Onder aanvoering van Willem
Jan Schuttevaêr – voorheen schipper en daarna
koopman te Zwolle – voerden ze felle acties. De
1.5 cent per ton laadvermogen en het jaagpadgeld
zouden hen ruïneren, zo betoogden zij. Bovendien
hadden zij voor hun kleine schepen helemaal
geen verdieping van de vaarweg nodig. Daarom
moest de tol niet worden geheven naar de tonnenmaat,
maar naar de diepgang van de schepen. Het
regionaal conflict werd een nationale zaak. Schuttevaêr
en de zijnen kregen belangrijke steun in de
persoon van minister Thorbecke van Binnenlandse
Zaken, die doordrukte dat de tarieven werden
verlaagd. De tegenstand bleef echter toenemen en
dit leidde er zelfs toe, dat in 1856 een parlementaire
enquête werd gehouden. (De tweede in de
geschiedenis, nadat hiertoe in de Grondwet van
1848 de mogelijkheid was geopend.) Tot resultaat
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
voor de schippers leidde dit vooralsnog niet, mede
omdat Thorbecke geen minister meer was. Toen
dat in 1862 echter wel weer het geval was, zorgde
hij er binnen enkele maanden voor, dat een tolheffing
naar diepgang (1.30 m) werd ingevoerd.
Voor de meeste schippers betekende dit dat zij
weer tolvrij konden varen. Voor de Zwolse Diepmaatschappij,
toch al geplaagd door gebrek aan
inkomsten en hoge onkosten, was dit het begin
van het einde. In 1875

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 4

Door | 2000, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

‘ • • • : « • • ; » > [
f
i
De watertof en
op de Turfmarkt
-‘•«!.’
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
MEIjKMAKKT ZWOLLE na de boemsnooiiug (Mnurt 1904).
üitg. H. H. Kok Bzn. Zwolle.
(CAKTK POSTALE.)
/£>-
Zijde vour het «dros bestemd, (Uöté resem’ ii l’iulrésse.)
‘ Zwolle
archief
Ansichtkaart Melkmarkt
Poststempel 1904
Wilde de in 1904 acht-jarige Carolien Baarslag met
deze ansicht haar nichtje Annie Lubbers de pas
gesnoeide bomen vlak bij haar huis tonen? Het
gezin Baarslag woonde op Melkmarkt 31, Caroliens
vader had daar een winkel in kruidenierswaren.
Deze winkel is op de kaart niet te zien, wel is
er vol zicht op Melkmarkt 39-I, het in 1874
gebouwde post- en telegraafkantoor. Naast dit
kantoor is het Drostenhuis nog redelijk zichtbaar,
dat werd omstreeks deze tijd Museum, daarvoor
was er van 1897 tot 1902 het R.K. Ziekenhuis gevestigd.
In 1910 werd het nieuwe postkantoor aan de
Nieuwe Markt in gebruik genomen, het pand aan
de Melkmarkt bleef toen nog wel jarenlang telegraafkantoor.
Melkmarkt 39-I werd in 1965 afgebroken,
het was toen al enige jaren in gebruik
geweest bij het Provinciaal Overijssels Museum.
Daarna was er op deze plek ruim dertig jaar sprake
van het ‘gat aan de Melkmarkt’ tot er in 1996^97 de
nieuwbouw van het Museum verrees.
De geadresseerde Annie Lubbers woonde met
haar ouders en zusje op de buitenplaats Landwijk,
gelegen op de hoek Kuyerhuislaan/Ceintuurbaan.
Annie’s vader Cornelius Lubbers exploiteerde
daar een boomkwekerij. Annie’s moeder was
Trijntje Baarslag, een zus van de vader van Carolien.
{Gemeentearchief Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Redactioneel Inhoud
Dit is alweer het vierde nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift in het futuristisch klinkende
jaar 2000. Het is maar goed dat ons blad de draden
van het verleden bijeen probeert te houden en het
verhaal van de Zwolse geschiedenis ook voor het
nieuwe millennium wil laten spreken. De inhoud
van het blad is ditmaal bijzonder gevarieerd. Zo is
er het verhaal van Wim Huijsmans over de Zwolse
burgemeesters. We kunnen alvast verklappen dat
blijkt dat het Zwolse burgemeesterschap aan de
basis heeft gelegen van menig glanzende carrière.
Verder vindt u een artikel van de hand van J.
Erdtsieck. Het is een samenvatting van zijn
onlangs verschenen boekje Tegen de stroom in
over de geschiedenis van de hervormde gemeente
in Zwolle van 1940 tot 2000. Miriam Schneiders
schrijft over de Zwolse watertoren die alweer 108
jaar de Turfmarkt domineert.
Wie wil weten waarom een uit Nederlands-
Indië afkomstige jongeman in Zwolle verzeild
raakte, moet het verhaal van Jeanine Otten lezen.
Zij schreef over de Stadstekenschool die tussen
1819 en 1898 in Zwolle te vinden was. De dames
Pruim en Leussink hebben zich weer verdiept in
de notulen van de Zwolse zeventiende-eeuwse
kerkenraad en zijn daar gestoten op een afvallig en
verdorven lid.
Liefhebbers van eigenaardigheden kunnen
zich plezieren in het verhaaltje over een ooievaar
die rond 1855 te lui was om zelf zijn kostje bij
elkaar te scharrelen en zich liet bedienen door de
visvrouwen van de Zwolse vismarkt.
Er worden twee oproepen gedaan, Wim Coster
wil meer weten over een oude dienstmakker
van zijn grootvader en Theo de Kogel zoekt informatie
over de rijwielhandel in Zwolle. Aandacht
verder voor finale van de eerste Zwolse Historische
Quiz op 23 september jl., waarbij de heer
G. Banck als winnaar uit de bus kwam.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 108
De watertoren op de Turfmarkt Miriam Schneiders 110
Messcherpe ‘Bijlen’: tekeningen van Vincent Bijl, 1895-1897
Jeanine Otten 118
Tegen de stroom in J. Erdtsieck 122
De ooievaar en de eileuver Wim Coster 127
Een afvallige en verdorven lid: Elysabet de Wael.
Kerkelijke tucht te Zwolle Jennie Pruim en Riet Leussink 128
Een oude dienstmakker Wim Coster 133
De Zwolse burgemeesters Wim Huijsmans 134
Boekbespreking 137
Onderzoek onderweg 138
Mededelingen 139
Agenda 139
Auteurs 140
Omslag: De watertoren op de Turfmarkt, met op de achtergrond de Oosterkerk,
omstreeks 1928. (Collectie Gemeentearchief Zwolle)
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De watertoren op de Turfmarkt
‘omdat het gebouw de omgeving niet behoeft te ontsieren
Miriam Schneiders
De originele watertoren
zoals J. Schotel hem
ontworpen heeft rond
1900. (Gemeentearchief
Zwolle)
Op de Turfmarkt in Zwolle staat een in 1892
gebouwde watertoren die ontworpen is
door ir. J. Schotel. Zijn huidige vorm en
uiterlijke verschijning heeft de toren echter te
danken aan een ingrijpende verbouwing in 1960,
toen na een dramatisch ongeluk enkele jaren eerder
besloten was de watertoren te ommantelen.
De nieuwe ommanteling, neergezet als een opvallend
tienkantig bakstenen bouwwerk, heeft een
hoogte van 38.05 meter en een doorsnede van 13.5
meter op het breedste punt.
Binnen de mantel staat de oorspronkelijke
ronde toren, echter zonder de karakteristieke uitkraging
die tijdens de verbouwing in 1960 verwijderd
is. De watertoren heeft een gesloten draagconstructie
met tussenvloeren. Boven in de toren
bevindt zich het originele ijzeren hangbodemreservoir
met een inhoud van 500 m3.
Een nieuwe bestemming
In het najaar van 1999 kondigde de Waterleiding
Maatschappij Overijssel NV (WMO) aan, dat
besloten was om de watertoren te verkopen. Als
gevolg van stormschade twee jaar eerder, was de
watertoren al uit bedrijf genomen. Een onderzoek
had aangetoond dat de toren aan de Turfmarkt
niet meer die watertechnische functie had die hij
zou moeten hebben. Mede door de groei van
Zwolle waren verbeterde technieken noodzakelijk
geworden om waterlevering te kunnnen garanderen
(bijvoorbeeld aanpassingen op het pompstation
Engelse Werk).
Zowel projectontwikkelaars als particulieren
zijn volop bezig geweest hun ideeën op papier te
zetten voor een passende nieuwe bestemming. De
WMO heeft zes van deze plannen bestudeerd. De
voorwaarde was een goed plan in combinatie met
het uitbrengen van een aannemelijk bod.
Het is zeker geen nieuw verschijnsel dat een
watertoren voor verkoop wordt aangeboden en
dat gezocht wordt naar een alternatieve functie. In
de regel raken de watertorens in Nederland buiten
gebruik omdat de toren verouderd is, de onderhoudskosten
te hoog worden of omdat het distributiesysteem
verandert. Bovendien kan tegenwoordig
het water met behulp van elektrische
pompen op de gewenste druk gehouden worden
en staat de hoeveelheid water in het reservoir in
geen verhouding tot het verbruik ervan. Om deze
redenen hebben de laatste decennia tientallen
watertorens in Nederland een nieuwe functie
gekregen en deze trend zet zich voort.
In Breda aan de Wilhelminasingel staat een
watertoren (1894) in Hollandse renaissancestijl die
ook ontworpen is door Schotel. Deze toren is in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
1974 te koop aangeboden onder de voorwaarde
dat het object zou worden gerestaureerd. Dit is
inmiddels gebeurd. De toren is verbouwd tot kantoor
en heeft de status van rijksmonument. Van
een andere watertoren is bekend dat deze tegenwoordig
in gebruik is als ‘woontoren’ (Soest). In
weer andere gevallen waren watertorens groot
genoeg om er meerdere woningen in te realiseren
(Gorinchem, Zaltbommel en Zutphen). Een Centrum
voor Hedendaagse Kunst (Oost-Souburg)
en een bistro (Boskoop) behoren ook tot de
mogelijkheden.1 Dichter bij huis is in 1989 de
watertoren De Lichtmis (1931) te Nieuwleusen
verkocht voor een symbolisch bedrag. Dat gebeurde
pas nadat in overleg met die gemeente een passende
herbestemming was gevonden. En in 1996
besloot het Provinciaal Waterleidingbedrijf
Noord-Holland (PWN) de watertorens van Aalsmeer,
Kwadijk, Hoogkarspel, Wieringerwaard en
Bussum per opbod te verkopen.2 Volgens de plannen
van PWN zouden de watertorens in Noord-
Holland niet naar de hoogste bieder gaan, maar
naar degene die een redelijk bod combineerde met
een goed plan.
Toren als markeringspunt
Sinds de vroege Oudheid bestaat er bij verschillende
volkeren een bijzondere passie voor torens. De
vroegste bewoners van Mesopotamië bouwden
hun toren van Babel en de Egyptenaren richtten
hun piramiden op. Eeuwenlang bleven dit de
hoogste monumenten ter wereld. In de Middeleeuwen
ontstond in West-Europa zo’n voorliefde
voor torens, dat sommige steden een ware competitiestrijd
leverden om het bezit van de hoogste
toren. Naast de symbolische betekenis van middeleeuwse
torens van kerken of stadhuizen, waren
torens bijzonder geschikt voor verdediging, uitkijk,
het geven van seinen, alarmering en tijdaanwijzing.
De vele watertorens die vanaf het midden
van de vorige eeuw in Nederland verrezen, voorzagen
in eerste instantie in een zuiver praktische
behoefte. De toren in zijn algemeenheid wordt
nog steeds beschouwd als een belangrijk prestigeobject,
als waardevol onderdeel van de gebouwde
omgeving en indrukwekkend markeringspunt in
het stedelijk landschap.
Drinkwatervoorziening
De geschiedenis van de drinkwatervoorziening,
waarvan de bouw van watertorens een onderdeel
vormt, loopt voor een belangrijk deel parallel met
de ontwikkeling van de stedelijke gemeenschappen.
Ver voor onze jaartelling werden in de steden
in het Midden-Oosten en later ook in India, China
en Egypte, waterleidingsystemen aangelegd. Deze
kunnen beschouwd worden als voorlopers van de
huidige drinkwatervoorzieningen. De basisprincipes
van de centrale drinkwatervoorziening zoals
wij die nu kennen, werden in de oudheid al door
de Grieken toegepast. De Romeinen borduurden
voort op de ideeën van de Grieken. Zij waren
meesters van de civiele techniek. Zij bouwden niet
alleen imposante aquaducten, maar voegden ook
een nieuw element toe, namelijk de castella. Castella’s
zijn grote reservoirs die dezelfde functie
hadden als de watertorens die wij nu kennen. Aanvoerleidingen
van drinkwater kwamen uit in de
hoger gelegen castella’s. Van daaruit werd het
water onder druk getransporteerd naar drie
gescheiden leidingsystemen. Wanneer de watertoevoer
verminderde, zorgde een eenvoudige
compartimentering van de castella voor selectieve
distributie.
In de Middeleeuwen raakte de drinkwatervoorziening
in het slop. Door de groei van de steden
raakte het aanwezige oppervlaktewater, dat in
de regel als drinkwater gebruikt werd, steeds sterker
vervuild. Besmettelijke ziektes braken uit.
Men onderkende toen het verband nog niet tussen
vervuild drinkwater en bijvoorbeeld cholera.
Omdat de waterleidingsystemen niet in staat
waren om voldoende water te leveren en het transport
van het drinkwater problematisch verliep,
ging men over tot de bouw van hoog geplaatste
waterreservoirs in combinatie met door waterraderen
aangedreven pompsystemen. Dit hoogreservoir,
meestal maar beperkt van inhoud, stond
zo dicht mogelijk bij de pompen; vaak op de
bovenste verdieping van het gebouw waar de
pompen waren ondergebracht. Hier en daar werd
ook al een afzonderlijke watertoren gebouwd, van
waaruit het water onder constante druk naar de
verbruikers werd getransporteerd.
De Industriële Revolutie die aan het eind van
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Globale raming van
kosten, 1890. (Gemeentearchief
Zwolle)
GLOBALE RAMING VAN KOSTEN.
In overeenstemming met het vorenstaande volgt hieronder eea raming van kosten voor een productie-
Termogen van 150 M3 per uur.
Aankoop ran grond Memorie
“Werken voor de prise d’eau f 75000
Pompstation (gebouwen en machines) » 47500
Dienstwoningen » 5000
Persleiding; met zinkers .’….» 161000
Stadbuizeonet met brandkranen, afsluiters, enz. . » 89000
Watertoren met hoogreservoir » 35000
Bijkomende werken, als telefoon, etc » 11500
Kosten van uitvoering en onvoorzien » 26000
Totaal, behalve grondaankoop f 450000
Yoor een waterleiding, waarvan de prise d’eau in staat is om 2.00 M3 per uur te leveren, niet
de daarbij behoorende machines etc, zullen de aanlegkosten, behalve den grondaankoop, f 490,000
bedragen. Met die inrichting kan men dus in 15 uren 3000 M3 leveren, terwijl dienovereenkomstig bij
langer werkdnur der machines het productievermogen kan verhoogd worden zonder uitbreiding, das zonder
verhooging der kosten van aanleg.
Tot toelichting dezer begrootingen dient, dat, al mochten tusschen de geraamde bedragen deronderdeelen,
bij de uitvoering verschil blijken te bestaan met de werkelijke kosten, de totaal-bedragen, resp.
ƒ 450,000 en f 490,000 (behalve terreinaankoop) alleszins voldoende zijn te achten om de werken naar
den eisch uit te voereH, zoodat in dit opzicht geene teleurstelling is te verwachten.
ROTTERDAM, 6 December 1890.
J. SCHOTEL, Ingenieur.
de achttiende eeuw in Engeland een aanvang nam,
zorgde voor innovaties op technisch gebied. We
denken dan aan de toepassing van de stoommachine,
een doorbraak in de aandrijving van pompinstallaties
en aan het gebruik van gietijzeren buizen
voor de leidingen. Echter, men paste nog geen
zuiveringsinstallaties toe, zodat de besmetting
door colibacteriën gewoon doorging en zich zelfs
uitbreidde als gevolg van het groeiend aantal centrale
drinkwatervoorzieningen.
In Nederland liet de aanleg van centrale drinkwatervoorzieningen
nog vrij lang op zich wachten.
Het was niet ongewoon dat men in het begin van
de negentiende eeuw in vrijwel alle steden, en
waarschijnlijk ook wel in Zwolle, nog grachtwater
dronk. Rond 1854, juist toen in Nederland de eerste
drinkwaterleiding in gebruik genomen werd,
ontdekte men dat er verband bestond tussen verontreinigd
drinkwater en cholera. Men stond toen
voor de opgave om zich in eerste instantie te richten
op de zuivering van het water.
De watertoren als nieuwe uitdaging
Nederland bleef vergeleken met de omringende
landen, lang achter met de aanleg van een publieke
drinkwatervoorziening. Maar toen het zover
was, werd in Nederland de bouwvan een watertoren
dan ook als een uitdaging beschouwd. Op
technisch gebied kon de constructie van het reservoir
en de onderbouw steeds verder worden verbeterd
als gevolg van nieuwe bouwtechnieken en
materialen. Het installeren van een ijzeren reservoir
in plaats van een houten, was een belangrijke
verbetering. De toepassing van betontechniek
betekende eveneens een grote ommekeer in de
bouw van watertorens. Nieuwe reservoirtypen en
nieuwe watertorenvormen kwamen tot stand
door deze ontwikkelingen. Zoals meer voorkomt
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
in de geschiedenis liep Nederland niet voorop in
de technische ontwikkeling, maar volgde het
Engeland, Frankrijk en Duitsland.
Niet alleen de technische ontwikkeling zorgde
voor een nieuwe uitdaging. Ook de ontwerpers,
veelal ingenieurs, probeerden van iedere watertoren
iets unieks te maken. Geheel identieke watertorens
zijn in Nederland eigenlijk niet gebouwd.
Waarom niet zou je denken. Er werden toch veel
watertorens gebouwd in de vorige eeuw en waarom
dan zo weinig uniformiteit? Ofschoon het
hooggelegen reservoir de grondvorm dicteerde,
speelden de verschillende architectuurstromingen
een grote rol bij de totstandkoming. Maar, zoals
eerder vermeld, richtte men zich in eerste instantie
op de zuivering van water. De strijd tegen
slechte hygiënische omstandigheden speelde een
erg grote rol.
