Categorie

Jaartal

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 2000

Door 2000, Zoek in ons tijdschrift

Elie Denneboom –
Hoofd der joodse school
P R I J S F 1 2 , 5 0
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
reeniging (Union postale universelle)
DRUKWERK
Gemeente
Zwolle,
archief
Zwolle ‘• ln U’Oudu Gaper, Diczcrstraat -^.
Ansichtkaart In d’Oude Gaper, Diezerstraat
Poststempel 28 december 1911
‘B.T.
We komen wel een beetje vroeg met onze wenschen
maar daarom zijn ze niet minder goed gemeend, dat
1912 veel gelukkigs voor jullie weggelegd heeft hopen
we van harte. Vandaag waren Moe en ik in Almelo
en heeft Zus ons heerlijk voort geholpen. Wil je
Martha wel bedanken voor de attentie op m’n jaardag?
Van ons allemaal hele hartelijke groeten aan
Moeder, Martha en de jongens en jij een zoen van
Keegie(?), Debbie en Lia.
Kom je in 1912 nog eens met je moe bij ons?’
In 1911 was drogisterij De Oude Gaper al bijna 130
jaar in hetzelfde pand in de Diezerstraat (nr. 14)
gevestigd. Daarvoor zat er een kaarsenmakerij,
annex grutterszaak. In 1785 kwam er een nieuwe
eigenaar die de zaak uitbreidde met drogerijen. De
eigenaren van de drogisterij waren steeds aan
elkaar verwant. In 1911 werd de zaak gedreven door
J. ten Doesschate. Toen deze in 1916 overleed werd
hij opgevolgd door zijn schoonzoon J.S. Piquet,
de eerste van drie generaties Piquet die ruim
zeventig jaar aan de drogisterij verbonden bleven.
De familie Piquet handhaafde het originele gezicht
van de winkel, waardoor deze steeds meer een bijzonderheid
werd. Toen de drogisterij begin jaren
negentig dreigde te verdwijnen, ontstond er spontaan
een actiecomité tot behoud.
Onder voorwaarde dat het vertrouwde uiterlijk
gehandhaafd werd, was er van 1992 tot 1996 een
Trekpleister filiaal gevestigd. Daarna werd het een
Benetton winkel, waarmee De Oude Gaper (voorlopig?)
zijn drogisterijbestemming verloor, maar
het oude karakter is nog herkenbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In dit nummer worden veel herinneringen opgehaald.
Ank Meliesie-Appelhof liep als jong meisje
door de weilanden naar Herfte. Zij heeft voor de
naam ‘Kindertjesweilanden’ een waarschijnlijk
juistere verklaring dan ons redactielid Wil Cornelissen.
Deze beweert dat de naam komt van de ooievaars
die daar de kindertjes neerlegden. Verder
komen herinneringen aan kinderspelen en warme
familieverhalen naar boven.
Nog meer herinneringen, maar dan aan de
bezettingstijd spelen een grote rol in het verhaal
van Willem Boxma. Wat weet hij nog van de Duitse
militair die in zijn huis werd ingekwartierd?
Een triest verhaal – over de joodse Zwollenaar
Elie Denneboom – is van de hand van Iet Erdtsieck.
Bij alle artikelen over rechtsherstel die de
laatste tijd gepubliceerd worden, kan nu ook dat
van Elie Denneboom en zijn gezin worden
gevoegd.
Een ansichtkaart, boekbesprekingen en een
reactie van Jan Drentje op een eerdere boekbespreking
completeren deze maal het tijdschrift.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en wim Huijsmans 2
Herinneringen (3) J.A.M. Meliesie-Appelhof 4
Willy Arsenault Wil Cornelissen 10
Zwolle’s bange dagen. Wat ik nog weet van Zwolle ’40-’45
Willem Boxma 11
Elie Denneboom – Hoofd der joodse school
Iet Erdtsieck 23
Boekbesprekingen 29
Mededelingen 32
Auteurs 34
Omslag: Geallieerde vliegtuigen vliegen over Zwolle naar Duitsland.
Deze foto van de ‘schrijvende vliegtuigen’ is in november 1943 gemaakt.
(Stichting Collectie Zwolle 1940-1945)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (3)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
De tuin van Eekhout
was een geliefde bestemming
voor een wandeling
met kleine kinderen
vanuit de Oude Vismarkt
(particuliere collectie).
Natuur
In de loop der jaren is er heel wat natuur uit
Zwolle verdwenen. Toen de stad zich uitbreidde,
zijn veel weilanden volgebouwd met huizen
en andere gebouwen. Zo is achter de Isala klinieken,
locatie Sóphia (zoals het vroegere Sophia-
Ziekenhuis tegenwoordig heet), nog maar weinig
overgebleven van de voormalige Kindertjesweilanden.
In die weilanden heb ik als meisje veel tijd
doorgebracht met vriendinnetjes.
De Kindertjesweilanden (deze naam zou te
maken hebben met de eigenaar van de grond, het
Hervormd Weeshuis) waren vrij groot. De velden
begonnen achter de De Genestetstraat en de Bilderdijkstraat
en liepen door tot aan Herfte. De
graslanden werden doorsneden door sloten, waar
je via vlondertjes overheen kon. Die vlondertjes
bestonden uit één enkele plank met een leuning.
Er bloeiden veel bloemen. We plukten regelmatig
boterbloemen, pinksterbloemen en dotterbloemen
en die namen we mee naar huis voor
onze moeders. Zij deden altijd alsof ze daar erg blij
mee waren en zetten ze in een vaas.
’s Zomers graasden er koeien en lag het gras
vol koeienvlaaien, waar we met een stok in roerden
en ook wel eens per ongeluk in trapten. In mei
zochten we kievitseieren; niet om mee te nemen,
maar alleen om naar te kijken. Die eieren waren
moeilijk te vinden, want de kieviten trachtten de
indringers luidkeels op een verkeerd spoor te zetten.
In de sloten krioelde het van de beestjes. Er
waren waterspinnen, kikkers, salamanders, waterjuffers
en veel andere amfibieën en insecten. Met
een leeg emmertje met een handvat, waaraan we
een touw hadden vastgemaakt, gingen we vaak
donderpadjes – zoals wij de kikkervisjes noemden
– vangen. Ik heb er heel wat mee naar huis genomen
en in een ronde glazen kom gegooid. De
milieuactivisten griezelen daar tegenwoordig van,
maar in die tijd wist je niet beter. Een enkele keer
namen we salamanders mee.
Ik herinner me niet dat er ooit één van de diertjes
die we meenamen, is doodgegaan. We gooiden
ze na een tijdje terug in de sloot. De donderpadjes
kregen eerst achterpootjes. Ik heb nooit
meegemaakt, dat ze voorpootjes kregen en kikkertjes
werden. Dat duurde me te lang. Voor die tijd
had ik ze allang de vrijheid gegeven!
Achter het Weezenland, het Jaagpad en de
Assendorperdijk strekten zich ook weilanden uit.
In het najaar werden die onder water gezet en als
het vroor deden ze dienst als ijsbaan. Daar groeiden
kievitsbloemen. Een enkele keer namen we
die paarse, gestippelde bloemen wel eens mee,
maar dat was geen succes. In een vaas gingen ze
onmiddellijk hangen.
Als het niet regende waren we in de vakanties
de hele dag buiten: in het zwembad of in de vrije
natuur. En in mijn herinnering scheen de zon bijna
elke dag!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wandelen
Wandelen is nooit mijn favoriete vrijetijdsbesteding
geweest. Lopen langs smalle bospaadjes of
langs het strand vind ik heerlijk, maar om door de
straten te wandelen is voor mij een noodzakelijk
kwaad. Je schiet niet op!
Op zon- en feestdagen trok menig gezin vroeger
de wandelschoenen aan. Ook mijn zus en ik
gingen met onze ouders op zondagmiddag op
pad. We liepen door de Kindertjesweilanden naar
Herfte en via de Wipstrikkerallee terug. Ik slofte
achteraan of rende vooruit. Mijn vader droeg een
gleufhoed, zoals alle vaders in die tijd en zwaaide
met een wandelstok, die ik ook wel eens mocht
vasthouden. Ook moeder droeg een hoed. Wij
hadden onze zondagse jurk aan – die tot ‘daagse
jurk’ werd gebombardeerd als er een nieuw exemplaar
was gemaakt – en smetteloze witte sokjes, die
bij mij nooit lang smetteloos bleven. Ook mijn
schoenen hadden al gauw kale neuzen, want ik
schopte tijdens die saaie wandelingen overal
tegenaan. Zo nu en dan gingen we naar het Engelse
Werk. We namen dan brood mee voor de karpers,
die we vanaf de bruggetjes voerden. Ze kwamen
met hun grote bekken boven water en hapten
de brokken in één keer op.
Toen ik klein was en wij nog op de Oude Vismarkt
woonden, ging mijn moeder met mij naar
de Tuin van Eekhout. Daar was een grote volière
met vogeltjes. Verder was en een grote zandbak,
waar ik helaas niet in mocht spelen, want dat was
vies.
In die tijd ging je bijna overal lopend naartoe.
We wandelden bijvoorbeeld naar oma of naar een
tante. Op die wandelingen nam ik altijd mijn ‘fantasie-
hondje’ mee. Vanaf het moment dat ik kon
schrijven, stond bovenaan mijn verlanglijstje ‘een
hond’. Ik heb er echter nooit één gekregen, want
mijn ouders hielden niet zo van huisdieren. Mijn
vader had het altijd plagend over ‘een lila hondje
met een groen staartje’.
Ik nam het beest altijd mee aan de lijn. Als we
bij mijn tante die destijds aan de Thorbeckegracht
woonde, op bezoek gingen, bond ik het dier – dat
geen naam had – aan een ijzeren hek. Volgens mijn
moeder vergat ik nooit de hond mee te nemen als
we weer naar huis gingen.
Met de zondagse kleren
aan ging vader wandelen
met zijn twee dochters
(particuliere collectie).
Langs het water aan de Diezerkade was een
muurtje. Daar liep ik altijd overheen, terwijl mijn
vader of moeder mijn handje vasthield. Zo werd
een wandeling toch nog een prettig avontuur.
Waarom wij meestal liepen en niet met de fiets
naar de stad gingen weet ik eigenlijk niet. Waarschijnlijk
omdat lopen gezond is.
Spelen
Jaren geleden kon je nog ongestoord buiten spelen.
Er waren veel kinderen in onze buurt en op
zomeravonden waren er altijd genoeg speelgenoten.
We deden ’tegenlopertje’. Één meisje – we
speelden alleen met meisjes – liep een blokje om en
de anderen gingen in tegenovergestelde richting.
Als de ploegen elkaar tegenkwamen trachtte de
tegenstandster zoveel mogelijk personen te tikken,
die dan tot de ’tikkers’ ging behoren. Dit duurde
net zo lang, totdat er nog maar één over was. Die
had gewonnen.
Verder speelden we verstoppertje, beeldenZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bellen blazen met een
stenen pijpje en een
bakje sop (particuliere
collectie).
trekkertje en ’trioele’. Je stak de straat over en als je
op een put ging staan kon je niet afgetikt worden.
Ook op het speelplein en op de Turfmarkt,
waar onze lagere school lag, werd voor schooltijd
en in de pauze verwoed gespeeld. ‘Bok, bok, hoeveel
horens’ was een geliefd tijdverdrijf. Dat spel
was niet van gevaar ontbloot, want de ‘bok’ stond
bij een ijzeren hek met scherpe punten. Het was
niet denkbeeldig, dat je bij een flinke sprong op de
bokkenrug op zo’n punt terecht kwam. Overal
was een tijd voor. We hadden springtijd, knikkertijd
en toltijd. Tollen deden we met een priktol
met een touwtje of met een zweeptol. Je had tollen
met een appel- of met een peerpunt. We versierden
de tollen met mooie kleuren of met punaises.
Met je eigen tol probeerde je de tol van een ander
te raken.
Rolschaatsen heb ik erg veel en graag gedaan.
We kochten rolschaatsen bij Ester, op de hoek van
de Rhijnvis Feithlaan en de Vechtstraat, voor
ƒ 12,75. Als een wieltje versleten was kochten we
een nieuw.
’s Winters en bij regenachtig weer moesten we
ons binnenshuis vermaken. Er werd veel gelezen
bij ons thuis. Op zaterdagmiddag haalde ik altijd
boeken bij de bibliotheek aan de Kamperstraat.
We luisterden naar hoorspelen op de radio. Zo
was er op zondagmiddag Ome Keesje en later de
familie Doorsnee. Ook de Bonte Dinsdagavondtrein
vonden we erg leuk. Op zondagmiddag zat
mijn vader altijd naar de voetbaluitslagen te luisteren.
Hij schakelde naar alle sportprogramma’s.
‘Nu gelooft hij het nog niet’, merkte een oom uit
Enschede, die vaak bij ons was, dan op.
’s Zpndagsmiddags zaten we, als er visite was,
gezellig om de grote tafel pinda’s te pellen. We
kwartetten en speelden het ‘vijf minutenspel’. In
de krant werd een letter geprikt en dan moest je
zoveel mogelijk plaatsnamen opschrijven, die met
die letter begon. We hadden een leuk knikkerspel,
dat regelmatig van de zolder werd gehaald. Soms
leende mijn vader een tafelbiljart van een kennis
uit de buurt. Mijn ouders bridgeten regelmatig.
Ik kan me niet herinneren, dat we ons vaak
verveelden, al hadden we geen televisie en gingen
we weinig uit. Verjaardagsfeestjes bij vriendinnen
of een enkele keer naar een middagvoorstelling in
de bioscoop aan de Diezerstraat waren de enige
verzetjes. Maar we hadden er genoeg aan!
Kattenkwaad
De jeugd van vroeger was zeker niet braaf. Als
kind vond ik het leuk wanneer mijn vader vertelde
van de streken, die hij en zijn vrienden uitgehaald
hadden. Hoewel hij in de binnenstad woonde was
er gelegenheid genoeg om op straat te spelen,
omdat !er nauwelijks verkeer was. Hij voetbalde
vaak op het Grote Kerkplein. Dat moest stiekem
gebeuren, want eigenlijk was dat verboden. In die
tijd liepen er nog genoeg agenten – ’tuutes’ in het
Zwols -! door de Zwolse straten. Echte voetballen
zag je |overigens alleen op het voetbalveld. De
straat)o’ngens trapten tegen een van papier gefabriceerde
bal of tegen een klein balletje. Mijn
vader was er, althans volgens hemzelf, erg handig
mee. Als ‘Bromsnor’ de jongens betrapte, pakte hij
de bal af. De jongelui renden dan achter hem langs
en als ze daar de kans voor kregen, sloegen ze de
bal uit zijn handen en gingen er vandoor. Op veilige
afstand stonden ze dan te schelden: ‘Wat zit er
aan de koffiepot, een tuuuute!’
In mijn kindertijd was vooral belletje trekken
een geliefd tijdverdrijf. Wanneer wij uit de stad
kwamen en langs de huizen van de Rhijnvis Feithlaan
liepen, was de verleiding erg groot om een
ruk aan die ouderwetse trekbellen te geven. Je
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
moest het niet te hard doen, want dan had je kans
om de hele belknop in je hand te houden.
Een andere flauwe grap was een portemonnee
aan een dunne draad op de stoep leggen. Je ging
dan achter een tuinmuurtje zitten en als een voorbijganger
de portemonnee wilde oprapen, trok je
het ding snel naar je toe. De kans bestond dat het
touwtje knapte. Dan was je je eigendom kwijt! Het
was ook een leuke mop om iemand te vragen,
waar meneer De Haan woonde. Als de meneer of
mevrouw serieus nadacht riep je ineens: ‘In het
kippenhok’ en dan rende je weg.
Nu vind je dit natuurlijk verschrikkelijk kinderachtig,
maar toen vonden we het allemaal erg
grappig en stoer. En we deden er niemand kwaad
mee.
Zwemmen
Vanaf mijn zesde jaar heb ik in de Brederostraat
gewoond. Wij woonden dichtbij het Openluchtbad,
waar ik de edele zwemkunst machtig ben
geworden. Eerst zwom je in het ondiepe bad aan
de hengel en later met kurken. Als je enigszins
gevorderd was ging je aan de ‘lange lijn’. Ik heb
onder meer zwemles gehad van badmeester Ter
Haar en van een juffrouw, die altijd riep: ‘Eénoö
spreid sluit’.
Je kon een abonnement kopen voor één of
voor twee gulden. Wij hadden het duurste abonnement,
want dan kon je op alle uren in het zwembad
terecht. En ik heb er, met mijn vader en zus en
later met schoolvriendinnetjes, vele uren doorgebracht.
Mijn vader kon goed zwemmen. Hij dook
als de beste. ‘Ik ga er op de kop in,’ noemde hij dat.
Hij kon meters onder water zwemmen en ik zat
dan vreselijk in angst, dat hij nooit meer boven
zou komen.
We hadden altijd erg veel lol op het vlot. Je
probeerde er zo lang mogelijk op te blijven zitten
en klemde je aan de bovenrand vast als het gevaarte
topzwaar werd. In de zomervakantie gingen we
altijd ’s morgens zwemmen. Soms namen we
brood mee en bleven de hele dag in het zwembad.
’s Morgens was er altijd een groepje dames. In
onze ogen waren ze al vrij oud, maar misschien
waren ze nog geen veertig! De meesten waren vrij
corpulent en we vonden het leuk om met hen op
het vlot te gaan, want dan was het gauw topzwaar.
De dames gleden dan gillend het water in. Later is
het vlot verdwenen. Eigenlijk was het vrij gevaarlijk,
want je kon je lelijk bezeren en er zelfs onder
geraken. Er is trouwens nooit iets ernstigs
gebeurd.
Op de Oude Vismarkt
kon je heel goed meteen
vliegende Hollander rijden;
dat ondanks het
bepaald niet gladde
wegdek (particuliere
collectie).
Niet alleen in het
zwembad, maar ook in
de Vecht kon je goed
zwemmen; 1929 (particuliere
collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het openluchtbad in de
jaren ’30 (particuliere
collectie).
Dames en heren zwommen gescheiden. Er was
een soort brug tussen de beide bassins. Op gezette
tijden werd die brug opzij geschoven, zodat er een
100-meterbad ontstond en er ‘gemengd zwemmen’
was.
’s Winters gingen we naar het Sportfondsenbad
aan de Turfmarkt. Dat ging later van de Verenigde
Sportfondsen over op de gemeente en
heette voortaan Stilobad. Het is – helaas – korte
tijd geleden afgebroken. Ik heb er prettige herinneringen]
aan. Vooral aan badmeester Lukkien, die
uitstekend met de jeugd kon opschieten. Ik heb er
met school gezwommen en met vriendinnen.
Onze familie mocht gratis van het zwembad
gebruik maken, omdat mijn vader de boeken van
de gemeentelijke instellingen controleerde. Ik
hoefde alleen mijn naam maar te noemen en dan
mocht ik doorlopen. Als kind vond ik dat zeer
gewichtig. Ik kreeg dan een witte handdoek met
een rode Istreep.
Voor de kinderen die zwemles in het Sportfondsenbad
hadden, was er ieder jaar een groot
afzwemfeest. Daar ging ik altijd graag naar toe met
een introducé, omdat wij vrijkaarten hadden en
bovendien gereserveerde plaatsen. Het was een
schitterende verkleedpartij. Er werden prijzen uitgereikt
voor de mooiste en orgineelste kostuums
en de moeders sloofden zich uit om er iets heel
Op zondag 24 april 1938
werden in hetsportfondsenbad
nationale
zwemwedstrijden
gehouden.
Op deze foto staan o.a.
de heren P. Nekkers en
Spanjaard; en geheel
rechts mevrouw
Appelhof-Kroeze en
G.B. Appelhof
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
moois van te maken. De kinderen die dat jaar hadden
afgezwommen, kwamen in een lange stoet
binnen en liepen het hele bad rond. Daarna moesten
ze gekleed het water in. De prachtige kleren,
waar hun moeders of grootmoeders vele uren aan
hadden besteed, werden natuurlijk kletsnat en
meestal voor altijd bedorven. Ik vond het erg jammer,
dat ik in het openluchtbad had afgezwommen
en niet aan het afzwemfeest mocht deelnemen.
Ooit heb ik aan schoolzwemwedstrijden meegedaan
en een ‘zilveren’ vulpotlood gewonnen.
Ook herinner ik mij een jubileumfeest, waaraan
wij als schoolkinderen mochten meedoen. We
kregen een strakke doorschijnende badmuts op
met daaronder een lampje. In het water moesten
we de letters S en B vormen. Ik weet alleen nog dat
de muts afschuwelijk strak zat. Hoe het elektrische
lampje kon branden zonder snoer of stopcontact
vraag ik me, nu dit evenement me te binnen
schiet, wel af!
Ijs
In het najaar gingen we naar de sigarenzaak van
Piet Kok aan de Oude Vismarkt om een kaart voor
de Ijsclub te halen. Als je ging schaatsenrijden,
droeg je die aan een koordje om je nek. Wanneer
de ijsbloemen op de ruiten van de slaapkamer
zaten was ik de koning te rijk, want schaatsen was
mijn lievelingssport. Dat mijn ouders daar minder
blij mee waren kon ik toen niet begrijpen. Ik was
hevig verontwaardigd wanneer mijn moeder de
geijkte opmerking maakte: ‘Ik hoop dat het warm
water gaat regenen’.
