4f. KAM
rte«V»fr 38 c
V 1 W «WOLLE
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHDIFT
1987 – 01
ZWOL&E HI&TOD16CHE VEDEN1G1NG
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOUGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG VIER 1987
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 De “welingerigte” kleine-kinderschool van de stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827-ca.1841) – deel 2
Jaap Hagedoorn & Willy van der Most
13 De bouwgeschiedenis van het Vrouwenhuis te Zwolle
Peter Boer
VERENIGINGSNIEUWS
22 Lezingencyclus 1987: “Aspecten van de Moderne Devotie”
VAN DE INSTELLINGEN
23 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
24 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck, P. Lindhoud
(wnd.hoofdredacteur), R.T. Oost, mevr. I. Wormgoor,
H.C.J. Wullink, mevr. A. van der Wurff
Zwolse Historische Vereniging
Niets uu de/e uitgave may worden verveelvoudigd en
ot openbaar gemaakt dooi middel van druk. fotocopv.
microfilm ut op welke WI|/H ook /ondel voorafgaande
schriftelijke toestemming v.in de uityuver
In de drie jaar van haar bestaan heeft de Zwolse Historische
Vereniging vier maal per jaar een tijdschrift en éénmaal per
jaar een jaarboek kunnen uitbrengen. Bestuur en beide redacties
hebben gemeend met ingang van 1987 de redacties van het
jaarboek en van het tijdschrift – voorlopig voor een jaar –
samen te voegen. Hiermee wordt een betere onderlinge afstemming
van de twee publicatievormen beoogd, terwijl tevens het
in verband met andere verplichtingen veroorzaakte verlies
van twee jaarboekredacteuren kan worden opgevangen.
De nieuwe redactie blijft voor de taak staan geschikte en
aantrekkelijke kopij voor zowel het tijdschrift als het jaarboek
te zoeken. Ook bij een niet al te groot kopij-aanbod
wil de redactie blijven streven naar een redelijke kwaliteit
van haar publicaties. Dit, naast de genoemde reorganisatie,
brengt met zich mee dat het aantal uitgaven van het tijdschrift
wordt teruggebracht van vier naar drie per jaar.
Overigens betekent dat dit jaar geen vermindering van het
totale aantal pagina’s dat wij U bieden. Twee van de drie
tijdschriftnummers zullen verschijnen als themanummers. Het
eerste gaat over de ‘Zwolse mummie’ en zal in verband met
de rond dit object geplande tentoonstelling in het POM,
reeds in maart verschijnen. Een themanummer over de opgravingen
in de Praubstraat zal waarschijnlijk in september
uitkomen. Dit jaar hoopt de redactie ook toe te komen aan
een plan waardoor het tijdschrift een wat gevarieerder karakter
zal krijgen. Tot slot kunnen wij meedelen dat de
redactie dit jaar een kalender hoopt uit te brengen met
oude Zwolse foto’s.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek.
DE “WELINGERIGTE” KLEINE-KINDERSCHOOL VAN DE STADSARMENINRICHTING
TE ZWOLLE (1827 – ca. 1841) (deel 2/slot)
JAAP HAGEDOORN & WILLY VAN DER MOST
SAMENVATTING VAN DEEL I (ZHT 1986-4)
De toenemende bemoeienis van de overheid met het onderwijs leidde
in 1827 tot de stichting van een school voor arme kinderen
van twee tot zes jaar. Deze school werd onderdeel van de Stadsarmeninrichting,
die tot doel had de arme en behoeftige stand
door onderwijs en arbeid te verheffen, vóór 1827 waren er de zogenaamde
bewaarscholen voor kleine kinderen. Daar was echter
meestal sprake van ‘bewaren’ en niet van onderwijzen. De kleinekinderschool
werd geleid door een matres, bijgestaan door enkele
helpsters. Zij hadden een op de praktijk gerichte opleiding gekregen
van Jan ter Pelkwijk, de Overijsselse gedeputeerde die
zich inzette voor hervorming van het onderwijs. Het succes van
het nieuwe, kwalitatief goede en gratis onderwijs valt af te
lezen aan de drastische groei van het aantal leerlingen: van
40 in 1827 tot 340 in 1847.
HET ONDERWIJS 35)
Het doel van het onderwijs was de ontwikkeling van de verstandelijke
en lichamelijke vermogens van de kleine kinderen. Daai
naast poogde men ze de beginselen van zedelijkheid en beschaving
bij te brengen. We moeten daarbij denken aan het aankweken van
eerbied voor God en de medemensen, het oefenen van een ordelijk
gedrag en het aanleren van voortdurende en ijverige werkzaamheid.
De kinderen zouden zo, uiteraard binnen hun eigen stand,
opgeleid worden tot nuttige leden van de maatschappij. Hoewel
dit alles zwaar klinkt, stond bij Ter Pelkwijk voorop, dat de
kinderen met plezier naar school moesten gaan en de school zouden
zien.als “eene plaats van vermaak” 36).
In de lokalen van de school waren bankjes met daaraanvast lessenaars,
waaraan de kinderen konden zitten en werken. Deze bankjes
waren op maat gemaakt. De kinderen zaten zodanig, dat ze met
z’n drieën op één el (circa 70 cm.) zaten. Niet erg ruim dus,
maar ze zaten dan ook niet voortdurend op hun plaatsen. Om te
schrijven en te tekenen hadden de kinderen een griffel, die in
een penhouder was gestoken om te voorkomen dat ze die in hun
mond zouden steken, maar ook om ze te wennen aan het schrijven
met een pen. Ten slotte waren er borden en verschillende leei—
en speelmiddelen aanwezig.
De lessen duurden ’s zomers van acht tot twaalf en van één tot
zes uur en ’s winters van half negen tot twaalf en van één tot
vijf uur. Er werd, in overeenstemming met de geestelijke èn de
lichamelijke opvoeding die men nastreefde, afwisselend lesgegeven
en gespeeld. De kinderen werden daartoe in groepen verdeeld.
Hierbij moet opgemerkt worden, dat de jongens en meisjes
tijdens de lessen apart zaten, en dat er bovendien een indeling
naar leeftijd bestond.
Het onderwijsgedeelte van de lessen bestond uit verschillende
oefeningen, die echter gemeenschappelijk hadden, dat ze zeer
aanschouwelijk waren en aangesloten bij de belevingswereld van
de kinderen. Met name in dit aanschouwelijke karakter van de
lessen kan de invloed van de toentertijd bekende pedagoog J.H.
Pestalozzi gezien worden, van wiens ideeën Ter Pelkwijk een
aanhanger was. De lessen bestonden uit:
00 duidelijk leren spreken.
Dit werd geoefend door meestal gezamenlijk zinnen of gedichtjes
op te zeggen. Vooral de gedichten van Hieronymus van Alphen
(bekend van ‘Jantje zag eens pruimen hangen’) werden daarbij
DB PMT1IMIBOOM.
Juttjckwetf ujuKocdval pruimen. U-Jo.
• ENZ V I I T I I L I N O .
Jantje zag eens pruimen hangen,
o I alt eieren zo groot.
‘• Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
fclioor zijn vader ’t liein verbood.
Hier ia, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman , die het tiet >
Aan een boom, zo vul geladen,
raiu men vijf zet pruimen niet.
Maar ik wil gehuorzaam wezen,
en niet plukken: ik loop heen.
Zou i k , o» een hand vol pruimen,
ongehoorzaam wezen ? Neen.
Voord ging Jimjc : tn>«r ziin vader,
die hem (til beluisterd had,
Kwjm hem in liet ltmpcn ii-gcn
voor aio op hel roiddclpad.
Kutn mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kl.ine lurtcd’cfl
Nu u i IK y pruimen plukken)
nu heeft vader Jantje lief.
Dair ou | i ig Papa ain ’t febudden,
Jantje raapte fdiiclijk op;
Jantje krec] zijn hoed vol pruimen,
en liep been op een galop.
Hieronymus van Alphen, Kleine gedichten voor kinderen
(Utrecht 1821), 29 – 30
4
veel gebruikt 37)..In deze gedichten treffen we morele lessen
aan, zodat het leren van deze gedichten ook bijdroeg aan de zedelijke
ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast werd er veel en
graag gezongen. De kleinen leerden zo spelenderwijs hun moedertaal
goed uit te spreken en hun geheugen te oefenen. Bovendien
werd het Zwolse dialect op deze wijze bestreden, dat de kindepen
thuis veelvuldig hoorden, waarbij men, zo schrijft Ter Pelkwijk,
“de letter b_ gewoonlijk laat hooren wanneer zij niet noodig is
en integendeel verzwijgt, waar zij vereischt wordt” 38).
00 Opmerken en onderscheiden van voorwerpen.
De zintuigen werden hierbij geoefend door het bekijken, bevoelen
en benoemen van voorwerpen die de kinderen kenden, zoals hun eigen
lichaamsdelen, kartonnen figuren (vierkanten, rechthoeken,
ruiten enz.), dierenplaten, planten, zaden, houten plankjes en
kruidenierswaren). Een voorbeeld van deze beide oefeningen (spreken
en opmerken) geeft de schoolmeester en dialectschrijver
willem Kloeke, die de eerder genoemde school voor de gegoede
stand bezocht: “wel erinner ik miej, da-w’ naemen van kleuren
mossen leeren van ’n groot stuk wit bordpapier, doeur fluweelen
linties van alderande kleuren over e-spannen waeren. De naemen
van de kleuren wieren deur de juffrouw e-nuumd en dan mossen
wiej diie net zoolange nozeggen, tu-w’ ’t wisten” 39).