Het is dan ook om deze reden dat de watertoren
vooral een sterk symbolische betekenis kreeg
en dit in zijn vormgeving moest uitstralen.3 De
watertoren verscheen als een nieuw en beeldbepalend
architectonisch element. Tot de jaren vijftig
van de twintigste eeuw zijn in Nederland nog
watertorens gebouwd. Inmiddels functioneren er
velen niet meer, omdat de torens voor de drinkwatervoorziening
in principe overbodig zijn
geworden.
De Zwolse watertoren
In april 1891 presenteerde ir. J. Schotel uit Rotterdam
zijn tekeningen en bestek, nadat hem de
opdracht was gegeven een centrale drinkwatervoorziening
aan te leggen voor de gemeente Zwolle.
4 Om een waterleidingsysteem te realiseren, was
het noodzakelijk eerst een ‘prise d’eau’ te bepalen.
Een prise d’eau is de plaats waar een waterleiding
water opneemt. Schotel had reeds zijn oog laten
vallen op de ‘Heerdesche heide’ omdat het daaruit
verkregen water aan de strengste eisen van hygiëne
beantwoordde. Bovendien was hij ervan overtuigd
dat er op den duur ook voldoende hoeveelheid
zou zijn te vinden.5 Op 27 oktober 1891 nam
de gemeenteraad zijn voorstel aan. Vervolgens
kocht de gemeente Zwolle van de gemeente Heerde
percelen heidegrond met een gezamenlijke
oppervlakte van ongeveer 469 hectaren, voor een
Links: Het interieur van
de watertoren: De
‘waterstandsaanwijzer’,
op de begane grond,
zoals beschreven door
Schotel in zijn toelichting.
(Foto: Maarten de
Graad)
Onder: De trapopgang
van de watertoren naar
een tussenver’dieping. In
deze periode is ook aan
de decoratieve afwerking
van de balustrade
aandacht besteed.
(Foto: Maarten de
Graad)
prijs van f 70,- per hectare, en voor een totaal
bedrag van f32.888,52.
In het voorjaar van 1892 kwam Schotel met het
voorstel om de toekomstige watertoren te plaatsen
aan de Bagijneweide, hoek Rhijnvis Feithlaan. De
Raad had echter bezwaar tegen plaatsing aan de
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het zicht naar boven op
het hangbodemreservoir
in de oude toren. (Foto:
Maarten de Graad)
Bagijneweide, omdat op het bedoelde terrein ook
de remise van de Dedemsvaartsche stoomtram
zou komen.6 Enkele weken later presenteerde
Schotel zijn definitieve tekening en bestek van de
watertoren. Schotel achtte voor plaatsing van de
toren, behalve de Bagijneweide, de volgende locaties
ook geschikt: het Rode Torenplein; een driehoekig
stukje grond tegenover de ‘Doleerende’ of
Oosterkerk of de Turfmarkt op de hoek van de
Schoenkuipenbrug.
In een toelichting beschrijft hij de benedenruimte
van de watertoren die in verschillende
lokalen verdeeld zal worden. Een of twee ruimten
waren bedoeld als kantoor voor de waterleiding,
een andere ruimte zou geschikt zijn als politiepost
en als bergplaats voor watermeters. Schotel achtte
het raadzaam dat het gebouw bewaakt werd. De
bedoeling was dat het pompstation op de heide
telefonisch met het bureau van de waterleiding en
het hoogreservoir in de toren door een elektrische
‘waterstandsaanwijzer’ met het pompstation verbonden
zou worden. In verband met de vestiging
van het bureau van de waterleiding vond Schotel
het dan ook wenselijk de toren niet te ver uit het
centrum van de stad te plaatsen. ‘Vooral ook’,
schrijft Schotel, ‘omdat het gebouw de omgeving
niet behoeft te ontsieren, zoals ook uit de tekening
blijkt; zelfs zouden sierlijke details aangebracht
kunnen worden, voor het geval dit werd
gewenscht.’ De vraag is wel wat Schotel bedoelde
met sierlijke details? Zoals uit de tekening en realisatie
blijkt, koos hij voor een sobere uitstraling. Of
was hij van mening dat het overdadiger kon? Hoe
dan ook, B en W bleven voorstander, net zoals
Schotel het ook het liefst had gezien, van locatie
Bagijneweide. De locatie Klein Grachtje kwam
ook nog ter sprake, maar viel af in verband met
vrees voor infectie door de nabijheid van een
mestplaats en de gasfabriek. Spinhuiswal bleek
ook niet aan te bevelen te zijn. Uiteindelijk is toch
afgeweken van de eerder voorgestelde plek en
accepteerden B en W het besluit van de Raad om
de toren te plaatsen op de Turfmarkt. Bovendien
adviseerde de Raad, in overleg met de heer Schotel,
om een ‘directeur der Zwolsche Waterleiding’
te benoemen, zodat deze van meet af aan bij de
aanleg aanwezig kon zijn en vertrouwd met het
werk waarover hij het beheer zou voeren; dit op
een jaarwedde van f 1600,-. De watertoren was
maar één onderdeel van het drinkwatersysteem,
waartoe ook stoommachines met toebehoren op
het terrein van het pompstation en een buizennet
behoorden. Verder maakten ook een uitwijkspoor
vlakbij het station van Wapenveld met woningen
voor machinist en stoker van het machinegebouw
en ketelhuis deel uit van het hele project.
Wat de bouw van de watertoren betreft, van de
23 ingekomen inschrijvingen was die van J. Visser
uit Papendrecht het laagst. Voor de som van
f38.170,- werd hem op 7 mei 1892 het werk opgedragen
en met meerwerk van f 690,09 het bedrag
afgesloten. In de toren is o.a. verwerkt circa
1030 m3 metselwerk van ‘natuurlijke en gebakken
steen’. Het hangbodemreservoir, dat een inhoud
heeft van 500 m3, weegt ruim 26.000 kg. Het werk
werd op 23 december 1892 opgeleverd.
Schotel
J. Schotel was architect-ingenieur te Rotterdam.
Hij was onder meer betrokken bij de bouw van de
Moerdijkbrug en heeft zestien watertorens op zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
naam staan. Het gebruik van nieuwe materialen,
zoals staal en gietijzer, brachten in deze periode
nieuwe constructiemogelijkheden met zich mee.
Schotel die deze watertorens tussen 1883 en 1911
ontwierp, besteedde bijzonder veel aandacht aan
het uiterlijk en volgde nauwgezet de in die tijd toegepaste
neostijlen in de architectuur. Neostijlen
zijn een benaming voor stijlen die kenmerken van
een vroegere stijl opnieuw hanteren. Veelal werd
in deze tijd gekozen voor de neoromaanse bouwstijl,
omdat deze stijl door zijn sobere karakter
beter aansloot bij de functionele aard van de
watertoren. De neogotiek en neorenaissance werden
doorgaans te kostbaar en te bewerkelijk
gevonden. Schotel liet zich hierdoor niet weerhouden
en zijn eerste watertorens liet hij optrekken
in een neogotische verschijningsvorm.
De watertoren van Zwolle met een sober
neogotisch karakter is hier een voorbeeld van.
Neogotisch wil zeggen dat voor de vormgeving
van dit bouwwerk uit de negentiende eeuw motieven
ontleend zijn aan de gotiek, een middeleeuwse
bouwstijl. Deze motieven zijn nog terug te vinden
bij het ingangsportaal en de wederzijdse boogvensters
met tracering in de koppen van de oude
watertoren. De dragende bakstenen buitenwand
was op elke verdieping voorzien van vensters. De
verbrede kop was het meest decoratieve deel van
de hele toren door de speelse motieven in het metselwerk.
De muurvelden met daarin geplaatst
dezelfde vensters als in de romp zorgden voor een
gelijkmatige verdeling van en evenwicht in de bakstenen
wand. Bovenop het tentdak bevonden zich
dakkapellen voorzien van pinakels. Het hoogste
punt (37.7 m) werd bekroond met bol en windvaan,
waarop aangegeven het jaartal 1892.
Twintig jaar later zien we bij Schotel watertorens
met neorenaissance-elementen verschijnen
zoals kantelen bij de watertoren van Overveen. Na
de eeuwwisseling kregen art nouveau motieven in
de decoraties de overhand. Zijn laatste watertorens
worden beschouwd als de meest bijzondere
die Schotel ontworpen heeft in zijn loopbaan. Bij
de watertorens van Boskoop en Woerden werkte
hij met een combinatie van gekleurde baksteen
voor de reservoirommanteling. Dat in ieder geval
de gemeente Zwolle zeer tevreden was met de
realisering van een efficiënte drinkwatervoorziening,
en ook een eigen watertoren, blijkt uit de
volgende loftuiting: ‘te danken aan de buitengewone
voortvarendheid en werkkracht van den
heer ingenieur J. Schotel, die toegerust met volledige
kennis en rijpe ervaring, zich ten volle het
vertrouwen waardig getoond heeft, dat wij door
het hem opdragen der leiding van het geheele
werk in hem hebben gemeend te mogen stellen.’7
De toestand na 1957
Op 21 februari 1957 veroorzaakt een brok losvallend
gesteente, afkomstig van de uitkraging van de
De oude watertoren in
februari i%j, een dag
na het dodelijke ongeval.
Het trottoir rond de
toren is afgezet. (Foto:
DolfHenneke, collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
! J
n6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ontmanteling van de
oude kap, 1959.
(Gemeentearchief
Zwolle)
Rechts: De watertoren
met de nieuwe ommanteling,
jaren zestig.
(Foto: DolfHenneke,
collectie Gemeentearchief
Zwolle)
watertoren, een dodelijk ongeval.8 De dood van
een vijfjarig kind veroorzaakte verdriet bij de
familie en onrust onder de Zwolse bevolking. De
vraag is of dit ongeluk voorkomen had kunnen
worden. De laatste controle en het benodigde herstel
hadden in 1936 plaatsgevonden. Door de
hoogte van de toren zou controle op de bouwtoestand
niet gemakkelijk zijn. Het ongeval was in
ieder geval voor de gemeente aanleiding de toren
aan een uitgebreide inspectie te laten onderwerpen.
Deze werd op 22 mei 1957 uitgevoerd door het
Rijksinstituut voor de Drinkwatervoorziening. De
conclusie was dat de toren in slechte staat verkeerde.
Het voegwerk was slecht en het metselwerk
vertoonde op sommige plaatsen meterslange
scheuren. Wat nu? Afbreken, of een andere oplossing.
Men koos voor de tweede mogelijkheid,
namelijk het oude bouwwerk intact laten en een
nieuwe toren om de oude heen bouwen. Een uitzondering
moest gemaakt worden voor de uitkraging.
Dit karakteristieke onderdeel van de ronde
toren met de meest uitgesproken neogotische
details verkeerde in zo’n slechte toestand dat het is
afgebroken. De nieuwe tienkantige toren is opgebouwd
naar een ontwerp van architectenbureau
Mastenbroek en De Herder. Voor er gestart werd
met de werkzaamheden, was het inmiddels 1959.
Voor het bedrag van f175.000 werd de oude toren
door het bedrijf Fokkens-Naarden NV uit Velp
ommanteld. In het najaar van 1960 was het dan
zover en verscheen de watertoren in een nieuwe
jas.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
Er is geen uitgebreid bouwhistorisch onderzoek
nodig om vast te stellen dat de oorspronkelijke
watertoren aangewezen kan worden als industrieel
monument van de negentiende eeuw. De
toren mist weliswaar een wezenlijk onderdeel.
Maar als waardevol markeringspunt in een stedelijke
omgeving en als karakteristiek drinkwatermonument,
verdient het lot van deze watertoren
een zorgvuldige afweging bij herbestemming.
Naschrift
Inmiddels is de watertoren eigendom geworden
van projectontwikkelaar Nijhuis Bouw BV te Rijssen.
Wat de precieze herbestemming zal gaan
worden is nog niet bekend, maar de watertoren zal
deel gaan uitmaken van een stedebouwkundig
plan dat momenteel door Nijhuis wordt ontwikkeld
voor een groter gedeelte van de Turfmarkt.
Noten
1. Peter Nijhof, Ed Sculte e.a., Herbestemming industrieel
erfgoed in Nederland. Zutphen 1994,14.
2. Weert Schenk in de Volkskrant van 28 november
1996,18.
3. Henk van de Veen, Watertorens in Nederland. Rotterdam
1989,44.
4. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), AAZOi, 3961.
5. GAZ, Verslag van de toestand der gemeente Zwolle
1891,70.
6. GAZ, Handelingen van den Raad der gemeente
Zwolle 18 januari 1892,7.
7. GAZ, Verslag van de toestand de gemeente Zwolle
1892,58.
8. Moorden brand deel 7. Zwolle, 1997.
V’
Boven: De kap van de
nieuwe ommanteling
van binnen. (Foto:
Maarten de Graad)
Links: De watertoren op
de Turfmarkt in 1999.
(Foto: Maarten de
Graad)
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Messcherpe ‘Bijlen’:
tekeningen van Vincent Bijl, 1895-1897
Jeanine Otten
Stilleven met geopend
boek, globe en lantaarn,
door Vincent Bijl (1874-
1950), 1S97. Gesigneerd
r.o.: ‘V. Bijl17 April
1897’. Opschrift l.o.:
‘Geteekend door V. Bijl.
/ Gezien DLako’. Tekening,
zwart en wit krijt
op grijs papier, afin.
blad: 50 x 70 cm.
(Gemeentearchief
Zwolle; schenking W.H.
Vincent Bijl, 1998)
Een welkome aanvulling op de collecties van
het Gemeentearchief Zwolle zijn de jaarlijkse
schenkingen. De jaarverslagen van het
archief staan elke keer weer bol van geschonken
archieven, boeken, video’s, geluidscassettes,
foto’s, prenten, tekeningen, kaarten, enzovoorts.
En elk jaar zit er wel een heel bijzondere aanwinst
bij die speciale aandacht verdient. Dat zo’n schenking
meestal niet zonder slag of stoot gaat is
begrijpelijk. De schenker doet afstand van iets dat
hij of zij misschien wel een mensenleven lang zuinig
bewaard heeft. Het Gemeentearchief stelt in
geval van een schenking altijd een schenkingsovereenkomst
op waarin bijzonderheden omtrent
de overdracht van eventuele rechten en de mate
van openbaarheid vastgelegd worden. Dit artikel
gaat in op zo’n bijzondere aanwinst die in de afgelopen
drie jaar in etappes in het Gemeentearchief
terechtkwam.
Messcherpe tekeningen
De schenking bestaat uit een aantal zeer fraai
gekleurde technische tekeningen van bewerkte
deuren en allerlei houtverbindingen in voor-,
boven- en zijaanzicht. De tekeningen zijn aan het
eind van de negentiende eeuw gemaakt op de
Zwolse Stadstekenschool door Vincent Bijl, de
vader van de schenker. In de loop van twee jaar
vulde de schenker deze collectie aan met een aantal
technische tekeningen van bruggen en hekwerken,
twee stillevens, een paar diploma’s van de
Stadstekenschool, een met ebbenhout ingelegde
perenhouten tekendriehoek en een ebbenhouten
radeermesje die bij het maken van de tekeningen
gebruikt zijn. Opvallend is het vakmanschap
waarmee deze messcherpe tekeningen zijn
gemaakt. De minutieus geschilderde houtnerf, de
egale schaduwen en de strakke inktlijnen verraden
dat het werk zeer arbeidsintensief was en een vaste
hand vergde. De schenker wist uit hoofde van zijn
beroep (architect) precies hoe de tekeningen tot
stand waren gekomen. Zijn vader moet de lijnen
getrokken hebben met behulp van de perenhouten
tekendriehoek die op een houten tekenhaak
lag. De ouderwetse trekpen waarmee dat gebeurde
moest hij voortdurend bijvullen met een pipet
met inkt. De inkt maakte hij zelf door met een
penseel een beetje water over een Oost-Indisch
inktsteentje te wrijven. Dit leverde een mooie
dunne inkt op die goed vloeide.
De tekeningen laten zien dat men met de
beperkte middelen die aan het eind van de negentiende
eeuw beschikbaar waren, zeer fraaie resultaten
kon bereiken. Geavanceerde tekentafels,
speciale fineliners, rekenmachines en goede
bureaulampen bestonden immers nog niet. Daarnaast
geeft deze schenking een goed beeld van het
niveau van het tekenonderwijs op de Stadstekenschool.
Tot nu toe ontbrak dat beeld omdat van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
Stadstekenschool zelf geen archief bewaard is
gebleven. Wel bevindt zich in de bibliotheek van
het Gemeentearchief een portefeuille met het
opschrift ‘Stads Teekenschool Zwolle 1841’. De
inhoud van deze portefeuille bestaat uit tientallen
lithografieën met voorbeelden van woonhuizen
en andere gebouwen in allerlei stijlen. Waarschijnlijk
is het lesmateriaal dat de leerlingen konden
bestuderen en natekenen.
Vincent Bijl (1874-1950)
Vincent Bijl (Pasoeroan 1874 – 1950 Arnhem)
kwam als jongeman van 18 vanuit Nederlands-
Indië naar Rotterdam om een opleiding tot architect
te volgen. Door tegenslagen kon hij die opleiding
niet afmaken en moest hij in zijn eigen
levensonderhoud voorzien. Zo kwam hij in 1895
als 21-jarige vanuit Rotterdam in Zwolle, waar hij
in zijn levensonderhoud voorzag als bouwkundig
opzichter. Hij woonde drieënhalf jaar in een logement
in de Voorstraat (nu nr. 3). Een jaar na zijn
aankomst in Zwolle liet hij zich portretteren door
de Zwolse fotograaf F.W.H. Deutmann in de
Kamperstraat. We zien hem zelfbewust voor een
geschilderde achtergrond poseren, met leren
handschoenen aan, half zittend op een tafel, zijn
hoed naast zich, in de rechterhand een bewerkte
elegante wandelstok. De foto stuurde hij op tweede
kerstdag 1896 naar zijn vader, achterop schreef
hij: ‘Zwolle 26 December 1896, Voor den Heer
C. Bijl, van zijn jongsten zoon Vincent’.
Tijdens zijn verblijf in Zwolle bezocht Vincent
’s avonds de Stadstekenschool, die toen gevestigd
was aan het Grote Kerkplein in de zogenaamde
‘Brouwerschool’. Hij volgde er de lessen hand- en
bouwkundig tekenen van D. Lako en van H. van
Dijk, leraar lijntekenen en projectieleer.1 In 1897
behaalde Vincent Bijl diverse diploma’s aan de
Stadstekenschool. Een van de ondertekenaars van
de diploma’s was W.A. Elberts, president van de
Commissie van Toezicht op het Middelbaar
Onderwijs en later schrijver van Historische wandelingen
in en om Zwolle (1910). In juni 1898 vertrok
Vincent Bijl uit Zwolle naar Roermond waar
hij bij Rijkswaterstaat in dienst kwam. Na vijfjaar
verhuisde hij naar Arnhem. Daar leerde hij zijn
vrouw kennen en daar werden ook zijn twee kinderen
geboren. Het beroep van architect heeft
Vincent Bijl door omstandigheden niet kunnen
uitoefenen. Hij heeft wel zijn zoon W.H. Vincent
Bijl in staat kunnen stellen de opleiding tot architect
te volgen. De tekeningen die al die tijd
bewaard werden in Arnhem, doorstonden op
miraculeuze wijze de Slag om Arnhem in september
1944. Nu zijn ze voor iedereen te bewonderen
in het Gemeentearchief Zwolle.