Voor mijn moeder en voor de andere huisvrouwen
viel die koude ook niet mee, want warm
water kwam niet uit de kranen en bovendien hadden
we geen centrale verwarming. Bij strenge
vorst kwam er helemaal geen water meer uit de
kraan van de wastafel en dan moesten we ons
beneden in de keuken wassen. Soms vroor het zo
hard dat het water in het glas op de slaapkamer in
ijs veranderde. Ook het wassen – zonder wasmachine
– en het spoelen in koud water was geen
pretje. Mijn moeder had daardoor last van winterhanden,
waar soms kloven in kwamen.
Voor de schooljeugd was het echter feest als de
ijsbaan werd geopend-. Eerst waren er twee ijsclubs
in de Weezenlanden. De achterste was voor de
Zwolse elite. Daar reden maar heel weinig mensen.
De voorste, met de ingang tegenover het
Kerkbrugje, was de Volksijsbaan. Daar reed het
gewone volk. De twee ijsbanen zijn samengevoegd
tot één grote ijsvlakte. Er was een houten gebouwtje,
waar je iets kon eten en drinken, maar dat is in
de oorlogsjaren afgebroken om dienst te doen als
brandhout.
Als het zo hard had gevroren dat de stadsgrachten
begaanbaar waren, gingen we daar graag
rijden omdat het daar, door de hoge walkanten,
beschutter was. Bij het Kerkbrugje werden koeken-
zoopietenten geplaatst, waar je lekkere koeken
en warme kwast kon kopen.
Je kon helemaal doorrijden tot aan het Zwartewater
en zo kon je tochten maken naar Hasselt
en Zwartsluis. Ook kon je in strenge winters via de
Nieuwe Vecht naar de Overijsselse Vecht rijden,
richting Dalfsen. Je moest dan klunen over de sluis
bij Koezen. Tochten maken in de Noordwesthoek
was er niet bij, want er waren niet veel mensen die
een auto bezaten.
Regelmatig hadden we ijsvrij. Soms werden er
schoolwedstrijden georganiseerd. Bij wedstrijden
in het Engelse Werk, waar je ook fijn kon schaatsen,
heb ik eens een eerste prijs gewonnen. Ik
mocht kiezen uit verschillende dingen en koos een
lichtgroene schrijfmap.
Voor de jeugd was het altijd weer een grote
teleurstelling om te ontdekken dat er geen ijsbloemen
meer op de ramen zaten. Het ijs werd borstplaat
en er kwamen grote plassen op. Aan de ijspret
was een einde gekomen.
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Willy Arsenault
Wil Cornelissen
Tijdens een plechtige
bijeenkomst werd een
Canadese esdoorn
geplant in hetArsenaultplantsoen
door
kinderen van de basisschool
De Octopus.
Ieder jaar wordt op 14 april de bevrijding van
Zwolle herdacht. Er is een bijeenkomst bij het
monument in het Ter Pelkwijkpark en de kinderen
van de Koningin Emmaschool leggen daar
dan bloemen neer. Van tevoren hebben de kinderen
natuurlijk over de oorlog gesproken; waarschijnlijk
hebben ze de folder van de gemeente
gelezen en misschien is de videofilm in de klas
gedraaid. We hopen dat de jeugd iets zal kunnen
meevoelen van die wonderlijke, bijzondere aprilmaand
van het jaar 1945.
Arsenaultplantsoen
Wllly Arsenoulc. Canadees militair (verkenner) één der
Mers «n Zwolle: gesneuveld nabij Zwolle «atnei, 14-04-1945.
Ongetwijfeld zal dan ook de naam van de
‘bevrijder van Zwolle’, Leo Major vallen. Hij was
de eerste Canadese militair die door de straten van
onze stad liep. Zijn verhaal is al vele malen verteld,
door anderen en door hemzelf. Major is na de
oorlog meerdere keren in Nederland terug
geweest. Met zijn echtgenote Pauline was hij
steeds zeer welkom in ons stadhuis. In 1970 kreeg
hij een oorkonde en in 1985 de erepenning van de
stad. En hij was het stralende middelpunt in de
optocht bij de grote 50-jarige herdenking in 1995.
Maar altijd gaat hij met zijn Nederlandse
vrienden naar de grote Canadese oorlogsbegraafplaats
iri Holten. Daar ligt zijn kameraad en medestrijder
Willy Arsenault. Samen gingen ze op die
vroege morgen van de 14e april als vrijwilligers
hun verkenningswerk doen. Ze kwamen uit de
richting Heino, de vijand tegemoet. Bij Zalné werden
ze onder vuur genomen. Arsenault werd
dodelijk getroffen.
Het is aan de voortdurende aandacht en het volhouden
van Leo Schotman te danken dat er in
Zwolle-Zuid twee jaar geleden door de gemeente
een plantsoen naar Arsenault is genoemd. Tijdens
een plechtige bijeenkomst werd daar een Canadese
esdoorn geplant door kinderen van de basisschool
De Octopus. De toenmalige wethouder
Bert Kunnen was namens het gemeentebestuur
aanwezig. De naam van Arsenault is nu voor altijd
in Zwolle voor iedereen zichtbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
Zwolle’s bange dagen
Wat ik nog weet van Zwolle ’40- ’45
Met het ouder worden denk ik sterker dan
ooit terug aan mijn jeugd in de kleine
Overijsselse provinciehoofdstad tijdens
de bezettingsjaren. Ik herinner me jongens en
meisjes met wie ik omging en die ik weer uit het
oog verloor; jongelui waarvan ik mij zelfs de
namen niet meer voor de geest kan halen en andere
waarvan ik de namen nooit zal vergeten.
Niet zonder weemoed denk ik terug aan Jossy,
enige jaren ouder dan ik. Ik had haar zeer lief,
maar ze wilde in mij niet meer dan een goede
vriend zien. Misschien kwam dat omdat zij katholiek
was en ik niet. Het kon daarom niets tussen
ons worden. Ze verliet mij voor een jonge slager.
In de jaren van schaarste had hij het voordeel dat
hij in staat was haar te behagen met wat hij van
onder de toonbank kon aanbieden. Tegen worst
zonder bon kon ik niet op.
Erna
Ook van Erna heb ik gehouden. Erna, een naam
die je destijds niet dagelijks tegenkwam. Niet
alleen haar naam was ongebruikelijk, ze straalde
ze ook iets Hongaars uit, vond ik. Als ze lachte,
waartoe ze spontaan en gul geneigd was, hoorde ik
de storm over de poesta blazen.
Erna werkte bij het plaatselijke distributiekantoor,
vanwaar ik haar in het vroege avondduister
afhaalde om haar knijpkattend naar huis te begeleiden.
Het viel me op dat Erna altijd gehaast uit
het kantoorgebouw naar buiten kwam en mij,
hangend aan mijn arm, steeds dwong de pas te
versnellen. Zo’n gezamenlijke avondwandeling,
zolang dat met het oog op de spertijd mogelijk
was, diende voor Erna behalve voor intieme conversatie
meestal ook voor een ander doel. Bij
bepaalde woningen glipte ze bij me weg om blaadjes
door de brievenklep te schuiven. Het ging, zei
ze, om een ‘krantje’ dat ze aan een volgende
‘abonnee’ doorgaf. Zowel naar het soort krantje
als naar de instelling van de abonnee hoefde ik
niet te raden.
’t Werd mij allengs duidelijk dat Erna in het
verzet zat. Wat ze precies deed, kon ik niet doorgronden.
Nooit sprak ze er met mij over, ook niet
als we uitgelaten van een schamel, maar niettemin
vrolijk feestje terugkwamen en vertrouwelijk werden.
Pas toen ik een brief van het Arbeidsbureau
kreeg, kreeg ik een beetje inzicht in haar bezigheden.
Met de verwerving van het einddiploma was
het Ausweis met de indicatie ‘studerend’ vervallen
verklaard. Ik werd opgeroepen om in het kader
van de Arbeitseinsatz in Duitsland te worden
gekeurd en ingedeeld. Bij die keuring zat een man
in militaire uitmonstering achter een tafeltje. Hij
zei niets en liet een overigens vriendelijke dame
voor zich spreken. Ik nam aan dat hij de gevreesde
‘volksduitser’ was over wie in de stad gemompeld
werd. Ik herinner mij een naam, Zimmermann of
Willem Boxma
De Grote Markt in mei
1940 kort na het begin
van de Duitse bezetting
(Stichting Collectie
Zwolle 1940-1945, collectie
Poelles).
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zoiets. De man was naar onze stad gedirigeerd met
de opdracht om het laatste restje stedelijke
arbeidspotentieel uit te kammen. De keuring had
niets om het lijf; ze bestond uit niet meer dan de
vraag van de jonge vrouw of ik een reden had om
gekeurd te worden. Ik had geen reden. Ik had
trouwens geen zin gehad in een moedwillig oproepen
van tijdelijke kwalen en afwijkingen, bijvoorbeeld
door het roken van met suiker vermengde
shagtabak en andere trucs die je hier en daar ter
ore kwamen. De meeluisterende man achter het
bureau bleef zwijgen. De jongedame zei dat ik er
wel van zou horen.
Enkele dagen later belde een ambtenaar van
het Arbeidsbureau me; het was nota bene de vader
van een mijner beste schoolvrienden. Hij had mijn
naam op een lijst gezien en bood me een mooie
oplossing. Hij kon me indelen bij de OT, de Organisation
Tödt. Dan werd ik te werk gesteld in
Frankrijk, en ‘dan hoef je niet naar Duitsland,
snap je?’
Toevallig trof ik Jan, ook van mijn leeftijd, die
in de Dahliastraat (of Begoniastraat) woonde. Hij
hoorde mij aan en zei dat hij wel redding kon
brengen, alleen moest ik mij daarbij niet al te veel
laten zien. Beter was het ergens anders onderdak
te zoeken. Een beetje uitkijken, noemde hij dat.
Hij nam mijn vriend en mij mee naar zijn woning
en haalde daar tot onze grote verbazing uit een
boekenkastje een bundeltje blanco Ausweise
tevoorschijn dat achteloos op een gebruiker had
liggen wachten. Joost mocht weten hoe hij er aan
gekomen was. We vroegen ons ook niet af of ze
‘echt’ waren of met vaardige hand nagemaakt.
‘Moet jij er ook een?’ vroeg hij mijn vriend.
Een Ausweis was natuurlijk nooit weg. Jan belikte
de top van zijn wijsvinger en telde twee van die
alom begeerde bruingele exemplaren van het stapeltje
af. Op een schrijfmachine die de slijtageslag
al lang verloren had, tikte hij op elk formulier
onze gegevens in. Nu kwam het nog op de ondertekening
aan. Na enkele vulpenoefeningen op een
vel papier kon de vervalsing van de handtekening
van de betrokken Arbeidsbureau-ambtenaar ons
aller goedkeuring wegdragen en zette Jan zwierig
‘J. Dokter’ op de plaats waar die op het Ausweis
behoorde te staan. Met een blik en een gebaar van
een ambtenaar van de burgerlijke stand bij een
huwelijksvoltrekking, stelde hij ons elk het op
naam gestelde document ter hand en vroeg ons
nogmaals er wel een beetje voorzichtig mee te zijn
en het slechts in noodgevallen te gebruiken. En
natuurlijk mochten we nooit zeggen waar en van
wie wij het Ausweis hadden gekregen. Nonchalant
ging het met een elastiekje omwikkelde pakje
terug in het boekenkastje. Wie weet voor hoeveel
klanten nog.
Ik heb dit Ausweis nooit hoeven tonen. Ik
bezit het nog steeds en koester het als een oorlogsrelikwie.
Soms kan ik niet nalaten het tegen het
licht te houden, want altijd nog weet ik niet of het
vals is of niet. Ik houd het halsstarrig op echt.
Toen trad Erna uit haar illegale schulp: ze wist
wel iemand die mij aan een onderduikadres kon
helpen. Ze zou hem vragen bij me langs te komen.
En jawel, kort erna verscheen een jongeman die
ook Jan heette en zei wel kans te zien mij ergens
onder te brengen. Van zijn goede dienst heb ik
geen gebruik hoeven maken, omdat ik een dag
ervoor onderdak had gevonden bij de Noordoostpolderwerken
en uit het oogpunt van de Ernahrungssicherung
een begeerd, nieuw en onvervalst
Ausweis zou verwerven.
Helaas, Erna verloor ik uit het oog. Onze liefde
bleek wederzijds niet hecht genoeg. Kort voor de
bevrijding vernam ik dat zij en haar vader waren
opgepakt en in het Huis van Bewaring in Zwolle
opgesloten. Maanden na het einde van de oorlog
kwam ik haar bij toeval in Den Haag tegen. Ze
nodigde me uit voor een kopje koffie op haar
kamer. Daar vertelde ze me hoe zij door een spectaculaire
verlossing uit ‘het spinhuis’ aan executie
waren ontsnapt. Plotseling werden de celdeuren
bij haar en haar vader opengesmeten en verscheen
in de opening een verzetsvriend, die hen sommeerde
zo snel mogelijk naar buiten te rennen. In
de hal afgedaald zagen zij zich in een chaos van
wanhopig naar de uitgang dringende gevangenen
terechtkomen. Doordat de overvallers geen notie
hadden in welke cellen hun vrienden waren opgesloten
hadden ze, na zich met list en geweld toegang
tot het Huis van Bewaring te hebben verschaft,
noodgedwongen de deuren van alle cellen
moeten openen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Erna overleefde de bezetting maar haar verzetsvriend
Jan die mij had willen helpen onder te
duiken, beleefde helaas het eind van de oorlog
niet. Hij werd gegrepen en gefusilleerd. Ik kan aan
zijn naam, in koperen letters in de muur van de
stationshal gegraveerd, niet voorbijgaan zonder
hem even voor de geest te halen. Wat verder van
Erna geworden is, weet ik niet. Bij ons treffen in
Den Haag is het gebleven.
Handen omhoog!
Dan had je de jongens, die van huis uit ‘fout’
waren. De zoon van een NSB-winkelier die bij de
Landwacht ging. Ik kwam hem tegen; hij aan de
overkant van de Assendorperstraat in gezelschap
van drie met jachtgeweer uitgeruste lummels.
Eerst liepen ze aan mij voorbij, maar achteraf
schenen ze een goede vangst in mij te zien. Dus
keerden ze op hun schreden terug en hun bespijkerd
schoeisel verraadde dat ze me snel achterop
kwamen. Ik nam nonchalant de houding aan van
‘jullie doen me niks, want ik heb een Ausweis’, het
begenadigde papiertje dat vrijgeleide waarborgde
– hoewel dat lang niet altijd opging. Zelfverzekerd
hield ik de handen in mijn broekzakken. Dat gaf
bovendien een gevoel van heidendom tegenover
het passerend publiek.
‘Handen uit de zakken!’, gelastte de winkelierszoon.
‘En omhoog. Ausweis!’ Hij begreep
gelukkig dat ik de twee opdrachten onmogelijk
tegelijk kon uitvoeren. Daarom gaf hij geen commentaar
toen ik met de ene hand in de lucht, met
de andere moeizaam mijn Ausweis opdiepte, aangestaard
door een toenemend aantal vrouwen,
kinderen en ouderen, die het tafereeltje duidelijk
met gevoelens van spanning en meelij volgden.
Hij griste het papier uit mijn hand, hield het
omhoog om er doorheen te kunnen kijken en nam
zonder meer aan dat het goed was. Mompelend
gaf hij het mij terug, waarna het viertal rechtsomkeert
maakte.
Enkele jaren later fietste hetzelfde jongmens
me tegemoet op een landweg, opgeruimd babbelend
met een meisje dat hem vergezelde. Hij keek
me niet aan; herkende me natuurlijk niet meer. Ik
was een van de velen geweest die zich aan zijn controle
hadden moeten onderwerpen.
Gerrit
Dan had je jongens die je dacht goed te kennen,
zelfs vrienden van je waren en die je plotseling in
SS-uniform zag verschijnen. Zo herinner mij Gerrit.
Gerrit was een puber toen zijn vader hertrouwde
na het overlijden van zijn moeder. Gerrits
vader was een monumentale, goedmoedige
spoorman. Zijn stiefmoeder kwam uit Staphorst
In oktober 1944 deden
Wim Bremmer, Leo
Gooy, Henk Braaksma
en Henk Beernink een
overval op het Zwolse
Huis van Bewaring. Ze
bevrijdden daarbij o.a.
Erna en haar vader.
Deze foto is vlak voor de
overval gemaakt (Stichting
Collectie Zwolle
1940-1945).
Overal op straat waren
verchillende uniformen
te zien. Hier zien we
leden van de WA en van
de Nationaal Socialistische
vrouwen Organisatie;
ca. 1944 (Stichting
Collectie Zwolle 1940-
1945)-
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oproepkaart om te
komen posten (collectie
W. Boxma).
of ergens uit die omgeving. Ze was oversopt met al
wat in die streek heersend was. Ze was ‘fien’,
streng hervormd dus, en ‘sunig’, zéér zuinig. Het
lag voor de hand dat Gerrit thuis in de knel kwam
en zich als een echte puber verzette. Stiefmoeder
kon voor hem weinig begrip opbrengen en zag liever
zijn hielen dan zijn tenen. Toen zijn vader
overleden was, kwam Gerrit op het verkeerde pad
en dreigde, althans naar verwachting van stiefmoeder,
in de richting van galg en rad te gaan.
Op zekere dag kwam ik Gerrit in de stad tegen;
in het uniform van de Waffen-SS. Liever was ik
hem uit de weg gegaan, want wie in die dagen in
het openbaar met de vijand praatte, liep kans ook
voor ‘fout’ te worden aangezien. Ik kon de jongen
niet ontlopen. Hij klampte me aan. Ik kon zeker
wel zien wat hij nu deed, was zijn vraag. Hij zou,
evenals ik, graag wat anders doen, maar wat moest
hij? Ik zei hem dat ik deze carrière niet zou hebben
verkozen. Wie gaat nou zover om met de Duitsers
mee te vechten en zo vreselijk ver van huis aan
kogel of kou ten onder te gaan?
Een overtuigd nazi bleek Gerrit bepaald niet.
Hij fluisterde in mijn oor dat Duitsland de oorlog
ging verliezen, ’t Werd niks met die moffen, vertrouwde
hij me toe. Daarginds, hij wees over zijn
schouder naar achter alsof die kant op Rusland
lag, daarginds verloren ze. Elke dag opnieuw.
‘Geen houen an. Daar krijgen de moffen op hun
donder, jongen!’ En hij kon het weten, hij was er
immers zelf bij geweest. Hij kneep me, als was hij
een goede vriend gebleven, in de arm en verliet
me, slungelig als hij altijd was geweest. Joviaal stak
De Ortskommandant heeft mij opgedragen er voor zorg te dragen, dat eenige
perccelen waarin voor de weermacht belangrijke goederen zijn opgeslagen, door
Zwolsche Burgers,worden’bewaakt.
In dit v^rbarul wijs ik U aan ‘om
,2ich op fL&&u%:,…VB^
aan perceel Melkmorkt 45 te Zwolle.
Nadere inlichtingen over een en ander
(S>uur dienst te doen, U behoort
kunt U
ontvangen tusschen’ 17 en 20 uur. (Niet op Zondag.)
wijs*.U
de Manege, Praubstraat,
Ik er op dat hel voldoen aan deze’U opgelegde verplichting in het
belang moet worden geacht van de gijzelaars, die uit de bevolking van Zwolle en
omgeving zijn gekomen. – -.
ZWOLLE, den (xS^CT ~ /
D e Burgemeester van Zwolle,
in geval van ziekte moet zoo’
spoedig mogelijk een geneesk.
‘ verklaring, waarop vermeld voor
hoelang de patiënt niet kan posten,
aan de manege, Praubstraat
worden bezorgd.
DEZE KAART MEDENEMEN.
K. 2662
hij nog zijn hand omhoog voor hij aan het eind
van de straat de hoek omging.
Een volgende ontmoeting met Gerrit zat er
niet in. Van zijn stiefmoeder vernam ik dat hij na
de ineenstorting van het Derde Rijk levend en
onbeschadigd van het Oostfront was teruggekeerd.
Het stiefmoederlijk huis bereikte hij niet.
Aan de grens was hij opgevangen door de Politieke
Opsporingsdienst en in een kamp opgesloten.
Ook vandaaruit zou Gerrit onze stad nimmer
bereiken. Enkele weken later ontving zijn stiefmoeder
een aangetekende brief. In kille bewoordingen
stond er dat Gerrit dood was. Hij had
getracht het kamp zonder toestemming te verlaten:
‘Tijdens vluchten neergeschoten’.
Posten
‘De Ortskommandant heeft mij opgedragen er
voor zorg te dragen, dat aan de Duitsche bewaking
bij voor de weermacht belangrijke objecten in
totaal een 25-tal Nederlandsche bewakers worden
toegevoegd. Dit houdt verband met het feit, dat in
sommige plaatsen van ons land naar alle waarschijnlijkheid
aanslagen zijn gepleegd op opslagplaatsen
enz. van de weermacht’.
Driemaal ontving ik van onze burgemeester
een kaartje met deze tekst en de opdracht of ik mij
op die en die dag om zo en zo laat maar wilde melden
op de plaats waar ik voor het wachtlopen was
ingezet. ‘Posten’ heette dat. Een stok achter de
deur ontbrak niet: ‘Ik wijs u er op, dat het voldoen
aan deze U opgelegde verplichting in het belang
moet worden geacht van de gijzelaars, die uit de
bevolking zijn gekomen’, hield de burgemeester
mij voor.
Evenzovele malen als ik zo’n kaartje heb ontvangen,
heb ik ook ‘gepost’. De eerste keer was
eind december 1943 bij een opslagplaats aan de
Pannekoekendijk. Een gemeenteambtenaar regelde
de indeling. Twee burgers, waaronder ik, moesten
aan de voor- en rechterzijde wachtlopen; twee
andere aan de achter- en linkerkant. Mijn medeposter
was ouder dan ik. Ik neem aan dat onze
conversatie over de ellende van de oorlog en het
vooruitzicht op het einde ervan is gegaan. Het was
bitter koud die dag en nog meer de nacht daarop.