00 Tellen en getalleer.
Met behulp van kleine houten kubussen leerden de kinderen tellen
en ook optellen. Juist dit onderwijs moest volgens Ter
Pelkwijk zeer aanschouwelijk worden voorgesteld, om de kinderen
te leren welke hoeveelheden bij welke getalswaarden hoorden. De
rekenlessen werden daarna voortgezet met •stipfiguren op karton,
zodat ze het verband tussen hoeveelheid en cijfersymbool leerden.
Ook waren er twee ebbenhouten toiletjes met op het ene de
tien stippenfiguren en op het andere de getallen van één tot
tien. De kinderen moesten dan de juiste combinaties bij elkaar
zoeken. Om de kinderen het vermenigvuldigen bij te brengen, gede
gebruikte
1 2 3 4
stippenfiguren
• •
5 6 7 8 9
• •
10
bruikte men tien stroken papier, waarop telkens één van de stippenfiguren
was afgebeeld. De kinderen moesten dan telkens zeggen
hoeveel keer ze een bepaalde figuur zagen en hoeveel de totale
waarde was, bijvoorbeeld:
= 3 maal 7 = 21
Later werd hiervoor het telraam gebruikt 40). Ten slotte leerden
de kinderen nog hoofdrekenen.
00 Vormleer.
Dit was een soort eenvoudige meetkunde. De kinderen moesten
lijnen, hoeken en figuren leren benoemen en tekenen. Dit onderwijs
hield duidelijk verband met het eerder genoemde opmerken
en onderscheiden van voorwerpen, maar was wat abstracter van
opzet.
00 Lezen.
Dit was alleen bedoeld voor de oudste kinderen. In de toelichting
bij het reglement voor de kleine-kinderschool werd geconcludeerd,
dat lezen op zich niets bijdroeg aan de ontwikkeling
van de verstandelijke en zedelijke vermogens van het kind
en dat het “geheel onnoodig, ja schadelijk is, dat kinderen
het lezen te vroeg leeren”. De kleintjes zouden het gelezene
immers nog niet begrijpen en dus zouden de leeslessen nutteloos
zijn. Het bleek echter noodzakelijk de oudste kinderen toch
leesonderwijs te geven. Na de kleine-kinderschool gingen de
meesten door naar de leer- en werkscholen van de armeninrichting.
Als daar, door het ontbreken van het leren lezen op de kleinekinderschool,
teveel aandacht aan dit onderwijs gegeven moest
worden, zou de andere kennis die de kinderen al opgestoken hadden,
gemakkelijk kunnen verwateren. Wanneer zij konden lezen,
konden ze direct door naar de hogere afdelingen van de leeren
werkscholen 41). Bij het leesonderwijs werd gebruik gemaakt
van de zogenaamde klankmethode met behulp van een letterkast.
We mogen ons dit voorstellen als een soort ‘Aap-noot-Mies’-
leesplankje.
Het onderwijs werd afgewisseld met spelletjes en lichaamsoefeningen,
die onder leiding van één van de helpsters op de
speelplaats plaatsvonden, of bij slecht weer in het speellokaal.
Er was speelmateriaal aanwezig, zoals een hobbelpaard, hoepels,
tollen en knikkers. Dit spelen zou, zo was Ter Pelkwijk van mening,
de gezondheid en levendigheid van de kinderen bevorderen
en de school tot een vrolijk instituut maken. De eerder genoemde
6
Kloeke over het spelen: “A-w’ no de spölskooele gongen, dan
gong Darrekien (een helpster JH/WvdM) veurop en ield er iiene
van ons aer vaste an de rokken en ieder volgend kind ield ’t
kind vaste, dat veur ‘m liep en dan zongen wiej, Sjok, sjok,
achter an miej rok; Veur an miej rok is ’t beste! Sjok, sjok,
enz.” 42).
Aangezien het onderwijs aan de Zwolse kleine-kinderschool geheel
nieuw was en niemand er ervaring mee had ging men, zoals
gezegd, uit van de voorbeelden van anderen (Pestalozzi, Visser
en Woldendorp) en werd de theorie steeds door de praktijk bijgesteld.
De kinderen moesten bij dit alles met zachtheid behandeld
worden. Gehoorzaamheid moest door vermaningen en beloningen
worden afgedwongen, minder door straffen. De laatste
bestonden uit het in de hoek zetten van een kind of het in
school houden wanneer zijn of haar groep naar de. speelplaats
ging. Beloningen werden gegeven in de vorm van plaatjes, die,
als de kinderen erg hun best hadden gedaan, ook nog zelf uitgezocht
mochten worden.
RESULTATEN
De resultaten van het nieuwe kleuteronderwijs konden jaarlijks
geconstateerd worden tijdens de examens, gehouden in aanwezigheid
van de gouverneur, de burgemeester, raadsleden en andere
aanzienlijke ingezetenen 42a). Er werd gezongen en de kinderen
gaven proeven van hun vorderingen in het spreken, rekenen,
schrijven enz. Daarna werden aan de beste kinderen premies uitgedeeld,
meestal kledingstukken, terwijl de allerbesten een
bijzonder geschenk van de gouverneur kregen, meestal een boekje,
’s Middags was er dan feest op school, waarbij aan de kinderen
saliemelk geschonken werd.
Ook het zedelijk onderwijs had zijn vruchten afgeworpen, zo
blijkt uit de verslagen van de examens: “Aandoenlijk was het
gezigt van zulk eene schaar jonge kinderen van de behoeftigste
volksklasse, allen, naar hunne stand, zeer goed gekleed, helder
en zuiver, en zoo ordelijk, zoo stil en ingetogen en toch zoo
gepast vrijmoedig als. men van kinderen van die jaren mag verwachten:
zoo dat ook hier de vreemdeling niet de kinderen der
behoeftige zoude erkennen, en men ook bij dit gedeelte van het
opkomende geslacht de duidelijkste blijken aantreft van den
verbeterden toestand der armen in deze stad” 43).
De verslagen van de examens in de Overijsselsche Courant waren
steeds zeer lovend, maar werden,dan ook geschreven door G. Luttenberg,
secretaris van het bestuur van de Stadsarmeninrichting.
Van andere zijden was er echter ook lof. Kloeke spreekt over de
__ i vnn f»*» in Oen j i f io IK.’IH I)<-ÜOMW»_^ ' .—
ioaooLcnoow voon DE_#KMEHIHBICTIHC
Jaarboekje van de provincie Overijssel 1839
(Zwolle z.j.) bijzondere aantekening t.o. p.44
scholen van de armeninrichting, "woeur 't onderwies, zoo a-'k
laeter wel ebbe e-markt, eerder beter dan slechter was dan op
d'andere skooelen in de stad" 44). En rijksinspecteur voor het
onderwijs Wijnbeek is er in 1833 en 1841 zeer over te spreken:
"mogten kinderscholen naar het model der Zwolsche ingerigt, ten
behoeve vooral der geringe volksklasse, in alle steden, de
groote in 't bijzonder, worden daargesteld, (...) Welke heilzame
gevolgen zou zulks niet opleveren voor de orde, ondergeschiktheid
en arbeidzaamheid dier volksklasse!" 45). In de rest
van zijn rapport vergelijkt hij de bewaarscholen elders steeds
met de Zwolse, welke vergelijking steeds in het voordeel van
de laatste uitvalt. De roem van de kleine-kinderschool reikte
tot over de grenzen en zelfs koning Willem I bracht er (in
1830) een bezoek aan.
In zijn tweede rapport meldt Wijnbeek, dat naar zijn mening de
kinderen te lang achter elkaar met leren bezig waren. In het
Derde Verslag over de toestand van de Stadsarmeninrichting wordt
hierop gereageerd 46). De kinderen moesten in de korte tijd dat
ze op school waren - ze moesten immers al vroeg hun bijdrage
leveren aan het gezinsinkomen - zoveel mogelijk leren, waaraan
ze in hun (ambachts- en werklieden-)stand behoefte hadden.
8
Dat dit, voor de aan de armeninrichting opgeleiden, vruchten
afwierp, bewijst een onderzoek in het Derde Verslag (1841)
naar de toenmalige positie van 600 oud-leerlingen 47). Daarvan
waren er 449 uit de behoeftige stand afkomstig geweest; slechts
één verkeerde in 1841 nog in die staat. Van de 118 kinderen
uit de bedeelde stand werden er op dat moment nog drie bedeeld.
Op korte termijn had het regelmatig bezoeken van de kleinekinderschool
positieve gevolgen voor de gezondheid van de kinderen.
Al in 1831 werd geconstateerd, dat er onder de kinderen van
deze school relatief weinig ziekte en sterfte voorkwam 48) en
tussen 1835 en 1840 stierven er jaarlijks maar twee kinderen
van de ongeveer 250 die daar les kregen 49). Een zeer laag aantal
als we weten dat de kindersterfte in die tijd nog zeer groot
was. Het regelmatig schoon maken van de school, het buiten spelen
en het doen van lichaamsoefeningen, maar ook het weren van
niet-ingeënte of (voor de kinderziekten) niet-immune kinderen
zullen de belangrijkste oorzaken van de bovengenoemde constatering
geweest zijn.