De Stadstekenschool, 1819-1898
De Stadstekenschool te Zwolle werd in 1819 opgericht
en leidde een bloeiend bestaan. De eerste les-
Vincent Bijl in 1896
gefotografeerd door de
Zwolse fotograaf
F.W.H. Deutmann.
(W.H. Vincent Bijl,
Arnhem)
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Houtverbindingen en
details van een vaste
houten brug, door Vincent
Bijl (1874-1950),
1897. Gesigneerd r.o.:
Gemerkt l.b. in potlood:
‘No. 2. Opschrift r.o. in
pen: ‘vD[ijk] Technische
tekening, pen in
zwart, penseel in kleuren,
afin. blad: 50 x 65
cm. (Gemeentearchief
Zwolle; schenking W.H.
Vincent Bijl, 1998)
sen startten in de winter van 1819 onder leiding
van stadstekenmeester, schilder en tekenaar Willem
Gerrit van Ulsen (1762-1830). In deze tijd werden
tal van stadstekenscholen gesticht als uitvloeisel
van de wet, die in 1817 bij Koninklijk Besluit
van kracht was geworden. Deze stadstekenscholen
zouden niet alleen aan de jeugd, maar ook aan de
ambachtsman gratis tekenonderwijs moeten verschaffen.
2 In 1838 was de Stadstekenschool ondergebracht
in de voormalige Armenschool aan de
Nieuwe Haven (nu Luttekestraat 70).3 Er werd
’s avonds lesgegeven in het vrije tekenen, meestal
naar gipsafdrukken van beeldhouwwerken zoals
dat tot ver in de twintigste eeuw dé methode
geacht werd om goed te leren tekenen. Er werd
ook onderwezen in het bouwtekenen, met passer
en liniaal, vooral ten behoeve van bouwvakkers
die ‘hogerop’ wilden. Op een situatietekening uit
1855 van stadsarchitect B. Reinders ten behoeve
van de verkoping van een terrein grenzend aan de
Stadstekenschool zien we de ‘Stads Arm- en Teekenschool’
gelegen op de hoek van de huidige Luttekestraat
en de Eekwal. Tegen de Stadstekenschool
aangebouwd was aan de Eekwalzijde ook
een openbaar toilet, het ‘stadssecreet’. Uit de tekening
blijkt verder dat in 1855 de voormalige stadsarchitect
H. Klinkert vlak naast de tekenschool
woonde.4
In 1843 was het militaire magazijn in de gewezen
Latijnse School op het Grote Kerkplein (hoek
Lombardstraat) na het vertrek van het depot van
de 7de afdeling infanterie, overbodig geworden.
Men maakte van de benedenverdieping een exercitielokaal
voor de schutterij.5 De bovenverdieping
werd in 1855 ingericht voor de Stadstekenschool.
Een jaar later verhuisde de school vanuit
de voormalige Armenschool naar deze ‘nieuwe’
behuizing in de oude Latijnse School aan het Grote
Kerkplein.6 Er werd onderwezen in het handen
bouwkundig tekenen en het boetseren en er
werden praktische timmerlessen gegeven.
Het gebouw van de oude Latijnse School verdween
in 1867. In dat jaar verscheen aan het Grote
Kerkplein een nieuwe school voor uitgebreid lager
onderwijs, de zogenaamde ‘Brouwerschool’.
Helaas moesten hiervoor enkele fraaie middelZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
eeuwse gebouwen worden gesloopt: de Beurs
(eigenlijk het uit 1448 stammende Wijnhuis), de
in 1450 gebouwde Raadtoren en de uit 1443 stammende
Latijnse School.7 Het imposante nieuwe
schoolgebouw was een ontwerp van stadsarchitect
B. Reinders. De school dankte haar bijnaam aan
K. Brouwer, die van 1877 tot 1914 hoofd van deze
school was. In de school werden ook de Burgeravond-
en Tekenschool gevestigd. Hoe de lokalen
voor het vak Handtekenen waren gemeubileerd
weten we door een plattegrond van architect en
leraar aan de Tekenschool J.G.J. van Roosmalen,
behorend bij het verslag aan de Commissie van
Toezicht op het Middelbaar Onderwijs, ingezonden
27 februari 1868. Naast het lokaal voor het
handtekenen bevonden zich een lokaal waar de
gipsafdrukken waren opgesteld en een zogenaamde
werkzaal.8 De classicistische stijl waarin het
bouwwerk was uitgevoerd kon Elberts, de ondertekenaar
van de diploma’s van Vincent Bijl, niet
bekoren. Hij noemde het in 1910 een lelijk schoolgebouw
met een smakeloze gevel dat gelukkig
door de voorgenomen bouw van een nieuw stadhuis
ten dode is opgeschreven.9 De Brouwerschool
is pas in 1936 afgebroken maar de bouw van
het nieuwe stadhuis liet nog veel langer, namelijk
tot 1972, op zich wachten.
Het einde van de Stadstekenschool kwam kort
nadat Vincent Bijl haar had verlaten. In 1898
fuseerden de Stadstekenschool en de Burgeravondschool
tot de Burgeravondschool met vierjarige
cursus. De opening van de gereorganiseerde
school vond plaats op 24 november 1898 in de pas
gebouwde Ambachtschool (het huidige Flevogebouw
aan de Menno van Coehoornsingel). Begin
1922 werd de Burgeravondschool met vierjarige
cursus opgeheven, hiervoor in de plaats kwam de
Avondnijverheidsschool (met vijfjarige cursus)
die tot 1 oktober 1977 heeft bestaan.10
Noten
1. Gemeentearchief Zwolle Jaarverslag 1997. Zwolle
1998, 31; Gemeentearchief Zwolle Jaarverslag 1998.
Zwolle 1999,129 en afb. 36.
2. E.A. van Dijk, Willem Gerrit van Ulsen (1/62-1830),
schilder en tekenaar, in : J. Folkerts e.a. (red.), Overijsselse
biografieën}. Amsterdam 1993,105-106.
3. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle. Zwolle 1910 (herdruk 1973), 58. F.C. Berkenvelder,
Zo was Zwolle rond 1900. Zwolle 1970,77.
Gemeentearchief Zwolle, DA002,463,1855II.
Elberts, Historische wandelingen, 211.
Elberts, Historische wandelingen, 58.
Berkenvelder, Zo was Zwolle, 61.
Gemeentearchief Zwolle, DA002,129,1868 I.
Elberts, Historische wandelingen, 184.
Het ABC van de Ambachtsschool gedurende honderd
jaar. Zwolle 1983.
In 1897 behaalde Vincent
Bijl, leerling der 2e
klasse 3e af deling, de
eerste prijs, een kleine
bronzen medaille, als
bewijs van vlijt en
gemaakte vorderingen
in het tekenen van
deur- en raambetimmeringen.
Het diploma
van de Stadstekenschool
Zwolle werd ondertekend
door de Commissie
van toezicht op het
Middelbaar Onderwijs
bestaande uit directeur
V. Frackers, president
W.A. Elberts en secretaris
Vroom. (Gemeentearchief
Zwolle; schenking
W.H. Vincent Bijl,
2000)
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tegen de stroom in
J. Erdtsieck Het onderstaande artikel is een samenvatting
van het onlangs verschenen boekje
Tegen de stroom in dat de geschiedenis
bevat van de hervormde gemeente in Zwolle van
1940-2000. Het is een vervolg op de tien jaar geleden
verschenen publicatie Een aanzienlijke
gemeente met een eerlijke verdraagzaamheid die de
periode van 1830-1940 beschrijft. Getracht is om in
deze samenvatting ook voor de niet-kerkelijke
lezer duidelijk te zijn. Heeft men meer interesse
dan biedt het boekje uitvoeriger informatie*.
Het verleden
De oorlogsjaren 1940-1945 waren voor de hervormde
gemeente in Zwolle niet al te moeilijk. De
bezetter liet de kerken betrekkelijk met rust en
door de moeilijke tijden was de kerkgang groter
dan anders. Maar vooral werden het, naarmate de
maatschappelijke nood steeg, jaren van bezinning.
Hoe na de oorlog verder te gaan?
De hervormde gemeente, die in 1945 nog 40%
van het inwoneraantal omvatte, kon zich maar
moeilijk losmaken van het verleden. In de tijd
voor de Franse revolutie was zij de enige bevoorrechte
kerk geweest, die een aantal taken die we
thans als overheidstaak zouden bestempelen voor
haar rekening nam (de doop als geboorteaangifte,
huwelijkssluitingen, begrafenissen, onderwijs).
Het hele kerkelijk bedrijf werd door de overheid
betaald uit oude fondsen.
In 1795 werd de scheiding tussen kerk en staat
principieel vastgesteld. Toen echter de overheid in
1802 vroeg tot welke godsdienst men behoorde,
waarbij het antwoord ‘geen’ onmogelijk was, antwoordde
in Zwolle 70% met ‘hervormd’. Hoewel
de kerkverlating zich in de negentiende eeuw
langzaam inzette en na 1900 in een stroomversnelling
kwam, kunnen de 20.000 Zwolse lidmaten in
1945 toch nog hieruit verklaard worden. De traditie
in de toen nog overwegend Sallandse stad sprak
een woordje mee. Dopen, trouwen en begraven
deed je vanuit de kerk. Maar daar moet wel bij
worden aangetekend dat van die 20.000 leden
slechts 5000 tot de actieve kerkgangers konden
worden gerekend.
Nieuwe impulsen
Uit dit verleden kan het nieuwe elan verklaard
worden dat de kerk bezielde voor het tijdvak dat in
1945 voor haar lag. Het waren ook landelijke tendensen,
ze sloegen in Zwolle evenwel heel goed
aan. In de eerste plaats intern. De gemeente was in
het verleden behoorlijk verdeeld geweest. De verdraagzaamheid
was wel groot, maar veel samenhang
was er niet geweest. Het was een ‘hotelkerk’,
iedere groepering ging zijn eigen gang. De eenheid
was alleen administratief.
De oorlogstijd had de leiding van de kerk
ervan doordrongen dat er meer erkenning en
waardering voor elkaar moest komen, en bovenal
dat men ook een externe taak had. Het was niet
genoeg om voor zichzelf en de organisatie op te
komen, men droeg een verantwoordelijkheid
voor het hele volk. De boodschap van het evangelie
zag men als een profetie voor de samenleving
en de kerk rekende het tot haar taak een getuigenis
hiervan te geven. Vanuit dit perspectief ging men
aan de slag met onbewust het oude gevoel in het
hoofd, dat de kerk een publieke taak had.
Direct na de oorlog onderging het predikantencorps,
zes man, een vernieuwing. Het was een
wat betreft geestelijke achtergrond bont gezelschap,
maar vertegenwoordigde toch goed de
schakeringen in de Zwolse gemeente. Een nieuwe
aanpak liet zich verder zien op velerlei terrein,
zoals de uitgave van een centraal kerkblad, een
wijkindeling, schoolcatechisaties, jeugdwerk,
sociaal werk en bejaardenzorg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
Zondagsschool Broerenkerk
in mei 1950. Op
verschillende locaties
kwamen zo’n 1400 kinderen
elke zondag
omstreeks de middag
bijeen. Deze zondagsschool
was al over z’n
hoogtepunt heen. In de
gloriedagen kwamen er
nogsoo leerlingen. De
betekenis van dit werk is
in de loop der jaren sterk
verminderd. Staande, in
het midden, de auteur,
op 29-jarige leeftijd,
(foto Van Hezel)
Kerkblad
De uitgave van het kerkblad Hervormd Zwolle
kwam in de plaats van de verschillende blaadjes
die elke richting vroeger uitgaf. Men had de illusie
dat elke pastorale eenheid op het huisadres het
blad zou kunnen ontvangen, zodat de kerk, op
papier althans, gehoor had in elk hervormd gezin.
In werkelijk is men nooit verder gekomen dan de
25% belangstellende leden.
Wijkindeling
Er kwam ook een wijkindeling: binnenstad / Kamperpoort,
Assendorp en Wipstrik, en aan elke wijk
werden twee predikanten verbonden. Gemeenteleden
werden verondersteld om zich alleen tot
hun wijkpredikanten te wenden en bij hen ter kerke
te gaan ongeacht de geestelijke stroming.
Tevens hoopte men zo de gemeente overzichtelijker
te maken en de saamhorigheid te bevorderen.
Voor de meeste gemeenteleden was dit teveel
gevraagd, ze bleven toch de predikanten van hun
keuze trouw. Herhaaldelijk lezen we dan ook in
het kerkblad dat de wijkgedachte maar niet van de
grond wilde komen. Een nadeel was ook dat alle
kerken, op één na, in de binnenstad waren en niet
in de woonwijken.
Uiteindelijk groeiden de wijkgemeenten uit
tot bolwerken van bepaalde stromingen in de kerk
en de bindende factor was dan ook niet meer de
woonplaats, maar de visie die men op de bijbelse
boodschap had.
Schoolcatechisaties
Een verdere opdracht zag men in het geven van
schoolcatechisaties. Hiervoor werden twee krachten
aangesteld die tevens het jeugdwerk zouden
leiden. Wettelijk had men die mogelijkheid. De
openbare school moest hiervoor ruimte geven.
Maar het was onmogelijk om dit in alle klassen te
doen. De kosten waren namelijk voor de kerk. In
de twaalf openbare scholen beperkte men zich tot
de hoogste twee klassen. De opzet was niet te
evangeliseren, maar wel om de jeugd enige bijbelkennis
bij te brengen. De ouders moesten toe124
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stemming voor dit onderwijs geven en dat gebeurde
ook vrij vlot. Praktisch elk schoolkind nam
eraan deel en de medewerking van het onderwijzend
personeel was erg groot. Tegenwoordig
wordt dit werk in breder verband gedaan en is er
ook plaats voor humanistisch onderwijs. Het
wordt nu door de overheid gesubsidieerd.
Jeugdwerk
Veel aandacht ging de kerk ook aan het jeugdwerk
besteden. Vanouds waren er veel hervormde
jeugdclubs en ze leverden vaak het kader voor het
kerkenwerk, maar de kerk zelf bemoeide zich er
niet mee. Ook niet met de zondagsscholen die
toch een voorbereidende schakel probeerden te
zijn voor een regelmatige kerkgang. Twee jeugdleiders
trachtten al dit werk te stimuleren en de
band met de kerk te verstevigen. Na jarenlange
verwaarlozing van dit aandachtsveld werd dit niet
door iedereen gewaardeerd.
Sociaal werk en bejaardenzorg
In dezelfde tijd ontsproten enkele initiatieven, die
later onder een algemene vlag zijn gaan varen. Het
clubhuiswerk was vanuit de kerk opgezet en had
als doel de jeugd uit problematische gezinnen op
te vangen. Aanvankelijk werd dit door de hervormde
gemeente gefinancierd. Dit was mogelijk
door het bezit van aanzienlijke fondsen die men in
het verleden had verkregen. De offervaardigheid
van de gemeente was nog niet zo groot. Maar toen
de overheid steun ging geven kwamen er ook
regels en voorschriften. Het gevolg was dat dit
werk in 1961 werd overgedragen aan een algemene
stichting.
Evenzo is het met het sociaal werk gegaan.
Gezinsverzorging en maatschappelijk werk werden
als voortzetting van de in de oorlog ontstane
praktijk voorgezet. Er werd gedroomd over een
diaconaal centrum in de binnenstad, een plaats
van een leef- en gebedsgemeenschap van waaruit
helpers zouden uitzwermen over de hele stad. Met
landelijke hulp werd zelfs een diaconaal predikant
aangesteld voor het werk onder wat men toen
noemde ‘de a-socialen’.
Op langere termijn werden twee moderne
tehuizen voor ouderen gesticht, de Molenhof en
de Rivierenhof, die de verouderde accommodatie
in de Van Karnebeekstraat moesten vervangen.
Einde Stadsevangelisatie
Een vooroorlogse werkvorm, de Stadsevangelisatie,
liep op zijn laatste benen en beperkte zich tenslotte
alleen nog maar tot de exploitatie van enkele
(verouderde) gebouwen, die in 1960, na de liquidatie,
overgedragen werden aan de hervormde
gemeente. Ze waren echter niet meer bruikbaar
voor het kerkenwerk zoals dit langzamerhand was
ontstaan en zijn allen afgestoten.
Polarisatie
Uiteraard kwamen de vernieuwingen, die door
een betrekkelijk kleine maar enthousiaste groep
tot stand waren gebracht, zwaar onder vuur te liggen
van een meer behoudend deel van de gemeente.
Geen ongewoon verschijnsel, dat zich in de
samenleving ook voordeed. Na een aanvankelijke
vernieuwingsdrift ontstond er weerstand en een
verlangen om de vooroorlogse situatie weer te
herstellen.
Dit werd verhevigd door de tweespalt die de
Indonesische kwestie in de samenleving, maar ook
in de kerk teweeg bracht. Toen in de prediking van
de meeste predikanten duidelijk werd dat men
vanuit de kerk de tijd van het kolonialisme voorbij
achtte, kwam een deel van de rechterzijde van de
kerk in het geweer. Deze reactie werd nog verhevigd
toen duidelijk werd dat enkele predikanten
lid waren of sympathie hadden voor de Partij van
de Arbeid. Toen de kerkenraad besloot om op
1 mei een speciale kerkdienst te houden, protesteerden
vele gemeenteleden. Men verweet de predikanten
politiek op de kansel te brengen. Toch
was de aversie tegen ‘rood’ beperkt. Waarschijnlijk
had de gemeente met de vooroorlogse ‘rode
predikanten’ al enige gewenning opgedaan, bijvoorbeeld
de alom geziene ds. Horreüs de Haas. •
Om uit de impasse te komen trachtte een predikant,
ds. Miskotte, de kerkdiensten een andere
vorm te geven. Het accent zou niet meer moeten
vallen op de preek, maar op de elementen van lofprijzing
en aanbidding. Hierbij viel men terug op
oude kerkelijke en voor-reformatorische symbolen
en formuleringen. Hoewel de beweging in zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
pure vorm weinig aanhang vond, ‘te rooms’, heeft
ze toch wel invloed gehad op de vormgeving van
andere erediensten. Daar was de televisie echter
ook debet aan.