De ligging nabij het Zwartewater en temidden van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
open veld maakte dat de schrale oostenwind vrij
spel had. Diep weggedoken in de kragen van onze
sleetse winterjassen liepen we vier uur lang de
voorgeschreven eentonige route: van voorkant
naar zijkant en van zijkant naar voorkant. Dat
duurde tot de volgende groep posters kwam opdagen
en de bewaking van ons overnam.
Snel pakte ik de fiets en haastte mij naar huis
om mij te warmen en wat te slapen. Na vier uur
werden we weer verwacht om nogmaals te posten.
Die cyclus van posten en rusten liep door tot de
vier-en-twintig uur verplicht wachtlopen voorbij
waren.
De tweede oproep tot posten in februari 1944,
herinner ik me al te zeer als ik langs het fraaie oude
pandje aan de Melkmarkt, bekend als het Vrouwenhuis,
kom. Dit keer waren mijn postgenoot en
ik de enigen, die de bewaking voor onze rekening
moesten nemen; weer met de regelmaat van vier
uur wacht en vier uur rust. Slechts eenmaal, in het
nachtelijk duister, doemde voor onze neus onverwacht
controle op: een dikkke gehelmde Duitse
militair op de fiets. Hij richtte het licht van zijn
zaklantaarn op onze gezichten en vroeg kortaangebonden
‘Alles in Ordnung?’ Na onze bevestiging
draaide hij zich om zonder verder ook maar
een woord aan ons te besteden en trapte de straat
en de vrieskou in.
Ik had het met mijn metgezel getroffen. Het
was een journalist van het plaatselijke dagblad en
gezien mijn journalistieke aspiratie, ervoer ik de
conversatie als aangenaam en nuttig. Als ik eens
een verslagje over het een of ander mocht hebben,
zei hij, wel dan kon ik dat bij hem thuis afgeven.
En mocht ik na de bevrijding nog altijd in de journalistiek
willen, dan hoefde ik bij de krant maar
naar hem te vragen. Dan zat er voor mij stellig een
plaatsje als leerling-verslaggever in. Dat laatste heb
ik inderdaad gedaan, maar toen bleek dat ik met
een lege kruiwagen van doen had. De man was tijdelijk
geschorst, omdat hij lid van de Kultuurkamer
was geweest. Niettemin hoop ik voor hem dat
het goed met hem is gegaan. Ik mocht hem wel.
Voor het derde postbevel in april 1944, diende
ik mij te vervoegen bij ‘Bureau Krenge’ in de Centrale
Werkplaats achter het spoorwegstation. Het
is mij tot vandaag niet duidelijk naar wat of wie
het ‘bureau’ was vernoemd. Ik houd het er maar
op dat met ‘Krenge’ de niet bepaald correct geüniformeerde
heer op leeftijd achter een gehavende
schrijftafel was bedoeld. Ik vermoedde in hem een
volksduitser, aan wie vanuit het schamele kantoortje
de leiding over het wachtpersoneel was
toegewezen.
Ik meldde mij gelijk met twee andere burgers
en kreeg meteen van Herr Krenge het verzoek mij
achter een van drie opgestelde soldaten van het
wachtbataljon aan te sluiten. Die fuseliers, eigenlijk
te oud om soldaat te spelen en evenals hun
baas in sleets tenue, namen hun geweer over de
schouder en verlieten zwijgend het kantoortje, elk
gevolgd door de hen toegewezen ‘poster’. Ze
gedroegen zich overigens weinig soldatesk. Het
viel me op dat ze, voor ze rechtsomkeert maakten,
niet eens de hakken tegen elkaar sloegen.
De bewaker aan wie ik was toegevoegd, was
Nederlander. Hij was ongeveer veertig jaar en
sprak naar mij voorkwam met een Limburgs
accent. Onvriendelijk was hij niet. ‘We zullen zien
dat we de twaalf uur zonder narigheid halen’, zei
hij. Dit keer dus geen posten met afwisselend
lopen en slapen, maar twaalf uur aan een ruk. Ik
was bedacht op wat ik zei; wist ik welk vlees ik in
de kuip had? Maar ik hoefde niet veel te zeggen, hij
was spraakzaam genoeg en hield de conversatie
Het station werd in
april 1945 zwaar getroffen
(Stichting Collectie
Zwolle 1940-1945).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Als werknemer bij de
Directie van de Wieringermeer
kreeg W. Boxma
een Ausweis (collectie
W. Boxma).
gaande. Over zijn vrouw en kinderen had hij het
en hoe hij ertoe gekomen was in dienst van de
Duitse weermacht te treden. Nee, NSB-er was hij
niet en hij voelde ook niets voor ‘de beweging’.
Wat dacht je, hij moest natuurlijk naar Duitsland.
De Arbeitseinsatz, weet je wel. Weg van vrouw en
kinderen en breed had zijn gezin het toch al niet.
Als je bij het wachtbataljon van de. weermacht
gaat, hadden ze tegen hem gezegd, ben je vrijgesteld
van de Arbeitseinsatz. Dan krijg je regelmatig
verlof en kun je naar huis. En je rantsoenen
natuurlijk! Toch ook niet onbelangrijk? Nou, wat
doe je dan? ‘Maar ik kijk net zo verlangend naar
het einde van de oorlog uit als jij, hoor!’ bekende
hij en het klonk alsof hij het werkelijk meende.
Hij slenterde keuvelend naast me voort. Van
mijn kant scheen hij geen bijdrage aan de conversatie
te verwachten, daarom volstond ik met zo nu
en dan nietszeggend te knikken of onverstaanbaar
te mompelen, ’t Was immers niet denkbeeldig dat
hij mij uit de tent wilde lokken.
VERKUARING
AUSWEIS
i Alleen geldig tezamen met persoonsbewijs
Nuf igullig in Verbindung mit der Kennkarte
Hiermede wordt verklaart; , dat
Es wird hiermit be cheinigt’da
geboren op 1 ? , ] . ] ^ * ?4- te
0&bor@n am in
ten behoeve van de voed elvoorzienlng
für die Er:
(polder werkzaam, is >
iShryng im Nordo tpolder
>n dientengevolge is vrijgesteld
] beschaftigt und deshalb vorlaufig freige iellt ist vom
1 arbeid inzet ln< Duit chl.ind ( Arbeit ein atz im Reich ^ STEMPELS -SIEGEL Rijksarbeid bureau ' ReichiarteiUamt DeVvtujyBefVh^t^die en ATj*Ver*^Tauernd bei( fph zu fuhren en bij ontslag bij den werkgever In te leveren * und be) Entla sung dem Arbeitgeber ziiruckzugeben 'Als we daar gaan staan, kunnen we een sigaretje opsteken', stelde hij voor. 't Is wel streng verboden in diensttijd te roken, maar hier komt niemand ons controleren.' Het was inmiddels nacht geworden en in de maanlichtloze duisternis, gedrongen in een nis tegen de muur van het werkplaatsgebouw om enige beschutting te hebben, bood hij me een sigaret aan. Hij nam er zelf ook één en stak ze beide aan. In die stikdonkere eenzaamheid waren we geen van beiden meer bewust waarvoor we hier samen waren gebracht. Alleen het na elke trek oplichtende vuurtje aan het uiteinde van zijn sigaret gaf aan, dat ik werkelijk een rokertje deelde met iemand die mijn vijand zou moeten zijn. Geen gerucht, ook geen vliegtuiggeronk drong tot ons door. Ik had geen idee wat in de spoorwegwerkplaats was opgeslagen. Het kwam mij voor dat mijn gewapende begeleider daarvan al evenzeer onkundig was. Die nam een laatste haal aan de sigaret, blies de rook de duisternis in, trapte de peuk uit onder zijn laarzen en pakte de karabijn op die hij voor het gemak tegen de muur had gezet. 'We moesten^iog maar eens een rondje doen', zei hij, terwijl hij de kraag van zijn overjas optrok. 'Nog een uurtje en dan is de dienst voorbij en kun je naar huis'. Hij scheen uitgepraat en liep verder zwijgend naast me voort. Voorzichtig drong de schemering door. Om zeven uur in de ochtend kwamen we terug bij Bureau Krenge; de tijd van het posten was om. Zonder een laatste woord, zelfs zonder een groet ten afscheid verwijderde mijn begeleider zich. Hij trad het Bureau Krenge binnen, waarschijnlijk om zich af te melden. Ik hem hem nooit terugzien. Meister Mahr Van 1943 tot aan de bevrijding heb ik in Zwolle gewerkt bij de Directie van de Wieringermeer, waaronder de drooglegging en het in cultuur brengen van de Noordoostpolder ressorteerde. Op het bekende gebouw met de toepasselijke naam 'Flevo' was ik geplaatst op de afdeling Personeelszaken, geleid door een blijmoedige en goedhartige Brabander. Personeelschef bij de NOP was een niet te onderschatten functie, vooral omdat het in cultuur brengen van de nauwelijks drooggeZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT legde polder veel arbeidskracht vroeg en daardoor een vergaarkuil van onderduikers was geworden. Ze eiste, om de noodzakelijke personeelssterkte op peil te houden, van de betrokken functionaris moed en tactiek. En over gebrek aan beide had de chef niet te klagen. Als jongste en laatst bijgekomene was ik het meestal, die behalve met het gebruikelijke administratieve werk, met bijzondere boodschappen werd opgezadeld. Zo ook op zekere dag. De chef: 'Wil jij even naar de Ortskommandantur gaan papieren halen?' Naar het hol van de leeuw dus! Ik wist waar dat was, aan de Burgemeester van Roijensingel aan de stadsgracht. Het statige herenhuis kon je onmogelijk missen. Op een van de gevel naar een boom aan de overkant breeduit gespannen doek was kenbaar gemaakt wat in het pand was ondergebracht. Voor de stenen trap die naar de robuuste voordeur leidde stond, compleet met wachthokje, steevast een schildwacht. 'Je moet vragen naar Meister Mahr', luidde de opdracht van de chef, 'en je zegt maar dat je van mij komt en dat je de stukken komt halen. Hij weet ervan.' Niet bepaald zelfverzekerd begaf ik mij naar het bewuste grachtenhuis. Ik liep op de voor de stenen trap posterende soldaat af en maakte hem duidelijk dat ik bij Meister Mahr moest wezen. De schildwacht adviseerde me om binnen nogmaals naar Meister Mahr te vragen. Ik volgde zijn raad op en trad binnen. In de ruime hal was het een heen en weer geloop van uniformen, de ene deur in, de andere uit; dikke mappen onder de armen. Het ijzer onder de lompe laarzen ketste op de vloertegels. Nu en dan verscheen iemand van de Feldgendarmerie tussen het gewoel, de slippen van zijn lange gummi regenjas opgeknoopt en het opdringerige insigne breeduit op de borst. Even leek het alsof niemand aandacht schonk aan de binnengekomen burgerjongen. Ik bleef aarzelend staan, onwetend tot wie ik mij moest wenden om toegang te krijgen tot de officier die als Meister Mahr bekend stond. Het duurde even tot een jongeman zich uit de drukte losmaakte en recht op mij afkwam. Hij vroeg me wat ik hier te maken had, merkbaar verbaasd over mijn aanwezigheid. In hakkelend Duits maakte ik hem duidelijk dat ik voor Meister Mahr kwam. Ik maakte schijnbaar een betrouwbare indruk want hij wees naar een openstaande deur. In de kamer erachter pronkte aan een breed-eiken schrijfbureau een dikbuikig, dunharig, grijsgeüniformeerd manneke. Naast en voor hem stonden militairen van kennelijk hoge rang die hem, elk op hun beurt, trachtten wat onder zijn aandacht te brengen. Het ging om een handtekening, een toestemming, een advies misschien. Klaarblijkelijk deed hij wat van hem verlangd werd toen ze hem, na hakkengeklap en Hitlergegroet, hun mappen torsend alleen lieten achter het reusachtige bureau. Ik had nu een betere kijk op hem en begreep onmiddellijk dat hij het was die ik hebben moest. Maar ik herkende meer in hem. Hij was de minnaar van een getrouwd vrouwtje dat schuin tegenover mijn ouderlijk huis woonde. Ze was Duitse van geboorte - je kon dat altijd nog heel goed 'hör'n' - en echtgenote van een veel oudere man die ambtenaar bij de posterijen was. 't Moet gezegd, ze was een knap wijf met een olijke, flirterige blik en altijd even vriendelijk. Haar man paste daar totaal niet bij. Hij was een iel, bedrijvig kereltje dat in de buurt doorging voor een pantoffelheld. Nee, 't kon niet missen. Deze Meister Mahr was beslist de hooggeplaatste mof met wie mijn overbuurvrouw scharrelde. Hij kwam regelmatig met de fiets voorrijden voor een kop koffie; of lie- Personeel van de afdeling Personeelszaken van de Directie van de Wieringermeer. Midden vooraan staat de personeelschef, de heer Spierings. Rechts van hem staat W. Boxma (collectie W. Boxma). 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT ver voor een schnaps natuurlijk. Hij was het ook die haar bij gelegenheid met een in camouflagekleur overgeschilderd Opeltje ophaalde om met haar uit te gaan. Ze werden met een keukendoek nagewuifd door pa die daarna stellig doorging met de afwas. Buren spiegelde ze voor dat het 'in Deutschland ganz normal' was dat getrouwde vrouwen met ook getrouwde mannen op pad gingen. 'Niks besonders also'. En haar 'Freund' kende ze al van vroeger. Er was dus 'nichts los' mee. Ik staarde nog naar het welgevulde uniform achter het bureau, met het beeld van onze frivole overbuurvrouw in het achterhoofd, toen ik met 'Ja, bitte' tot de orde werd geroepen. De Meister had, ongetwijfeld vanwege mijn burgerlijke oorlogsuitmonstering en aan het tijdstip van de afspraak, onmiddellijk door waarvoor ik kwam. Hij vroeg alleen: 'Vom Nordostpolder sicher?' Ik beaamde dat. Hij graaide in een bundel papier en reikte mij een envelop aan, met de blik op de schrijftafel gericht. Hij zei nog wel: 'Grüssen Sie bitte Ihrem Chef von mir'. Ik zag nadien Meister Mahr nog vele malen aan de overkant fiets of auto parkeren. Bij een volgende 'bijzondere boodschap' voor de chef, vond ik op de Ortskommandantur de Meister echter niet terug. Er zat iemand die Nederlands sprak en in mijn aanwezigheid een uitbrander gaf aan twee Vlaamse SS-jongens. Een burger had zich over hun gedrag beklaagd. Toen de eerste Canadezen in onze stad werden verwacht, vertrok onze beminnelijke overbuurvrouw. Waarheen kon niemand zeggen. Ook wist niemand of ze in gezelschap van haar Duitse vriend was. Heer Schaffner De enige keer dat ik Albert Entrup na de oorlog heb gezien, was op hemelvaartsdag 1949 toen ik hem op het tochtige, verschroeide perron van Osnabrück zag staan. Ik herkende hem onmiddellijk. Hij scheen mij nog magerder dan in de weken toen hij, tot op twee dagen voor de bevrijding van onze stad, bij ons was ingekwartierd. Ook zijn spoorweguniform leek mij niet vervangen. Op mijn wenken kwam hij naar het coupéraam gesneld en liet duidelijk merken dat hij verheugd was mij weer te zien. Lang mocht het gesprek niet duren, hêt werd een vluchtig informeren over en weer naar mij en mijn ouders en naar zijn gezin. Jawel, zijn vrouw had de vele bombardementen overleefd en zijn zoon was behouden van het front in Italië thuisgekomen. Hijzelf had de terugkeer naar de Heimat helemaal te voet, via de 'Abschlausdaik', moeten afleggen. De locomotief maakte echter dampend aanstalten om mij naar mijn bestemming te brengen en bood amper gelegenheid Herr Entrup een aangebroken pakje sigaretten aan te reiken. Hij nam het gretig in ontvangst en stond er nog bedremmeld mee in zijn hand toen ik hem vanuit het coupéraampje schimmig zag wegvloeien. Voorttuffend door Noord-Duitsland en behaaglijk teruggetrokken in een hoekplaatsje van de coupé, dwaalden mijn gedachten terug naar die winterse dag in januari 1945. De sneeuw lag hoog opgetast in de straat. Vader was als spoorwegstaker opgepakt en moest graafwerk verrichten voor een verdedigingslinie aan de Gelderse IJssel. Achter de vulkachel, waarin scharrelhout moeizaam vuur en Warmte bracht en waarop een pannetje roggepap pruttelde, schilde ik de aardappelen uit eigen tuin en verstelde moeder al eerder opgelapte kleding. Plotseling klingelde de bel. Moeder liep gewoontegetrouw naar de erker in de voorkamer om te zien wie voor de deur stond, want ook al bezat ik een compleet en veelvuldig getekend en gestempeld Ausweis, je kon immers nooit weten wat zich onverwachts aandiende. Ze schrok: voor de deur stond een man in uniform. 'Een Duitser!' riep ze me toe, 'een Duitser! Naar boven!' Ik haastte mij zo snel ik kon naar de gang, kroop onder het raampje in de voordeur langs, rende de trap op en bleef op de overloop staan. Daar bedacht ik dat een mof nooit in zijn eentje een inval zou wagen en nooit alleen iemand zou ophalen. Voor dat doel kwamen ze altijd met meer. Ik ging niet verder dan de overloop en liggend op de vloer kon ik zien wat zich aan de voordeur afspeelde. Ik zag moeder voor de deur verschijnen; zoals gewoonlijk met schort en op pantoffels, en zag overduidelijk hoe nerveus zij was. Met trillenZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT de hand trok ze het slot terug en opende de deur. Toen zag ik de man die ervoor stond. Inderdaad, naar zijn voorkomen te oordelen was het een Duitser al was het verre van een Germaans type. Hij droeg een zwart, al te ruimzittend uniform. Op zijn ongetwijfeld kale schedel hingen de kleppen van een eveneens zwart dienstpetje over de oren. Geen helm. Een militair pur sang was hij dus niet, hoewel hij behalve een gasmaskerbus en een zwartleren tas, een geweer met zich meezeulde dat duidelijk te groot en te zwaar voor hem was. Hij moest voortdurend de riem van de karabijn naar de schouder optrekken, omdat anders de kolf over de stoeptegels sleepte. Begreep hij dat de vrouw in de deuropening door zijn onverwachte verschijning de kluts was kwijtgeraakt? Hij maakte in elk geval geen opdringerige indruk. Integendeel, hij stelde zich netjes voor. Albert Entrup was zijn naam en hij was bij de Eisenbahn. Net als de 'Ehemann' van 'gnadiche Frau', die was immers ook 'an der Bahn'. 'Kollegen also!'. Hij was 'Schaffner' en was van Osnabrück naar hier gezonden. 'Ach, der Krieg, wissen Sie!'. Terwijl hij zich op zijn manier verontschuldigde, ontvouwde hij een papier dat hij moeder voorhield. In haar nervositeit was ze niet in staat te lezen. Daarbij kwam dat het goede mens geen Duits verstond, maar ze begreep wel waarom het ging. Niet alleen vanwege de adelaar die zijn vleugels boven het letterschrift uitspreidde. Van andere spoorvrouwen had ze al eerder vernomen, dat Duitse spoormannen bij gezinnen van stakende Nederlandse spoorlui werden ingekwartierd. Het was duidelijk dat nu wij aan de beurt waren. De semi-militaire conducteur uit Osnabrück doorzag moeders hulpeloosheid en besluiteloosheid en probeerde haar gerust te stellen. Hij ging over in het Westfalisch, dat veel op het Gronings lijkt. Dat vergemakkelijkte de conversatie. Ze moest zich door hem 'nicht so beunruhigen lassen'. Hij begreep haar volkomen. Hij was immers maar een doodgewone spoorman, net als haar echtgenoot, maar als ze niet op het bevel tot inkwartiering wilde ingaan of als ze geen kamer ter beschikking had, zou hij naar de 'Kommandantur' teruggaan om een ander adres te vragen. Hij was ook liever bij zijn vrouw in Osnabrück gebleven. Die had het ook moeilijk. Hij zou zich echter wel graag vooraf persoonlijk willen overtuigen van de in ons huis aanwezige ruimte, anders zouden ze bij de Kommandantur misschien moeilijk doen, 'verstehen Sie?' Moeder vertederde. Kwam er iets als lotsverbondenheid in haar op? Zo van 'we zijn allemaal maar mensen en slachtoffers van het nazidom?' Regelma tig vlogen geallieerde vliegtuigen over Zwolle naar Duitsland. Deze foto van de 'schrijvende vliegtuigen'is in november 1943 gemaakt (Stichting Collectie Zwolle 1940-1945). 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT In juni 1943 moesten alle radio's worden ingeleverd. In totaal werden 5100 radio's ingeleverd, bijvoorbeeld op een handkar. Sommige mensen leverden één radio in en behielden een andere om nog naar de Engelse zender te kunnen luisteren (Stichting Collectie Zwolle 1940-1945). Herr Entrup besteeg achter moeder de trap en ik haastte mij naar mijn kamer om op h^t moment dat zij de overloop hadden bereikt, de deur te openen en quasi-verrast met de Schaffner oog in oog te staan. 