De goede resultaten van de school voor behoeftige kinderen had
tot gevolg, dat al in 1829 besloten werd, dat er ook één voor
de gegoede stand moest komen. Deze school was eerst gevestigd
in het voormalige Jufferenconvent op de hoek van de Blijmarkt
en de Praubstraat en later in de Fratersteeg tussen de Goudsteeg
en de Praubstraat. Het onderwijs werd op een gelijke manier
gegeven als aan de armeninrichting. Het schoolgeld bedroeg
tien gulden per jaar. Er waren een hoofdonderwijzeres en drie
secondantes aangesteld. Er gingen jaarlijks ongeveer 100 kinderen
naar deze school' 50).
De stedelijke overheid hoopte dat de kleine-kinderschool als
voorbeeld zou gaan werken voor andere Zwolse bewaarscholen.
Hiervan is één voorbeeld gevonden. In 1836 vormde de weduwe J.
Snijder haar bewaarschool om naar voorbeeld van de kleine-kinderschool.
Als blijk van waardering schonk de stad haar schooltje,
waar in dat jaar 64 kinderen leskregen, een doos met voorwerpen
voor het aanschouwelijk onderwijs en een hobbelpaard
51). Bovendien adviseerde de plaatselijke schoolcommissie geen
matressen meer toe te laten, die geen kennis hadden genomen van
het nieuwsoortig onderwijs, zonder haar enkele lessen te laten
volgen aan de kleine-kinderschool 52). Daarnaast mag de afname
van het aantal bewaarscholen, die gemiddeld zo'n twintig leerlingen
hadden, eveneens een teken zijn van de verbeterende invloed
die de kleine-kinderschool had op het Zwolse bewaarschoolonderwijs,
vooral nadat de school naar het nieuwe gebouw
was verplaatst (1839).
Zwolse kleine-kinder- en bewaarscholen en het aantal
leerlingen van die scholen 53)
jaar
1827
1834
1835
1836
1837
1838
1839
1840
1841
kleine-kinderscholen
aantal
2
2
3
3
3
2
2
2
leerlingen
438
335
414
436
423
360
397
403
bewaarscholen
aantal
39
24
24
25
23
22
17
17
15
leerlingen
440
480
481
458
530
410
358
359
324
tabel III
De invloed van het vernieuwende karakter van de Zwolse kleinekinderschool
strekte zich echter uit tot buiten de stadsgrenzen.
De school werd door velen uit binnen- en buitenland bezocht.
Daarnaast werden in Zwolle de eerste onderwijzeressen gevormd
voor een groot aantal bewaarscholen in Nederland. Zo werden
twee meisjes door het Deventer stadsbestuur naar Zwolle gestuurd
om daar aan de kleine-kinderschool door Ter Pelkwijk opgeleid
te worden tot matres. Na één jaar onderwijs konden zij in 1834
naar Deventer terugkeren om daar een bewaarschool naar het
Zwolse voorbeeld te gaan beheren 54). Ook uit onder andere Groningen
en Rotterdam kwamen kwekelingen naar Zwolle om daar de
nodige ervaring op te doen 55). Zwolle heeft op die manier een
speerpuntfunctie vervuld in de vernieuwing van het onderwijs aan
kinderen tussen twee en zes jaar.
CONCLUSIE
De oproep in 1827, om het bewaarschoolonderwijs op een nieuwe
leest te schoeien en met name voor arme en behoeftige kinderen
toegankelijk te maken, was in Zwolle aanleiding om de nog jonge
Stadarmeninrichting uit te breiden met een zogenaamde "welingerigte"
kleine kinderschool. Het onderwijs aan de twee- tot zesjarigen
zou dienstbaar zijn aan het doel van de inrichting: de
verheffing van de behoeftige stand door arbeid en onderwijs.
10
Mr. J. ter Pelkwijk 1769 - 1834
Collectie: Prov.Overijssels Museum. Repro: J.P. de Koning
11
Met die verheffing kon nu reeds op jonge leeftijd begonnen worden.
Bovendien zouden de kinderen voorbereid worden op het werk
en onderwijs aan de armeninrichting. Doordat hun ouders in
staat zouden zijn om een groter gezinsinkomen te verwerven - de
moeder kon ook gaan werken - zouden ze zo meewerken aan hun eigen
verheffing.
Door samenwerking van het bestuur van de armeninrichting, de
raad van de stad Zwolle en de stedelijke schoolcommissie, maar
vooral door de inzet van dr. Jan ter Pelkwijk, die de reglementen
voor de nieuwe school samenstelde, het toekomstige onderwijzend
personeel onderwees en methodes voor en voorwerpen
bij het onderwijs ontwierp, kon het onderwijs ruim anderhalf
jaar na de oproep van start gaan.
Het onderwijzend personeel, één matres en enkele helpsters,
moest aan enkele vereisten voldoen. Onderwijservaring en een
redelijk jeugdige leeftijd waren, naast onder andere beschaafdheid,
zedelijkheid en liefde voor de kinderen, de belangrijkste.
Geen eisen werden gesteld aan de ontwikkeling en de pedagogische
en didactische vaardigheden van de vrouwen. De salariëring
van de matres was redelijk. Het loon van de helpsters, jonge
meisjes uit de leerscholen van de armeninrichting, zal het inkomen
van het gezin waaruit ze kwamen aangevuld hebben.
Het onderwijs moest de lichamelijke en verstandelijke vermogens
van de kinderen ontwikkelen. Daartoe werd het leren afgewisseld
met spelen. Het leren viel te verdelen in spraak-, reken- en
leeslessen, terwijl ook aandacht werd besteed aan het onderscheiden
van voorwerpen en de vormleer. Het onderwijs moest voor
alles aanschouwelijk en begrijpelijk zijn. Ter Pelkwijk volgde
hiermee de toentertijd moderne onderwijsmethode van Pestalozzi,
zoals hij bij het onderwijs aan de kandidaat-matressen en
-helpsters gebruik had gemaakt van de toen populaire handleidingen
voor bewaarschoolhoudsters van Visser en Woldendorp.
Over de resultaten van het onderwijs lieten velen zich lovend
uit. Op de lange termijn bleek de armeninrichting haar doelstellingen
te verwezenlijken, waaraan het onderwijs op de
kleine-kinderschool dus zijn bijdrage leverde: de vele oudleerlingen
hadden zich een onafhankelijke positie in de maatschappij
verworven. De goede resultaten van de kleine-kinderschool
leidden tot een explosieve stijging van het aantal leerlingen.
Daarnaast nam het aantal ouderwetse bewaarscholen, waar
de nadruk meer op het bewaren dan op de scholing lag, af, ook
doordat er nog een kleine-kinderschool was opgericht, nu voor
de gegoede stand. Door dit goede kleuteronderwijs trok Zwolle
veel kwekelingen aan, die na de gevolgde lessen het kleuteron12
derwijs elders ook op moderne leest schoeiden. Hierdoor fungeerde
Zwolle in de jaren dertig van de vorige eeuw als (een)
centrum voor de vernieuwing van het kleuteronderwijs.
De moderne wijze waarop in Zwolle, met behulp van nieuwe ideeën
op het gebied van het kleuteronderwijs, gestalte gegeven werd
aan de oproep om een "welingerigte" kleine-kinderschool op te
richten, had niet alleen gunstige gevolgen voor de Zwolse armen
en behoeftigen, maar ook voor de gehele stad en voor het onderwijs
in geheel Nederland.
Noten
35. Gebaseerd op de reglementen in Derde Verslag, 14-35; en
GAZ, SAOO3.
36. GAZ, SAOO3, 6.
37. Verder gedichten van mevrouw Bilderdijk en de volksliederen
uitgegeven door het Nut, zie GAZ, SAOO3, 11.
38. Ibidem, 14.
39. W. Kloeke, Zwolse sketsies (heruitgave 1986 van: Zutphen
1931), 14.
40. 'Het onderwijs in Overijssel tussen 1830 en 1850 volgens
de rapporten van inspecteur Wijnbeek', R. Reinsma ed. in
Verslagen en mededelingen VORG 80 (1965) (Wijnbeek 1841)
55.
41. Tweede verslag, 40-41.
42. Kloeke, 24.
42a Zie verslagen in Overijsselsche Courant 1829 no.63 (7-8) 1;
1830 no.70 (31-8) 1; 1831 no.95 (29-11) 1; 1837 no.74 (15-9)
1.
43. Ibidem, 1831 no.95 (29-11) 1.
44. Kloeke, 34.
45. Wijnbeek 1833, 81.
46. Ibidem en Derde Verslag, 13.
47. Derde Verslag, 46-56.
48. Overijsselsche Courant 1831 no.87 (1-11) 1.
49. Derde Verslag, 14.
50. Derde Verslag, 56-63 en Wijnbeek 1833, 79-81.
51. GAZ, CA013, Notulen 7-1-1836. Deze school bestond tot 1839.
52. RAO, PCOO, no.387, verslag 1836 bij stukken april 1837.
53. 1827: RAO, PCOO, no.385, 10-10-1827.
1834-1841 in RAO, PCOO, no's 386 en 387, verslagen van de
jaren 1834-1841 bij de stukken van april 1835-1842.