De behoudende vleugel versterkt
Als afsluiting van een periode moet hier de terugkeer
van de uiterste rechtervleugel van de hervormde
gemeente nog vermeld worden. Reeds in
1904 kwam een groep gemeenteleden die zich niet
konden verenigen met de koers in de kerk – de
hervormde gemeente was toen nog overwegend
vrijzinnig – in een ander gebouw bijeen zonder het
lidmaatschap van de kerk op te geven. Ze stichtten
in 1923 een eigen gebouw, Elim, aan de Jufferenwal,
waar zondags bijna 1000 kerkgangers bijeenkwamen.
In het kader van de gemeenteopbouw lukte het
na eindeloze gesprekken deze groep weer een
reguliere plaats te geven in het kerkelijk bestel. Dit
lukte in 1964. Deze terugkeer bracht voor de kerk
in zijn geheel een aanzienlijke versterking mee,
maar veroorzaakte ook dat de behoudende krachten
meer invloed kregen op het kerkelijk beleid.
Zij leveren tegenwoordig een derde deel van de
bijna 3000 kerkgangers die de hervormde
gemeente per zondag kent.
Een nieuwe fase
Begin jaren zestig werd een tijd van hard werken
en zuinig leven met nieuwe idealen afgesloten en
deed de welvaart zijn intrede. De naoorlogse jeugd
werd volwassen. Radicalisering op allerlei terrein
nam toe en dit vond ook in de kerk uiteraard zijn
weerslag.
Toen drong het besef door dat men de illusie
van een kerk die invloed kon uitoefenen in het
maatschappelijk leven wel kon vergeten. Men zag
de kerkverlating, vooral van de papieren leden,
steeds toenemen. We zien dan dat er alles aan
gedaan werd om ‘het verloren terrein’ terug te
winnen. Dit werd nog versterkt door de stormachtige
groei van Zwolle, met bijbehorende import,
die in deze tijd inzette.
Men huldigde in die dagen nog de ‘dorpskerkfilosofie’.
Ieder van de acht wijken in Zwolle moest
een eenheid vormen met een kerk, een pastorie en
dienstencentrum waar men dagelijks terecht kon.
Deze opzet is totaal mislukt omdat de wijken
meestal geen eenheid vormden en ook spraken de
financiën een geducht woordje mee. Tenslotte zijn
er in elke wijk wel zulke centra gekomen, maar die
kregen net als ander door de kerk gestart werk een
algemene invulling. Toch werden er in deze periode
en ook later veel nieuwe kerken gebouwd, in
Holtenbroek, Berkum, Westenholte, de Aa-landen
en Zwolle Zuid. Daartegenover stond dat
twee kerken in de binnenstad, de Broerenkerk en
de Bethlehemse kerk, afgestoten konden worden
en de Grote Kerk een multifunctionele bestemming
kreeg.
Ds. Felix Bobeldijk was
van 1948-1980 predikant
alhier. Hij ontpopte
zich in de loop der
jaren als het geweten
van de kerk. Bobeldijk
was iemand die zijn
geluid niet onder stoelen
of banken stak en zich
niet liet inpakken door
welke vrome overwegingen
dan ook. Door zijn
innemend karakter
werd hij door velen op
handen gedragen, maar
hij riep ook enorme
weerstand op door zijn
onconventionele woorden
en daden._(Tekening
T. van der Veen)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Jaren zestig en zeventig
In de roerige jaren zestig en zeventig probeerde
men van alles om meer mensen naar de kerk te
krijgen. In samenwerking met andere kerken werd
een grote campagne begonnen onder de naam van
‘Licht over Zwolle’. Dit werd een mislukking,
mede door gebrek aan belangstelling bij de
gemeenteleden zelf, die hierbij aangaven deze
methode niet meer van deze tijd te vinden.
Er werden kerkdiensten gehouden in de
schouwburg voor middelbare scholieren. Alternatieve
diensten voor hen die het in de bestaande
kerkelijke structuren niet meer zagen zitten.
Behoudende wijkgemeenten zochten het meer in
de klassieke methoden door het aanstellen van
evangelisten om buitenkerkelijken te benaderen.
Veel resultaat leverde dit niet op.
In de samenleving was inmiddels een hevige polarisatie
opgetreden door de koude oorlog, de
gebeurtenissen in Vietnam en de (kern)wapenwedloop.
Dit gaf ook in de kerk aanleiding tot vele
en scherpe tegenstellingen. Vooral ds. Bobeldijk
deed hierin radicale uitspraken, die de rechtervleugel
van de kerk in woede deed ontsteken. Pas
de grote internationale omwentelingen in 1989
deed deze onrust bedaren.
Samen op weg (SOW)
Een aparte noot bij dit verhaal is nog de samenwerking
met de Gereformeerde Kerk. Dit proces
loopt in Zwolle nu bijna al dertig jaar met wisselend
succes. Ongeveer een derde van het aantal
kerkgangers kerkt thans in een zogenaamde
SOW-gemeente. Voor een derde deel is dit nog
onbespreekbaar en de rest kent vele ‘maren en
mitsen’. Wel is er sinds 1988 een gezamenlijk kerkblad,
Op Weg. De oorzaken voor deze trage gang
zijn te complex om in deze samenvatting op te
nemen. Laten we het hier maar houden op een
cultuurverschil.
Afsluiting
Hoewel na 1945 de hervormde gemeente met een
groot elan een nieuwe start probeerde te maken
werd het in de loop van de jaren daarna duidelijk
dat de oude plaats in de samenleving niet meer
herwonnen kon worden. Het aanpassen van de
organisatie aan de huidige situatie verloopt echter
nog vrij traag. Hoewel veel mensen de kerk verlaten
hebben, vertonen degenen die gebleven zijn
grote opofferingsgezindheid zowel in tijd als in
geld.
Minder mensen geven telkens meer geld en
tijd. Wel moet hierbij worden aangetekend dat de
ouderen hier oververtegenwoordigd zijn. Het
afstoten van twee oude kerken en het verplaatsen
van het kerkelijk bureau naar een minder kostbare
locatie gaf financieel veel respijt.
Er moet rekening mee gehouden worden dat
het kerkelijk leven geen bedrijf is dat efficiënt kan
werken. Daarvoor zijn de geestelijke verschillen in
de gemeente te groot. De hervormde gemeente
biedt een scala aan stromingen die allen aan hun
trekken willen komen. Over de te voeren koers is
men het daarom lang niet met elkaar eens en vele
plannen tot herstructurering stranden om die
reden. En tenslotte is het voor velen moeilijk de
bescheiden plaats, 15% van de bevolking, die de
kerk tegenwoordig in de samenleving inneemt te
accepteren. Tegen de stroom in zal de kerk haar
plaats moeten vinden.
bron: Hervormd Zwolle van 1945-1988 en Op Weg
van 1988-1999
* Het boekje Tegen de stroom in is te verkrijgen bij het
kerkelijk bureau van de hervormde gemeente, Molenweg
241, Zwolle. In het boekje is tevens een lijst van 20
eerdere publicaties van de auteur opgenomen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
De ooievaar en de eileuver
Zwolle heeft iets met de ooievaar, ofwel de
eileuver, zoals blijkt uit het feit dat de eerste
carnavalsvereniging hier ter stede de naam
draagt van deze vogel, die de wisseling der seizoenen
symboliseert. Wanneer de gevederde eileuvers
overwinteren in zuidelijker streken, nemen
menselijke vertegenwoordigers van heel diverse
pluimage, leden van carnavalsvereniging De
Eileuvers, de honneurs waar.
Omstreeks het midden van de negentiende
eeuw, toen er in Zwolle in het geheel nog geen carnavalsvereniging
bestond, was er echter een vliegende
eileuver, die juist buiten het seizoen, in de
winter dus, behoorde tot de vertrouwde en geliefde
verschijningen in de stad.
In de krant van Tijl werd in januari 1855 melding
gemaakt van ‘den langgebeenden ooievaar’,
die bij iedere Zwollenaar bekend scheen te zijn. De
vogel werd door ‘zijne vriendinnen, de vischvrouwen’
op de Vismarkt dagelijks voorzien van vis.
De zorg van de dames ging zelfs zover dat ze het
dier op zekere dag, ter bescherming tegen de kou,
een paar grijze kousen aantrokken. ‘Het behoeft
wel niet gezegd te worden, dat het alles behalve
gemakkelijk geweest is, om hem in dit voor eenen
vogel zoo vreemdsoortig kleedingstuk behoorlijk
te doen geraken.’
De vogel maakte dagelijks ook een uitstapje
naar zijn ‘geboortenest’ in de buurt van Frankhuis.
‘Van die gewone uitvlugt terugkeerende,
kondigt hij zijne tegenwoordigheid aan door met
den snavel tegen de vensterglazen te tikken van het
bij den afslag gelegen huisje van Jan Richter, die
hem alsdan zijne vischportie uitreikt. Verzadigd
zijnde begeeft hij zich in zijn warm, met hooi
gevuld hok, en deelt die ruimte broederlijk met
den hond van zijn verzorger’. Twee jaar later had
de ooievaar gezelschap gekregen. Van de dagelijkse
tochtjes naar Frankhuis kon toen weinig meer
komen, want beide vogels waren gekortwiekt.
Eind januari 1857 waren zij al weer bezig met het
verzamelen van hout en dorre takken, waarvan zij
in het speciaal voor hen gebouwde hok een nest
begonnen te maken. Hun dagelijks rantsoen
bestond ‘uit 16 a 20 vorens of bleijen.’ Deze riviervis
vormde hun lievelingskost, al wilden ze, als
enige zeevis, ook nog wel eens een bot consumeren.
‘Genoemde twee ooijevaars, die den geheelen
winter hier doorgebracht hebben, schijnen goed te
tieren’, concludeerde de krant.
Precies honderd jaar later, op 1 februari 1957,
werden de eerste palen geslagen voor het nest van
de tegenwoordige Eileuvers. Ook zij ‘schijnen
goed te tieren’ in hun verblijfplaats Zwolle, die zij
gedurende de carnavalstijd omdopen tot Sassendonk.
Omdat het in 2001 ‘4 x 11’ jaar geleden is dat
zij zich hier nestelden, wordt daar op bijzondere
wijze aandacht aan besteed. In het
Stedelijk Museum Zwolle is vanaf
begin februari een tentoonstelling te
zien over de Zwolse Carnavalsverenigingen.
Bovendien verschijnt er een
boek over de geschiedenis van het carnaval
in de tweede helft van de twintigste
eeuw in Zwolle.
Tenslotte: Enige tijd geleden bestonden
bij Jaep van Dijk plannen om ter
nagedachtenis aan de bedelende ooievaar
een beeldje (van een eileuver met
sokken) neer te zetten op het Rode
Torenplein, waar toentertijd de Vismarkt
werd gehouden. Het kwam er
(nog) niet van. Maar zou het niet aardig
zijn dit plan, in het jaar waarin de
Eileuvers hun 44-jarig jubileum vieren,
alsnog te realiseren? Alaaf.
Wim Coster
De gestileerde eileuver
die te zien is op drukwerk
van carnavalsvereniging
De Eileuvers.
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een afvallig en verdorven lid: Elysabet de Wael
Kerkelijke tucht te Zwolle
Jennie Pruim en
Riet Leussink In april 1630 trouwt met attestatie1 van de gereformeerde
kerk2 Elysabet de Wael, wonende te
Amsterdam, met Willem van Twenhuisen, een
rooms-katholieke jongeman uit Zwolle. Zij trouwen
te Amsterdam en het jonge paar vestigt zich
in Zwolle. Op welke wijze Elysabet de leden van de
kerkenraad van de gereformeerde gemeente in
Zwolle veel zorgen geeft, laten wij onderstaand
volgen.
Elysabet en de kerkenraad
In de kerkenraadsvergadering van 22 januari 1633
wordt voor de eerste keer over Elysabet de Wael,
huisvrouw van Willem van Twenhuysen, gesproken,
omdat zij niet aanwezig is bij de kerkdiensten
maar ook niet tijdens het heilig avondmaal. Er
gaan geruchten dat ze zo nu en dan de paapse vergaderingen
bijwoont. Besloten wordt dat dominee
Hillenius poolshoogte gaat nemen. Enkele maanden
later komt de kwestie van Elysabet de Wael
opnieuw in de kerkenraad ter sprake. Dominee
Schuttenius en dominee Hillenius hebben haar
inmiddels gesproken, en wel in de tuin bij ene Jan
Ketwijck. In tegenwoordigheid van de heer Ketwijck
en zijn echtgenote heeft Elysabet tegen de
beide dominees verklaard dat zij de paapse religie
prefereert boven de gereformeerde. Verder delen
de heren mee dat Elysabet, om haar trouweloosheid
en lichtvaardige afval te bevestigen, diverse
leugens en lasteringen te berde heeft gebracht.
Niet alleen heeft ze met haar leugens een predikant
uit Amsterdam, die door een paap of jezuïet
in het disputeren zou zijn overwonnen, schandalig
beledigd, maar ook gaat zij lichtvaardig met
haar eigen geweten om en heeft ze, ondanks haar
beloften, de ‘bekende waarheid’ verlaten. Dit verslag
wordt door de kerkenraad met ‘bedroefde
oren’ aangehoord. Er wordt besloten tegen Elysabet
de Wael met kerkelijke discipline te procederen
en een briefte schrijven aan de kerkenraad van
Amsterdam om advies.
Advies uit Amsterdam
Van de kerkenraad van Amsterdam wordt per
brief een uitgebreid advies ontvangen, dat in de
Zwolse kerkenraad in zijn geheel wordt voorgelezen.
In het kort komt het er op neer dat Elysabet
met een paapse jongeman uit Zwolle is getrouwd,
waarvoor zij door de kerkenraad van Amsterdam
is aangesproken en bestraft. Zij heeft daarop
beloofd zich aan de leer van de gereformeerde
kerk te houden. Naar aanleiding van deze belofte
krijgt zij kerkelijke attestatie bij haar vertrek naar
Zwolle. Daarom zijn de broederen van de kerkenraad
van Amsterdam niet alleen zeer verwonderd
maar ook zeer bedroefd om te vernemen dat Elysabet
zich zeer weinig aan haar heilige belofte gelegen
heeft laten liggen. Wanneer zij in Amsterdam
komt om haar familie en vrienden te bezoeken,
verklaart zij steeds dat zij zich houdt aan de leer
van de gereformeerde kerk. Daarbij zeer droevig
klagend over de dwang van haar man, haar
schoonouders en anderen, maar met het verhaal
hoe dapper zij zich daartegen verweert. Wanneer
zij in Amsterdam is, gaat zij niet alleen naar de
predikatie, maar neemt zij ook deel aan het
avondmaal. Het verhaal van de Antwerpse jezuïet,
dat in de brief wordt aangehaald, is pertinent
onwaar.
Elysabet en het pausdom
In de kerkenraad van Zwolle wordt opgemerkt dat
het ‘inkruipen van de klopkens en papen’, waardoor
de kerk van Jezus Christus wordt geschaad,
mede een oorzaak is geweest dat Elysabet de Wael
van het gereformeerde geloof is afgevallen en zich
tot het pausdom heeft begeven. De kerkenraad zal
genoodzaakt zijn kerkelijk met Elysabet te proceZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
Het koorwerk in de
Grote Kerk, hierachter
werd het avondmaal
gehouden. (Gemeentearchief
Zwolle)
deren. Voor de jaarwisseling komt de kerkenraad
nogmaals bijeen, onder andere ter bespreking van
het aanstaande heilig avondmaal. Men besluit de
huisvrouw van ‘Willem van Twenhusen’ voor de
eerste keer als afvallige van de gereformeerde religie
af te kondigen.
In het voorjaar van 1634 wordt Elysabet, voor
de bediening van het heilig avondmaal, opnieuw
als afvallige genoemd. Als de kerkenraad in juni
bijeenkomt, komt zij wederom ter sprake. De kerkenraadsleden
willen beslist niet over één nacht ijs
gaan. Voordat men verder met haar gaat procederen,
wordt de afgevaardigde naar de synode, die te
Vollenhoven zal worden gehouden, opgedragen
om te informeren of de kerkenraad van Zwolle wel
kan procederen om tot uitzetting uit de kerkgemeenschap
over te gaan van dit vrouwspersoon.
Ter nadere informatie kan de afgevaardigde meedelen
dat de desbetreffende vrouw een lidmaat
van de gemeente van Amsterdam is geweest en
met een besloten attestatie en een aanbevelingsbrief
van de kerkenraad van Amsterdam aan de
predikanten van Zwolle alhier is gekomen. Echter,
voordat zij het heilig avondmaal in Zwolle heeft
gebruikt, is zij schandelijk tot het pausdom vervallen
en niettegenstaande de veelvoudige kerkelijke
vermaningen over haar afval volhardt, tot ergernis
van velen, Elysabet hierin. De synode stemt er mee
in dat de kerk van Zwolle haar christelijke vermaningen
aan deze persoon continueert en hiervan
de kerkenraad van Amsterdam in kennis stelt en
daarna zal doen wat tot stichting van Gods
gemeente nodig zal worden bevonden.
De kerkban
Twee weken later, op 19 juni 1634, wordt in de vergadering
van de kerkenraad van Zwolle verwezen
naar het advies van de synode. Hierop besluit de
kerkenraad dat over een uitsluiting uit de kerkgemeenschap
of wel kerkban, hetgeen door de kerkenraad
nog nooit eerder is toegepast, met de kerkenraad
van Amsterdam zal worden gecorrespondeert.
Een dag later besluit men Elysabet de Wael,
onwillig, voor de bediening van het heilig avondmaal
met openbare naam ‘voor te stellen’. In de
laatste vergadering van juli deelt dominee Victor
op de kerkenraad mee dat hij te Amsterdam met
dominee Rudolf Petri over Elysabet heeft gespro130
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een notitie in de kerkenraadsnotulen
over
Elysabet, 14 mei 1635.
