Categorie

Jaartal

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1995

Door 1995, Zoek in ons tijdschrift

Historisc
Tiidschri
ir»
G 1 9 9 5 F 9 , 5 0
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
Dick Hogenkamp
Een van de huizen die tijdens de oorlog
zwaar werden beschadigd lag in de Anjelierstraat.
Op 28 april 1941 werd het getroffen
door een bombardement, waarbij vijf mensen
het leven verloren.
Hoe het kwam dat deze woning gebombardeerd
werd, is niet bekend. Mogelijk werd de bom
‘verloren’.
De juiste plaats van het getroffen huis is alleen
te herkennen aan de spits van de Jozefkerk aan de
Assendorperstraat.
Volgens één van de bewoners van de Groeneweg
werden nog tijdens de Tweede Wereldoorlog
de woningen herbouwd. In de jaren tachtig werden
die huizen volledig herbouwd. Tegelijkertijd
werd toen de Azaleastraat gesloopt.
Boven: De Anjelierstraat na het bombardement van
28 april 1941 (foto: de heer Goris, coll. Harmens).
Onder: De Anjelierstraat na de herbouw in de jaren
tachtig (foto: D. Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt een themanummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift dat verschijnt bij
gelegenheid van 50 jaar bevrijding van
Zwolle.
Over de oorlog raakt men nog steeds niet uitgepraat.
Ook de redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft gemeend dat er nog zoveel te
schrijven valt, dat een themanummer gerechtvaardigd
is. De nadruk valt hierin op de zogenoemde
‘egodocumenten’: Zwollenaren en anderen vertellen
over hun belevenissen uit die oorlogsjaren. Zo
beschrijft Wil Cornelissen zijn herinneringen aan
de RHBS aan de Bagijnesingel. Om het verhaal te
completeren heeft hij tevens het archief van de
school doorgespit.
De Zwolse Ank Meliesie-Appelhof zat in die
periode ook op de RHBS. In haar bijdrage beschrijft
deze journaliste welke indruk de oorlog op een
Zwols puber-meisje maakte.
De ‘bevrijder van Zwolle’, de Canadees Leo
Major, vertelde in 1985 hoe hij in de nacht van 13 op
14 april 1945 de eerste geallieerde in onze stad was.
Zijn getuigenis wordt hier voor het eerst letterlijk,
in vertaling, weergegeven.
Bob Erdtsieck behandelt in zijn bijdrage het
reilen en zeilen van de kerken in Zwolle tussen
1940 en 1945. Vooral in het begin was nog nauwelijks
sprake van moedig openlijk verzet.
Het moment van de bevrijding is onderwerp
van een foto-artikel van Aranka Meijerink. Zij
haalde de mooiste foto’s van die dertiende en veertiende
april uit de collectie van Paul Harmens en
schreef er onderschriften bij.
In de rubriek Zwolle vroeger en nu vergelijkt
Dick Hogenkamp een gebombardeerde straat met
de situatie nu.
Aan het slot van deze aflevering volgen een
boekbespreking en enkele mededelingen.
Zwolle vroeger en nu Dick Hogenkamp
De Zwolse Rijks HBS tijdens de oorlogsjaren Wil Cornelissen
Herinneringen Ank Meliesie-Appelhof
De bevrijding van Zwolle op 14 april 1945 Leo Major
Zwolse kerken in oorlogstijd Bob Erdtsieck
De bevrijding in foto’s Aranka Meijerink en Paul Harmens
Boekbespreking
Mededelingen
Agenda
Auteurs
4
13
21
26
31
36
37
38
39
Omslag: Een Canadese bevrijder wordt op 14 april 1945 omstuwd door Zwolse
meisjes (foto: Voerman, coll. Harmens).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse Rijks HBS tijdens de oorlogsjaren”
Wil Cornelissen
Ir. E.J. Baumann
Een gewone middelbare school, bevolkt met
gewone leerlingen, in een gewone provincieplaats.
Oorlog. Eerst in het verre buitenland. Na 10
mei 1940 ook in Nederland. Dreiging rondom, op
een armlengte afstand. Hoe reilde en zeilde het
onderwijs in die jaren? Konden de leraren hun
leerlingen vertrouwen? Konden de leerlingen de
leraren vertrouwen?
Ik ontmoette een medeleerling uit die tijd,
Roelof Arp. Toen ik hem vertelde dat ik bezig was
met een artikel over onze HBS in de bezettingsperiode
zei hij na een korte stilte: ‘Als ik aan de HBS
denk, denk ik aan de oorlog.’ Hoe heeft het ons
verdere leven beïnvloed?
Een kleine reconstructie.
Inleiding
De Tweede Wereldoorlog was op 3 september 1939
een feit. Op 24 oktober, lees ik in de notulen van
de lerarenvergadering, heeft directeur ir. E.J. Baumann
een circulaire gekregen, waarin staat dat in
oorlogstijd de school zal worden gesloten. ‘Daarom
heeft het geen zin meer verdere luchtbeschermingsmaatregelen
te nemen’, zo noteert de secretaris,
leraar L.T. de Bruin. Maar verder komen er
nog geen schokkende zaken naar voren. Of het
moest zijn, dat in november 1939 de heer Caspers
klaagt, dat ‘de leerling Geurtsen bij school een
pijpje rookte, hetgeen toch volgens het reglement
verboden is.’ De notulen van de lerarenvergaderingen
vermelden ‘normale’ zaken als brutaliteit
van leerlingen, spijbelen en rapportcijfers. En nog
in maart 1940 vraagt de heer Polak bij de rondvraag
of er al reisplannen zijn. ‘De voorzitter zegt
van neen.’
Bezetting
Nederland raakt op 10 mei op directe wijze
betrokken bij het drama. Zwolle wordt al op die
eerste oorlogsdag bezet door de Duitse troepen.
De burgemeester beveelt o.a. dat men géén licht
naar buiten mag laten schijnen, dat er geen trekdieren
en vee op de openbare weg ‘door hunne
geleiders mogen worden verlaten’, dat er niet mag
worden geschrobd en dat de WC zo min mogelijk
moet worden doorgetrokken. Maar onderwijs
werd er op die 10de mei en de volgende dagen niet
gegeven. Op 14 mei vermelden de notulen de
woorden van Baumann: ‘In deze tragische ure,
waarin we blij zijn weer aan het werk te kunnen
gaan, heb ik zojuist van den Inspecteur vernomen,
dat de school weer normaal door zal gaan.’ Maar
nog niet direct, want de ruiten zijn nog stuk! Toch
klinkt er al dreiging door. Er wordt vermeld dat
het verboden is een onderwerp aan te snijden, dat
niet met het onderwijs in verband staat. En er
mogen geen uitlatingen te berde worden gebracht
die ook maar enigszins naar politiek zwemen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De directeur neemt maatregelen
In een schrijven aan de ouders meldt de directeur,
‘dat de nieuwe cursus op normale wijze voortgang
zal vinden.’ Toch niet zó normaal, want in verband
met handhaven van de middeneuropese
zomertijd zullen de lessen wel op een heel merkwaardige
tijd beginnen. Er kan namelijk geen licht
worden gebruikt, ‘want lichtafscherming in het
gebouw is vanwege de daaraan verbonden kosten
niet mogelijk’. Daarom zullen de lessen na 18
november om 9.20 uur en na 12 december zelfs om
10 uur beginnen; pauzes vervallen evenals de vrije
woensdagmiddag. Voor de buitenleerlingen die
de IJssel moeten oversteken, is het lastig op tijd op
school te zijn. Er is veel stagnatie bij de veren (de
IJsselbrug was in de meidagen in de lucht gevlogen).
Ook schrijft Baumann aan de ouders: ‘Door
de nabije legering van Duitse troepen moest ik tot
mijn spijt de normale bewegingsvrijheid van de
leerlingen voor en na schooltijd enigszins inperken.’
Een circulaire uit Den Haag over leerboeken
‘die geen toespelingen mogen bevatten welke het
Grootduitse Rijk enz. in discrediet brengen of
daartoe geschikt zijn’ krijgt als reactie uit Zwolle
een schrijven waarin o.a. het volgende dubieuze
punt wordt vermeld: In het leerboek der scheikunde
nr. 22 van Dr. G.J. van Meurs en Dr. H.P.
Baudet staat op blz. 90, 21ste regel van boven dat
‘In de [Eerste] Wereldoorlog de gasaanval [door
het “blazen” van chloor] door de Duitsers bij Yperen
op 22 April 1915 het begin is geweest van het
gebruik op grote schaal van oorlogsgassen, organische
verbindingen, die bijna alle chloor bevatten.’
Mag zo’n zin er nu wèl of niet in blijven
staan? En in het Taaloefeningenboek van G.
Leffertstra staat de in te vullen zin: ‘In Duitsland
uitte zich het antisem…tisme in het verdr…ven
van talrijke Israël…ten.’ Baumann schrijft: ‘In de
eerste plaats is dit een feit, dat toch ook niet zal
worden ontkend.’ Ik vind het een dapper antwoord
van een HBS-directeur tegenover het zeer
‘foute’ ministerie (Departement heette dat toen).
Evenals het volgende: in de leerboeken der economie
‘zou men kunnen stuiten op de opvatting dat
men Marx niet meer mag noemen en hetzelfde
geldt voor economen als Lassalle, Malthus, Rathenau
en anderen. Ik meen, dat werken van deze
schrijvers in Duitschland verboden zijn. Wil men
inderdaad zover gaan, dan is geen enkel leerboek
in economie geschikt.’
Bij bestudering van de geschiedenis van onze
school komt men al heel spoedig de onvaderlandslievende
houding van de leraar Duits, B. de
3.»
«8
.; :A
ytï
550
551
, ” tl jat
wedar br
Schrljvu
BALFOUR
BAUVEJS
. . . . . .Banagrt bij don brlof van
nr. 17038′ afdcoling V.H.M
_! OCT. ‘ï?*i-
0 .
van bookon, wolko na vorwijdorlng van do aangogovon hlodzljdon
ulkboar zijn voor hot Voorburuidond Hoogor on Hlndelti
r(o) Titol
52 Advonturo atorioa ?or boys
pagi 109-118 “Tho iran croos pirato”
ultanijdün.
Zuid en noord I, 18de druk,
pag. 309-312 “Vadcrtjo Uuaaot” ultsnljdun
BEVLRLSY NICi-lOLS Twcnty-fivo.
; Pag. 25 uitsnijden ,’
BOAS
3R0EKHUYS2J,
VAM DEUfiSEN h
DB BUISONJÉ L
CE EUICOWÊ h
Hodcrn ongllah prono’ ‘,
Pag. 7 en pag: 66 – 77 uitsnijden
Van Groenlnnd tot do Zuidpool
N METO2R- POG- 139 ‘uitanijdon-
N D2 JONG Tuxto zur Uiborsotzung ina HollSndiacoo,
dool n , twoodo druk {N.B. do dordo druk
• la gocdgo!:ourd.}
,p. 12, NoVI “Gricchn” van AiZ-süig
‘ p. 22, No-XII, “Erinnorungaft” van Kronprlnz
ïJilhalm.
p« 27, No.XIV, “Dor.Kalocr” van Rathonau
p. 35, No.XDC, “JJapoloon im Be^sowagon”
, van B.Ludwig
p- 43, -Hö-HEVIl, ‘aicr-alto Fcntano” van
Th. a a n
N LE JONG Hutzolfdo bock, .Juol I,-dords druk,
dozolfdo uitgovor (N.B. dG Wo.druk Is
goodgokourd).
Do atuKton.van WRasorman, Hnnn oo Frank
uitanljdon.
lar Ondurwlja.
Uitgovor.
Hutchinoon,
Londen.
Dooolóo,
Eruggo.,
Ponguin Dooko,
Londen.
Hoc Mlllon,
Londen.
Zomer on Kounl-.i,.
V/agonlngon •
Woltora,
Groningun.
ultanijdon.