'Dat is mijn zoon', stelde moeder mij voor en daar voegde ze in haar onschuld aan toe: 'en hij heeft een Ausweis, hoor!' Herr Entrup reageerde niet op die tijdelijke vrijheidsverzekering. Hij had ook een zoon 'an der Italienischen Front, verstehen Sie'. Al maandenlang had hij niets meer van hem vernomen, dat was toch maar 'traurig'. Hij nam genqegen met het kleinste kamertje dat moeder liet zien. Er paste nauwelijks een eenpersoons bed in en het diende voornamelijk voor een sporadisch logerend familielid. De mensgrote karabijn werd tegen, de wastafel gepoot. Of hij dat zware schietijzer hier zo lang kon laten staan tot hij wat persoonlijke spullen van het station had gehaald. We knikten, hoewel we het uitermate vreemd vonden dat de vijand zo gemakkelijk zijn wapen bij ons achterliet. Later maakte hij daar een gewoonte van, tot grote angst bij moeder die tijdens het stof afnemen altijd weer om dat 'akelige schietding' heen moest. Albert Entrup raakte snel thuis. Moeder vond het maar zielig dat hij zich na zijn dienst alsmaar op het slaapkamertje terugtrok. We spraken hem alleen als hij voor het gebruik van het toilet bescheiden en verontschuldigend om doorgang van onze woonkamer vroeg. Tijdens een van die korte ontmoetingen beklaagde hij zich over de koude in het kamertje. Vooral in bed had hij last van koude voeten. Moeder loste dat onmiddellijk op door hem een extra deken te geven. Die meewarigheid leidde spoedig tot een 'u mag er wel even bij komen zitten'. Bij zo'n gelegenheid placht hij soms, onderwijl door ons met begerige ogen gevolgd, zijn rantsoen Schwarzbrot overvloedig met worst of leverpastei te besmeren en als afsluiting van een kennelijk ruime toewijzing tabak te roken. Herr Entrup bleek een gezellige prater. Vertellen kon hij! De oorlog 'i4-'i8 lag hem nog vers in het geheugen. In het 'Schützengrabenfront' voor Verdun had hij gelegen. Als er al een hel bestond, dan was het daar. Dagen achtereen hadden ze onder vuur gelegen en ondanks al die ellende kregen ze ook nog het bevel tot een aanval op de vijandelijke linies. Na zo'n uitval keerden elke keer slechts weinig mensen terug. Zij lieten zich onder dekking van loopgraaf en prikkeldraad, afgetobd en bemodderd en soms gewond, tegen zandzakken en stutsel zakken om nog een beetje te kunnen slapen. Vaak liet de ravitaillering het afweten en waren de soldaten genoodzaakt genoegen te nemen met muizen, ratten, padden en wat zich meer als noodrantsoen aanbood. In Albert Entrup begonnen wij het voorbeeld van 'de goeie Duitser' te zien. We waren blij dat we hem hadden gekregen en niet zo'n 'rotmof met een hakenkruis op borst. We lieten hem zelfs meeluisteren naar de Engelse zender. Waarom ook niet, hij was volgens ons volkomen betrouwbaar. Onze relatie werd alleen op de proef gesteld als we hem in de stad tegenkwamen. Liever maakten we tijdig een ommetje om aan zijn uitbundig groeten in het openbaar te ontkomen. Stadgenoten zouden ons als 'van de foute kant' zien en dat stempel wensten we bepaald miet. Toen, op een middag, nam mijn broer mij apart. 'Zal ik je eens wat vertellen? Entrup is een nazi!' fluisterde hij. Ik geloofde hem niet. 'Moet je maar eens goed zijn overjas bekijken', adviseerde mijn broer. 'Nooit wat opgevallen', zei ik. 'Natuurlijk niet, die jas hangt niet altijd op zijn kamer en dan kun je het ook niet weten', hield broerlief vol. 'Wat is er dan met die jas? Bewijst die ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 dan dat Entrup een nazi is?', vroeg ik kriegelig. 'Bij de eerste gelegenheid als Entrup beneden is, sluipen wij naar boven en dan zul je het zelf zien' besloot mijn broer de discussie. Die gelegenheid kwam gauw genoeg. Terwijl Entrup met vader van Entrups tabak een pijpje smoorde, slopen mijn broer en ik op onze tenen naar boven en traden de kleine slaapkamer binnen. Aan het kapstokje aan de kast hing de zwarte Eisenbahn-overjas. En jawel, onopvallend tussen de rij koperen spoorknopen, zag ik het insigne. Omgeven door een zilveren rand vertoonde zich in rood, wit en zwart het verfoeide hakenkruis: het bewijs van het partijlidmaatschap. Ik verschoot van kleur en wist me geen raad. Herr Entrup wist zoveel van ons, wat konden daar de gevolgen niet van zijn! Hij zou ons bij de SD kunnen aangeven omdat we naar de Engelse zender luisterden en naar Duitslands ondergang hunkerden. De gevolgen van het gestelde vertrouwen waren niet te overzien! Om meer zekerheid te krijgen leek het ons nuttig eens met de Schaffner over het nationaal-socialisme te praten. We hadden het weliswaar regelmatig met hem over de oorlog gehad en niet onder stoelen of banken gestoken wie de winnaar moest zijn, maar we realiseerden ons dat we eigenlijk tot nogtoe een gesprek over het nationaal-socialisme hadden gemeden. De avond van dezelfde dag, toen moeder Entrup een kopje surrogaat-koffie met een wolkje ondermelk had aangeboden, zagen we een schone kans de conducteur het vuur aan de schenen te leggen. Broerlief die niet gewend was een blad voor de mond te nemen, zette na het tweede kopje het offensief in: 'Zeg meneer Entrup, vertel me eens, bent u ook lid van Hitlers partij?' Moeder schrok. Dergelijke vragen waren te gevaarlijk. Vader keek trots naar zijn oudste zoon en wachtte gespannen op de reactie. Die vraag zat! Hij was toch al niet zo ingenomen met de aanwezigheid van de Duitse collega. De man aan wie de vraag was gericht, verschoot geenszins. Hij bleef kalmpjes rook uit zijn pijp trekken, alsof hij de vraag heel gewoon vond. Zonder enig blijk van verrassing, afkeuring of belediging antwoordde hij 'Selbstverstandlich.' 'Dus u bent nationaal-socialist, aanhanger van Hitler?' durfde ik. Een vraag die in wezen al overbodig was geworden. 'JawohP. Openhartiger vermocht het niet te klinken. Zelfs had hij eens met de Führer ontbeten. Een hele eer! Wie met de Führer oog in oog had gestaan, was 'ganzlich verandert'. Als hij zo dicht in de nabijheid van Hitler had verkeerd moest hij, naast eenvoudig conducteur bij de Eisenbahn, wel een hoge functie in de partij bekleden. Die vraag bleef onbeantwoord. De omgang met Herr Entrup verloor sindsdien wat ons betreft aan vertrouwelijkheid. Herr Schaffner voelde dat niet. Of hield hij de schijn op? Hij bleef voorkomend, bood ons aan van wat hij had. Nooit sprak hij denigrerend over joden, nooit afkeurend over sabotage van verzetstrijders die hij tijdens de treindienst stellig moet hebben ondervonden. Toen Duitse soldaten huis aan huis fietsen kwamen vorderen ging hij in uniform en nonchalant op sloffen,.rustig aan zijn pijpje zuigend in de deuropening staan. Nee, in deze woning waren geen 'Rader' en ook geen 'Manner' liet hij erop volgen. De militairen gingen vervolgens verder. Nooit toonde hij sympathie voor het nationaal-socialisme, eerder zweeg hij erover. Nimmer gaf hij ons de indruk de rol van aanbrenger te zullen spelen. Hij accepteerde onze mening als we het over Duitsland en de door zijn land ontketende oorlog hadden. Mijn broer zei hem eens recht voor z'n raap, dat alle Duitsers na verlies van hun oorlog stellig naar Siberië getransporteerd zouden worden. Hij nam die dreiging gelaten op. Niet alleen werden mensen ingezet in in duitsland te gaan werken, maar ookmoesten de fabrieken voedsel leveren aan Duitsland. Bij melkfabriek 'De Eendracht' zijn arbeiders bezig een vrachtauto te laden met kaas en boter voor Duitsland (Stichting Collectie Zwolle 1940-1945). 22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Wel zei hij later tegen moeder dat haar zoon er beter aan deed zich in acht te nemen. Zulke uitspraken konden ernstige gevolgen hebben. Van hem viel niets te vrezen, want het lag niet in zijn aard om iemand aan te geven. Hij verafschuwde zulke 'Kniffe', maar dat gold niet voor iedereen. Zag Herr Entrup de bui over zijn vaderland hangen? Begreep hij dat het verschijnen van geallie

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1999

Door 1999, Zoek in ons tijdschrift

Jl*
Historisch
„, I
: ZWOLLE
M M E R 2 , 5 O
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsma-van Hulten en
Wim Huijsmans
lirnlle,
rltituin. (ds postmcrl .
‘lioor dezen berichten irij
IJ het nnnxtttuad be.zoclt
van, een onzer WII’-UJVI.I.1
Doijer & van ‘Derenter.
Ansichtkaart Klein Weezenland (nu: Van Roijensingel)
Poststempel 22 november 1912
Deze reizigerskaart van de fa. Doijer en Van
Deventer, werd waarschijnlijk gebruikt door de
toenmalige firmant J.J. Doijer om een bezoek aan
te kondigen aan zijn neef Henri Doijer, firmant
van de Amsterdamse muziekhandel Doijer en Alsbach.
De fa. Doijer en Van Deventer was een
bekend Zwols bedrijf. De firma werd in 1814 opgericht
door de heer H.A. van Deventer. Deze vestigde
een likeurstokerij in het pand Diezerstraat 58.
Dit pand, waar later de fa. Hendriksen jarenlang
zetelde, was zeer geschikt voor een stokerij omdat
zich in de tuin een wel bevond. Tot 1813 was er een
brouwerij gehuisvest geweest, waaraan de in de
gevel zichtbare leeuw en tonnen nu nog herinneren.
In 1826 kwam Van Deventers neef J.J. Doijer
in de zaak. De firma maakte likeuren, bitters, jenever
en limonadesiropen; later kwamen daar ook
vruchtenwijnen bij. De dranken werden onder de
eigen naam en onder de handelsnaam ‘1814’ in het
hele land verkocht. Het was een klassiek familiebedrijf:
de familie Van Deventer bleef tot 1935 in
de leiding vertegenwoordigd, de familie Doijer
zelfs tot 1989. In 1866 verhuisde het bedrijf naar
een pand op de Oude Vismarkt, hoek Wolweverstraat,
waar voordien een mouterij gevestigd was.
De gevel van dit karakteristieke pand, tegenwoordig
wit geverfd, draagt nog steeds de oude firmanaam.
Goed honderd jaar was dit de hoofdvestiging
van de firma. Aan het eind van de jaren zestig
werd de binnenstad echter verruild voor de Marslanden.
Doijer en Van Deventer fuseerde in 1982
met de onderneming Dirkzwager, ondermeer
producent van Florijn. Het bedrijf opereert nu
onder de naam Intercaves en heeft nog steeds een
Zwolse vestiging.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In deze bundel gaat de Zwolse historie niet verder
terug dan de tijd rond 1800. In die tijd gaf de verlichte
Jacob Frederik Serrurier zijn ambt als predikant
op en koos hij voor een al evenmin succesvol
bestaan in de handel en tuinbouw. Hoe het toch
nog met hem goedkwam verhaalt A. Vernooij in
een korte biografie van deze ‘aartsketter.’
Niet zonder dramatiek was het levensbegin
van de twee kinderen van Rudolf Sandberg en
Laura van Haersolte, die beiden buiten een huwelijk
waren verwekt en geboren. Bovendien leefden
de twee ouders ook nog eens honderden kilometers
van elkaar verwijderd. M.L. Hansen gaat in op
deze tragische en onhuiselijke situatie.
Dat steden al sinds eeuwen het platteland
overheersen, wordt ons weer eens diets gemaakt
aan de hand van de recente historie over de
opheffing van de gemeente Zwollerkerspel in de
jaren zestig. Peter Tijhaar is de scribent van Zwolle’s
grote stap voorwaarts.
Een klein jubileum, het derde lustrum van
‘onze’ Zwolse Historische Vereniging, wordt
gememoreerd door Wim Coster.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 2
Jacob Frederik Serrurier (1771-1844): een aartsketter in Zwolle
A.J.M. Vernooij 4
De tragische liefde van Rudolf Sandberg en Laura van Haersolte
M.L. Hansen 12
De opheffing van Zwollerkerspel Peter Tijhaar 20
Vijftien jaar Zwolse Historische Vereniging Wim Coster 29
Literatuur Marieke Schaap-Steegmans 31
Boekbespreking 32
Mededelingen 33
Omslag: Nadat de gemeente Zwollerkerspel was opgeheven, werden de borden
aangepast: een gedeelte werd afgeplakt (foto: Gemeentearchief Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Jacob Frederik Serrurier (1771-1844):
een aartsketter in Zwolle
A.J.M. Vernooij -w-acob Frederik Serrurier kwam in 1795 als 24-
I jarige dominee naar Zwolle. Hij was de man
I die met zijn preken in Zwolle stof deed
opwaaien. Rhijnvis Feith zou hem een ‘aartsketter’
hebben genoemd. Hij voelde zich niet begrepen
en veroordeelde de ‘vadzigheid’ en bekrompenheid.
In 1814 vertrok hij als failliet landgoedbezitter.
In de tussenliggende jaren had hij het domineesambt
verlaten en was hij koopman en landbouwer
geworden. Hij was ook mede-oprichter van het
Nut in Zwolle en vervulde veel ambtelijke functies.
Na zijn Zwolse tijd bracht hij het tot directeur
van de Staatscourant en gaf hij een tijdschrift over
de landbouw uit. Hij beschreef zijn leven en de
politiek van zijn tijd in geschriften, die nu in het
Gemeentearchief Zwolle worden bewaard.1
Dominee
Serrurier kwam uit het Duitse Hanau en was door
zijn vader voorbestemd om ‘rechtzinnig’ predikant
te worden, net zoals veel van zijn familieleden.
Verschillende Serruriers waren in die tijd
dominee in Nederland. Maar al in Leiden, waar hij
theologie studeerde, bekropen Jakob Frederik
twijfels over zijn geschiktheid voor het domineesambt.
Die twijfels werden versterkt door z’n
omgang met vrijzinnige en patriotsgezinde studenten.
Op 5 juli 1795 hield hij in de Franse (Waalse)
kerk van Zwolle zijn intreepreek. Zijn voorganger
en studiegenoot Teissèdre de 1’Ange2 had de
bezoekers van de Franse kerk ‘meer van de gewonen
oude kost’ gegeven, meende Serrurier. Dit
‘gepaard met een aangenaam uiterlijk en eene
toen veel opgang makende taal van ’t gevoel, verschafte
hem een zeer talrijk gehoor, en de Fransche
kerk werd bepaaldelijk die der jonge vrouwen.’
3 Serrurier was er blijkbaar niet op uit zijn
publiek, ook al was het vrouwelijk, te behagen. Hij
bekende dat hij ‘het nu ook maar eens liet waaijen
en voor mijne denkwijze in ’t Staatkundige en
godsdienstige vrij onbewimpeld uitkwam.’ Volgens
Serrurier had Rhijnvis Feith, ‘die aan het
hoofd eenen zoodanige Vrouwenclique stond en
die regt ouderwetsch regtzinnig was’ hem voor
een ‘aartsketter’ verklaard na het horen van de
intreepreek.4
Hij gaf toe dat het bezoek aan de Franse kerk
minder werd na zijn aanstelling. Dat kwam volgens
hem ook door zijn bemoeiingen met het
plaatselijk bestuur: ‘mijne pen kwam aan de Zwolsche
Patrioten nog al eens te stade’.5 Kortom, het
boterde niet tussen Serrurier en het Zwolse establishment.
In zijn autobiografie oordeelde hij vele
jaren later nog heel hard: ‘in de koppen der Zwolsche
menschen zag het al heel duister uit. Voor al
wat wetenschap was, was er bitter weinig smaak en
in godsdienstige begrippen was men er zoo
bekrompen als ergens.’6
Handelaar
Op 23 oktober 1796 trouwde hij met Margaretha
ten Cate, dochter van de handelaar Berend ten
Cate en Antonia Hendrika van Marie.7 Een broer
van Margaretha stelde hem in 1796 voor diens
‘handel in stafijzer’ over te nemen. Dat werk zou
725 gulden per jaar opbrengen, evenveel als zijn
predikantschap opleverde. Serrurier zag het aanbod
als een uitweg uit het knellende domineesambt:
‘ik had toen regt den hekel gekregen aan dat
geheele ligchaam, waarin zo weinig ziel zat.’8
Toch zou hij nog eenmaal de kansel beklimmen
in Zwolle. Dat gebeurde bij de viering van de
overwinning op de Engelsen, die in het najaar van
1799 een inval hadden gedaan. Het stedelijk
bestuur achtte hem geschikt voor een redevoering
in de Grote Kerk op 19 december. Serrurier hanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
teerde daarin met verve de kanselretoriek. Hij was
lovend over de verdedigers van het vaderland. ‘Gij
allen, Bataven, Franschen, krijgslieden, burgers,
gij allen die de wapens voor het vaderland hebt
aangegord – ontvangt dan uit naam van het vaderland
deszelfs ongeveinsde, eerbiedigste hulde.’ En:
‘Komt dan en aanschouwt met mij een Staat welks
burgers als broeders onder eikanderen leven, waar
de wet voor allen gelijk is, en niemand zijne vrijheid
op de Slavernij enes anderen vestigt.’9
Overigens had Serrurier zelf niet zo’n heldhaftige
rol gespeeld. Toen de Engelsen bij Zwartsluis
waren gesignaleerd, werd hij tot zijn schrik onder
de wapenen geroepen. Maar hij had veel excuses
om daar onderuit te komen: ‘weerzin tegen het
beschaafde krijgswezen’; zijn vrouw die op het
punt stond te bevallen; een schoonvader die kinds
was en de afwezigheid van diens oudste zoon, die
met de Zwolse jagers naar Noord-Holland was
vertrokken. Gelukkig vond hij zijn huisdokter,
tevens majoor van de schutterij, bereid hem te
detacheren bij het bureau van de provinciale commandant
in Zwolle.10
Het Nut
Serrurier was er wél bij toen op 4 juni 1799 in de
Nieuwe Concertzaal, een Zwols Departement van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd
opgericht. Hij was ook langdurig voorzitter; eerst
een halfjaar in 1800 en later nog eens vijfjaar tussen
1809 en 1814.” Onder de maximaal 59 leden
bevonden zich in de loop der jaren kooplui, fabrikanten,
bestuurders, predikanten en onderwijzers.
Bekende namen op de ledenlijsten waren:
Rhijnvis Feith, H. Potgieter, H. Tijl, N. Kantelaar
en landdrost baron Bentinck.12
Serrurier hield er redevoeringen die volgens
zijn memoires, ‘mij zelven in de eerste plaats’
amuseerden.13 Hij liet het niet alleen bij woorden.
Hij was ook lid van de Commissie van Onderstand,
die geld inzamelde voor levensmiddelen en
een ‘Rumfordse Soepkokerij’ opzette. Naar het
recept van graaf Rumford in München werd een
soep bereid met witte bonen, groene erwten,
gepelde gerst, aardappelen, spek en een snee roggebrood.
Het liep geen storm bij de soepketel: 65 dagen
754
lang werden 100 porties uitgedeeld. Er hadden
‘dagelijks ten minsten nog 2 maal zo veel armen’
gespijsd kunnen worden, meldde de Commissie
van Onderstand in de Zwolsche Courant op 6 juni
1801.14 Hoogstwaarschijnlijk was het Serrurier die
deze ervaring aangreep om in diezelfde krant
enkele spectator-achtige gesprekken te plaatsen
tussen de bedelaarster Griet, Janna de schoonmaakster
en diens man Gerrit, waarin commentaar
werd geleverd op deze wijze van bedeling. Er
was sprake van vooroordeelen bij de armen en
bezwaren van winkeliers.’5
Kadastrale minuutplan
Sectie F (Berkum), 1822.
Ter verduidelijking:
Berkumerweg = Kuyerhuislaan;
Rohuis =
Rode Huis; 759-760 =
Roodhuizerallee.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Handtekening van
Serrurier.
De gereedschappen voor de soepkokerij werden
eind 1802 verkocht. Andere initiatieven van het
Nut, zoals een kousenfabriek en een school, waren
ook geen lang leven beschoren. De leesbibliotheek
hield tot 1807 stand. Het Nut zelf stopte in 1814.16
Was de eigenzinnigheid van Serrurier er debet
aan? Waarschijnlijk had hij de hand in het verbreken
van de banden met het landelijke Nut ‘omdat
die vereniging een goed deel onzer inkomsten verslond,
zonder ons veel nut aan te brengen’, zoals
hij meende. Maar ook de Zwollenaren begrepen
hem niet. Het Nut was volgens hem hoog nodig in
een stad als Zwolle ‘want de Wetenschap was er in
geen achting, vadzigheid vooral onder de hoogere
Standen vrij algemeen en generlei zucht voor het
algemeene Welzijn.’17
Schoolopziener
Serrurier nam ook geen blad voor de mond in een
verslag dat hij in 1801 maakte als schoolopziener
en lid van het departementaal schoolbestuur. Een
baantje dat hij via connecties in Den Haag had
verworven (zijn zus was getrouwd met de secretaris
van de minister van Nationale Opvoeding, J.H.
van der Palm).18
Hij schetste een weinig rooskleurig beeld van
de toestand in het ‘derde district van den Ouden
IJssel’. Van de onderwijzers verwachtte hij weinig:
‘eenvoudige landlieden… zo opgevoed, zo onderwezen,
zo aangesteld, zo beloond en zo van anderen
behandeld..’ En dan waren er de ‘zwarigheden’
die de hervorming van het onderwijs belemmerden
zoals ‘de bekrompenheid en slegte inrigting
van meest alle Schoolvertrekken… het vooral ten
plattenlande zo onregelmatig ter school komen
van de kinderen… de vooroordelen van het grootste
gedeelte der ouders… de geringen middelen
van bestaan der meeste School-onderwijzers’.