Zie voor transcriptie
p. 132.
ken en over hoeverre de kerkenraad van Zwolle
met haar had geprocedeerd. Dominee Petri adviseerde
met deze kwestie niet al te veel haast te
maken. Als Elysabet in Amsterdam zou komen,
zou hij al het mogelijke aanwenden om haar te
spreken te krijgen en alle middelen gebruiken om
haar weer te winnen voor het gereformeerde
geloof.
Inmiddels is het september en de kerkenraad
besluit dat men voor de viering van het heilig
avondmaal Elysabet de Wael zal voorstellen en dat
de predikanten daarna naar een gelegenheid zullen
zoeken om haar aan te spreken, of ten huize
van Ketwijck, waar zij dikwijls komt, of in haar
eigen huis.
Gesprek met Elysabet
Op een zaterdag gaan de predikanten naar het
huis van Elysabet en zij worden daar ‘niet seer

Lees verder

Zwolse Historisch Reeks, uitgaven 2000

Door | 2000, Zoek in ons tijdschrift

VRUE PER*
nn
mmenmt
[KM
uur in ovi”rg«i*8>»tiid
7SZ(5
DEN V*01/^ÖWETROUWE Zwolse Historische Vereniging
Stichting IJsselacademie Kampen
NUMMER 1
A P R I L 2OOO
Der Jan Louwen
De tw
geborenam 26 M e i
wohnhaït in Z w o l l e , Kennkarte Nr. Z 4 O / 1 8 ? C
ist vom Arbeitseinsatz ordnungsrr
is voor den arbeidsinzet volgens vc
Macliinii
Z W O L i. £ O
No. 24 ‘
(Siegel)— (stempeji)^
hal diesen”A«5v

I
Zwolse herinneringen
aan de jaren 1938-1945

Zwolse herinneringen
aan de jaren 1938-1945
Jan Louwen
Zwolle/Kampen
Zwolse Historische Vereniging
Stichting IJsselacademie
Inhoud
Journalistiek vakman met de creativiteit van een schrijver, W. van der Veen 5
Zwolse herinneringen aan de jaren 1938-1945 7
De bevrijding van Zwolle… Een impressie 59
Verantwoording 64
Publicaties van de IJsselacademie nr. 125
© 2000 Stichting IJsselacademie
Zwolse Historische Vereniging
ISBN 90-6697-113-4
Vormgeving: Ger Bomans, Different Design, Deventer
Druk: Grafie Elements Drukkerij, Zwartsluis
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij electronisch,
mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Journalistiek vakman met
de creativiteit van een schrijver
De schrijver-journalist Jan Louwen, die in januari
2000 op 75-jarige leeftijd overleed en wiens oorlogsherinneringen
in dit boekje postuum worden gepubliceerd,
heeft veertig jaar lang als redacteur bij de Zwolse
Courant gewerkt. Aanvankelijk in het oude gebouw aan de
Melkmarkt in de Zwolse binnenstad, waar hij vlak na de
bevrijding begon aan een journalistieke loopbaan die hij
reeds als schooljongen had geambieerd. Een kenschets van
zijn veelzijdige carrière bij de krant (chef stadsredactie,
reportage- en feature-redacteur, feuilletonschrijver) dient
met vele nevenlijntjes te worden ingevuld.
Zeventien jaar lang zaten wij aan twee aaneengeschoven
bureaus oog in oog met elkaar en leerde ik hem kennen als
een bewonderenswaardig collega. Eind jaren zestig werden
we met de taak belast samen een weekendbijlage op poten te
zetten. Dat was in die dagen een betrekkelijk nieuw fenomeen
in de krantenwereld: een extraatje van beschouwing,
informatie en verstrooiing na een week van voornamelijk
nieuwsfeiten. Jan Louwen bleek geknipt voor dit soort journalistiek, waarin hij
zijn creativiteit kon uitleven. Hij was geen harde nieuwsjager, maar een man die
graag de franje van het leven beschreef. Hij stamde uit een tijd waarin de journalistiek
vaak nog als een semi-artistiek beroep werd beschouwd. Je werd een halve
eeuw geleden door sommige collega’s een beetje meewarig aangekeken als je thuis
in je vrije tijd niet aan een roman of tenminste een novelle was begonnen.
Jan Louwen hoefde voor dit soort geringschatting niet bevreesd te zijn. Hij was
een voorbeeld van de journalistieke vakman die ook de ambitie en de fantasie
bezat om zich met het schrijven van fictie bezig te houden. Toen hij als twintiger
na de oorlog hele dagen (en nachten) verwikkeld raakte in de drukte van de stadsverslaggeving
(gemeenteraadsverslagen van een hele pagina, commentaren,
recensies van voorstellingen en reportages), slaagde hij er toch in om in zijn
schaarse vrije uurtjes stukken voor het amateurtoneel te schrijven en een thrillerreeks
op touw te zetten. Door de jaren heen verschenen er onder zijn pseudoniem
Ted Viking bij uitgeverij Bruna vele deeltjes met avonturen van de laconieke,
meedogenloze geheim agent McGregor. Later schreef Jan Louwen een journalistiek
handboek en een roman, waarin hij Zwolse jeugdherinneringen verwerkte.
Een tweetal jaren voor zijn dood kwam er nog een boekje van hem uit, waarin hij
onder meer zijn herinneringen aan de Zwolse Buitensociéteit optekende. Als
zoon van de gerant-directeur bracht hij een groot deel van zijn jongensjaren door
in dit zalencomplex.
Jan Louwen,
1924-2000.
(Foto: Collectie
familie Louwen)
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Jan Louwen in
1941.
(Foto: Collectie
familie Louwen)
Zijn band met Zwolle bleek ook uit zijn werk als eindredacteur
van de twee omvangrijke historische reeksen Ach, lieve
tijd en Als de dag van gisteren, die uitgeverij Waanders in de
jaren tachtig lanceerde. Zijn journalistieke veelzijdigheid
kwam in de jaren zestig verder tot uiting, toen hij voor de
AVRO-televisie in beeld kwam als rapporteur van niet
zozeer actuele als wel opmerkelijke zaken die zich in het
land voordeden.
Ik kan hem niet beter typeren dan met een aantal regels uit
een vers dat ik bij zijn afscheid van de krant in 1986 schreef:
Een man met een heel eigen wil,
pientere oogjes achter een bril,
klein van stuk en breed van geest,
gereserveerd maar niet bedeesd.
Een vakman van de oude stempel
met menig ingebouwde drempel
en ingebakken plichtsgevoel,
de buitenkant bedrieglijk koel,
maar innerlijk soms vol emotie,
geen greintje neiging tot devotie.
Van aard een echte binnenvetter,
zonder dogma’s naar de letter.
Een koesteraar van vorm en taai,
bedreven in een goed verhaal.
Streber, snoever noch snobist,
Kortom, geen doorsnee journalist.
Willem van der Veen
Vingerafdruk in
het persoonsbewijs.
(Foto:
Collectie familie
Louwen)
lv’ dn?
IV’
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Zwolse herinneringen
aan de jaren 1938-1945
Naar de middelbare school
Als je juichend van de lagere school afkomt kun je twee dingen doen: doorgaan
met onderwijs of de kans lopen putjesschepper te worden. Mijn
vader maakte me dat zeer duidelijk. Wat een putjesschepper precies was,
wist ik niet, maar het was niet veel soeps. Iemand die in beerputten staat te roeren
of zoiets, ’t Werd dus verder leren.
Het jaar was 1937 en heel ver aan de horizon lonkte de universiteit, ’t Moest
derhalve gymnasium worden, christelijk lyceum of Rijks Hogere Burgerschool.
Ik had er geen flauw idee van wat ik ooit wilde worden. Er waren vriendjes die het
al precies konden voorspellen. De een werd arts, dat stond als een paal boven
water. Zijn vader was arts. Een ander werd directeur van een metaalwarenfabriek.
Zijn vader was directeur van een metaalwarenfabriek. Een derde werd garagehouder.
Zijn vader had een garage.
Mijn vader was gerant van de Bui- *-*
tensociëteit. Ik wist dus zeker dat ik dat . –
niet wilde worden. Ik gokte maar wat.
Meester in de rechten. Ik kende een
advocaat en hij was een aardige man.
Zo kies je een beroep of zo kiezen je
ouders je beroep. Vijfjaar HBS leek me
meer dan voldoende. Geen Grieks, geen
Latijn, maar een mooie literair-economische
achtergrond, dat was nooit weg
in het leven. De filosofie van een dertienjarige.
’t Was een somber ogend gebouw,
die HBS, dat wel. Naast de Turfmarkt,
aan de Bagijnesingel stond het imposant
te wezen. Geesteskind van Zwollenaar Johan Rudolph Thorbecke, in zijn tijd
Minister van Binnenlandse Zaken, waaronder ook onderwijs viel. Het U-vormige
gebouw stond er vanaf 1867 en binnen zaten 74 leerlingen. En in 1937 stond een
aantal jongens, op van de zenuwen, bij het plantsoentje voor de school om toelatingsexamen
te doen. Ik was één van hen.
Het examen
Het was een mooie dag in juni. Ik had een nieuwe plusfour gekregen. Eindelijk
eens een die precies paste en niet op de groei was gekocht. Kleur: bruin. Bruin
staat altijd, meenden mijn ouders destijds. Negen van de tien examenkandidaten
droegen bruin — al die ouders hadden blijkbaar hetzelfde gedacht.
Binnen verwelkomde ons een kleine man met wilde witte manen. Hij las ons
een verhaaltje voor over een meneer die de trein miste. De opdracht was naar dat
verhaal een opstel te maken onder de titel: ‘De trein te laat.’ Het bracht nae
door Jan Louwen
De Rijks Hogere
Burger School
(RHBS) aan de
Bagijnensingel.
(Foto: Stichting
Collectie Zwolle
1940-1945)
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Het gezin Louwen
in 1945. Van links
naar rechts: jan,
moeder, Herman
en vader. (Foto:
Collectie familie
Louwen)
meteen al in verwarring. Waar was het werkwoord? Was de meneer op het perron
te laat voor de trein of moest-ie wachten omdat de trein te laat was? Het voorgelezen
verhaaltje had ik ook al niet goed begrepen en een lichte paniek gluurde om
de hoek. Dit was andere koek dan de lagere school. Hier kon je de meester niet
even vragen wat hij bedoelde en de meester heette overigens ook leraar. De kleine
man met de witte haardos was leraar. Sam was zijn naam voor de scholieren. In
zijn bijzijn meneer Elte.
Er was nog een aantal vragen op het gebied van de Nederlandse taal (‘Benoem
de werkwoordsvormen, zeg in welke naamval ze staan’ en dergelijke), maar daarmee
had ik niet veel moeite. In rekenen diende ook een proeve van bekwaamheid
te worden afgelegd. Misschien aardig om nu nog eens te proberen: ‘De waarde
van een zekere breuk, die niet te vereenvoudigen is, wordt 1 wanneer men haar
teller met 2 vermenigvuldigt en tevens bij haar noemer de helft van de noemer
optelt. Welke breuk is dat?’ Als u 3A zegt zit u goed. Rotvraagjes natuurlijk in een
tijd waarin er nog geen zakjapanners bestonden en de zenuwen door je keel gierden.
‘A kan een werk in 20, B in 24 dagen afmaken. A werkt eerst 9 dagen alleen,
daarna maken ze samen het werk af. Als A en B per dag evenveel verdienen en A
in het geheel ƒ 37,50 verdient, hoeveel gulden verdient dan B aan dat werk?’
We hadden de parel van smaragd nog in die tijd. En daar moesten we ook vragen
over beantwoorden. Hier volgen er acht van. ‘Welke producten komen veel
van Java? Over welke havens worden ze uitgevoerd? Welke zijn de belangrijkste
rivieren van Sumatra? Welke zijn de voornaamste plaatsen van Borneo? Welke
Europese landen liggen om de Zwarte Zee? Welke rivieren monden er in uit?
Welke zijn de voornaamste havenplaatsen aan die zee? In welke landen liggen
Peiping, Sydney, Tanger, Angora en Rio de Janeiro?’
Ik heb die examenopgaven bewaard, vandaar dat ik er uit kan putten. Ik zou
nu zakken als een baksteen, maar toen moet ik eruit gekomen zijn, al was het misschien
met de hakken over de sloot. Ik slaagde en mocht, nee móest een echte vulpen
kopen – met de lagere school verdween ook de kroontjespen. Bij Tulp aan de
Blijmarkt kochten we zo’n volwassenen-attribuut. Het was een Kwinto, nooit
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
eerder van gehoord (‘ons eigen merk, meneer. Een prima schoolpennetje. Lekt
gegarandeerd niet en makkelijk te vullen’). Daarna dienden we studieboeken te
kopen op de tweede-handsmarkt die de school organiseerde. Daarenboven
waren er de nodige nieuwe boeken die je voorgeschreven kreeg. Een rib uit het
lijf, vond m’n vader en gelijk had hij. Studieboeken zijn altijd duur geweest.
Geschiedenis der Nederlandse letterkunde van dr. W. van Schothorst, eerste deel,
kostte liefst ƒ 3,90, evenals het tweede deel. En voor Hauptperioden der Deutschen
Liter aturgeschichte moest ƒ 4,60 worden neergelegd. De andere leerboeken waren
navenant, soms met een uitschieter van enkele dubbeltjes naar boven zoals voor
Huit Siècles de littérature francaise.
Kamperen
We reageerden als Pavlovhondjes op de bel waarmee conciërge Horsting elke
schooldag inluidde. Als hij je buiten adem zag komen aanlopen was hij niet ongenegen
nog even te wachten met het trekken aan het touw: hij was een aardige man
met begrip voor ‘zijn’ jongens en meisjes.
Vergeleken met de lagere schooljeugd werkten we als mieren. We kregen per
week32 uren les: Nederlands, Frans, Duits, aardrijkskunde, geschiedenis, natuurlijke
historie, wiskunde, tekenen en lichamelijke oefeningen. Pas in de tweede
klas kwamen Engels, scheikunde en natuurkunde erbij.
We hadden vrijwel allen dé HBS-agenda van Tjeenk Willink, die liefst 75 cent
kostte, vol stond met matige foto’s en oubollige onderschriften en met een aantal
artikelen die de uitgever niet veel gekost zullen hebben, want ze vielen meestal
onder wat nu public relations wordt genoemd. Ze gingen dan ook over zulke
opwindende zaken als natuurmonumenten, de spoorwegen, de heidevelden in
Drenthe, de Nederlandse Heide Maatschappij en de jeugdherbergen. Zwolle had
toen ook een jeugdherberg (vermeldde de agenda): Dijkzicht aan de Meppelerweg
in Berkum. Het aantal auto’s in ons land bedroeg 180.000 en een brief werd voor
vijf cent bezorgd. Ook stond er uitvoerig in beschreven wat je met een einddiploma
vijfjarige HBS wel niet kon doen. Ik zou met m’n A-diploma aan de universiteit
rechtsgeleerdheid, letteren en wijsbegeerte kunnen gaan studeren. En als ik
als hoogste doel had ‘klerk ter secretarie te Amsterdam’ te worden, dan werd ik
vrijgesteld voor het examen daartoe. Helemaal aan het eind van de agenda (die
altijd met een vuurrood kaft verschenen) stond elk jaar trouwhartig: ‘Bewaar dit
boek. Het zal u te pas komen. De uitgever.’ Dat advies heb ik dus opgevolgd.
Het huiswerk nam dagelijks enkele uren in beslag en verdwenen was de tijd
om op straat te voetballen. Van de zogenaamd vrije weekends bleef niet veel meer
over dan de heilige zondag. Langzaam maar zeker naderden we de volwassenheid.
Ik raakte bevriend met Gjalt. Zijn vader was beroepsmilitair, hetgeen zich
duidelijk weerspiegelde in de zoon. Gjalt liep martiaal, had een martiaal uiterlijk
en sprak martiaal. Hij was mijn tegenpool. Achteraf is onze vriendschap onverklaarbaar.
We gingen samen kamperen. Met de boot van rederij Doeksen naar Terschelling.
Die sportieve bevlieging was bij mij van korte duur, want ik miste alles wat
het leven aangenaam maakt. Geen stromend water, maar een teiltje van canvas
dat waterdicht moest zijn maar lekte als een mandje. Eten koken op een primus.
Dat was een ingewikkeld apparaat waarin petroleum zat. De brander werd eerst
voorverwarmd met spiritus, daarna pompte je de petroleum omhoog die dan
vergaste en met een beetje geluk had je tenslotte een vlam waarop je het alumini-
Gjalt Spijkstra in
1941.
(Foto: Stichting
Collectie Zwolle
1940-1945)
10 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
um pannetje kon zetten. Gecompliceerder kon nauwelijks, maar het hoorde bij
de ware kampeerder.
En dan was er de tent. Een Indiana had ik en dat was niet de duurste. Tweepersoons
wat betekende: anderhalfpersoons. Enkeldaks. Als het regende – en het
kón op Terschelling hozen -, moest je het tentdoek nergens aanraken, want dan
ging het op die plaats onmiddellijk lekken.
Gjalt noch ik wist iets van kamperen, al spelden we alles wat we erover te
weten konden komen. Hoe je een plunjezak op de meest economische manier
kon volstouwen, hoe je alle pannetjes op de fiets kwijt moest zonder dat je een rijdende
rammelaar was – we plozen de catalogus van Carl Denig uit, want dat was
de landelijke kwaliteitszaak bij uitstek. Het meeste was veel te duur voor ons.
Denig had een mooi embleem, getekend door ene Titus Leeser. Tientallen jaren
later confronteerde ik Leeser, toen een zeer bekend beeldhouwer, nog eens met
z’n logo-ontwerp en hij vond dat niet prettig.
We hadden de tent ergens in de duinen in een dal gezet en kennelijk verzuimd
te lezen datje een tent nooit in een dal moet zetten. Het regenwater spoelde naar
binnen alsof er een sluis was Opengezet. We kochten margarine bij de plaatselijke
kruidenier en Gjalt vroeg daar om een pakje ‘bleuband’ – ondanks onze primaire
kennis van ’t Engels durfde hij niet bloebènd te zeggen, uit vrees te worden uitgelachen.
Engels was. toen nog riiet de Nederlandse spreektaal.
Op een nacht werden we uit onze slaap opgeschrikt door een bars personage
dat de tentdeur open deed en ons met een felle lantaarn in het gezicht scheen,
’t Bleek de plaatselijke Hermandad te zijn, die alle tenten controleerde op het verboden
samenzijn van personen van beiderlei kunne. Twee mannen mocht wel,
zei de koddebeier geruststellend. Je had in die tijd nog bordjes in sommige
gemeenteparken waarop stond dat het aan personen van beiderlei kunne verboden
was in het gras te liggen.