TSöltcru,
Groningon-
Jong tegen. Later komt ook de opvolger van Baumann,
P.A. van Rossem, op het tapijt. Mevrouw
Davidson en H. Strijker herinneren zich, dat De
Jong ‘meteen al in mei ’40 in zwart uniform op
school kwam’. En de eerste zegt ook nog dat deze
leraar haar en ook Hansje Pinas als joodse leerlingen
totaal negeerde.
Toch gaat het ‘gewone’ schoolleven óók door.
Een van de weinige amusante dingen vertelde de
heer A.J. Stoel (toen leerling, later leraar op de
Zwolse HBS) mij: ‘Ik ben één maal in mijn leven
om 4 uur ’s morgens opgestaan. Dat was op 10 mei
1940. Ik moest toen een biologie-repetitie van juffrouw
Talma (“De Bezem”) nog leren. Maar toen
ik een uur later hoorde, dat de oorlog was uitgebroken
en toen diezelfde morgen bleek, dat de
school gesloten was, dacht ik: Hè gelukkig, nou
gaat die repetitie tenminste niet door.’
Een deel van de verplichte
wijzigingen in de
leerboeken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dreigende taal
De dreiging die ik mij herinner, wordt bevestigd
in de oude bewaard gebleven geschriften. De genoemde
De Jong valt uit tegen een meisje dat op
een vraag van hem antwoordde met ‘Yes’. ‘We
spreken geen Engels; Gott strafe England.’ Tegenover
Baumann die hem ter verantwoording
R. H. B. o.
Besch«rmhe«n
d« WolEd. H««r
Ir. E. J. Baumann, Dit.
Cursus 9#2l
VEREN
Ie wijs
den Heer
…..—~*ïi£&4&
G
van
, f
NG – ZWOLLE
lidmaatschap
Nsmtns h«l bastuun
Hoe-wel directeur
Baumann al was ontslagen,
prijkte zijn
naam als ‘Beschermheer’
nog steeds op de
lidmaatschapkaarten
van de HBS-vereniging.
roept(!) verklaart De Jong, dat dit als grapje was
bedoeld. Baumann zegt dit in een schrijven aan de
Inspecteur MO van de inspectie. Er werd in 1940 al
hoog spel gespeeld. En ach ja, we liepen als protest
(was dit nu al een ‘verzetsdaad’?) met rood-witblauwe
kipperingetjes om de vingers. Maar Baumann
is bang voor de gevolgen. Hij schrijft aan vader
Hibbel in de Veenestraat: ‘Uw zoon droeg heden
in school een aantal z.g. kipperingetjes in nationale
kleuren. Omdat dit als een demonstratie
zou kunnen worden opgevat nam ik maatregelen.
Ik verzoek U om medewerking.’ En Herman Spijkstra
heeft bij een proefwerk zijn papier aan het begin
en aan ’t eind met vlaggetjes versierd ‘die daarbij
niet behoorden’. Ook zijn vader krijgt een brief.
Er moeten Ariërverklaringen worden ingestuurd.
Alle leraren vullen verklaringen A in. Voor
Dr. Jac. Smit was een B-verklaring nodig, hij was
‘gemengd’ gehuwd. De verklaringen van S. Elte en
J. Polak waren natuurlijk het ergste. Zij waren
jood. De heer Polak zou al spoedig met ziekteverlofworden
gestuurd.
De eerste vergadering zonder de leraar Elte
verloopt gespannen. Interessant is natuurlijk wat
er in de notulen staat. Soms is ’t nog interessanter
om te zien wat er niet in staat. Ook de heer Vleeshouwer
is dan al van school verdwenen. Hij werd
op 8 november 1940 met ziekteverlof gezonden,
werd op 11 januari 1941 wegens verzetsdaden gearresteerd,
kreeg levenslang, maar kwam na de oorlog
uit de concentratiekampen terug. In de notulen
staat over de vergadering van 6 december 1940
vermeld: ‘Een hartelijk welkom voor de Heer
Meursing, die de lessen van den Heer Elte geeft.
De Voorzitter wil geen politiek in deze vergadering
brengen; wanneer hij opmerkt, dat het ons
allen spijt, dat de Heer Elte zijn lessen heeft moeten
staken.’
Mijn aantekeningen over 1940 vermelden
voorts nog dat de burgemeester aan alle scholen
een waarschuwing schrijft over het feit dat er
scholieren zijn, die tegen Duitse soldaten aanfietsen
en ook lange neuzen trekken. Er komt eveneens
een waarschuwing in verband met Koninginnedag
op 31 augustus. De heer P.A. van Rossem
(dan nog leraar Frans aan het Christelijk Lyceum)
moet scholen controleren (!) en B. de Jong riep in
de Zwolse Courant volksgenoten op om lid te
worden van de NSB.
Baumann ontslagen
De voor de Rijks HBS belangrijkste gebeurtenis in
1941 is wellicht het ontslag en de arrestatie van
directeur Baumann geweest. Dat gebeurde in juli
van dat jaar. Maar daarvóór hadden zich al dreigende
zaken voor hem afgespeeld. Nadat P.A. van
Rossem door Rijkscommissaris Seyss Inquart is
belast ‘met het doen van onderzoekingen naar
gedragingen van leerkrachten, welke gevaar kunnen
opleveren voor het handhaven van de orde en
de rust in de scholen en het uitbrengen van een
advies aan mij daaromtrent’ (zo schrijft de beruchte
Secretaris-Generaal J. van Dam van het
Departement van Opvoeding, Wetenschap en
Cultuurbescherming), krijgt Baumann last met
Van Rossem. Deze laatste meldt aan het DeparteZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ment, dat hem bij een bezoek aan de HBS is gebleken
dat Baumann er geen kennis van zou dragen,
dat het Insigne-verbod in de eerste plaats de
docenten der scholen zou gelden. Voorts blijkt dat
het verboden boek ‘The Man with the Clubfoot’
nog op school in gebruik is. Het ernstigste is, dat
Van Rossem aan Van Dam in Den Haag heeft
gemeld dat ‘de uit zijn ambt ontheven leeraar S.
Elte herhaaldelijk de school bezoekt en met docenten
en leerlingen contact heeft.’ Van Dam wijst
er op, dat dit voor de heer Elte in de eerste plaats
onaangename gevolgen heeft.
Baumanns antwoord beslaat o.a. een volle
bladzijde over het dragen van verboden insignes.
En wat het Engelse boek betreft: ‘Dat is aan mijn
aandacht ontsnapt.’ Verder schrijft hij: ‘De heer
Elte is in de afgelopen maanden enige malen, ik
meen driemaal, op school bij mij geweest voor een
informatie, waartoe voor ieder de gelegenheid
open staat. De heer Elte is ook vader van een leerling
der school.’ Dat laatste was waar. Elte was
gemengd gehuwd, zijn dochter Greetje zat op de
HBS. Zij zou later eens van Van Rossem te horen
hebben gekregen: ‘Jij moet je kalm houden, anders
word je net als je vader verwijderd.’
Maar Baumann is nog niet klaar met Van Rossem.
Die schrijft hem op 26 mei 1941 vanuit zijn
huis in de Wilhelminastraat (toen nog niet omgedoopt
tot Willem de Zwijgerstraat), dat hem werd
verzekerd ‘dat U, naar aanleiding van mijn onderzoek
naar de wantoestanden op de school, die
onder Uwe directie staat, U jegens mij lasterlijke
uitlatingen hebt veroorloofd. Is het waar, dat U
hebt beweerd, dat ik bij dat onderzoek onder
invloed van alcohol stond? Zoo ja, hebt U die
bewering schriftelijk of mondeling, danwei schriftelijk
en mondeling gedaan?’
In een schrijven voor de zomervakantie van
1941 verzoekt de directeur aan de ouders medewerking
bij de inspectie van boekentassen van hun
kinderen, want er zijn tassen van leerlingen in
handen van de Duitse Politie gevallen, waarbij
‘ook beledigingen aan het adres van het Duitse
Staatshoofd zijn gevonden.’ Ook waarschuwt hij
tegen moppen, kettingbrieven ‘of wat dan ook’.
Op 19 juli 1941 wordt Baumann ontslagen door
de bezetter.
DIENST.
DepartementJyt& Opvoeding,
Wetenschap ej/jCultuur bescherming.
Den Heer
^ «nu
No. 597.
JWRECTÉUÏTRIJKS H. a. s. ZWOLIE
TELEFOONNUMMER 2081
Twee dagen later wordt Dr. J.F.L. Reudier
waarnemend directeur. Slechts voor korte tijd,
want op 18 november wordt hij ‘afgezet’. Zijn
opvolger is wiskundeleraar L.T. de Bruin. Hij zal
waarnemend directeur blijven tot de komst van
P.A. van Rossem op 1 augustus 1942.
Mijn aantekeningen van het jaar 1941 vermelden
onder andere de volgende feiten. Er zijn problemen
rond de salarissen, omdat de girorekening
nog rekent op de handtekening van directeur Baumann.
Maar die is dan ondergedoken en de handtekening
van de waarnemend directeur is bij de
giro nog niet officieel bekend. Er is bij leraren en
leerlingen grote angst voor verraad. Leerlingen
weigeren geld te geven voor een krans bij de begrafenis
van een mede-leerling; die jongen was NSB-er
(…). Leerlingen klagen, dat de leraar B. de Jong in
de klas praat over de krijgsverrichtingen in Rusland,
de overwinning van Duitsland en het verslaan
van Engeland en over het dienstnemen bij de
Waffen SS. In een schrijven van Reudier aan de
solliciterende heer W.J. Tuin wordt gesproken
over ‘de grote verwarring die hier nog steeds
heerst’.
In augustus en september 1941 wordt opgave
gedaan aan de burgemeester van joodse leerlingen.
Keurig naar klasse gerangschikt worden die
De C van Cultuurbescherming
in het
opschrift van deze enveloppe
werd veranderd in
een K (handschrift van
wnd. dir. De Bruin).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
leerlingen opgesomd die ‘uit ten minste 3 naar ras
voljoodse grootouders stammen en ten 2e zij, die
uit twee voljoodse grootouders stammen, wanneer
zij een Joodsch-godsdienstige opvoeding
ontvangen.’ Zo verdwijnen met ingang van 1 september
14 leerlingen van school…
Hoe reageerden de andere leerlingen hierop?
We weten het niet goed meer. Of hebben we ’t verdrongen?
Ik denk, dat de herinnering van Henny
van ’t Vlie het dichts bij de waarheid komt: ‘Wij
waren met de meisjes – 6 a 8 per klas – hecht
bevriend met elkaar. De Zwollenaren kwamen
ook geregeld bij elkaar thuis. Wij vonden het heel
erg toen de joodse kinderen niet meer bij ons op
school mochten komen. Wij hebben er met elkaar
over gepraat, en waren woedend én verdrietig, dat
onze vriendinnetjes er niet meer bij waren. Maar
we hebben niet gestaakt, zelfs niet geprotesteerd.’
We waren bang.
Er is natuurlijk wèl over het vertrek van de
joodse leerlingen en leraren gesproken. Zowel
P.A. van Rossem binnen als buiten de lerarenkamer, zowel binnen
als buiten de school. Maar de angst voor verraad
zat er in dat tweede oorlogsjaar al diep in.
Misschien is ’t hier de plaats even te spreken
over de ‘foute’ leerlingen of over de kinderen van
‘foute’ ouders. Bijna niemand sprak met ze. Ze liepen
alleen naar school, ‘een meter of tien vóór of
achter ons’, herinnert Henny van ’t Vlie zich.
Ikzelf heb het meisje Bentema, dat een paar huizen
van mij af woonde, inderdaad zó al die jaren naar
school zien gaan. ‘En ook Uschi was altijd alleen.
Soms werd er wel eens opgemerkt: “Zielig eigenlijk”,
maar zonder afspraak bemoeide toch niemand
zich met haar. In de gymlessen liep ze helemaal
achteraan. Zei ze iets, dan kreeg ze wel antwoord.
Ze werd niet totaal genegeerd, maar werd
ook nergens bij betrokken.’
Ik heb getracht in contact te komen met die
‘foute’ leerlingen van toen. Ik wilde met ze praten.
Ik kende nog een paar anderen ook. Maar mijn
pogingen waren tevergeefs. Ik heb uiteindelijk wel
met vier gesproken, maar over het onderwerp
‘foute leerling’, wilde (of kon) men mij niets vertellen.
Het moeten ook voor die leerlingen ellendige
jaren zijn geweest.
Van Rossem wordt directeur
Op 1 augustus wordt Pieter Arthur van Rossem de
nieuwe directeur van de Zwolse Rijks HBS. Niemand,
werkelijk niemand heeft goede herinneringen
aan hem. Wel zeer slechte. Lenie de Coninck:
‘Een beest, hij keek altijd in je agenda’s.’ H. Strijker:
‘Een loeder.’ Rudi Borggreve: ‘Een slagveldhyena.’
Verdere herinneringen bijvoorbeeld van
Wim Caspers en Jan Karel zijn al niet veel beter.
Van Rossem, geboren in het Belgische Temsche
op 11 december 1894, was in de Eerste Wereldoorlog
een wel zeer actief Flamingant geweest.
Hij werd voor zijn gedrag na die oorlog ter dood
veroordeeld en vluchtte naar Nederland. In 1931
komen we hem tegen als leraar Frans aan het
Zwolse Christelijk Lyceum aan de Veerallee. Volgens
het bevolkingsregister heeft hij dan ‘geen
nationaliteit’.
Na zijn aanstelling begon een waar schrikbewind
te heersen op school. Maar de eerlijkheid
gebiedt mij te zeggen, dat er ook al vóór zijn komst
strenge maatregelen worden genomen, zoals tegen
Rudi Elemans, die een aanplakbiljet der SS ‘op
schandelijke wijze heeft besmeurd’ (zo schrijft op
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
11 april de waarnemend directeur De Bruin). Aan
de inspecteur wordt in de desbetreffende brief
precies aangegeven wie van de leraren vóór en wie
tégen stemde om Rudi van school te verwijderen.
Maar het voorstel van De Bruin werd met 12 tegen
6 stemmen verworpen. De meerderheid vond verwijdering
toch een te strenge straf. Rudi moest nu
in de komende 10 weken elke woensdag en elke
zaterdag van 2 tot 4 uur op school terugkomen.
‘Hij zal dan onder toezicht van een lerares of leraar
werk maken’, schrijft De Bruin. Ik heb niet kunnen
vinden welke leraren zich hiervoor hebben
gemeld; of zouden ze zijn aangewezen?
Ook in dit jaar kom ik een brief tegen die te
maken heeft met (on)vaderlandslievendheid. Het
betreft een schrijven van de NSB-vader Gerritsen,
die aan de directeur schrijft of hij de cijfers van
zijn zoon Leen eens wil vergelijken met die van
andere leerlingen. Hij heeft de sterke indruk, dat
zijn zoon slechter beoordeeld wordt.
En verder? Ach, Van Rossem klaagt tegenover
de Secretaris-Generaal van het Departement van
Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming
(nu met een K gespeld!) dat er kopieën van vroegere
uitgaande en ingekomen stukken ‘niet of
slechts sporadisch aanwezig zijn. Wie ze zoekgemaakt
heeft en waar zij gebleven zijn, weten wij
niet. Maar, het moeten onverantwoordelijke elementen
zijn geweest.’
Op 10 september 1942 wordt een speciale lerarenvergadering
gehouden, ter gelegenheid van het
75-jarig bestaan van de school. Het is alleen Van
Rossem die het woord voert. Uit de notulen pluk
ik de volgende zinnen: ‘Hier worden jonge mensen
opgeleid en opgevoed door leraressen en leraren,
die de taak op zich genomen hebben, de
samenleving bruikbaar en zelfs deugdelijk materiaal
te leveren voor de geestelijke en stoffelijke
opbouw van het volksbestaan.’ En dat zal moeten
gaan ‘goedschiks of kwaadschiks’. Hij hoopt verder
dat het toekomstige honderd-jarig bestaan
feestelijk herdacht zal worden. Dat is nu niet
mogelijk ‘omdat deze tijd zich nu eenmaal niet
leent voor feestelijkheden.’ Wat dat laatste betreft,
had Van Rossem nu eens gelijk!
Dreiging
In de jaren 1943 en 1944 wordt het steeds moeilijker
de lessen doorgang te laten vinden. Er vinden
razzia’s plaats (Van Rossem klaagt over het vele
absenteïsme van leerlingen in de hogere klassen).
De heer Tuin, die in Leeuwarden woont (het leraarschap
te Zwolle is niet zijn enige baan), vraagt
het lesrooster zó te maken dat de trein van half drie
uit Zwolle gehaald kan worden. Anders moet hij
om half zes weg en de trein heeft meestal vijftig minuten
vertraging, ‘en dan heb ik een bewijs nodig
om op straat te zijn tot 9 uur. Anders moet ik tot 4
uur binnen blijven.’ Voor de onbekenden met deze
materie: er gold een verbod om zich op bepaalde
tijden ’s nachts buiten te bevinden.
Ik zie ook, dat de leerlinge Elly Bokstijn plotseling
tijdens de cursus 1943/1944 in de tweede klas
wordt geplaatst, in 1944/1945 in de derde klas zit,
maar de leerlingenkaart vermeldt dat zij in de cursus
1945/1946 vertrokken is. Het lijkt een doodgewone
mededeling, maar ik weet dat Elly uit Den
Haag kwam, waar haar vader op het CDK (— Centraal
Distributie Kantoor) werkzaam was. Het
CDK werd uit de kustlinie naar Zwolle gedirigeerd
en zo kwam Elly naar de provincie.
Gjalt Spijkstra
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de Thomas a Kempisstraat
was in de
oorlog de Wehrmachtstankstelle,
waar leden
van Hitlers oorlogsmachine
hun benzine
haalden. Benzine werd
voor gewone Nederlanders
in de loop van de
oorlog steeds schaarser.
De foto werd op 25
februari 1941 gemaakt.
In het meest rechtse huis
is momenteel tabakswinkel
Thomas a
Kempis gevestigd; waar
in 1941 het bord Esso
aan de muur was bevestigd,
is nu een snackbar
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
Spanning bracht op school de kwestie Gjalt
Spijkstra. Misschien is dit het enige echte openlijke
verzetsverhaal van een leerling. In de hoogste
klas gaf de leraar Duits opdracht een stuk uit het
Duits in het Nederlands te vertalen. Dit stuk was
afkomstig uit ‘Mein Kampf van Adolf Hitler! De
klas weigerde de vertaling te maken. Gjalt Spijkstra
nam als klassevertegenwoordiger de taak op
zich om dit aan de ‘foute’ leraar De Jong te melden.
Een uitermate flinke, maar ook riskante zaak.
Het kwam Spijkstra duur te staan. Twee dagen
later werd hij gearresteerd en naar de gevangenis
in Arnhem getransporteerd. Hij heeft daar zes
weken gezeten.
Ook de leerling Jan de Coninck werd eens,
voor een andere zaak, gearresteerd.
Het was gevaarlijk om je mond open te doen.
En het was nog gevaarlijker om dat tegen onbetrouwbare
leerlingen of leraren te doen. Gelukkig
waren verreweg de meeste leraren ‘goed’. Er wordt
verteld, dat de heer Zijlstra (‘Sijmen’) bijvoorbeeld
absoluut niet bang was. Hij waarschuwde de
oudere jongens, als er weer eens een razzia werd
gehouden. ‘Dan klommen we langs de regenpijpen
naar beneden.’
In 1944 moest de school geheel worden ontruimd.
Dat was al in het jaar daarvoor gedeeltelijk
gebeurd. Maar nu eisten de Duitsers het hele
gebouw op. We werden gehuisvest in de meisjesschool
in de Bloemendalstraat èn in de gemeentelijke
naaischool op ’t Assiesplein. Die verhuizing
herinner ik mij nog zéér wel. Bovenop de bok van
een paard en wagen zat ik daar, met het geraamte
‘Piet’ naast me. Achter mij klotsten de retorten,
reageerbuizen, natuur- en scheikundetoestellen
door en over elkaar. Een zotte tocht moet dat zijn
geweest. Voorzichtig waren we niet. Rudi Borggreve
weet nog dat hij zoutzuur over het uurwerk
van de grote klok in het nu lege gebouw goot. Misschien
was ook dit een klein verzetsdaadje.
De heer Smit klaagt in januari 1944 dat hij ’t zo
koud heeft. Kolen zijn er niet. We houden de jassen
in de klas aan.
Ook zijn er leraren (onder anderen Caspers en
de wiskundeleraar J.H.N, de Jongh, niet te verwarren
met de foute De Jong!) opgepakt. Zij moesten
voor de bezetters verdedigingswerken graven.
Zowel Caspers als De Jongh zijn er met valse doktersverklaringen
uitgekomen. Zij werden in de
Buitensociëteit gevangen gehouden. Veel Zwolse
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
doktoren waren in die tijd bereid valse verklaringen
af te leggen. Vooral dr. Eeftink Schattenkerk
was daar een meester in. ‘Hij vertelde je precies
hoe je moest suggereren, dat je een maagzweer of
een blindedarmontsteking had.’
De eerste maanden van het laatste oorlogsjaar 1945
waren koud, gevaarlijk en angstig. En hoewel in
Zwolle geen échte honger is geleden, waren we
voortdurend op zoek naar eten. Lessen op school
werden onregelmatig gegeven. De leraren en de
oudere leerlingen (de jongens liepen groot gevaar
opgepakt te worden), durfden niet goed meer over
straat. Op de lerarenvergadering van 10 april (er
zijn slechts zes leraren aanwezigen) deelt voorzitter
Van Rossem mee, dat de opkomst der leerlingen
gering is. Besloten wordt de school tot nader
order, wegens het oorlogsgeweld, te sluiten. Het
zal Van Rossems laatste vergadering zijn.
Vier dagen later wordt Zwolle door de Canadezen
bevrijd.
Bevrijding
Was na die veertiende april 1945 alles weer spoedig
nogmaal? Verre van dat.
Een kleine greep, zéér onvolledig, uit die
schoolperiode.
Libbe Blom uit mijn klas komt om bij het
demonteren van een granaat. Van Rossem wordt
gearresteerd. De Jong eveneens. Deze laatste was
op 1 maart 1943 naar de Duitse School in Hengelo
gegaan. Beiden worden ‘wegens ontrouw’ ontslagen.
Baumann komt terug, schrijft op 15 mei aan
de commissaris van politie Lettinck een aanklacht
tegen Van Rossem en De Jong (in zijn brief noemt
hij ze ‘het tweetal schurken’). Bij de eerste lerarenvergadering
worden Baumann en Elte hartelijk
verwelkomd. Vleeshouwer zal later, op 22 juni, uit
een concentratiekamp terugkomen. De school aan
dé Bagijnesingel verkeert in een verregaande staat
van vervuiling en wordt bovendien voorlopig nog
niet vrijgegeven. Daar zullen we pas in de herfst
van 1945 terugkomen; we worden dan verwelkomd
door een groot aantal vlooien.
Maar in april kunnen we ook niet meer in de
Bloemendalstraat terecht: ‘Het zal dus nodig zijn
het gehele onderwijs te geven in het gebouw aan
-BUPAUTIiMUUT VAH
KUNSTtN E^
Afschrift.
OMPBRWUi^ KUN6TEH -BW
1 3 ?l?5??*.?ï! X3QC 194-5»
No. 159.8 AFDEELINGX.H.BM.O.
-PC SECRETARIS-GENERAAL VAN HET DEPARTEMENT
“’t
‘-fl I 9 DEa 1945
IWlJt», KUNMRN faSF= 5KFF
DE MIHISTER VAN ONDERWIJS, KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN:
Gelet op artikel 4-, sub 1, van het Besluit Rechtsherstel
ontslagen ambtenaren, het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren, het Koninklijk Besluit van
18 April 1945, no 2, (Staatsblad no F.55) en het
Ambtenarenreglement Rijke hoogere burgerscholen;
HEEFT GOEDGEVONDEN:
opnieuw te benoemen aan de Rijka hoogere burgerschool te
Zwolle te rekenen van 14 April 1945
a. Ir.E.J. Baumann tot directeur in vasten dienst, op een
jaarwedde tevens pensioensgrpndslag van zesduizend zeshonderd
zeven en tachtig gulden (f.6687.-), waarbij een
tijdelijke toelage zal worden toegekend van tweehonderd
een en negentig gulden (f.291.-) per jaar;
b. S.Elte, tot leeraar in vasten dienst, op een jaarwedde
-tevens TiftnBlofinagrondalag van vijf duizend negenhonderd
gulden tf.59OO.-T, waarbij een tijdelijke toelage zal
worden toegekend van tweehonderd zeven en vijftig gulden
(f.257.-) per jaar.
Afschrift dezer zal worden gezonden aan de Algemeene
Rekenkamer, aan den Inspecteur van het middelbaar onderwijs
in de vierde inspectie en aan den Directeur der Rijks hoogere
burgerschool te Zwolle» Uittreksels zullen worden gezonden
aan de belanghebbenden, elk voor zooveel hem aangaat„
1s-Gravenhage, 13 December 1945.
den Directeur der Rijka
hoogere burgerschool
te
Z w o 1 1 e .
het Assiesplein.’ Omdat daar slechts zeven lokalen
vrij te maken zijn, zullen er twee ploegen van telkens
zeven klassen komen. De ene week krijgt een
ploeg ’s ochtends, de andere ’s middags les; de volgende
week omgekeerd ‘omdat over ’t algemeen
de ochtendlessen vruchtbaarder zijn’. De dames
De Kok en Van Niftrik zijn in april nog niet aanwezig.
Zij zitten in het nog bezette deel van het
land en kunnen Zwolle dus nog niet bereiken.
De leerlingen zijn geleidelijk de tucht ontwend.
‘Ze zijn verwilderd’, staat er te lezen. De
joodse leerlingen komen, voor zover zij de oorlog
De herbenoeming van
Baumann en Elte met
ingang van de bevrijdingsdag
van Zwolle (14
april 1945). Zie de verwarrende
strepen in het
hoofd van de brief. Nog
tot lang na de bevrijding
gebruikte men het oude
oorlogspapier.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hebben overleefd, weer op school terug (passend
zou natuurlijk zijn, daar een lang verhaal over te
schrijven).
Baumann klaagt in de vergadering, dat niet
iedereen zijn mond heeft kunnen houden over het
feit dat hij met enkele collega’s over hun houding
in de oorlog heeft moeten spreken. Dat waren dan
de leraren die niet echt fout, maar wellicht ook
niet echt goed geweest zijn. De namen van hen
zijn mij bekend, maar zou hun houding veel verschillen
met de houding van al die andere Nederlanders?
Ik geloof van niet.
De leraren in de exacte vakken klagen, dat de
vijfde-klassers ‘de werkroutine kwijt zijn, terwijl
ze ook geen fundamentele kennis meer hebben. Er
zijn ernstige hiaten; zo kunnen de leerlingen niet
meer werken met negatieve exponenten.’ Deze
klacht is van oktober 1945. De vijfde-klassers van
de cursus 1944/1945 hadden hun diploma die
zomer zonder examen gekregen.
En de NSB-kinderen? Over de NSB-ers (zó worden
ze genoemd in de notulen) wordt verklaard:
‘Als ze geen aanleiding geven tot verstoring der
orde kunnen ze worden geplaatst.’
Er is een groot tekort aan boeken. Aan de leraren
wordt gevraagd hun present-exemplaren af te
staan. Bij het weer in gebruik nemen van ons eigen
gebouw aan de Bagijnesingel blijken er wel veel
vlooien maar weinig borden te zijn.
Maar het onderwijs komt weer op gang, al lees
ik dat nog in 1947 de eindexamenopgaven mechanica
en Frans niet zo streng beoordeeld moeten
worden. Er moet rekening worden gehouden met
de afgelopen jaren. De heer De Jongh verklaart,
dat het nog wel tot 1950 heeft geduurd, voordat
alles weer ‘echt normaal’ was.
Veel is er geschreven. Veel is ook niet geschreven.
Ik vertelde niet over de vele malen luchtalarm,
over de dramatische begrafenis van de leerlinge
Willie Hartsuiker, verstoord door overvliegende
schietende vliegtuigen, over het dragen van klompen
in de school, want schoenen hadden we niet
meer, over de secretaresse van de HBS-vereniging,
Dicky van der Laan, die aan het Departement toestemming
moest vragen voor de opvoering van
een toneelstuk, over de Zwolse NSB-ers die in de
zomer van 1945 de school moesten schoonmaken
na de ontruiming der Canadezen en Engelsen
onder bewaking van ex-verzetsmensen, die nog al
eens gauw met een handgranaat dreigden.
Toen de lerares mej. J.E.C, de Kok uit Utrecht
in Zwolle terugkwam, woog ze nog maar 87 pond.
‘Baumann zei me: Ga alsjeblieft gauw zitten!’
Leraar Tuin zat in het verzet tijdens de oorlog. En
de heer A. de Roos, onze conciërge, zag na de oorlog
de (toen) gevangen genomen Van Rossem
hem toefluisteren: ‘De Roos, hoe denken ze over
mij?’ De Roos antwoordde: ‘Och, dat gaat wel.’
Een aardige man, die meneer De Roos, maar juist
was zijn antwoord niet…
Slotbeschouwing
Men vroeg mij te schrijven over de Zwolse HBS tijdens
de oorlogsjaren. Ik ben mij er volledig van
bewust dat het een zeer onvolledig verhaal is
geworden. Ik mengde mijn eigen herinneringen
met de feiten die ik in de archieven vond. En
gelukkig waren velen mij behulpzaam door hun
verhalen aan mij door te geven.
Vijftig jaar geleden.
Het kwam weer terug …
Noot
* Bovenstaand verhaal is een bewerking van een artikel
dat in 1992 is verschenen in het herdenkingsboek
‘Vijfmaal zilver’ -125 jaar RHBS, MMS, RSC, Van der
Capellen scholengemeenschap Zwolle.
Het artikel is gebaseerd op archiefmateriaal en op
mondelinge en schriftelijke herinneringen van oudleraren,
oud-leerlingen en van de schrijver zelf, die
van 1941 tot 1948 leerling was van de Rijks HBS.
In het rijksarchief aan de Eikenstraat te Zwolle is
het archief van RHBS te vinden onder nr. 344.3. Van
de oorspronkelijke 18 meter is 3.75 meter bewaard
gebleven. 2.25 meter ging retour naar de school.
12 meter is vernietigd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen
De Tweede Wereldoorlog ligt nu al weer
een halve eeuw achter ons. De hele ellende
heeft bijna vijf jaar geduurd. En wat
zijn nu vijfjaren in een halve eeuw? Toch hebben
deze jaren een zeer diepe indruk gemaakt op degenen
die ze bewust hebben meegemaakt. Vooral
omstreeks de meidagen komt ons alles duidelijk
voor de geest: de spannende dagen rond de tiende
mei 1940, de honger – al hebben wij in Zwolle
nauwelijks echte honger gekend! – , de overtrekkende
vliegtuigen, het luchtalarm, de angst voor
razzia’s, maar vooral de enorme blijdschap, toen
we eindelijk werden bevrijd. Ik kan me niet voorstellen
een dergelijke massale vreugde-uitbarsting
daarna ooit meer te hebben meegemaakt; we
waren eindelijk vrij!
Nu vinden we dit vanzelfsprekend. En we zijn
dikwijls ontevreden, terwijl we het toch eigenlijk
zo ontzettend goed hebben. Daarom is het goed
terug te blikken op de tijd, waarin wij geknecht
werden door Hitler’s trawanten. En daarom is het
belangrijk, dat wij ons realiseren waar rassenhaat
– die in onze tijd weer zo opkomt- toe kan leiden.
Ik was een kind, toen de oorlog uitbrak. Daarom
hebben mijn leeftijdgenootjes en ik misschien niet
ten volle beseft wat onze ouders in die tijd hebben
afgetobd. Wat moet het voor moeders moeilijk
zijn geweest hun kinderen niet te kunnen geven,
wat ze nodig hadden. En dan die angst om mannen
en zonen, die elke dag kans liepen opgepakt te
worden om in Duitsland te werk te worden
Ank Meliesie-Appelhof
Klas3A van de RHBS in
1943. De foto werd genomen
op de binnenplaats
van het schoolgebouw
aan de Bagijnesingel
(foto: A. Meliesie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Klas3A van de RHBS in
een andere samenstelling,
nu gefotografeerd
in de tuin achter de
school. De kniekousen
die de meisjes droegen,
waren gemaakt van een
uitgehaalde sprei of van
zelfgesponnen schapewol
(foto:A. Meliesie).
gesteld. Om niet te spreken over mannen en vrouwen
die dagelijks hun leven waagden in de illegaliteit.
Wat dat betreft heb ik maar weinig meegemaakt;
datzelfde geldt eigenlijk voor een groot
gedeelte van de Zwollenaren. Als kind vond je het
best spannend. Er gebeurde nog eens iets! Bovendien
had je kans, dat een repetitie niet doorging,
‘Komt er oorlog?’
Ik herinner me nog, dat de ‘grote mensen’ dikwijls
ernstige gesprekken voerden en daarbij zeer zorgelijk
keken. Maar er gebeuren zoveel interessante
dingen in je kindertijd, dat je daar niet bij stilstond.
Gebeurtenissen in Duitsland, zoals jodenvervolging,
rassenhaat en het gebral van Hitler
omdat er luchtalarm was. En het laatste oorlogsjaar
had je maandenlang vrij van school. ‘Kolenvakantie’
noemden ze dat, omdat er geen brandstof
meer was om de klaslokalen warm te stoken.
Bovendien konden veel onderwijzers en leraren
niet meer vrij over straat lopen, omdat de moffen
– we noemden de Duitsers nooit anders en ik
moet bekennen, dat ik nog altijd over ‘moffen’
praat – behoefte hadden aan jonge mannen om
voor hen te werken.
Nee, dit wordt geen verhaal over lijden en ontberingen.
Hier volgen de herinneringen van een
Zwols meisje aan de periode, die zo’n diepe
indruk heeft nagelaten op de mensen die het allemaal
hebben meegemaakt.
gingen volledig aan ons voorbij. Wel weet ik nog,
dat op de bovenverdieping van een huis vlak achter
het onze, plotseling oude Duitse joden woonden.
Ze waren er opeens.
Het woord ‘oorlog’ hoorde ik steeds vaker en
ik werd soms wel een beetje bang. ‘Komt er oorlog?’
vroeg ik dan. En altijd was het weinig bevredigende
antwoord: ‘Dat is niet te hopen’.
En toen kwam de ochtend van de tiende mei.
Heel vroeg werd ik wakker, omdat mijn oudere
zus half huilend de slaapkamer van onze ouders
binnenliep: ‘Ik hoor steeds schieten en er zijn allemaal
vliegtuigen. Het is oorlog.’ ‘Ga toch slapen’,
zei mijn vader doezelig: ‘Dat zijn alleen maar oefeningen.’
Maar plotseling klonk een harde knal en
ook wij hoorden het onheilspellende gebrom van
vliegtuigen. We vlogen ons bed uit en renden naar
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
beneden. Daar werd direct de radio aangezet (wij
hadden radiodistributie) en door de luidspreker
hoorden we de sombere stem van de omroeper,
die sprak over schending van onze neutraliteit,
gesignaleerde vliegtuigen en gelande parachutisten.
Het was oorlog.
Later gingen we naar buiten, waar de mensen
bij elkaar stonden. Wij, de kinderen uit de straat,
waren al gauw over de schok heen en speelden
krijgertje rondom de groepjes pratende ouders.
De ramen werden beplakt met lange stroken plakband
om te voorkomen, dat het glas zou breken
als er een explosie zou zijn.
’s Middags zagen wij de Duitse soldaten voor
het eerst – en nog lang niet voor het laatst!- in de
Wipstrikkerallee. Ik heb geen idee, waar ze plotseling
vandaan kwamen. Ze waren zeker niet helemaal
uit Duitsland naar Zwolle komen lopen… In
camouflagepakken, met helmen, die waren bedekt
met bladeren en takken, slopen ze van boom tot
boom. Dus dat was nu de vijand!
’s Avonds sliepen we met ons vieren in de
voorkamer op matrassen. Voor zover ik me herinner
was het een vrij rustige nacht. De volgende dag
kregen we inkwartiering. We moesten een piepjonge
Duitse soldaat in huis nemen. Het was bijna
nog een kind. Mijn ouders kwamen met de jongen
in gesprek. Er was hem verteld, dat de Engelsen
ons land waren binnengevallen en dat de Duitsers
waren gekomen om de Britten te verjagen. Mijn
vader en moeder hebben hem duidelijk gemaakt,
dat daar geen sprake van was en dat de Duiters ons
land hadden overvallen! Ik verstond toen nog
geen woord Duits, maar de soldaat schijnt te hebben
gezegd: ‘Wat moet het voor jullie dan moeilijk
zijn om mij in huis te moeten nemen.’ Na deze
woorden was het onmogelijk de arme jongen
honds te behandelen. Zou hij de oorlog overleefd
hebben?
Bezetting
Het waren vreemde dagen. Het was stralend weer,
maar de stemming was somber, omdat duidelijk
werd, dat bezetting onvermijdelijk was; vooral
toen we hoorden, dat koningin Wilhelmina, prinses
Juliana en de kleine prinsesjes ons land hadden
verlaten. Burgemeester van Walsum hield via de
radio een emotionele rede, waarin hij het Koninklijk
Huis hevige verwijten maakte over deze
‘vlucht’. Hij zal daar later ongetwijfeld veel spijt
van hebben gehad. In elk geval is het hem niet in
dank afgenomen. Het is uiteraard in een opwelling
gebeurd.
Het werd 15 mei. Wij hoorden geruchten, dat
Rotterdam zwaar was gebombardeerd en dat
andere grote steden zouden volgen als Nederland
niet capituleerde. De vijf vreselijke oorlogsdagen
waren voorbij. Je zag veel mensen huilen. Optimisten
zeiden, dat het hoogstens een jaar zou
duren. Aan deze uitspraak klampte je je hoopvol
vast, omdat je het zo graag wilde geloven. Het is
maar goed, dat wij toen nog niet wisten, dat het
bijna vijfjaar zou duren, voordat we de rood-witblauwe
vlag weer konden uitsteken.
Het eerste jaar merkte je eigenlijk niet zoveel
van de oorlog. Er was nog niet zoveel gebrek aan
alles. Dat kwam pas later, toen de bonkaarten
kwamen en de mensen – ik geloof vanaf hun vijftiende
jaar – een persoonsbewijs kregen. Wel zag
je de gehate Duitse uniformen in de straten en
dikwijls marcheerde een kolonne Duitse soldaten
door de straten. Ze zongen uit volle borst; en
eigenlijk zongen ze allesbehalve lelijk. Ze zongen
liedjes als: ‘Heidemarie’ en ‘Erica’. (Onze Nederlandse
militairen zongen de vaderlandse versie:
Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad.)
Veel erger waren echter de zwarte uniformen
van de NSB-ers. Die werkten op ons, Nederlanders,
als een rode lap op een stier. En dan de
Jeugdstormers met hun blauwe bloesjes en hun
zwart-oranje mutsen. Bij mij in de klas zat een
meisje, dat bij de Jeugdstorm was. Op hoogtijdagen
kwam ze in uniform op school. Ik had de
pech, dat ze naast mij in de bank zat. Ik ging helemaal
op het puntje zitten, zodat ik er bijna afviel.
Eigenlijk was het een heel lief kind en ze kon er
natuurlijk ook niets aan doen dat haar vader NSBer
was. Maar ze werd gemeden als de pest en niemand
vond haar zielig. Nu, achteraf, natuurlijk
wel!
Na verloop van tijd zag je mensen met een ster
lopen. Dat waren joden. In de binnenstad, vooral
in de Bitterstraat en omgeving, woonden veel
joden. Zij werden één voor één weggevoerd, maar
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aan de Meppelerstraatweg
was al snel na de
oorlog voor de daar op
31 maart 1945 gefusilleerden
een kruis opgericht.
Later werd een
meer permanent herinneringsteken
geplaatst.
De Meppelerstraatweg
werd toen nog
omzoomd door weilanden
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
daar heb ik eigenlijk weinig van gemerkt. Wel verdwenen
er joodse klasgenoten en leraren.
Wij begonnen langzamerhand door te krijgen,
dat de oorlog wel langer zou duren dan een jaar.
De situatie werd grimmiger en ook het verzet
werd groter. Er verschenen illegale blaadjes. Ik
weet nog goed, dat die bulletins tussen de leuning
en de zitting van de stoelen werden verstopt.
Kruitschip
We zijn op een ochtend erg geschrokken. Dat was,
toen een kruitschip in de buurt van Zwolle werd
getroffen. Ik lag te dromen over een klein vliegtuigje,
dat een groot vliegtuig aanviel. Zou het een
voorspellende droom zijn geweest? Ineens hoorden
we een harde dreun. Mijn moeder riep, dat ik
naar beneden moest komen. Ik had daar weinig
zin in, want het was toch al gebeurd? Toen ik in de
gang kwam zag ik mijn vader, die zich in de WC
stond te scheren. Hij was zich juist aan het inzepen
toen de klap kwam en ging daar, op de volgens
hem meest veilige plek, gewoon mee door.
Wij hadden er geen idee van, wat er aan de
hand was. Van de meeste huizen waren de ruiten
gesneuveld. Bij ons was alles nog heel, waarschijnlijk
omdat de bovenraampjes open stonden. Het is
gek, dat je op spannende momenten soms de slappe
lach krijgt. Op de bovenverdieping van een
huis in onze straat stak een gezette buurvrouw
verdwaasd haar hele, in hardroze nachtpon gestoken,
bovenlichaam door het raam, waar geen glas
meer inzat. Het was een komisch gezicht.
Melk halen
Echte honger hebben wij niet gekend. Maar elk
jaar werden de levensmiddelen schaarser. Schoenen
waren niet meer verkrijgbaar; alleen via de
zwarte handel. Schoenzolen slijten en kindervoeten
groeien snel. Daarom gingen we klompen dragen.
Wij gingen op klompen naar school en dat
was best te doen, wanneer je er eenmaal aan
gewend was. Alleen als er sneeuw lag was het lopen
soms moeilijk. Er bleven dan dikke klonten onder
de klompen plakken, die je telkens moest verwijderen.
Zo kloste je in school met veel lawaai over de
houten vloeren. We verfden de klompen in verschillende
vrolijke kleuren. Het mooist waren de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
fel oranje exemplaren, beschilderd met rood-witblauwe
vlaggen. Want je trachtte je vaderlandslievendheid
op allerlei manieren te tonen. De NSBers
waren op dat punt erg kinderachtig. Oranje en
rood-wit-blauw waren taboe.
Het brood zag er nauwelijks uit als brood. Het
was een donkere, kleiige substantie, waar we soms
uit balorigheid balletjes van maakten. Wij, Zwollenaren,
hadden het geluk midden tussen de boeren
te wonen, zodat er nog wel aan groente, fruit,
eieren, melk en soms vlees te komen was. Enkele
malen per week gingen we met de fiets de boer op
om melk te halen. Ik had het geluk, dat mijn fietsbanden
erg lang goed gebleven zijn, al hobbelde
het wel erg door de vele stukken, die op de binnenbanden
waren geplakt. Veel mensen moesten
het met houten banden doen.
Mijn grootouders hadden een bakkerswinkel
in de Voorstraat. Daar kwamen op vrijdag, als er
markt was, boeren uit de omgeving inkopen doen.
Mijn oma tracteerde ze in de kamer achter de winkel
op koffie. Daardoor kende mijn vader veel
boeren, waar we melk mochten halen. In weer en
wind fietsten wij naar Wijthem, Berkum, Haerst
en het Plankenloodsje. Mijn moeder had grote
zakken genaaid, die zij onder haar rokken droeg.
Daar stopte ze de melkflessen in, want als bij een
controle bleek dat je levensmiddelen bij je had,
dan was je ze kwijt.
Tijdens zo’n tocht heb ik eens iets vreselijks
meegemaakt, dat ik nooit zal vergeten. Ik fietste
over de Meppelerweg, waar het toen nog erg landelijk
was. De flats en huizen, die er nu staan,
waren er nog niet. In de verte zag ik een politieman
staan. Eerst wilde ik teruggaan, omdat ik
dacht, dat er controle was, maar niemand werd
aangehouden en bovendien had ik alleen maar
lege flessen bij mij. Ik reed dus door en plotseling
zag ik aan de kant van de weg een aantal lijken liggen.
Ik wilde niet kijken (ik had nog nooit een
dode gezien), maar het was of mijn blikken ernaar
toegetrokken werden. In die tijd zat mijn aanstaande
zwager in de gevangenis en ik heb de
gefusilleerde mannen één voor één aangekeken.
Toen ik terugfietste heb ik een grote omweg
gemaakt, omdat ik er niet nog een keer langs durfde.
Toen ik thuiskwam was ik helemaal overstuur.
Luizen en schurft
Dingen die we nu heel gewoon vinden, waren in
de laatste oorlogsjaren meestal onmogelijk. Zo lag
het verenigings- en uitgaansleven volkomen stil,
omdat je na acht uur niet meer de straat op mocht.
Bij elkaar op visite gaan was er dus niet meer bij;
behalve wanneer je bleef slapen. Buiten kon je je in
de donkere winterdagen moeilijk oriënteren. Je
probeerde je weg te vinden met behulp van een
zogenaamde knijpkat, waarvan het licht was afgeschermd
met donker papier. Ook een fietslamp
gaf weinig licht. Wat dat betreft was de sneeuw die
in de koude winter van ’44-’45 viel een uitkomst.
Daardoor kon je tenminste nog iets zien. Dat was
dan ook het enige voordeel, omdat de wegen
slecht begaanbaar waren en bijna niemand nog
goed schoeisel had. We liepen op klompen, waar
je de aangekoekte sneeuw vaak vanaf moest halen.
Verder leverde het wassen van kleren problemen
op omdat er geen goede zeep meer was. Ook
toiletzeep was niet verkrijgbaar; we moesten ons
wassen met kleizeep en dat schuimde niet.
Hoewel de propere Nederlandse huisvrouwen
alles deden om de boel zo schoon mogelijk te houden,
ontstonden er problemen: luizen en schurft.
Bij een luizenplaag moesten niet alleen de kriebelende
beestjes uit het haar verwijderd worden,
maar ook de neten. Dat gebeurde met azijn. Als de
neten namelijk achterbleven, had je zo weer een
kolonie van die parasieten. Ik heb zelf enige malen
luizen gehad en daarvoor behoefde ik me niet te
schamen; ik was niet de enige!
Schurft was nog erger. Ik heb het tweemaal
gehad en ik stak ook een bij ons logerend nichtje
aan (of andersom). Mijn moeder smeerde ons van
top tot teen in met een stinkende groene zalf, die
bij De Gaper werd verkocht. Daar zal ongetwijfeld
veel van die smurrie over de toonbank zijn gegaan.
De kleren die je had gedragen moesten grondig
worden gereinigd.
Dat waren van die onverwachte problemen
waar vooral huisvrouwen mee te kampen hadden.
Hongerwinter
Eindelijk kwam de landverwachte invasie. Op een
morgen kwam mijn tante die bij ons in de buurt
woonde, bij ons binnenrennen. ‘De Engelsen en
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Amerikanen zijn in Normandië geland!’ riep ze
uit. Iedereen was uitgelaten. Buren groepten bijeen
in de straat en we waren ervan overtuigd dat
de oorlog nog voor het einde van het jaar afgelopen
zou zijn.
Op een mooie dag in september was er
opnieuw grote opwinding. Parachutisten waren
bij Arnhem en Nijmegen geland. Nu kon het zeker
niet lang meer duren… Vlaggen werden tevoorschijn
gehaald, oranje strikken werden klaargelegd
en optimisten kochten bloemen om de
bevrijders te verwelkomen. Maar helaas, de bevrijders
kwamen nog niet. Het zuiden was vrij, maar
de rest van Nederland stond aan het begin van de
moeilijkste periode uit de oorlog.
Op straat was het erg stil, want er reden bijna
geen auto’s meer. Je kon op straat nu naar hartelust
rolschaatsen. En als de stadsbus, die door
middel van een gasgenerator werd voortbewogen,
voorbij kwam, kon je je zonder gevaar laten meetrekken,
want zo hard reed die bus niet…
Hoe erg de jodenvervolging was wist men toen
niet, maar we waren uiteraard wel op de hoogte
van het feit dat alle joodse inwoners van de stad
waren verdwenen. Ze waren weggevoerd of
ondergedoken. Ik had in die jaren pianoles bij
mevrouw Noordhof, die in de P.C. Hooftstraat
woonde, in de hoek van het pleintje. Na de oorlog
werd bekend dat daar een groot aantal joden was
ondergedoken. De pianoleerlingen, die het huis in
en uit liepen, hebben er nooit iets van gemerkt.
Wel heb ik eens een oudere man op de trap zien
staan, maar daar dacht ik verder niet over na.
Mannen waren niet veilig op straat. Ze konden
elk moment opgepakt worden om te helpen verdedigingswerken
te graven. Soms zag je groepen
mannen en jongens naar de Buitensociëteit marcheren,
waar ze tijdelijk werden ondergebracht.
Onze school aan de Bagijnesingel werd gevorderd.
Wij kregen les in de Naaischool op het
Assiesplein.
Echte honger hebben we nooit gehad, al werd
het voedsel wel schaarser. We aten vaak roggepap,
maar vaak waren er ook aardappelen, groente en
zelfs vlees, dat we bij de boeren haalden. Toch
hebben we een enkele keer eten bij de centrale
keuken aan de Vondelkade gehaald. We kregen
daar erwtensoep of één of andere smakeloze
stamppot. Je at het omdat je trek had, maar een
succes was het niet.
Inkwartiering
In de laatste oorlogswinter kregen we inkwartiering.
We moesten onderdak bieden aan vier militairen
van middelbare leeftijd. Ze werden ondergebracht
op de kamers van mijn zus en mij, zodat
wij op de zolderkamer moesten slapen. Van twee
van hen weet ik de naam nog: Siegler en Heinemann.
Heinemann was een grote blonde germaan
die duidelijk liet merken dat hij niets van de nazi’s
moest hebben. Hij vertelde vaak dat de berichten
gunstig voor ons waren. Wij zeiden echter niet
veel, omdat je niemand durfde te vertrouwen.
Siegler was een zielig mannetje, veel te oud om
nog dienst te doen. Eén van de overige twee was
een uitgesproken rotvent, een echte nazi. Heinemann
waarschuwde ons regelmatig voor hem.
Siegler had kennelijk veel behoefte aan huiselijke
• gezelligheid. Soms kwam hij met een smoesje in
de huiskamer en we vonden het te honds om
onaangenaam tegen hem te doen. Hij zat dan in
een stoel, onwetend van het feit dat tussen de leuning
en de zitting illegale krantjes of foto’s van de
prinsesjes uit Ottawa waren verstopt.
Met kerstmis kregen onze gasten-tegen-wilen-
dank allerlei lekkernijen. Op de morgen van de
eerste kerstdag, toen we wisten dat ze geruime tijd
weg zouden zijn (je kende hun doen en laten langzamerhand
wel) slopen mijn aanstaande zwager
en ik naar hun kamer. In de kast stonden trommels
met kerstkransjes. We namen enkele koekjes
uit de trommel waarvan we dachten dat die van de
‘rotmof was. Wij vonden dat geen stelen, net
zomin als men het in die tijd onrechtmatig vond
om hout en kolen te gappen; het was ons immers
allemaal afgepakt. De kransjes smaakten heerlijk!
In de namiddag werden er echter vurige kolen op
ons hoofd gestapeld. Siegler kwam binnen met
zijn trommel en bood ons gul een kerstkransje
aan. We kwamen tot de ontdekking dat we het lekkers
uit de verkeerde koektrommel hadden genomen,
’s Avonds, toen het viertal weg was om hun
kerstmaal te nuttigen (zij wel) zijn we weer naar
boven geslopen en hebben we kransjes uit een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
andere trommel genomen en in Sieglers bezit
teruggelegd.
Zo ging het jaar 1944 voorbij en konden we
elkaar op 1 januari een ‘Gelukkig Nieuwjaar’ wensen
met steeds dezelfde opmerking: ‘Dat het nu
eindelijk vrede mag worden.’
Eindelijk vrij
Aan de lange koude winter kwam een einde. De
dagen werden langer en je kon het voorjaar al ruiken.
En we roken ook de bevrijding. De berichten
waren gunstig: de geallieerden stootten door en
ook aan het Russische front werden geweldige
vorderingen gemaakt. ‘Het gaat goed’, zeiden de
mensen tegen elkaar. NSB-ers en moffen werden
hoe langer hoe zenuwachtiger en daardoor
gevaarlijker. Regelmatig werden pamfletten aangeplakt,
waarop te lezen stond dat er verzetslieden
gefussileerd waren. We wisten dat er onderduikers
waren en dat er verzetsgroepen actief waren, maar
veel ging langs je heen, vooral als je jong was. Ik
weet echter nog wel dat een belangrijke verzetsleider,
bijgenaamd De Groene, begin februari in de
Assendorperstraat werd neergeschoten. Daar
werd druk over gepraat.
Aan het gerommel in de verte kon je met eigen
oren waarnemen dat de bevrijders naderden. Ik
heb nooit meer zo’n vreemde verjaardag gevierd
als op de dertiende april 1945. Veel visite kwam er
niet, omdat de Vechtbrug omhoog stond en niet
meer naar beneden kon. De Wipstrikbuurt was
vanuit de stad dus niet meer bereikbaar, ’s Avonds,
toen we even achter het huis stonden, hoorden we
granaten gieren. We renden naar binnen. Later
hoorden we dat enkele mensen waren gedooddoor
dit granaatvuur; dus in het zicht van de
bevrijding. Daarna bleef het rustig, griezelig rustig.
Toch kan ik me niet herinneren dat we bang
waren. We vertrouwden er ongetwijfeld op dat we
zonder bombardementen of zware gevechten zouden
worden bevrijd. In ieder geval gingen we naar
bed. Mijn zuster en ik sliepen op de zolderkamer
aan de voorkant, omdat de Duitse soldaten nog
steeds bij in ons huis waren. Midden in de nacht
De granaten die door
terugtrekkende Duitsers
in de nacht van 13 op 14
april vanaf de Gelderse
kantvandeljsselop
Zwolle werden afgeschoten,
vernielden ook huizen
in de Celestraat. De
foto werd na de bevrijding
gemaakt, toen uit
de kapotte ramen reeds
de Nederlandse driekleur
wapperde. Op de
achtergrond hetDominicanerklooster
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werden we wakker: er werd hard ‘alarm!’
geschreeuwd en er was veel lawaai op straat. Toen
we voor het raam gingen kijken zagen we dat de
hele Brederostraat vol was met soldaten, die
bepakt en bezakt klaar stonden om weg te gaan.
Ditmaal was het beslist geen oefening! We raakten
er helemaal opgewonden van. Het zag er allemaal
erg chaotisch uit: de helden struikelden over hun
eigen voeten in de haast om weg te komen. En
daar gingen ze: een armzalige groep Duitse militairen
op leeftijd, die ongetwijfeld blij zullen zijn
geweest dat ze naar de Heimat terug konden gaan.
Het beeld van die wegsjokkende soldaten is voor
altijd in mijn hersens gegrift…
Vervolgens zijn we kennelijk-weer in slaap
gesukkeld, maar bij het ochtendgloren werden we
opnieuw gewekt. We hoorden hollende voetstappen
in de straat en er werd iets geroepen over
kolen. We hebben ons toen maar aangekleed en
zijn in het wilde weg achter anderen aangehold
naar een garage in de buurt, waar kolen lagen
opgeslagen. Ik geloof dat er geen steenkool meer
over was, maar dat interesseerde ons niet veel. De
winter was voorbij en de volgende winter zouden
we in een vrij land leven.
Toen gebeurde ineens van alles tegelijk. Ik
weet niet meer hoe we hoorden dat de Canadezen
op de Wipstrikkerallee waren gesignaleerd, maar
op een gegeven ogenblik stonden we aan deze weg
en zagen we de bevrijders. Het was voor ons een
groot wonder. Eindelijk was de langverwachte
bevrijding gekomen!
Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit zo blij en
ook zo dankbaar ben geweest als toen. Voor het
eerst, na vijf jaar, wapperde de rood-wit-blauwe
vlag weer aan een groot aantal huizen. We liepen
op straat en praatten met bekenden en onbekenden.
Het bevrijdingsfeest was één grote verbroedering.
Op een gegeven moment bevond ik me in de
Tesselschadestraat. Daar stond een grote groep
mensen om enkele joden, die daar ondergedoken
hadden gezeten, heen. Er waren ook enkele Canadezen.
Aan de overkant van de ‘Nieuwe Vecht
stonden de mensen te reikhalzen,, omdat zij de
bevrijders wilden zien. Die buurt. was op dat
moment nog niet bevrijd, omdat de Canadezen
niet over de Vechtbrug konden komen. In een
sneltreinvaart werd een noodbrug aangelegd,
zodat de rest van de stad niet lang daarna de
bevrijders ook kon toejuichen.
Herberg De Hanekamp werd door de Canadezen
als onderkomen gebruikt. Toen we er door de
ramen keken, zagen we er witbrood liggen! Dat
hadden we in jaren niet gezien; laat staan geproefd.
’s Middags, toen een noodbrug over de Vecht
was gelegd, zijn we naar de stad gegaan. Daar was
het groot feest. Geallieerde tanks, volgeladen met
jonge mensen, reden door de straten. De vlaggen
wapperden en bijna iedereen droeg oranje. Er
waren echte sigaretten, die ik moest proberen te
bemachtigen voor mijn vader, die jarenlang zelfgefermenteerde
tabak had gerookt. Gelukkig
waren de bevrijders er erg gul mee.
De leefden in een roes. Elke avond gingen we
de stad in. Er werd gedanst op verschillende plaatsen
en we liftten, groen als we waren, met militairen
mee. Het kwam niet in ons hoofd op dat er
soldaten waren met minder goede bedoelingen,
totdat mijn vriendin en ik een hachelijk avontuur
beleefden, waardoor we wel voorzichtiger werden.
We zagen bevrijde verzetstrijders terugkomen,
kaalgeschoren en gekleed in een overall. Op het
grote Kerkplein hebben padvinders en padvindsters
(die eindelijk hun uniformen weer mochten
dragen) de uit een gevangenkamp ontslagen hopman
Huysman toegezongen.
En toen kwam de avond van de vierde mei,
waarop we hoorden dat heel Nederland vrij was.
Er werd feest gevierd; een feest zonder baldadigheden
of vandalisme. Dat er voor onze bevrijding
vele duizenden hun leven hadden gegeven en dat
er zo onnoemelijk veel is geleden – vooral door de
joden – dat werd ons later pas goed duidelijk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
De bevrijding van Zwolle op 14 april 1945
Leo Major was verkenner in het Canadese
Regiment de la Chaudière. Hij is ereburger
van Zwolle, sinds hij op 14 april 1985 door
burgemeester G. Loopstra werd onderscheiden.
Hij ontving toen de erepenning van de stad.
Major, die na 1945 meerdere malen in Zwolle is
geweest, woont met zijn vrouw Pauline in Candiac
(Quebec), niet ver van de grens met de VS. Ook in
dit herdenkingsjaar zal het echtpaar Major in onze
stad de plechtigheden en feestelijkheden bijwonen.
De vertaling van Majors woorden houdt het midden
tussen een letterlijke en een meer vrije vertaling.
Verslag
Ik voelde die nacht vlak voor de bevrijding van
jullie mooie stad geen enkele emotie, omdat het ’t
zelfde was als elke keer bij ’t patrouillelopen of bij
een aanval in de oorlog.
Ik probeerde niet te denken. Dat was mijn
manier om geen angst te voelen; om nergens
anders aan te denken dan te slagen in al mijn
ondernemingen. Dat deed ik voor het eerst op Dday,
6 juni 1944, en diezelfde houding behield ik
elke dag, tot mijn laatste actie, later in Korea. Om
zoveel dagen oorlog te overleven zonder gek te
worden en je hoofd niet te verliezen. Mijn houding
moet, met Gods hulp, de juiste zijn geweest.
Ik ben er, per slot van rekening nog steeds, en zit
Leo Major
Vertaling
Wil Cornelissen
In de vroege ochtend
van 14 april 1945 moest
deze Duitser nog de wijk
nemen uit de stad. Hij
werd aan de Wilhelminasingel
door dr. Reinking
vanuit het raam
gefotografeerd
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Leo Major, met zijn
ooglapje, op 14 april
1945 aan de Wipstrikkerallee.
Hij is in het
gezelschap van, van
links naar rechts, de
heer Udves, de heer
Slendebroek en de heer
A. Beintema. De kinderen
komen uit het gezin
Kuipers; op de hurken
zit F. Kuipers
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
hier tegenover je om over de bevrijding te praten.
Ik ben ook de bevrijder van een kleine stad in
het meest zuidelijke deel van Nederland. Ik herinner
me de naam van dat plaatsje niet, maar wat ik
wel weet is dat ’t zo’n tien kilometer ten zuiden
van Breskens was. (Wellicht is dit Oostburg
geweest – vert.) De hele bevolking was door de
Duitsers geëvacueerd.
Hoe ’t ook zij, op een nacht viel een van onze
onderbezette compagnieën de vijand in die plaats
aan en zij werden geheel gedecimeerd. Niet één
man kwam terug. Diezelfde nacht zond mijn kolonel
mij er op uit om uit te zoeken wat er was
gebeurd. Ik ging op weg en kwam terug met 43
Duitse (krijgs)gevangenen; toen was die Nederlandse
stad in onze handen. Voor die actie ben ik
door Montgomery onderscheiden. Dat was in
1944, vele maanden vóór Zwolle. De tweede
bevrijding waarover ik kan vertellen, was bij mijn
Nederlandse familie Sleepenbeek in Nijmegen. Ik
J
noem hen mijn familie, omdat ik door hen als een
zoon werd behandeld. Het gezin bestond uit een
moeder, een vader die kapitein was in ’t Nederlandse
leger, drie dochters en een zoon van twaalf
jaar. Zij waren allen zeer gelovig en elke keer als ik
in Duitsland op patrouille ging, zeiden ze dat ze
voor mij zouden bidden dat ik de volgende morgen
terug zou komen. Het was voor mij daar een
rustpunt en dat bleef ’t voor mij gedurende vier
maanden. Toen de dag kwam dat we afscheid
moesten nemen, zeiden ze weer dat ze voor mij
zouden bidden. Maar toen ze zeiden dat ik voorzichtig
moest zijn, zei ik dat ik binnenkort een
Nederlandse stad voor hen zou bevrijden. Ik weet
niet waarom ik dat zei, omdat we eigenlijk richting
Duitsland gingen, maar zo was ’t. Misschien zei i