Tenslotte: ‘de grootste van alle zwarigheden is en
blijft de onmogelijkheid om aan een andere te
leren hetgeen men zelve niet weet’.19
Serrurier ging, blijkens dit verslag, hervormingsgezind
aan het werk. Zijn ijver werd allengs
minder; althans in de verslagen komt zijn naam in
de loop der jaren minder en minder voor. Opmerkelijk
is nog een overzicht uit 1808. Het is niet
ondertekend, maar gezien het handschrift moet
het van Serrurier zijn. Er is daarin sprake van
enerzijds ‘aanmerkelijke verbeteringen’ en anderzijds
van onderwijzers als ‘vadsige wezens’ en
‘indolente, onwillige en bevoordeelde individu’s’.
20
Het Roode Huis
Zijn huwelijk met Margaretha ten Cate leverde
Serrurier een landgoed op. Toen zijn schoonvader
in 1801 stierf, erfde hij onder meer de buitenplaats
het Roode Huis.21 Berend ten Cate had Het Roode
Huis in 1782 gekocht van de erven van wijlen de
Marquise De Louvois.22 Het lag ten oosten van
Zwolle op de Oosterenk, niet ver van de Nieuwe
Vecht, het water dat de Vecht met Zwolle verbond.
Het Roode Huis werd ook wel aangeduid
als spijker, een toen gebruikelijke aanduiding voor
een kleine buitenplaats. Rond Zwolle lagen er verschillende:
Boschwijk van Rhijnvis Feith was de
bekendste. Op Veldwijk, ten zuidoosten van de
stad, woonde in die tijd een nicht van Serruriers
vrouw, Elizabeth Paschen.23
Landbouwer
Serrurier verkocht zijn huizen in de stad en ging
buiten wonen na ‘een nieuw, ruim en gemakkelijk
huis’ op het landgoed gebouwd te hebben. Oude
bomen werden omgehakt en een deel van het weiland
omgezet in ‘moestuin, boschjes en vijver.’24
Hij besloot zijn ‘oude liefhebberij voor landleven
en landbedrijf weer ter hand te nemen. Die liefde
was ontstaan toen hij als veertienjarige jongen in
de kost werd gedaan bij een predikant die het
beheer had over landbouwgronden. Over zijn
bedrijf meldt hij in zijn herinneringen alleen het
volgende: ‘wij hadden 2 knechts en 2 meiden en
dan nog gewoonlijk 5, 6 en meer daglooners in ’t
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werk: voorts 3 paarden, 1 ezel en van 15 tot 20
melkkoeijen, ook wel 6 tot 12 mestkalvers te
gelijk.’ In 1813 verbouwde hij mangelwortels (suikerbieten)
voor de suikerraffinaderij van een zwager.
Hij noemt de ‘geschriften van Thaer’ (een in
die tijd bekend Duits landbouwkundige) en zijn
jeugdervaringen als reden om ‘een andere wijze
van landbouwen te beproeven’.25
Publicaties
Serrurier hield zich niet alleen als practiserend
boer met de landbouw bezig. Een van de grootste
uitgevers van die tijd, Allart uit Amsterdam, benaderde
Serrurier in de zomer van 1803 voor een vertaling
van een Engelse verhandeling over vruchtbomen
van William Forsyth.26 Serrurier vond het
werk van Forsyth niet interessant genoeg. Hij vertaalde
een Duits handwoordenboek over vruchtbomen
van J. Christ, waarin hij gedeeltes van Forsyth’s
werk aan toevoegde. Dat leverde zijn Fruitkundig
Woordenboek op.27
Na deze vingeroefening begon hij aan een groter
werk. Hij had inmiddels naam gemaakt als
landbouwkundige. Bewijs daarvoor is een brief
die de toenmalige commissaris voor landbouw,
Jan Kops, in 1804 aan Serrurier stuurde. Kops
moedigde hem aan een standaardwerk van de
Duitser Albrecht Thaer in het Nederlands te vertalen.
Kops schreef: ‘sedert een geruime tijd hebt gij
den Landbouw tot uw hoofdbezigheid gesteld, en
als wetenschap beoefend.’ De brief werd in 1807
afgedrukt in het boek dat onder de titel Boerengoudmijn
verscheen.28
Serrurier had geen rechtstreekse vertaling
gemaakt van Thaer, maar een zeer vrije bewerking.
Zijn eigen ervaringen en opvattingen waren
er ruimschoots in verwerkt. De Boerengoudmijn
was geen praktisch handboek voor de gemiddelde
boer. Het was meer een overzicht van de stand van
zaken in de toen nog jonge en zeer onvolkomen
wetenschap van de landbouw. Die wetenschap
was nog lang niet ver genoeg om de landbouw
werkelijk verder te helpen. Serrurier was wel zijn
tijd vooruit met zijn opmerkingen over een efficiënte
bedrijfsvoering, over het nut van proefnemingen,
de eigen aard van ieder bedrijf en iedere
grondsoort en de kritische benadering van erva-
B O E R E N
GOUDMIJN,
OF HANDLEIDING TOT
de Kunst, om van verfchilknde Soorten van Landerijen
het meest mogelijke nut te trekken,
meer Vee te kunnen houden dan naar gewoonte
, en hetzelve over ’t geheel beter te kunnen
voeden en doelmatiger behandelen;
benevens een aantal wetenswaardige
bijzonderheden tot den Landbouw betrekkelijk:
alles met voorbeelden, opffr,”‘.,
ondervinding berustende, opgehelderd.- ‘Z._
voornamelijk gejroüen xpt de Landbouwkundige WJerjvöi .
v a n , J ‘ ï C •;•.’•’
ALBRECHT T H A t ó
ten dienfte der Hollandfche Goedsheeren
Landlieden bearfaeid en uitgegeven
door
J. F. S E R R U R I E R ,
met een aanmoedigenden Ericf
van
J A N K O P S,
COMMISSARIS TOT DE ZAKEN VAN DEN LANDBOUW
EIJ HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSCHE
ZAKEN.
MET AFBEELDINGEN.
* *
TE A M S T E R D A M , , JIJ
J O H A N N E S A L L A R T ,
uDcccvn.
ringen en theorieën van anderen.
De Boerengoudmijn is de enige bron om meer
te weten te komen van zijn bedrijfsvoering op het
Roode Huis. Serrurier deed de ‘openhartige
bekentenis’ dat zijn bedrijfin de afgelopen vijfjaar
‘geene behoorlijke rente van mijn kapitaal’ had
opgeleverd. De oorzaken lagen volgens hem niet
in de bedrijfsvoering: ‘mijne veldvruchten staan
Titelpagina van Boeren
Goudmijn uitgegeven
in Amsterdam in 1807.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
FRUITKUNDIG
WOORDENBOEK,
g E H E C Z E N D E A l l H E T G E E N BETREK KIN G H E E F T T O T
DE KENNTS EN H E T H U I S H O U D E L I J K G E B R U I K D E R
V E r. S C H I L L E N D E S 0 0 F. T E N V A N F R U I T E N ; T O T
HET JAN K W E E K E N , V E R E D E L E N , SNOEIJKN
EN B E H A N D E L E N VAN V R U C H T B O O M E N J
TOT HET AANLEGGEN” VAN BROEID
A K K E N , T R E K R A S S E N EN ORANJ
E H U I Z E N E N Z .
GEVOLGD NAAR HET HOOGDUITSCH VAN
J. C. C H R I S T
EN VEK.RIJKT MET HET WETENSWAARDIGSTE U I T
HET OP LAST VAN H E T E N G E L S C H GOUV
E R N E M E N T UITGEGEVEN WERK VAN
W. P O R S I J T H ,
over eette nieuwe wijze van boomfnoeijen, en dt
door hem uitgevondene middelen om oude, kwijnende
, of verwaarloosde bootsen te genezen en op
nieuws te doen herleven enz.
J. F. S E R R U R I E R .
in tu-ee Deden, wet Platen?] –
EERSTE DEETL.v:’
T E A M S TE RD A ivf*,, i
J O H A N N E S A L LL>>AA R T:f
M D C C C V
Titelpagina van Fruitkundig
woordenboek
uitgegeven in Amsterdam
in 1805.
doorgaans niet slechter dan die van anderen, veelal
beter; mijn vee ziet er zoo goed uit… geeft eene
genoegzame hoeveelheid melk, en ook het vetmesten
op stal gaat naar wensch.’ Volgens Serrurier
moest de conclusie zijn ‘dat de landbouw, zoo
als dezelve in deze oorden beoefend wordt, aan
zijne beoefenaars geen, althans geen geëvenredigde
voordeden aanbrengt.’29
‘Voor het oog der wereld…’
1808 was een gloriejaar voor Serrurier. Zijn naam
als landbouwkundige en zijn relatienetwerk leverden
hem drie erebanen op: het lidmaatschap van
de Commissie van Landbouw in Overijssel, van de
Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen in
Haarlem en van het door koning Lodewijk Napoleon
gecreëerde Koninklijk Instituut van Wetenschappen,
Letteren en Schoone Kunsten. Bij dat
instituut hield hij in 1810 een verhandeling over
landbouw. Eigengereid als hij was, verzette hij zich
aanvankelijk tegen de gebruikelijke publicatie.30
Maar die publieke erkenning was een magere
compensatie voor zijn privé-problemen. In 1803
hadden speculaties op de beurs hem aan de financiële
afgrond gebracht. Op zijn vrouw en zijn
vrienden na, vertelde hij niemand over zijn geldproblemen.
Hij was ‘in ’t geheel omstreeks
ƒ 90.000 schuldig’. De waarde van zijn bezittingen
(het landgoed) schatte hij op ongeveer de helft, te
weinig om als vrij man verder te leven. Hij besloot
het Roode Huis niet te verkopen. Hij trof een
regeling waardoor hij voortaan in het krijt stond
bij vrienden en ‘een Amsterdamsen huis.’ Na zijn
financiële debacle zat er volgens Serrurier niets
anders op dan ‘voor het oog der wereld een welgesteld
grondbezitter te blijven, in de daad hoogstzuinig
te leven, en voorts te zien wat ik er bij verdienen
konde.’31
Ambtelijke functies
Voor de noodzakelijke bijverdiensten ging hij op
zoek naar ambtelijke functies. Zijn kennissenkring
was hem behulpzaam, zoals hij zelf schreef,
want in 1805 ‘kreeg ik van mijne Haagsche vrienden
eensklaps het berigt dat zij hadden weten te
bewerken dat ik tot lid van den Raad van Finantie
in Overijssel zou benoemd worden.’ In die functie
streek hij jaarlijks 2500 gulden op ‘waarvoor ik
niets anders te doen had, dan 4 a 5 maal ’s week
naar de Stad te gaan en eenige uren lang de vergadering
bij te wonen.’32
Met de komst van Lodewijk Napoleon in 1808
verdween dit bestuurscollege. Maar toen had hij al
weer iets anders op het oog, want ‘het was mij
eigen om nooit te kniezen… waar ik maar iets tot
verbetering van mijnen toestand meende te kunZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nen doen, deed ik zulks.’33 In die geest toog hij in
1808 naar ’t Loo voor een audiëntie bij Lodewijk
Napoleon. Volgens eigen zeggen bedankte hij deze
voor zijn benoeming tot lid van Commissie van
Landbouw in Overijssel, maar zei liever een bezoldige
functie te hebben.34
Die brutaliteit scheen in de smaak te vallen. De
koning benoemde hem in een commissie, die een
nieuw belastingstelsel moest ontwerpen. Serrurier
kwam daardoor op gelijke voet te verkeren met
onder andere de oud-minister Hendrik van Stralen
(1751-1822) en de staatsraad P.L. van de Kasteele.
Serrurier was niet onder de indruk. Van Stralen
omschreef hij als ‘een windmaker van het eerste
soort’ en Van de Kasteele als ‘een hooghartig Costumier.’
35 Buiten de commissie om legde hij de
koning zijn ideeën voor; deze gaf hem toestemming
een eigen ontwerp te maken. Dit werk
bezorgde hem een tractement van 2400 gulden,
dat met reis- en verblijfskosten aangevuld werd tot
‘over de ƒ4000.’36
Toen Lodewijk Napoleon in 1810 vertrok,
moest hij uitzien naar andere inkomsten. Via zijn
Haagse relaties, waaronder minister van Justitie
Felix van Maanen (1769-1846), werd hem de functie
toebedeeld van griffier en notaris bij het vredegerecht
van het kanton Zwolle. Bovendien kreeg
hij bij de van landdrost tot prefect getransformeerde
P. Hofstede ‘spoedig een witten voet.’ Zo
werd hij in 1811 ook secretaris generaal van de prefectuur.
Maar omdat hij al snel in onmin raakte
met Hofstede werd hij in 1812 doorgeschoven naar
Het oude Verlaat te
Berkum in circa 1955
(foto: A. Meulenbelt).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de functie van Ontvanger van de directe middelen
in zijn woonplaats Zwollerkerspel ‘op een inkomen
van een paar duizend gulden.’ Vanaf begin
1813 begon hij die post zelfwaar te nemen ‘in een
kamer op Vegterdam’, op enkele minuten van het
Roode Huis.37
Maar deze functie was ‘onvoldoende voor mijne
behoeften.’ In 1814, toen de Franse bezetting
voorbij was, zag hij weer mogelijkheden in de
handel. Met een aanbevelingsbrief van Teissèdre
de 1’Ange wist hij een plaats als makelaar op de
Amsterdamse beurs te verwerven. Zo kwam een
einde aan zijn verblijf in Zwolle. Hij bood het
Roode Huis te koop aan en per trekschuit vertrok
hij met zijn gezin op 20 oktober naar Amsterdam.
38
In een rijtuig met vier paarden
Maar ook in Amsterdam had hij behoefte aan
‘andere hulpbronnen.’ Minister A.R. Falck
bezorgde hem de baan van ‘solliciteur’.39 In 1816
kon hij ruimer ademhalen toen hij in deze functie
9000 gulden aan provisie ontving. Bovendien ontving
hij toen het geld dat de verkoop van het
Roode Huis had opgebracht. Een jaar later werd
hij commissionair voor de Zwolse suikerraffinadeurs
Nilant en Besier; zijn solliciteurschap begon
hem ‘goed geld te geven’.40
In 1820 was de financiële ellende voorbij. Hij
keerde terug naar Zwolle met opgeheven hoofd.
Toen hij in 1814 de stad ‘met stille trom’ moest verlaten,
had Serrurier zijn vrouw beloofd: ‘nu komt
gij hier niet weer ’t en ware ik er U in een rijtuig
met vier paarden kan brengen.’ Zes jaar later kon
hij in Harderwijk die uitmonstering bestellen. Het
werden uiteindelijk drie paarden, maar dat ‘kwam
er dan ook althans voor de oogen der Zwollenaren
niet op aan’, aangezien het al middernacht was
toen ze de stad binnenreden.41
Een hard geval
Toen Serrurier tussen 1832 en 1843 zijn herinneringen
op schrift stelde, treurde hij nog om zijn
gedwongen vertrek uit Zwolle: ‘het verlaten van
die buitenplaats…was zekerlijk een hard geval’.42
Op het Roode Huis was hij gelukkig geweest, ver
van ‘apenspel, formaliteit, etiquette en leugens’,
zoals hij in zijn politiek dagboek het hof- en staatsleven
omschreef.43
Des te tragischer is dat van zijn geliefde landgoed
nagenoeg alle sporen zijn uitgewist. Huis en
stallen werden afgebroken.44 Het Roodhuizerpad,
onder de wijk Berkum, is de enige tastbare herinnering.
Serrurier zelf kreeg in de Zwolle geen
erkenning in de vorm van een straatnaam of een
gedenksteen.45
Noten
1. Gemeentearchief Zwolle (GAZ). PA 1151 bestaat uit
een map met 10 documenten, in 1943 geschonken
door mevr. dr. C. Serrurier, een nazaat van Jacob
Frederik. Daaronder bevindt zich een ‘Levensbericht’,
de belangrijkste bron voor dit artikel. Op 37
vellen van 4 pagina’s schreef Serrurier tussen 1832 en
1834 zijn herinneringen. Er is ook een getypt afschrift
van dr. C. Serrurier. Een in 1988 gemaakt afschrift
(door H. Ter Meij, De autobiografie van J.F.
Serrurier) bevindt zich in de bibliotheek van het archief.
Serrurier liet ook een politiek dagboek (‘Historische
aantekeningen’) na, geschreven tussen 1805
en 1830, volgens de aanhef gericht ‘Aan mijn zoons’.
In dit archief is ook een (zelfgeschreven?) overzicht
van zijn carrière.
2. Josue Teissèdre de 1’Ange (1771-1853) was predikant
in Zwolle tussen april 1793 en mei 1794. Hij had een
rol gespeeld bij de patriottische opstand van 1787 in
zijn geboortestad Middelburg. Bij de omwenteling
van 1795 nam hij er plaats in het burgercomité. Later
was hij dominee in o.a. Haarlem en Amsterdam. Hij
introduceerde Serrurier bij patriottische vrienden,
die later belangrijke posities zouden bekleden,
waaronder: J.H. van der Palm (1763-1840), Agent
van Nationale Opvoeding tussen 1799 en 1806 (zie
A. De Groot, Leven en arbeid van J. van der Palm,
Wageningen, 1960); Jean Henri Appelius (1767-
1828), secretaris van Lodewijk Napoleon en minister
van Financiën van 1824-28, wiens familie eveneens
uit het Duitse Hanau afkomstig was (zie: J. van
der Poel, Ter ere van Mr. Jean Henri Appelius, 1767-
1828, Deventer-Djakarta, 1954); Steven Dassevael
(1771-1838), ‘de ijverige en trouwe griffier van alle
regeringen tussen 1798 en 1810 en na 1813′. (De
Groot, Leven en arbeid, 80).
3. GAZ, PA 1151, Levensbericht, hierna aangeduid als
AB = autobiografie, p. i2a,b.
4. AB, p. i2b,c.
5. AB, p. 12c.
6. AB,p. 2b.
7. GAZ, RBSO, nr. 707.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
8. AB, p. nd.
9. GAZ, PA 1151, verhandeling 1799, p. 9,15.
10. AB, p. 14a.
11. J. Drentje, Minnaars der deugdbevordering, De
Maatschappij tot Nut van het Algemeen in Zwolle van
1789-1814, scriptie, 1986, p. 17; zie over het Nut ook:
W.W. Mijnhardt, Om het algemeen voïksgeluk: twee
eeuwen particulier initiatief1784-1984, z.p., 1984.
12. GAZ, Archief Nut.
13. AB, p. 17c.
14. Drentje, Minnaars, p. 20-29.
15. Drentje, Minnaars, idem.
16. Drentje, Minnaars, p. 40-44.
17. AB, p. 14b.
18. AB, p.i4d; zie ook noot 2.
19. Rijksarchief Overijssel, Archief Schoolbesturen in
Overijssel, nr. 378.
20. Idem, nr. 381.
21. AB, p. 14c.
22. GAZ, RA 001-00654, p. 32.
23. E. Gelderman en J. Hagedoorn (red.), Een aardsch
paradijs, De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en
Veldwijk nabij Zwolle, Zwolle, 1994, p. 15-22; C. W.
van der Pot, Zwolle’s omgeving omstreeks 1900,
Zwolle, z.j., p. 37. AB, p.3ia.
24. AB, p.i4C,d.
25. AB, p 16b, 22c,d.
26. AB, p. 16c.
27. Fruitkundig woordenboek, behelzende alle hetgeen
betrekking heeft tot de kennis en het huishoudelijk gebruik
der verschillende soorten van fruiten, Amsterdam,
J. Allart, 1805-1806,2 delen.
28. Boerengoudmijn of Handleiding tot de kunst om van
verschillende soorten van landerijen het meest mogelijke
nut te trekken, meer vee te kunnen houden dan
naar gewoonte en hetzelve over ’t geheel beter te kunnen
voeden, en doelmatiger behandelen: benevens een
aantal wetenswaardige bijzonderheden tot den landbouw
betrekkelijk: alles met voorbeelden, op ondervinding
berustende, opgehelderd, Amsterdam, J. Allart,
1807.
29. Boerengoudmijn, p. 226-227.
30. J.F. Serrurier, Verhandeling over den landbouw, Amsterdam,
1816.
31. AB, p.iéb.
32. AB, p. i6d.
33. AB, p.170
34. AB.p. 18b.
35. AB, p. i8d,i9b.
36. AB, p. i9a-2ob.
37. AB, p. 20c, 22a.
38. AB, p. 24b-26a.
39. AB, p. 27c; een solliciteur was pleitbezorger in kleine
rechtszaken en/of indiener van verzoekschriften.
40. AB, p. 3od.
41. AB, p. 31a.
42. AB, p. 26a.
43. GAZ, PA 1151, Historische aantekeningen, p. 96
44. In 1841 kwam er een andere boerderij voor in de
plaats, aldus Van der Pot, Zwolle’s omgeving, p. 37.
45. In recente historische studies over Zwolle worden
Serruriers kritische uitspraken over Zwolle aangehaald.