Ik vrees dat ik niet een echt natuurmens was. Een aantal van m’n schoolkameraadjes
was lid van de NJN, waar ze aan natuur deden. Met zon of regen de paden
op, de lanen in, bloemetjes bekijken en dieren bestuderen. Ik kon er met geen
mogelijkheid warm voor lopen. Terschelling is me ook niet bijgebleven als een
hoogtepunt in m’n bestaan, al vond ik de zee indrukwekkend. Maar de IJssel bleef
ik altijd mooier vinden.
Tien dagen bleven we op ’t eiland – lange dagen, want je kon er alleen fietsen
en wandelen. Ik geloof dat we elke dag brood aten; brood en macaroni. Op een
dag zagen we in het dorp opeens overal vlaggen aan de gevel. Dat moet 5 augustus
1939 zijn geweest. Prinses Irene Emma Elisabeth was geboren. Irene betekende
Vrede, zei prinses Juliana verduidelijkend tot het volk.
De leraren
In de eerste dagen van de nieuwe schoolgang kregen we een stortvloed van leraren
over ons heen. Ze waren in mijn ogen allen zo om en nabij de vijftig. Iedereen
die aanzienlijk ouder was dan je zelf, was een vijftigjarige, behalve oma en opa
– die waren nog veel ouder. De meesten introduceerden zichzelf aan het begin
van de eerste les. De leraar Duits kwam binnen en zei zo ongeveer: ‘Ik ben jullie
leraar Duits. Ik heet De Jong. En ik duld absoluut geen herrie in de klas. Wie zich
daaraan niet houdt vliegt er meteen uit. Begrepen?’ We knikten maar gehoorzaam.
Wisten wij dat De Jong, wiens bijnaam Herr Ober was, groepscommandant
van de NSB was geweest tot het ambtenaren verboden werd lid te blijven van
die partij.
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS 11
Polak gaf wiskunde. Ook hij stelde zich voor: ‘Ik ben Polak, maar iedereen
noemt me de Sik. Dat mogen jullie ook doen, zodra ik er toestemming voor geef,
en dat is pas als jullie in de tweede zitten.’ Scholieren denken altijd dat de leraren
niet weten dat ze een bijnaam hebben en al helemaal niet welke dat zou kunnen
zijn. Naïef natuurlijk. Zijlstra, die Frans gaf, zal donders goed hebben geweten dat
hij achter zijn rug Sijmen werd genoemd – waarom was ons niet duidelijk en weet
ik nog steeds niet. Hij was een Fries in hart en nieren. Zijn Nederlands was Fries
Nederlands, de accenten dropen er van af. Ik vrees dat zijn Frans eveneens een
Friese tongval had, maar hij gaf goed les en hield oprecht van de Franse cultuur.
Vijfjaar lang heeft hij ons op het hart gedrukt nu en dan naar de Waalse kerk in
de Schoutensteeg te gaan om er een dienst in het Frans bij te wonen. Niemand
heeft het ooit gedaan, geloof ik. Maar de Marseillaise kende ik in die tijd beter dan
het Wilhelmus.
In de ochtend kregen we een kwartiertje vrij. We mochten het terrein niet af.
Achter de voorgevel, aan twee zijden afgesloten door de zijvleugels van het hoofdgebouw,
was een ruimte die ook weer in twee delen was gesplitst. Het eerste,
waarop met gulle hand grint was gestort, was bestemd voor de jongens. Daarachter
lag een romantische tuin waar de meisjes konden wandelen. In de praktijk
werkte dat wonderwel. Niemand voelde het als een bezwaar dat we van elkaar
werden gescheiden en weinigen overtraden de regel, waarop overigens geen sancties
stonden. Het hoorde gewoon zo, precies zoals het niet was toegestaan dat in
de tweepersoons banken in de klas een jongen en een meisje naast elkaar plaatsnamen.
Leerlingen mochten niet roken, maar wie absoluut niet buiten een sigaret
kon, had de (niet toegestane) gelegenheid aan de zijkant van het jongensterrein,
uit het zicht van de leraren, achter één van de zijvleugels een saffie op te steken.
De leraren mochten te allen tijde roken, ook gedurende de les. Velen deden dat
ook, zeker de leraar aardrijkskunde die dan ook met zijn eeuwige sigaar de bijnaam
de Paf had.
Politiek
Aan politiek deden we niet thuis. Neutraal zijn was het parool van m’n ouders.
Dat werd ingegeven door precies dezelfde overweging die de Nederlandse regering
erop nahield: niemand tegen de schenen schoppen, want je bent afhankelijk
van zeen misschien schoppen ze wel terug. Geen verheven standpunt, geef ik toe.
Vader wees op ’t feit dat de ene keer
Mussert in de grote zaal tot z’n achterban
sprak, de volgende dag Colijn tegen
de zijne en de dag daarop Oud tot z’n
liberalen. En zij betaalden de zaalhuur
en daarmee ten dele onze boterham.
Maar eind jaren ’30 begon dat neutraliteitsgevoel
toch af te bladderen.
Nog niet buiten de huiskamer maar wel
in de dagelijkse gesprekken. Er kwamen
meer en meer joodse vluchtelingen
vanuit Duitsland naar ons land, vooral
na de Kristallnacht in november 1938.
De ellende naderde angstig dicht de
voordeur.
Veemarkt in
1939- Ter voorbereiding
op een
eventuele Duitse
inval is er een
legeronderdeel
op doortocht.
(Foto: Collectie
Gemeentearchief
Zwolle)
12 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
BERICHT.
Aan het telegraafkantoor is een
telegram ontvangen, waarvan
hieronder een uittreksel volgt:
ALGEMEENE MOBILISATIE,
Eerste rnobilisatiedag:
Vordering paarden en
motorrijtuigen.
Men raadplege de in de gemeente
aangeplakte „Open”
bare kennisgevingen”.
Men wordt uitgenoodigd aan
bovenstaand bericht zoo
spoedig en zooveel mogelijk
RUCHTBAARHEID TE
GEVEN.
Aanplakbiljet met
de afkondiging
van de mobilisatie.
(Foto: Stichting
Collectie
Zwolle 1940-1945)
Zowel vader als moeder kende enkele mensen in Duitsland. We hadden in
Düsseldorf een tante van moeders kant wonen, ene tante Lien. Ze was weduwe, at
doorlopend bonbons, waggelde door haar in het korset geregen dikte meer dan
dat ze liep. Ze vertrouwde ons bij een bezoek, prikkend in een slagroomgebakje,
stralend toe dat Hitler zulke ‘treue Augen’ had. ‘Als een herdershond’, zei moeder
pinnig, ‘die valt je onverhoeds van achteren aan.’ Moeder had, vóór haar trouwen,
een paar jaar in Duitsland gewoond bij dezelfde tante Lien, toen nog in het
bezit van een supergermaanse echtgenoot, en ze achtte zich kenner van de Duitse
volksziel. Ze was er in ’38 al heilig van overtuigd dat onze buren binnen afzienbaar
tijdsbestek de grens over zouden marcheren.
Samen luisterden we, zoals zovele Nederlanders, voor de radio naar Hitlers
redevoeringen en haalden, zoals zovele Nederlanders, opgelucht adem als die
geëxalteerde, overslaande stem weer eens te kennen gaf dat hij nergens aanspraak
op maakte. Hoogstens stond hij erop dat van oorsprong Duitsers terug werden
gevoerd naar de Heimat, en Was dat niet alleszins redelijk?
Intussen werd er in augustus 1939 wel voor alle zekerheid
een algehele mobilisatie afgekondigd. Voor ons, scholieren,
was het hele soldatengedoe eerst nog iets wat grotendeels
buiten het werkelijke leven stond. De realiteit was wiskunde,
aardrijkskunde, repetities en proefwerken. We gingen naar
de veemarkt waar de militairen honderden paarden vorderden
– tegen betaling -, en we keken geïnteresseerd maar met
weinig politiek bewustzijn naar de onafzienbare rijen vrachtauto’s
die voor het zelfde doel in de Wester- en Oosterlaan
stonden.
En ik bleef zitten in de tweede klas. De brief kwam met de
middagpost. De PTT deed drie postbestellingen per dag.
Kreeg je géén brief, dan was je overgegaan. Wél een brief
betekende blijven zitten. Ik stond er in de tuin op te wachten.
Ik wist dat hij zou komen. Al maanden. Ik had m’n vader
erop voorbereid door alle alledaagse wijsheden uit de schoolagenda
van Tjeenk Willink te knippen, in de trant van ‘tel de
uitslag njet, het doel alleen’ en ‘de toekomst kan alleen maar
beter gaan.’ De agenda had elke dag zo’n scheurkalenderwijsheid,
dus ik had keus te over. Maar het was te subtiel van me
gedacht: vader schonk er vrijwel geen aandacht aan en wilde maar niet inzien dat
ik hem prepareerde op slecht nieuws.
Toen het bericht kwam, was hij kwaad en teleurgesteld. Dat laatste trok ik me
wel aan, al vond ik nou ook weer niet dat de hele wereld in elkaar was gestort. Ik
was wel zo eerlijk niemand de schuld te geven. Ik had er gewoon een beetje met de
pet naar gegooid, dat tweede jaar. Ik was van de veronderstelling uitgegaan dat als
je de helft van de lessen liet lopen je nog wel een zesje gemiddeld zou kunnen krijgen.
Het was een vijfje geworden. Ik beloofde beterschap en zwoer met de hand
op m’n hart dat ik van nu af aan m’n uiterste best zou doen.
Auto
Onze klas vormde geen eenheid. Na mei 1940 werd dat anders en dat was te danken
aan de Duitse bezetting, die ons naar elkaar toedreef. Een gezamenlijke vijand
smeedt banden. Maar de eerste twee jaren was er niet veel contact tussen de
leerlingen. Je kwam ’s ochtends, plofte in de bank neer en deed wat er gedaan
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS 13
moest worden. De HBS was louter een leerschool. Gezamenlijk iets doen wat buiten
het leerproces viel, was er toen nog niet bij. Meestal had je één of twee vriendjes
— de rest interesseerde je niet veel. Het gezelschap was er ook te gemêleerd
voor, en de klassen te groot.
Niemand had een auto of een motor. Wij niet, maar ook geen enkele leraar en
ook niet de directeur. Een heel enkele keer kwam één van de oudste leraren, de
natuurkundeleraar Reiniers, met een taxi. Dat gebeurde als het spiegelglad was
buiten of de sneeuw zo hoog lag, dat je er met de fiets nauwelijks door kon
komen. Een taxi! Het verspreidde zich in een oogwenk via de schooltamtam:
Ome Jan kwam met een taxi! Zo bijzonder was het.
Ook wij, eerstejaars leerlingen, kwamen meestal niet verder dan logeren bij
familie. Het merendeel van mijn familieleden woonde in Apeldoorn en de ene
keer werd ik bij tante A. gedeponeerd, dan bij B. en vervolgens bij een derde. Niemand
vroeg me of ik dat wel zo plezierig vond. Je werd geacht het prettig te vinden,
basta. Op het laatst kon ik Apeldoorn niet meer luchten of zien, en de familie
al helemaal niet. En dan komt het moment waarop je de moed hebt het heft in
eigen handen te nemen en met een vriend in alle vrijheid een fietstocht te maken,
onderweg slapend bij boeren die een plaatsje in het hooi voor je hebben en waarbij
je meer plezier hebt dan je ooit aan de Cóte d’Azur zou beleven.
Mijn belangstelling voor films bleef onveranderlijk groot – per slot kon ik ze
gratis zien in de Buitensociëteit. Erg kritisch was ik nog niet. Het enige wat ik als
beginnende tiener van een film verwachtte, was dat ze me boeide. De met veel
ophef vertoonde Amerikaanse Midzomernachtsdroom, beladen met Oscars, die in
1936 werd vertoond (ik was twaalf) vond ik dan ook een vervelend product. Ik
was er geestelijk kennelijk nog niet aan toe. Maar ik wist wel dat de regisseurs
(Dieterle en Max Reinhardt) kunstenaars waren die nazi-Duitsland de rug hadden
toegekeerd. Met bosjes vluchtten ze en ook de Nederlandse film-‘industrie’
profiteerde ervan, want menig regisseur bleef een tijdje in ons land hangen, wachtend
op een goede gelegenheid het Vrijheidsbeeld in het echt te zien.
Zo ontstond onder regie van Ludwig Berger één van de beste Nederlandse
films uit die tijd: Pygmaiion naar Shaws toneelstuk. Berger deed gewoon wat in ’35
in Duitsland al door z’n collega Erich Engel was gedaan. Jenny Jugo werd bij ons
Lily Bouwmeester, die verrassend goed was. De grote Shaw was er erg enthousiast
over, zo lazen we tot vervelens toe in de kranten. Hetgeen de Engelsen overigens
niet verhinderde het in ’t jaar daarop zelf nog eens dunnetjes over te doen (met
Wendy Hiller in de titelrol). Pygmaiion werd avond aan avond voor vrijwel uitverkochte
zalen vertoond; ik zag de film zo vaak dat ik hele stukken dialoog uit
m’n hoofd kende, ten pleziere van familie en kennissen.
Ze scoorden hoog, films van eigen bodem. Dat wil zeggen: in bezoekersaantallen.
De critici waren aanzienlijk negatiever in hun oordeel. Het meisje met de
blauwe hoed hield het jarenlang uit. De regie was van Rudolph Meindert en Lou
Bandy speelde de joyeuse soldaat zoals Johan Fabricius die (veel genuanceerder)
in een roman had geschetst. Frits van Dongen acteerde in een andere soldatenklucht,
De big van het regiment, naar een boek van Roothaert en vertrok daarna
spoorslags naar Hollywood, waar hij een aardige carrière opbouwde onder de
naam Philip Dorn.
En natuurlijk waren er de beproefde Jordaanvehikels zoals Oranje Hein met
de Boubers. Die film werd ook nog tijdens de Duitse bezetting gedraaid, uiteraard
onder een andere titel. Elke scène waarin de joodse acteur Sylvain Poons voorkwam
was er uitgeknipt, waardoor het toch al rammelende verhaal nauwelijks
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Landelijk bekend
Ach ja, die grote zaal. Het was daaraan te danken, dat de Zwolse Buitensociëteit
landelijke bekendheid genoot. In die zaal waren nationale en internationale
con- gressen, daar traden de grote revuegezelschappen op, daar vierde
Zwolle z’n eigen feesten (met als hoogte punten de ZAC-revues en de Weense
avonden), daar demonstreerden gymnastiekverenigingen hun kracht en
behendigheid, daar betraden politici zoals Oud en Colijn het podium om
elkaar met vlammende betogen te bestrijden (om vervolgens aan de leestafel
onder het genot van een oude klare elkaar de laatste Haagse moppen te vertellen),
daar stonden, in 1943, Mussert en zijn protector de Generalkommissar
zur besonderen Verwendung en Leiter des Arbeitsbereiches des NSDAP in
den Niederlanden Fritz Schmidt (die enkele dagen later in Frankrijk ‘uit de
trein viel’: zelfmoord of een SS-moord, dat is nooit opgelost).
Daar ook zat het volledige Concertgebouworkest met Willem Mengelberg
als dirigent. Hij had zijn eigen masseur meegebracht, en om die zijn werk te
laten verrichten (dirigeren schijnt een lichamelijk zware arbeid te zijn!) was
Rechts: De tuin die avond de bestuurskamer hermetisch afgesloten. Op geregelde tijden kwavan
de Buiten- men er klachten over de akoestiek in de zaal: als een koor vals zong of een zansociëteit,
om- ger niet bij stem was, het was de akoestiek die niet deugde. Tot ergernis van
streeks 1932. mijn vader, die zich dat bijna persoonlijk aantrok, al vloeide hij bepaald niet
Tweede persoon over van muzikaliteit en kon hij er geen gefundeerd oordeel over geven. Dervan
links: vader halve vroeg hij na afloop van het concert de grote Mengelberg wat deze van de
Louwen. Vóór akoestiek vond. De beroemde dirigent antwoordde dat deze uit stekend was.
hem zit Jan Lou- Of hij dat dan maar even op papier wilde zetten. Vele jaren heeft mijn vader
wen meteen zwijgend het epistel van Mengelberg te voorschijn gehaald, zodra er ook maar
vriendinnetje. één woord ten nadele van de akoestiek werd geuit. Maar, toegegeven, om een
(Foto: Archief zaal met 1200 mensen vocaal te bereiken moet men wel enig stemgeluid heb-
Vereniging De ben. Ik herinner me dat loseph Schmidt een liederenavond gaf in een overi-
Buitensociëteit)
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
gens zeer slecht bezette zaal Schmidt was een beioemd joods zanger, die uit
Duitsland was gevlucht en daarna populair in Nederland was, met het minst
door een smartlap, die hij met een vreselijk accent zong en waarvan hij de eerste
regels als volgt ten beste gaf: ‘lek ‘ou van ‘olland, mit zien koetjes in de
wai…’.
Desondanks was hij een gioot
lyrisch tenor (van Oostenrijkse
afkomst). Maar toen de microfoon
opeens uitviel, kon de uitstekende
akoestiek het wegvallen van zijn stem
toch niet opvangen. Nat Conella
speelde er, alle Nederlandse dansorkesten
van naam en ook vele Duitse in
de bezettingstijd, toen Kraft dwch
Freude regelmatig de zaal requireerde
voor amusement ten behoeve van de
Duitse troepen en hun schaarse
Nederlandse aanhang.
jan Louwen in: Terug naar hel begin, grepen uit de rijke historie van dé Vereniging
De Buitensode’leit, ter gelegenheid van de opening van de vernieuvvde,
oude soos op 3.1 mei 1.991.
De Grote Zaal
getekend door
Teun van der
Veen /«Terug
naar het begin.
16 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
meer te volgens was. Maar ook Duitse en Franse films waren er in overvloed,
zowel in de Buitensociëteit als in de andere bioscoop, de Kroon. Uit Frankrijk
kwam het ene artistieke succes na het andere. Het waren zwarte noodlotsfilms,
vaak met Jean Gabin in de hoofdrol. De Duitsers bleken ondanks de massale uittocht
van acteurs en regisseurs toch nog enig talent in huis te hebben: Leni
Riefenstahls Olympiadefilm van ’38 werd algemeen geprezen als een meesterlijke
documentaire, ondanks de onverbloemde nazi-propaganda. En ik – ik genoot
van Heinz Rühmann die hier bijna eenzelfde populariteit had als in eigen land.