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1994

Door 1994, Zoek in ons tijdschrift

1< I JKEXEMPLAAR Historisch m •in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boven: De Thorbeckegracht
vlak voor de
afbraak van de Marsmanpanden,
ca. 1970.
Onder: De huidige situatie
op dezelfde plaats.
Foto’s: Dick Hogenkamp
Toen het nieuwe winkelcentrum bij de
Broerenkerk voltooid was, werden er plannen
ontwikkeld om ook de panden aan het
water op de kop van de Thorbeckegracht bij de
Diezerpoortenbrug onder handen te nemen. Deze
panden stonden bekend als de zogenaamde Marsmanpanden.
Na de Tweede Wereldoorlog waren
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
deze, van oorsprong i8de-eeuwse pakhuizen sterk
verwaarloosd. Vanaf de Diezerpoortenbrug boden
ze een trieste aanblik.
In een van deze panden zat jarenlang Ten Doesschate
Kruiden met een eigen malerij. De heerlijke
kruidengeur verspreidde zich over het water van
de Thorbeckegracht tot ver in de omtrek. Kenners
konden ogenblikkelijk vertellen of er nootmuskaat
of peper gemalen werd.
De panden waren in de jaren zeventig in een
zodanige staat geraakt dat restauratie of renovatie
niet of nauwelijks meer mogelijk was. Voordat
besloten werd tot de bouw van appartementen die
er nu staan, ging er heel wat water door de gracht.
Het aanvankelijk gepresenteerde ontwerp harmonieerde
totaal niet met de structuur van de
bebouwde omgeving. Dankzij hevige protesten
van de Vrienden van de Stadskern en persoonlijk
‘ingrijpen’ van burgemeester Drijber, die van
mening was dat het bouwplan qua schaal en
karakter te zeer afweek van het bestemmingsplan,
werd uiteindelijk gekozen voor een architectuur
die zich in hoofdvorm voegde naar de aanwezige
bebouwing, zoals nu blijkt uit de verspringingen
in gevels en daken van het appartementencomplex,
de sterk verticale structuur, de kleur van de
baksteen en van de dakpannen. Het is vooral de
inbreng van Han Prins geweest, die met zijn schetsen
toekomstige veranderingen op deze plek
zichtbaar maakte en definitief afrekende met het
oorspronkelijk ontworpen glazen gedrocht.
Toen de appartementen in de verkoop gingen
bleek er zo’n grote belangstelling voor te bestaan
dat ze als warme broodjes over de toonbank van
de makelaar vlogen. De plek was en is zeer gewild
en het uitzicht is uniek. In december 1983 kwamen
de 31 appartementen voor bewoning gereed. Het is
jammer dat spuitgasten de kademuur alweer met
graffiti hebben bewerkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Met dit nummer begint de Zwolse Historische
Vereniging aan haar tweede decennium.
De redactie hoopt dat de vereniging
zich in de komende jaren door haar activiteiten
en natuurlijk ook door publicaties in dit
tijdschrift, in een nog grotere belangstelling zal
mogen verheugen.
Het vierkleurenomslag van het jubileumnummer
was helaas een eenmalige zaak. Nu prijkt, weer
in wit-zwart, het interieur van de Grote Kerk op
het omslag. Op het orgel van deze kerk zal meermaals
de muziek van Johann Carl Röhner te horen
zijn geweest, zoals blijkt uit het artikel van Frits
David Zeiler. Deze musicus zou twintig jaar lang
zijn stempel drukken op het muziekleven in Zwolle.
Hij componeerde, dirigeerde uitvoeringen en
werkte samen met Rhijnvis Feith door diens
gedichten op muziek te zetten. Tijdens het onderzoek
kwam een dichtbundel van Röhner te voorschijn,
die tot nu toe een stil bestaan in het Provinciaal
Overijssels Museum geleid had.
In de tijd dat Röhner zijn muziek ten gehore
bracht in de Grote Kerk, hing het door Bob Erdtsieck
beschreven rouwbord van Johannes van de
Linde daar al enige jaren.
Zo’n 100 jaar na Röhner deed een heel ander
fenomeen zijn intree in de stad: de hockeysport.
Willem van der Veen beschrijft het wel en wee van
de Zwolsche Mixed Hockeyclub, die zich van een
aanvankelijk zeer elitaire club waar hockey onder
wat primitieve omstandigheden werd beoefend,
ontwikkelde tot een goed geoutilleerde vereniging-
Wat de overige artikelen betreft, de redactie
heeft geprobeerd de inhoud gevarieerd samen te
stellen in de hoop dat er ‘voor elk wat wils’ is te
lezen. Veel leesplezier.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle Willem van der Veen
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek Wil Cornelissen
Johann Carl Röhner (1774-1837) Frits David Zeiler
Zwolse fraters / 3 AafjeLem
De tamme spreeuw, Pieter van Noort (1621-1672) Lydie van Dijk
Een rouwbord in de Grote kerk Bob Erdtsieck
Literatuur
Agenda
Auteurs
10
13
26
28
30
33
34
35
Omslag: Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B.,
eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle.
Foto: Provinciaal Overijssels museum.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle
‘Een club der vrijage van de goede standen
Willem van der Veen
Een beeld uit de prilste
begintijd van de Zwolsche
Mixed Hockey
Club. In 1904 was de
(men mag wei aannemen:
vrijwel gehele)
club bijeen op het toenmalige
terrein in Frankhuis
bij de houthandel
Eindhoven. Links op de
achtergrond het huis
van de familie Van
Hall.
Zakelijk opportunisme was in 1902 een
belangrijke factor bij de oprichting van de
Zwolsche Mixed Hockeyclub. Dit is een
des te merkwaardiger geluid als men bedenkt dat
de hockeysport bijna een eeuw synoniem is
geweest met ver doorgevoerde amateurprincipes,
waarbij financiële belangen streng buiten de deur
werden gehouden.
Historische naspeuringen leiden naar één
bepaalde figuur: H.J.van Straten, die aan de Melkmarkt
een zaak in rijwielen en sportartikelen dreef
en die ook bestuurslid was van de thans 100-jarige
Zwolse sportvereniging ZAC. Het verdroot Van
Straten dat omstreeks de eeuwwisseling bij ZAC
alleen maar aan voetbal en wielerpolo werd
gedaan. Hij zag winst in een handeltje van hockeysticks,
dure kromme knuppels die uit Engeland
moesten worden geïmporteerd en waarmee
een voor die tijd gloednieuwe sport kon worden
beoefend.
Wat het spelletje precies inhield wist alleen Jasper
Warner, de legendarisch geworden Zwollenaar
die als één van de Nederlandse sportpioniers
kan worden beschouwd. Rond de eeuwwisseling
was hij voorzitter van ZAC en ook (van 1897 tot
1919) voorzitter van de Nederlandse Voetbalbond
die later het predikaat Koninklijk zou verwerven.
Jasper Warner had hockey in Engeland zien
spelen en toonde zich bereid het in Zwolle eens
met wat ZAC-leden te proberen. Van Straten
voelde er natuurlijk alles voor. Hij importeerde
een partijtje sticks (met onmetelijk lange haken,
twee platte kanten en een rubber ring in het midden
om de handen te beschermen) en vond al
spoedig een twintigtal afnemers die schuchter
tegen de ‘sinaasappel’ (de hockeybal was toen
oranje gekleurd) gingen slaan.
Dit opmerkelijk commerciële detail rond de
oprichting van de ZMHC, die daarmee de hockeysport
als eerste in Oost- en Noord-Nederland
introduceerde, kreeg ik in 1962 – bij het zestigjarig
bestaan van de club – van twee kanten te horen.
Het werd mij verteld in gesprekken met twee destijds
reeds hoogbejaarde oud-Zwollenaren, dr. L.
Bierens de Haan en N.J. Beversen die beiden vóór
1910 in Zwolle met de stick hebben gezwaaid.
Twee vrouwen
De hockeybal rolde voor het eerst op een klein
weilandje achter het huis van de familie Ten Doesschate
die toen in het Klein Weezenland woonde.
Wie kon men daar op zondagochtenden meestal
aantreffen? Natuurlijk Jasper Warner en verder
figuren als Jan Hoven (één van de pioniers van de
landelijke sportjournalistiek), S. ten Doesschate
en H. Deking Dura.
Vaak kwamen er ook twee jonge vrouwen, te
weten Nettie Bierens de Haan (oudere zuster van
een onzer zegslieden) en Mena de Vries. Zij kunnen
beschouwd worden als de eigenlijke oprichtZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sters van de Zwolsche Mixed Hockeyclub. Deze
geëmancipeerde dames vonden het op dat stoppelveldje
bij Ten Doesschate allemaal heel knus en
gezellig – met veel thee en zo -, maar zij voelden
met enkele anderen de behoefte aan een échte club
met een meer geregelde, minder provisorische
beoefening van de hockeysport.
Heren konden – niet dan na strenge ballotage – lid
worden als ze de leeftijd van twintig jaar hadden
bereikt. Voor de dames gold een iets minder strak
omlijnde limiet. Voor haar gold de leeftijd waarop
ze bij de verschillende Zwolse families werden
‘gepresenteerd’ en dan mochten deelnemen aan
de bals en diners, teneinde voor een huwelijk-van-
Samen met o.a. luitenant Van Woelderen (de
latere burgemeester van Vlissingen) en J.D. van
Hall vonden de dames een redelijk geschikt terrein,
een weiland in Frankhuis vlakbij de houthandel
Eindhoven.
Denk niet dat sportfanatisme, atletisch vermogen
en hoog tempo daar toen gewaardeerd werden.
Hockey werd uitsluitend in gemengde vorm
beoefend, dus vrouwen en mannen (zeg in die tijd
liever dames en heren) knus door elkaar heen. Het
ging er rustig en gezapig aan toe. Als de aanvalslinie
zich eens een tijdje uitzonderlijke actief
betoonde, kon het gebeuren dat de backs doodgemoedereerd
een pijpje opstaken.
Witte wiev’n
De heren droegen lange kniebroeken en hoog aan
de hals gesloten truien. De pet op het hoofd ontbrak
vrijwel nooit. De dames waren gestoken in
lange witte gebreide truien en rokken van ribfluweel
die tot op de enkels hingen. Baronesse De
Vos van Steenwijk die in de beginjaren ook meespeelde,
vertelde me in 1962 in haar woning in De
Wijk dat voorbijgangers de handen van verbazing
ineen sloegen wanneer ze dames met zulk een
krankzinnig gedoe bezig zagen. Een boer noemde
ze ‘wiev’n met witte jakk’n’.
stand te worden klaar gestoomd. In de regel was
die leeftijd omstreeks achttien jaar.
Het is wel duidelijk dat hockey in die jaren uitsluitend
weggelegd was voor de gegoede standen,
wat heet!: de allerbeste Zwolse families. Bekijk de
volgende namen die uit enkele oude ledenlijsten
konden worden opgediept: jhr. C. Greven, S. van
Roijen, baronesse De Vos van Steenwijk-van Roijen,
A. baronesse Van Ittersum-van Reede, Jacques
van Reede, mevrouw Braakman-Quarles de Quarles,
ridder J. Bosch Van Rosenthal, J. Schaepman,
J. Doyer en H. van Velzen Coster, allen telgen van
de meest vooraanstaande Zwolse families.
De Pelikaan
Een historisch jaar in het bestaan van de ZMHC is
1906, toen de hockeyers van Frankhuis verhuisden
naar een veld bij De Pelikaan aan de Meppelerstraatweg,
de roemruchte uitspanning van de
familie Dijk. Precies zestig jaar later, in 1966, viel
dit pittoreske café ten offer aan het moderne verkeer.
De plek waar het stond, werd bedolven
onder de vele meters dikke zandlagen van de A 28.
Maar het sportterrein dat zijn naam aan deze uitspanning
ontleende, bleef tot de dag van vandaag
het domein van de Zwolsche Mixed Hockeyclub.
In datzelfde jaar 1906 legden de Zwolse hockey-
Eenfoto uit 1908 van
een (mixed) oefenpartijtje
op de Pelikaan.
Het ‘zwakkegeslacht’
zag er toen geen been in
om de bal in de lange
rokken op te vangen. Op
de achtergrond de toegangsweg
naar de Kranenburg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ers de eerste contacten met andere verenigingen.
Er werden, zoals dat toen heette, ‘matches aangegaan’
met elftallen uit o.a. Zutphen, Velp, en Den
Haag. Het eerste wapenfeit van betekenis was in
1909 het veroveren van de Nijmeegse Samovar, die
in dat jaar voor de eerste maal werd verspeeld.
De gezelligheid stond niettemin voorop. Na
In 1908, toen de ZMHC
zojuist naar de Pelikaan
was verhuisd, poseerde
het herenelftal in het
doel, dat groter van
formaat was dan tegenwoordig.
Van links naar rechts:
staand: S. van Royen,
Louis Bosch van Rosenthal,
E.]. C. Greven,
Jacques van Reede,
Albert Mouw, C.
Hermsen, J.E. baron De
Vos van Steenwijk, Ru
de Goeyen; zittend: Jo
Bosch van Rosenthal,
Jan Schaepman, Boy
Royer, Piet Lechner.
afloop versloegen de heren samen met hun tegenstanders
de dorst in de Grote Sociëteit in de Koestraat.
De dames werden daar niet toegelaten,
maar zij verzonnen een ander uitje. Ze gingen zich
bij banketbakker Baggelaar op de Melkmarkt te
buiten aan taartjes die ze zelf op de rekken in de
winkel konden uitzoeken en daarna in de opkamer
van Baggelaar mochten opeten.
Wanneer het mooi weer was, wandelde de hele
hockeyfamilie na de strijd op de Pelikaan naar de
uitspanning op de Agnietenberg, waar ‘dikke
melk’ werd gegeten en de jongelui een thans vergeten
spel beoefenden dat ze ‘wandspringen’
noemden. Volgens één van mijn zegslieden, de
heer A.D. Wentholt, hielden de hockeyers tedere
herinneringen over aan die tijd. Niet voor niets
betitelden ondeugende Zwolse tongen de ZMHC
in die dagen als ‘een club der vrijage van de goede
standen’.
Met de Jan Plezier
Tot 1915 werden uitsluitend wedstrijden in
gemengd verband gespeeld, maar in dat jaar nam
voor het eerst een herenelftal aan de oostelijke
competitie deel. Hete duels werden uitgevochten
met Deventer, Zutphen, Arnhem en Nijmegen,
maar over resultaten staat in zeer schaars overgebleven
clubannalen bijna niets te lezen. Die werden
in die jaren blijkbaar niet belangrijk geacht…
De Zwolse club werd in hockeykringen beroemder
door de ceremonie die na 1915 aan de wedstrijden
op De Pelikaan voorafging. Wanneer de gasten
– meestal per trein – in de stad waren gearriveerd,
togen zij naar het voormalige hotel De Keizerskroon
in de Kamperstraat, waar ze zich in
sporttenu staken. Daarna ging het in een Jan Plezier
in optocht naar het veld aan de andere kant
van de stad. De Zwolse hockeyers reden er op de
fiets achteraan, waarbij de sportschoenen aan het
stuur bungelden.
In een hoekje van het terrein stond een soort
prieeltje, afgeschut door drie doeken, waar in de
rust gezellig thee gedronken werd. Na afloop
besprak men in de gelagkamer van De Pelikaan
het verloop van de hockeystrijd onder het genot
van ettelijke glaasjes boerenjongens die door de
waardin, Moeke Dijk genaamd, zelf was gebrouwen.
Deze ceremonie bleef tientallen jaren bestaan
(overigens met een wisselend drankenpatroon),
tot in het begin van de jaren vijftig. Schrijver
dezes, die vlak na de Tweede Wereldoorlog ging
hockeyen, heeft nog een teug geproefd van deze
onvergelijkelijke sfeer – een mengeling van studentikoos
standbewustzijn, bravour en boerengemoedelijkheid.
Moeke Dijk
Als middelpunt van rust fungeerde daarin Dina
‘Moeke’ Dijk die met haar omvangrijke gestalte,
gehuld in een zwarte boerenjapon, een tegenwicht
vormde tegen de exclusieve toon die vroeger in
hockeykringen gebruikelijk was. Temidden van de
dubbele tot viervoudige namen, al of niet verlucht
met adellijke titels, voelde Moeke Dijk zich even
goed thuis als in later jaren, toen hockeyende Jansens
en Pietersens geen uitzondering meer waren.
Ze schonk rustig haar kopje koffie, bereid met
degelijke melk – zó van de koe -, tapte haar glaasZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
jes of verkocht een ‘reepien sukela’ uit het antieke
glazen kastje dat niet van de tapkast weg te denken
was.
Nieuwsgierig was ze wel, hetgeen ze in de praktijk
bracht door haar klanten op een handige, terloopse
manier uit te horen. Vaak stelde ze haar
huiskamer achter het café ter beschikking van de
hockeyers als er op de zondagmiddagen teveel
‘gewoon’ publiek in de gelagkamer zat. Op die
dagen werd er meestal bediend door de bejaarde
kelner Beekman die, als de feeststemming tot een
hoogtepunt was gestegen, weieens bereid bleek op
een stoel te klimmen om lichtelijk scabreuze liederen
uit de oude doos te zingen.
In de jaren vijftig kwam er een einde aan het
knusse, oubollige samenzijn bij Dijk. Op den duur
voelden de ZMHC-ers zich niet meer thuis in de
gelagkamer, waar de sfeer langzaam veranderde.
Een nieuw, agressiever cafépubliek mengde zich
op de zondagmiddagen tussen de Zwolse hockeyers
en hun gasten. Dat botste. Aangeschoten lieden
bemoeiden zich met de hockeyers, waardoor
vaak een onbehaaglijke stemming ontstond.
Enkele ZMHC-ers die meer te verteren hadden
dan de gemiddelde schooljongen, hadden er
genoeg van. Zij ontdekten ’t Pothuys, een van de
eerste bars van Zwolle. En tegelijk een van de sjieke
soort, gevestigd als hij was in het souterrain van
Grand Hotel Wientjes, het duurste etablissement
van de stad.
Deze horeca-gelegenheid-van-de-modernesoort
met zijn populaire barkeeper Ynze Conradi
– een échte heer die prima in hockeykringen paste
– bleef meer dan twintig jaar de vaste uitwijkplaats
na de wedstrijden. Totdat in de jaren zeventig het
eigen ZMHC-clubhuis, dat inmiddels op de Pelikaan
was gebouwd, een zodanige accomodatie
kreeg dat de ontvangst van gasten – heilig in de
hockeywereld – in eigen beheer genomen kon
worden.
Primitief
Terug naar de jaren twintig. Toen konden de
ZMHC-ers in hun stoutste dromen niet aan een
eigen clubhuis denken. Het was maar een primitief
gedoe op de Pelikaan, ondanks het feit dat het
herenelftal in de hoogste afdeling speelde. Kleedruimte
ontbrak nagenoeg en vele maanden van
het jaar graasden de schapen van Dijk op het veld.
Onder de leden moeten overigens voldoende
financiële middelen hebben gezeten, maar de club
merkte daar niet veel van. Kijk eens naar de
namen van een elftal dat omstreeks 1920 op de
oostelijke velden opereerde en waarvan de opstelling
bewaard is gebleven. Het bestond uit: J. Schaepman,
F.A.C. Gregory, jhr. J.F. Berg, jhr. H. Hora
Siccama, W. Loos, mr. J.W. Willinge Gratama,
ridder J. Bosch van Rosenthal, jhr. J.G. van Spengler,
W.C. Graaf van Rechteren Limpurg, S.M.S.
Reitsma en J.C. van Reede, de ‘grote kleine Sjakie’,
zoals deze gefortuneerde Zwollenaar werd
genoemd.
Ook de damesafdeling uit die tijd mag niet vergeten
worden. Enkele vooraanstaande speelsters
waren de dames Kloos-Thiebout, baronesse J.J.M,
van Boetzelaer-Royaards, Jentink-van Holthe en
A.E. Eeftinck Schattenkerk-Tjeenk Willink.
Nieuwe generatie
In de jaren twintig begon de glorie van de oude
‘Mixed’, die jarenlang een steunpilaar van het oostelijk
hockey was gweest, te tanen. Vele goede spelers
verlieten de middelbare school, gingen elders
studeren of werden opgeslokt door de handelswereld.
Daarbij liet de aanvoer van jong bloed zeer te
wensen over, zozeer zelfs dat in 1924 het trieste
besluit moest worden genomen het clubleven
Een ZMHC-feest rond
1934 in de gelagkamer
van De Pelikaan. Rechts
(op een stoel) ‘Moeke’
Dijk en de legandarische
kelner-zanger
Beekman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
geheel stil te leggen. Een kleine vijfjaar bestond de
club alleen in naam. Maar als men aan het einde
van de jaren twintig eens bij het weilandje van de
Boschbleek in het Klein Weezenland ging kijken,
kon men daar de eerste levenstekenen van een
nieuwe, minder exclusief aristocratische hockeygeneratie
aanschouwen.
Telgen van de katholieke, kinderrijke familie
Oldenhof en hun yriendjes sloegen met zelf
gemaakte sticks (krom getrokken knuppels) tegen
een hockeybal. Spoedig daarna werd de ZMHC
met succes nieuw leven ingeblazen en werd er
weer druk gehockeyed op de Pelikaan. In een oud
jaarverslag staat: ‘Het terrein is oneffen, de kleedgelegenheid
zeer primitief, maar de mooie ligging
en de gastvrijheid bij Dijk maken veel goed.’
De club ging weer meetellen in het oosten en
bereikte in 1934 opnieuw de eerste klasse. Namen
uit die vooroorlogse jaren: Karel Remmers, Pim
Lankhorst, Jurriaan Tjeenk Willink, Henk Fernhout,
Hein Sluiter, Harry Koedijk, Coen Oosterwijk
en Pieter Potasse. In 1935 kreeg de ZMHC
zowaar een permanent onderkomen, een houten
kleedgebouwtje dat van de voetbalclub Swift was
overgenomen.
Merkwaardig genoeg was in de oorlogsjaren
van een vermindering van het clubleven geen
sprake. Dat had zelfs rechtstreeks met die oorlogsomstandigheden
te maken. Het Centrale Distributiekantoor
werd van Den Haag naar Zwolle verhuisd,
hetgeen een flinke import van goede westelijke
hockeyspelers veroorzaakte. De ZMHC
boekte een record aantal leden en was korte tijd
schier onverslaanbaar op de oostelijke velden.
Rampzalig plan
Na de bevrijding kwam er snel een einde aan deze
bloei en ging de ZMHC een van haar moeilijkste
perioden tegemoet, ondanks heldhaftig verweer
van de toenmalige voorzitter Wim Gepkens en de
jonge wedstrijdsecretaris Theo Föster. Juist in die
tijd zette schrijver dezes als jonge scholier zijn eerste
schreden op het hockeyveld en was dus in de
gelegenheid om de deplorabele toestand waarin
de club buiten haar schuld was komen te verkeren,
uit de eerste hand mee te maken. De gemeente
Zwolle had namelijk een voor de ZMHC rampzalig
plan opgevat om vlak achter de Pelikaan een
crematorium te bouwen. Uit overwegingen van
piëteit moesten de hockeyers van het toneel verdwijnen.
De treurende nabestaanden zouden weieens
geschokt kunnen worden door dravende
vrouwen en mannen met een schaars stukje bloot
been…
Er werd een nieuw onderkomen gevonden: het
Wilhelminaterrein in de Veeralleebuurt, waar de
Zwolse Lawn Tennisbond zojuist een aantal nieuwe
tennisbanen was gaan bespelen. Een even
onvermijdelijke als financieel armlastige stichting
moest zorgen voor de uitvoering van deze plannen.
Het oude hockeykleedhok werd alvast naar
de Veerallee verhuisd om ook de tennissers onderdak
te verschaffen. Op dit Wilhelminapark is in
clubverband nooit één hockeybal geslagen, sterker:
de operatie kostte de ZMHC bijna het leven.
Rond 1948 was er op de Pelikaan niets meer
over dan een paar vermolmde hockeydoelen. De
club kwijnde snel weg. De damesafdeling ging
geheel ter ziele en er kon nog slechts één herenelftal
op de been gebracht worden. Wonder boven
wonder mocht dit dankzij de inbreng van een
handjevol zeer ervaren spelers als Fons Toebosch,
Wim Quirijns, Hein Sluiter, Sjef van der Muur,
Jan Overmars, Frans Oldenhof en de uit Den Haag
afkomstige oud-international Paul van de Rovaart
in de hoogste afdeling uitkomen.
De gerenommeerde gastelftallen troffen in
Zwolle een accomodatie die elke beschrijving tartte.
Of liever: er was helemaal geen accomodatie.
De spelers moesten zich verkleden in de oude veestal
van Dijk, letterlijk tussen de dampende koeien
en in de stank van het persvoer. Wie zich na de
strijd wilde verfrissen was – in hartje winter – aangewezen
op de koperen pomp met houten zwengel
die buiten op het erf van Dijk stond.
Gelukkig ging de verhuizing naar het Wilhelminapark,
waar slechts ruimte voor één veld was,
op de valreep niet door. De gemeente zag haar
plannen voor het crematorium in de ijskast belanden
en de ZMHC kon aan de Pelikaan blijven.
Groei
Rond 1950 tekenden zich de eerste verschijnselen
af van de later zo onstuimige groei. Er verscheen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hockeyveld aan de
Pelikaan, zoals het er
tot het eind van de jaren
vijftig bij lag. Middenachter
het houten clubhuisje.
Rechts de stal
van de uitspanning die
na de oorlog enige jaren
als kleedgelegenheid
diende.
een wekelijks clubblad dat de sfeer in de vereniging
zeer ten goede kwam, er werd een – overigens
nog bescheiden – houten clubhuis gebouwd en er
kwam een plotselinge toevloed van jeugdige leden.
Spelers als Theo Föster, Willem van der Veen,
Jarig Haasdijk, Wilfred Alberts en Jan de Gruyter
zorgden er in 1953 eerst voor dat de ZMHC in de
eerste klasse terugkeerde en zetten in 1958 de
kroon op hun werk met een oostelijk kampioenschap
en eervolle deelname aan de strijd om de
landstitel.
Het eerste dameselftal promoveerde in 1955
naar de eerste klas en werd het jaar daarop direct
reeds oostelijk kampioen met speelsters als Alette
Huytker, Toos de Jong, de zusjes Eeftinck Schattenkerk,
Elly van der Waarde en Els van Hees.
Sinds die tijd groeide de ZMHC uit tot een
strak geleide, goed geoutilleerde hockeyvereniging.
Zij bracht een aantal internationals en nationale
bestuurders voort, zij introduceerde kunstgras
in Zwolle en zij acteert met tussenpozen op
het hoogste landelijk niveau. Met een ledental uit
een brede laag van de Zwolse bevolking heeft de
ZMHC de oude betiteling ‘club der vrijage van de
goede standen’ ver achter zich gelaten.
SONNET OP DE PELIKAAN
Begraven onder dikke lagen
haastig opgespoten zand
die gestaag de wielen dragen
ligt mijn oude dromenland.
De kroeg mocht niet geweldig heten
met het hobbelig biljart,
laken tot de draad versleten,
en de kachel, roestig zwart.
Maar het was de eerste plek
waar ik vorst’lijk heb gezeten,
klappen op de schouder kreeg
en na zwoegen, rennen, zweten,
van rechtsbuiten tot linksback,
af en toe een wolk besteeg.
WILLEM VAN DER VEEN
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek
Wil Cornelissen Bij de herinwijding van de Zwolse synagoge
op 20 september 1989 hield de toenmalige
burgemeester van de stad mr. G. Loopstra
een indrukwekkende rede. Daarin schetste hij het
wel en wee van de Joodse Gemeente van Zwolle
door de eeuwen heen.
Aan het eind van deze redevoering maakte de
heer Loopstra (tegenwoordig voorzitter van de
Stichting Voortbestaan Synagoge) bekend, dat in
Zwolle-Zuid in Schellerbroek een aantal straten
genoemd zou worden naar joodse Zwollenaren,
die het slachtoffer werden van de vervolging.
De zes vernoemden zijn te beschouwen als een
‘vertegenwoordiging’ van al die honderden Zwolse
joden die in de Tweede Wereldoorlog om het
leven zijn gebracht. Deze zes zijn door de gemeente
gekozen uit een aantal dat was voorgedragen
door de Israëlitische gemeenschap. De doorgaande
straat heeft de naam Diasporalaan gekregen,
waarmee de verstrooiing van de joden buiten
Palestina wordt aangeduid.
De straten zijn – van west naar oost – genoemd
naar:
Izak Os
27.12.1870 Zwolle – 9.7.1943 Sobibor
Izak Os, mijn grootvader, op latere leeftijd voor
veel Zwollenaren, ook buiten de familie ‘oom
Izak’, was handelsman. Met zijn vrouw Lea Os-
Spits en hun vijf kinderen heeft hij op vele adressen
gewoond. Op de kaart van het bevolkingsregister
Boven: Gezicht vanaf de brug over de Zandwetering
bij de Bierton in de richting van de stad. Op deze
weilanden verrees de nieuwbouw van de wijk Schellerbroek.
In de verte is links Stork Dieselmotoren te
zien. Rechts van de Peperbus staat het huis van
D. Sluiter, vroeger aan het Schellerpad geadresseerd,
thans Pilotenlaan 64. De foto dateert uit 1972.
Onder: Plattegrond van de wijk Schellerbroek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
staan vermeld: Wilhelminasingel, Diezerstraat,
Spoelstraat, Bitterstraat, Eiland, Jufferenwal, Roggenstraat,
Thorbeckegracht, Deventerstraat, Tuinstraat,
Derk Buismanstraat. Deze reeks straatnamen,
aangevuld met de familieverhalen, geven een
(onvolledig) beeld van de op- en neergang van de
handel. Soms verdiende opa goed, maar soms ging
ook alles verkeerd. Hij staat te boek als ‘koopman
in emaille goederen’ en de potten en pannen kan ik
mij uit m’n jeugd nog wel herinneren. Maar ook in
andere zaken is wel gehandeld als dat zo uitkwam.
Enigszins ongewoon voor iemand in zaken is
het feit, dat Izak Os zich al in een heel vroeg stadium
aansloot bij de SDAP. Bekend is het verhaal
(hij vertelde dat zelf zo graag), dat hij dan wel niet
behoorde bij de twaalf oprichters van de partij –
zij werden spottend de twaalf apostelen genoemd
– ‘maar ik was dan toch zeker de dertiende’. Hij
heeft ook nog een aantal jaren voor SDAP in de
Zwolse gemeenteraad zitting gehad.
Doodziek is hij, samen met zijn vrouw, als een
der laatste joden uit zijn huisje in de Derk Buismanstraat
gehaald.’
David Spanjar
12. 6.1886 Zwolle – 27.11.1943 Auschwitz
Een bekende bakker. Zijn winkel, Praubstraat 1
(ongeveer op de plaats waar nu de VW is gevestigd),
was goed beklant. Vooral op zondagmorgen
stond de zaak vol met joodse en niet-joodse Zwollenaren,
die allemaal vers brood en/of gebak kwamen
kopen.
David Spanjar was een van de joden die bijna
iedere dag naar de ochtenddienst in sjoel gingen, ’t
Was er nooit erg vol, maar er was wel minjan.2
Spanjar was niet de enige kosjere bakker in
Zwolle. Er waren ook nog de zaken van Andries
Troostwijk en Abraham Wolff.
Hartog Stibbe
2. 6.1886 Zwolle -19.10.1942 Auschwitz
Siegfried Hartog Stibbe was musicus. Hij is lange
tijd concertmeester van het Berlijns Philharmonisch
Orkest geweest. Zijn eerste opleiding kreeg
hij op de Zwolse muziekschool.
In Duitsland liet hij zich Henri noemen.
Omdat hij als klassiek musicus niet dik werd
betaald, leidde hij ook een zigeunerkapel, waarmee
hij ’s avonds laat in restaurants speelde. Als
leider hiervan had hij veel succes.
In de jaren dertig kwarri faij terug naar Nederland.
Hij heeft toen nog een tijdje in de Van Hattumstraat
2a in zijn geboortestad gewoond. Later
is hij naar Amsterdam verhuisd. Vandaar is hij
naar Polen gedeporteerd.
Flora Bilderbeek
2. 8.1883 Zwolle -19. 2.1943 Auschwitz
Eigenlijk Flora Bilderbeek-Denneboom. Zij was Laatste foto van Izak Os
Op heden den iC–^-2—*>>^ <-^ ^-^*-*-»^»--i^w^<^^^— ><^*^-^-* des jaars negentienhonderd negen en dertig, verschen/i voor nrffAmbtenaar van den burgerlijken :Stand der gemeente Zwolle, in het openbaar in het gemeentehuis: Deel van de huwelijksakte van Flora Denneboom en Onder: Hartog Stibbe David Bilderbeek (2/juli 1939) 12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Links: Ter Pelkwijkpark nr. 5, waar Hendrina Broekman haar pianolessen gaf. Foto: W. Cornelissen Rechts: Burgerlijke stand uit de Zwolse Courant van 4.1.1943 een in Zwolle zeer bekende vroedvrouw. Er moeten nog veel Zwollenaren zijn, die door haar op de wereld zijn geholpen. Haar laatst bekende adres was Rodetorenplein 9. Zij is nog in 1939 getrouwd met David Bilderbeek. Hendrina Broekman 9. 4.1889 Zwolle - 3. 9.1943 Auschwitz Hendrina Broekman was pianolerares. Ze woonde eerst in de Kamperstraat op nummer 8, boven de zaak van Olland. Later gaf ze lessen in haar huis Ter Pelkwijkpark nr. 5. Zij was een ongetrouwde, statige, beetje dikke dame 'met prachtig haar'. Haar twee broers hadden een veilinghuis: 'De Witte Roos' op de Melkmarkt op nr. 20. Mirjam van Zwaanenburgh 1.1.1943 Zwolle - 23. 7.1943 Sobibor Mirjam Chaja van Zwaanenburgh was de kleindochter van de laatste opperrabbijn, Samuel Juda Hirsch. Haar ouders waren Nathan van Zwaanenburgh en Jenny Hirsch. Haar vader was secretaris BURGERLIJKE STANTD Ondertrouwd: 4 Jan F. W. Feith, van Rossumstraat 21 en M. de Jong. van Ittersumstraat 51 Getrouwd: 4 Jan B. Flikken en N Talma, Sophiastraat 37. Geboren: 31 Dec Willem Marinus, z. van J. Zwart en E. van Wingerden Hattem — 1 Jan. Mirjam Chaia. d' van N. van Zwaanenburgh en J Hirsch, Schoutenstr 14. — 2 Jan. Rensje, d. van G. Beernink en L Dekker, Gennestraat 15. — Johanna Gerridina. d van D. Heidoorn en J. Bosch. Assendorperdijk 5 — Pieter Christiaan Wilhelm, z. van P. van den Akker en W van der Horst, Molenweg 125. — Marrigie d. van K. Vis en J. Souwman, Vollenhove. — Hendrik je d. van G van het Hul en A Popping. Thomas a Kempisstraat 31. — 3 Jan. Lambertus. z. van K Huisman en A. Grevelink. Lindestraat 75 — Hendrika Maria Francisca. d van A. Th Overmars en M Visscher, Achterom 140.— Hendrik, z. van M. Riesebosch en J. Withaar, Molenwes 90 — 4 Jan. Maria Agatha Elisabeth. d van J. H Basseijn en van de Zwolse joodse gemeente. Het gezin woonde in de Schoutenstraat op nr. 14, naast de synagoge. Mirjam is een halfjaar oud geworden. Ik heb de stellige indruk dat de Mirjam van Zwaanenburghstraat de enige straat in Nederland is, die naar een baby is vernoemd... Noten 1. Zie ook W. Cornelissen, Izak Os (1870-1943), in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1992) 47-50. 2. Tien volwassen mannen, een minimum aantal dat aanwezig moet zijn om dienst te kunnen houden. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Johann Carl Röhner (1774-1837) Een muzikant met hartstocht Sinds de laatste restauratie wordt de Zwolse Broerenkerk met enige regelmaat gebruikt voor concertuitvoeringen. Daarmee is een oude traditie in ere hersteld. In het begin van de vorige eeuw kon de burgerij in dezelfde omgeving namelijk kennis maken met 'het alom beroemde Meesterstuk van den grootsten der Toonkunstenaren', Joseph Haydn's 'Schöpfung'. De première vond plaats op 2 december 1803 en had zoveel succes, dat een herhaling volgde in maart 1804.' De leiding berustte bij de Kamper organist en 'muziekdirecteur' Cornelis Berghuijs, die de in 1801 in Amsterdam geïntroduceerde Nederlandstalige versie van Johannes Kinker gebruikte.2 Behalve de dirigent kwam ook een deel van de instrumentalisten (en vocalisten) van buiten Zwolle; het Deventer muziekgezelschap 'Unis par les sons de la musique' had in 1803 natuurlijk niet zonder bedoeling de partituur van Haydn's oratorium aangeschaft.3 Trouwens, ook de enkele jaren eerder overleden Zwolse 'primarius' Johann Gottlieb Nicolai had deze muziek in zijn bezit.4 Naast de Broerenkerk werden ook de Bethlehemse Kerk en de Grote Kerk voor uitvoeringen in grote bezetting gebruikt, terwijl de Nieuwe Concertzaal in de Bloemendalstraat geschikt was Frits David Zeiler Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B., eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle. Foto: Provinciaal Overijssels museum. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT ir., ''érf/*»"P% de het spoor van zovele musicerende landgenoten en kwam in Nederland terecht (zijn broer Georg Wilhelm zou hem een jaar of tien later volgen). Begin 1797 vinden we hem in dienst van de Bataafse Republiek als 'Musicant by de tweede halve Brigade Infantery', die in Arnhem in garnizoen lag. Daar had hij de 'jongedochter' Anna (ook: Johanna) Maria Bergman leren kennen, die hij op 19 februari 1797 huwde. Zij kregen vier kinderen, van wie Johann Ludwig Moritz (1798) en Carolina Elisabetha (1800) in Arnhem, Friederica Amalia (1803) en Georg Wilhelm (1806) in Zwolle werden geboren. De beide zoons zouden net als hun vader beroepsmuzikant worden.6 Een musicus was in die tijd een generalist. Hij moest niet slechts één instrument beheersen, maar naast het 'klavier' (orgel, clavecimbel en spoedig ook fortepiano) ook tenminste de viool kunnen bespelen, liefst de fluit, daarbij goed kunnen zingen, improviseren en ensemblespelen.7 Muziektheoretische kennis, vaardigheid met directie en enige compositorische gaven strekten tot aanbeveling. Röhner beheerste het allemaal, toen ej9 r££.>?% preoZ