54. Tweede Verslag, 42-43.
55. Van Essen, 28.
DE BOUWGESCHIEDENIS VAN HET VROUWENHUIS TE ZWOLLE
PETER BOER
" PRAESTANT AETERNA CADUCIS "
(het eeuwige gaat boven het vergankelijke)
en
11 ANNO 1742
IS DIT HUIS TOT EEN VROUWENHUIS GESTIGT VOLGENS
DE UITERSTE WILLE VAN JUFFER ALEIDE GREVE OVERLEDEN
DEN 4 FEBR. 1742 DOGTER VAN DE HEER GEURT
GREVE GEMEENSMAN BURGERHOPMAN DEZER STAD
EN CONTRAROLEUR VAN DE CONVOIEN EN LICENTEN
EN VAN VROUW LAMBERTA HOLT."
INLEIDING
Bovenstaande teksten prijken op de gevelstenen van het pand Melkmarkt
53, bekend onder de naam Vrouwenhuis. Het Vrouwenhuis, dat
een aaneengesloten blok bebouwing vormt tussen de Melkmarkt en
de Voorstraat met een langsgevel aan de Korte Kamperstraat, werd
gesticht om onderdak te verschaffen aan ongehuwde, bejaarde
vrouwen. Met name armlastige dienstbodes van hervormde huize
vormden de doelgroep. Waarom juist aan deze groep vrouwen huisvesting
is geboden, is niet duidelijk; dat deze vrouwen best
wat hulp gebruiken konden, lijdt geen twijfel. Een beroep als
dienstbode bood waarschijnlijk beperkte mogelijkheden wat te
sparen en zij die niet trouwden hadden geen kinderen die later
voor een onbezorgde oude dag konden zorgen.
Als de welgestelde Aleida Greve na haar dood haar huis ter beschikking
stelt, heeft dit pand de huidige omvang al bijna bereikt
.
Met het beheer van de financiën en het toezicht op de dagelijkse
gang van zaken wordt een aantal regenten belast (deze situatie
duurt tot op de dag van vandaag voort). De regenten trachten ge14
Praestant aeterna caducis, het eeuwige gaat boven het
vergankelijke.
Foto: Gemeentelijke Fotodienst Zwolle, J.P. de Koning
15
durende ruim 200 jaar de herinnering aan weldoenster Aleida Greve
steeds levend te houden. Zij doen dit onder andere door vertrekken
die niet (meer) voor bewoning geschikt zijn, of die
daarvoor gewoon te fraai worden geacht (en dat zijn er nogal
wat), alsmede een aantal trappen en gangen, zoveel mogelijk in
de oorspronkelijke staat te houden. Het exterieur van het gebouwencomplex
wordt vreemd genoeg in de loop der tijd een aantal
malen "gemoderniseerd" en verandert dus nogal.
Zo blijkt dus dat een stuk 17e en 18e eeuwse wooncultuur op
unieke en oorspronkelijke wijze bewaard gebleven is dankzij de
combinatie van langdurige bewoning door bejaarde vrouwen en de
behoudzucht van de regenten.
In dit artikel wil ik de wordingsgeschiedenis van het latere
Vrouwenhuis vanuit een bouwkundige achtergrond belichten. Met
name wordt ingegaan op de groei vanuit individuele bouwdelen
tot een cultuur- en bouwhistorisch zeer waardevol complex.
DE BOUW
De oudst bekende afbeelding van het Vrouwenhuis is te zien op de
stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1580. Deze kaart is
wat betreft de weergave van individuele panden niet altijd even
betrouwbaar. Op figuur I zijn twee bebouwingsdelen zichtbaar,
respectievelijk aan de Melkmarkt (waar toen nog het water van de
Aa stroomde) en aan de Voorstraat. Tussen de Voorstraat en de
Melkmarkt ligt een onbebouwd terrein, dat door een muur van de
straat is afgesloten, zodat een binnenplaats is ontstaan.
Wanneer we de bebouwing aan de Melkmarktzijde nauwkeuriger bekijken,
is een voorhuis met verdieping zichtbaar, waar aan de
achterzijde een lager pand zonder verdiepingen tegenaan gebouwd
is. Het pand met verdieping bestaat nog steeds en is op figuur
II met de letters A en B aangegeven. Tegen bouwdeel B staat een
even hoog gebouw (C), dat op de kaart van 1580 schuil gaat
achter het voorhuis.
De bouwdelen A, B en C zijn op grond van hun constructieve opbouw
te dateren tussen 1525 en 1550. Het oudste deel, deel A met
een voorgevel aan de Melkmarkt, zal gebouwd zijn omstreeks 1525.
Kort na deze datum is deel B er tegenaan gebouwd en wel op een
dusdanige wijze dat op het eerste gezicht sprake is van één
bouwmassa die als geheel opgetrokken is. Uit de opbouw van de
kapconstructie blijkt echter het tegendeel. Omstreeks 1550 is
tegen deel B een evenhoog pand gebouwd dat waarschijnlijk altijd
met dit deel verbonden is geweest, omdat het geïsoleerd
op een binnenterrein ligt. Genoemde bebouwing aan de Melkmarktzijde
is dus kort na elkaar gebouwd om als geheel bewoond te
16
fig.I Fragment van de
stadsplattegrond van
Braun en Hogenberg
uit 1580.
fig.III Fragment uit de stadsplattegrond
van Blaeu uit
plm. 1650.
worden. Dat de delen A, B en C altijd bij elkaar hebben gehoord,
blijkt tevens uit het feit dat alleen deel A een trap
van de begane grond naar de verdieping heeft. De trap van de
verdieping naar het zolderniveau is aanwezig in deel B. In deel
C zijn in het geheel geen trappen of trapravelingen aanwezig.
EIGENAREN, BEWONERS EN UITBREIDING VAN HET PAND
De delen A, B en C, alsmede een achterhuis aan de Voorstraat
zijn omstreeks 1600 eigendom van een zekere Johan Wayer 1).
In akten waarin sprake is van het achterhuis aan de Voorstraat
wordt deel E bedoeld, dat op grond van de constructieve opbouw
.tussen 1475 en 1575 gebouwd moet zijn. Opvallend is dat
alleen de delen A en E onderkelderd zijn; bij latere uitbreidingen
was er kennelijk geen behoefte aan extra kelderruimte.
Wanneer Johan Wayer in 1614 komt te overlijden, wordt zijn onroerend
goed door de erfgenamen gesplitst en verkocht. Het
voorhuis aan de Melkmarkt wordt verkocht aan Herman Ewolts, het
achterhuis komt in handen van Johan Hendrixen.
17
Tot ongeveer 1645 vinden er geen ingrijpende bouwactiviteiten
plaats. Zo omstreeks 1633 wordt het voorhuis bewoond door Elisabeth
Ewolts die in 1627 getrouwd is met Johan van Leeuwen 2).
Vader Herman Ewolts is dan kennelijk reeds verhuisd naar een
belendend perceel, want in 1642 koopt Dr. Hendrik Wolfsen een
pand dat zich uitstrekt van de Aa (Melkmarkt) tot aan de Voorstraat.
Aan de voorzijde grenst het aan het pand van de weduwe
Roelof Nolten en in de Voorstraat ligt het tussen de panden van
burgemeester Herman Ewolts en Gerrit Hendrix 3). Deze Hendrik
Wolfsen is in 1644 getrouwd met Aleyda Varwers 4).
Op de stadsplattegrond van Ioan Blaeu van omstreeks 1650 staan
wat betreft het Vrouwenhuis nog steeds dezelfde gebouwen als op
de kaart van Braun en Hogenberg weergegeven. Op de kaart van
Blaeu, die zeer nauwkeurig te werk ging, is op het erf, halverwege
de Voorstraat en de Melkmarkt, een vrijstaand gebouwtje
aangegeven (zie figuur III).
Wellicht is bij het vervaardigen van de kaart toch een foutje gemaakt.
In de achtergevel van deel B bevinden zich namelijk bouwsporen
die wijzen op een lagere aankapping die later gesloopt
moet zijn. Deze sporen kunnen afkomstig zijn van het bouwsel dat
op de kaart van Blaeu als vrijstaand wordt weergegeven.
Omstreeks 1670 wordt als eigenaar nog steeds secretaris Wolfsen
genoemd, maar als huurder verschijnt Pieter Soury ten tonele.
Deze Pieter Soury is in 1668 getrouwd met Aleyda Wolfsen, de
dochter van Hendrik en Aleyda. Het pas getrouwde stel komt dus
bij de ouders van de bruid inwonen. Of deze inwoning een uitbreiding
van het huis tot gevolg heeft gehad is niet bekend,
maar wel staat vast dat tussen 1650 en 1682 het deel gebouwd
wordt, waarin de huidige regentenkamer is ondergebracht (deel D).
Deze bouwmassa is verdiepingsloos en sluit bouwkundig gezien
perfect aan op deel E, dat destijds nog in handen was van de
familie Hendrix. Op de begane grond is op geen enkele wijze een
verbinding (geweest) tussen deel D en E, wat gezien de verschillende
eigenaars ook niet waarschijnlijk is.
De zolder van deel D is echter vanuit deel B of vanaf de begane
grond niet bereikbaar (geweest), de toegang loopt via de zolder
van deel E. Voor deze tegenstrijdigheden is nog geen verklaring
gevonden. Toch is zonder twijfel deel D als uitbreiding van
A-B-C gebouwd, en wel vóór 1682. Dit blijkt uit de wijze waarop
de toegangen van B naar D en van D naar buiten zijn geconstrueerd.