Mobilisatie
De mobilisatie ging natuurlijk niet helemaal aan ons voorbij. Dagelijks zagen we
uniformen. Ik wist niets van oorlog voeren, maar ik zag wel dat de soldaten merkwaardige
pakjes aan hadden die me niet leken te zijn ontworpen om erin te vechten.
Hoge opstaande boorden, zo stijf als een plank. Meterslange beenwindsels
die men van de Engelsen had overgenomen en dus ook puttees werden genoemd,
en waarvan het voordeel me volstrekt onduidelijk was – ik denk dat de uitmonstering
voornamelijk was bepaald door het feit dat leren laarzen aanzienlijk duurder
waren.
In de bioscoopjournaals werden we vrijwel elke week getracteerd op voorbeelden
van paraatheid. Steevast werd gesproken over ‘onze jongens’. Ze konden
zelfs rijdend musiceren op de dienstfietsen. Wat er nooit werd bij gezegd, was dat
Zwolle nauwelijks verdedigd werd. Ging je ervan uit dat de Duitsers ons land
zouden binnentrekken – maar dat mocht niet openlijk gezegd worden, want we
waren immers strikt neutraal -, dan was het eerste echte afweermechanisme de
IJssellinie, en die lag toevallig, aan de andere kant van de rivier.
In hetzelfde jaar, een maandje na de algehele mobilisatie, kregen we distributiebonnen
en de daaraan vastgekoppelde stamkaarten. We hadden ze nauwelijks
of er ging al één artikel op de bon: suiker. Vrijwel iedereen ging hamsteren. Dat
betekende dat je probeerde zoveel mogelijk houdbare levensmiddelen in huis te
halen. De overheid kon dan honderdmaal beweren dat je dat vooral niet moest
doen, want dat dan de distributie in gevaar kwam, geen moeder die zich daaraan
stoorde. Ook de mijne niet. In een ommezien hadden we een kast vol met blikken
sperciebonen, doperwten, boontjes en wat er nog meer in blikken werd verkocht.
Er werd opeens ook overal geweckt. In grote ketels werden de speciale weckflessen
met groenten tot een hoge temperatuur verwarmd waarmee ze meteen,
dankzij de uitvinding van meneer Weck luchtdicht waren afgesloten en verduurzaamd.
Het hele huishouden deed aan die operaties mee en het moest, begreep ik,
uiterst zorgvuldig gebeuren. Meisjes die ongesteld waren werden er verre van
gehouden, want zij konden de weck laten mislukken. Ik denk dat het een bakerpraatje
was, maar in elk huishouden werd er toezicht op gehouden.
Er stonden opeens soldaten bij de bruggen op wacht, en met z’n allen gingen
we een avondje op proef verduisteren. Dat betekende dat er geen spatje licht uit
de huizen en andere gebouwen naar buiten mocht dringen, zodat vijandelijke
vliegtuigen zich niet konden oriënteren. Fabrikanten van zwart papier deden
goede zaken, en ook die van stroken voorgelijmd papier, datje op het vensterglas
kon plakken, zodat ze niet zo snel in gruzelementen zouden gaan als er bommen
werden gegooid. We hoorden hoe de luchtbescherrhing paraat was en we zagen
dat de ANWB-wegwijzers werden weggehaald, zodat eventuele indringers niet
zouden weten in welke richting ze moesten trekken. Sommigen deden een beetje
lacherig over al die dingen, anderen waren doodserieus.
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Er werd ook gewaarschuwd voor de mysterieuze vijfde colonne waar veel
mensen uiterst beducht voor waren. Iedereen gebruikte de uitdrukking, iedereen
wist wat ermee bedoeld werd: ‘hulp aan de vijand van binnenuit’. En argwanenden
wezen op de negentigduizend Duitse dienstmeisjes die in Nederland werkten
– mogelijk waren ze allen Mata Hari’s. Vader lachte er om. We hadden vier Duitse
meisjes in de soos en ze waren veel te aardig om nare dingen te doen. Maar Frederik
Notting, één van de knechten, zag het loerende gevaar overal.
Vanwege de oorlogsdreiging en daarmee gepaard gaande stagneringen in de
treinenloop liepen bioscopen soms het risico zonder nieuwe film te komen zitten.
Films werden toen slechts in enkele kopieën voor heel Nederland uitgebracht; na
afloop van een filmweek-donderdags na de laatste voorstelling-werden de blikken
op de trein gezet naar de volgende bioscoop.
De Buitensociëteit zou die donderdag de film naar Hilversum moeten verzenden,
maar het risico dat ze niet zou aankomen was te groot, zodat knecht Frederik
Notting plus filmrollen in een taxi van Van Marie werd gezet voor een ritje naar
het Gooi. Ik mocht mee en dat was een onverwacht uitje – überhaupt was elke
autorit een bijzondere gebeurtenis.
Nadat de film was afgeleverd, dronken we vóór de terugreis op een terrasje –
’t was een mooie zomeravond — gedrieën een kop koffie. Opeens drong het tot
Frederik door dat er achter hem Duits werd gesproken. Toen hij zich omkeerde,
zag hij een Nederlandse luitenant in geanimeerd gesprek met een burger.
Onmiddellijk dacht hij aan mogelijk landverraad en hij stond erop, dat we
meteen naar het politiebureau reden, waar hij zijn boze vermoedens in goed
Zwols overbracht. Ik herinner me nog de vaderlijke woorden van de dienstdoende
agent: ‘Ik ben blij dat u ons gewaarschuwd hebt. We houden het zeker in de
gaten.’ Het kwam me voor dat Frederik al te wantrouwend was, maar wie kon
zoiets zeker weten in die dagen van angst en achterdocht?
Onwetend
De nacht waarin de Duitsers de grens
overtrokken begon er voor mij mee dat
m’n moeder zó hard op m’n slaapkamerdeur
bonsde dat deze bijna uit de
scharnieren sprong. Ze was volkomen
overstuur en kon eigenlijk maar één zin
uitbrengen: ‘Ze zijn er! De moffen zijn
er!’
Het moet tegen vijven in de ochtend
zijn geweest op die tiende mei en er
gebeurden in snel tempo merkwaardige
dingen. Zware dreunen in de lucht – de
Nederlandse militairen lieten vrijwel
alle bruggen de lucht invliegen. Daar gingen ze, de verkeersbrug en de spoorbrug
over de IJssel, de Schoenkuipenbrug, de Vispoortenbrug, de Kamperpoortenbrug
en zelfs de oude Keersluisbrug. Een hels kabaal op het spooremplacement:
goederenwagens werden in lichterlaaie gezet en locomotieven werden van de rails
gereden. Wat in films altijd met speelgoedtreintjes werd gesuggereerd, gebeurde
nu in het echt. Alles was erop gericht de opmars van de vijand te stuiten. Het pontje
over de Willemsvaart ontsnapte aan de aandacht.
M’n vriend kwam langs en opperde vol verwachting dat de repetitie Duits die
*•*”**’.
De brug bij het
Kalerveer, die in
mei 1940 werd
opgeblazen door
het Nederlandse
leger. (Foto:
Stichting Collectie
Zwolle 1940-194$)
18 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Duitse soldaten
trekken via de
Luttekestraat
Zwolle binnen,
w mei 1940.
(Foto: Collectie
Gemeentearchief
Zwolle)
voor die dag op het programma stond vast niet door zou gaan. Ik had dat allang
met opluchting bedacht. Mijn vader lag voor onderzoek in het Sophia Ziekenhuis
aan de Rhijnvis Feithlaan eri kwam ’s morgens vroeg in zijn pyjama met alleen
een regenjas eroverheen aansloffen: ze hadden hem eruit gezet. De bedden moesten
vrij zijn voor gewonde soldaten. Wie kon lopen moest gaan. Z’n kleren hadden
ze in de paniekstemming die er kennelijk heerste niet kunnen vinden. Hij liep
als verdoofd over straat; gelukkig kwam er een vroege voddenman met z’n bakfiets
langs, die aanbood hem naar huis te rijden. Het absurde van de situatie ontging
m’n vader niet, m’n moeder wel. Voor haar was de wereld in elkaar gestort
en ze was er helemaal niet blij mee dat haar voorspelling was uitgekomen. Ze
vreesde een overval van nietsontziende Hunnen.
De enige informatiebron was de radio. Er werd herhaaldelijk gewaarschuwd
dat we alleen de bekende stem van de vaste omroeper konden vertrouwen, en die
gaf het ene legerbericht na het andere. Ze waren optimistisch, zoals alle legerberichten
in de loop van duizenden jaren zijn geweest, althans in het begin van de
kortdurende strijd: ‘we’ hielden stand, ‘we’ vochten dapper en hier en daar sloegen
we de vijand van ons af. Het kon niet verhinderen dat hij nog diezelfde middag
al Zwolle binnenmarcheerde. Niet eens onaangekondigd: de burgemeester
deelde het ons mee via de radiodistributie, ‘straks wordt onze stad bezet’, zoiets
zei hij en vermoedelijk voegde hij eraan toe dat we ons een beetje gedeisd moesten
houden.
Radiodistributie was een geweldige uitvinding: radio op de kabel avant la
lettre. Je kon je er op abonneren als je geen radiotoestel had – en heel velen hadden
niet zo’n kostbaar apparaat. Je kreeg een knopje in de kamer dat in, ik meen,
vier verschillende standen kón worden gezet en natuurlijk kon je er Hilversum op
ontvangen. Maar het gaf de overheid en in dit geval het gemeentebestuur ook de
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
mogelijkheid zich rechtstreeks tot de luisteraars te wenden. Burgemeester A. van
Walsum, in 1938 aangetreden, maakte er dankbaar gebruik van.
Dat het (nog) geen Hunnen waren zagen we ’s middags, toen de eerste troepen
binnentrokken. Moeder had me streng verboden de stad in te gaan om de
intocht gade te slaan. Gajes moest je negeren. Maar m’n nieuwsgierigheid, of
indrukwekkender: m’n historisch besef schreef me voor toch te gaan kijken. De
Hunnen bleken jonge kerels die zo indrukwekkend geüniformeerd waren en er
zo vastberaden en niet eens onvriendelijk uitzagen, dat het tegen m’n wil indruk
maakte. In de Diezerstraat werden ze zelfs door groepjes middenstanders toegejuicht
en met opgeheven armen en chocoladerepen ontvangen.
De school was gesloten. Ik was er, op dringend verzoek van m’n moeder, nog
wel even voor de zekerheid heengegaan om dat te controleren. Al diezelfde middag
kwam er een stel militairen naar de Buitensociëteit. Ze waren niet dronken,
roofden niet links en rechts alles van waarde, zoals we verwachtten, maar ze toonden
wel de afschuwelijke arrogantie van een Herrenvolk. Aangezien vader in bed
lag, moest m’n moeder hen opvangen. Ze sprak vloeiend Duits, maar deed net
alsof ze alleen Nederlands kende toen een officier haar meedeelde dat de hele boel
meteen in beslag werd genomen en dat het groepje stante pede Eier-cognag wenste.
Ze betaalden met Duitse marken, en ‘ein Mark ist ein Goelden.’ Ze werden op
hun wenken bediend – wat moest de buffetchef anders? Na de nodige Eier-cognacjes
vertrokken ze weer en voorlopig waren we van ze af. Ze lieten moeder
bevend als een riet achter. Vrijwel het hele personeel was komen opdagen om
haar bij te staan. Op één na: onze Duitse kelner, Emil. Hij had nooit onder stoelen
of banken gestoken dat hij Adolf als een Germaanse god zag en hij wenste vanaf
deze dag zijn god tot in de dood te
dienen. (Dat laatste is hem niet
gelukt: hij overleefde als Duitse soldaat
de oorlog en werd daarna weer
kelner: bij de geallieerden in Hamburg.)
Op school hadden we tientallen
beroemde oorlogen uit ons hoofd
moeten leren, maar niemand was
ooit op de gedachte gekomen ons te
vertellen hoe het er daarbij aan toeging.
Om heel eerlijk te zijn: ik
meende, net als de meeste van m’n
vriendjes, dat je rustig langs veldslagen
kon wandelen, als je er maar
voor zorgde niet in het strijdgewoel
terecht te komen. Toen oom Blom
(die eigenlijk geen echte oom van
me was maar die ik zo noemde) op de avond van die tiende mei 1940 het voorstel
deed de fiets te pakken en bij de opgeblazen IJsselbruggen te gaan kijken, leek me
dat een doodnormale suggestie. De Duitsers zaten in Zwolle, de Nederlandse
militairen zaten in de kazematten achter de IJssel, wat lette ons.
We zouden het gauw genoeg weten. We fietsten over de dijk in de buurt van
het Katerveer toen ik iets hoorde fluiten. Ik dacht dat het m’n oom was, en hij
meende dat ik het was. Onmiddellijk erna klonk er opnieuw gefluit langs m’n
oren.
De Kamperpoortenbrug,
die op
w mei 1940 werd
opgeblazen.
(Foto: Collectie
Gemeentearchief
Zwolle)
20 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
‘Verdomme!’, riep ik, want ik was op de leeftijd dat je graag krachttermen
bezigt. ‘Verdomme, ze schieten op ons!’ En mochten we nog twijfelen, dan gaf
een blikkerige stem over het water ons zekerheid: ‘Van die dijk af, we schieten nu
raak!’ We wisten niet hoe snel we het talud af moesten rollen. Ik was zelfs een
beetje verontwaardigd: zouden we doodgeschoten worden door ons ‘eigen’ leger!
Onderaan de dijk stond een boer, die zei dat ze het echt meenden. Hij troonde
ons mee naar een personenauto waarvan de bestuurder kennelijk hetzelfde had
gedaan als wij. Het blik was op vijf plaatsen met kogels doorboord. ‘En ze hebben
ook al een keer raak geschoten. Die ligt al in het ziekenhuis.’
Bezet
Er waren maar weinig Zwollenaren die erop vertrouwden dat ons abominabel
uitgerust leger de invasie kon keren. De beroemde waterlinie waarop de hoop was
gevestigd was een achterhaalde zaak, de ijzeren ‘asperges’, ook wel Spaanse ruiters
genoemd die hier en daar in het wegdek waren aangebracht om tanks tegen te
houden, zorgden hoogstens voor een halfuurtje oponthoud, en toen het de Duitsers
toch een beetje te bont werd, gooiden ze eenvoudig half Rotterdam plat – het
leger gaf zich over.
Voor ons was de oorlog afgelopen. Koningin en regering hadden de wijk
genomen naar Engeland; de meningen daarover waren verdeeld. Het werd moeilijk
om betrouwbare informatie te krijgen. De krant en de radio waren niet vrij
Duitse soldaten meer, en geruchten werden steeds belangrijker als nieuwsbron. Honderden anectrekken
via de dotes deden al snel de ronde. Vele rake opmerkingen werden (ten onrechte) aan
Diezerstraat Nederlands grootste komiek Buziau toegeschreven. Zo zou deze in zijn nieuwe
Zwolle binnen, revue een scène hebben waarin hij op kwam met een groot portret van Hitler
10 mei 1940. onder de arm. Zwijgend bekeek hij lange tijd het huiskamerdecor achter hem en
(Foto: Stichting tenslotte zei hij hulpeloos tegen het publiek, wijzend op het portret: ‘Ik ben er nog
Collectie Zwolle niet zeker van wat ik met ‘m, doen zal: ophangen of gewoon tegen de muur zet-
1940-1945) ten.’
Bijnamen ontstonden natuurlijk ook vanaf het moment
waarop de Duitsers voet in ons land hadden gezet. Seyss-
Inquart, de door de bezetters benoemde rijkscommissaris
voor Nederland, was mank: hij werd algemeen Zes-en-eenkwart
genoemd. In de bioscopen ging vaak een honend
gelach op als het journaal nieuwe heldendaden van het Duitse
leger liet zien. Dat duurde tot er een verordening afkwam
dat bij de vertoning het licht ten dele aan moest blijven. Vrije
keus voor de filmexploitanten was er al vrijwel meteen niet
meer. AUe theaters werden gedwongen gruwelijke anti-semitische
films te draaien met als dieptepunten Der ewige Judeen
Jud Süss. Later is de exploitanten verweten dat ze nooit verzet
hebben geboden en dat is juist. De meeste Nederlanders
dachten, niet onbegrijpelijk, aan hun hachje en aan hun
gezin. Dat gold voor de ambtenaren, vrijwel alle kunstenaars,
het openbaar vervoer en andere aspecten van het openbare
leven. De al snel voorgeschreven bordjes Voor joden verboden
werden, zij het met tegenzin, opgehangen: bij de ingangen
van cafés, bioscopen, parken, zwembaden.
De lessen op school gingen gewoon door volgens het stramien
dat al jarenlang z’n nut had bewezen. Wel verdwenen
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS 21
de joodse leraren uit het gebouw. We waren vanzelfsprekend verontwaardigd
maar troostten ons met de gedachte, dat ze wel een goed adres zouden hebben om
zich schuil te houden gedurende het jaar dat de oorlog nog duurde. De oorlog
duurde immers altijd nog hooguit een jaar — het was een smoesje waarmee vrijwel
iedereen zich op de been hield. Er waren een hoop kleine maatregelen die in onze
ogen van een intense kinderachtigheid waren. Zo stond in de Tjeenk Willinkagenda
van het eerste oorlogsjaar een paginagroot staatsieportret van Wilhelmina.
Dat moest eruit gescheurd worden. Als bewijs dat dit inderdaad was gebeurd,
dienden de honderden leerlingen langs de directeur te paraderen om de agenda te
laten controleren, waarna deze er zijn handtekening inzette.
Bij de Duitse les waren we toevallig aan de dichter Heine toe. Die moesten we
overslaan. Heine was immers jood. In m’n lijst voor het eindexamen van boeken
die je gelezen had stonden bij mij Heijermans, Carry van Bruggen, Isr. Querido –
weg ermee.
Helene
In de eerste jaren van de bezetting leerde ik Helene kennen. Ze was van mijn leeftijd,
knap, levenslustig, intelligent en met de vage glimlach van Mona Lisa. De
Mona Lisa stond in zwart-wit in m’n HBS-agenda, vandaar. Ze was de dochter
van een hotelhouder in een gehucht ergens bij Epe.