Autograaf van de cantate
‘Het Onweder’ op
tekst van Rhijnvis Feith.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
Eigenhandig geschreven
titelblad van de cantate
‘Het Onweder’, 1806.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
voor kamermuziek en vocale muziek, waaronder
opera, van wat bescheidener omvang. Al met al
komt een beeld naar voren van een tamelijk levendig
muziekleven in de Overijsselse hoofdstad kort
na 1800.5 Een man vooral zou er gedurende bijna
twintig jaar zijn stempel op drukken: Johann Carl
Röhner.
Een nieuwe ‘muzijk-directeur’
Johann Carl Röhner werd op 18 juni 1774 geboren
in Coburg als oudste zoon van de boekdrukker
Johann Moritz Röhner en Catharina Johanna
Ostertag. ‘Carl’, zoals zijn roepnaam luidde, volg-
/ur
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hij in 1801 op de vacature-Nicolai solliciteerde, en
zal met hoge verwachtingen in Zwolle zijn binnengehaald.
8
De nieuwe ‘muzijk-directeur’ kon voortbouwen
op de basis, die onder zijn voorganger voor
het Zwolse muziekleven was gelegd. Hoe de contacten
met zijn Kamper collega Berghuijs waren, is
niet bekend, maar de indruk bestaat dat pas na
diens overstap naar Deventer Röhners activiteiten
tot hun volle ontplooiing konden komen. De
Zwolsche Courant maakt begin 1803 voor het eerst
melding daarvan: op 11 januari zou de organist in
de Nieuwe Concertzaal ‘een vocaal en instrumentaal
concert geven, met eigen composities voor
viool, clarinet en pianoforte’. Daarna zou Röhner
vele seizoenen lang niet meer ontbreken, noch in
de reeksen in de concertzaal (waar in 180618 voorstellingen
werden gegeven), noch bij muzikale
manifestaties elders in de stad.9
Dat de lijst na 1810 grote lacunes vertoont, is
vermoedelijk te wijten aan onze bron. We moeten
er trouwens rekening mee houden, dat de vermelding
van musici en te spelen werken lang niet
M ü % IJ K A A L
ZAK-WOORDENBOEK.
V E R K L A R I N G < » BESCHRIJVING) VOCALE IK INSTRUMENTALE TOONKUNST IN O&SltUftt ZIJNDE, KUNSTTERM&N EN INSTRUMENTEN. si an al In jnsx en unpnsmmmt der Hlu/.IJK locgcivyd. D O O R J. C. Ji Ó JJ N £ II, XomipenJtnt dtr ^itrie Kim f* cm è*t Kanttt* tijk Ntd*rlmn4Ctbc tttftituut, Ut»iijh~ Oi' te~ tuur $* Orgfitt it Z&otti. re Z m i 1 E, • v D i m V A M S r È o s i 1, 8 2 o . altijd volledig is, zodat Röhner waarschijnlijk bij veel meer uitvoeringen betrokken is geweest dan we uit de aankondigingen kunnen opmaken. Tot de belangrijkste werken die onder Röhners leiding in Zwolle tot klinken werden gebracht behoorden Haydn's 'Jahreszeiten', vermoedelijk opnieuw in een Nederlandse vertaling, in 1805 in de Bethlehemse kerk, en Mozarts 'Zauberflöte' in 1806 in de Nieuwe Concertzaal. De laatste uitvoering betrof niet de gehele opera, doch wel de 'voornaamste stukken' daaruit. In 1808 waren opnieuw hoogtepunten uit 'De Schepping der Waereld' te horen. Bij dezelfde gelegenheid bespeelde Röhner 'het nieuw uitgevonden instrument het Melodium'. Röhner als componist10 Regelmatig ook kon de Zwolse burgerij kennis nemen van composities van zijn muziekdirecteur zelf. We zagen al, hoe hij in 1803 kamermuziek van eigen hand ten gehore bracht. Begin 1805 volgde de opera 'De Storm of het betooverde eiland', in maart 1807 de cantate 'Het Onweder' op tekst van Rhijnvis Feith (herhaald op 25 juli d.a.v. en in maart 1809), begin 1810 de opera 'Meifort en Clare', eveneens op tekst van Feith, op 1 april 1817 de opera 'Het kleine Duimpje en de Reus Fayel' en op 6 april 1819 de wederom door Feith berijmde cantate 'De verlossing van Nederland'. Gemiddeld eens in de drie jaar leverde Röhner dus een groot vocaal werk af, terwijl hij in dezelfde periode nog een drietal missen moet hebben gecomponeerd (waarvan de nos. 1 en 3 bewaard zijn) alsmede tientallen liederen. De meeste daarvan zijn in druk verschenen bij J.B. Nolting in Amsterdam; het Haags Gemeentemuseum bezit 22 nummers van deze uitgever, met titels als 'A ma lyre', 'Verlangen' en 'Abendlied', het laatste met opdracht aan Georg Wilhelm. Helaas zijn maar weinig werken gedateerd of van een opusnummer voorzien. Dat geldt evenzeer voor de instrumentale werken, met uitzondering van de 'Simphonie a grand orchestre' (in D) opus 3 uit 1802, de 'Musique militaire pour Ie piano' uit 1820 en de 'Potpourri pour flüte principale' uit 1821. Van Rohner's versie van 'Het Onweder' is de autograaf bewaard gebleven, die via het genootschap Felix Meritis bij de Maat- Titelblad van Röhners 'Muzijkaal Zak- Woordenboek', 1820. Particuliere collectie. Foto: F.D. Zeiler. 16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Uit de liederencyclus 'Fanny' van Röhner en Feith, 1808. Toonkunst- Bibliotheek, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. schappij tot Bevordering der Toonkunst terecht is gekomen.'' Opvallend is de dubbele bezetting van een groot aantal instrumentgroepen (waaronder de altviolen) en de vooraanstaande rol van de blazers, die het natuurgeweld in deze half geestelijke, half op een pastorale lijkende cantate zo krachtig mogelijk moeten oproepen. Op de keerzijde van het titelblad heeft Röhner geschreven: 'De inleiding stelt eenen schonen zomerschen dag voor. Dann spoedig zwellen donkere onweerswolken te zamen en bedekken den gezichtseinder. Reeds rollt van verre de donder en van lieverlee nadert het onweer. Bliksems doorkruisen zich, de stormwind huilt en de donder ratelt. Van langzamerhand trekt het onweder over; de Bliksems worden flaauwer, de donder bromt in de verte en de Wind gaat liggen. Vrolijk verheldert zich de hemel en alles gevoelt nieuw leven en juicht van vreugde in de opnieuw bezielde natuur. J.C. Röhner.' (Volgt eenzelfde tekst in het Duits.) tï.* fc. V V HII|JN IS V KITII: v *B?;IH0 cd ! IHH S"S' A X!' I1I,W(!KVj A% ' V . HOÏfXF. tl' il S i" jl irï. R . ' N Ï 01' II KT (ll'.AI' VAX ElM'Allll . SS» A».-/f, .stf,,miam,--:/rhMll/ir *ir.ir m/b, t/7ft.è wmtr een /u.rA 1 fijt „•&**.* vanJ* trim/ Jfn ?*,i£ .. H hlirt Jhtrrtn fiAr.f9Cwftil/ il Met i/e. Htti/ti ü pil *> üicr Je
Uit het feit, dat ‘Het Onweder’ meer dan een
keer is opgevoerd (en in 1827 nogmaals in een
Duitstalige versie in première is gegaan), kunnen
we opmaken dat het werk in de smaak is gevallen.
Het was in elk geval een langer leven beschoren
dan de toonzetting door Röhners voorganger
Nicolai, waarvan we slechts een vermelding over
hebben. Vooral de dichter zal er tevreden mee zijn
geweest. De samenwerking tussen Feith en Röhner
was trouwens over de hele linie hecht en
vruchtbaar. Hierboven noemden we al de opera
‘Meifort en Clare’ uit 1805 en de cantate ‘De verlossing
van Nederland’ uit 1819. Daarnaast dient
nog vermelding de liederencyclus ‘Fanny’, gedrukt
in 1808 te Amsterdam.’2
Het dramatische jaar 1820
Aan waardering zal het Röhner niet hebben ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
broken. ‘Unis’ bijvoorbeeld schafte zijn symfonie
in D al een jaar na verschijning aan, tegelijk met
werken van o.a. Berwald en Fodor.13 Het is een
opgewekt, goed uitgewerkt stuk dat de invloed van
Haydn verraadt zonder tot namaak te vervallen.
Röhners muzikale jargon is in het algemeen trouwens
levenslustig te noemen, zelfs al zijn de
onderwerpen droef-romantisch.14
Wat dat betreft was hij een typische overgangsfiguur
tussen classicisme en romantiek,
waarop ook zijn werken vol storm, onweer en
sprookjesfiguren wijzen. Overigens was de muzikale
uitbeelding van onweer of ‘batailles’ geen typisch
verschijnsel van de romantiek; de orgelvirtuoos
Abt Vogler had in 1786 al eens een demonstratie
daarvan in de Grote Kerk ten beste gegeven.
15
De Belgische musicoloog Gregoir vermeldt in
zijn lexicon uit 186416 drie werken van Röhner: het
populaire lied Corine a Oswald, het in 1820 te
Zwolle uitgegeven ‘Muzijkaal Zak-Woordenboek’
17 en de in hetzelfde jaar ingezonden cantate
‘De verlossing van Nederland’.18 Deze werd door
de jury van het Koninklijk Instituut als volgt
beoordeeld: ‘Dat de klasse den welverdienden lof
aan de samenstelling dezer cantate niet mogt weigeren,
en dezelve alleszins waardig keurde in
tegenwoordigheid van Zyne Majesteit, en hoogst
deszelfs huis te worden uitgevoerd, ofschoon men
misschien niet zonder grond, zou kunnen aanmerken,
dat dezelve met de hedendaagsche kompositien
niet overal gelijken zang houdt, en vooral
verscheidene aria’s in een’ eenigzins verouderden
stijl geschreven zijn, waartoe de woonplaats van
den kunstenaar en de mindere gelegenheid om
goede nieuwe muzijk te hooren welligt aanleiding
geven, dat echter vele stukken die vol vuur en
kracht zijn en waaronder men vooral de meeste
kooren mag rekenen, wanneer zij wel werden uitgevoerd,
de aandacht des kunstenaars op eene
waardige wijze zouden bezighouden, en vaderlandsch
gevoel bij het kunstminnend publiek zouden
opwekken en ontvonken.’ Was getekend:
Fodor, Wilms en De Vos, de eerste twee de meest
vooraanstaande componisten van hun tijd, de
laatste behalve amateurmusicus ook een invloedrijk
criticus te Amsterdam. Behalve lof van de jury
;*3 2. J’k .È. XZ XJ Jt
w^
(//’?/ML (.’./’c/li’+ii/’t
f(‘*c,^c •/. ^ M<*y'Sf£% SSg^5«aft V f o 1, r v o I ' K J Titelblad van Röhners symfonie in D, een van zijn populairste werken, uitgegeven in 1802. Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam. Foto: F.D. Zeiler. 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Berichten uitdeZwolsche Courant over Röhners muzikale activiteiten: Haydns 'Jahreszeiten' (1805) en de in samenwerking met Feith geschreven cantate 'Het Onweder' (1809) en opera 'Meifort en Clare' (1810). Gemeentearchief Zwolle. Foto's: T. Rudolphij. verwierf Röhner met dit werk ook een koninklijke onderscheiding in de orde van de Nederlandse Leeuw en het correspondentschap van het Koninklijk Instituut. Deze nationale bekendheid viel hem ten deel op het moment, dat zijn persoonlijk leven een dramatische wending had genomen. Bij brief van 24 augustus 1820, verzonden vanuit Den Haag, had hij ontslag genomen als stadsmusicus.19 Wat bewoog hem, om een behoorlijk betaalde positie20 in een plaats, waar hij als uitvoerend musicus, componist en pedagoog zeer werd gewaardeerd, zomaar op te geven? Het antwoord is even eenvoudig als menselijk: zijn liefde voor Sophie.21 Anna Sophia Thorbecke was het tweede kind van Jan Everhard Hendrik Thorbecke (1756-1825) en Johanna Geertruyda Ritberg (1758-1805) en als zodanig een nichtje van Johan Rudolf, de latere staatsman. Zij werd geboren op 8 januari 1785 en was dus bij de komst van Röhner naar Zwolle 16 jaar oud. Waarschijnlijk heeft zij les genomen bij de nieuwe 'muzijk-meester'; van haar muzikale gave getuigt de enige van haar bekende afbeelding, waarop zij in het ouderlijk huis aan de Dijk haar broers en zuster met klavierspel onderhoudt.22 In 1812 wordt zij 'rentenierse' genoemd; zij is dan ongehuwd.23 De relatie tussen Carl en Sophie moet zowel in de stad als in familiekring een schandaal hebben veroorzaakt. Weliswaar past een dergelijke getuigenis van 'Sturm und Drang' in ons beeld van de romantiek, maar in de brave Biedermeiertijd was verbeelding natuurlijk iets heel anders dan de dagelijkse werkelijkheid. De eigentijdse bronnen zijn merkwaardig stil over de zaak en latere geschiedschrijvers, zoals Van Apeldoorn, gaan na een niet erg ter zake doende anecdote maar snel over naar Röhners opvolgers.24 We zullen echter proberen de bij het drama betrokkenen na meer dan anderhalve eeuw enig recht te doen. Vrijplaats Freiburg Na de nodige omzwervingen kwamen Carl en Sophie in het Zuidduitse Freiburg terecht. Daar verwierf de gewezen 'muzijk-directeur' zich een goede positie bij het stadstheater. Vanaf het seizoen 1825-26 was hij 'Kapellmeister' van het theaterorkest, een functie die met enkele onderbrekingen tot 1834-35 werd voortgezet en die in laatstgenoemd jaar werd gecombineerd met die van algemeen muziekdirecteur. Alle toen bekende opera's stonden in Freiburg op het repertoire; Röhner dirigeerde er onder meer Webers 'Freischütz' en Rossini's 'Tancredi' en 'Othello'. Ook voor enig eigen werk was nog plaats. Zo gingen Duitstalige versies van de opera 'De Storm of het J. C, RBHNK&, Jtujj HJyficui en Otftntit, ruift! by' deteb bekend, iu oodet JJDC directie, en «et de tdüfentic *«neen gtoote metltt»LJ«fhehbeM «Ibler,op Dlnürdttdcn 9 de«r dei «»ond> ow 5 naren, in de feihtetUfttfciie Ker*,
?»} wotdeo uitgev*«n htt gtoote eo beroemd» ,G<»;lr/>»< //«• fitt/ttk «in dnjgrooifttD der Toontutficuirtii J HAVDN, j g f , De ewft* Mm» t* ft * 41® ét twetdt u Die plttMM gtMevea (• bef>tcfctn vetvtrtfMi ttehop Moedig
den gfte 4èt mfcWtfi vut s tot o wn de Bahlehtmfche Kctkterf.
•De T# f » É t e fc Wö^ritOiiMiKRöfl*1»
m btkoewn.
B U t N D Ü A K t N 6.
Met Permifit v » d(n Heer BURCEMEtSTEtt
Stad , ui de Orgwht ra MuCe* Dlircteor J. C. 1(
de £el kebbt» op DWvgj4»t den 38 M«>rt ‘f ivondi te
texen uur, ia de poote Kerk •, rnet nüfteurit m d t mmr’
n»UD(te Utfhtbber» té MalMk, n eeacocd b«k«tOtrtar
f«r, «ft te vt#m
HIT ONWEKlJtR’. etiie Gmttlyke Cioiètt vtn den
Heer f>. ftitft, ca moot fco^togenyróide Orftslat opMu.
fiek febricttt. . , ,
Be Eotre vóór dés «rite p^sto ii . ƒ 1 : 4 : 0
Voor de Tweede p)«»u . . , /o : 14 : •
. En voot & D«rle pint» , . . . / o .- » 8 o
De Biilet.ee ïjfo te bfkwnto teo Holte T* J.
*o 00* bjr M Etm<. .... , Die f'!n:zcn icriocn M (Kfprteken, fctratfcn tl d»g iicn »8 Murt '«rtxrtiten» vlo 8 tot 11 uur ft>.. ,
Kerk vetvoefea, iÉttt berttende 3 ftoivtrt dur voor.
De mgtfli ii 0^ * Markt by «e Hoof^rtgr.
NB. |Ut»nt)>ry)2tldeHcet
RoBMER.Mflick Directeur eo Otgttiit ilbici, decei hek
tau EEN G&OüT VOCAL co 1NSTROMENTAL
CONCE&T, Op de Nüuwta Ceaetrizwl te geveo, ia
Bet wei W üe Opera Milferi eo C!m»% v«n tiea Heeic R.
Fiith, eo door tjoveflftooemde o/f MuStk geb)t|t, tal ua.
fAOerd wfltddeeOO- *
Het Entr< voo« Uder Perfooo ia. / r — 4 — De Billetteo 1¥P ft «ekutma, lea bulse v a f. e. aer, «o by dm Ê«t«. Den unvu| u te o u u n ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 19 betooverde eiland' ('Der Sturm') en de cantate 'Het Onweder' ('Das Ungewitter') in 1827 resp. 1828 in het Freiburger Theater in premiere.25 Van verdere compositorische activiteit vernemen we nauwelijks iets, al blijkt uit een brief van Sophie uit 1843 dat er na Carls dood veel 'mooije heerlijke Compositionen' onuitgegeven zijn blijven liggen. 26 Johann Carl Röhner stierf in Freiburg op 24 september 1837 na een slopende ziekte, die hem 14 weken aan het bed gekluisterd had gehouden. In de laatste maanden van zijn leven heeft hij getracht zich met zijn familie te verzoenen. Hoe de verhouding met zijn kinderen was, en of hij met hen nog contact heeft gehad, is niet meer te achterhalen. Dat het niet boterde tussen Sophie en de in Zwolle achtergebleven eerste vrouw van Carl, van wie hij nooit officieel gescheiden is, valt te begrijpen; beiden noemen zich naderhand 'de weduwe Röhner'.27 'Leeft dan die Ahrnemsche nog, gy verstaat my wel, wie ik meene', schrijft Sophie in 1843 aan haar zwager in Deventer. Met deze Georg Wilhelm was een moeizaam hernieuwd contact tot stand gekomen. Naast het familieschandaal moeten ook de botsende karakters van de beide muzikale broers de verhouding hebben vertroebeld. Of was de een jaloers op het onmiskenbaar grotere talent van de ander? In Carls hekeldicht 'Der Bruder' wordt G.W. als egoïst neergezet: 'Doch diese Bruder hegte nicht gleichen Bruder Sinn. Er liebte nur sich Selbsten, Sein Wahlspruch hiess: Gewinn. Leichtsinnig brach er immer was heilig er versprach, kam seinen Worten nimmer so wie er sollte nach.' Desondanks verzekert Sophie haar zwager keer op keer, dat Carl hem zeer was toegenegen: 'Want heeft ooit een Broeder met Liefde aan een Broeder gehangen, dan is 't gewis, myn Dierbare Zalige Röhner...' Zij is ontroostbaar door zijn dood:'... troosteloos laufe ich hin und her, eenzaam en verlaaten, want wy.waren ja een Hart en e e n e Ziel ... ik overleeve zijn Dood niet lange, bald lieber theurer Carl bin ich bey Dir ..." Toch zou zij hem nog meer dan twintig jaar overleven. Ze stierf in Freiburg in 1859. Misschien kunnen we haar en haar talentvolle Röhner na al die jaren toch de eer bewijzen die hen toekomt, en uit 'die mooije heerlijke Compositionen' weer eens iets in Zwolle tot klinken brengen. Noten 1. Zwolsche Courant, 26 november 1803 en 17 maart 1804. Vgl. Th.M. van Mierlo en J.C. Streng, 'Kerk en klooster na de hervorming', in: A.J. Gevers en A.J. Mensema (red.), De Broerenkerk te Zwolle (Zwolle 1989) 37-76, i.h.b. 53. 2. Johannes Kinker (Nieuwer-Amstel 1764 - Amsterdam 1845) was dichter, taalkundige en filosoof; in de laatste hoedanigheid een tegenstander van de opvattingen van Rhijnvis Feith. Cornelis Berghuijs (Kampen 1762 - Alkmaar 1816) was werkzaam in Apeldoorn, IJsselstein, Kampen, Deventer en Alkmaar. Over hem: F.D. Zeiler, 'Cornelis Berghuijs (1762-1816), stadsorganist van Kampen en Deventer', in: J. Folkerts et al., Overijsselse biografieën 2 (Meppel/Amsterdam 1992) 17-20. 3. GA Deventer, Archief'Unis par les sons de la musique' 1, Catalogue van Musicq Werken gehoorende aan dit Musicq-College, jaar 1803. Sophie Thorbecke als ongeveer vijftienjarige aan de piano in het huis op de Dijk. Particuliere collectie. Foto: J.P. de Koning, Gemeentelijke Fo todienst Zwolle. 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 9 f rfcr<.. Jlncfcnü, Over hem: H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler, 'J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist', in: Zwo/s Historisch Tijdschrift^ (1992) 94-104. J.G.A. ten Bokum, Muziek in de IJsselsteden. Beschrijving van het muziekleven in Deventer, Zutphen, Zwolle en Kampen in de 19de en het begin van de 20ste eeuw met bijzondere aandacht voor de familie Brandts Buys. (Utrecht/Antwerpen 1988). F.D. Zeiler, 'Door de klanken der muziek vereend.' Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle, Tentoonstellingsdienst Overijssel 1991. De huwelijksakte is te vinden in GA Arnhem, Retroacta BS 170, Huwelijken 1796-1800. De ondertrouw is geschied op 3 februari, het eerste, tweede en derde gebod zijn van resp. 5,12 en 19 februari 1797. Tegelijk met Carl trad zijn collega Johan Hierschwig, afkomstig uit Wenen, in het huwelijk met de zuster van Anna Maria, Johanna Sabina Bergman. De beide oudste kinderen zijn gedoopt in de Evangelisch Lutherse kerk te Arnhem (GAA Retroacta BS 164, Doopboek 1648-1811, fol. 240 en 243). De verdere genealogische gegevens werden mij ter beschikking gesteld door G.J. Röhner te Utrecht, die tevens inzage verleende in de voor Johann Carl van belang zijnde stukken in het familiearchief. Hiervoor zeg ik hem graag mijn hartelijke dank. 7. Een goed voorbeeld van deze veelzijdigheid vormt de Zwolse amateurmusicus J.C.E. Schlüter, die in !797) overigens zonder succes, solliciteerde naar de betrekking van organist bij de Doopsgezinde gemeente in Almelo. Hij speelde klavier, fluit viool en was voorzanger en hulporganist in de Lutherse kerk in Zwolle. RAO, Arch. Doopsgezinde gemeente Almelo 26. 8. De benoeming door de municipaliteit is van 5 october 1801 (GAZ AAZ01-00109, fol. 561). 9. GA Zwolle, AAZ01-04578 (Patentregister, 1806 blz. 463). Zwolsche Courant, 8 jan. 1803; 5 jan. 1805; 6 apr. 1805; 8 jan. 1806; 26 mrt. 1806; 19 juli 1806; 8 jan. 1807; 18 mrt. 1807; 25 juli 1807; 6 apr. 1808; 28 feb. 1809; 24 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 SH OVtrA£i.' Dichtbundel van Röhner, 1802, Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle. De tekeningen zijn alle gesigneerd metA. Bergman; zij was Röhners eerste echtgenote. a. Titelblad. b. Gedicht op Röhners eerste symfonie, waarschijnlijk de in 1802 verschenen symfonie in D. c. Een der vele gedichten, gewijd aan de belevenissen aan boord van het marineschip 'Haarlem'. d. Tekeningen van A. Bergman bij het gedicht 'Der gehobene Schatz'. Foto's: F.D. Zeiler. mrt. 1809; 16 jan. 1810; 10 apr. 1810; 28 mrt. 1817; 30 mrt. 1819; 4 en 8 feb. 1820. 10. Zie bijlage: Composities van Johann Carl Röhner. 11. Toonkunst-Bibliotheek Amsterdam T 3959/Ms- Roe-i. 12. De eerste druk van 'Fanny' dateert overigens al van 1787. Persoonlijke mededeling van R. de Bree, Zwolle. 13. Als noot 3. 14. Bij een zeldzame uitvoering van de liederencyclus 'Fanny' in 1974 in Zwolle viel het de toehoorders op, 'dat de tekst zo droevig, maar de muziek zo vrolijk was'. Persoonlijke mededeling van H.J.H. Knoester, Zwolle. 15. GAZ, Resoluties S. en R., 30 dec. 1785. Ten Bokum, 16. 16. GJ. Gregoir, Biographie des artistes-musiciens néerlandais des XVIIIe et XlXe sièdes, et des artistes étrangers, résidents ou ayant résidés en Néerlande a la même époque, (Anvers 1864) 151-152. Het citaat uit het juryrapport van 1820 is uit dit biografisch woordenboek afkomstig. 17. Een exemplaar hiervan bevindt zich in FA Röhner 13. Bij brief van 3 oktober 1819 droeg Röhner de rechten op zijn 'Toonkunst- woordenboek' over op de boekverkoper D. van Stegeren te Zwolle; in 1855 gingen deze weer over op de Erven J.J. Tijl (GAZ BA 026, Archief Tijl, doos 1). 18. De autograaf van dit werk is bewaard gebleven in de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de opvolger van het Koninklijk Instituut. Onder het nummer W 277 bevindt zich zowel een band met partituur (406 bladzijden, 3 delen, 18 'nommers') als een grote bundel partijen. Op een achttal zangpartijen staan de namen van de solisten genoteerd, waaronder Ramaer, Schaapman, Doijer en Helmich. 19. GAZ AAZ02-00053, Resoluties B & W, 16 sept. 1820; GAZ KA017-009, Acten van de Kerkeraad, fol. 396, 20 sept. 1820. 2 2 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Autograaf van de cantate 'De verlossing van Nederland' op tekst van Feith, waarmee Röhner in 1820 een prijs verwierf van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Bibliotheek KNAW, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. 20.GAZ KA017-413, Lijst van tractementen van het kerkelijk personeel, 1810. Röhner staat voor f500 op de loonlijst (hij was in 1801 begonnen met f450). Vgl. GAZ AAZ02-00010, Resoluties Gemeenteraad, 134- 135, 12 sept. 1818, waarbij Röhner een extra vergoeding krijgt toegezegd voor het stemmen en spelen ter gelegenheid van het uitdelen van prijzen aan de leerlingen van de Latijnse school. 21. Biografische gegevens uit: GAZ, fiches op achternamen 1800-1899; FA Röhner; Genealogie Thorbecke. Nederlands Patriciaat. Genealogieën van bekende geslachtenjo (1986), 340-367. 22. De kinderen Thorbecke in het huis aan de Dijk, ca. 1800 (de gebruikelijke datering, ca. 1810, is gezien de leeftijd van de kinderen onwaarschijnlijk). Afgebeeld zijn v.l.n.r. Sophie, Lubbertus, Friedrich Wilhelm, Franz Heinrich en Katharine. Part. coll., kopie aanwezig in GAZ, neg.nr. 72RO38.D. 23. GAZ AAZ01-06039, Register van alle huizen, 1812, fol. 133-134. Röhner wordt hierin op fol. 42-43 vermeld, inwonend bij horlogemaker Frederik de Haen in de Waterstraat. 24. J.C. van Apeldoorn, Het orgel in de Groote- of St. Michielskerk te Zwolle (Zwolle 1896) 28. Vgl. ook noot 17. De Zwolsche Courant maakt van het ontslag geen melding. 25. W. Schlang & O. Ritter von Maurer, Das Freiburger Theater (Freiburg 1910) 41,53,119-120. 26. FA Röhner 34, Brief van J.C. aan G.W. Röhner, 1837. Ibid. 35, Afscheidsgedicht 'Der Bruder', 1837. Ibid. 36, Brieven van A.S. Thorbecke aan G.W. Röhner, 1838,1842-43. Stadtarchiv Freiburg, Bestand Hinterlassenschaftsakten H 2762. 27. GAZ Overlijdensakten 1846 no. 479, 30 nov. 1846: Johanna Maria Bergman, oud 71 jaar, geboren te Arnhem, dochter van Johan Lodewijk Bergman en Johanna Elisabeth Franken, zonder beroep, weduwe van Karel Röhner, overleden 26 nov. te 22.30 uur in de Papenstraat te Zwolle. Het bestand echtscheidings- procedures 1813-1838 uit het archief der Rechtbank van eersten aanleg te Zwolle (RAO, inv.nr. 79) bevat geen materiaal over een eventueel door haar of Röhner begonnen procedure. Bijlage Composities van Johann Carl Röhner (Coburg 18 juni 1774 - Freiburg 24 september 1837) Instrumentale muziek Het eerste werk aanwezig bij TA en RAU; de overige in GM - Simphonie a grand orchestre (in D) opus 3. Hummel, Berlin / Grand Magasin de Musique, Amsterdam 1802 - Air favori varié pour Ie violon principal avec accompagnement de deux violons, viola et violoncelle. Nolting, Amsterdam z.j. - Caprice et variations pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, alto et basse. Steup, Amsterdam z.j., no. 205 - Musique militaire pour Ie piano; contenant une marche, 3 pas redoubles et une valse. Steup, Amsterdam 1820 - Ouverture a grand orchestre. Simrock, Bonn / Cologne z.j., no. 1514 - Potpourri pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, deux hautbois, deux cors, alto et basse. Steup, Amsterdam 1821 - Potpourri pour la flüte avec accompagnement de pianoforte. Steup, Amsterdam z.j. - Sonate pour Ie pianoforte avec accompagnement d'un violon. Nolting, Amsterdam z.j. - Marche pour la flüte de St. Jean (voor piano). Steup, Amsterdam z.j. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Liederen, uitgegeven bijf.B. Nolting te Amsterdam Alle in druk aanwezig in GM; de nrs. 28 en 30 tevens bij TA, de nrs. 33 en 48 in FA Röhner 28 L'Absence uitgave nr. 239 29 L'Attente 240 30 Corine a Oswald 241 31 Mon dernier mot... si! 242 32 La pensee 248 33 Mesadieux 249 35 Un jour dans unegrotte obscure 253 36 Regrets d'une mère sur la mort de son jeune enfant 254 37 Atoi 255 38 Souvenir 256 39 Amalyre 257 40 La malheureuse 258 2 Verlangen 265 (1819) 43 L'amitié 267 44 Le vaucluse 268 45 Que Ie jour me dure 269 46 Les quatres saisons 270 48 L'enseignement mutuel 280 48 Ma philosophie 287 4 Abendlied (tekst van Cramer, opgedragen aan G.W. Röhner) 289 5 Minnesold 290 6 DieErscheinung 291 Liederen, uitgegeven bij anderen Alle aanwezig in GM; 'Fanny' tevens bij TA, UBA en POM - Aan Nederland (volkslied, tekst L. Rietberg). Steup, Amsterdam z.j. - Wiegenlied. Vermaazen, Amsterdam z.j. - Fanny (liederencyclus, tekst Rhijnvis Feith). Allart, Amsterdam 1808 Overige vocale muziek De eerste drie werken aanwezig bij TA; 'Het Onweder' in afschrift in RAO; de cantate 'De verlossing van Nederland' in bibliotheek KNAW; de opera 'Het kleine Duimpje' in UBA; van de overige werken slechts vermeldingen aangetroffen - Het Onweder, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, 1806. In 1827 in Duitstalige versie 'Das Ungewitter' in Freiburg opgevoerd. - Missa no. 1. Handschrift (niet van Röhner) z.j., afkomstig uit de Mozes en Aaronkerk te Amsterdam. - Missa no. 3. Handschrift, 1847, herkomst als no. 1. - De verlossing van Nederland, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, ca. 1819. - De Storm of het betooverde eiland. Opera, 1805. Vermeld in ZC; in 1826 in Duitstalige versie 'Der Sturm' in Freiburg opgevoerd. - Meifort en Clare. Opera, tekst Rhijnvis Feith, 1810. Vermeld in ZC. - Het kleine Duimpje en de reus Fayel. Opera op tekst van Hendrik Kraijenstein, 1814. Vermeld in ZC. Diversen Aanwezig in POM, afdeling documenten - Gedichte von Joh. Ca. Röhner. Autograaf, met tekeningen van A. Bergman, Zwolle 1802 Aanwezig in FA Röhner 13 - Muzijkaal Zak-Woordenboek, bevattende eene beknopte verklaring en beschrijving der voornaamste, thans bij de vocale en instrumentale toonkunst in gebruik zijnde, kunsttermen en instrumenten. Dirk van Stegeren, Zwolle 1820. Afkortingen: KNAW Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam TA Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam UBA Universiteitsbibliotheek, Amsterdam GM Haags Gemeentemuseum, Den Haag FA Familie-archief Röhner, Utrecht RAO Rijksarchief Overijssel, Zwolle RAU Rijksarchief in Utrecht, Utrecht POM Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle ZC Zwolsche Courant (aanwezig in Gemeentearchief Zwolle en Rijksarchief in Overijssel, Zwolle) restant bijschrift pagina 22: a. Begin van het eerste koor. c. Partij voor altstem, blijkens het opschrift gezongen door 'juffrouw Ramaer' (mogelijk familie van een in Zwolle woonachtige arts). ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse fraters/3 Aafje Lem Op deze manier komt de naam voor in een charter van 2 mei 1415: Gherardus Vollenhoe. De geschiedenis van de moderne devotie in Zwolle is ons onder meer in de kroniek van het Zwolse fraterhuis overgeleverd. ' De periode van bijna een eeuw die volgt op de stichting van het Zwolse huis rond 1384, wordt in deze kroniek uitgebreid beschreven, met als leidraad de levensgeschiedenissen (vitae) van de in die tijd in het huis verblijvende fraters. Sommige van deze fraters zijn slechts in een enkele zin of korte paragraaf vertegenwoordigd in de kroniek; andere hebben door hun levenslange toewijding een stempel gedrukt op de geschiedenis van het huis. In de beide voorgaande artikeltjes over de Zwolse fraters 2 is steeds sprake geweest van fraters en andere personen uit die eerste groep: mannen die slechts zijdelings hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het fraterhuis: Tilmannus Honf bijvoorbeeld, die een groot deel van zijn leven niet in het Zwolse, maar in het Harderwijkse fraterhuis heeft doorbracht; Wessel Gansfort, die nooit deel heeft uitgemaakt van het fraterhuis, maar door zijn karakter en levenswijze een stempel heeft gedrukt op de periode waarin hij leefde en de mensen die met hem in contact kwamen. Daarnaast zijn er de fraters uit de tweede groep: zij duiken in allerlei verhalen in de kroniek telkens weer op. Gedurende tientallen jaren verrichtten zij vele functies zowel in als buiten het fraterhuis en hebben zo diens geschiedenis mede bepaald. Een van deze fraters is al eens kort ter sprake geweest, maar zijn leven verdient meer dan een terloopse vermelding. Het gaat om Gerardus (Gheert) van Vollenhoe, die in de ruim 40 jaar dat hij deel uitmaakte van de communiteit, zijn sporen heeft nagelaten. Gerardus bezocht eerst de Zwolse school. Zijn schooltijd moet gevallen zijn aan het begin van de vijftiende eeuw, want toen er in 1415 statuten werden gemaakt voor het fraterhuis, was hij al toegetreden tot de broederschap; uit de stukken blijkt dat hij een van de medebepalers van deze huisregels was.3 Aan het eind van het j