Zie onder andere: J.C. Streng, ‘Stemme in
staat’. De bestuurlijke elite in de stadsrepubliek 1579-
1795, Hilversum, 1997; H. Brouwer, Lezen en schrijven
in de provincie, De boeken van Zwolse boekverkopers,
1777-1849, Leiden, 1995.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De tragische liefde van Rudolf Sandberg en
Laura van Haersolte
M.L. Hansen
Vrijwel alle brieven van de Zwollenaar
Rudolf Sandberg aan Laura van Haersolte
worden bewaard in het familiearchief Van
Haersolte dat zich in het Rijksarchief te Zwolle
bevindt. Slechts enkele van zijn brieven ontbreken;
zij zijn zeer waarschijnlijk verbrand. Rudolf
Sandberg had het liefst gezien dat de gehele
correspondentie tot as werd, maar Laura bewaarde
zijn brieven zorgvuldig, zodat de zeldzame
hoogtepunten en de vele dieptepunten uit hun
verhouding bewaard zijn gebleven. Eén enkele
brief van Laura en een paar brieven van haar moeder
belichten de situatie van de andere kant.’
Het gezin van Albertus Sandberg
Rond 1820 woonde Albertus Sandberg (1768-1843)
aan de Nieuw Markt te Zwolle. Sandberg was een
van de rijkste mannen van Overijssel. Voor de verzorging
van zijn elf kinderen woonde een kindermeid
in huis. Zij nam na de dood van zijn vrouw
Reinira Johanna Schrassert (1770-1814) – gestorven
in het kraambed – steeds meer de plaats van een
moeder in. Naarmate de kinderen opgroeiden
werd zij steeds minder kinderjuf, maar bestierde
het hele huishouden. Door de kinderen werd zij
op handen gedragen.
Albertus Sandberg beheerde zijn geld en zijn
kinderen met straffe hand. Hij spendeerde grote
bedragen aan hun opvoeding. De meeste meisjes
gingen eerst naar de Franse school in Zwolle.
Daarna waren ze oud genoeg om voor de duur van
twee jaar naar een kostschool gezonden te worden,
a raison van 1.000 gulden per jaar. De opleidingen
van de jongens waren heel verschillend,
wat mogelijk te maken had met hun verstandelijke
vermogens. De knapsten studeerden; anderen
kozen voor het leger en één, Bart, werd bij een
dominee in Vaassen ondergebracht, wat zijn vader
1.200 gulden per jaar kostte.
Materiële zorgen hadden de kinderen van
Albertus Sandberg dus niet, maar zij misten een
liefhebbende vader. Sandberg was een intelligente,
pragmatische man, maar heel afstandelijk. Nooit
kon er een bemoedigend woord vanaf, prijzen was
helemaal zijn gewoonte niet. Tussen de broers en
zusters was de onderlinge verstandhouding heel
goed. Ook nadat de oudsten getrouwd waren en
elders woonden bleef het contact hartelijk en vertrouwelijk,
zelfs als zij lang niets van elkaar hadden
gehoord.
De grootste problemen met hun vader ontstonden
door de keuze van huwelijkspartners.
Albertus Sandberg was van mening – zoals meer
vaders in zijn tijd – dat geld met geld moest trouwen.
Een ieder die dat aardse goed in een (te) kleine
portie meebracht, werd zonder discussie afgewezen.
Stelde Albertus Sandberg voor zijn dochters
net zulke strenge regels als voor zijn zonen?
De eerste van de kinderen die trouwde was de
oudste dochter; haar bruidegom was een bankier.
De zonen Johan en Johannes Albertus moesten
vervolgens heel wat beledigingen slikken, voordat
zij toestemming kregen te trouwen. De bruid van
Johannes Albertus, Berendina van Bommel, nam
notabene 80.000 gulden in contanten mee. Het
was een weinig vrolijk perspectief voor de thuisblijvers.
Zoon Reinier werd zo verliefd dat hij toch
met zijn vader ging praten. Het meisje was van uitstekende
familie; haar vader was magistraat van
Deventer. Maar helaas had zij geen fortuin en
Albertus Sandberg verleende geen toestemming
tot het huwelijk. Ook een tweede verzoek van Reinier
faalde. Het was nee, het bleef nee en van trouwen
is het nooit gekomen.
Nog veel moeilijker was de situatie waarin
Rudolf Sandberg terecht kwam.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Luitenant Rudolf Sandberg (1796-1830)
Zolang Rudolf in Zwolle in garnizoen lag en hij in
zijn ouderlijk huis woonde, was zijn traktement
van 75 gulden per maand ruim voldoende om zijn
privé uitgaven te dekken. Buiten Zwolle garnizoen
houdend, kreeg hij onkosten voor kost en inwoning.
Toch hield hij genoeg over om te besteden
aan theater en concerten, aan de Redoute en aan
het gokken, én aan de dames. Als 20-jarige jongeman
was hij met zijn garnizoen naar Maastricht
vertrokken. Daar knoopte hij connecties aan met
de mooie, hartstochtelijke mevrouw Macleod.
Haar blauwe ogen en haar grote mond met prachtige
tanden waren een genoegen om naar te kijken.
Het vermoeden dat hij niet haar enige amant
was deed zijn gevoelens van affectie veranderen in
weerzin en Rudolf maakte een einde aan de verhouding.
De vele brieven die zij hem nog stuurde
liet hij ongeopend liggen. Hij richtte zijn aandacht
op Caroline van den Santheuvel, een mogelijke
huwelijkspartner. Het liep op niets uit; zonder
ruzie gingen zij elk hun eigen weg. Caroline had al
snel een ander en Rudolf raakte bevriend met
Louise Brade, de dochter van een kolonel. Rudolf
kon het met de Brade’s bijzonder goed vinden. Hij
zocht hen vaak op en vond het prettig met Louise
te praten. Louise dacht er iets anders over; zij was
wèg van Rudolf en had de volledige instemming
van haar ouders. Mevrouw Brade was alvast een
zorgzame schoonmoeder voor Rudolf. Toen hij
ziek werd, kookte zij zelfs zijn lievelingsgerechten
voor hem. Voorzichtigheidshalve liet mevrouw
Brade het jonge stel nooit alleen; in het salon zat
zij erbij en als er een tochtje gemaakt werd ging zij
mee. Misschien dat het daardoor lang onduidelijk
bleef dat Rudolf geen vurige affectie voor Louise
voelde. Rudolf had de bedoelingen van de Brade’s
wel door maar hield zich van de domme en liet
zich verwennen. Intussen was hij hevig verliefd
geworden op een ander en nam de arme Louise in
vertrouwen. Hij vertelde haar over zijn gevoelens
voor het meisje en besprak zijn plannen. Dat was
zijn verdediging toen Louise’s ouders merkten dat
hun graag geziene gast niet van plan was hun
schoonzoon te worden.
Laura van Haersolte (1806-1857)
Het meisje heette Laura van Haersolte, een barones
van zeventien jaar zonder enig kapitaal. Haar
vader Johan van Haersolte was door een financiële
mésaillance in discrediet geraakt, hij had geld en
eer verloren en zijn dochter deelde in de val. Dat
zij van adel was en dat haar familie in Zwolle in
hoog aanzien stond, baatte niet. Dat hun beider
vaders ooit vriendschappelijke betrekkingen hadden
onderhouden wenste Rudolfs vader waarschijnlijk
liever te vergeten. In tegenstelling tot
Portret van vader
Albertus Sandberg,
(A.J. Gevers en A.J.
Mensema, De Havezaten
in Salland en hun
bewoners, 281).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Nieuw Markt te
Zwolle (foto: Gemeentea
rch ief Zwolle).
Rudolf had Laura in haar jonge leven alleen maar
zorgen gekend. Haar ouders waren na voortdurend
gereis om arrestatie te ontlopen en een bron
van inkomsten te vinden, ten langen leste in
Maastricht beland waar het leven veel goedkoper
was. Haar vader werd er ontvanger van de Brusselse
loterij. Na zijn dood zette Laura’s moeder het
bureau voort.
En toen stapte luitenant Sandberg het loterijbureau
binnen, niet één keer maar al snel wel drie
keer per week. Laura’s moeder had niets in de
gaten. Misschien werd haar aandacht te veel in
beslag genomen door haar tweede huwelijk dat
rond deze tijd gesloten werd.
Het duurde niet zo heel lang of Laura en
Rudolf gaven elkaar geschenken. Hij liet zich portretteren;
niet in uniform zoals zijn eigen keuze
geweest zou zijn, maar in de kleding waarin Laura
hem het liefst zag. Zij was heel blij met het cadeau.
In wiens opdracht haar portret gemaakt werd, is
onbekend. De financiën van beiden in aanmerking
nemend waarschijnlijk van Rudolf. Ook hij
koesterde haar beeltenis. Hij kreeg van haar een
theekopje en bier- en wijnglazen waar hij zo zorgvuldig
mee omging dat hij ze liever diep wegborg
dan dat ze in scherven vielen. De gedachte alleen al
bezorgde hem nachtmerries.
Hun eerste hevige ruzie werd veroorzaakt
doordat Rudolf’zich met gemeen volk ophield op
een wijze dat men er schande van sprak,’ zo verweet
de freule de soldaat. Hij stond versteld over
haar uitbarsting; niet zozeer over wat ze zei, maar
hóe zij het zei. ‘Scheldwoorden zyn en blyven
steeds strafbaar in de mond van een jong meisje
van fatsoenlyke geboorte.’ Woedend ging hij weg
en eiste schriftelijke excuses, anders was het ‘UIT.’
De verzoening zal mondeling plaats gevonden
hebben zodat er veel te raden overblijft.
Rudolf vroeg haar ten huwelijk hoewel hij wist
dat het moeilijk zou worden zijn vaders toestemming
te krijgen. Hij kende zijn vader goed genoeg
om te weten dat deze niet blij zou zijn met een
schoondochter zonder kapitaal. Dat diens houding
zo onverbiddelijk was wist hij niet, daarvoor
had hij te weinig contact met zijn broers en zusters
gehad. Zijn vaders toestemming was noodzakelijk
omdat het inkomen van eerste luitenant onvoldoende
was om een gezin op te zetten. Zijn vader
moest dus financieel bijspringen. Rudolf moest zo
snel mogelijk kapitein zien te worden en daarvoor
bood de afdeling infanterie in Zwolle meer kans
dan die in Maastricht. Bovendien kon hij meer
sparen als hij thuis woonde. Hij vroeg met succes
een ruiling aan en al snel zou Zwolle zijn nieuwe
standplaats zijn.
Rudolf en Laura smeedden een plan voor een
laatste samenzijn voordat hij naar Zwolle vertrok:
zij ging – met toestemming van haar moeder – bij
haar getrouwde zus in Luik logeren. Wat haar
moeder niet wist was dat Rudolf ook kwam. Bij
aankomst was hij ziek. De liefdevolle verzorging
door Laura heeft de intimiteit ongetwijfeld verZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hoogd. De laatste ochtend, heel vroeg, sloop
Rudolf naar Laura’s kamer, bezwoer haar op het
graf van zijn moeder, met haar te trouwen en nam
op onstuimige wijze afscheid. Hij ging naar Zwolle
en zij bleef in Luik hangen totdat haar moeder –
inmiddels achterdochtig geworden – haar later
ophaalde en het hoge woord eruit kwam: zij was
zwanger.
Rudolf ontving het verpletterende nieuws per
brief. Na van de eerste schrik bekomen te zijn nam
hij zonder bedenken de verantwoording van het
vaderschap op zich en begon onmiddellijk geld te
sturen.
Van zijn broers en zusters kreeg hij veel sympathie.
Zij zouden Laura allemaal als een zusje
verwelkomen, verzekerden zij hem. Zij gaven hem
echter – ook met een kind op komst – geen kans de
vaderlijke toestemming tot een huwelijk te krijgen.
Zo openhartig als Rudolf tegen zijn broers en
zusters en tegen de huishoudster was, zo gesloten
was hij naar zijn vader toe. Albertus Sandberg
werd al spoedig op een andere manier op de hoogte
gebracht van de aanstaande geboorte van zijn
onwettige kleinkind. Zijn zwager, om raad
gevraagd door Laura’s moeder, bracht Albertus
Sandberg ‘in zijn heiligen yver’ op de hoogte. Papa
repte er thuis met geen woord over en was tegen
Rudolf vriendelijker dan ooit. Misschien dat de
familie Van Haersolte niets van de familieTuitbreiding
geweten heeft, in ieder geval constateerde
Rudolf dat ‘heel Zwolle’ mee zweeg.
Elke cent die Rudolf overhield bewaarde hij
voor Laura. Hij stuurde het geld op in de vorm
van coupons of wissels. In Zwolle was het niet zo
moeilijk een coupon te bemachtigen, al kon hij het
bedrag niet precies vaststellen. In Kampen liep hij
de hele stad afzonder te slagen. In Maastricht verliep
de ontvangst via Laura’s moeder omdat Laura
zich op een geheim adres bevond, in een poging
praatjes te voorkomen.
Rudolf maakte zich zorgen over het financiële
verlies bij het verzilveren van de coupons. Hij
meende dat zijn schoonmoeder niet al het ontvangen
geld aan Laura gaf. Dat de coupons geen goede
oplossing waren vond mama ook: ‘Die coupons
wil men hier niet eens hebben.’ Zij had ze
stom toevallig kunnen verzilveren bij een jood die
op het punt stond naar Amsterdam te gaan en het
bij de transactie opgelopen verlies vond zij in
tegenstelling tot Rudolf te verwaarlozen. Voor 51
francs slechts 36 centimes. Dat was inderdaad
minder dan Laura had gezegd. Mama vatte
Rudolfs commentaar op als een verwijt over haar
onbetrouwbaarheid en voer verder uit: ‘alsof wy
daarop zouden profiteeren.’ Rudolf stelde voor
geld te sturen, de reactie was onverwacht fel. Zij
verweet Rudolf ‘wilt Gy my nu ook ten toon stellen.’
Rudolf was perplex dat een vrouw die in de
hoogste kringen had verkeerd, zulke taal uit kon
slaan. Het choquerendste heeft hij wellicht niet
eens op papier gezet, om Laura te sparen.
Vertrouwen, jalouzie en liefde
Rudolf Sandberg was geen man waar een meisje in
moeilijkheden staat op kon maken. Hij was vol
goede bedoelingen maar het mankeerde hem aan
daadkracht. Hij had begrip voor de moeilijke situatie
waarin Laura verkeerde, maar behalve het
mondjesmaat sturen van geld deed hij er niet veel
aan; kon dat waarschijnlijk ook niet. Hij besefte
zijn onvermogen maar als Laura hem dat verweet
reageerde hij geraakt. Hij nam zelden het initiatief:
‘als Gy iets nodig heeft zeg het slechts’ en
wachtte af terwijl hij wist dat Laura een schamele
garderobe bezat en van alles voor de baby nodig
had. Op Laura’s vragen om raad gaf hij in het
geheel geen antwoord of hij omzeilde de vraag
met: ‘zoals U het doet zal het goed zijn.’ Detail van een brief.
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Waarom kon hij met een regiment naar Maastricht
marcheren (het ging niet door omdat hij
ziek werd) en kwam hij tijdens een verlof van vier
maanden niet verder dan Utrecht? Hij was een
dromer; zodra er een kleinigheid gebeurde fantaseerde
hij grote gevolgen erbij. Hij mijmerde over
een prettige toekomst. Hij met zijn kind op
schoot, leerde hem lezen en rekenen, Laura gezellig
met een handwerkje bezig….
Dat de werkelijkheid ondertussen minder
prettig was wist hij wel, maar hij wilde het niet
horen. Op verwijten reageerde hij gepikeerd. Als
Laura schreef dat zij het zo moeilijk had, antwoordde
hij steevast dat het voor hem ook niet
gemakkelijk was. Over de eerste verwijten van
Laura’s moeder en stiefvader werd hij zo kwaad
dat hij twee maanden niets van zich liet horen. Pas
een maand voor de bevalling werd de correspondentie
weer opgepakt. Rudolf beloofde zijn ‘Dierbare
Beste Laura’ keer op keer eeuwige trouw en
beloofde haar tot de gelukkigste der vrouwen te
maken. Hij wenste voor zijn Laura de enige ware
liefde te zijn. Haar volledige vertrouwen te hebben
maakte hem gelukkig. Omgekeerd bracht een
gebrek aan vertrouwen hem totaal van zijn stuk.
Dat hij af en toe op onmogelijke wijze uit de hoek
kon komen had hij niet eens in de gaten: terwijl
Laura eenzaam in het kraambed lag beschreef hij
haar een Zwols naaistertje dat sprekend op haar
leek. Hij liep met hartkloppingen in de stromende
regen achter haar aan, hij volgde haar tot in de
kerk. Nog nooit had een kerkdienst hem zo kort
toegeschenen, ‘met dit meisje zoude ik my kunnen
vergeten.’ Als één van zijn broers haar door de
straat zag lopen riep hij: ‘Dolf! daar gaat Lauret
heen’, waarna Rudolf naar het raam stoof.
Hij had ook nog steeds contact met de familie
Brade en het aanstaande bezoek aan Zwolle van
zijn ‘ex’ Caroline kondigde hij vrolijk aan. Laura
wist dat uitgerekend mevrouw Macleod naar
Kampen was verhuisd. Als geruststelling schreef
Rudolf dat hij slechts een half uurtje in Kampen
was gebleven, net lang genoeg om met de beurtschipper
te onderhandelen voor de overtocht naar
Amsterdam waarheen hij twee van zijn zusters
begeleidde. Het halve uurtje was lang genoeg
geweest om mevrouw Macleod te zien, zij het
slechts uit de verte. Zij was net bevallen van een
zoon, wist Rudolf én hij wist hoe zij leefde met
haar oude man. De laatste opmerking doet weinig
geruststellend aan en Laura kreeg met al haar twijfels
gelijk. Rudolf werd naar Kampen verplaatst en
kreeg prompt een uitnodiging van de Engelse die
er niet om loog. Zij koesterde nog steeds vurige
gevoelens voor Rudolf en wenste hem ’s avonds bij
de kerk te ontmoeten. Hij ging er niet op in. Hogelijk
beledigd dat Rudolf Sandberg niet kwam
opdagen, schreef zij een tweede brief: hoe zij al
wachtend drie maal om de kerk gelopen was, een
eer die geen enkele andere man nog te beurt gevallen
was. Hij moest en zou komen, elke andere
vrouw die zijn aandacht trok zou zij doden,
schreef zij met gevoel voor drama. Haar man was
niet thuis en zij verwachtte Rudolf op de afgesproken
tijd bij haar huis.
Aan het gedetailleerde verslag te zien, leek
Rudolf de aandacht toch wel strelend voor zijn ego
te vinden al ging hij niet op het aanbod in. Hij
vond het leuk Laura jaloers te maken: ‘want myne
Laura weet wel, dat ik er steeds behagen in schepte,
die gewaarwording by haar te verwekken.’ Als
zij niet jalours werd was het net of zij niets om
hem gaf. Vertrouwen moest zij hem ook. Licht
dreigend zei hij dat als hij de naam kreeg hij er
gemakkelijk de daad aan toe kon voegen.
Rudolf had weinig reden tot jaloezie. Laura zag
bijna niemand. Om de schande te verdonkeremanen
was het kind buiten Maastricht ter wereld
gebracht. Na een paar maanden verhuisden de
jonge moeder en haar baby naar een ander dorp,
in de hoop dat de familie-omstandigheden daar
niet bekend waren. Zelfs Rudolf wist haar adres
niet. Zij leefde er onder een valse naam en Rudolf
veronderstelde dat zij zich mevrouw Sandberg
noemde.
Rudolf Sandberg was heel gevoelig voor attenties.
Dat Laura de moeite nam een halsdoek voor
hem te zomen was voor hem het bewijs dat zij
ondanks de jongste ruzie om hem gaf. Toen Laura
schreef dat zij ernstig ziek was geweest, maakte hij
zich grote zorgen. Dat zij inmiddels aan de beterende
hand was, had geen invloed op de gedachtenstroom
van Rudolfs fantasie: als Laura hem
ontviel dan zou hij zich vrijwillig het leven beneZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
men. Hij zag het precies voor zich. Na achterlating
van een brief waarin hij zijn broers en zusters
opdroeg voor zijn kind te zorgen, zou hij naar
Laura’s graf gaan en met haar beeltenis voor ogen
een einde aan zijn leven maken. Misschien overdreef
hij niet eens zo veel. De dood van zijn kanaries
bracht hem zo uit zijn doen dat hij zijn eten
liet staan terwijl zijn tranen vloeiden. Hij kon er
niet van slapen, met als gevolg dat hij midden in
de nacht zijn verdriet aan Laura beschreef. Boven
een brief met emotioneel nieuws kon hij uren blijven
staren en zuchten. Voor haar portret stortte
hij bittere tranen. In de laatste maanden van Laura’s
zwangerschap en de eerste maanden na de
geboorte van het kind kon hij haar portret niet
aanzien. Hij omwikkelde het met een doek – die
van Laura was geweest – en verstopte het achter in
een kast. Wandelend in Zwolle’s omgeving trachtte
hij zijn gemoedsrust weer in evenwicht te brengen.
Rudolf Sandberg had genoeg zelfkennis om te
weten dat hij een driftig man was. De pijn waar hij
een tijdlang aan leed was een gedeeltelijk excuus,
maar ook zonder pijn had hij woedeaanvallen. Hij
was ook slordig in zijn sociale contacten. Hij kon
geen excuus aanvoeren voor het niet beantwoorden
van zijn post. Hoewel hij van zijn broers en
zusters hield, konden zij meer dan een jaar van
enig bericht verstoken blijven. Een broer was al
een half jaar getrouwd voordat hij door Rudolf
gefeliciteerd werd. Een zwager had meerdere brieven
gestuurd en een paar maanden later had hij
nog steeds niets van Rudolf gehoord. Rudolf wist
wel dat hij er verkeerd aan deed maar hij was niet
in staat zich tot schrijven te zetten. Hij schoof het
van dag tot dag voor zich uit. Rudolf liet ‘zyn moedertje’
ook raden hoe het met hem ging. Achteraf
had hij veel spijt van dit gedrag, smeekte om Laura’s
vertrouwen en bedelde om vele lange brieven
en was gelukkig als zij lief en vriendelijk schreef.