Om de een of andere reden – ik geloof dat haar grootmoeder in Zwolle woonde
– kwam ze geregeld in de stad. Herman Trooster, Gjalt en ik voelden ons, zacht
gezegd, tot haar aangetrokken. Van hevige verliefdheid was geen sprake, maar we
waren wel op de leeftijd dat we bijna alles voor een mooi meisje over hadden en
daarin waren we stevige concurrenten. Maar we bevonden ons nog in het driemusketiersstadium:
één voor allen, allen voor één. We spraken dus plechtig, buiten
haar bijzijn, af dat we geen avances zouden maken die onze vriendschap
ongetwijfeld zouden aantasten. Dat klinkt nu bijna ongeloofwaardig, maar zo
edel voelden we ons echt-als romantische, idealiserende jongelieden dachten we
blijkbaar een soort Utopia te kunnen stichten, een hof van Eden waar we de
geheimzinnige vrucht onaangetast zouden laten.
Helene kwam altijd op de fiets, wat niet zo vreemd was, want afstanden onder
de veertig kilometer overbrugde je in die tijd en op die leeftijd gewoonlijk nog per
rijwiel, al liep er toen een trein van Zwolle naar Apeldoorn. Helène’s vader
beheerde kasteel De Cannenburgh. Misschien had dat ons toentertijd even aan
het denken moeten zetten, al wisten we niet dat er in het idyllische hotel nogal
eens feesten werden gegeven uitgaande van de Kultuurkamer. Ook logeerden er
blijkbaar geregeld hoge Duitse militairen.
Helene nodigde ons uit voor een weekend in het kasteel. Zo’n avontuur lieten
we ons niet ontgaan. Ik herinner me vaag het uitgebreide diner (met vele andere
gasten) in de hal, de imposante slaapkamer vol oude meubels en historische schilderijen
en bovenal onze nachtelijke tocht – klokslag twaalf beginnend – door de
gangen. Helene beloofde ons spoken en geesten, mysterieuze klopgeluiden en
portretten die zouden knipogen. Met een kaars in de hand liepen we op de tenen
door de burcht, ons onbevreesd voordoend en toch een beetje bang. We brachten
het er heelhuids af: de spoken lieten het afweten.
Toen we ’s maandags terugfietsten, vergezelde Helene ons een paar kilometer.
We namen afscheid en toen gebeurde wat een definitieve breuk tussen enerzijds
Gjalt, anderzijds Herman en mij teweegbracht: militante Gjalt trok Helene terzijde
en kuste haar lang en innig. En Helene vond het blijkbaar best…
Herman Trooster.
(Foto: Stichting
Collectie Zwolle
1940-1945)
22 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
DeNSB-er
Van Rossem,
directeur van de
RHBS. (Foto:
Stichting Collectie
Zwolle 1940-1945)
Pas een halfuur later, al onder de rook van Zwolle, riepen Herman en ik hem
ter verantwoording. Waarom had hij onze heilige eed gebroken? Gjalts onvergetelijke
woorden waren: ‘Ik móest het doen. Ieder voor zich, hè?’ ’t Was het eind
van een vriendschap, ’t Was hét eind van Utopia.
Ik zag Helene nog een of twee keer. Jaren later hoorde ik dat ze een goede baan
had gekregen: ze was medewerkster geworden van de beruchtste NSB-propagandist
Max Blokzijl, die elke week voor de radio te horen was. Vlak na de bevrijding,
toen de haatgevoelens jegens Duitsers en landverraders op hun hoogtepunt
waren, belde ze me om hulp: ze was met een hoge Duitse militair getrouwd, had
een baby en wilde naar Duitsland vluchten. Ik heb haar niet kunnen en willen
helpen en soms vraag ik me nog wel eens af of ik ethisch heb gehandeld.
Lijdelijk verzet
Op school kwamen kleine strubbelingen. Enkele keren hadden de jongens van de
hoogste klas al eens een of meer dagen verstek laten gaan, omdat er hardnekkige
geruchten gingen dat er een razzia op de middelbare scholen zou worden gehouden
(wat niet gebeurde).
Ditmaal was het ernstiger. Tijdens het vrije kwartier in de ochtend, toen we in
het binnenhofstonden te praten, kwam iemand van onze klas (5a) hijgend aanhollen.
Hij vertelde dat hij zojuist had gezien dat de leraar Duits een lange tekst op
het bord aan het schrijven was, die we straks zouden moeten vertalen: van het
Duits in het Nederlands. Wetend dat de leraar een vooraanstaand NSB-er was
had hij er speciaal op gelet uit welk boek de man de tekst haalde. Het bleek Mein
Kampfte zijn, de door Hitler geschreven bijbel van het nationaal-socialisme.
We besloten te weigeren dit te vertalen. We dachten sterk te staan, want al was
het, voor zover ik weet, nooit op schrift gesteld, de algemene gedachte was dat
‘politiek’ op school verboden was. Zo was het genoemde leraar ook niet geoorloofd
in uniform les te geven – wat hij een keer geprobeerd had. Maar iemand
moest bij de aanvang van de les wel even meedelen dat we het proefwerk niet wilden
maken. M’n vroegere vriend Gjalt was klassevertegenwoordiger en daarom
de aangewezen figuur om de kastanjes uit het vuur te halen.
Het resultaat was verrassend. De leraar ontstak in opperste woede – hetgeen
hem niet vaak gebeurde. Hij eiste dat we het stuk zouden vertalen. We bleven
weigeren. Daarop zei Herr Ober dat hij ons vanaf dat
moment geen les meer zou geven. Hij zou wel in de klas verschijnen
als er Duits gegeven werd, maar voor de rest moesten
we maar doen waar we zin in hadden. Bij het eindexamen
zouden we dan wel merken wat zijn straf tot gevolg had. Het
was ingenieus bedacht. En natuurlijk kregen we so wie so een
onvoldoende.
We hielden onze verzetsdaad niet consequent vol: we
gingen overstag, waarbij ook de omstandigheid meespeelde
dat de HBS inmiddels een NSB-directeur had, ene Van Rossem,
als opvolger van ir. E.J. Baumann, die was opgepakt na
een klacht van dezelfde leraar Duits. Voor Gjalt Spijkstra, de
brenger van de boodschap, waren de gevolgen niet best. Hij
werd gearresteerd en zat een tijd vast bij de SD in Arnhem.
Wat weer wel plezierig was voor onze klas, was dat Herr Ober
een paar weken nadien verdween, voornamelijk omdat het
tussen hem en de directeur niet boterde.
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
En zo kwamen er in de loop van de oorlog steeds meer, zij het kleine, verzetspogingen
die onderstreepten dat de leerlingen langzamerhand gingen begrijpen
datje niet alles over je kant moest laten gaan. Hetzelfde besef groeide bij de leraren.
Er waren er bij die zich bijna onverbloemd over de bezettende macht uitlieten,
ondanks het feit dat we een meisje in de klas hadden wier vader een bekend
nazi was en die dus alles zou kunnen overbrieven. Het kind moet afschuwelijke
jaren hebben beleefd – ze werd volledig doodgezwegen. Niemand van de klas
sprak ooit een woord met haar. Ik herinner me de felle Krijgsman, die ons boekhouden
en staatsinrichting onderwees, en die er een halfuur voor uittrok om aan
te tonen hoe waanzinnig het was ‘recht te spreken namens het recht’, zoals de
Duitsers deden. En ook weet ik nog dat de leraar Engels, Dallinga, eens opmerkte
dat hij de Andrew Sisters aardig vond zingen, maar toch ook wel nu en dan vals.
Je moet in de sfeer van die tijd geleefd hebben om te begrijpen waarom zo’n
opmerking riskant was: de Andrew Sisters waren uitermate populair bij de geallieerden,
maar je kon ze alleen horen via de BBC (en daarnaar luisteren stond bijna
gelijk met opsluiting in een strafkamp). Indirect zei Dallinga: ‘Ik heb hetzelfde
standpunt als jullie.’
Nog zo’n kleinigheid: toen we het amfitheater-lokaal van natuurlijke historie
binnenkwamen, zagen we de lerares met de bijnaam Bezem in Volk en Vaderland
lezen. Volk en Vaderland was het beruchte blad van Mussert. We vroegen onmiddellijk
een verklaring en zeiden erbij, dat als ze geen plausibele uitleg kon geven,
we rechtsomkeert zouden maken. Met als gevolg dat ze ons met de hand op het
hart verklaarde, dat de krant al op haar tafel had gelegen toen ze het lokaal in
kwam en dat ze er geen idee van had hoe die
daar gekomen was. In afwachting van onze
komst had ze er dus maar even in gebladerd.
Het was een rammelend verhaal, doch we
accepteerden het grootmoedig, echter niet
nadat ze ons had verzekerd geen lid of sympathiserend
lid te zijn van de NSB. Toegegeven,
het waren geen grootse verzetsdaden,
maar ze tekenen de stemming in de klas in
die oorlogstijd.
Meisjes
Het had niets met de bezetting te maken,
maar alles met de leeftijd. Vrijwel alle jongens
werden hopeloos verliefd en meestal
op één van de meisjes in de klas. Het was
hoogst verwarrend. Opeens merkte je dat
een blik in de ogen van je uitverkorene vlinders
in de buik teweegbrachten. Dat je in
haar aanwezigheid zomaar ging blozen,
hoewel er niets bijzonders leek voor te vallen.
Dat je zenuwachtig werd van de onmetelijke
zee achter die ogen. Dat je alles deed
om het meisje te paaien. Met een dropje,
voor zover die nog te krijgen waren. Met een
spiekbriefje. Met een onderdanig: ‘Zal ik je
tas dragen?’ De vreugde die in je opsprong
Jan Louwen met
zijn klasgenote en
vriendin Carolien
Huyer in 1943.
De foto is wellicht
gemaakt ter gelegenheid
van het
behalen van het
HBS-diploma.
(Foto: Collectie
familie Louwen)
24 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
als ze ‘Dat is goed’ zei! Als je met ‘r mee mocht rijden en haar naar huis brengen!
Het was een spel van voorzichtig aftasten, en soms gaf het diepe ellende als er
niet op werd gereageerd. Maar als je merkte dat het wederkerig was, kende je
blijdschap geen grenzen. Je vertoefde in een paradijs, waarin je alleen met de
allergrootste moeite nog plaats kon maken voor proefwerken en repetities. Je
ouders dachten dat het kalverliefde was. Zelf wist je wel beter. Je smeedde liefdesbanden
die voor het leven golden, wat de volwassenen in hun waanwijsheid ook
zeiden.
Ik had twee of drie goede vrienden, allen klasgenoten. En ze moesten er allemaal,
net als ik aan geloven. Soms was het ingewikkeld: je liet je vrienden niet in
de steek maar je wilde je meisje ook niet verwaarlozen. Het werd nog ingewikkelder
als één van je vrienden het oog had laten vallen op jouw uitverkorene. Rivaliteit
was het gevolg. En jaloezie. In je hoofd heerste soms chaos – het was te veel
gevergd van een jongen in de puberteitsleeftijd.
Opgroeien bleek veel moeilijker dan je dacht. Alleen wanneer je met ‘je’ meisje
samen was, was het leven een groot feest. Ik maakte samen met ‘de mijne’ het
huiswerk (vaak op de begraafplaats Kranenburg, een prachtig park waar het altijd
rustig was). We dronken in de vrije schooluren ersatzkoffie bij café Stroomberg
op de Brink of in lunchroom Blocks in de Diezerstraat, gingen naar de heerlijk
donkere bioscoop, fietsten door de bossen bij Wezep… het kon niet op. Op en
neer ging het. Himmelhoch jauchzend, Zum Tode betrübt, Glücklkh allein ist, die
Seele die Hebt. (Goethe mochten we lezen, dat was geen jood).
We waren in het midden van de oorlog. Er was een avondklok. Na een bepaalde
tijd mocht je niet meer buiten zijn. Er waren geen uitgaansmogelijkheden,
behalve de bioscoop, waar Marika Rökk probeerde de tijdig gevluchte Mariene
Dietrich te vervangen en Johannes Heesters zwierig als Maurice Chevalier probeerde
te zijn. In cafés was niets anders te krijgen dan surrogaatkoffie (die nog
enigszins te drinken was) en surrogaatthee (die afschuwelijk smaakte). Op openbare
dansavonden waren ook de uniformen waarvoor je moest oppassen. Swingende
muziek was verboden, al deden de Ramblers (onder hun nieuwe, niet-
Engelse naam) hun best. Alcohol was als goud zo zeldzaam, evenals lekker eten.
Onze schoolliefdes waren dus uiterlijk Spartaans. Maar hinderen deed dat
niet. Wat je in het hart voelde, daar ging het om, vonden we. En dus krasten we in
één van de dikke bomen in het Engelse Werk, vrijplaats bij uitstek, enorme harten
in de bast, met links en rechts ervan onze initialen. Met enig zoeken zijn ze er nog
steeds te vinden, want bomen plegen ouder te worden dan mensen.
Oogsthulp
De toestand werd grimmiger. Het anti-Duitse gevoel ook. We hadden gymnastiek
van Meuring, die in de plaats was gekomen van Vleeshouwer, een man die al
vanaf het begin in het verzet had gezeten en al vrij spoedig had moeten onderduiken.
Zwemmen in het Stilobad (toen nog Sportfondsenbad geheten) viel onder
het vak lichamelijke oefeningen. Soms hadden we zwemmen onmiddellijk nadat
de Duitse Wehrmacht van het bad gebruik had gemaakt. We weigerden het water
in te gaan. Het was besmet, vonden we.
Klassikaal moesten we een order van de bezettingsmacht noteren, die ons op
dicteersnelheid werd voorgelezen. Het papier ontbrak vermoedelijk voor de stencilmachine.
De mededeling luidde als volgt: ‘Gevolg gevend aan een schrijven van
het Bureau Oogsthulp van het Departement voor Opvoeding, Wetenschappen en
Cultuurbescherming zullen voor het geval op deze school een beroep wordt
ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
gedaan, de jongens dezer school allen aan de oogsthulp deelnemen onder leiding
der leraren. De lessen op school zullen dan worden gestaakt. Vrijstelling zal alleen
wegens lichamelijke ongeschiktheid van werken op grond van een geneeskundige
verklaring verleend worden. De wegens ongeschiktheid vrijgestelden, alsmede
meisjes-leerlingen zullen in de school of in de onmiddellijke omgeving daarvan
tewerk worden gesteld’.
Het had betrekking op het aardappelrooien in de herfst van 1942. De boeren
hadden te weinig mankracht, want de meeste niet-schoolgaande jongeren werkten
noodgedwongen in Duitsland of waren ondergedoken. Voor klompen zou
het Departement zorg dragen. ‘Indien de leerlingen een geldelijke beloning voor
hun werk ontvangen dienen ze de klompen te betalen, anders krijgen ze deze gratis.
De klompen blijven in beide gevallen hun eigendom. Getracht zal worden
voor bijvoeding te zorgen. Scholieren dienen in ieder geval zelf brood of ander
eten mee te nemen. Voor die leerlingen die zulks verlangen bedraagt de geldelijke
vergoeding ƒ 1,50 per dag. Indien door de werkgever niet voor bijvoeding kan
worden gezorgd, bedraagt deze beloning ƒ 2,- per dag’. De werktijd zou acht uur
per dag zijn en deelnemers zouden tien kilo aardappelen per week krijgen.
‘Indien ze geldelijke beloning ontvangen dienen zij deze aardappelen te betalen;
in ’t andere geval krijgen ze deze gratis’.
Dat was uitvoerig in dertien punten ten departemente neergelegd, zoals alles
in deze tijd keurig op papier werd gezet – tot de standrechtelijke executies aan
toe. Maar het rooien bleef ons Zwolse scholieren dat jaar gelukkig bespaard.
Ongemakken
’t Was in hetzelfde jaar dat ik een nieuwe regenjas kreeg. Niet dat regenjassen nog
te koop waren, maar er waren kledingwinkels die van twee ingeleverde lakens een
regenjas fabriceerden, niet helemaal waterdicht weliswaar, maar ze gaven toch
enige bescherming. Alles was tegen die tijd provisorisch geworden. Auto’s, voor
zover nog aanwezig, reden op gas dat in een soort luchtballon boven het dak werd
vervoerd; of achter de auto hing een vehikel waarin hout werd gestookt, dat weer
energie aan de motor gaf (zo reden er met horten en stoten nog lang enkele stadsbussen).
Eten werd in de huishoudens gekookt op noodkacheltjes die op hout en
papier brandden, en hout gapte je links en rechts. In erge gevallen stookte men de
binnendeuren van het huis op.
Bus met houtgasgenerator
op hei
stationsplein.
(Foto: Stichting
Collectie Zwolle
1940-1945)
26 ZWOLSE HISTORISCHE REEKS
Surrogaatsigaretten,
zoals ze
gemaakt werden
bij Roelfsema &
Van der Helm
aan de Thorbeckegracht.
(Foto:
Stichting Collectie
Zwolle 1940-1945)
Schoenen werden houten plankjes die met repen afvalleer of linnen stroken
aan je voeten zaten. Menigeen liep op klompen – ook stadsmensen. Fietsbanden
kregen over versleten plekken stukken van andere versleten banden, zodat je
hobbelend toch nog vooruit kwam. Handigerds deden een tuinslang om de velg
en anderen behielpen zich met houten banden. Fietsen werden de laatste jaren
dubbel kostbaar, want ze konden zomaar op straat ‘voor militaire doeleinden’
gevorderd worden. Daarvan kreeg je een bewijsje, dat natuurlijk niets waard was.
Alles wat lekker was verdween – naar we niet ten onrechte aannamen – richting
Duitsland. Chocola was nog slechts herinnering, gebak en snoepjes ook.
Jamin in de Diezerstraat had heel soms een kleine voorraad Haagse bluf – iets
zoetachtigs dat voornamelijk uit lucht bestond. Op de kleffe boterham smeerde je
kunsthoning. Joost mag weten wat het was, in ieder geval geen honing, maar aangezien
je niet meer wist hoe echte honing smaakte, merkte je dat niet.
Zeep was verworden tot een schuurmiddel in de vorm van een blokje dat geen
schuim gaf, uitheemse tabak was er allang niet meer. Wél was er inheemse eigenbouw
uit het achtertuintje, die voor een kapitaal per puntzakje geheimzinnig
werd verkocht. Leverde je bij de fabriek van – ik meen Roelfsema & Van der Helm
aan de Thorbeckegracht – inheemse tabaksbladen in, dan werden ze daar vakkundig
voor je gefermenteerd, een broeiproces dat de tabak kleur en smaak gaf.
Kosten: de helft van de hoeveelheid tab

Lees verder