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1993

Door 1993, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
M3üt Chomas”5chocsf1,^chterziid^ met speelplaats en praeftuintfe Twee keer de plaats waar zo’n 70 jaar katholiek
onderwijs is gegeven: de Thomasschool
aan de Blekerstraat. De Blekerstraat
is nu geheel bebouwd door het ziekenhuis De
Weezenlanden en vormde het verlengde van de
Assendorperdijk in de richting van het Groot Wezenland.
Links is een gedeelte van het Dominicanenklooster
te zien en op de ansichtkaart van omstreeks
1910 rechts nog net het oude gebouw van
het rooms-katholiek ziekenhuis.
De R.K. Thomasschool was op 18 december
1908 geopend en ingezegend door pastoor N. van
Balen. In Zwolle waren in die tijd nog twee andere
katholieke scholen, in de Praubstraat en aan het
Assendorperplein. Voor de totstandkoming van
de drie scholen heeft de fabrikant Th.E.F. Heerkens
grote financiële offers gebracht. Zijn fabriek
stond trouwens vlak achter de school. De Thomasschool
was een jongensschool waar de Fraters
van Tilburg en enkele lekenonderwijzers lesgaven.
Op 1 september 1956 werd het schoolgebouw afgekeurd
en bouwde men een nieuwe St. Jozefschool
aan de Assendorperdijk. De school aan de Blekerstraat
werd verbouwd tot R.K. ULO voor meisjes
St. Theresia. De fraters maakten plaats voor nonnen.
Pas in de laatste jaren kwamen er ook jongens
in de klassen. Het gebouw moest in het midden
van de jaren zeventig wijken voor de nieuwbouw
van het ziekenhuis De Weezenlanden die op de
onderste foto zichtbaar is.
Boven: De Thomasschool aan de Blekerstraat op een
ansichtkaart van omstreeks 1910.
Onder: Dezelfde plek zo’n 80 jaar later,
(foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Het Zwols Historisch Tijdschrift verenigt
de meest uiteenlopende historische personen.
Vrijmetselaars, 27 op verdachte
wijze aan hun einde gekomen stadgenoten en een
Schotse vechtjas die piëtistische boeken in het Nederlands
vertaalt: in het nieuwe nummer staan ze
broederlijk naast elkaar.
Die vrijmetselaars zijn de gebruikers van het
monumentale woonhuis Bloemendalstraat 11. Jhr.
A.J. Gevers heeft de historie van het pand en zijn
bewoners onderzocht. De oudst bekende bewoner
is Herman van Diepenbroek die in de zestiende
eeuw leefde. In 1867 kocht vrijmetselaarsloge Fides
Mutua het gebouw dat door architect Willem
Koch grondig werd verbouwd.
De 27 stadgenoten waren in de zeventiende
eeuw om het leven gekomen en dr. B.J. Kam heeft
onderzocht in hoeverre op hun lichaam sectie
werd gepleegd om de doodsoorzaak vast te stellen.
In veel gevallen werd ook het lichaam geopend;
slechts in een paar gevalen werd daar vanaf gezien
in verband met de ondraaglijke stank.
De Schotse vechtjas was lohan Fargharson, die
als vaandrig in ieder geval tussen 1618 en 1627 in
Zwolle was gelegerd. W.J. op ’t Hof vertelt over
zijn leven en over de twee Engelse theologische
werken die hij in het Nederlands vertaalde. In die
tijd liet het piëtistische puritanisme via Britse
huurtroepen tot in Zwolle zijn invloed gelden.
Als introduktie beschrijft D. Hogenkamp in
‘Zwolle vroeger en nu’ de grote veranderingen die
er aan de Blekerstraat hebben plaatsgehad.
En als afsluiting onderwerpen dr. A. Fuldauer
de langverwachte uitgave ‘De doden vertellen’
over de opgraving in de Broerenkerk en drs. A.H.
ten Cate het boek van ds. J. Bosch ‘Het Weeshuis
aan de Broerenstraat te Zwolle’, aan een kritische
beschouwing.
Zwolle vroeger en nu D. Hbgenkamp 2
Het pand Bloemendalstrat 11 en zijn bewoners jhr. A.J. Gevers 4
Pathologische anatomie in de zeventiende eeuw B.J. Kam 13
Johan Fargharson: vaandeldrager in tweeërlei dienst W.J. op ’t Hof 22
Literatuur 30
Agenda 34
Mededelingen 34
Personalia 35
Omslag: Drie mannen in een keuken; een dronkaard, een gehangene en een man
die met een degen doorboord is. Tekening van Gesina ter Borch; fragment (foto:
Rijksmuseum, Amsterdam).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het pand Bloemendalstraat 11
en zijn bewoners
jhr. A.J. Gevers
De omgeving van de
Bloemendalstraat.
Fragment van de, wat
gebrekkige, kaart van
Zwolle door Braun en
Hogenberg uit 1581.
De stad Zwolle was vroeger in een aantal
delen opgesplitst, waarvan de wijk Sassenstraat
er één was. De huidige Sassenstraat
vormde als het ware het middelpunt van
deze wijk, die het grootste gedeelte van de zuidelijke
helft van de binnenstad omvatte. Hij slingerde
zich vanaf de Sassenpoort naar de Grote Kerk.
Tussen Sassenstraat en Koestraat, die globaal genomen
oost-westverbindingen vormen, lopen een
paar straten van zuid naar noord. Praubstraat,
Goudsteeg en Bloemendalstraat zijn hun huidige
namen. In de loop van de geschiedenis hebben ze
ook andere namen gehad.
Vooral de Praubstraat – genoemd naar de
proost van Deventer – en de Bloemendalstraat
konden bogen op belangrijke inwoners. De
Praubstraat herbergde onder andere de Fraterhuizen,
het Begijnenconvent en de woning van de
adellijke familie Van den Rutenberg. De Bloemendalstraat
kende de aanzienlijke woning van de
griffier Bartholomeus van Coelen en – in later tijd
– van de bekende schrijver en dichter Rhijnvis
Feith. Tegenover de woning van de laatste bevindt
zich het pand dat het onderwerp vormt van onderstaand
verhaal.
Woonhuis
De tot nu toe oudst bekende eigenaar van het huis
Bloemendalstraat 11 is Herman van Diepenbroek.
Deze was mogelijk een zoon van Kerstken van
Diepenbroek, die in 1511 het burgerrecht van
Zwolle verwierf. Kerstken werd in 1524 in de raad
gekozen en op zijn naam werd in 1545 een raadsherenbeker
vervaardigd.1 Herman zelf komt vanaf
1546 voor in de maandrekeningen van de stad.
Op 31 mei vestigden Jasper Vrese en zijn vrouw
Anna een jaarlijks rente ten behoeve van de stad
‘uuth een hus ende were gelegen in de Sassenstrate
dat Herman Dipenbroick thobehort’.2 Zelf vestigden
Herman van Diepenbroek en zijn vrouw
juffer Catharina een rente op dit huis in 1569 ten
behoeve van Geert ter Borch. Het huis blijkt dan te
liggen tussen een pand van Gerrit Splinter en ‘Vilsterenwere’,
een bezitting van de Vilsterenshuizen.
Aan de voor- en achterzijde grensde het huis
aan de straat.3 Zoals in akten van die tijd gebruikelijk
was, werd de ligging van het huis niet nader
gespecificeerd en was de vermelding van de wijk,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in dit geval Sassenstraat, voldoende geacht.
De Vilsterenshuizen vormde een stichting om
een aantal oude mannen en vrouwen onderdak te
geven. Hiertoe hadden Herman van Vilsteren en
zijn vrouw Wendelmoet van Haersolte in 1468
hun huis bij testament nagelaten. Ten behoeve
van dit ‘bejaardentehuis’ moet ook Herman van
Diepenbroek een rente hebben gevestigd. In de zeventiende-
eeuwse legger van deze instelling vinden
we namelijk de inschrijving dat ‘uuth Harmen
van Diepenbroeck syn huys by Bethleem’ jaarlijks
een bedrag van vier goudgulden en zeven stuiver
moet worden betaald.4 Diezelfde inschrijving vermeldt
bovendien dat ‘nu Wolff van Ittersum’ dit
bedrag moet betalen. Inderdaad had deze het huis
in de Bloemendalstraat op 28 februari 1595 bij een
openbare verkoop gekocht.5 Bij die gelegenheid
bleek het pand te bestaan uit ‘ein huys unnd wehre
mit twie huirhuisen daerachteren, wesende also
eine duergaende wehre, gelegen in Pasmansstraete’.
De benaming Pasmansstraat is op dat ogenblik
de gangbare naam (verwijzend naar een van de inwoners,
namelijk Pasman ten Holthe) voor de
Bloemendalstraat. De naam Bloemendalstraat
duikt pas op na de vestiging van de familie Van
Bloemendal in het grote huis in het midden van de
straat.
Wolf van Ittersum was een zoon van de gelijknamige
Wolf van Ittersum en Christina van
Dorth. Hij werd in 1591 als raad gekozen. In 1612
werd hij namens het stadsbestuur van Zwolle aangesteld
als afgevaardigde in de Statenvergaderingen.
Hij stierf als lid van de raad van de stad in
1637. Daarna werd ook op zijn naam een zilveren
raadsherenbeker vervaardigd. Zijn eerste huwelijk,
met Christina van Haersolte, werd gezegend
met de geboorte van een zoon, eveneens Wolf (de
jonge) genaamd. Ter gelegenheid van zijn tweede
huwelijk in 1607 deed Wolf de oude erfuiting jegens
zijn zoon.6 Bij de vele goederen wordt dan
ook “t huyss in Pasmansstraete, daer die caemener
Tungeren innen woent’ genoemd. De bewoner is
dan dus Johan van Tongeren, sedert 1593 raadslid,
die op dat ogenblik de functie van eerste kameraar
uitoefende. Hij zou in 1614 ten landdage worden
afgevaardigd. In 1631 overleed hij als raadslid, zodat
ook op zijn naam een raadsherenbeker werd
gemaakt.
Toch zou Wolf de jonge niet van het profijt
van dit huis genieten: hij overleed nog voor zijn
vader. Hij liet zijn weduwe, Aleida Sloet tot Buckhorst,
met minstens negen kinderen achter.7 Pas
in 1654 zouden deze kinderen de ouderlijke boedel
scheiden. Van deze kinderschaar bleven tenslotte
alleen Florentina, Helena, Wilhelmina en Gijsbert
van Ittersum over.
Als luitenant deed Gijsbert van Ittersum in
juni 1662 belijdenis in de hervormde kerk. Later
nam hij ook plaats in het stadsbestuur; hij werd in
1677 als raad gekozen. Hij was burgemeester toen
hij met zijn twee zusters Florentina en Wilhelmina
in 1684 een testament opmaakte.8 Daarin wezen zij
elkaar aan als erfgenaam. Als ze alledrie overleden
zouden zijn, zouden hun bezittingen vererven op
de kinderen van hun zuster Helena van Ittersum
en haar man Dirk van Haersolte. Dat gebeurde inderdaad
in 1698.
De raadsherenbeker
van Wolf van Ittersum,
die in 1586 als Zwols
raadslid overleed. Hier
zijn de wapens Van
Ittersum— Van Wythmen
(zijn tweede huwelijk)
afgebeeld. Uit zijn
derde huwelijk met
Christina van Dorth
stamde Wolf van Ittersum
die in 1595 het huis
in de Bloemendalstraat
kocht (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Silhouette van Willem
Queysen (1754-1817) als
representant van het
volk van Overijssel,
1795-
Dirk van Haersolte, eveneens militair, was in
1663 gehuwd met Helena van Ittersum en kreeg
twee zonen: Arend en Wolf, genoemd naar de beide
grootvaders. Deze jongens werden te Zwolle
gedoopt, respectievelijk in 1664 en 1666. In die periode
was Dirk van Haersolte commandeur op het
huis Borculo. Vrij snel na de geboorte van haar
tweede zoon is Helena van Ittersum overleden. In
1669 hertrouwde Dirk (ook: Diederik van Haersolte
tot de Lauwick) met Fosetta Hommens, die
de havezate Zuthem ten zuiden van Zwolle bewoonde.
9
Wolf van Haersolte huwde in 1698 met Jacoba
de Rode van Hekeren. In 1704 vertrok het echtpaar
uit Zwolle, om er in 1711, vanuit Lochem, weer terug
te keren. Nog geen jaar later, op 26 februari
1712, werd Wolf in de St. Michaëlskerk begraven.
Zijn weduwe werd daar in 1729 bijgezet.
Arend van Haersolte, gemeensman van Zwolle,
was bijna twee jaar ouder dan zijn broer. Na de
dood van zijn schoonzuster kwam hij met de overige
erfgenamen overeen dat hij het huis in de
Bloemendalstraat mocht blijven bewonen.10 Dat
deed hij inderdaad tot zijn overlijden in 1731. Zijn
kinderloosheid en het grote getal van erfgenamen
maakten het noodzakelijk een boedelinventaris op
te maken. Behalve Arends aandeel in het huis in de
Bloemendalstraat bezat hij onder meer het spieker
Nyenstein in Lenthe, een katerstede in Assendorp
en enkele koeweiden op de Werlermars. Aan contant
geld werd voor 3618 gulden aangetroffen. De
meubels in het huis maken in de inventaris geen
luxueuze indruk. Wel waren er twaalf familieportretten,
elf schilderijen met een zwarte lijst en twee
met een vergulde lijst. Bij de boeken werden
slechts acht titels vermeld.
Pas in 1734 gingen de overige erfgenamen over
tot de openbare verkoop van de goederen uit de
nalatenschap van Arend van Haersolte. Het huis
in de Bloemendalstraat werd als derde perceel geveild.
Pieter Brouwer was de nieuwe eigenaar voor
een bedrag van 1000 gulden.11 Reeds op 25 mei
1735 maakte deze bekend dat hij het op 5 maart had
doorverkocht en wel aan ‘juffer Tichler’ voor een
bedrag van 4500 gulden.12 De transactie had hem
dus geen windeieren gelegd.
Met ‘juffer Tichler’ werd Elisabeth Tichler bedoeld,
op dat moment 40 jaar oud. Zij was de oudste
dochter van Gerhard Tichler, een uit Deventer
afkomstige jurist, en Geertruid van Brakel.13 Gerhard
Tichler had het in Zwolle tot burgemeester
gebracht. Zijn weduwe werd in 1734 in de Grote
Kerk begraven. Daar werd in 1759 ook het stoffelijk
overschot van hun dochter Elisabeth bijgezet.
Het is niet onwaarschijnlijk dat zij verbouwingen
aan het huis heeft laten verrichten. Het plafond in
de kamer aan de straatkant dateert wellicht uit die
tijd. Haar nalatenschap kwam terecht bij haar zuster
Fenna Ingena Tichler, weduwe van de predikant
Regnerus Ens. Het huis in de Bloemendalstraat
zou vijfjaar later wederom vererven en wel
op haar dochter Aleida Anna Ens.14
Aleida Ens was in 1751 gehuwd met Gerrit Albert
Podt, die het Drostenhuis aan de Melkmarkt
mee ten huwelijk aanbracht.15 Het echtpaar ging
in dat huis wonen en liet het verbouwen en verfraaien.
Sindsdien prijkt daar in het stucwerk op
een der schoorstenen het wapen Podt-Ens. De
overige bezittingen werden verhuurd. De enige
dochter van het echtpaar, Geertruid Fenna Ingena
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Notaris van der Biescn te Zwolle
is voornemens, op Dingsdag den 17 October e. k., des middags
om 12 uur, in het ODÈON te Zwolle, publiek te verkoopen:
.
Het wel ingerigt, van ouds bekend •
NIEUW HEEREfV LOGEMENT, :
gunstig gelegen in de Bloemendalstraat te Zwolle, achteruitiiomende
in de Krommejak, voorzien van 6 beneden- en 6
boyenkamers, gedeeltelijk geplafonneerd, grooté. keuken, 3
ruime zolders, watervrijen kelder, uitmuntend pomp- en regenwater
en verdere geriefelijkheden, kad. Zwolle S. ÏY No.
1963, groot 3 roeden. Staande op ƒ 4600.
Te bezien des Maandags en Donderdags van 11 tot 2 uur
met een toegangkaartje van den Notaris.
Podt, erfde al de roerende en onroerende goederen.
Kort nadat de nieuwe eeuw was begonnen,
transporteerde Geertruid Podt op 27 februari 1800
haar huis in de Bloemendalstraat aan haar achternicht
Gesina Catharina Lemker en haar man mr
Willem Queysen.16 Dit echtpaar bewoonde het
huis al enige jaren; in ieder geval sinds 1795.
Queysen had gestudeerd te Leiden, waar hij in
1773 promoveerde. Op 10 december van dat jaar
legde hij de eed als advocaat af. Pas in 1786 trouwde
hij. Uit dit huwelijk werd een vijftal kinderen
geboren.
In diezelfde tijd was de Bloemendalstraat een
bolwerk van patriotten; niet alleen woonde er de
bekende Johan Derk van der Capellen, maar ook
trof men er Van Pallandt tot Zuthem, Pieter Feith,
de wijnkoper Landman, de drost Van Isselmuden
tot Paaslo en de klerk der Staten Van Hoboken.17
Ook Queysen werd tot de patriotten gerekend.
Misschien was dat wel de reden waarom hij tot
dan geen overheidsfuncties bekleedde. Pas na de
intocht van de Fransen werd hij in 1796 voor het
kiesdistrict Zwolle gekozen tot lid van de Nationale
Vergadering. Zijn politieke loopbaan vereiste in
1801 zijn verhuizing naar ‘s-Gravenhage.18 Het
Zwolse huis werd verhuurd. In 1806 probeerde
Willem Queysen het van de hand te doen, maar
het leverde ter veiling niet genoeg op.19 Het pand
werd toen bewoond door Abraham van Bommel.
Pas in 1810 vond Queysen in de persoon van Paulus
Sichterman een koper.20
Paulus Cornelis Adriaan Sichterman was afkomstig
uit Groningen, waar zijn familie door de
handel zeer vermogend was geworden. Na zijn
huwelijk met de Zwolse Sara van Muyden kocht
hij de buitenplaats Dijkzicht in Berkum aan de
Vecht. Daar verbleef de familie in de zomer, terwijl
in het koude jaargetijde binnen de stad Zwolle
werd gewoond. Uit die stad kwam ook zijn tweede
vrouw Mechteld Royer, waarmee hij in 1815 was
getrouwd. In 1818 werd hij lid van de Provinciale
Staten van Overijssel, een functie die hij tot 1834
zou vervullen. Maar reeds eerder, op 8 april 1817,
werd zijn ‘hegt, sterk en weldoortimmerd huis’ in
de Bloemendalstraat in veiling gebracht.21
Hendrikus Brand, ‘ordinaris houder’, kocht
het huis voor ƒ 3610,-. Brand was vermoedelijk dezelfde
die in 1811 als pruikenmaker en later als ‘dienende
broeder’ Brand, van de vrijmetselaarsloge
Fides Mutua voorkwam. In deze laatste functie
woonde hij in de Nieuwe Concertzaal, een pand
twee huizen van nummer 11 vandaan en toentertijd
in huur bij de loge Fides Mutua. Deze vrijmetselaarsloge
was daar terecht gekomen omdat in
1814 een fusie had plaatsgevonden met de in dat
Aankondiging van de
veiling van het pand in
de Bloemendalstraat in
1865.
Aankondigingen van
een ‘soiree musicale’
door T.H. Lorenz.
‘NIEUW KOFFIJHUIS (BLOEQ1ENDALSTRAAT.Y
1MEN AVOND GEDURENDE DE KERMIS,
S O I E É E i U I S U L E ,
DOOR DE FAMIL1U
EHONE SAUVLET,
meteen gezelschap van 12 Personen, waaronder een zeer beroemde KOMIEK. Eiken avond verscheidenheid van voordragteii,
in het Hollandsen, Fransch en Duitsch. Daar in bovenstaand Café” niet anders dan een geciviliseerd publiek wordt toegelaten’
kunnen Ileeren mei hunne Dames hiervan een ze’er fjoed gebruik maken. Het BufFct zal steeds v ‘ ” ” ” ” ” • ‘ ‘ * * Aanvang 8 ixtir. Eiritréo –
alle VERVEKSliUINGK-:* voorzien T. EC. LOREKTTZ.
Nieuw* Koffyhuis. (Bloemendalstraat.)
Op lieden ÏKHDAO voor Ii«t eerst en verder gedurende de gelnecle ÏSEKMIS
fflffif B # •mam •SRS fgg ga ii m m fg W ïffl
door dc Familie R I I O M E S A S J Ï ‘ i L E T , mei een gezelschap van 11 personen, waaronder een zeer beroemden
k o m i e k . Eiken avond verscheidenheid van voordragten .in het Hollandsch, l”i-anseh en Duitach. Daar in bovenstaand
Café niet anders dnn een geciviliseerd publiek wordt toegelaten, kunnen Heeren met hunne Dames hiervan een zeer goed
gebruik maken. Het Buffet zal steeds van allo ‘VBlK’^KKSCHSMCrEBI voorzien zijn.
Aanvang 8 nnr. Entree v r i j . ‘ T. BI.
Op lieden ‘^attarcüag- en morgen ïourtag avo»i«l O eiti 7 Aju-ïï,
door de ]?amilie ]D* A KI.C © KJ A •, Gezelschap bestaande uit z e v e ï ï personen’, wanrondcr vïci* Dames,
met medewerking van de Komieke Zangeresse Madame gSEKL’SfiSË’iT’tVSS.
. . . T. H. LOJU
NB. Heden ontvangen Ëclit Bcijersch RHsInger Bier.
Hecfen DOUSERDAe eia morgen ^HIJBAG
S O I R E E S MI S I C A L E S , door de Famlllo B E U M E R . ‘
Aanvang T’U vi.t*3?. ‘S. :S. LOH.ENTZ.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oproep aan de crediteuren
en debiteuren
van T.H. Lorentz in
1867.
Aankondiging van de
veiling van het pand in
de Bloemendalstraat,
1867.
Aankondiging van de
aanbesteding van de
verbouwing van het
pand in de Bloemendalstraat
door de vrijmetselaarsloge,
1869.
pand gevestigde ‘Franse’ loge Union et Force. Aan
die loge was ook de servant Brand verbonden geweest.
Gemakshalve was die overgenomen. De eigenaresse
van de Nieuwe Concertzaal, de weduwe
Lenz, verhuurde het huis sinds 1816 aan de provinciale
ambtenaar Razoux.
’s “-A3S Allen, die. iets verselHJÏdïg’d zijn
f* r ? aan, of te VOï’ditL’e.u hebben van dea
O u vs.’ Heer ï . H. LOJÏENTZ, Kdüjhnishouder
.te Zïoolle, worden verzocht daarvan [ü^?^
g a v e of foetaSiasg’ te doen, binnen l’l dagen na heden,
ten Kantore van den onuergeteekende.
ZWOLLE, 1Y Oetaber 1S67. • .
J. H. VAN RODEN,
Notaris.
Mr. j 7 ‘ . S a . ‘ i . ‘ S ! t r B Ï ® f l J E S ‘ , Notaris te Zwolle, zaï
op Singsdafi 6 November 1867, des middags te 12 uren, in
het 0DJ20N te Zwolle, doen inzetten, en iSfteoU>gantHugoBtoughton,
«BitDtnu
tBt 6« «ug&«!ftli« fwahe ra /aeöec-btiptfcö obttflötfet/
D00*.
ÏOHAN SARCHARSON
t Bethun Schouu.
t’AMSTELREDAM,
3 a 3 p p ö ö
toopw op’c ftttat/uiften ut rguiom tfpbd.
Anno 1618.
ligher Schriftuere.11 Dit werk is bedoeld om het
verstaan van de Bijbel te bevorderen en heeft als
zodanig geen specifiek piëtistisch karakter.
Bro