De voormalige buitendeur van deel D hangt nog steeds op
zijn originele plaats (zie ook figuur II).
Pas in 1682 koopt burgemeester Pieter Soury het achterhuis aan
de Voorstraat van Albertje (Hendrix) Muijsevanger (woordspeling:
Soury = muis Fr.) 5). Zijn schoonvader Hendrik Wolfsen
is dan kennelijk al overleden.
18
777///
fig.II Chronologisch ontwikkelingsoverzicht.
In 1682 zijn dus het voor- en achterhuis weer eigendom van één
persoon geworden. Om binnendoor van de Melkmarkt naar de Voorstraat
te" komen moet men echter nog steeds een stuk over het
binnenterrein lopen. Burgemeester Soury lost dit probleem op
door op het binnenterrein een smalle strook te bebouwen met een
19
verbindingsgang. Deze gang, die deel uitmaakt van de indrukwekkendste
elementen van het Vrouwenhuis, zal gebouwd zijn tussen
1682 en 1695, het jaar waarin Pieter Soury komt te overlijden.
De verdiepingsloze gang is overkapt met een lessenaarsdakje. Het
plafond wordt gevormd door een gedrukt tongewelf met steunbogen
die dragen op pilasters met ionische kapitelen, alles uitgevoerd
in hout. Deze steunbogen en de kapitelen zijn rijk versierd
met houtsnijwerk; op de pilasters is gesneden loofwerk
aangebracht dat is opgebouwd uit onder andere bloemkelken, sparappelen,
eiken-, bramen- en klimopbladeren. De maker van dit
houtsnijwerk is Hermannus van Arnhem 6). Deze kunstenaar heeft
in Zwolle gewerkt tussen 1667 en 1708. In een ander deel van
het Vrouwenhuis en wel op de begane grond van deel C, is tevens
een houten schouw van zijn hand te vinden. De pilasters aan
weerszijden van deze schouw zijn op dezelfde wijze als in de
gang voorzien van loofwerk. In het midden is een wapenschild
aangebracht, met daarop het alliantiewapen van de families
Wolfsen en Soury 7) (zie figuur IV).
STICHTING VAN HET VROUWENHUIS
In 1706, ruim tien jaar na het overlijden van Pieter Soury, wordt
het huis van de erven Soury overgeschreven op naam van Aleida,
Judith en Henrica Greve. De drie zusters kopen na het overlijden
van hun oom van moederszijde, Herman Holt, van het geld dat zij
erven het "huis en doorgaande where" van wijlen kameraar Soury
8). Of Aleida en haar zusters ook daadwerkelijk in het huis gaan
wonen is niet bekend. Dat zij het pand mogelijk als beleggingsobject
verworven hebben is niet uitgesloten.
Met name de ongehuwde Aleida (die leefde van 1670 tot 1742), is
de geschiedenis ingegaan als een zeer vermogende vrouw. Haar
vermogen blijkt onder andere uit het feit dat zij omstreeks 1723
vuurstedegeld moet betalen voor een groot aantal huizen in de
Voorstraat 9 ) .
Als in 1742 Aleida als langstlevende van de drie zusters komt te
overlijden, geeft zij in haar testament instructies voor het
stichten en beheren van een Vrouwenhuis aan de Aa. Het huis
heeft dan nog steeds de omvang zoals het in 1706 aangekocht
werd.
Dr. G.W. Golts, convooimeester en neef van Aleida, wordt als
verantwoordelijke man voor het Vrouwenhuis aangesteld 10).
Er blijkt veel animo voor het Vrouwenhuis te zijn, want in 1750
telt het tehuis reeds vijftien bewoners 11). Tussen 1742 en
1832, het jaar waarin het Vrouwenhuis voor het eerst bij het
20
kadaster wordt vastgelegd, worden de gebouwen uitgebreid met
een vleugel aan de Voorstraat. De indeling van deze vleugel
wijst duidelijk op.de huisvesting van alleenstaanden. In 1832
is de huidige omvang van het gebouwencomplex bereikt en sindsdien
zijn slechts op kleine schaal veranderingen aangebracht.
Hoewel de geschiedenis van na 1742 buiten het bestek van dit
artikel valt, is het volgende nog vermeldenswaard. Waarschijnlijk
zijn om hygiënische redenen kort na de stichtingsdatum op
grote delen van de wanden geglazuurde, witte wandtegels aangebracht.
Deze tegels accentueren de eenheid die het complex
vormt en zorgen daarnaast voor een zeer bijzonder effect.
fig.IV Schouw op de begane grond in deel C
21
Verbindingsgang met houtsnijwerk in renaissancestijl
door Hermannus van Arnhem
Foto beschikbaar gesteld door Marcel Malherbe b.f.n.
Kort samengevat kan worden geconcludeerd dat het Vrouwenhuis
zoals dat nu bestaat, gegroeid is vanuit een tweetal clusters
laat-middeleeuwse bebouwing aan weerszijden van de oostgevel
van de Korte Kamperstraat. Het binnenterrein is onder invloed
van de verschillende eigendomssituaties en de bewoners vanuit
het noorden bebouwd, totdat het complex omstreeks 1700 grotendeels
zijn huidige vorm bereikt heeft. De status van Vrouwenhuis
heeft voornamelijk een consoliderend effect op de aard en
omvang van de bebouwing gehad.
22
NOTEN
1 Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), Rechterlijk Archief
(RAOOD-25, p.459, 534, 535.
2 GAZ, Retroakten van de Burgelijke Stand Overijssel (RBSO) 721,
p.364.
3 GAZ, RA001-O29, p.269.
4 GAZ, RBSZ 723, p.229.
5 GAZ, RA001-034, p.17O.
6 Verbeek, J., "Hermannus van Arnhem, houtsnijder" in Bulletin
van het Rijksmuseum 16 (1968), p.24, p.67 e.v.
7 Rietstap, J.B., Illustrations to the Armorial General (London
1965; reprint).
8 GAZ, RAOO1-O37, p.388.
9 GAZ, Administratief Archief Zwolle (SAZO1)^175.
10 GAZ, RA001-137, p.16-18.
11 GAZ, AAZ01-4347.
LEZINGENCYCLUS ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING IN 1987:
11 ASPECTEN VAN DE MODERNE DEVOTIE "
In het najaar van 1987 zal herdacht worden dat 600 jaar geleden
te Windesheim een klooster gesticht werd om de instandhouding
en bescherming van de Moderne Devotie te waarborgen. Deze door
Geert Grote gegrondveste religieuze beweging streefde naar een
zuivere geloofsbeleving en een zuiver en praktisch leven in navolging
van Christus. In korte tijd breidde deze beweging zich
over heel Europa uit. Het centrum ervan bleef, vooral door de
activiteiten van het klooster te Windesheim, in de IJsselvallei
liggen. Het nabijgelegen Zwolle ondervond ook de invloed van de
Moderne Devotie. In de stad (tussen de huidige Papen- en Praubstraat)
en erbuiten (op de Agnietenberg) vestigden zich broederschappen
van Moderne Devoten.
In 1984 werd ter gelegenheid van de herdenking van de 600-ste
sterfdag van Geert Grote reeds een boekje door de Zwolse Historische
Vereniging uitgegeven. Voor deze laat-middeleeuwse religieuze
herleving bestaat nog steeds veel belangstelling. Het
bestuur van de Zwolse Historische Vereniging organiseert daarom
in 1987 vier lezingen rond dit thema.
Pater R.Th.M. van Dijk uit Nijmegen zal spreken over de Windesheimer
kloostercongregatie. De heer R. van Beek uit Zwolle zal
de opgravingen bespreken die in 1986 plaatsvonden in een deel
23
van de Zwolse vestiging van de Moderne Devoten in de Praubstraat.
Mevrouw drs. M.L. Caron uit Utrecht zal spreken over de
religieuze voorstellingswereld van de broeders des gemenen levens,
zoals de Moderne Devoten ook wel genoemd werden. Mevrouw
drs. L.S. Wierda uit Groningen zal de zogenaamde Agnietenbergse
verluchtkunst belichten. De broeders op de Agnietenberg voorzagen
onder andere met dit versieren van handschriften in hun
levensbehoeften.
Nadere aankondiging van de verschillende lezingen volgt.
TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
- begin maart 87 Onze Lieve Heer van zolder
Bijbelse voorstellingen zoals de
aankondiging van de geboorte van
Christus, het laatste oordeel e.d.,
geschilderd in de 16e t/m 19e eeuw.
- begin maart 87
- tm 1 maart 87
12.03.87-26.04.87
Vriendschappelijke herinneringen
Alba amicorum uit eigen bezit
Vrienden schreven, tekenden en borduurden
in het album amicorum, een
voorloper van het huidige poëziealbum.
Marokko veraf en dichtbij
Een educatieve fototentoonstelling
aangevuld met diverse objecten
(onderdeel van het Zwolse Kultuur-
Anders-project)
Kunst of Kunde
Werk van docenten verbonden aan de
opleidingseenheid tekenen-handvaardigheid
van de Christelijke
Lerarenopleiding Zwolle, die midden
maart 1987 opgenomen gaat worden in
de nieuwe Hogeschool Zwolle, een
samenvoeging van meerdere opleidingen
van Hoger Beroeps Onderwijs.