Dolfke (1825-1859)
Rudolf stelde in aanvang veel belang in zijn kind.
Hij vroeg op de hoogte gehouden te worden over
de vorderingen in het zindelijk worden, lopen en
praten. Hij kon de ontwikkelingen van zijn zoon
enigermate volgen omdat een paar huizen verderop
in de straat een jong echtpaar woonde met een
baby, even oud als zijn Dolfke. Bij mooi weer wandelde
de moeder met het kind over de Nieuw
Markt. Wat hij jammer vond, was dat Dolfke zo
weinig haar had, want in Zwolle liep een klein
meisje rond met prachtige krullen waar nog nooit
een schaar in was gezet.
Direct na de geboorte van hun kind kreeg hij
een lokje haar van de baby opgestuurd. Hij was er
zeer door geroerd, keek er elke dag naar, had het
voor zich liggen bij het schrijven en vroeg na een
paar maanden een nieuw lokje zodat hij kon zien
of de kleur veranderde.
Hij had behoefte iets tastbaars van zijn geliefden
te bezitten en vroeg een gebruikt kledingstuk
zowel van Laura als van het kind te sturen, zij
moest de kleding vooral niet wassen. De geur
moest aanvullen wat het oog miste.
Dat Dolfke met zeventien weken al zindelijk
was, kon hij niet geloven en dat het kind zo verstandig
was als Laura schreef, daar wilde hij wel
eens een staaltje van horen. Hij stelde Laura gerust
toen het praten lang uitbleef: ‘Boomen welke laat
opgaan, dragen doorgaans de beste vruchten.’
Dat zij het kind na een jaar nog zoogde zinde
hem niet. Zijn schoonzus zei ook al dat het niet
goed was. Hij vroeg meermalen met nadruk ermee
te stoppen. Ten laatste dreigde hij geen acht meer
op zijn gezondheid te slaan als zij zo slordig met de
hare omging. Hij was tevreden toen hij hoorde dat
zij met zogen was gestopt.
Rudolf vroeg steeds weer om informatie over
Dolfke, ‘elke kleinigheid was van belang.’ Vanuit
Zwolle gaf hij opvoedkundige raad; bij negen van
de tien kinderen bereikte men met kwaadheid
slechts weinig. Laura moest het kind met zachtheid
opvoeden en prijzen voor vlijt en vorderingen.
Drift was voor beteugeling vatbaar. Voor straf
in de hoek zetten was zijn uiterste strafmaatregel;
slaag keurde hij in alle gevallen af. Hij raadde een
huisdier – bij voorkeur een hondje – aan en snoepen
was slecht voor de tanden.
Behalve geld in de vorm van coupons stuurde
Rudolf zodra een gelegenheid zich voordeed (en
dat was niet vaak) een mand of kistje naar Laura
met voedingswaren die in Zwolle goedkoper
waren of die in Maastricht niet te krijgen waren.
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kinderprent met Sint
Nicolaas, circa 1800.
(Uit: Kinderen van alle
tijden. Kindercultuur in
de Nederlanden vanaf
de middeleeuwen tot
heden, 72).
Hij zond lekkernijen zoals Deventerkoek, chocolade
en rozijnen, Madeira- en Mallagawijn, en
zelfs een keer bloembollen met een gebruiksaanwijzing
erbij. Hij stroopte thuis de zolder af voor
afgedankte kleding van zijn zusters en kocht
meters linnen. Zijn ‘engelachtig kindje’ verwende
hij met pepermuntjes in de vorm van dieren en
een enkele keer met een ‘speeltje.’ Nadat Dolfke
had geklaagd over het voorbijgaan van St.Nicolaas
– terwijl zijn vriendjes zo goed waren bedacht –
stuurde Rudolf een jaar later extra geld op voor
een cadeautje.
Jantje (1827-1901)
Rudolf had trouwplannen, maar niet met Laura.
Hij was door zijn vader gemachtigd Laura een
afkoopsom aan te bieden. Rudolf reisde naar
Maastricht, met wat hij een voordelig voorstel
vond: een som van ‘duizenden guldens’ ineens;
een bedrag overigens dat onvoldoende was om
een heel leven mee door te komen. Rudolf zou wel
kans zien om haar af en toe iets extra’s toe te stoppen.
Hoe hij het een en ander aan zijn aanstaande
vrouw zou uitleggen, heeft hij waarschijnlijk nooit
bedacht. Laura weigerde het aanbod en haar stiefvader
ging zo heftig tekeer dat Rudolf geschrokken
met een ‘zoet praatje’ een einde aan alle
opwinding maakte en naar Zwolle terug ging. De
reis was in meerdere opzichten een teleurstelling
geworden. Het was de eerste keer dat Rudolf zijn
zoon zag. Het kind viel hem zwaar tegen, hij vond
zijn ‘engelachtig kindje’ maar ‘een boeren kinkel.’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De liefde was echter niet voorbij want Laura was
voor een tweede keer zwanger.
Rudolf raakte in een diepe depressie. Zijn
voorgenomen huwelijk ging niet door. Voor, tijdens
en na de geboorte van zijn tweede zoon – Jantje
– liet hij niets van zich horen. In plaats van elke
maand een klein bedrag te sturen, zoals zijn
gewoonte was, stuurde hij eens in de drie maanden
een grote coupon en Laura’s portret had hij
achter de spiegel gehangen. Pas na maanden
stuurde hij korte en bovenal koele briefjes.
Brussel
Laura’s vertrouwen hielp hem er langzaam bovenop
en hij schreef weer wat vaker aan zijn (nog
steeds) dierbare Laura. Hij leefde op bij zijn overplaatsing
als kapitein van de grenadiers naar Brussel.
Onder zijn vaders blik vandaan en met het
inkomen van kapitein kon hij met meer vertrouwen
en zelfs met belangstelling zijn toekomst tegemoet
zien. Hij noemde Laura na lange tijd weer
‘zyn vrouwtje’ en sprak van ‘myn kinderen.’ Hij
was zeer verheugd dat Laura instemde naar Brussel
te verhuizen en ging op zoek naar een geschikte
woning. Intussen zocht hij Laura en de kinderen
meermalen op; de verhouding begon op een
gezinsleven te lijken. Rudolf genoot van zijn kinderen,
de op handen zijnde verhuizing was het
enige dat aan hun geluk ontbrak. Net buiten een
van de Brusselse stadspoorten vond Rudolf de
begeerde woning. Hij raadde Laura aan niet te
lang te wachten met het opzeggen van haar huur
en noteerde alvast de te verhuizen spullen om
voor het vervoer te zorgen.
Het politieke klimaat in de Zuidelijke Nederlanden
was op dat moment echter onrustig, de
roep naar onafhankelijkheid groot. In Brussel braken
in 1830 relletjes uit, maar het leger werd nog
niet ingezet. Toen de huizen van notabelen aangevallen
werden en de onrust zich uitbreidde viel
prins Frederik op bevel van zijn vader koning Willem
I Brussel binnen. Hij kreeg versterking uit de
plaatselijke garnizoenen. De Brusselaars richtten
barricades op en er werd drie dagen lang in de
straten gevochten voordat Frederik zich terugtrok
met achterlating van honderden doden.
Kapitein Rudolf Sandberg werd gewond naar
Mechelen gebracht. Eerst liet het zich nog niet zo
ernstig aanzien maar na een paar dagen werd Laura
verzocht met spoed te komen. Rudolf schreef
nog een kort briefje aan zijn familie met het verzoek
om Laura en de kinderen niet in de steek te
laten en stierf.
Uit de familie geschrapt
De familie Sandberg werd in 1839 in de adelstand
verheven maar voor de kinderen van Rudolf
Sandberg werd in het Adelsboek geen plaats ingeruimd.
Hoewel de kinderen de familienaam van
hun moeder droegen, werden zij ook bij de familie
Van Haersolte niet erkend. De koning deed dat
evenmin. Een poging van Jan om alsnog in de
adelstand verheven te worden liep op een mislukking
uit.2
Maar het kon nog krasser: Rudolf Sandberg is
niet in het Adelsboek vermeld, alsof hij nooit heeft
bestaan. Dankzij zijn brieven, die hij zelf vernietigd
had willen zien, is van hem meer bekend
geworden dan zijn vader ooit heeft kunnen vrezen.
Noten
1. Hansen, M.L. (ed.), Dierbare Laura. Brieven van
Rudolf Sandberg. 1823-1830, Overijsselse Handschriften
1, Epe 1997.
2. Marcelis, Th., ‘Hoe is het met ons Dolfke?’, in:
IJsselakademie7 (1984), 81-86; 8 (1985), 13-16,39-40.
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De opheffing van Zwollerkerspel1
Peter Tijhaar ‘wolle in een wurggreep, uitbreidingsplannen
zijn onmogelijk, Zwollerkerspel
/als een knellende ceintuur rondom de
Overijsselse hoofdstad.’ Veelgehoorde kreten uit
het nabije verleden. Nogal eenzijdig natuurlijk,
beweringen vanuit de ‘grote stad.’ Zwollerkerspel
werd geportretteerd als een soort boeman. Vanzelfsprekend
voelde Zwollerkerspel zich helemaal
niet als een wurger of Jack the Ripper. En terecht:
Zwollerkerspel slingerde zich weliswaar nogal
slangachtig om Zwolle heen, maar het was een
trotse welvarende gemeente met een rijke historie.
Het ongeluk voor Zwollerkerspel was dat
Zwolle als gemeente belangrijker was; het vervulde
een regiofunctie en was aangewezen als industriekern
en moest daarom uitbreiden om de
moderne tijd bij te kunnen benen. Daarvan werd
Zwollerkerspel in 1967 het slachtoffer. De gemeente
werd in drie stukken verdeeld. Het grootste deel
werd in de nacht van 31 juli op 1 augustus Zwols
grondgebied. Zwollerkerspel is dus al meer dan
dertig jaar lang historie. Toch voelen veel oudere
en zelfs jongere inwoners van deze ex-gemeente
zich nog altijd meer Zwollerkerspelaar dan Zwollenaar.
Zij wonen niet in Zwolle maar in de dorpen
Berkum, Frankhuis, Ittersum, Wijthmen,
Windesheim en Westenholte of in de buurtschappen
Berkum-Brinkhoek, Berkum-Bruggenhoek,
Berkum-Poepershoek, Berkum-Veldhoek, Cellemuiden,
Genne, Haerst, Harculo, Herfte, Hoogen
Laag-Zuthem, Langenholte, Mastenbroek,
Nieuwe Wetering, Oldeneel, Oude Wetering,
Streukel en Voorst. Vanaf 1967 was het hier
‘gemeente Zwolle.’ Alleen Cellemuiden, Genne,
Laag-Zuthem, Mastenbroek en Streukel gingen
naar andere gemeenten.
Veel buurtschappen hebben inmiddels hun
identiteit verloren en zijn opgegaan in de stedelijke
bebouwing van Zwolle.2 Dit geldt ook voor de
dorpen. Ittersum en Schelle zijn opgeslokt door
Zwolle en maken nu deel uit van Zwolle-Zuid.
Berkum en Westenholte daarentegen hebben hun
eigen karakter redelijk kunnen behouden, al kijken
veel inwoners van Westenholte en Frankhuis
nu tegen de huizen van Stadshagen aan. Eigenlijk
is alleen Wijthmen ongeschonden uit de strijd
gekomen.
Wat waren de oorzaken die uiteindelijk leidden
tot de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel
in 1967? In dit artikel wil ik een antwoord
geven op deze vraag. Ik doe dit door middel van
een chronologisch overzicht dat begint in 1960,
een jaar vóór het verzoek tot grenswijziging. Het
eindigt in 1967, het jaar van de opheffing van
Zwollerkerspel. Het onderzoek is voornamelijk
gebaseerd op artikelen in de Zwolsche Courant.
De stilte voor de storm
In 1960 was er van een grenswijziging tussen
Zwolle en Zwollerkerspel nog geen sprake. Laat
staan van opheffing van Zwollerkerspel. De toenmalige
burgemeester van Zwollerkerspel, de heer
C Slager, maakte zich hierover dan ook nog geen
merkbare zorgen. In 1960 zei hij: ‘Directe uitbreiding
van Zwolle over de Zwollerkerspelgrenzen is
nog niet zo hard nodig, de helft van het Zwols
grondgebied is nog onbebouwd.’ Dat Zwollerkerspel
de toekomst rooskleurig tegemoet zag bleek
ook uit tal van bouwactiviteiten die op stapel stonden.
Zo lagen er plannen op tafel voor een villadorp
in de Brinkhoek en zomerhuisjes in Herfte.
Voorop stond dat dit alles in goed overleg zou
gaan met de gemeente Zwolle.
Voor Berkum was een bestemmingsplan ontwikkeld.
Het plan behelsde een uitbreiding van
het aantal woningen met 300. Verder zouden er 16
speciale woningen komen voor ouderen, 8 winkels,
74 meter garageboxen, een sportterrein en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
een transformatorstation. Wanneer dit klaar was,
moest men bekijken hoe men verder zou gaan: in
zuidelijke richting of verder naar de Vecht. Ook
Westenholte, Voorst en Ittersum hielden zich
bezig met de toekomst. Het accent in Westenholte
moest komen te liggen op de bouw van arbeiderswoningen;
dit met het oog op het geplande industrieterrein
aan het nieuwe Zwolle-IJsselkanaal. In
het uitbreidingsplan voor Ittersum was behalve de
bouw van 400 woningen ook een nieuw Huis van
Bewaring en een nieuwe Rijkswerkplaats voor
Vakontwikkeling opgenomen. De oude Rijkswerkplaats
was gevestigd aan de Hoogstraat.
Een ding was zeker, Zwollerkerspel maakte
zich in 1960 weinig zorgen over de toekomst. De
gemeente floreerde en het aantal inwoners was
gestegen van 11.411 tot 11.721. Toch was die toekomst
verre van rooskleurig; dat zou spoedig blijken.
Zwolle wil een gesprek
Op 7 maart 1961 nodigde het gemeentebestuur van
Zwolle het bestuur van Zwollerkerspel uit voor
een oriënterend gesprek over grenswijziging tussen
beide gemeenten. De argumenten die Zwolle
hanteerde waren niet zozeer het feit dat Zwolle
een grotere stad wilde worden of meer inwoners
moest krijgen. Het ging er meer om dat veel burgers
in Zwolle werkten. Zij waren zodoende
betrokken bij het dagelijks leven van de stad, maar
woonden in Zwollerkerspel. Zij hadden geen
enkele mogelijkheid om mee te praten over de
stad omdat zij buiten de gemeentegrenzen woonden.
Volgens de burgemeester van Zwolle, drs.
J.A.F. Roeien, kwam op verschillende punten het
welzijn van de burgers in gevaar. Om dit tegen te
gaan was een royale grenswijziging noodzakelijk.
Dat dit niet het enige argument was, zou later blijken.
Het gemeentebestuur van Zwollerkerspel
stond echter niet open voor mondeling overleg.
En dat terwijl het gemeentehuis van Zwollerkerspel
aan het Ter Pelkwijkpark op nog geen 300
meter van het Zwolse gemeentehuis stond. In juni
1961 zond Zwolle aan Zwollerkerspel de conclusies
van het rapport van de Sociografische Dienst van
Zwolle. Daarin stonden cijfers over de te verwachten
bevolkingsgroei van de stad. Ook het structuurplan
1961 en een kaart waarop de door Zwolle
gewenste grenswijziging stond aangegeven, wer-
Ver voordat er sprake
was van opheffing van
de gemeente Zwollerkerspel,
verrezen o.a. in
Berkum nieuwe woningen.
Hier is de Campherbeeklaan
te zien
omstreeks 1952 (foto:
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het gemeentehuis van
Zwollerkerspel bevond
zich op Zwols grondgebied,
aan het Ter Pelkwijkpark
(foto:
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
den opgestuurd. Het college van B&W van Zwollerkerspel
raakte echter niet overtuigd van de
noodzaak tot zo’n grote grenswijziging. Wel was
men bereid grond af te staan voor industrievestiging.
Hier moest tegenover staan dat Zwollerkerspel
een Zwols stuk ten zuidwesten van de spoorlijn
naar Almelo zou krijgen. Over het afstaan van
woongebieden viel niet te praten.
Zwolle zet door
Zwolle zette echter door. Op 5 augustus 1961 stelde
het college van B&W aan de gemeenteraad voor
om de grenswijziging bij de Staten-Generaal aanhangig
te maken. De raadsleden ontvingen ook
het structuurplan 1961 en het rapport van de
Sociografische Dienst. De voorgestelde wijziging
kwam er op neer dat Zwolle een gebied wenste dat
lag rond de grens van Zwolle en dat ongeveer
anderhalf a tweemaal de oppervlakte van Zwolle
bedroeg. In het zuidwesten zou de grens gevormd
moeten worden door de IJssel; in het noorden
door de Vecht. Ook in noordwestelijke en zuidoostelijke
richting zou de grens aanzienlijk verlegd
worden.
Welke argumenten hanteerde Zwolle om de
grenswijziging te legitimeren? B&W gingen er
vanuit dat de Zwolse bevolking, ongeacht de ontwikkeling
in het randgebied, zou groeien van
56.000 in 1961 tot 92.000 in 1985 (dit is redelijk uitgekomen);
dat de beroepsbevolking in 1985 zou
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zijn toegenomen van 19.300 tot 35.222 en dat de
woningbehoefte dan ruim 26.000 woningen zou
bedragen. Een en ander hield in dat er in 1985 in
Zwolle minimaal 418 hectare beschikbaar moest
komen voor de bouw van ruim 14.000 woningen
en voor scholen, kerken, ziekenhuizen, winkels en
wijkcentra. Verder 141 hectare voor industrieterrein
en 129 hectare voor recreatieve doelen. Uitbreiding
van het grondgebied was dus onontbeerlijk.
Een grenswijziging zou de industriële ontwikkeling
van Zwolle ten goede komen. In de door de
regering geschreven Zevende Industrialisatienota
was Zwolle als één van de kernen aangewezen
waar arbeidsplaatsen geconcentreerd moesten
worden. Er moest dus ook ruimte worden
gecreëerd voor industrieterreinen.
Voorstel aangenomen
Op 21 augustus 1961 werd in de Zwolse gemeenteraad
over de grenswijzigingsplannen gesproken.
De heer Van Wegen van de KVP weerlegde het
argument dat de grenzen historisch waren
gegroeid. De grenzen tussen Zwolle en Zwollerkerspel
waren, aldus de KVP-er, in 1802 tijdens de
Franse bezetting vastgesteld. ‘Een onnatuurlijke
en grillige grens.’ Hij vond dat het ging om de welvaart
van Zwolle en omgeving, van alle

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1998

Door 1998, Zoek in ons tijdschrift

.„.V
«”pWpp’
r^-ir // n-mrm $$ iatfrr af t
ft» rsfir tm/
mm yw* fttpkat Dunk ér
** P?R I f S Jf 1 2 , 5rC% /7
‘imv» «w .nu/Jfw ma
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma-van Hulten
Ansichtkaart Sassenpoortenbrug
Poststempel 7 januari 1910
Zwolle Jan ’10
Door dezen kom ik U even bedanken voor de oublies
die goed zijn overgekomen en goed smaken, dank
aan allen maar meest aan moeder A. Aaltje deze
kaart stelt voor de Sassenpoortbrug, oud model,
maar nu is hij geheel anders, het is nu een vaste brug
geworden en veel mooijer. Gij moet eens komen kijken.
Zijt alle gegroet en nog bedankt van u(w) zus en
,T. tante H. Paarhuis.
Een kaart uit 1910 met daarop nog de oude Sassenpoortenbrug.
Zoals de afzendster opmerkt, lag de
nieuwe brug er op dat moment nog maar net. De
afgebeelde eenvoudige ophaalbrug dateerde van
1861. De aanleg kostte destijds nog geen tienduizend
gulden. De verkeersdruk werd in het begin
van deze eeuw – ook toen al – echter te groot voor
de brug, vanwege de belangrijke rol die deze verbinding
vervulde als doorgangsroute naar het
groeiende Assendorp en tevens naar het station en
de goederenloods van de spoorwegen. De brug
deed dienst tot 1909; toen kwam de nieuwe brug
gereed. Ontwerper van deze vaste brug, die er vandaag
de dag nog ligt, was stadsarchitect Lourens
Krook. Het was een voor die tijd brede brug –
twaalf meter – en de draagconstructie was vervaardigd
van het toen moderne materiaal beton. De
vormgeving is sober, maar met name in de verlichting
vallen nog wel enkele Jugendstiltrekken te
herkennen. Het is de oudste vaste brug van Zwolle
en deze is opgenomen op de monumentenlijst. De
brug werd in 1977 gerestaureerd omdat vooral de
onderkant in een slechte conditie verkeerde, het
uiterlijk bleef echter behouden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift
reikt van de zestiende tot in de twintigste eeuw. In
het eerste artikel komt de onrustige periode van de
Opstand in de zestiende eeuw aan de orde.
Een van de leidende figuren die Zwolle door de
moeilijke periode van de Opstand hielp, was
Johan van Haerst. Over hem schreef M.L. Hansen
een beknopte biografie.
Na de Pruissische inval in 1787 vluchtten een
groot aantal Zwolse patriotten naar het Franse
St. Omaars om daar gunstiger tijden af te wachten.