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1992

Door 1992, Zoek in ons tijdschrift

ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Dit plaatje is genomen staande achter de
vier ijskarren van ijsbedrijf Santing, een
ijssalon op de hoek van de Vispoortenplas
en Achter de Broeren. Het bedrijfje bestond ongeveer
van 1945 tot 1956. Op de foto is de ijssalon net
niet te zien.
In de tijd van de foto waren deprijzen van de
ijsjes respectievelijk 2,3,5,10 en 15 cent.
Uiteraard was ook toen reclame geen onbekend
verschijnsel. Op de zijkant van de ijswagentjes
staan de volgende ‘pakkende’ teksten:
‘Zijt gij warm, dan doet ge wijs
u te verfrissen met Santings Ijs.’
en:
‘Santings Ijs, dat is gewis
het fijnste wat er is.’
De oorspronkelijke eigenaar van de in Zwolle
zeer bekende ijssalon Leben, de heer Chris Leben,
leerde hier het ijsmaken.
Op de nieuwe foto ziet u een andere bekende
zaak in Zwolle, namelijk die van Jochem van Zanten
aan de Vispoortenplas. De panden rechts op
de foto zijn gelukkig op het nippertje gered en
schitterend gerestaureerd.
Boven: Vispoortenplas; oude situatie
Onder: Vispoortenplas; nieuwe situatie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft u kunnen genieten van winters
ijsvermaak. In dit nummer loopt D. Hogenkamp
vooruit op 2r.omers ijsvermaak. Aan de
hand van een oude en een recente foto belicht hij
de plaats van de bekende, maar nu verdwenen, ijssalon
Santing.
Aafje Lem, die bezig is met een onderzoek
naar boeken in de middeleeuwen in Zwolle, voert
een minder bekende Zwollenaar ten tonele. Het is
de frater Tilmannus Honf die omstreeks 1450 in
Zwolle woonde en later naar Harderwijk ging.
’t Was een aardige kerel, want als zijn maatjes uit
Zwolle kwamen, trok hij steevast een fles wijn
open.
Arnoldus Gelderman is eveneens een Zwollenaar
die niet iedereen zal kennen. Toch was hij
van 1723 tot zijn dood in 1757 lid van het stadsbestuur.
Jaap Hagedoorn schetst aan de hand van
een biografisch en een zogenaamd prosopografisch
onderzoek (onderzoek naar groepen) een
beeld van de kleine provinciestad Zwolle tussen
1675 en 1750. Het artikel is een bewerking van de
lezing die de auteur hield in september 1990 in de
Waalse kerk bij de aanbieding van de inventaris
van het archief Gelderman.
Jan Willem van Beusekom beschrijft vervolgens
weer een aantal Zwolse jongere monumenten.
In zijn artikel is vooral aandacht voor de
schitterende negentiende-eeuwse villa’s langs de
Van Roijensingel.
Ook Raymond Salet schrijft over het besturen
van de stad; en dan vooral over de problemen die
daarbij kunnen ontstaan. Hij gaat uitvoerig in op
de plannen die het College van Burgemeester en
Wethouders liet ontwerpen (en vervolgens niet
liet uitvoeren) in verband met mogelijkheden
voor stadsuitbreiding.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Zwolse Fraters /1 Aafje Lem
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Arnold Gelderman (1677-1757) een Zwolse burgemeester
Jaap Hagedoorn
Jongere bouwkunst in Zwolle Jan Willem van Beusekom
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw Raymond Salet
Literatuur
Bestuursmededelingen
Personalia
4
6
7
15
23
32
33
35
Omslag: C. Pronk, ’t Stadhuis te Zwol.
(foto: Provinciaal Overijssels Museum)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse Fraters /i
Aafje Lem Het fraterhuis van de broeders van het
Gemene Leven te Zwolle is – en niet zonder
reden – voor veel onderzoekers een
inspirerend onderwerp. Niet alleen de stichtingsgeschiedenis,
maar ook de bouwgeschiedenis van
de door de fraters bewoonde panden en de ontwikkeling
van het geestelijk leven in deze belangrijke
instelling van de Moderne Devotie, zijn het
beschrijven meer dan waard gebleken.’
Een heel belangrijke bron voor deze bijdragen
is telkens weer de kroniek van het fraterhuis.2 De
kroniek, die aan het eind van de vijftiende eeuw
geschreven werd door Jacobus de Voecht, een van
de fraters uit het huis, bestaat uit een verzameling
levensbeschrijvingen van de fraters die het huis
bewoonden vanaf de stichting tot ongeveer 1490.
Daarnaast geeft de kroniek een prachtig beeld van
het ontstaan van het huis, dat naar de patroonheilige
ook wel Gregoriushuis werd genoemd, de fraterhuizen
die vanuit Zwolle zijn gesticht, de zorg
van de fraters voor de leerlingen van de stadsschool
en het geestelijk klimaat dat in de begintijd
in het fraterhuis heerste.
Een van deze fraters van wie we de levensbeschrijving
in de kroniek kunnen terugvinden, is
Tilmannus Honf.3 Het is een zeer korte beschrijving;
het beslaat nog geen dertig regels en is ook
slechts een paragraafje in een groter hoofdstuk.4
Daarnaast wordt Tilmannus’ naam nog slechts
eenmaal genoemd in de kroniek: hij is een van de
fraters die in 1432, na de beëindiging van het Interdict,
terugkeert naar Zwolle.5
Zoals alle verhalen begint ook het verhaal van
Tilmannus’ leven met een beschrijving van zijn
voorbeeldig geestelijk leven; hij wordt een gloedvol
en toegewijd frater genoemd, nederig en gehoorzaam.
Een dergelijke karaktertekening is niet
uitzonderlijk; de levensbeschrijvingen van deze
eerste groep fraters hebben namelijk een voorbeeldfunctie:
ze zijn opgeschreven om fraters uit
later tijden ter stichting te dienen. Deze zogenaamde
‘vitae’ zijn een bekend genre binnen de
literatuur van de Moderne Devoten, dat vooral
bij de zusters van het gemene leven populair was.6
Direct na deze uitweiding over zijn toewijding
wordt vermeld dat Tilmannus door een lichamelijk
gebrek de in de Consuetudines (de gewoontes
of regels) van het huis beschreven oefeningen niet
meer aankan.
Gelukkig bereikt rond diezelfde tijd de rector
van het fraterhuis, de beroemde Dirc van Herxen,
een verzoek om hulp. Jacobus Wolf, een frater afkomstig
uit de Hieronymusberg bij Hattem,7
vraagt de Zwolse rector om assistentie bij het besturen
van het zusterhuis (Agnietenklooster) in
Harderwijk. De Hattemse fraters hadden namelijk
de zorg voor de zusters in Harderwijk in de
tijd dat er in Harderwijk nog geen fraterhuis was.8
Tilmannus vertrekt daarop naar Harderwijk,9
waar hij de hem toegewezen taak tot het eind van
zijn leven vervult, ook hier weer gekenmerkt door
gehoorzaamheid en nederigheid. Bovendien
houdt hij zich, net zoals hij dat in Zwolle gewend
was, ook in Harderwijk zoveel mogelijk bezig met
studeren, mediteren en het schrijven van boeken.
Dat Tilmannus’ vertrek naar Harderwijk
waarschijnlijk heeft plaatsgevonden rond dezelfde
tijd dat daar de eerste stappen werden gezet
voor de stichting van een fraterhuis, blijkt uit een
tweetal oorkonden.10 In de eerste uit 1441 verzoeken
Schepenen en Raad van Harderwijk Dirc van
Herxen een fraterhuis te stichten, waarvoor zij
hem een huis ter beschikking stellen. Dirc van
Herxen voldoet aan dat verzoek en stelt Godefridus
van Kempen aan als de eerste rector aldaar.”
In de andere oorkonde, die van een jaar later dateert,
worden twee delen van een huis in de straat
van Sevenhusen in Harderwijk door de eigenaren
overgedragen aan Gerrit de Wilde en heer Teleman
van Houft ten behoeve van Dirc van Herxen
en de Zwolse fraters. Tilmannus is dan blijkbaar
al woonachtig in Harderwijk, maar kan daar dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nog niet langer dan een jaar hebben gewoond,
aangezien er voor die tijd nog geen fraterhuis in
Harderwijk was.
Tenslotte wordt Tilmannus nog eenmaal vermeld
in 1451, in verband met zijn functie van procurator
van de nonnen in Harderwijk.12 Daarmee
zijn vrijwel alle gegevens die over het leven van
Tilmannus Honf bekend zijn, beschreven.
Wat de Vita’ van Tilmannus, zoals die beschreven
is in de Zwolse kroniek, echter een speciaal
tintje geeft en het lezen meer dan waard
maakt is een voor dit type tekst wat ongebruikelijke
toevoeging aan zijn levensbeschrijving. Als Tilmannus
eenmaal in Harderwijk zit, onderneemt
hij nog maar zelden de reis naar Zwolle. De enkele
keer dat hij nog in zijn oude huis verschijnt,
wordt hij door zijn voormalige medebroeders
met een wat plagende ondertoon terechtgewezen,
13 omdat hij behoorlijk dik is en voegen ze
hem toe dat hij het, gezien zijn omvang, wel goed
naar zijn zin zal hebben in Harderwijk. Als er omgekeerd
Zwolse broeders naar Harderwijk komen,
logeren ze steeds bij Tilmannus en hij ontvangt
ze altijd allerhartelijkst. En mocht het voorkomen
dat hij alleen thuis is, dan roept hij: “Tijd
voor mijn beste maatje!” en trekt een fles wijn
open.14
Deze – voor een ‘vita’ met een voorbeeldfunctie
— wat verrassende anekdotische toevoeging is
er een van een slechts klein aantal passages in de
kroniek, waaruit blijkt dat iets menselijks de fraters
ook niet vreemd was. In een volgend artikel
zal ik proberen daar nog wat voorbeelden van te
laten zien. Een van de fraters die dan de revue zal
passeren, is de beroemde Wessel Gansfort.
Noten
1. Hagedoorn, J. (red.), Domus parva. Het eerste huis
van de Moderne Devoten te Zwolle. (Zwolle 1987). In
deze publikatie wordt verwezen naar andere literatuur.
2. Schpengen, M. (ed.), Jacobus Traiecti alias de
Voecht, Narratio de inchoatione domus clericorum in
Zwollis. (Werken uitgegeven door het Historisch
Genootschap, 3e serie nr 13, Utrecht 1908).
3. Ik houd mij hier aan de spelling zoals deze voorkomt
bij Schoengen.
4. Schoengen, 103-104.
5. ibidem, 92. Het Interdict (een straf uit het kanoniek
recht waarbij o.a. een verbod op het vieren van de
eredienst van kracht is) wordt in 1426 door Sweder
van Culemborg opgelegd aan de IJsselsteden, omdat
die zijn gezag als pauselijk elect niet erkennen,
maar Rudolf van Diepholt verkiezen. De Moderne
Devoten gehoorzamen aan het Interdict en vertrekken
uit Zwolle. Ze gaan eerst naar het fraterhuis
Hieronymusberg bij Hattem en van daaruit naar
Doesburg, waar ze een nieuw fraterhuis stichten.
6. Zie bijv.: Man, D. de, Hier beginnen sommige stichtige
punten van onsen oelden zusteren. Naar het te
Arnhem berustende handschrift, (’s Gravenhage
1919).
7. De geschiedenis van dit fraterhuis, dat vanuit
Zwolle gesticht is, is beschreven door A. Klein Kranenburg,
Geschiedenis van het fraterhuis St. Hieronymus
te Hulsbergen. (Heerde 1986).
8. De geschiedenis van het fraterhuis in Harderwijk is
beschreven door K.H.M. Mars, ‘De Latijnse school
en het fraterhuis van Harderwijk.’ in: Archief voor
de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland.
(i974)> 154-236.
9. Mars, 162, stelt abusievelijk dat Teleman van Honnef
leiding heeft gegeven aan het fraterhuis in Groningen.
Hiervan blijkt noch iets uit de archieven
van het Groningse fraterhuis, noch uit de kroniek
van het Zwolse fraterhuis.
10. Hofman, J. ‘De broeders van ’t gemeene leven en de
Windesheimsche kloostervereeniging.’ in: Archief
voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht
(1878),118-119.
11. Mars, 161, verwart de eerste rector van het fraterhuis
in Harderwijk, Godefridus (Govert) van Kempen
met de man die de geestelijke zorg voor de fraters
in de Hieronymusberg op zich neemt, als dit
huis in 1407 nog geen rector heeft, de frater
Go(a)belinus van Kempen. Van laatstgenoemde is
in de kroniek geen levensbeschrijving opgenomen;
zijn leven wordt evenwel wel beschreven in het zgn.
‘Frensweger handschrift’, (uitgegeven door W. Jappe
Alberts en A.L. Hulshoff, Groningen 1958, p.210
Naam van Teleman
van Houft (Honft),
zoals die voorkomt in
het charter van 20
januari 1442 (Gemeentearchief
Zwolle, inv.
KA 009, Ch. coll.
442-01)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
e.v.) In deze levensbeschrijving is geen sprake van
bemoeienissen met het fraterhuis in Harderwijk,
zoals er ook in de levensbeschrijving van Godefridus
in de kroniek geen sprake is van het rectorschap
in Hulsbergen. Dergelijke belangrijke informatie
zou in de kroniek niet achterwege gelaten
zijn.
12. Gemeentearchief Kampen: Inv. nr 798, fol. 30V.
13. De tekst spreekt hier van humiliare (vernederen),
maar gezien de context is deze wat eufemistische
vertaling wel op zijn plaats. Zie voor de context
noot 14.
14. Schoengen, 103-104: “…et cum Suollis veniret…,
tune fratres nostri solent ipsum humiliare, eo quod
satis esset corpulentus et bonos dies haberet et cetera.”
“Cum… aliqui nostrorum venissent in Harderwijek…
solebat dicere: ‘Jam oportet nos habere
patriotam meum’, per hunc intelligens vinum…”
Straatnamen, niet zo eenvoudig…
Wil Cornelissen Tot 1974 had de gemeenteraad het recht
straatnamen te bepalen. Dat kon nog wel
eens tot aardige discussies leiden. Zo stuitte
het voorstel van het College van Burgemeester
en Wethouders om een nieuwe straat te sieren
met de naam Hortensiastraat op enige weerstand
in de gemeenteraad. Er werd geopperd dat Zwollenaren
die naam niet zouden kunnen uitspreken,
“’t Zal Attensiastraat worden”, zo zei de heer
Augustijn. Mevrouw Stoel meende daarentegen,
dat het een mooie gelegenheid was om mensen te
leren de ‘h’ voor een woord niet weg te laten. Augustijn
stelde nog voor de straat ‘Fuchsiastraat’ te
noemen. Deze naam moest echter gespeld worden
door de voorzitter, toen een van de raadsleden,
de heer Valeton, daarom vroeg. De bezwaren
van de heer Augustijn werden niet gedeeld
door de meerderheid van de gemeenteraad: met
zestien tegen vier stemmen kreeg de Hortensiastraat
zijn naam tijdens de vergadering van 14 juni
1926.
Wist u, dat er in Zwolle tot 1935 een Deventerdwarsstraat
bestond? Op voorstel van het College
van Burgemeester en Wethouders zou die straat
omgedoopt worden tot Zuiderlaan. De heer Valeton
was echter bang om de kluts kwijt te raken.
Deze Zuiderlaan zou dan namelijk ten noorden
van de Oosterlaan en de Westerlaan liggen. “Het
college is bezig de aarde op z’n kop te zetten”, zo
betoogde hij. De heer Van der Vegt had nog een
ander bezwaar. Hij stelde dat het helemaal geen
laan was: de Deventerdwarsstraat was immers
geen weg die aan beide zijden met bomen beplant
was.
Nog tijdens de vergadering kwam de heer
Fransen met een ander idee. Het College nam dat
idee over en zo kreeg de Deventerdwarsstraat een
nieuwe naam: Zuiderkerkstraat.
Dit alles speelde zich af tijdens de raadsvergadering
van 26 augustus 1935.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman (1677-1757)
een Zwols burgemeester1
De belangstelling voor de geschiedenis van
het persoonlijk leven is groeiende. De
toenemende stroom biografieën en biografische
woordenboeken bewijzen dit.2 Niet alleen
individuen zijn onderwerp van onderzoek.
Ook probeert men het: leven van groepen te schetsen
in zogenaamde prosopografische studies. Het
gaat hierbij dan meestal om beschrijvingen van de
sociale bovenlagen in een stad of streek.3 Men
probeert vanuit het bijzondere algemene uitspraken
te doen over het persoonlijk en publiek leven
van een groep. Deze prosopografische schetsen en
algemene uitspraken sdjn op hun beurt ook weer
geschikt om een biografie schets in een kader te
zetten.
In Zwolle staat het prosopografisch onderzoek
op een laag pitje. Wel zijn er ruim tien jaar
geleden twee studies verricht naar de politieke en
sociale bovenlaag van Zwolle in de zeventiende en
achttiende eeuw. Daaruit is gebleken, dat er in de
jaren 1700-1725 een zekere mate van sociale mobiliteit
bestond. Voor families uit de maatschappelijke
regionen net onder de bovenlaag bestonden
er mogelijkheden om tot de sociale en politieke
top door te dringen.4 Deze prosopografisch getinte
these wil ik toetsen aan de hand van het voorbeeld
van de familie Gelderman, in het bijzonder
Arnoldus Gelderman (1677-1758). Opvallend is
namelijk, dat Arnoldus’ grootvader bode van de
Staten van Overijssel was, terwijl hij zelf opklom
tot burgemeester. Hoe voltrok zich deze maatschappelijke
stijging, die in ongeveer 75 jaar
plaatsvond? Een biografisch-prosopografisch onderzoek
naar Arnold Gelderman en zijn familie
kan op deze vraag een antwoord geven.
De familie Gelderman
De vroegste geschiedenis van de familie Gelderman
is in nevelen gehuld. Ondanks uitgebreid
onderzoek is nog steeds onbekend waar de stamvader
Arend Jans Gelderman, zich ook noemende
Jaap Hagedoorn
Van Nimwegen, vandaan kwam. We weten
slechts dat hij op 9 december 1639 benoemd werd
tot landschapsbode van de Staten van Overijssel
op een jaarlijks tractement van 50 gulden, dat echter
met enige emolumenten werd aangevuld.5 Dit
was in die tijd zeker één van de weinige, maar toch
zeker niet één van de minst belangrijke ambtelijke
functies. Een bode van de staten bracht informatie
van en naar Overijssel; een zeer vertrouwelijke
baan, die niet van enig gevaar ontbloot was in tijden
van oorlog.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
voerde in de zeventiende eeuw verschillende
oorlogen. Was Arend Jans dan een soldaat die tijdens
de laatste episode van de Tachtigjarige Oorlog
met zijn compagnie in de vestingstad Zwolle
verzeild was geraakt? Het is niet bekend. In ieder
geval maakte hij als landschapsbode de laatste negen
jaar van die oorlog mee. Dat zijn functie kennelijk
ook financieel gewaardeerd werd, blijkt uit
het feit dat hij in 1643 in staat was een huis aan te
schaffen in de Walstraat en in het jaar erna het
groot burgerschap van Zwolle kocht.6
Puntschotel met het
wapen van de familie
Gelderman. Amsterdam,
1638.
8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman
(1677-1757). (foto: Iconografisch
Bureau,
Den Haag).
Arend Jans huwde in 1640 met Willemtijn Egbers,
de dienstbode van burgemeester Ewols. Uit
dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, waarvan
alleen de één na jongste zoon, Egbert, zijn ouders
zou overleven. Hem benoemden Arend Jans
en Willemtien in 1656 tot enig erfgenaam.7 In 1653
had Arend Jans van Ridderschap en Steden van
Overijssel toestemming verkregen één van zijn
zoons op te leiden tot landsbode, zodat deze hem
na zijn dood zou opvolgen.8 Al in 1663 wordt Egbert
Gelderman, dan vijftien jaar oud, in de stukken
als bode aangeduid. Zijn ouders overleden
enige jaren later: Willemtijn Egbers in 1667 en
Arend Jans in 1669. Zij werden beiden begraven in
het portaal van de Grote Kerk. Nu was dat wel
niet de meest in aanzien staande plek in de Grote
Kerk, maar wie in een kerk begraven werd – en in
Zwolle met name in de Grote Kerk – stond in enig
aanzien en beschikte over voldoende middelen
een dure begrafenis te kunnen betalen.
Egbert Gelderman was enige maanden na het
overlijden van zijn moeder in 1667 gehuwd met
Anna Aalts, dochter van de stadssmid Jan Aaltsen
en Sophia van Ulsen. Uit dit huwelijk zouden zes
kinderen worden geboren, waarvan Arnoldus, geboren
aan de Blij markt in 1677, het vijfde was. In
1681 overleed Anna Aaltsen.
Zwolle rond 16779
Zwolle had in de zeventiende en achttiende eeuw
een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende
platteland. De stad was enerzijds marktplaats
voor agrarische produkten, anderzijds
konden de bewoners van het platteland in de stad
de nodige nijverheidsprodukten kopen. Industrieel
vervaardigde produkten, afgezien van textiel
waren er nog nauwelijks. Zeer belangrijk voor
Zwolle was de transito- of overslaghandel. Zwolle
werd een stapelplaats voor goederen die tussen
het westen van de Nederlanden en Twente en
Westfalen werden vervoerd. Daarvoor werden
rond 1700 de handelswegen naar het zuidoosten
(Wipstrik) en oosten (Hardenberg) verbeterd. Al
in 1600 was de Nieuwe Vecht gegraven, die Zwolle
met de Vecht verbond. Tot de produkten die
op deze wijze werden verhandeld, behoorden onder
andere koloniale waren, hout, tabak, wijn,
boter, graan en hooi. De handel was geconcentreerd
rond de huidige Thorbeckegracht, waar de
meeste factoors woonden.
Door deze activiteiten kende Zwolle aan het
eind van de zeventiende eeuw een zekere welvaart.
Omstreeks 1700 was het huidige stadshart
geheel bebouwd. Aan de uitvalswegen naar Kampen,
Deventer en het oosten waren dunbebouwde
boerennederzettingen. Ondanks de grote pestepidemieën
van 1636 en 1656 – waaraan binnen
enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670 zo’n
12.000 inwoners en was nog groeiende.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook 2’wolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. Dit
had tot gevolg, dat de stedelijke overheid na het
vertrek van de vreemde troepen in 1674 m e t forse
schadeclaims en schulden bleef zitten, als gevolg
van inkwartiering, knevelarij, vernielingen en extra
belastingen.
Nadat de bezettende machten waren verdreven
en Willem III tot stadhouder was benoemd,
strafte de laatste de gewesten die nauwelijks weerstand
hadden geboden aan de vijandelijke troepen.
Bij het regeringsreglement van 1675 trok de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stadhouder de goedkeuring van de verkiezing van
burgemeesters, schepenen, raden en meenslieden
in Utrecht, Overijssel en Gelderland aan zich, om
zich van de loyaliteit: van de onbetrouwbare gewesten
te verzekeren.
Egbert Gelderman
In hetzelfde jaar 1675 maakte Egbert Gelderman
promotie. Op 22 februari ontving hij uit handen
van Willem III zijn benoeming tot kamerbewaarder
van de provincie.10 Dit betekende onder andere
dat hij aanwezig was bij de vergadering van
de Staten van Overijssel, maar ook dat hij als belastingontvanger
van de provincie kon fungeren:
kortom een brede, vertrouwelijke functie. Het
kan zijn dat de stadhouder ook het ambtelijk apparaat
aan zich wilde binden en daarom (onder
andere) de landsbode Gelderman tot dit ambt bevorderde.
Het gezin Gelderman kreeg onderdak
in het gebouw van Gedeputeerde Staten aan de
Blijmarkt, waar ook Arnold geboren zou worden.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw Anna
Aaltsen, huwde Egbert in 1682 met Elisabeth Scriverius,
dochter van predikant Samuel Scriverius.
Niet alleen kregen de kinderen Gelderman op
deze wijze weer een moeder, ook zouden de familiebanden
met de familie Scriverius een rol spelen
bij de sociale promotie die de familie – en met
name Arnold – nog zou maken.
De benoeming tot kamerbewaarder gaf vader
Egbert kennelijk een hogere sociale status, waardoor
hij geschikt was voor het vervullen van verantwoordelijke
nevenfuncties. Zo werd hij in 1681
vaandrig in het burgerregiment en lid van de gezworen
gemeente, het lichaam dat leden van de
magistraat benoemde en over enkele zaken geraadpleegd
moest worden. In 1683 werd Egbert
benoemd tot ouderling van de Hervormde Kerk.
Uit zijn huwelijk met Elizabeth Scriverius zouden
twee zonen geboren worden, die waarschijnlijk
beiden jong stierven.
Arnolds jonge jaren
Nog een andere aanwijzing voor de gestegen sociale
positie van de familie Gelderman blijkt uit
de opleiding van Arnold: hij bezocht tussen 1687
en 1692 de Latijnse school te Zwolle, in die tijd de
school voor de kinderen uit de bovenlagen van de
samenleving.” Arnolds lidmaatschap van de deftig
geachte Waalse Kerk – waar Frans de tale Kanaans
is – zal door dit onderwijs mogelijk gemaakt
zijn. Al in 1702 werd hij diaken in deze
kerk, die pas in 1697 door de gemeentelijke overheid
was erkend.
Arnold trad in 1699 in het huwelijk met Petronella
Ulger, de eveneens in 1677 geboren dochter
van Lubbert Ulger en Jannigje Gerrits van Enschede.
Het huwelijk vond in het kerkje van Windesheim
plaats. Het gold in die dagen als een teken
van stand om daar te trouwen. Petronella’s
vader, Lubbert Ulger, was serviesmeester, dat wil
zeggen dat hij voor het onderdak van de ingekwartierde
soldaten verantwoordelijk was, en verder
lid van de gezworen gemeente. Ook de banden
met deze familie Ulger zouden de sociale positie
van de familie Gelderman ten goede komen.
Arnolds zwager, de jurist Dithmar Ulger, was begin
achttiende eeuw één van de voorlieden van de
gezworen gemeente. Een andere zwager, Willem
Berg, had een hoge functie in het leger en zou het
eveneens tot burgemeester brengen.12
Uit het huwelijk van Arnold en Petronella, dat
ruim 58 jaar zou duren, werden drie dochters en
drie zoons geboren. Eén dochter stierf jong. Van
de overige kinderen zouden alleen de oudste
dochter en de jongste zoon hun ouders overleven.
Petronella Ulger
(1677-1762), de dochter
van een lid van de
gezworen gemeente
waarmee Arnold Gelderman
in 1699 trouwde
(foto: Iconografisch
Bureau, Den Haag).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het gezin woonde aan de Bitterstraat, in het huis
van de Ulgers, later aan de Blijmarkt.
Inmiddels was het tijd geworden dat ook Arnold
een werkkring zou krijgen. Daarom richtte
Egbert Gelderman in 1704 – net als zijn vader vijftig
jaar eerder – een verzoek aan Gedeputeerde
Staten. Hij gaf daarin aan dat zijn leeftijd (hij was
56 jaar) ‘ende tusschenkomende swakheijd’ hem
af en toe beletten zijn werk te doen. Hij stelde
daarom voor dat zijn zoon Arnold mede als kamerbewaarder
werd aangesteld als waren zij één
persoon. Bij overlijden van de één, zou de ander
het werk alleen overnemen.13 Aardig detail is dat
uit het handschrift blijkt dat deze brief door Arnold
geschreven is. Gedeputeerde Staten stemden
in met het verzoek, zodat Arnold na het overlijden
van zijn vader in 1711 de functie alleen bekleedde.
De geschiedenis herhaalde zich.
Arnolds ouders – Elisabeth Scriverius overleed
in 1715 – werden overigens begraven in de
Grote Kerk, niet meer in het portaal, maar op het
in meer aanzien staande Lage Koor.
Zwolle in de eerste helft van de achttiende eeuw
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al aan het eind van de zeventiende
eeuw had ingezet, was Zwolle nog redelijk
welvarend, vooral vanwege de centrumfunctie
van de stad. Dit maakte de lokale economie minder
gevoelig voor economische depressies. De
middenstand profiteerde van deze bloei. De adel
en de rijken die in grond hadden belegd, kregen
door malaise in de landbouw nauwelijks waar
voor hun investeringen.
De handel van de factoors aan de Thorbeckegracht
bleef een peiler van de Zwolse economie en
werd door de overheid begunstigd en beschermd.
Een uiteindelijk niet uitgevoerd plan uit 1706 om
de waterafvoer via de IJssel te vergroten en deze
rivier dus beter bevaarbaar te maken werd door
de Zwolse overheid met kracht bestreden. Het
zou betekenen dat Deventer per schip bereikbaar
werd, wat de Zwolse handelspositie ten opzichte
van het oosten zou bedreigen. ‘4
De textielindustrie bloeide begin achttiende
eeuw, maar zou in de loop van de eeuw tanen.
Van de 1000 weefgetouwen in 1723 bleken er door
concurrentie van de Emdense industrie in 1751
nog maar 80 over te zijn.15 Naast de textielindustrie
telde Zwolle een enorme variatie aan bedrijven.
Zo waren er een azijnmakerij, een zijdefabriek,
een lijmkokerij, zeepziederijen, kousen-,
knopen-, zout-, spelden en papierfabrieken.16
Ondanks deze variatie zou de nijverheid in de
loop van de eeuw de achteruitgang van de textielindustrie
delen.
De Zwolse bevolking groeide tussen 1680 en
1750 nauwelijks doordat velen hun geluk elders
beproefden.17 Er woonden rond de 12.000 mensen
in de stad, waarvan zo’n 70% hervormden en
20% katholieken.18
Politieke conflicten
In 1702 was Willem III overleden en daarmee begon
het Tweede Stadhouderloze tijdperk. De gehate
regeringsreglementen werden afgeschaft, zodat
raad en gezworen gemeente zelf hun keuze
van de stadsbestuurders bepaalden. Dit betekende
overigens wel, dat overal in den lande de gezworen
gemeente, waarin de gegoede middenstand
was vertegenwoordigd, meer invloed op het
bestuur ging eisen. Tot dan toe was haar rol door
burgemeesters en schepenen beperkt. In sommige
steden kwam het tot zogenaamde ‘plooierijen’:
onenigheden rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen.19 In Zwolle gebeurde dat
niet, maar hier eiste de gezworen gemeente tussen
1703 en 1709 wel inzage in de stadsboeken,
wilde zij gekend worden in de zaken rond de
Zwolse munt en dreigde zij haar veto uit te spreken
over nieuwe belastingen. Arnold Geldermans
zwagers Willem Berg en Dithmar Ulger traden op
als woordvoerder van de gezworen gemeente.20
De zaak liep echter met een sisser af. Waarom is
niet duidelijk.
Kennismaking met de politiek
Arnolds ster was stijgende. In 1708 werd hij
vaandrig van het burgerregiment, in 1713 hopman
van de schutterij. In 1715 benoemden Gedeputeerde
Staten hem tot hun klerk, maar hij bleef
ook kamerbewaarder. Daarnaast was hij vanaf
1717 ontvanger van de zogenaamde Ensergelden,
een belasting ten behoeve van het vuurbaken op
Ens. Arnolds sociale positie was inmiddels kennelijk
dermate hoog, dat hij geschikt was voor politieke
ambten. In 1712 en 1713 werd hij namelijk gekozen
tot lid van de gezworen gemeente. Hij
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
moest bedanken voor de eer, omdat hij ambtenaar
was.
In zijn omgeving had Arnold echter wel te
maken met de politiek. Uiteraard kwam hij als
klerk in aanraking met vele bestuurlijke en politieke
zaken, maar ook in zijn familie moet de politiek
aan de orde zijn gekomen. Zijn zwagers Berg
en Ulger waren lid van de gezworen gemeente,
evenals de echtgenoot van zijn oudste zuster Wilhelmina,
de brouwer Egbert Ridder. Zijn beide
andere zwagers, Gerhard Spaar en Samuel Johannes
Scriverius – respectievelijk getrouwd met
Sophia en Maria Gelderman – zouden later lid
van dit college worden. Bovendien vormden Ridder,
Ulger en Scriverius in 1713 samen met ene
Voet een factie, die met drie andere facties (de
Vriesen, de Roubolle en de Cabale genaamd) een
overeenkomst sloot over de verdeling van zestien
plaatsen in de gezworen gemeente.21 Het is de tijd
van de zogenaamde contracten van correspondentie,
waarbij de regenten onderling afspraken
maakten over de verdeling van ambten en lidmaatschappen
van politieke colleges.
Hoewel de familie Gelderman qua sociale status
zo langzamerhand tot de bovenlagen van de
Zwolse samenleving behoorde, maakte ze als tamelijk
nieuwe familie geen deel uit van de oude
regentengeslachten. In principe was het dus
moeilijk om lid te worden van de politieke elite.
Onderzoek heeft echter uitgewezen, dat juist in
het eerste kwart van de achttiende eeuw de kans
om als buitenstaander toegelaten te worden tot
die regerende bovenlaag groter was dan ervoor en
erna.22 Waarschijnlijk kwam dit doordat sommige
oude families uitstierven of geen kandidaten
hadden voor de te vervullen zetels.
Ook de hevige factiestrijd – er waren in totaal
vijf facties die om de plaatsen op de kussens streden
– werkte snellere wisseling van de wacht in de
hand. In de jaren 1723 en 1724 kwam het bijvoorbeeld
zes keer voor dat een burgemeester niet
werd herbenoemd, een ongekend hoog getal. Ook
het feit dat het regeringsreglement was afgeschaft
speelde een rol. Willem III had belang gehad bij
continuïteit en loyaliteit en dus voor een regelmatige
herbenoeming gezorgd.
L’histoire se répète
Arnold Gelderman had zich bij de factie van de
Roubolle aangesloten. Zijn ambtelijke functie
verhinderde evenwel dat hij aan de verkiezingen
deelnam. Nadat zij de Latijnse school hadden
doorlopen, waren zijn zonen Egbert en Samuel
Johannes op een leeftijd dat zij een werkkring
moesten krijgen. En wederom herhaalde de geschiedenis
zich.23 Al in 1719 deelde Arnold de
functie van kamerbewaarder met zoon Egbert, en
die van klerk met Samuel Johannes. De beide
broers verwisselden in 1722 nog een keer van
functie, want in dat jaar verzocht Arnold om ontslag
aan de heren Gedeputeerden. Hij was bang
dat hij zijn werk niet meer naar behoren kon uitvoeren
als gevolg van ‘lich[amel]ijcke swackheden’.
Hij stelde voor zijn beide zoons te benoemen
in zijn respectievelijke functies24, hetgeen geschiedde.
Egbert zou tot zijn dood in 1752 klerk
blijven. Samuel Johannes zou zijn functie afstaan
Voor- en achterzijde
van een VOC-glas met
het wapen van de familie
Gelderman. Dit glas
behoorde toe aan
Arnoldus Gelderman,
die gedeputeerde was
bij de VOC, kamer
Delft.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stamboom van de
families Ulger, Gelderman
en Scriverius.
ULGER GELDERMAN
Arend Jans
x
Willemtijn Egbers
SCRIVERIUS
Samuel Johannes
x
Jacobje Jans
Lubbert Ulger
x
Johanna G. van Enschede
I I I 1 I I
z Egbert z
x
— AnnaAaltsen ‘
Elisabeth Scriverius
– z
– z
Dithmar d
x
I I
Petronella x Arnold
Samuel Johannes
x
Maria la Blan
Willem Berg
Anna Elisabeth –
Johanna Maria –
Egbert –
Johanna Maria –
Samuel Johannes –
Willem Gerrit –
1 I
i d :
x
Egbert
Ridder
d c
x
Gerard
Spaar
Maria x Samuel Johannes –
Anthonij –
x
Sara Amia
d -|
x
Hanselaar
z –
Egbertus –
d –
Eeckhout
I I I
d z z
X
Tobias
Johannes
Antonius x
Nilant
z = zoon, d = dochter, meenslid, raadslid, meens- en raadslid
Gilliana
Paulina
x
Antonius
v.d. Os
Jannes –
z
d –
z –
z –
d -I
aan de jongste broer Gerrit Willem, die tot zijn
dood in 1773 kamerbewaarder zou zijn. Bijna
honderd jaar was deze functie toen in de familie
geweest.
Raadslid en burgemeester
Arnold had zijn ontslag waarschijnlijk mede aangeboden
om mee te kunnen dingen naar het
raadslidmaatschap. In 1723 werd hij gekozen en
tot zijn dood in 1757 zou hij lid zijn van het college
van burgemeesteren, schepenen en raden van de
stad Zwolle. Als lid van de Zwolse overheid heeft
hij in de loop der jaren tal van functies gehad. De
regerende burgemeesters verdeelden de werkzaamheden
onderling. Zo was Arnold achtereenvolgens
keurmeester, tichelmeester, timmermeester
en cameraar, zeg maar wethouder van
financiën. In deze functies zat een opbouw. Het
cameraarschap was de belangrijkste die binnen
het Zwolse stadsbestuur te vergeven was en werd
meestal door de oudste raadsleden vervuld. Ook
was Arnold in 1724 Zwols afgevaardigde naar de
Staten van Overijssel.
Zoals opgemerkt, was Arnold lid van één van
de regentenfacties. Hij heeft zelf nauwkeurig bijgehouden
wie van welke factie op het kussen
kwam en welke functies ze hebben bekleed. Deze
aantekeningen vormen een dankbare bron voor
het onderzoek naar het functioneren van de contracten
van correspondentie. Niet alleen via deze
facties, maar ook door het toenemend aantal familieleden
op invloedrijke posities, moet Arnold
Gelderman naar mate hij ouder werd een politicus
van gewicht zijn geworden. In 1719 was zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zwager en neef Joan Scriverius raadslid geworden,
in 1727 werd zwager Willem Berg eveneens raadslid.
Zoon Samuel Johannes werd na een rechtenstudie
in 1732 secretaris van de stad Zwolle. Egbertus
Scriverius, een zoon van zijn zuster, werd in
1738 raadslid, evenals diens neef Johannes Antonius
in 1745. Verder was de familie Scriverius verwant
aan de families Eekhout, Nilant en Tobias,
die ook op het kussen zaten, danwei zouden komen
te zitten. Kortom: de familie Gelderman was,
in de persoon van Arnold, onverbrekelijk verbonden
met de politieke en sociale bovenlaag van
Zwolle.
Zwolle tijdens Arnolds raadslidmaatschap
De jaren waarin Arnold Gelderman raadslid van
Zwolle was, kenmerken zich door de eerste tekenen
van economisch verval, zoals al eerder vermeld.
In de industrie was deze teruggang het eerst
merkbaar. Wanneer er zich rampen voordeden
als de veepest (1714), strenge winters (1740-1741),
of een epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart
in de stad zeer.
Ook op politiek niveau waren er moeilijkheden.
In 1726 dreven de Zwolse burgemeesters een
belasting op gebrande wateren door, zeer tegen de
zin van de gezworen gemeente. Hierdoor werd de
prijs van een borrel met 50% verhoogd. Dit leidde
tot een opstand onder het weversvolk. Onder leiding
van enkele belhamels werden bij verschillende
burgemeesters de ruiten ingegooid onder leuzen
als: “Zoo moet men die donders leren” en “De
groten zijn toch al den donder atheïsten”. De
schuldigen werden gegrepen en één raddraaier
kreeg de strop.25
De neergang in de economie in de jaren veertig
van de achttiende eeuw, gekoppeld aan de eerder
genoemde rode loop en het voor de Republiek
slechte verloop van de Oostenrijkse Successieoorlog
deden ook in Zwolle de roep om Oranje toenemen.
Dit leidde ertoe dat Willem IV in 1747 tot
erfstadhouder werd uitgeroepen en de regeringsreglementen
weer van kracht werden. Alle verkiezingen
moesten aan de prins worden voorgelegd.
Hierdoor verdwenen de laatste restjes van de
oude factietegenstellingen.26
Het was niet Willem IV, maar na zijn overlijden
in 1751 wel zijn weduwe Anna van Hannover
die probeerde in de steden eigen mensen in de
raad te krijgen. Daartoe liet zij in Zwolle verschillende
raadsleden afzetten, waaronder enkele leden
van de Scriveriusfamilie.27 Op de achtergrond
hierbij speelde een kerkelijk conflict rond ds. Antonius
van der Os mee. Deze werd verweten af te
wijken van de orthodoxie en de leerstellingen van
Dordt. De gemeentelijke overheid had hem de
hand boven het hoofd gehouden, maar de kerkeraad
wilde hem kwijt. Van der Os was getrouwd
met een achternicht van Arnold Gelderman, Gilliana
Paulina Scriverius. De familie Scriverius, en
dus waarschijnlijk ook Arnold, gold als voorstander
van Van der Os. Vandaar dat Anna van Hannover,
die tegenstandster was van de ideeën van
Van der Os, mede hierom gebaat was bij beknotting
van de macht van de familie Scriverius.28
Laatste levensjaren
De laatste jaren van het leven van Arnold Gelderman
waren niet gemakkelijk. In 1742 verloor hij
zijn dochter Johanna Maria. In 1747 en 1748 stierven
binnen een jaar zijn schoondochter Engelina
Johanna Kymmell en zijn zoon Samuel Johannes
en in 1752 overleed zijn oudste zoon Egbert. Bovendien
werd hij de laatste jaren van zijn leven geplaagd
door een slechte gezondheid. In de spaarzame
brieven uit die tijd informeren de schrijvers
steeds naar zijn gezondheid, of nodigen hem uit,
zo zijn gezondheid hem toelaat te komen. Nog in
1756 wordt Arnold benoemd tot Zwols gedeputeerde
bij de VOC, kamer Delft. Of hij die functie
ook werkelijk heeft kunnen uitoefenen, blijft de
vraag: Arnold Gelderman overleed op 6 december
1757 en werd op 14 december 1757 op het Lage
Koor van de Grote Kerk begraven. Petronella Ulger
zou hem vijfjaar overleven.
Besluit
Als wij het leven van Arnold Gelderman bezien,
dan moet gezegd worden dat hij een geweldige
carrière maakte: van kamerbewaarder tot burgemeester
en gedeputeerde. Deze loopbaan was zeker
mede het gevolg van de nauwkeurig geplande
overdracht van functies binnen de familie Gelderman.
Grootvader Arent Jans was hiermee reeds
begonnen en ook Arnold zou zijn zoons zo een
goede start in het leven geven. Anderzijds is de
succesvolle loopbaan van Arnold ook te danken
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
aan de betere mogelijkheden die niet-magistraatsfamilies
begin achttiende eeuw hadden om
op het kussen te komen. Lidmaatschap van een
factie vergrootte die mogelijkheden, maar ook de
(familie)banden met andere magistraatsfamilies.
Arnnold heeft hierdoor de hem geboden mogelijkheden
dan ook ten volle benut. Met zijn burgemeesterschap
werd een eeuw van sociale stijging
bekroond.
Noten
1. Dit artikel is een bewerking van een lezing over Arnoldus
Gelderman, gehouden in de Waalse Kerk op
1 september 1990, ter gelegenheid van de overhandiging
van een rouwbord van Arnoldus Gelderman
aan de Eglise Wallone te Zwolle en de presentatie
van de Inventaris van het familie-archief en collectie
Gelderman aan het Zwolse gemeentebestuur door
de voorzitter van de Stichting Familiearchief en collectie
Gelderman, mr. E.F.G.M. Gelderman. De
stichting verwerft en beheert/laat beheren archiefmateriaal
betreffende de familie Gelderman en stimuleert
het wetenschappelijk onderzoek dat met
behulp van deze bronnen wordt verricht.
In 1991 verscheen in het Nederlands Patriciaat 1990
de genealogie van de familie Gelderman.
2. Naast drie delen van het Biografisch Woordenboek
van Nederland die de afgelopen tien jaar verschenen,
worden er ook op deelgebieden steeds vaker
biografische woordenboeken uitgegeven, zoals
Overijsselse biografieën, J. Folkerts e.a. ed (Zwolle
1990) en twee delen in de reeks Drentse biografieën.
3. Zeer bekend in dit verband zijn de werken van J.J.
de Jong Met goed fatsoen. De elite in een Hollandse
stad. Gouda 1/00-1780, L. Kooijmans Onder regenten.
De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-1780
en M. Prak Gezeten burgers. De elite in een Hollandse
stad. Leiden 1700-1780.
4. Zie C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
1675-1747. Een onderzoek naar de oligachisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging
(ongepubliceerde scriptie; Zwolle 1981) en
A.J.A. Bos, De Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek
naar een mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1978).
5. Rijksarchief in Overijssel (RAÓ), Statenarchief
(SA) 355, Resoluties Gedeputeerde Staten, 9-12-
6. Inventaris, XIII; en burgerschapsregister in: Gemeentelijke
Archiefdienst Zwolle (GAZ), AAZ01-
413.131-
7. GAZ, RAooi-112,454 (dd. 9 oktober 1656)
8. RAO, SA 360, Resoluties Ridderschap en Steden, 8-
11-1653.
9. Gebaseerd op L. van Vuuren, Rapport betreffende
een onderzoek naar de welvaartsbronnen van de gemeente
Zwolle (Zwolle 1939) 6-15; Paulusma-du
Pree, 6-8; N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’ in: Zwols
Historisch Jaarboek l (1984) 84.
10. Inventaris, XIII.
11. Zie J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het
Zwolse schoolwezen tot omstreeks 1700 (dissertatie;
Zwolle 1960) passim.
12. Zie voor de familie Ulger, J. Van Doorninck, Geslachtkundige
aanteekeningen ten aanzien van de
Gecommiteerden ten Landdage van Overijssel zedert
1610-1974… (Deventer 1871) 620.
13. GAZ, FA011, Familiearchief Gelderman, 1. Deze
collectie is beschreven in Inventaris van het familie-
archief en collectie Gelderman, J.J. Seekles ed.
(Zwolle 1990)
14. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2 dln.;
Zwolle 1954-1960) II, 102.
15. Van Vuuren, 6-15.
16. Van Vuuren, 12.
17. Habermehl, 84.
18. Bos, 5-6.
19. Zie W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink,
Burgers in verzet tegen regenten-heerschappij.
Onrust in Sticht en Oversticht 1703-1706 (Amsterdam
1976).
20. Paulusma, 32 ev., en 65.
21. Paulusma, 22.
22. Paulusma, 14-16.
23. J.C. Streng, ‘De veiling van de bibliotheek van Samuel
Johannes Gelderman te Zwolle in 1749’ in:
Zwols Historisch Jaarboek 6 (1989) 123-125.
24. GAZ, FA011,5.
25. De Vries, 113-115.
26. Bos, 19.
27. Bos, 13-14.
28. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-
168.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 15
Jongere bouwkunst in Zwolle
In twee eerdere nummers van het Zwols Historisch
Tijdschrift (1990, nr. 4 en 1991, nr. 2)
zijn artikelen gepubliceerd over de stedebouwkundige
ontwikkeling van Zwolle in de periode
1850-1940 en over de bouwwerken in de binnenstad
uit diezelfde tijd. In het onderstaande
stuk worden de gebouwen buiten de singels beschreven.
Het volgende en laatste artikel zal gaan
over het buitengebied (de voormalige gemeente
ZwoUerkerspel). Vlak buiten de singels vinden we
een aaneengesloten gebied met waardevolle objecten
van jongere bouwkunst. De Zwolse singelbebouwing
is ook landelijk gezien zeer bijzonder.
Vooral het deel tussen de Luttekestraat en de
Sassenpoortbiedt nog steeds een fraai negentiende-
eeuws panorama. De hele stationswijk, gebouwd
na aanleg van de spoorlijn in 1864, is een
gebied met voorbeelden van negentiende-eeuwse
architectuur.
Burgemeester van Roijensingel 1
Deze witgepleisterde villa uit 1862 valt op door het
iets teruggelegen torentje dat er aan toegevoegd
werd door de architecten F.C. en J.D.C. Koch in
1913-1914. Aan de achterzijde bevindt zich een serre.
Thans is het in gebruik als makelaarskantoor.
Burgemeester van Roijensingel 2, Villa Eekhout
In 1860 werd deze villa tegenover de Nieuwe Havenbrug
gebouwd naar een ontwerp van de Zwolse
aannemer M. de Groot in eclectische stijl. In
1911 kocht de gemeente het pand; lange tijd waren
er plannen en ook ontwerpen voor een nieuw
stadhuis op deze plaats. De villa bleef echter gespaard,
evenals het fraaie landschappelijke park
erachter. Het pand is nu kantoor.
Burgemeester van Roijensingel5
Deze grote villa werd gebouwd in 1875-1877 in
classisistische stijl. Het huis heeft over twee bouwlagen
een grote erker en wordt bekroond door een
koepelvormig dak. In de tuin is in 1884-1885 een Jan Willem
bijgebouw met prieel geplaatst. van Beusekom
Burgemeester van Roijensingel 6
Villa in neo-renaissancestijl, gebouwd in 1882-
1883 naar een ontwerp van J.Gosschalk. De asymmetrische
gevel heeft rechts een risalerende trapgevel
en links een overhoekse erker over twee
bouwlagen. Het geheel wordt bekroond door een
houten loggia.
Burgemeester van Roijensingel 9
Burgemeester van
Roijensingel 9
Dit kantoorpand is gebouwd in 1914 naar een tra- (foto: J. de Koning)
i 6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van Nagellstraat
(foto: M. Malherbe)
Zeven Alleetjes 1
(foto: J. de Koning)
ditionalistisch ontwerp van de Zwolse architect
M. Meyerink voor de Eerste Onderlinge Aannemers
Verzekeringsmaatschappij. Later was het in
gebruik als Bank van Doijer & Kalf en laatstelijk
als Amrobank. Thans is het verbouwd tot 26 appartementen.
De symmetrie van de gevel wordt
verstoord door het ranke hoektorentje met open
hoogste trans.
Burgemeester van Roijensingel 17/18
Deze grote en opvallend gesitueerde stadvilla, is
gebouwd in 1884-1885 naar een ontwerp van de
Zwolse architect S.J.H. Trooster in eclectische stijl
met karakteristieke, overhoeks geplaatste erkerachtige
torentjes met rondlopende balkons. Ernaast
werd in 1899 een personeelswoning gebouwd
naar ontwerp van D. de Herder.
Van Nagellstraat7-19
Eén van de ‘nieuwe’ straten in de buurt van het
station, laat een opvallende aaneengesloten bebouwing
uit 1899-1900 van de architect G.B.
Broekema zien, in afwisselende stijl met kenmerken
van de Jugendstil.
Kantoor van de IJsselcentrale aan de Zeven
Alleetjes.
Dit gebouw lijkt bij eerste beschouwing na-oorlogs.
Het oudste gedeelte werd echter ontworpen
in 1939 door de architecten A. van der Steur en M.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meijerink in de stijl van de Delftse School. Deze
bouwstijl werd vooral gepropageerd door de
Delftse hoogleraar Granpré Molière. Vooral na de
oorlog werd veel in deze stijl gebouwd. Het gebouw
werd in 1942 voltooid.
Emmawijk 2/3
In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de
Willemsvaart naar het westen verlegd. Op de gedempte
oorspronkelijke vaart werd een wijk met
grote huizen gebouwd. Dit dubbele herenhuis in
neo-renaissancestijl, werd in 1893 ontworpen
door de Zwolse architect S.J.H. Trooster.
Veerallee 3/4/5
De drie Jugendstilhuizen onder één kap, zijn ontworpen
door de Zwolse architect G.G. Post. Met
de ernaast liggende panden Veerallee 1/2 vormen
ze een karakteristiek geheel. Thans zijn ze deels in
gebruik als kantoor of als woonruimte.
Wilhelminastraat
(foto: J. de Koning)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Prins Hendrikstraat
(foto: J. de Koning)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wilhelminastraat 4/26A, Julianastraat 62162a
Deze aaneengesloten rij woningen is gebouwd in
1905-1906, met de zeer karakteristieke Jugendstilvormgeving
van de later in Kampen woonachtige
architect G.B. Broekema. Samen met de panden
aan de overzijde van de straat geeft het een gaaf
beeld uit het begin van deze eeuw.
Wilhelminastraat 25/35
De zes woningen in Jugendstil zijn gebouwd in
1904 naar een ontwerp van de Zwolse architect
G.G. Post.
Prins Hendrikstraat 2/26
De gehele straatwand met neo-renaissance en Jugendstil-
elementen, is gebouwd in 1902, naar het
ontwerp van de Zwolse architect M. Meyerink.
Prins Hendrikstraat ïliya
Deze rij woningen met Jugendstil-elementen, is
gebouwd tussen 1902 en 1904 naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post. Tussen de woningen
5 en 7 bevindt zich een houten poortje dat
toegang geeft tot het achterterrein.
Marnixschool aan de Westerlaan
Dit complex is in 1922-1923 oorspronkelijk gebouwd
als een combinatie voor lagere school en
ULO door de Zwolse architecten M. en H. Meyerink.
Het gebouw bestaat uit een aantal haaks op
elkaar geplaatste vleugels met grote lage schilddaken.
Aan de voorzijde valt een halfronde uitbouw
op.
Station
Reeds in 1863 werd het station gebouwd. De
Staatsspoorwegen hanteerden vijf klassen al naar
gelang de grootte en het belang van de vestigingsplaats.
Vooruitlopend op het belangrijke knooppunt
van spoorwegen (zeven op het hoogtepunt)
kreeg Zwolle een Klasse I station in de stijl van het
Waterstaatsclassicisme. De 60 meter lange gevel
bestaat uit een negen traveeën breed middengedeelte
met twee bouwlagen en twee verdiepingloze
zijvleugels. Het gebouw staat op de Rijksmonumentenlijst
en is kort geleden gerenoveerd. Het
uiterlijk bleef daarbij intact.
Hoge Spoorbrug
In 1882-1883 werd een smalle brug over het ruim
100 meter brede stationsemplacement gelegd. De
brug bestaat uit drie overspanningen van 36 meter
lengte, waarvan zowel de onder- als de bovenrand
gebogen zijn. In verband met de visuele gelijkenis
wordt van een ‘lensliggerbrug’ gesproken.
In Nederland is deze brug het enige voorbeeld van
een dergeljke constructie. Deze brug is onlangs op
de Rijksmonumentenlijst geplaatst en dien ten
gevolge bij de huidige herinrichting gespaard gebleven.
Van Karnebeekstraat 106/114
De vijf woonhuizen in classicistische stijl zijn gebouwd
in 1873 door aannemer B.J. Ernst, nabij de
oprit van de Hoge Spoorbrug.
Hertenstraat 27
Dit bedrijfspand is ontworpen door de Zwolse architecten
H. van Dijk en J.D.C. Koch in een aangepaste
bouwstijl, passend in een woonwijk. De
sobere architectuur wordt geaccentueerd door
een trapgevel en hoektorentje. Het pand is later
verbouwd tot 14 wooneenheden.
Dominicanenklooster aan de Assendorp er straat
27/29
Dit grote complex met een neo-gotische kruisbasiliek
en klooster, werd gebouwd naar een ontwerp
van de Maastrichtse architect J. Kayser en
De Hoge Spoorbrug
(foto:], de Koning)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dominicanenklooster
(foto: J. de Koning)
werd in 1902 gewijd. Na een grote brand in 1933
werd het klooster herbouwd. De kerk heeft geen
echte toren, maar wel twee symmetrische traptorentjes
aan weerszijden van de voorgevel en een
zeskantige houten vieringtoren.
Eigenhaardstraat 12/46, Assendorperstraat 41/43
De twee rijtjes arbeiderswoningen van de Woningbouwvereniging
Eigen Haard, zijn gebouwd
in 1893-1894 naar een ontwerp van de Zwolse architecten
W. en F. Koch.
Assendorperstraat 78/86
De oorspronkelijk symmetrische rij van winkelwoonhuizen
uit 1907-1908 is gebouwd naar een
ontwerp van de Zwolse architect G.G. Post. De
fraaie om de hoek doorlopende Jugendstil-winkelpui,
heeft een overhoeks geplaatste ingang en
daarboven een hoge erker met spits dak.
Molenweg 169
Deze kleine, maar opvallend rijk geornamenteerde
woning is in 1896 gebouwd naar een ontwerp
van de architect G.B. Broekema als representatief
gedeelte van een confectiefabriek. Deze fabriek
heeft achter de woning gelegen en is enkele jaren
geleden afgebroken.
Assendorperstraat 129
De landelijke naam Landwijk doet vermoeden
dat dit landhuisje hier al stond voordat de wijk
Assendorp werd gebouwd. Schijn bedriegt, want
in werkelijkheid is dit gebouwtje in 1884 voor een
liefdadigheidsinstelling, de St. Vincentiusvereniging,
gebouwd. Het heeft maar enkele jaren
dienst gedaan als opvang voor verwaarloosde
kinderen. Daarna vestigde zich er een bloemkwekerij
in. Het uiterlijk van het pand bleef ongewijzigd.
Opvallend is de asymmetrische opzet van de
gevel en de zinken bekroningen op het dak.
Ambachtsschool Mimosastraat 1
Op een karakteristiek punt (vroeger lag hier
Zwolles drukste spoorwegovergang), ligt een
schoolgebouw in de stijl van Het Nieuwe Bouwen.
Het is ontworpen door de Leeuwarder architect
A. Baart en de Zwolse architect L. Krook.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
Meppelerstraatweg 19
(foto: J. de Koning)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hertenstraat 27
(foto: M, Malherbe)
Vooral de hoek tussen de twee vleugels met het
hoge trappenhuis zijn opvallend.
Sophiaziekenhuis aan de Rhijnvis Feithlaan 80/84.
Het ziekenhuis is een bekend voorbeeld van Het
Nieuwe Bouwen. Het is ontworpen door J.G.
Wiebenga, directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst.
Het oorspronkelijke ontwerp uit 1931 werd na
aanzienlijke aanpassingen in 1933-1934 uitgevoerd.
Vooral de hoekoplossing aan de kant van
de Philosofenallee is karakteristiek.
Philo sofenallee 31/36
De zes woonhuizen zijn gebouwd naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post in 1906
met een symmetrische gevel. In de gevel zijn drie
risalerende ingangspartijen met hoefijzerbogen.
Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg
Dit is de eerste begraafplaats buiten de stad, aangelegd
in 1823. Het grote smeedijzeren hek tussen
hekpijlers met met rococo-vazen komt vermoedelijk
van elders. Rechts hiervan staan een wachtruimte
en een dienstwoning in eclectische stijl.
Op de begraafplaats zijn grafmonumenten
van onder andere Rhijnvis Feith en Ter Pelkwijk
te zien. Verder zijn er graven van de families
Sandberg en Van Ittersum.
R.K. Begraafplaats aan de Bisschop
Willebrandlaan 92
De begraafplaats is aangelegd in 1841 en heeft een
neo-gotische kapel uit 1883.
Marechausseekazerne aan de Meppelerstraatweg 19
Dit opvallende kantoor van de Koninklijke Marechaussee
is in 1931 gebouwd naar militair (en dus
anoniem) ontwerp. In het gebouw waren ook vijf
woningen geïntegreerd. Vooral de toren die de
hoeklocatie benadrukt, markeert het gebouw.
Daarnaast is het kleurgebruik, onder andere in de
tegeltableaux, opvallend.
Openluchtbad aan de Ceintuurbaan.
Dit inmiddels niet meer in gebruik zijnde zwembad,
werd in 1934 gebouwd naar een ontwerp van
de directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst J.G. Wiebenga in de stijl van Het Nieuwe
Bouwen. Twintig jaar geleden werd het al genoemd
als een topobject van de architectuur uit
de periode 1900-1940.
Tenslotte
Het veldwerk voor dit artikel is inmiddels al weer
drie jaar geleden uitgevoerd. Een groot aantal van
de beschreven panden is inmiddels op de rijks- of
gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. De vorig
jaar ter gelegenheid van de Open Monumentendag
uitgegeven ‘Wandel- en fietstocht jonge
bouwkunst in Zwolle’ verenigt panden uit het vorige
artikel in de binnenstad en panden buiten de
singels op een logische route. De brochure is verkrijgbaar
bij de VW, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de Menno van Coehoornsingel.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw
Aan het einde van de vorige en begin deze
eeuw zijn er in vele steden in Nederland
plannen gemaakt voor stadsuitbreidingen.
Dat daar nogal wat haken en ogen aan zaten, lag
niet alleen aan het feit dat vele van deze steden
nog geheel of gedeeltelijk in hun middeleeuwse
jasje, of liever gezegd keurslijf, zaten, maar ook
aan een gebrek aan deskundigheid en regelgeving
op met name het gebied van de ruimtelijke ordening.
Bestuurlijk gezien was een dergelijke stadsuitbreiding
dan ook geen sinecure. Het kostte een
gemeentebestuur al heel wat hoofdbrekens alvorens
men het erover eens was welke deskundige
zich mocht buigen over de problematiek. Lag er
eenmaal een plan ter tafel dan wilden ‘boeren,
burgers en buitenlui’, gemeenteraad en hogere
overheden er ook nog eens hun zegje over doen.
Het zal dan ook geen verbazing wekken dat
het jaren duurde voordat menig plan tot uitvoering
kwam. Dat daarbij vaak de bestuurlijke verhouding
van meer betekenis was, dan de esthetische
kwaliteit van het plan zal geen verbazing
wekken. In het navolgende artikel wordt met
name het bestuurlijk geharrewar rondom een
voorstel voor een uitbreidingsplan voor de gemeente
Zwolle uit de doeken gedaan.
De conceptie van een plan
In het eerste kwart van deze eeuw gaat het Zwolle
economisch voor de wind. De stad ligt gunstig op
een knooppunt van land-, water- en spoorwegen.
Tussen 1919 en 1936 neemt de bevolking van de
stad met 24% toe. Het woningbestand neemt zelfs
met 41,5% toe. (Ook toen was er al sprake van ‘gezinsverdunning’.)
Er is in deze periode dan ook
sprake van grote bouwactiviteiten. Grote woningcomplexen
ontstaan onder andere in het Veeralleekwartier,
Assendorp, op de Pierik en in de
Wipstrik.
Al deze uitbreidingen vinden plaats op basis
van zogenaamde partiële uitbreidingsplannen.
Daar was niets onoirbaars aan. De Woningwet
van 1901 bood het gemeentebestuur de mogelijkheid
om op basis van deze planfiguur haar stadsuitbreidingen
te reguleren. Het was echter een
fragmentarisch beleid. Begin jaren twintig wordt
de roep om een algemeen uitbreidingsplan (AUP)
hoorbaar. In maart 1924 wijzen Gedeputeerde
Staten van Overijssel de gemeente erop, dat volgens
artikel 31 van de Woningwet een gemeente
met meer dan 10.000 inwoners een uitbreidingsplan
in hoofdzaak (behoudens vrijstelling) moet
opstellen en dat dit plan tevens eenmaal in de tien
jaar dient te worden herzien.
Het College van Burgemeester en Wethouders
neemt de brief voor kennisgeving aan en gaat over
tot de orde van de dag. Een jaar later laait de discussie
over een AUP opnieuw op. Nu worden er
vragen gesteld door gemeenteraadsleden.
Het College blijft weigeren om aan de wet te
voldoen en denkt de zaak te kunnen sussen door
de partiële uitbreidingsplannen aan een externe
deskundige voor te leggen. Hiervoor kiest men de
Inspecteur van de Volksgezondheid ir. R. Le
Poole.
Le Poole acht een stedebouwkundige adviseur
niet nodig, mits het College zijn uitgangspunt namelijk
“een wei-doordacht net van verkeerswegen”
als vervanging voor een AUP overneemt.
Een minderheid in de raad wijst er op dat het
idee van een verkeersstructuurplan als substituut
voor een AUP wat mager is en dat Le Poole wellicht
een kundig man is maar geen stedebouwer.
De raad is van mening dat ze heel goed zelfde
plannen kan beoordelen en vaststellen en dat zonodig
het oordeel van het bedrijfsleven kan worden
gevraagd. De directeur van Openbare Werken
is bekwaam genoeg om de plannen op te stellen.
Daar heeft men volgens de meeste raadsleden
geen commissie van stedebouwkundigen voor
nodig. Een bijkomende zaak, maar zeker niet on-
Raymond Salet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerste opzet voor een
structuurplan door
Dudok en Magnée uit
1949. (foto: Rijksuniversiteit
Groningen)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
belangrijk voor de besluitvorming, is dat de adviezen
van Le Poole onbetaald verstrekt worden.
Door het verwerpen van het voorstel bezuinigde
men ook nog eens duizend gulden op een commissie.
Het voorstel om een commissie van stedebouwkundigen
in te stellen, wordt dan ook met
ruime meerderheid verworpen.
Pas in 1937 wordt in de gemeenteraad aangedrongen
op een sociaal-geografisch en economisch
onderzoek. Het: college is het hiermee eens,
maar een dergelijk onderzoek kan niet door eigen
ambtenaren verricht worden wegens gebrek aan
deskundigheid. Gezocht wordt naar iemand met
een wetenschappelijke opleiding die in staat is een
sociaal-economisch onderzoek naar de grondslagen
der welvaart van Zwolle geheel zelfstandig uit
te voeren.
De raad is bereid hiervoor vijfduizend gulden
uit te trekken. Op aanraden van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten valt de keus op prof.
L. van Vuuren, hoofd van het Geographisch Instituut
van de Rijksuniversiteit Utrecht.
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog
gooit roet in het eten. Van Vuurens survey verdwijnt
voorlopig in een bureaulade.
De gemeente verleent een opdracht
Aan het begin van de oorlog worden bij Zwolle de
IJsselbruggen opgeblazen. Zwolle is daardoor als
verkeersknooppunt uitgeschakeld en strategisch
niet meer van belang. De stad loopt dan ook tijdens
de oorlog weinig schade op. Na de oorlog is
een wederopbouw-programma niet nodig. Nadat
het normale leven weer op gang is gekomen, doemen
dezelfde problemen van voor de oorlog weer
op. Het draait nog steeds om de vraag of nu wel of
niet een ontwikkelingsplan en een AUP moeten
worden opgesteld.
Provinciale Staten vinden met name de stedebouwkundige
plannen van de gemeente onvoldoende.
“De zeer belangrijke vraagstukken van de
toegang tot de stad, van de landschappelijke begrenzing
van de toekomstige bebouwde kom en
van de coördinatie van het stedelijk groen, zijn
niet tot een oplossing gebracht”, schrijft het provinciaal
bestuur aan de gemeente.
In de loop van 1947 dringt de toenmalige directeur
van de Provinciaal Planologische Dienst
(PPD) ir. A. Kraayenhagen bij het College van
Burgemeester en Wethouders erop aan om een
AUP op te stellen. Zwollerkerspel, de omringende
gemeente, heeft namelijk laten weten alleen mee
te werken aan annexatie door de gemeente Zwolle
als er een vastgesteld AUP is. Dit is een reden te
meer om nu eindelijk eens iets te ondernemen.
Kraayenhagen stelt voor om de stedebouwkundige
W.M. Dudok te vragen.
In maart 1948 ligt er een voorstel van Burgemeester
en Wethouders aan de raad om aan Dudok
een opdracht te verlenen voor:
a. Een ontwikkelingsplan, met inbegrip van een
uitbreidingsplan in hoofdzaak.
b. Een uitbreidingsplan in onderdelen van die
gedeelten die het eerst worden uitgevoerd.
c. Gedetailleerde plannen voor de nodige wijzigingen
in de stadskern.
d. De nodige bebouwingsvoorschriften en een
schriftelijke toelichting.
De kosten voor dit project worden geraamd
op ƒ 32.000,-.
De gemeenteraad gaat met het voorstel akkoord
en op 5 april 1948 wordt de opdracht
officieel aan Dudok verleend.
Verschillen van inzicht
Ruim een jaar verstrijkt voor de presentatie van
het eerste schetsplan. Deze presentatie vindt
plaats op 11 mei 1949 in het gemeentehuis voor
een select gezelschap achter gesloten deuren.
Aanwezig zijn: Dudok, Kleinjan (hoofdingenieur
van Rijkswaterstaat), Kraayenhagen, Kloos van de
N.V. Ned. Spoorwegen, B&W, de waarnemend
gemeentesecretaris en de directeur Openbare
Werken.
Dudok licht zijn schetsplan als volgt toe: “De
stad zal in het noorden begrensd worden door de
rijksweg 28 (Amersfoort-Zwolle-Meppel). Het
station dat nu de stad in het zuiden begrenst,
krijgt een centrale ligging. Een nieuw stadscentrum
sluit zich harmonisch aan bij het oude en de
belangrijkste toegangsweg naar het nieuwe centrum
leidt door het oude waardoor dit levend
blijft.”
Dat Dudok de stad in het noorden niet verder
wil uitbreiden maar begrenst door de rijksweg
stuit op grote bezwaren van Kraayenhagen. Hij is
van mening dat Zwolle de toegangspoort tot
noordoost Nederland is en dat dit in het stede26
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
bouwkundige plan tot uitdrukking moet komen.
Daarnaast wil hij industrie vestigen aan het Zwarte
Water in plaats van aan de IJssel mede met het
oog op de oude wet van 1919 die nog steeds een
nieuwe verbinding tussen IJssel en Zwarte Water
mogelijk maakt. (Dudok hoefde op uitdrukkelijk
verzoek van de opdrachtgever hier geen rekening
mee te houden.) Uitbreiding ten noorden van de
rijksweg is voor hem dan ook noodzaak.
Om uit de impasse te raken vraagt het gemeentebestuur
aan Dudok om een nieuw schetsplan
te maken op basis van de door Kraayenhagen
gemaakte opmerkingen. Dudok stemt hiermee in.
Kraayenhagen besluit zelf ook een plan te maken.
Hij stelt Dudok hiervan in kennis. Dudok
onthoudt zich verder van commentaar.
Inmiddels is het ETIO (Economisch Technologisch
Instituut Overijssel) door het gemeentebestuur
benaderd met het verzoek om het surveyonderzoek
te doen – hetgeen niet meer inhoudt
dan het actualiseren van het rapport Van Vuuren
dat voor de oorlog is opgesteld. Daarnaast maken
zowel de directeur Openbare Werken als de PPD
een kostenanalyse van de plannen. (Openbare
Werken begroot het plan-Dudok op ƒ 7.150.000,-
en het PPD-plan op ƒ 6.150.000,-. De PPD begroot
het plan-Dudok op ƒ 9.000.000,- en het
PPD-plan op ƒ 3.000.000,-.)
Uit de toelichtingen die Dudok en Kraayenhagen
bij hun ontwikkelingsplannen geven, blijkt
hun verschil van inzicht om het doel, namelijk de
industrialisatie en het economisch herstel van
Zwolle, te bereiken. Voor Dudok betekent het
goede aan- en afvoerwegen, geschikte industrieterreinen
en een gunstige positie van de woongebieden
ten opzichte van de werkgebieden. Volgens
Dudok is een goed stadsplan ondenkbaar
zonder een logisch verkeerswegenstramien als basis.
(Een gedachte die Le Poole twintig jaar geleden
ook al geopperd had.)
Letterlijk schrijft Dudok: “In de structuur van
een stad is speciaal het verkeer vorm-bepalend
(..). Geen der overige facetten van de stedebouw
heeft zulk een beangstigende ontwikkeling vertoond
(…). Het is daarom dat men er overal naar
streeft het verkeer te houden buiten een gebied
waar het niet rechtstreeks mee te maken heeft. Dit
principe brengt allereerst mede interlocale hoofdverkeerswegen
te leiden niet door, maar langs de
steden en het speciaal op de stad gerichte verkeer
af te tak