24
maart t/m juli 1987 De Zwolse mummie
mei t/m juli 1987 Een tentoonstelling over binnenscheepvaart
i.v.m. de opening van
een nieuwe haven aan het Zwartewater
te Zwolle en een congres van
de Vereniging Schuttevaer.
begin augustus 1987 Kermistentoonstelling
Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon
van hun ledenkaart gratis toegang tot het museum. Dit geldt ook
voor huisleden van de vereniging (jaarcontributie huisleden:
ƒ 7,50: nadere informatie bij de ledenadministratie).
Het museum is geopend van dinsdag tot en met zaterdag van 10.00
tot 17.00 uur; zondag van 14.00 tot 17.00 uur.
Het adres van het museum is Voorstraat 34, 8011 ML Zwolle.
Telefoon: 038 - 214.650.
PERSONALIA
Korte beschrijving van de auteurs, die aan deze uitgave
van het Zwols Historisch Tijdschrift meewerkten
Jaap Hagedoorn (geboren 1960) voltooide onlangs zijn studie geschiedenis
aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Heeft al meerdere
publicaties op het gebied van de Zwolse, Overijsselse en
joodse geschiedenis op zijn naam staan.
Willy van der Most (geboren in 1961) voltooide de opleiding aan
de Bibliotheek en Documentatie Academie en studeert thans Historische
Pedagogiek aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen.
Peter Boer (geboren in 1961) verrichtte in het kader van zijn
studie bouwkunde aan de H.T.S. een onderzoek naar de haalbaarheid
van restauratie van het Zwolse Vrouwenhuis. Het artikel
is een bewerkte samenvatting van het historisch onderzoek dat
voor dit afstudeerproject werd verricht.
De auteur is in tijdelijke dienst werkzaam bij de afdeling Monumentenzorg
van de gemeente Zwolle, alwaar hij zich bezig
houdt met inventarisatie en documentatie van bestaande bebouwing.
BESTUUR:
voorzitter:
J . Hagedoorn
secretaris:
R. Salet
penningmeester:
H. Brassien
Leden:
R.T. Oost
B.H. Edel
Tyassenbelt 28, Zwolle
Sellekamp 32, Zwolle
Brederostraat 76, Zwolle
Jellissenkamp 2, Zwolle
SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE:
Postbus 1448
REDACTIE-ADRES:
Boddemate 14
GIROREKENING:
8001 BK Zwolle
8014 JH Zwolle
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging te
LIDMAATSCHAP:
Zwolle
Jeugdleden, studenten en 65-plus
leden tussen 21 en 65 jaar
huisleden
f 2 5 , — per jaar
ƒ 3 5 , — per jaar
f 7,50 per jaar
type&layout: henk brassien(OLIVETTI-LIVIUS / 90%)
druk: adm.centrum 'De Sassenpoort' - Zwolle
omslag: "SWOLLA", kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden
"T- r
vï"-' ••'-'• . '•
1
A/VNA
7WVl
M^MMK
N
onder redactie van:
I. Wormgoor
A. van der Wurff
Zwolle 1987
2 / 6
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
_ x TW 8011 VN ZWOLLE
J. ten Hove 038-4214314
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Hove, J. ten
De Zwolse mummie / auteur J. ten Hove ; red. I. Wormgoor en
A. van der Wurff. - Zwolle : Zwolse Historische Vereniging : Provinciaal
Overijssels Museum. - 111., foto's
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-06-7
SISO 922.1 UDC 393.3
Trefw.: mummies.
Colofon
Deze publicatie is een gezamenlijke uitgave van het Provinciaal Overijssels Museum
en de Zwolse Historische Vereniging. Het is tevens nummer twee van de vierde jaargang
(1987) van het Zwols Historisch Tijdschrift.
Omslag: R. Vink (Educatieve dienst van 't POM). Het ontwerp is ontleend aan de
hiërogliefen uit het Dodenboek, dat zich op de muren van een graf in Thebe bevindt
en waarin aanwijzingen worden gegeven over de te bewandelen weg naar de eeuwigheid.
Druk: Administratie- en dienstencentrum "De Sassenpoort", Zwolle.
Copyright © 1987 't POM en de Z.H.V.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door
middel van druk, fotocopie, microfilm of op andere wijze, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgevers.
Woord vooraf
Oudere Zwollenaren zullen zich nog iets kunnen herinneren van één van de
merkwaardigste voorwerpen die het Provinciaal Overijssels Museum in zijn collectie
heeft gehad, namelijk een Egyptische mummie. Bij röntgenfotografie in 1955 bleek,
dat de mummie over meer botten beschikt dan een menselijk skelet behoort te hebben.
Voor velen was het een interessante vraag hoe de mummie in 't POM terecht
was gekomen. Het antwoord leek in de vijftiger jaren te zijn, dat een Zwolse dominee
die prinses Marianne in 1849 had begeleid op een reis naar Egypte, de mummie
mee naar huis had gebracht.
In 1986 raakte drs. Jan ten Hove, werkzaam bij het Rijksarchief in de provincie
Overijssel, in het kader van een breder onderzoek naar de Zwolse musea in de negentiende
eeuw, geboeid door de vele onbeantwoorde vragen rond de mummie. Het
onderwerp was een nader onderzoek waard. Hierbij bleek al spoedig, dat op de
vraag naar de herkomst meerdere antwoorden mogelijk waren.
De Zwolse Historische Vereniging en het Provinciaal Overijssels Museum
besloten tot de gezamenlijke uitgave van het intrigerende verhaal van de Zwolse
mummie. Het Rijksarchief verdient dank omdat de auteur in het kader van zijn archiefwerkzaamheden
de gelegenheid kreeg dit onderzoek te verrichten. Rond het
mysterieuze voorwerp organiseerde 't POM een kleine tentoonstelling (7 maart - begin
augustus 1987).
De redactie
DE ZWOLSE MUMMIE
Een mummie in een provinciaal museum is een zeldzaam verschijnsel. Gezien
de doelstelling van provinciale en regionale musea, die zich hoofdzakelijk richten op
het bijeenbrengen en tentoonstellen van voorwerpen die een directe relatie met het
eigen gewest en de eigen streek hebben, kan men nauwelijks verwachten in een dergelijk
museum een Egyptische mummie aan te treffen. Toch kon nog niet zo lang geleden
een bezoeker van het Provinciaal Overijssels Museum, naast de grotendeels in
diverse stijlkamers ondergebrachte objecten uit de historie van Overijssel, in de oudhedenkamer
een mummie bewonderen.
In het navolgende verhaal wordt ingegaan op de vraag welke rol 'de oudste inwoner
van Zwolle' vervulde binnen de collectie van het museum, waarbij een stukje
museumgeschiedenis ter sprake komt. In het kort wordt aandacht besteed aan enkele
aspecten rond mummies en mummificatie. Ook komt een aantal opmerkelijke feiten
over de datering en de herkomst van de Zwolse mummie aan bod, die geheel
recht doen aan de mysterieuze sfeer, waarmee de gebalsemde lichamen van inwoners
van het oude Egypte geassocieerd worden. We volgen de discussie tussen een paar
mummie-experts over de datering en gaan in verband met een speurtocht naar de
herkomst van de Zwolse mummie in het gezelschap van twee Overijsselse reizigers
mee naar Egypte.
Het museum en de mummie
In 1955 werd, nadat de mummie door een merkwaardige ontdekking sterk in de
belangstelling was komen te staan, de vraag gesteld of dit voorwerp eigenlijk wel op
zijn plaats was in het Provinciaal Overijssels Geschiedkundig Museum, zoals het
toen nog werd genoemd. De directeur, J.W. Schotman, maakte in zijn antwoord op
deze vraag duidelijk, een ruime taakstelling na te streven voor zijn "museum van
voorwerpen betreffende de geschiedenis, kunst en oudheidkunde, in het bijzonder
van Overijssel."1
Naar zijn idee had een historisch museum tot taak "een cultuurhistorisch beeld
te geven van het leven onzer voorouders vanaf de vroegste tijden, en waar de ontwikkelingsgang
van de mens loopt van de praehistorie . . . kan het zin hebben, de locale
Overijsselse geschiedenis te tonen in verband met oudere perioden. Immers tot
in onze dagen werken deze oude culturen nog na in wetenschap en kunst." Een
waarheid als een koe, maar aan het feit dat op deze wijze een provinciaal museum
met een uit de aard der zaak beperkte doelstelling een pakhuis van uit alle werelddelen
bijeengesleepte voorwerpen kan worden ging Schotman gemakshalve voorbij.
Hetzelfde geldt voor zijn tweede argument, dat dergelijke objecten getuigen van de
reislust van onze voorvaderen en als zodanig in een historisch beeld passen.
Het is moeilijk aan de indruk te ontkomen dat deze twee argumenten een dekmantel
vormden voor het werkelijke en niet onbelangrijke argument dat exotische
voorwerpen zoals mummies een grote aantrekkingskracht uitoefenen op bezoekers
die anders niet zo snel over de drempel van een museum zouden stappen. Schotman:
"Eenmaal daar, leren ze ook het andere kennen en waarderen. Elk museum heeft nu
eenmaal behoefte aan dergelijke paradepaardjes."2
Mummies en mummificatie
Inderdaad gaat van de confrontatie met de in windsels gewikkelde stoffelijke
resten van mensen die duizenden jaren geleden geleefd hebben voor een groot publiek
een fascinerende bekoring uit. Deze bekoring wordt niet in de laatste plaats
veroorzaakt door de tot macabere hoogten gestegen reputatie van mummies. Deze
sinistere reputatie wordt enerzijds in de hand gewerkt door de onuitroeibare verhalen
over de 'vloek van de farao', waarvan alle personen die betrokken waren geweest
bij de verstoring van de eeuwige rust van Toetankamon het slachtoffer geworden
zouden zijn, en komt anderzijds voort uit de vele griezelverhalen in boeken en films,
waarin tot leven gekomen mummies dood en verderf zaaien.
In werkelijkheid getuigt elke Egyptische mummie van een beschaving die vervuld
was van de gedachte dat het leven op aarde in het hiernamaals op plezierige wijze
voortgezet zou worden. Een goede voorbereiding op dit 'tweede leven' was van
groot belang en iedere bemiddelde Egyptenaar beijverde zich tijdens zijn leven een
graf in gereedheid te brengen waarin hij, omringd door alles wat hij nodig dacht te
hebben, op een aangename wijze de eeuwigheid kon doorbrengen. Maar zonder een
woonplaats voor wat de Egyptenaren als de ziel zagen, was een leven na de dood ondenkbaar.
Teneinde de meest geëigende woonplaats, het lichaam, voor ontbinding
te behoeden werd mummificatie toegepast.3
Herodotos' beschrijving van het balsemen
Voor een beschrijving van de wijze waarop een lichaam gemummificeerd werd,
kunnen we het beste de Griek Herodotos aan het woord laten, die omstreeks 460-455
voor Christus in Egypte heeft rondgereisd. Niet alle verhalen in zijn reisverslag zijn
even betrouwbaar, maar recent onderzoek heeft aangetoond dat, hoewel de uitdroging
van het lichaam door het te overdekken met natron slechts 40 dagen in beslag
neemt, zijn weergave van de gevolgde procedure bij het balsemen grotendeels juist
is.4 Hij beschreef drie verschillende wijzen van mummificatie en begon met de meest
kostbare methode:
"Eerst halen ze (de balsemers) met een ijzeren haak de hersenen door de neusgaten naar buiten,
gedeeltelijk ook door medicamenten erin te gieten. Dan maken ze met een scherpe Aithiopische
steen een snede in de buikwand en halen alle ingewanden eruit, reinigen de buikholte, spoelen die
met palmwijn en strooien fijngewreven specerijen erin. Vervolgens vullen ze de buikholte op met
zuiver mirrepoeder, kasia en andere reukwerken, maar geen wierook, en als hij vol is, naaien ze
hem weer dicht. Nadat ze dit gedaan hebben, leggen ze het lijk in natron waarin ze het 70 dagen
laten liggen; langer mag niet. Als de 70 dagen verstreken zijn, wassen ze het lijk en omwikkelen
het van top tot teen met gesneden repen byssos weefsel, die ze met een beetje gom inwrijven, dat
de Egyptenaren meestal als lijm gebruiken. Daarna nemen de familieleden het over: zij laten een
mensvormige houten kist maken, waarin ze het lijk opsluiten. Als dan de kist gesloten is, wordt
hij bijgezet in een grafkamer, rechtopstaand tegen de wand.
Op deze wijze behandelen ze de lijken, als de kostbaarste methode wordt gekozen. Wie terugschrikt
voor de kosten en dus de middelste klasse kiest, krijgt de volgende behandeling.
De balsemers vullen hun spuiten met olie van de cederboom en vullen daarmee de buikholte
zonder deze open te snijden of de ingewanden eruit te halen, maar ze spuiten de olie door de aars
naar binnen en beletten deze eruit te stromen en leggen het lijk het voorgeschreven aantal dagen in
de natron. Op de laatste dag laten ze de ingespoten olie weer uit de buikholte weglopen. Die olie
heeft het vermogen om de maag en ingewanden op te lossen en deze bij het uitstromen mee naar
buiten te voeren. De natron evenwel lost het vlees op en zo blijft van het lijk slechts de huid en de
beenderen over. Na dit gedaan te hebben leveren ze het lijk af zonder er verder iets aan te doen.
De derde wijze van balseming vindt toepassing bij de behoeftigen. Daarbij wordt de buikholte
uitgespoeld met ramenaswater en het lijk blijft 70 dagen in de natron en wordt daarna afgehaald."
5
Herodotos beschreef de situatie toen de oude Egyptische beschaving in een
eindstadium was aangeland, maar gedurende een groot deel van de ruim drieduizend
jaar - vanaf ca. 2700 voor Christus tot ca. 400 na Christus - dat in Egypte stoffelijke
overschotten werden gemummificeerd, vond in essentie het prepareren van de lichamen
plaats volgens bovenstaande methoden.
Grafrovers, kooplieden en verzamelaars
Veel kans om in alle rust van hun 'tweede leven' te genieten kregen de meeste
Egyptenaren niet. Al in het oude Egypte werden de graftombes opengebroken door
dieven en rovers, aangelokt door de kostbaarheden die de overledene een comfortabel
bestaan in het hiernamaals moesten verzekeren. Ook de lichamen zelf werden
niet ontzien. De mummies werden geplunderd en in stukken gebroken vanwege de
kostbare amuletten die tussen de windsels werden geplaatst.
In de middeleeuwen werden mummies een geliefd handelsprodukt, aanvankelijk
voornamelijk in gemalen vorm. De geneeskrachtige uitwerking die van het gebruik
van mummiepoeder werd verwacht leidde tot een levendige handel in deze
merkwaardige substantie. Graven werden massaal leeggehaald en het gemummificeerde
mensenvlees kwam op de markt in Cairo terecht, "waar", aldus een Arabische
dokter in 1203, "het voor een habbekrats te koop is. Voor een halve dirhem
kocht ik drie hoofden gevuld met de substantie."6 Buitenlandse kooplieden kochten
het poeder in grote hoeveelheden op en maakten enorme winsten met de export naar
Europa.
De wetenschappelijke opbloei tijdens de renaissance, waarbij de opleving van
de studie van de klassieke literatuur een grote rol speelde, gaf aanleiding tot het gretig
verzamelen van voorwerpen uit de oudheid. In de curiositeitenkabinetten, bijeengebracht
door particuliere verzamelaars en universiteiten, werden behalve objecten
uit de Romeinse en Griekse geschiedenis Egyptische beeldjes en mummies hogelijk
op prijs gesteld.7 In het kabinet van anatomie en rariteiten van de Leidse universiteit
was al sinds 1622 een collectie Egyptische voorwerpen, waaronder mummies, aanwezig.
8
De in militair opzicht mislukte bezetting van Egypte door Napoleon, die in 1798
begon en slechts drie jaar zou duren, bevorderde in Europa de interesse in de Egyptische
cultuur. De Franse wetenschappers die in het kielzog van de soldaten meetrokken,
legden hun bevindingen vast in de 24 delen van de Description de l'Egypte, verschenen
tussen 1809 en 1813, dat de grondslag legde voor de nieuwe studie egyptologie
en de belangstelling voor deze fascinerende cultuur sterk aanwakkerde . Een rage
in Egyptische oudheden en curiosa ontstond in Europa. Diplomaten, kooplieden en
toeristen wedijverden met elkaar om de spectaculairste collecties antiquiteiten te verzamelen.
Mummies speelden in deze verzamelwoede een hoofdrol. In 1833 merkte
een bezoeker tegen Mohammed Ali, de heerser over Egypte, op "dat het haast onfatsoenlijk
was uit Egypte naar Europa terug te keren zonder een mummie in de ene
en een krododil in de andere hand."9
Een mummie met vier benen
Veel van deze mummies zijn in musea terechtgekomen, waar ze hun dagen
doorbrengen met het trotseren van de nieuwsgierige blikken van de bezoekers, die
zich afvragen welke raadselen onder de windsels verborgen zitten. De raadsels die
'de mummie van Zwolle' met zich mee bleek te dragen overtroffen echter de stoutste
verwachtingen.
Tot 1955 was de Zwolse mummie een bron van onbeantwoorde vragen. Over de
datering of de herkomst kon niets met zekerheid gezegd worden. Het was zelfs niet
eens zeker of men wel met een echte mummie of met een produkt van de Egyptische
toeristenindustrie te maken had. Door de grote vraag naar mummies in de negentiende
eeuw hadden handelaars al snel door dat ze ook met vervalsingen goede zaken
konden doen. In 1837 schreef een zekere Scott: "Want de gretigheid waarmee allerlei
rommel door reizigers wordt verkocht, maakt de handel erin bijzonder winstgevend
en biedt alle mogelijkheden tot bedrog, omdat de vervaardiging van mummies
wordt aangemoedigd."10 Op suggestie van Lili Kaelas, directrice van het Historisch
Museum te Stockholm, werd in mei 1955 besloten de mummie röntgenologisch te
laten onderzoeken en zekerheid over de authenticiteit te krijgen. Het onderzoek
werd uitgevoerd door de röntgenoloog van het Sophiaziekenhuis te Zwolle en hetgeen
de röntgenfoto's onthulden was op zijn minst verbazingwekkend te noemen.