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1991

Door 1991, Zoek in ons tijdschrift

NK I JKEXEMPUAR
Historisch
Tijdschrift
8e jaargang
1991, nr.1
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
‘HEID, BROEDERSCHAP.
ï COURANT,
r den 2 Jtimtary. 1796.
DER B1TAAFSCHE VRYBKID.
té-f
£ t
;; H:
A, t-.ra.-tit
van
tcll£l>
u«a
als oeK va
dsihöH va
dat te Au
vuur dl» V
viecion t«
raio rog
urfoa | wloorca
iüiuot I Is h-‘C
>uti ik j zoo goed !
O J I . zo er niet
in da | Ik ka
D10K O /is
der «ewsp
d» eer il

•*••
k aiii;
orytie
co
and >
e uit
1 det
icrJuo
cyoei
t, dn
D Huhi
t ,
j
lytt «r
voorleuoo,
Ifs eeu
D.t V.i=»
t> n beeft
tturgtry ir
Mon h
utn zig,
•Jat dit ie
urn dit I
.!«
beifcea.
Dur e
Gsld rl
JOU RN AL P O LITI QUE
DU D EP AR.1 E M ENT
DES BOUCHES DE L’ISSEL.
STAATKUNDIG DAGBL A
VAN HET DEPARTEMENT
DER MONDEN VAN DEN YSSEL.
j e t i d i ;’J 3 1 U t c c m b r e %<-i Zls daai v i f i i . Ik I -D.nar unt. I l het V hooft l n z ' hgrnor ri mogelyke -Jat djn.l ta»tof G . 7 9 0 Dur.dcrcag den 31 Dtctrr.ber I N T E R I E U R . PREFECTTJRK DU DEPA1^ T1" NfENT DES BOUCHRS f»E Ul'-SPL. No t. ) re D I V I S I O N - . CHEVAL1FR de L'KMPIRE , MEMBRE He i t « 4 - r.I,.M CHOMNKIIR. er B -8
. | ^ – j . in de mee(te Previntien %in «ns Cemenebeft i l:ct Koogduitfche Nieuws vroeger dan andere Courau- rSt “”O^ “” ”
*-^ verfclridene Weekbladen, Couranten en ancUre I ten en £i:-iiwspspieren ie kunnen mede deeten.
Nieuwspapicren worden uitgegeven; waar door de N»?ie
niet alleen genoegzaam word onderricht v«n dca lydelyken
toeftand «lezer Repnblyk, van derzelver TOCTcti
andeten, zo kan een ieder, zo wel binnen JJ M 2 8
als buiten deeze Provintie door middel van dit ons. a3 u *• “o
van 13 juni 1805 wezen zij erop dat zij
hun krant “met zeer zware kosten en onvermoeide
werkzaamheid tot die trap der
volkomenheid hebben gebragt” welke zij
thans bezat. Maar nu vreesden ze “dat
mogelijk iemand binnen deze Stad ook
een Courant zoude willen ondernemen,
ofschoon waarschijnlijk wel onder eene
andere benaming”. De Tijls hielden het
stadsbestuur voor dat zij daardoor veel
inkomsten uit de advertenties zouden verliezen,
“welke toch wel het Fonds uitmaken,
waardoor deze onze Courant haar
bestaan behoudt”. De eventuele komst
van een tweede nieuwsblad zou de Zwolsche
Courant dus grote schade toebrengen,
“waarvan hoogstwaarschijnlijk gevolg
zoude zijn, dat deze Courant weder te
gronde ging, – of wel den val van beide
zoude kunnen na zich slepen”. Dat beeld
hield men het stadsbestuur voor: bij het
toelaten van een andere krant zou Zwolle
uiteindelijk eindigen zonder krant! Om dit
te voorkomen vroeg men of de Zwolsche
Courant niet “zodanig eene vastigheid
gegeven konde worden, waardoor zij
supplianten alleen, en niemand anders
binnen deze Stad bevoegd wierden een
Courant te mogen drukken en Advertissementen
in deselve (te mogen) plaatsen”.
Daar had men best wat voor over,
“desnoods onder uitkering van een jaarlijks
equivalent aan de stad, Godshuizen
of waartoe zulks mogt bestemd worden”.
Op dit verzoek werd op 25 juni 1805
gunstig beschikt. In ruil voor een jaarlijkse
betaling van 50 goudguldens ten behoeve
van het weeshuis bezat Tijl nu
voor Zwolle een monopolie.
Koninkrijk Holland
In 1806 maakte de Bataafse Republiek
plaats voor het Koninkrijk Holland. De
bemoeienis van de overheid met de
kranten werd er niet minder op. Zo
mochten alleen die staatsstukken geplaatst
worden, die in de Staatscourant
voorkwamen. Hetzelfde gold voor aanstellingen
van ambtenaren, officieren en
dergelijke. De gemeentebesturen moesten
erop toezien dat “geene verontrustende
nieuwstijdingen, zo binnen ’s lands ofte
uit de Armee van het Rijk overgenoomen
uit Buitenlandsche weinig geaccrediteerde
nieuwspapieren worden geplaatst”. 6) En
in 1807 werden de kranten zelfs opgedragen
“[…] om niets, dit Rijk algemeen
en de krijgsbewegingen binnen en in de
nabijheid van deszelfs grensen in het bijzonder
[…] te plaatsen”, alvorens dit was
verschenen in de Koninklijke Courant.
Bovendien moesten alle te plaatsen berichten
eerst worden voorgelegd aan de
procureur des Konings, “[…] die bij deze
word versogt en geauctoriseerd, alzodanige
passages als daarin mogte oordelen
strijdig te zijn met deze order daaruit
te roijeeren […]”. 7) Dit voorschrift
werd overigens al op 23 september daaropvolgend
ingetrokken, “[…] met aanbeveling
van wat voorzichtig in ’t plaatzen
van opgemelde tijdingen te zijn”.
Daarop lieten Martinus en Hendrikus Tijl
de procureur weten de Hollandse kranten
tot richtsnoer te zullen nemen, “’t geen
denzelven goedkeurde”. 8)
Drukkerijen
In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd
bij het Franse keizerrijk. Overijssel
heette nu departement van de Monden
van den IJssel, of eigenlijk ‘Département
des Bouches de 1′ Yssel’. Van overheidswege
werd steeds meer druk uitgeoefend
om toch vooral de Franse taal te
gebruiken. Al snel kwam het voorschrift
dat de berichten in de kranten zowel in
het Nederlands als ook in het Frans
moesten worden afgedrukt. En zo heette
vanaf 1 februari 1811 de Zwolsche Courant
ook ‘Gazette de Zwolle’. De Franse
vertalingen waren overigens niet altijd
naar de zin van de autoriteiten. Zo lezen
we in een brief van de directeur-generaal
van politie aan Tijl van 7 januari 1812 dat
deze meermaals fouten had ontdekt, die
de lezers slechts konden leiden “dans des
erreurs grossières”.
Met de inlijving werd de Franse wetgeving
in Holland van toepassing. Bij keizerlijk
decreet van 5 februari 1810, dat nu
ook in Nederland gold, was de boekhandel
geregeld. Daarin was onder meer het
aantal drukkers per departement aan banden
gelegd. De Tijls, die naast krantenuitgevers
tevens boekdrukkers waren, wilden
blijkbaar weten waar ze aan toe waren.
In het archief vinden we een brief
van 22 februari 1811 uit Nijmegen, schijnbaar
geschreven door een huisvriend, die
hen nadere informatie gaf. “Het is waar,
dat het getal der drukkers in Parijs is gereduceerd
en op 60 is gebragt, en zulks
ook in de overige Departementen zal
plaats hebben”, zo konden ze lezen. Ook
in het Nederlandse gebied zouden binnenkort
maatregelen te verwachten zijn.
Maar de schrijver stelde ze direct gerust:
“Doch geloove ik niet dat UE iets zal te
vreezen hebben, daar Zwolle, zo ik
meene de Hoofdplaats van het Departement
is, en het getal der drukkers zo zeer
groot niet is”.
In het archief van Tijl bevindt zich een
stuk dat nader licht werpt op de Zwolse
boekdrukkenj van die dagen. Het gaat
hier om een concept-antwoordenlijst. Niet
vermeld is op wiens verzoek deze is opgesteld.
Vermoedelijk zal dat de prefekt
zijn geweest, de hoogste bestuurder in
het departement. De eerste vraag informeerde
naar het aantal drukkerijen in
Zwolle in 1806 en 1811. Uit het antwoord
blijkt dat er in 1806 vier drukkerijen actief
waren geweest, die van M. en H. Tijl (onderfirma
van M. Tijl en zoon), F. Clement,
J. de Vri en B. Idzinga. Deze drukkerijen
waren er in 1811 nog steeds. In 1806 hadden
vader en zoon Tijl acht werklieden in
dienst gehad, in 1811 nog maar zes. Voor
Clement lag dit getal op vier respectievelijk
drie en voor De Vri op zes en
vier. Idzinga had in 1806 één werkman,
“dat zijn zoon was” en zat nu zonder
werkvolk.
Op de vraag hoeveel deze drukkerijen in
1806 en 1811 gedrukt hadden, luidde het
antwoord: “De Drukkers van de drie
groote drukkerijen kunnen deze vraag
met geen mogelijkheid beandwoorden,
alleen zoude van hun eenige verklaring
op dezelve kunnen dienen dat zij in en
voor 1806 ruim een derde meer arbeidsloonen
in een rond jaar betaald hebben
dan zij thans in een rond jaar doen,
waarvan veelal de oorzaak is, dat te vooren
op hunne drukkerijen aanzienlijk veel
besteld werk gedrukt wierd, en thans veel
voor hun rekening moeten opleggen om
hun werkvolk aan het werk te houden;
waarmede zij, met groote schade blijven
zitten”. Op de vraag naar de aard der
werkzaamheden bij de verschillende
drukkerijen was het antwoord dat Tijl,
naast de krant, smout- en boekwerk verzorgde,
waarbij schoolboeken apart
worden genoemd. De overige drukkers
deden, uitgezonderd natuurlijk het
drukken van een krant, hetzelfde werk.
De kleine drukkerij van Idzinga vervaardigde
voornamelijk “Tabakspapier”.
Niet lonend
Op de vraag naar de veranderingen door
de jaren heen was het antwoord dat deze
vooral in het teken hadden gestaan van
achteruitgang. Met name de teruggang in
het drukwerk voor het departementaal
bestuur, “’t welke in en voor 1806 op de
drie groote drukkerijen zeer veel werk
veroorzaakte”, was hier aan debet. Tijl
was er nog het beste uitgesprongen. Het
drukwerk dat de prefektuur in 1811 had
uitbesteed was geheel ten gunste van
deze drukker gekomen. Maar dit werk
was, nog steeds volgens de antwoordenlijst,
gering, “omdat veele besluiten thans
gratis in de Courant worden geplaatst en
de overigen geschreven worden”.
Een andere oorzaak van de slechte gang
van zaken moest worden gezocht “in het
van jaar tot jaar afneemen van den trek
tot het koopen van boeken, waar door
het drukken van boekwerk bijna niet
meer kan worden ondernomen”. Gevraagd
naar de diepere redenen van deze
veranderingen luidde het uitvoerige antwoord:
“Ie. Aan de tijdsomstandigheden,
2e. aan de schaarsheid van geld, 3e. aan
het doen of laten schrijven van veele zaken,
die te voren gedrukt wierden, 4e.
aan de steeds afneemende leeslust, 5e.
aan het menigvuldig drukken der boeken,
wetten en rijkspapieren die thans aan de
keizerlijke drukkerij te Amsterdam gedrukt
worden, en waarvan zij verstoken
zijn, 6e. aan het afneemen van den koophandel,
7e aan de moeilijkheid en kostbaarheid
der verzending, 8e. aan zoo
veele moeilijke bepalingen waaraan de
boekdrukkerijen inzonderheid onderworpen
zijn en ten 9e om dat het drukken
van boekwerk thans minder is dan
voorheen, uithoofde van het bezwaarlijke,
om naar het voormalig Zeeland, voormalige
Bataafsche Braband enz. eenige
Hollandsche gedrukte werken te verzenden;
het plekje grond waarop Hollandsche
boeken moeten worden gedebiteerd
zoo klein is, dat het in zeer veele gevallen
de kosten niet kan opbrengen, om
auteur, drukloon en papier te betalen, en
om dat de Hollandsche taal in geen land,
buiten ons vaderland wordt gelezen, dan
in de colonien van oost en westindien, en
thans ook zelven in de Hollandsche Departementen
minder gelezen wordt dan
voorheen”. Een hele waslijst! Op de vraag
naar de middelen tot verbetering van de
toestand, was het nuchtere antwoord:
“Zijn zeer bezwaarlijk om op te geven;
Wanneer de opgegevene redenen der
verandering konden worden weggenoomen,
dat zouden wel de beste middelen
van verbetering zijn”.
Staatkundig Dagblad
Ook voor de kranten bracht de inlijving
veranderingen met zich mee. Met name
het keizerlijk decreet van 3 augustus 1810
was van belang. Dit decreet, dat handelde
over de nieuwsbladen, trad op 9 april
1811 hier in werking. In elk departement
mocht voortaan nog maar één staatkundig
nieuwsblad verschijnen. Dit blad zou onder
toezicht komen te staan van de prefekt,
die vooraf iedere uitgave moest
goedkeuren. Ook zou hij een redacteur
benoemen. Het was de Zwolsche Courant
die voor het departement van de Monden
van den IJssel werd aangewezen als staatkundig
nieuwsblad. In een circulaire deelden
de Tijls de abonnees mee dat zij met
ingang van 1 augustus 1811 waren aangesteld
als drukkers en uitgevers van het
Staatkundig Dagblad van het departement
van de Monden van den IJssel, “het eenigst
Nieuwspapier het welk van den 1
GELYKHEÏD, VRYHEÏD, BROEDERSCHAP.
ZWOLSCHE COURANT.
No. i. Zaturdag.den 2 Jauuary. 1796.
MET TWEEDE JAAR DER KATAAFSCHE VRYBKID.
2 kn
N E D E R L A N D E N .
Brlif uit ‘sHAGE varj den 29 Decfinbtir 1795»
M E D E B U R G E R !
Gy ‘/.’«et, Vii^nd! dat h«t uog en do wsnsch »an
. N é l.!ni!s Britivjn teedj la;:g op h’;t (Uarftellja
eener Natiooale Conventie gevestigd wa<-, dut u«e Froviricii* door het onannelyk ntimuo der Cocciuiit' daanoa via den Burc.-r J >‘d^ns &o toet ui t^t blos KIM ba> ft,trn vo:>ral
dat do Stad Z#olla ony» fchryva» pu’v cq maiKt, op Hj( O«ory6-
( i l , op d»t 2»o!le’, coo-nnals (>«eJ£ bcdr • ‘ , a!s die uo
h»illi;<8 plïats, waar ds Vyh 11 eo" fc3uit(>|i«(g viad«nd-.>
i h i is op.rnyk hursn z-lsl v=5ijjt, Z|J vin don aiterdoH.t
ontheffa, als of 4t:zet tyner
G’cocutnlittsrde s — lü ze* door éé , waot wO’t, dit
ir twae of drie G cimoiitu-erde«t «atuui» Ortirysf^l io Hu’
H. M»g V.ïrga’tinnf; waren, eo hoo t«ij eij-cotlys hi.-t,
dia In datrza het woora voerHj. wrtef ik »ifr mrtt^’s. alt
I Is h-JC nlst ODjelükklg, daar de ^aikco buitL-o ‘ilardi
j zoo goed (ban, ddC de twtwdritt ons ten »al oio:: bwtgnr;,
. zo er oiet by ryis kratjtdaciig io roorzieD ?d/dt.
| Ik H ‘ U » onk noi «eldj», dat Uw Mrurg*r eo naj
mees O.aipfci G cummittiariU i i «e Vergadeikg j:bi;f
der jewap cdu Burjwym Ji C ran Llgt«ob«((; gis =i by
da seriitf Vafg’Joriwj’ hoeft gr-auC’t erd, cshouden i;j do
Mutchül’ k.1»»- Io ret grW-.-zun Stadh;uJrrlyk liwanijr^
ü«t V,’l3jlai:d rp itiaf van Banni^f m»nt voor eer.i^e j.a
rtn beeft vnbojin aan de G:drput -erdacs o IKD.
Ds Burgnr V. D S>«k i l thans »oor ernwoek ? r i f i j t r t .
Zie daar Vriend tl hit niiuwsdit ik ut? Bflotr xjnbj pro:
vifi i . ik ie/hasl > deol hot ci:t zilorn aan n»i !
o .2
S j – a t
ï ?-
5 S „ « o.
E’S!-
Augustus aanstaande af in dit Departement
zal mogen worden gedrukt”.
Uit die tijd zal ook het ongedateerde
schrijven stammen waarin de Tijls de prefekt
hun reactie gaven op een ontwerpreglement
van instructie. Het voortaan te
plaatsen wapen van het Keizerrijk zouden
ze zo snel mogelijk laten vervaardigen,
“hoezeer het hun kostbaar is”. Blijkbaar
maakte het concept-reglement ook gewag
van de kwaliteit van het drukwerk. De
Tijls antwoordden: “Zij zullen alles wat
mogelijk is doen, om de letter die zij
thans voor hunnen Courant gebruiken,
zuiver en duidelijk te drukken; doch zij
kunnen daartoe vooralsnog geen nieuwe
letter doen vervaardigen, om dat daarmede
eene voor hun te zware kosten van
ten minsten tusschen de zeven en achthonderd
guldens gemoeid is”. Wat betreft
de kwaliteit van het papier, die was gelijk
aan die van andere kranten. “Indien het
debiet egter zodanig mocht aanwinnen”,
dan zou het gebruik van beter papier
overwogen kunnen worden.
Een ander punt betrof de Franse vertaling:
“Het zal allermoeilijkst en voor de
uitgevers genoegzaam onmooglijk zijn om
iemand, die beide talen verstaande, te
vinden”, die als corrector wilde werken.
Temeer daar hem slechts een laag loon
kon worden geboden. De door de prefekt
voorgestelde subsidie in deze vonden de
Tijls onvoldoende, “daar dezelve, met eerbied
gezegd, waarlijk in schijn, maar
geenzins in de daad eenige aanwinst is”.
Voorgesteld werd het correctiewerk te
laten uitvoeren door “den jongsten uitgever”,
Hendrikus Tijl, die dat tot dan toe
steeds had gedaan. “Hoezeer de Fransche
taal niet goed verstaand, doch die zich
met alle vlijt zal toeleggen en zich werkelijk
toelegd om daardoor verder machtig
zal worden”.
Aan de wens van de prefekt om officiële
mededelingen gratis in het blad te plaatsen
wilden ze wel voldoen, “wanneer de
stukken niet zoo menigvuldig en uitgebreid
zijn”. Vader en zoon Tijl stelden
voor eenvierde voorpagina daarvoor te
reserveren. De eis dat de krant vooraf
door de prefekt zou moeten worden
goedgekeurd was natuurlijk niet te negeren.
Wel werd gevraagd deze autorisatie
tijdig te geven. Dit met het oog op het
halen van de postwagens en schepen. De
krant moest immers op tijd bij de abonnees
zijn, omdat vertragingen “[…] eene
dadelijke opzegging van een groot aantal
zouden ten gevolge hebben”. Het voorstel
was dat de knecht die de krant naar de
prefekt bracht, op de autorisatie zou
mogen wachten. Ook in de wens dat de
prefekt en de maire van Zwolle eerder
een gedrukte krant zouden ontvangen
dan de overige abonnees kon worden
toegestemd. Voor de maires van de andere
gemeenten was dat echter niet haalbaar.
Het voorstel de abonnementen niet meer
op naam van de maires, maar op die van
de gemeentebesturen te stellen, stuitte op
bezwaar. De Tijls voorzagen dat alle leden
van het gemeentebestuur “[…] en
anderen die als bedienden of in anderen
qualiteiten bij de Gemeente Besturen verkeeren”,
in dat geval hun abonnement
zouden opzeggen. Dat zou dan weer inkomsten
schelen. En hoe minder lezers,
des te hoger de kosten. Nadrukkelijk
moest vermeden worden dat de abonnementsgelden
omhoog zouden moeten
gaan. Martinus en Hendrik Tijl wisten
“moreel zeker […] dat zoo dra de Courant
maar slegts een enkele duit verhoogt
wierd in prijs, er dadelijk zoo veele zouden
worden afgezegt, dat zij binnen weinige
weken met het drukken en uitgeven
en alzo met die souree van hun bestaan
zich geheel genoodzaakt zijn uitscheiden
en de Courant die nu zij […] met zware
kosten en grote moeite hebben op den
been gebragt, wederom zien te gronde
gaan”. Als voorbeeld gaven ze de duit
porto die lezers van buiten Zwolle extra
moesten betalen “sedert den nieuwe inrichting
der Posterijen”. Dat had hun maar
liefst honderd opzeggingen opgeleverd.
En het ging toch al niet best met de
krant. Zo hadden nog onlangs zeer velen
opgezegd, “om dat, zeggen zij, de
Courant van hoe langer hoe minder belang
voor Particulieren wordt”. De in de
ontwerp-instructie opgenomen plicht zich
aan de aanwijzingen en verordeningen
van de prefekt te houden vormde voor de
Tijls geen probleem: “Na dit art. zullen de
Uitgevers, even zoo als het alle burgers
betaamd, zich met eerbied gedragen, daar
onze Prefekt toch niets van ons vorderen
zal, dan dat billijk is, en uitvoerlijk”.
Advertentieblad
De krant stond nu dus onder toezicht van
de prefekt. Daarnaast moest men ook
rekening houden met G. van Lennep, de
te Groningen gevestigde inspecteur voor
de drukkerijen en de boekhandel in de
departementen Wester Eems, de Monden
van den IJssel, den Boven-IJssel en Vriesland.
Een keizerlijk besluit van 26 september
1811 bracht verdere wijzigingen.
Er werden voorschriften gegeven voor de
zogeheten ‘feuilles d’affïches, annonces et
avis divers’. Het was de bedoeling dat de
advertenties uit de nieuwsbladen zouden
worden genomen en in een zelfstandig
blad uitgegeven. Er zou voortaan dus
sprake zijn van een staatkundig blad en
een advertentieblad. Beide bladen mochten
bovendien niet bij dezelfde uitgever
verschijnen. Er was een lijst opgesteld van
veertien Nederlandse steden waar een
dergelijk advertentieblad gedrukt mocht
worden. Zwolle werd daarbij niet genoemd.
Martinus en Hendrik maakten zich daarover
ernstig zorgen. Ze waren bang dat
het hun uiteindelijk zou worden verboden
advertenties uit te geven en schreven
hierover een brief aan de prefekt. Hoewel
ongedateerd stamt de brief waarschijnlijk
van januari 1812. In de brief schreven ze
“dat zij ten hoogsten bedugt zijn dat dit
Decreet ook zijne strekking tot hunne
Courant mogte hebben”. En verder: “Dat
het hun vergunt zij hier bij met alle nederigheid
aan de attentie van U mijnheer
de Prefekt aan te bevelen, vooreerst, hunne
huiselijke omstandigheden en het gedeeltelijk
bestaan ’t welk hun de Courant
en voornamelijk de advertentien, na tweeentwintigjarigen
arbeid, opgelevert, en ten
anderen de nuttigheid, noodzakelijkheid
en kennelijke behoefte van dezelve voor
de ingezetenen van dit Departement en
aangrenzende oorden, en welke Courant
door bijna zoo veel duizend menschen
gelezen wordt als er honderden worden
gedebiteerd”. De Tijls vroegen de prefekt
hulp bij het zoeken van de weg, “[…] welke
wij voor ons behoud zouden moeten
inslaan”. En tot slot: “Het is met een hart
vol vertrouwen en oprechte eerbied dat
wij ons derhalven tot U wenden, U smekende
voor het behoud onzer Courant en
inzonderheid der advertentien”.
Maar de Tijls konden voorlopig gerust
zijn. De krantenuitgevers in de steden die
niet op de lijst hadden gestaan, mochten
doorgaan met het uitgeven van advertenties.
Voorwaarde was wel dat deze op
een apart blad bij de krant zouden worden
gevoegd. Alles leek erop te wijzen
dat de regeling voor deze laatste groep
tijdelijk was en dat ook hier uiteindelijk
de advertenties van het overige nieuws
zouden worden gesplitst. Dit vooruitzicht
bleef vader en zoon Tijl zwaar op de
maag liggen. En niet ten onrechte, want
de krant liep toch al niet zo goed. Dat
komt naar voren uit hun brief aan de
prefektuur van 3 februari 1812, waarin
opgave werd gedaan van de oplage van
de krant nu en vroeger, “met redenen van
de vermindering derzelven”. Aanvankelijk,
“na eerst een reeks van jaren met een
zeer onbestendig debiet geworsteld en
vele schokken ondergaan te hebben, was
het debiet van den jare 1795 af tot 1805
toe op eene bestendige voet”. De krant
had in die jaren gemiddeld 1000 abonnees.
Zowel binnen als buiten Overijssel,
schreven de Tijls vol trots, wist de krant
zich een lezersschaar te verwerven. Vooral
ook door de “zeer matige prijs”. De
krant kreeg een klap toen in 1806 de
belasting op het zegel was ingevoerd. 9)
Daardoor moest de prijs worden verhoogd
wat leidde tot 250 opzeggingen.
Van die tijd tot midden 1810, toen het op
last van de directeur van politie verboden
werd nieuws te halen uit buitenlandse
correspondentie en kranten, verloren ze
nog eens een hondertal klanten, en een
herstel had zich tot heden nog niet ingezet.
Integendeel, want vanaf het begin van
1811 bestond de krant grotendeels uit
mededelingen van de prefektuur. Bovendien
veroorzaakte het voorschrift de berichten
ook in de Franse taal te plaatsen
een verdere achteruitgang van plaatsruimte.
Dat had tot gevolg “dat wij aan de
begeerte van het publiek minder konden
voldoen en veele nieuwstijdingen moesten
agterlaten”. Opnieuw verloor de krant
lezers zodat die nu nog slechts 500 abonnees
kon tellen. Ook de losse verkoop
aan “buitenlieden en onbestendige koopers”
was in de laatste jaren aanzienlijk
gedaald. Van de 100 exemplaren die
daarvoor extra werden gedrukt, hield
men nu vaak zo’n driekwart over. Om
10
JOURNAL POLITIQUE
DU DEP AR. 7 £ MENT
DES BOUCHES DE L’ISSEL.
STAATKUNDIG DAGBL A D
VAN HET DEPARTEMENT
DER MONDEN VAN DEN YSSEL.
Jeudi !e 3 . üeccmbre rS:2 ( N g 7 9 . ) Donderdag den 31 December ifli».
I N T E R I E U R .
PRÉFECTURE DU DEPARTEMENT DES
BOUCHP.S DE L’f:SFL.
(No. t.) re D ! V I S ‘I O N Le CHEVALIFR de L’ïMPiRE , MEMBRE de UÉji.
GlüN J’HONNEUR, er ,(e L’OkDRR lMPcRlfa»
de :> RfUNIOrN . PRé FE T ;
Pitv.enr. («3 Irccieifts q « lej Medecia3 vétérinaire* *4snït daoi
«e Déptttenteat fout ,
Mrulcuri:
FRANS CAREL SCHULTK 1 Zwolle,
1ACOB VAN HER KLUIM a ü™.’«’,
“WOLTfiR JAN VAN CLÜ.EF 4 VolUnhoft.
el
JAN HENDRIt FERDll AM> GOOSMAN » £W«»
Cit annonce fe hit exptesfemenr, atto que ‘es admmisrrés
pcijfti! les dMtidRim d’«urres perleose* non qiulificcs c: iouvent
feóorantes
P.
Le Prtftt
H O F S T E D E .
DES SOUCHES DS L’ISSEL.
f de Z
L’AUOJTEUft AU CüWSElL 1>*£TAT, SOÜS-PREFET;