Aan de echtheid van de mummie viel niet te twijfelen: het skelet was wel degelijk
uit menselijke botten samengesteld. Maar de wijze waarop het skelet, dat duidelijk
mannelijke kenmerken vertoonde, was samengesteld wekte in hoge mate bevreemding
op. Van de schedel was de bovenkaak gedeeltelijk verdwenen. De onderkaak
was gebroken en bevatte nog enkele tandresten. Het rompgedeelte was een wirwar
van door elkaar liggende beenderen, waaronder twee bovenbeenbotten die midden
in de borstholte lagen. Het bekken was niet aanwezig en behalve enkele resten
van halswervels waren nergens wervellichamen te zien. Het gemis van deze onderdelen
werd echter ruimschoots gecompenseerd door de grootste verrassing die de
mummie in petto had: de aanwezigheid van een extra stel boven- en onderbenen!"
Deze ontdekking leidde, toen de media er lucht van kregen, tot een stroom van
publiciteit. Krantenkoppen als "opzienbarende mummie in Zwolle"12 en "mummie
met vier benen"13 zetten het museum in het middelpunt van de belangstelling. Het
bezoekersaantal nam sterk toe: in de maanden juni, juli en augustus 1955 passeerden
2726 bezoekers de kassa, ruim twee maal zoveel als in het gehele voorgaande
jaar.14
Discussie over datering
Nadat de aanvankelijke verbazing over de samenstelling van het inwendige van
de mummie was verdwenen, werd een antwoord gezocht op de vraag hoe deze merkwaardige
ontdekking verklaard kon worden. Op advies van het Rijksmuseum voor
Oudheden in Leiden werd door Schotman contact gezocht met twee Britse deskundigen:
prof. dr. W.R. Dawson, een egyptoloog die een aantal publicaties over mummies
op zijn naam had staan, en prof. dr. D.E. Derry, een anatoom die aan de universiteit
van Cairo had gedoceerd en betrokken was geweest bij het onderzoek van
een aantal koningsmummies. Dat het met 'de vloek van de farao' niet zo'n vaart
liep, bewijst het feit dat Derry in 1955 al 80 jaar op deze aardbodem rondliep. Hij
had immers in de twintiger jaren de meest vergaande daad van mummie-schennis
verricht door de autopsie op de mummie van Toetankamon uit te voeren.15
Dawson kwam, na de röntgenfoto's en een foto van het uiterlijk van de mummie
te hebben bestudeerd, tot de conclusie dat het hier gaat om een door grafrovers
beschadigde en geplunderde mummie, die in de oudheid weer is gerestaureerd. De
afwezigheid van juwelen en amuletten binnen de windsels lijkt deze theorie te bevestigen.
De over-compleetheid van het skelet was volgens Dawson te wijten aan het
feit dat de mummie in een tombe met meerdere lichamen heeft gelegen, waardoor
bij het opnieuw wikkelen een fout is gemaakt. Restauratie van dusdanig beschadigde
mummies vond alleen plaats bij personen van koninklijke of hoge afkomst. Dawson
beschreef: "Ik heb nog nooit gehoord dat de mummie van iemand van gewone
komaf op een dergelijke wijze werd hersteld." Naar zijn mening duidt de manier
waarop de mummie is gewikkeld op een periodisering in de 19e of 20e dynastie (ca.
1320-1085 voor Christus) en heeft de restauratie tijdens de 21e dynastie (ca. 1085-
945 voor Christus) plaatsgevonden. Hij heeft de röntgenopnamen doorgestuurd
naar een anatoom, teneinde meer te weten te komen "over het persoon aan wie de
meerderheid der botten toebehoren."16
Derry deelde Dawsons mening dat de mummie het slachtoffer is geworden van
grafrovers, maar hij geloofde aanvankelijk dat de mummie afkomstig is uit de Ptolemeïsche
periode (323-30 voor Christus), een tijd waarin veel aandacht werd
besteed aan het uiterlijk van de mummie, maar de inwendige verzorging sterk te
wensen overliet.17 Nadat hij echter een foto had gezien van het uiterlijk van de
mummie liet hij deze mening vallen. De mummie dateert zeker van voor de Ptolemeïsche
tijd, maar een precieze periodisering durfde hij niet te geven. Zonder verwijdering
van de wikkels en bestudering van de gevolgde preparatiemethode was dit
volgens hem onmogelijk.18
Waren de heren het op wetenschappelijk gebied niet met elkaar eens, op menselijk
gebied vertoonden ze een duidelijke overeenkomst: ze waren snel geprikkeld.
Dawson meldde dat hij een zeer interessant verslag van de door hem geraadpleegde
anatoom had ontvangen, maar omdat Schotman niet snel genoeg op zijn vorige
brief had gereageerd schreef hij kwaadaardig: "Ik neem dus aan dat de hele zaak u
niet langer interesseert en ik heb daarom het verslag maar niet opgestuurd . . ." '9 En
Derry schreef toen hij het gevoel kreeg dat aan zijn kennis werd getwijfeld: "Ik ben
een anatoom en geen egyptoloog, maar gedurende de 38 jaar dat ik in Egypte heb
De Zwolse mummie, daterend uit de 19e of 20e dynastie (ca. 1320 - 1085 v.
Chr.) of uit de Ptolemeïsche periode (323 - 30 v. Chr.).
(Provinciaal Overijssels Museum).
gewerkt ben ik in contact geweest met alle egyptologen, . . ., en weet dus wel iets
over dit onderwerp."20
Door diep in het stof te kruipen wist Schotman de heren weer tot bedaren te
brengen en hun hulp te verkrijgen bij het ontcijferen van Egyptische decoratieve
motieven en hiërogliefen die bij het schoonmaken van de windsels te voorschijn waren
gekomen. Hoewel de fragmenten erg vaag waren, werd aan hen een zwartwitfoto
toegestuurd. Voor het wat verfomfaaide uiterlijk van de mummie gaf Schotman
de volgende verklaring: ". . . (de mummie) heeft vele jaren in een gebouw
gestaan dat tevens als school dienst deed en is door de schooljongens nogal mishandeld
zodat het zelfs mogelijk is dat botten door een gat in de windsels naar buiten
zijn getrokken . . ."2I
In het door een nu weer bereidwillige Dawson opgestuurde verslag van de anatoom,
prof. dr. A.J.E. Cave, werd gewezen op de extreme slijtage van de tanden.
Dit is bij vrijwel alle wetenschappelijk onderzochte mummies aangetroffen en wordt
verklaard door het feit dat het meel, waarmee het brood in het oude Egypte werd gebakken,
vermengd was met allerlei zand-, stof-, en grinddeeltjes en zo de werking
van schuurpapier kreeg.22 De macabere conclusie van het rapport luidt: "Een
'mummie' vervaardigd door het opnieuw wikkelen van een afgebroken en zwaar
verminkt hoofd, twee armen zonder handen en twee paar benen (één paar zeker met
kracht van de oorspronkelijke romp afgerukt). Overduidelijk anatomisch bewijs
van mummie-schennis bij grafplundering en van officiële 'reddings'-werkzaamheden."
23
De door Derry te hulp geroepen prof. Brian Emery, hoogleraar in de egyptologie
aan het University College te Londen, had aan de toegestuurde zwart-witfoto
niet genoeg om tot een oordeel te komen.24 Dawson gaf echter een interessante mening
over de beschildering. Volgens hem maken deze fragmenten deel uit van de zogenaamde
cartonnage, het laatste omhulsel rond de mummie, dat vervaardigd werd
door om de mummie heen repen in vloeibaar gips gedrenkt linnen aan te brengen.
Dit omhulsel werd, nadat het gips hard was geworden, beschilderd. Met de cartonnage
op 'de Zwolse mummie' is ook iets merkwaardigs aan de hand. Dawson beweerde
dat deze van veel latere datum is dan de mummie zelf! De afbeelding van
sandalen op het gedeelte dat de voeten bedekt wijst erop dat de cartonnage uit de
Ptolemeïsche of Romeinse tijd afkomstig is. Aangezien Dawson er vast van overtuigd
was dat de mummie niet later dan de 21e dynastie is te dateren, waren volgens
hem deze fragmenten van een andere mummie afkomstig. Waarschijnlijk is dat
door de plaatselijke handelaar gedaan waar dit exemplaar was gekocht.25
Hoewel Schotman de beide heren nog beloofde een gekleurde tekening van de
fragmenten toe te sturen, schijnt het daar niet meer van gekomen te zijn. De correspondentie
eindigt met deze toezegging.
De meest recente mening over de datering van de mummie komt van de heer
T.H.M. Falke uit Leiden, een radiodiagnost die zich ook met mummie-onderzoek
heeft beziggehouden. Volgens hem is de mummie wel degelijk afkomstig uit de Ptolemeïsche
periode en is van 'mummie-schennis bij grafplundering' en latere restauratie
geen sprake, maar zijn de extra beenderen en de slechte toestand van het skelet
te wijten aan het feit dat in deze tijd de balsemers niet erg zorgvuldig met de hen toevertrouwde
lichamen omsprongen. Het restant van de cartonnage op de mummie is
afkomstig uit de Ptolemeïsche tijd en het is, aldus Falke, niet meer dan logisch te
veronderstellen dat de mummie zelf ook in deze tijd, waaruit meer voorbeelden van
mummies met extra beende