V’oainnr tiigiet ^Éfl^itivemeot 1’orgt .iitloo -dtkiés Baieiux-,
prcvicr.t. fes sdtnrnisrrfis et ^étfraleBicDt tous firttionnjires ou
üutres pu’fonflcs ^U’ fin’ on feraicot dins les cas d”avoir des té*
hC’.’iis avi-c iul : ffu”4 dS’rr du lei^Janviet 1S13 , l’ordte faivaet
ftra érabil 4 la Soit* PiÜfecivrc.
•tes oureacrx frroot oa»»rts foei les j^urs depuf» buit heorej
i’j malin jüs^u’a qjarre. heures fréfsr,
Jcvrout ê te mifcs da >8 a Bdo v. pi»:é^-, è eer cflet, a Ia puite
t;c: Je U jous-Pi^fec.ure; cecte pu:te fcra Üuvertc aux
B1NNENLANDSCHE BERIGTEN.
P.V!FEKTÜRP: VAN HET DEPARTEMENT DER.
MONDEN VAN HEN YSSPL.
^Wo. 1.) iftr ]) 1 V 1 5 i E. D RYHS RIDOF.-R , L I ) van het I.^CloRN vnn TPR .
en van dj UElZERI.YK.E ORDli dm UF-CNIE,
P R E F E K T ;
^•’<-i j : ter keixus varr een leder ii<"n ru Ifi ann^ajt. dtt de eNS CAREL SCHULTE- te Zwoüt.
jlCOr, Vnl< u t R KLUii'J te O-.-n-n. WOLTER JAN VAN CI.EEP te J'oUtnfii.rt: J^TJ HF.NDRiK. FERniNAND 0 0 0 S M A N •- Pc'.'.•:.-. WirdcR.le d:-ze gcstiiitteerde Vee-At'fcn «Idj; bekend gemuki , ti:n ei Je de Inue^iivneo .(ciclvc vm inderc u»g-qu«lj. ficetfJc ea veeltyjs orkundi^e peifuncn kut.nco ocderfcheidca. Zwolle i;Q aa Decotnbet 1812. De Prefckt P. Tl O F S T K O E . D E P A R T E M E N T P E R M O N D E N V A N D E N Y S S E L . Arroodisfcmeni vin ?wnllt. De A U D I T E U R by «ierf STi» A T S R A A D . O N D E B . . P R K . FER.T van Zv.o'.it De otpanifitic zyncr kDreaux volkuroen willende r e a l e n . » t r . s»1ttij?t';yne nndr/hoorlnyen , eo In 't ilp,iuu-'0 ,hc Ambttn»(co uf inJüre petfooen , dit 2yn o f l o u d t n zyn ID ': geval vao b e - tiekfeii'Cen met hem te hebben, rtn, te Wejiii nen met rfen iften Januaty i B ; . A: noTolgeDjc «rde ia de Ouder Prcfckturc ztl 'woiden i", e s c e r d L)c Rufcaux zul'cn alle dagen vafi '1 mornecê tPn Kbr . tot des nu.T:1'd«2s ten . i e t u i en open 7ryn ,-urt,(eiuiid rd d.- Zu:i en bebondenc, Kecjtdjgeo, na dieo ty< j t l m:n er Dicmind meet oeivanjen Het rubiick z? toegar» tor de Rorernx hetben des MainJag», Dinjidag' m V i y 13^» VJII c]e f r f t i K j[rhnordi;tB var den Onder Prtfekt l y o bfpJild
pp I);f..^..’3^ , v.n eco r^: -Ipc urco des nimiJd”^>, en np ‘ i ^ *
(t^g , v^i tmoTfitus :tn t i .n rr>; t w i r i t r rrn — i)c publieke
A u n t . r i t e n d’iitc :ei: 3 : :i • y 1.1 unrvjrgm w j r J e o , wanneer
Zy z i k . c n:.-t 1H1, U j . ‘ t i Hn f k: ‘c beha: j r i en r.cbb’.D.
De Ver? teKfv.hr.Ken ( o f R ‘ q . ; e s ‘ m ) en tl’c sr.Jerc aan d f o
O r J i j P i t l – i t f..nb : e l l ‘ j » k c j , zul.en m ,e en wurJ’jn guloken
ie Je liai , w c u c ICÜ a i .D CIQJC jjD ifc voo.drut ici Ondci •
een verdere daling van het aantal lezers
te voorkomen, vroegen de Tijls de prefekt
de krant te laten zoals die nu was, “[…] en
de advertentien er niet van te scheiden”.
Wanneer dat laatste toch zou gebeuren
zagen ze de toekomst somber in “[…] en
wij op den duur daarmede zullen vallen”.
Om de financiële positie wat te verbeteren,
stelden ze aan de prefekt voor dat de
bekendmakingen van verkopingen, die
nu via kerkespraak gebeurden, eerst in de
krant zouden moeten worden gedaan.
Pas dan “blijft er voor ons nog een straal
van hoop dat dezelve in stand zal kunnen
blijven”.
En passant werd de prefekt ook nog gevraagd
om een geldelijke bijdrage in de
kosten “die wij wezenlijk en zonneklaar
ten dienste van zijn H.E.Ed. Gest. hebben
aangewend en waardoor al eene zeer
aanmerkelijke somme voor druk of
schrijfloonen heeft uitgewonnen”. Het
schrijven eindigde met gepaste nederigheid:
“Vergeeft het ons WelEd. Gest.
Heer! als wij somtijds door deze wat te
langdradig mogte geweest zijn; – de
menigvuldige ondervinding die wij hebben,
dat UEG. ons belang steeds heeft
behartigd en in ons lot hebt deelgenomen
heeft ons aangespoord onze belangen bij
dezen nog eens op nieuw met eerbied
aan UEG. op te dragen”.
Op 3 december 1813 verscheen er een speciale editie van het
Dagblad van den Monden van den IJssel. Daarin vinden we
onder meer een beschrijving van de feestelijkheden te Zwolle
naar aanleiding van het einde van de Franse overheersing. De
inhoud is als volgt: Zwolle den 2 december. Gisteren voordemiddag
werd alhier van de Puye van het Stadshuis de Proclamatie
, (geplaatst in ons vorig No) onder eene groote toegevloeide
menigte, plegtig afgekondigd; terwyl aan den Grooten
Toren, van ’s Lands Huis en van alle in de Haven leggende
schepen de Oude Hollandsche Nationale Vlag waaide. Warme
Vaderlands liefde openbaarde zich op een ieders gelaat, en
weldra na het einde der Proclamatie weergalmde de lugt van het
zoo lang door geweld onderdrukte VIVAT ORANJE; wanneer de
Musiek het aloud beminde Vaderlandsche Volkslied; Wilhelmus
van Nassauwen, met hetzelve paarde – De eenparige deelneming
van een ieder ingezetene in deze allerbelangrykste gebeurtenis
vertoonde zich terstond door het eenparig dragen van oranje;
den geheelen dag wierd met algemeene vreugde door alle de
Ingezetenen zonder onderscheid doorgebragt, en de vermakelykheden
met Musiek en Serenades tot laat in den nacht
zonder eenige desordres geëindigd”.
Aan het verzoek aangaande de aankondigingen
bij kerkespraak werd voldaan.
Vanaf 1 mei 1812 moesten alle verkopingen,
verhuur en pachtvoorwaarden voor
onroerend goed eerst in de Courant van
het departement der Monden van den
IJssel worden geplaatst. Maar aan de gevreesde
splitsing van het blad ontkwam
men niet. Op last van de prefekt werd de
courant per 1 april 1812 vervangen door
een Staatkundig Dagblad en een Advertentieblad.
Wel mocht het advertentieblad
bij het staatkundig blad worden gevoegd.
Het verbod deze beide bladen bij één
uitgever te laten verschijnen, wist men te
omzeilen door ook op naam van
Hendrikus Tijl een brevet van drukker
aan te vragen. Door de prefekt werd toen
ook een redacteur benoemd, mr. A.
Goudoever. Dat er wel degelijk op naleving
van de advertentie-voorschriften
werd gelet, bewijst de brief die de inspecteur
over de boekdrukkerijen en de boekhandel
op 14 oktober 1813 aan Tijl
schreef. Daarin heette het: “Gezien hebbende
dat gij, van tijd tot tijd, in het Staatkundig
Dagblad van uw Departement
annonces van particulieren plaatst welke
daarin niet behooren, vind ik mij verpligt
u te waarschuwen zulks in het vervolg
niet meer te doen”.
Het einde van de Franse overheersing
Op deze voet bleef de firma Tijl tot november
1813 doorgaan met het uitgeven
van hun krant. In die maand, op 11 november,
verschenen de kozakken voor
Zwolle. Al een dag eerder was de Franse
administratie de stad ontvlucht. In het
licht van deze gebeurtenissen richtten de
Tijls zich op 12 november tot de prefekt:
“Daar wij, zoo wel rechtstreeks als van ter
zijden ontwaar worden, dat de leezeren
van ons Dagblad en Advertentieblad en in
het algemeen de meeste Ingezetenen van
deze stad en omliggende plaatzen van
ons verwagten, dat die bladen voortaan
alleen in de Hollandsche taal in het licht
verschijnen, zonder dat de Fransche taal
daarbij worde gedrukt”. Nu zou Tijl dat
maar al te graag willen, maar de instructies
verboden dat nog steeds. En tegen de
wet wilde men niet ingaan, “doch aan
den anderen kant met zeer veel reële
redenen vrezende de onaangename ge-
12
volgen zoo voor ons zei ven, als ook mogelijk
voor de rust van deze stad, wanneer
wij in het tegenwoordige tijdstip
voortgaan de Fransche taal mede in onze:
publieke bladen te gebruiken”. Graag zag
men aanwijzingen van de prefekt tegemoet,
“ten einde ons van onze niet ongegronde
vrees te ontheffen en om ons ten.
allen tijden te kunnen verantwoorden”.
De prefekt antwoordde echter dat hij niet
meer in functie was en verwees naar de
maire. Bij deze laatste diende men het
verzoek in enkel de Nederlandse taal te
gebruiken, de hierdoor ontstane ruimte
met advertenties op te vullen, berichten
op te nemen die tegen Frankrijk waren
en bovendien de naam van de krant zonodig
te veranderen. 10) De maire stemde
toe, zodat op 16 november 1813 een vernieuwde
krant het licht zag onder de
naam Dagblad van de Monden van den
IJssel.
Kort daarop werd Berend Hendrik van
Bentinck tot Buckhorst als provisioneel
gouverneur belast met de voorlopige uitoefening
van het bestuur van het departement.
Op 2 december 1813 ontvingen de
Tijls van hem een schrijven waarin zij
werden “gëmaintineerd” in het uitsluitend
recht tot het drukken van het departementale
dagblad, zoals hun was verleend
op 28 maart 1812. Ook redacteur
Goudoever moest in zijn functie blijven.
Sterker nog, men werd “gelast, en beveeld
dezen aangestelden Redacteur, en
de voormelde boekdrukkers om met het
drukken en uitgeven van het voorge. dagblad
provisioneel te blijven voortgaan op
den voet en conditie als bij het voorge.
besluit is bepaald, en daarbij tot hiertoe
gebruikelijk was”. Martinus en Hendrikus
Tijl wilden natuurlijk niets liever. Het zo
gehate aparte advertentieblad werd opgeheven.
En om het verhaal helemaal een
‘happy end’ te geven: de krant heette
vanaf 13 mei 1814 weer Overijsselsche
Courant. Daarmee had het dus de naam
terug die in 1795 met zoveel tegenzin was
opgegeven. Deze naam zou de krant tot
1845 behouden. In dat jaar werd deze
gewijzigd in Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant, een benaming die
precies honderd jaar dienst zou doen. Na
1945 keerde de naam Zwolsche Courant
terug en zo heet de krant nu nog.
Verantwoording:
Dit artikel is grotendeels geschreven
op basis van stukken
uit het historisch archief van Tijl
Krantenuitgeverij. Dit archief berust
bij Tijl. Het betreffende archiefgedeelte
is ongeïnventariseerdT
Het was daarom niet mogelijk
met noten naar de stukken
te verwijzen. In de lopende tekst
is daarom steeds zo mogelijk datum
en aard van het onderhavige
stuk aangegeven. Daar waar
ik gebruik heb gemaakt van andere
informatie dan die uit de
bovengenoemde stukken wordt
wel verwezen naar noten.
Voornamelijk gaat het hier om
gegevens uit het jubileum-
Bijvoegsel van de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant
van 6 juni 1890.
Geraadpleegde literatuur:
J. I. van Doorninck, ‘De Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche
Courant’, in: Bijdragen tot de
Geschiedenis van Overijssel 4
(1878) 217-223 en 346-354.
Tijls Curiosa, luchtige rondgang
in de schatkamer der herinneringen,
1777-1952. (Gedenkboek
uitgegeven ter gelegenheid van
het 175-jarig bestaan’ van de
Drukkerij en Uitgeverij van de
Erven JJ. Tijl te Zwolle.)
Noten:
1. Zie: Stamboom en acten betreffende
bet geslacht Tijl
(Groningen, Zwolle, Hasselt)
Stamboom ca. 1670-1927.
Acten 1697-1805.
2. Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant (POZC), 6
juni 1890.
3. Extract Resoluties Schepen
en Raad dei’ stad Zwolle, 28
mei 1795-
4. In de infon-natiekrant expositie
200 jaar Zwolse Courant,
uitgegeven door het POM in
juni 1990, vinden we op pagina
7 de volgende kenschets
van de situatie: “Voor
1798 bestond een praktische
persvrijheid zonder een theoretische,
na de totstandkoming
van de grondwet in
1798 was dat omgekeerd”.
5. POZC, 6 juni 1890.
6. Besluit van 25 april 1807
Gedeputeerd Bestuur van
Overijssel, door het stadsbestuur
van Zwolle op 1 mei
1807 als resolutie aangenomen.
7. Ingekomen stuk Tijl, 27
augustus 1809
8. Idem, in marge.
9- Dit zegel was op 1 januari
1806 ingevoerd. Een geboorteadvertentie
werd toen geschreven
op een zegel van
twee gulden, een overlijdensadvertentie
kostte één
gulden. Op overige advertenties
werd 60 cent zegelgeld
geheven. Het zegel werd pas
in 1868 afgeschaft. POZC, 6
juni 1890.
10. POZC, 6 juni 1890.
13
Muurschilderingen in de Weeme,
of de zin van het kopiëren
J.J. de Jong
Het gebouw De Weeme
aan de Lombardstraat.
Iedereen die in geschiedenis is
geïnteresseerd, is verheugd ak een
bijzondere vondst wordt gedaan. Na
de eerste opwinding beginnen de
problemen zich echter meestal snel
op te stapelen. Wat moet er gebeuren
om de vondst te behouden? In Zwolle
is al sinds 1925 sprake van een dergelijk
probleem. In de Weeme, het
gotische gebouw tussen het VW-kantoor
en het stadhuis, werd toen een
aantal gotische muurschilderingen
herontdekt, die zo bijzonder waren
dat al direct voor behoud en herstel
werd gepleit.
Nu, 65 jaar later, is het probleem alleen
maar groter geworden. Er moest een
moeilijke keuze worden gemaakt, want
restauratie was noodzakelijk, maar niet
meer mogelijk. Daarom is besloten de
schilderingen te kopiëren. Een dergelijk
besluit kan worden gekenmerkt als een
laatste poging de thematiek en de vormgeving
van oude schilderingen te bewaren,
maar het staat bloot aan kritiek.
Een kopie is niet oorspronkelijk, het resultaat
is een ‘namaak’schildering en
bovenal klinkt het verwijt a-historisch
bezig te zijn.
Geschiedenis
In de Lombardstraat bevindt zich een Lvormig
huis dat vermoedelijk dateert uit
het begin van de vijftiende eeuw. Het
diende aanvankelijk als pastorie van de
Grote Kerk. In 1636 werd het gebouw de
Bank van Lening. Bij de opheffing van
deze instelling in 1923 vond een ingrijpende
aanpassing van het gebouw plaats
ten behoeve van de huisvesting van het
14
Bureau van politie. Tijdens deze verbouwing
zijn schilderingen in vier van de
zes nissen van één van de binnenmuren
ontdekt. In 1975 is het gebouw opnieuw
grondig onder handen genomen. Toen
heeft het de functie van vergaderruimte
gekregen, behorend bij het stadhuis.
De muurschilderingen
In de noordelijke binnenmuur van de
Weeme bevindt zich in spitsboogvormige
nissen van anderhalve meter breed en
vier meter hoog een viertal muurschilderingen.
De schilderingen zaten achter
metselwerk dat in één van de vorige
eeuwen in de nissen is aangebracht. Toen
de schilderingen in 1925 werden gevonden
bleek bij nadere bestudering dat hier
sprake was van laat-middeleeuwse
schilderingen die, vermoedelijk dankzij
het constante klimaat van hun omgeving,
in redelijke staat verkeerden. Ze waren
weliswaar vuil, maar de hechting aan de
pleisterlaag was nog goed te noemen.
Mede op verzoek van de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg (RDMZ) is destijds
besloten de schilderingen schoon te maken
en waar nodig te herstellen. De uitvoering
van dit werk was in handen van
Jacob Por, die als restaurateur aan de
Rijksdienst was verbonden. Volgens hem
waren oorspronkelijk alle zes de nissen
beschilderd, maar twee ervan heeft men
in latere tijden opengebroken ten behoeve
van ramen, waarbij de schilderingen
verloren gingen.
De beschildering is op de kalklaag aangebracht
en is een grisaille, dat wil zeggen
dat er geen kleuren zijn gebruikt. Met
donkergrijs of zwart zijn de contouren
aangegeven en met een lichtere tint grijs
zijn de schaduwen ingetekend.
In de vier beschilderde nissen zijn aan de
bovenkant, in de spitstoelopende boogtrommels,
borstbeelden van profeten afgebeeld.
Daaronder, in de rechthoekige
nisvelden, zijn borstbeelden van apostelen
te zien. De figuren lijken op het
eerste gezicht anatomisch goed te zijn uitgewerkt,
maar bij nadere bestudering is
de weergave van de lichamen primitief.
De kleding van de apostelen is zodanig
geschilderd dat deze een transparante
indruk geeft.
Gelet op de positie van de apostelen in
het vlak is vermoedelijk niet de gehele
nis beschilderd geweest, maar was er
sprake van een echte borstwering of van
een getekende borstwering op ongeveer
een meter hoogte. Bouwhistorisch onderzoek
tijdens de restauratie van 1975 heeft
hierover geen uitsluitsel kunnen geven.
Beschrijving van de schilderingen
In de eerste nis links is alleen nog het
borstbeeld van de profeet Jesaja overgebleven.
Met zijn rechterhand wijst hij
naar de spreukband waarop staat: “ecce
virgo concipiet et pariet filiu(m); vocabi-
Toestand van de
schilderingen bij de
herontdekking in 1924.
Tweede nis van links,
met daarin de profeet
Amos in de boog en
daaronder de apostelen
Thomas (links) en
Jacobus Alphaeus
(rechts). (Foto: J. Por)
15
De derde nis zoals in 1924
herontdekt met in de boog
Micha en daaronder Bartholomeus
en Mattheus. (Foto:
J. Por)
t(ur) no(men) ei(us) em(m)anuel”. Volgens
Jesaja 7:14: “Ziet, een maagd zal
zwanger worden, en zij zal een zoon baren,
en zijnen naam Emmanuel heten”.
De tussen haakjes geplaatste letters zijn
tekstreconstructies.
In de tweede nis zien we het borstbeeld
van de profeet Micha met de spreuk:
“congregaciones congregabo Jac(ob), in
unim scivi coduca(m)”. Volgens Micha
2:12: “Ik zal Jacob samen vergaderen, ik
zal U geheel tot één samenbrengen”. Onder
dit borstbeeld staan de apostelen
Thomas met zijn attribuut, de lans, en een
spreuk uit het Credo en Jacobus Alphaeus
met zijn attribuut, de staf, en een onleesbare
spreuk.
In de derde nis is het borstbeeld van de
profeet Amos met de spreuk: “qui edificat
in celo asce(n)s(ionem); fasciculu(m)
suu(m) terra(m) (fundavit)”. Volgens
Amos 9:6: “Zijn opgang bouwt Hij in de
Hemel en op de aarde heeft Hij Zijn
benden gevestigd”. Hieronder zijn de
apostelen Bartholomeus met zijn mes en
een spreuk en Mattheus met zijn zwaard
en een spreuk afgebeeld.
In de vierde nis tenslotte zien we het
borstbeeld van de profeet Tobias met de
spreuk: “benedictus d(e)us qui exaltavit
eam et sit regnu(m) eius in s(e)c(u)la
s(e)c(u)lo(rum) sup(er) ea(m)”. Volgens
Tobias 13: “Gezegend zij de Heer, die
haar verhoogd heeft; blijve over haar Zijne
heerschappij in alle eeuwigheid”.
Daaronder zijn de apostelen Simon Zelotus
met een spreuk en Judas Thadeus met
zijn hellebaard en een spreuk afgebeeld.
Omdat de spreuken van de apostelen
achter elkaar gelezen moeten worden
staan ze hierbij als eenheid: “Descendit ad
i(n)ferna; t(er)cia die ressurexit a mortuis
(Thomas) … (onleesbaar Jacob) Credo on
spiritum sanctum (Barthelomeus) Sanctam
ecclesiam catholicam sanct(am) com(m)unione(
m) (Mattheus) carnis ressurectionem
(Simon) et vitam eternam amen
(Judas)”.
Restauratie in 1924 en in 1975
De restauratie van 1924 heeft achteraf
gezien veel schade aan de schilderingen
toegebracht. De chemische middelen en
het vernis waarmee ze te lijf zijn gegaan
hebben een verstikkende uitwerking gehad
op de schilderingen en de pleisterlaag.
In 1975 constateerde de Rijksdienst dat
slechts weinig van het oude werk nog
aanwezig was en dat een nieuwe restauratie
nodig zou zijn om weer “… kleur te
brengen in wat eens een bijzondere en
artistiek hoogstaande schildering moet
zijn geweest”. In dat jaar startte een totale
restauratie van het gebouw en van de
schilderingen. De Zwolse kunstenaar Joop
Eikenaar kreeg opdracht de schilderingen
te herstellen en te retoucheren. Hij deed
dit op zeer deskundige wijze.
16
In verband met de nieuwe functie van de
ruimte werd verwarming aangebracht pal
onder de nissen. De Rijksdienst waarschuwde
toen al voor het gevaar van een
hete luchtstroom langs de schilderingen:
“Het is belangrijk de zaal zo bescheiden
mogelijk te verwarmen. De bestaande
neiging van de verf af te bladderen zal
ook na restauratie mogelijk blijven voortbestaan.
Verwarming is in dat proces een
stimulerende factor”. (RDMZ 25 juni 1975)
De situatie In 1988
In 1988 bleek de schrijver van bovenstaande
regels gelijk te hebben gekregen.
De afwerklaag bladderde hevig en delen
van de kalklaag waren geheel losgeraakt
van de ondergrond. De schade was niet
alleen in de originele kalklagen, maar ook
in de gerestaureerde delen terug te vinden.
De combinatie van hete luchtstroom
en de oppervlaktespanning in de pleisterlaag
zorgde ervoor dat de schilderingen
onrustbarend snel vervielen. Na een uitvoerig
onderzoek kwam de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg tot de conclusie
dat restauratie nauwelijks meer
mogelijk was, omdat het alsmaar verder
uittreden van de zouten de schilderingen
en de pleisterlaag onherroepelijk van de
muur zou drukken. Omdat de verwarming
zou blijven branden, zou het proces
van het transport van zouten van het binnenste
van de muur naar de oppervlakte
alleen maar worden gestimuleerd. Er
werd een onderzoek ingesteld naar een
methode om de schilderingen te behouden.
Hierbij passeerden vier mogelijkheden
de revue.
De eerste optie was het opnieuw vastzetten
van de oude en in 1975 gerestaureerde
lagen. Hierbij was het echter twijfelachtig
of alle kleine schilfertjes weer vastgezet
konden worden en bovendien betekende
dit dat iedere vijf jaar aan de schilderingen
gewerkt moest worden omdat
het probleem ïn de muur niet was verholpen.
Bij dergelijke werkzaamheden
treedt altijd materiaalverlies op, zodat er
binnen afzienbare tijd geen origineel materiaal
meer over zou zijn. Dit proces
wordt dan het verhaal van de antieke bijl
waar vader een nieuw blad en zoon een
nieuwe steel opzet.
De tweede mogelijkheid was een kopie
op de muur te schilderen. Dit zou tot gevolg
hebben dat de originele schilderingen
opgegeven werden. Ook hierbij zou
op termijn weer een restauraties nodig
zijn, zolang de problemen in de muur
niet zijn verholpen.
Het chemisch bewerken van de muur en
de schilderingen was de derde overweging.
Hiervoor heeft de afdeling
Monumentenzorg van de gemeente
Zwolle zich gewend tot DSM die de verschillende
mogelijkheden tot conservering
op een rijtje heeft gezet.
1. Impregneren. Dit moest tot op grote
De vierde nis zoals in 1924
herontdekt met in de boog
Tobias en daaronder de
apostelen Simon Zelotus
en Judas Thadeus.
(Foto: J. Por)
17
Joop Eikenaar tijdens het
schilderen van de afbeeldingen
in de tweede
nis, 1989-
diepte, 2 mm, gebeuren, hetgeen niet
mogelijk was. Daarna zouden,de loszittende
delen alsnog vastgezet moeten
worden. Grootste nadeel was dat de
vochtwerking en daarmee de oppervlaktespahning
werden verergerd door
de afsluitende laag. Totale “drooglegging”
van de muur was niet mogelijk.
2. Bewerken met siliconen. Deze oplossing
hield in dat een siliconenlaag op
de schilderingen gespoten werd, smeren
was niet meer mogelijk. Dit zou
een definitieve oplossing zijn, omdat
er dan geen restauratiewerk meer mogelijk
is. De schilderingen worden onbereikbaar.
Tenslotte bestond het gevaar
dat de siliconenlaag zou vergelen.
3. Acrylaat aanbrengen. Dit is een lichtecht
produkt dat niet kan vergelen of
anderszins verkleuren, maar het moet
in een lage concentratie worden aangebracht.
Het gevaar bestaat dan dat
het niet diep genoeg in de muur
dringt, zodat op termijn de schildering
met grote plakken tegelijk los kan laten.
4. Fluorteren. Dit is een techniek die in
fluorzuur oplosbare zouten omzet in
onoplosbare zouten. De in de muur
aanwezige zouten konden dan niet
langer met het in de muur aanwezige
vocht naar de oppervlakte worden getransporteerd.
Hoewel dit op zich de
beste oplossing was, zou het transport
van zouten pas na enkele jaren gestopt
zijn. Tegen die tijd zouden de schilderingen
geheel verloren zijri gegaan.
De conclusie van DSM luidde dat de
schilderingen met behulp van chemische
middelen slechts tijdelijk voor verder verval
konden worden behoed. De vochtwerking
achter de aangebrachte laag zou
uiteindelijk tot akelige effecten leiden.
Het leek daarom niet mogelijk op deze
manier de schilderingen aan te pakken.
De vierde mogelijkheid was het opnieuw
schilderen van de afbeeldingen. op een
nieuwe ondergrond van plaatmateriaal.
Dit hield in dat in de nissen stevige,
naadloze, platen werden geplaatst, waar-”
op een ondergrond werd geschilderd die
qua kleursteüing en structuur overeenkwam
met pleisterwerk. Hierop zouden
de schilderingen opnieuw worden
getekend. Deze methode was ook bij de
opgegeven schilderingen in de pastorie
van de Grote Kerk te Leeuwarden met
succes toegepast.
Discussie en besluit
De bovenstaande mogelijkheden hebben
de nodige discussie opgeleverd. Het belang
van de schilderingen was van dien
aard dat een actie tot behoud gerechtvaardigd
was. Hoe dat moest worden
uitgevoerd was een andere zaak. Daarbij
speelden diverse argumenten een rol.
18
– Wat restaureer je eigenlijk nog? Of: hoeveel
oorspronkelijk materiaal is na de restauraties
van 1924 en 1975 nog overgebleven?
– Gaat het hier om de nog aanwezige
originaliteit van het materiaal of om de
vormgeving, de thematiek en de gebruikte
techniek, kortom de artistieke waarde?
– Wordt het restaureren van deze schilderingen
een vijf- of tienjaarlijks terugkerend
probleem met steeds weer kleine
wijzigingen in materiaal en uitvoering? Of
doen we het in één keer goed?
Uiteindelijk is gekozen voor de oplossing
van het volledig kopiëren van de schilderingen
op een nieuwe achtergrond.
Daarbij gelden enkele voorwaarden. Bij
het aanbrengen van de platen in de nissen
moesten de originele schilderingen
zoveel mogelijk worden ontzien. Deze
moesten als het ware worden begraven
achter de nieuwe platen. Een tweede
voorwaarde was dat in de kopie de retouches
van 1975 herkenbaar waren ten opzichte
van de in 1925 gevonden schilderingen.
Als derde voorwaarde werd geformuleerd
dat de schilderingen nauwkeurig
werden opgemeten, de coördinaten vastgelegd
en de bestaande toestand gefotografeerd.
Uitvoering
De gemeenteraad van Zwolle stemde in
met deze werkwijze en stelde een bedrag
van f 36.000,- beschikbaar. Ook ditmaal is
aan Joop Eikenaar gevraagd het werk uit
te voeren, omdat hij de schilderingen
goed kende en omdat van hem voortreffelijk
resultaat te verwachten was, gezien
zijn werk in 1975.
Als nieuwe ondergrond werd gekozen
voor platen uit één stuk die in de nissen
werden geplaatst met rondom een ruimte
van anderhalve centimeter. Deze panelen
werden ter plekke gemaakt en bestonden
uit platen multiplex van 2 meter bij 18
mm, op elkaar gelijmd. Men heeft ze zó
in de nissen bevestigd, dat de schilderingen
niet doorboord werden ten behoeve
van de ophanging van de platen. Dé gaten
en sleuven zijn geplamuurd en uitgevlakt
waarna de panelen werden bespannen
met glasvlies in een alkydharslijm.
Met een acrylverf is de ondergrond op de
juiste kleur gebracht. Om de eenheid in
de ruimte te bewaren werden ook in de
lege nissen panelen geplaatst.
De opmetingen en foto’s van de schilderingen
waren de basis voor het kopiëren
waarbij Eikenaar als volgt te werk is gegaan.
Op transparant kalkeerpapier zijn
de schilderingen overgetrokken. Vervolgens
is het papier omgekeerd en zijn de
schilderingen op de achterzijde nogmaals
overgetrokken. Daarna zijn de panelen in
de nissen aangebracht. Tot slot is de achterzijde
van het papier op de panelen gelegd
en werd de voorzijde overgetrokken
zodat een afdruk van de tekening op de
panelen is gedrukt.
Met penselen en olieverf zijn vervolgens
de lijnen stukje voor stukje uitgewerkt.
Om een gelijkmatige structuur te krijgen
zijn alle penseelstreken onzichtbaar gemaakt
(uitgedast) en werd de nog natte
verf met de kwast beklopt om het oppervlak
gelijkmatig te maken (getamponeerd).
In de. overgangen van licht
naar donker is getracht het effect van
losse penseelstreken te vermijden.
Op grond van het documentatiemateriaal
zijn zoveel mogelijk elementen teruggehaald.
Zo is bijvoorbeeld een nimbus geschilderd
op grond van de foto’s uit 1924.
Het is daarbij steeds een afweging geweest
van wat wel en niet verantwoord
is. Sommige reconstructies van Por uit
1924 zijn om die reden weggelaten. In
de schilderingen zijn deze problemen nog
zichtbaar, doordat het oude werk iets
donkerder is weergegeven en de twintigste-
eeuwse retouches en reconstructies
iets lichter.
Wat uiteindelijk het oordeel over deze
werkwijze ook moge zijn, zeker is dat
een uniek stuk middeleeuwse schilderkunst
in zijn vormentaal en uitdrukkingskracht
bewaard is gebleven. De schilderingen
zijn dan wel geen kunstwerken
van een meester als Giotto, die als prestige-
objecten met ongelimiteerde middelen
kunnen worden vertroeteld. Wel zijn
het nog maar weinig voorkomende werken
van onbekende kunstenaars die uitdrukking
hebben gegeven aan het geestelijk
leven in een lang voorbije tijd.
19
Jacobus Tichlerus (1604-1652):
vertegenwoordiger van
de Nadere Reformatie
W.J. op ’t Hof
Een eerder artikel over de Nadere
Reformatie In Zwolle mondde uit in
de constatering dat de eerste nadere
reformator In de Overijsselse hoofdstad,
Everhardus Schuttenius, piëtistisch
geladen contacten had met diverse
andere personen In Zwolle. Deze
vaststelling leidde tot twee vragen. De
eerste vraag was: vormde Schuttenius
het middelpunt van een groep gelijkgezinden
in Zwolle? De tweede vraag
luidde: kunnen er wellicht nog meer
Zwollenaren dan Schuttenius tot de
bewuste groepering van de Nadere Reformatie
worden gerekend? 1) In dit
artikel wil ik ingaan op de tweede
vraag. Tevens zullen dan flauwe contouren
van het antwoord op de eerste
vraag opdoemen.
Vooraf vraagt nog één punt om opheldering
en wel de term ‘vertegenwoordiger
van de Nadere Reformatie. Hieronder versta
ik iemand die door middel van één of
meer door hem of haar in het Nederlands
geschreven werken de idealen van de genoemde
groepering heeft gepropageerd
en als doelstelling heeft trachten te
verwezenlijken. Dit houdt in dat het in
aanmerking komende oeuvre van de desbetreffende
persoon tijdens zijn of haar
leven verschenen moet zijn. Van de in de
laatste paragraaf van het vorige artikel
genoemde personen komen er drie in
aanmerking voor representant van de
Nadere Reformatie: Wolterus ter Burgh,
Zacharias Heyns en Jacobus Tichlerus.
Aan deze laatste zal nu aandacht worden
geschonken. 2)
Tichlerus’ levensloop
Zoals Schuttenius’ leven verweven was
met Zwolle, zo was dat van Jacobus Tichlerus
verbonden met Deventer. 3) In deze
stad werd Jacobus geboren en op 10 april
1Ö04 gedoopt als zoon van Fenneken van
Keizersweerdt en de predikant van Olst,
Rutgerus Tichlerus die in deze tijd wegens
perikelen rond de pastorie te Olst in Deventer
woonachtig was. 4) Rutgerus was
zelf in Deventer op 4 november 1574, terwijl
hij in deze zelfde stad op 6 oktober
1601 Fenneken huwde. Hun huwelijk
werd gezegend met drie kinderen: Truijken,
Jacobus en Swenne.
Jacobus junior werd op 23 april 1623 als
student in de theologie aan de universiteit
te Franeker 5) en op 11 september 1624
aan de Leidse universiteit ingeschreven. 6)
Het ligt in de lijn der redelijkheid om op
grond van de dedicatie in de eerste druk
van zijn boek aan te nemen dat hij op
kosten van zijn vaderstad gestudeerd
heeft.
Nadat Tichlerus in het voorjaar van 1626
in de classis Deventer het voorbereidend
en het afsluitend examen met goed gevolg
had afgelegd werd hij op 10 oktober 1626
te Wesepe beroepen. 7) Hier werd hij door
C. Bokelman, predikant te Wijhe, voorgesteld
en door H. Weddeus, predikant te
Bathmen, bevestigd. Hij had problemen
met zijn kerkeraad over de slechte toestand
van de pastorie. Eind mei 1630 volgde
hij zijn overleden vader als predikant te
Olst op, nadat hij daar door dezelfde predikanten
als in zijn eerste gemeente was
voorgesteld en bevestigd. Hij had in Olst
dezelfde problemen als in Wesepe. In
20
1653 verwisselde hij Olst voor Elburg.
Twee jaar later werd hij predikant te
Zwolle. Halverwege het jaar 1637 werd hij
als zodanig door Schuttenius, die ook deel
van de beroepingscommissie had uitgemaakt,
bevestigd. 8) Op 21 oktober 1641
kwamen uit Deventer

Lees verder