Welke mensen waren dit nu? Het antwoord op
deze vraag is te vinden in het artikel van Johan
Seekles.
Als laatste artikel een bijdrage van J.C. Streng
over de grote landbouwtentoonstelling in 1928 de
‘Zwolland’. Door plaatsgebrek kon dit in het eerder
verschenen themanummer over de Zwolse
landbouw niet geplaatst worden.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma-van Hulten 2
Een leven in dienst van de stad:
Johan van Haerst (151O-1583* M.L. Hansen 4
Zwolse patriotten in St. Omaars Johan Seekles 15
Zwolland J.C. Streng 21
Literatuur 28
Mededelingen 33
Agenda 34
Omslag: De belegering van Zutphen door troepen van Alva in 1572, getekend
door Walter Morgan (foto: BMGN98, (1983), 56).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een leven in dienst van de stad:
Johan van Haerst (1510-1583)
M.L. Hansen Zwolle had in de zestiende eeuw in Johan van
Haerst een krachtige en betrouwbare
bestuurder, een waardevolle bemiddelaar
en afgezant van de stad. Gedurende vele jaren, met
een korte onvrijwillige onderbreking in de jaren
zeventig, behartigde hij de Zwolse belangen. Hij
liet zich niet leiden door persoonlijke voorkeuren
noch door zijn religieuze voorkeur. Zijn reacties
op moeilijke situaties en zijn vermogen deze tot
een bevredigend einde te brengen, geven het beeld
van een intelligent en mild man met een standvastig
karakter.
Johan van Haerst en zijn familie
Zijn voorouders woonden al generaties lang in
Zwolle en in Zwolle’s omgeving. Zijn vader was
Herman van Haerst, later ook Van Haersolte
genoemd. Hij was leenman van het sticht Utrecht,
dijkbewaarder van Mastenbroek en pander van
Salland. Johans moeder was Fenne ten Brink. Zijn
tante Alphijt van Haersolte was mater van het
Olde Begijnenconvent binnen Zwolle,1 zij overleed
in 1539. Hij had twee broers: Bartolt die al op
13-jarige leeftijd stierf en Albert die na zijn dood in
1541 vrouw en drie of vier kinderen achter liet.
Over Johans jeugd en opleiding is niets bekend.
Zijn bezittingen lagen voor een groot deel vlakbij
Zwolle en zijn Zwolse woning lag in de Koestraat
aan de kant van de stadsmuur.
Over de familienamen Van Haerst en Van
Haersolte kan enige verwarring ontstaan. Johans
voorouders werden zowel Van Haersolte als Van
Haerst genoemd. In 1536 trouwde Johan met
Christina van Haersolte, voor zover is na te gaan
waren bruid en bruidegom geen familie van
elkaar. Zij hebben samen zeven kinderen gehad,
waarvan de vier zonen altijd met de naam Van
Haersolte vermeld worden.
Verder had Johan van Haerst nog twee
natuurlijke kinderen. Het is echter ook heel goed
mogelijk dat deze kinderen (Goert en Anna van
Haerst geheten) minder ‘natuurlijk’ waren dan
gewoonlijk wordt aangenomen. In 1553 – drie jaar
na de dood van Christina van Haersolte – wordt
namelijk een Johan van Haerst genoemd die
getrouwd is met Wilhelm, dochter van Willem
van Mulickom en Johanna van Lennep.2 Mogelijk
is Van Haerst dus voor een tweede keer getrouwd
en waren de kinderen uit een wettige verbintenis.
Van Goert is heel weinig bekend, van de dochter
des te meer. Anna van Haerst sloot kort na haar
vaders dood een uitstekend huwelijk met de
katholieke en zeer rijke Emmanuel van Twenhuizen.
In de afwikkeling van de erfenis van Johan en
Christina werd niet gesproken over de twee
natuurlijke kinderen. Vier zonen en één dochter
verdeelden uiteindelijk de nalatenschap van hun
ouders.3
Johan Hermansz. van Haerst begon zijn politieke
loopbaan op 24-jarige leeftijd in de meente
van Zwolle, waarin hij namens de Sassenstraat zitting
had. Aansluitend werd hij – nadat hij het burgerrecht
verworven had – in 1537 tot magistraat
gekozen. De eerste vijftien jaren hebben geen sporen
nagelaten. In 1553 trad hij voor het eerst op de
voorgrond.
Een diversiteit aan opdrachten
Zwolle werd bestuurd door een college van zestien
magistraten. Zij waren verantwoordelijk voor rust
en orde, rechtspraak en veiligheid. Bij toerbeurt
hadden twee van hen de touwtjes van het dagelijks
bestuur in handen; dat waren de zogeheten ‘burgemeesters
indertijd’. Eén magistraat vertegenwoordigde
de stad in de Staten van Overijssel.
In 1528 had Zwolle de Spaanse koning Karel V
als landsheer aanvaard. De stad verzette zich echter
tegen diens plannen tot centralisme omdat het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
een inbreuk betekende op de plaatselijke privileges.
4 Bij de protesten en verzoeningen wordt
Johan van Haerst als één van de weinige Zwolse
magistraten regelmatig met naam en toenaam
genoemd.
De eerste moeilijkheden ontstonden toen
Zwolle, Deventer en Kampen met keizer Karel V
in conflict raakten over het muntrecht. Van
Haerst reisde naar Deventer waar hij de drosten en
de afgevaardigden van de andere steden trof; zij
vergaderden in het raadhuis. Zij besloten het plakaat
dat de keizer over dit onderwerp had
gestuurd niet te publiceren en aan stadhouder
Van Aremberg5 te schrijven dat het verbod in
tegenstelling was met een ‘loflicken tractaet’ waarin
nadrukkelijk geschreven stond ‘aller vorsten-,
graven-, heren- ende stedenmunte ende pennongen
in dese landschap gangbaer’ niet te verbieden.
De stadhouder verleende op verzoek van de afgevaardigden
een paar weken uitstel maar zij wisten
de zaak langer te rekken. Het beoogde doel werd
bereikt: Overijssel werd bevestigd ‘in alsulcke
qualiteit, vrijheit, possessien, costumen ende
usantien, daer sij in geboren sijn’.6
Toen Karel V zijn landen wilde overdragen
aan zijn zoon Philips II, deed Van Haerst alle
moeite de vorst aan eerder gemaakte afspraken te
houden; de landen en de steden zouden namelijk
alle rechten en privileges behouden zoals zij die
van oudsher hadden. De regering van Overijssel
was vol lof over Van Haerst.7
In mei 1561 reisde Van Haerst samen met Van
Ittersum naar het Karthuizer klooster Sonnenberch
in Mastenbroek. Daar troffen zij De Wolf en
Toe Boecop uit Kampen. De vier magistraten
besloten om Deventer namens hun steden te
waarschuwen dat in Brussel rumoer was ontstaan,
omdat Deventer de priester Karel de Haan niet
wilde wegsturen, ondanks diens gereformeerde
sympatiën. Hij liet het opdragen van de H.Mis na
en deelde zowel het brood als de wijn uit.8 Nadat
Van Aremberg met de komst van 1500 cavaleristen
had gedreigd, reisde een delegatie van Deventer
met de vier heren uit Kampen en Zwolle naar de
Het klooster Sonnenberg
waar de Staten van
Overijssel vergaderden
(foto: Omarmd door
IJssel, 94)-
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stadhouder in Zevenbergen. Zij wisten een compromis
te bereiken: dat Carolus Gallus [Karel de
Haan] zou vertrekken, maar hij zou een goed
getuigschrift meekrijgen. De dreiging van een fikse
legering extra soldaten was hiermee afgewend.9
Hoewel Johan van Haerst rooms-katholiek was
wilde dat niet zeggen dat hij de priesters onder alle
omstandigheden een hand boven het hoofd hield.
Hij liet een priester gedurende tien dagen in de
raadstoren door twee roedendragers bewaken,
waarna de gevangene ’s nachts naar Utrecht werd
gebracht. Wat de priester misdaan had en wat er in
Utrecht met hem gebeurde is onbekend. Voor
bewaking en vervoer presenteerde de stad de
arrestant een rekening van veertien goudgulden,
twaalf Brabantse stuivers en twee plack.10
Nog in hetzelfde jaar 1561 ontstond onenigheid
tussen de ridderschap en de steden over de zwaarte
van hun stem in de Klaring. De zeventien heren
– waaronder Johan van Haerst – die tot opdracht
hadden het meningsverschil uit de wereld te helpen,
kwamen op 28 januari 1562 tot een regeling
die zij allen ondertekenden. Ook voor specifiek
Zwolse belangen zette hij zich in. Het brandgevaar
was een grote bedreiging en de stad had behoefte
aan betere regels. Samen met burgemeester
Robert van de Beeck en secretaris Johan Holt stelde
hij 41 punten samen om het vuur beter de baas
te worden.”
Johan van Haerst reisde als afgevaardigde van
Zwolle het meest in de omgeving, maar hij maakte
ook langere reizen in opdracht van de stad. In 1564
ging hij met Henrik de Wolf, een secretaris en een
paar knechten met paard en wagen naar een hanzedag
in Wesel. Omdat de wagen het eigendom
was van Van Haerst heeft de stad de kosten van 10
goudgulden en 9 Brabantse stuivers vergoed. Na
afloop van de reis is het gezelschap bij het huis van
Van Haerst gestopt om er nog iets te gebruiken.12
De volgende reis voerde hem naar het noorden.
Philips II maakte zich zorgen over de groeiende
belangstelling voor andere religies dan de zijne.
Om de groei van de gereformeerde religie beter te
kunnen bestrijden zou in Deventer een nieuwe
bisschopszetel komen. Zwolle gaf in het najaar
van 1565 de opdracht aan Van Haerst en aan Van
Ittersum de mening van de Groningers en Drenten
hierover te polsen. Als Zwolle al gehoopt had
op een duidelijk antwoord, moet de uitslag zeer
teleurstellend geweest zijn. De noorderlingen
gaven in het geheel geen antwoord en de heren
keerden on verricht ter zake terug.13
Het meningsverschil met de stadhouder
Amper een jaar later was de spanning tussen
Overijssel en de koning hoog opgelopen. Net zoals
elders in de Nederlanden kwamen de gereformeerden
steeds openlijker voor hun geloof uit. In
de drie grote steden werd de uitoefening van de
gereformeerde religie oogluikend toegestaan, op
het platteland was daar geen sprake van. Voor
Johan van Haerst werd het een drukke tijd. Er
werd veelvuldig vergaderd, vooreerst alleen door
de drie grote steden. Op 30 augustus 1566 werd
Zwolle vertegenwoordigd door Van Haerst en
Van Ittersum, waarschijnlijk in Deventer. De volgende
dag vergaderden de steden in Windesheim.
Zij wilden hun tolerantie met de nieuwe religie
omzetten in een duidelijke acceptatie en zelfs een
handreiking doen. Deventer wilde een kerkgebouw
ter beschikking stellen voor de gereformeerde
erediensten. Zwolle wilde zich daarbij aansluiten,
alleen Kampen had nog drie dagen bedenktijd
nodig voordat ook zij ‘ja’ zei.
De steden stelden een conceptbrief aan de
landvoogdes in Brussel op en Zwolle gaf alvast
toestemming aan de gereformeerden de
O.L.Vrouwekerk te gebruiken. Op 7 september
vergaderden de steden nogmaals in Windesheim.
Twee dagen later legden zij in de proosdij van
Deventer hun mening voor aan de stadhouder.
Deze liet weten zeer verwonderd te zijn over het
ingenomen standpunt. Een brief aan de landvoogdes
raadde hij ten zeerste af. Van Haerst reisde
terug naar Zwolle waar op 12 september de volgende
vergadering plaats vond. Ditmaal was ook
de stadhouder aanwezig en hij liet nogmaals
weten dat die brief onverstandig was.
Na half september begon de situatie uit de
hand te lopen; de kloosters op het platteland
moesten het ontgelden. Men moest snel een
oplossing vinden om de plunderingen een halt toe
te roepen. Er werd een vergadering belegd in Windesheim.
Een paar dagen later volgde een vergadeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ring met de ridderschap erbij. Tenslotte reisde het
hele gezelschap op het einde van de maand naar
Nijerwal waar de definitieve tekst voor de brief
werd opgesteld. Overijssel verzocht een grotere
vrijheid van godsdienstuitoefening. De stadhouder
waarschuwde nogmaals zeer dringend de brief
niet te versturen, maar het ingenomen standpunt
van ridderschap en steden wijzigde niet en de
stadhouder kreeg de brief om deze aan de landvoogdes
te overhandigen.
Op de landdag in Hasselt op 14 oktober ontdekte
men dat de stadhouder de brief had achter
gehouden. Hij had zelf een brief aan de landvoogdes
geschreven met het advies vooral geen kerken
ter beschikking te stellen voor de nieuwe religie.
De verontwaardiging was groot. Toch duurde het
nog tot 19 december 1566 voordat er een bespreking
plaatsvond tussen Van Aremberg en vier
afgevaardigden van Zwolle, Johan van Haerst,
Wolf van Ittersum, Bitter van der Marsch en Helmich
Splytlof. Het wantrouwen en de verwijten
van de Zwolse delegatie zijn niet moeilijk voor te
stellen. Van Aremberg verweet Zwolle dat de
O.L.Vrouwekerk zonder zijn toestemming aan de
gereformeerden was toegewezen. Dat nieuws had
hij niet zonder opwinding ontvangen. Van Aremberg
had de nieuwe predikant zelfs uitgemaakt
voor een dief en een doodslager. Er was geen
schijn van kans dat het centrale gezag de nieuwkomers
zonder verzet zou accepteren.
Op een speciale landdag tussen kerstmis en
nieuwjaar kwamen in Zwolle in het huis van de
drost van Coeverden, 53 personen voor overleg
bijeen. Zwolle zwichtte toen voor de stadhouder
die al ruiters en knechten had aangenomen om
het verzet te straffen. Daar kwam nog bij dat Van
Aremberg de drost van Vollenhove en de schout
van Hasselt bevolen had het Zwartewater af te
sluiten voor schepen naar en van Zwolle, indien
Zwolle veranderingen in de religie toeliet. Na veel
gepraat werd besloten de kerk voor iedereen te
sluiten. Het door de gereformeerden veroverde
privilege – een eigen kerkgebouw – was van korte
duur geweest.14
Het verzet tegen Alva
Van Aremberg overleed in het voorjaar van 1568.
| IXlGNIVS COMJW AREJIBIB.GÏÏ, FSISI*
ïECTvs 1 xpsmTiosiï MIIIO«U.A* DVX,
Johan de Ligne, graaf
van Aremberg, stadhouder
van Overijssel.
Zijn opvolger werd Van Megen.15 Namens Zwolle
wensten Johan van Haerst en Wolf van Ittersum
hem geluk met het verkregen stadhouderschap.
Binnen een maand kreeg de gloednieuwe stadhouder
van de Magistraat van Zwolle een verzoekschrift
tot opheffing van enige door de hertog van
Alva voorgenomen ‘nijrheiden’.16 Een en ander
was het gevolg van de Criminele Ordonnantiën
waarmee Alva wilde bereiken dat de zeventien
gewesten op den duur eenzelfde gecentraliseerde
en gelijkvormige rechtspraak zouden krijgen.17
Dat idee was niet zo dwaas, maar omdat het de
zelfstandigheid van de landen en steden ernstig
zou aantasten, waren deze er fel op tegen. In antwoord
op het verzoekschrift van Zwolle schreef
Alva dat alles behoorde te geschieden volgens
‘Gods ende conincks wegen’. Alva’s irritatie tegen
Zwolle bleek uit zijn weigering de sleutels aan de
stad te geven zoals Johan van Haerst en Wolf van
Ittersum hem vroegen. En hoewel hij in Kampen
was wilde hij niet naar Zwolle komen.18
Een van de middelen om de deelnemers van de
religie-onlusten te straffen was de Raad van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Philips II, Heer van
Overijssel.
Beroerten. De oprichting van de Raad van Beroerten
ging gepaard met benoemingen van commissarissen
die moesten achterhalen wat er in 1566
was gebeurd. Het feit dat de stad een roomskatholieke
kerk ter beschikking had gesteld aan de
gereformeerden werd uiteraard niet in Spaanse
dank afgenomen. Op donderdag 21 juni 1569 arriveerde
commissaris Carel Quarree in Zwolle en
werd welkom geheten door een delegatie van de
Zwolse Magistraat. De delegatie bestond uit Bitter
van der Marsch – als burgemeester indertijd – en
uit Johan van Haerst, Wolf van Ittersum, Jacob
Duijsterbeke, Johan Loese en doctor Helmich
Splytlof. Quarree dankte voor de ontvangst en
deelde de heren mee dat zijn opdracht bestond uit
het inwinnen van informatie naar de ‘verleden
trublen’. Hij wilde vaart achter het onderzoek zetten.
Om de tijd goed te besteden wenste hij
meteen te beginnen. De Magistraat van Zwolle
zou ondervraagd worden, zo nodig onder ede en
daarvoor had hij een gerechtsdienaar nodig. Johan
van Haerst protesteerde hiertegen omdat dit tegen
de stadsprivileges inging. Het afnemen van de eed
behoorde te gebeuren door de burgemeester
indertijd en de Magistraat had geen toestemming
gegeven voor een andere gang van zaken. Quarree
informeerde wie dan wel de burgemeester indertijd
was en men wees Van der Marsch aan. Maar
Quarree zei dat hij de burgemeester zelf ook wenste
te horen over zijn rechtzinnigheid en dus was
het onmogelijk dat de burgemeester de eed afnam.
Bovendien was het volgens Quarree helemaal niet
in strijd met de stadsprivileges. Want daar waar de
koning beledigd was, was het onderzoek een zaak
van de koning. Van Haerst, bij deze gelegenheid
vermeld als een der bekwaamste regenten van zijn
tijd, liet zich hierdoor niet intimideren en ging alsnog
met de commissaris in discussie. De stadhouder
graaf van Aremberg, zo sprak hij, had pardon
gegeven voor al wat in het verleden was gebeurd.
Daarmee was er wat de stad betrof een streep
onder de hele affaire getrokken. Maar Quarree
was van mening dat enkel de koning als allerhoogste
instantie bij machte was zo’n algemeen pardon
toe te staan en daarmee was voor hem de discussie
afgesloten. Nadat de gedeputeerden de Magistraat
van dit standpunt in kennis hadden gesteld
besloot men Quarree toestemming te vragen om
de meente in te lichten. Daarnaast wilde de Magistraat
toch dat burgemeester Van der Marsch aanwezig
zou zijn bij de ondervragingen; de raadsleden
hadden bij hun verkiezing een eed afgelegd
‘niet in hun eer aangetast te worden’ en lieten zich
niet zonder protest aan de kant schuiven. De afgevaardigden
brachten de boodschap naar Quarree
die van mening was dat men dit niet aan de meente
behoefde te vragen maar hij had geen bezwaar
als de Magistraat het toch deed. Hij bleef echter op
het standpunt staan dat bij een algemeen beledigend
gedrag tegen de koning alleen de koning als
rechter kon optreden en dat de ondervragingen
dus niet tegen de stadsprivileges ingingen. Sussend
voegde hij daaraan toe dat in het geval dat
een burger persoonlijk beschuldigd zou worden,
de rechtspraak uiteraard in handen van schepenen
en raden zou liggen, maar vooreerst dus niet.
Daarbij, zo argumenteerde Quarree, zou de door
hem verkregen informatie ook tot voordeel van de
Magistraat kunnen strekken, als aanspraken en
bewijzen in andere zaken. En wat betreft het toelaZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ten van de burgemeester bij de ondervragingen
bleef Quarree op zijn standpunt staan: Van der
Marsch mocht er niet bij zijn. Het argument bleef
als voorheen: de burgemeester zou zelf een van de
ondervraagden zijn. Quarree had als commissaris
strikte opdrachten en blijkbaar viel daar met hem
niet over te twisten. De gedeputeerden deelden
hem mee dat besloten was de meente in te lichten
en dat zij niet zouden toestaan dat iemand tegen
zijn zin opgepakt zou worden. Op het raadhuis
werd besloten de meente de volgende ochtend om
zes uur te ontbieden.
De meente kreeg een heel ander verhaal te
horen. Schepenen en raden hadden er een nachtje
over geslapen en vonden dat men de koning de
verzochte ondervraging niet behoorde te weigeren
omdat – en hier klinkt duidelijk het argument van
Quarree door – de gebeurtenissen een belediging
voor de koning waren. Schepenen en raden hadden
begrip voor het standpunt van de meente om
eer en eed te verdedigen, maar ja, Deventer en
andere steden werkten ook mee… Kortom, de
meenteleden werd gevraagd zich niet te verzetten
als zij bij Quarree ontboden werden.19
Hasselt wilde een brug
Eind januari 1570 lagen Zwolle en Hasselt weer
eens met elkaar overhoop. Hasselt wilde een brug
over het Zwartewater bouwen en Zwolle was hier
fel op tegen. Beide steden zagen het effect van zo’n
brug op hun handelsbelangen. Wat een positieve
uitwerking zou hebben voor de ene stad, zou kwalijk
zijn voor de andere. Zwolle wilde haar rechten
op het Zwartewater en daarmee de doorgang van
handelsschepen van en naar Zwolle verdedigen.
Daarom reisde Van Haerst als gezant van Zwolle
naar het stadje Vollenhove. Na een dag wachten
werden de afgezanten van Zwolle toegelaten tot de
kanselier en de Raad van de koning voor de
bespreking van het geschil. Van Haerst nam het
woord en verdedigde het standpunt van zijn stad.
De meeste argumenten die de Zwolse gezanten
aanvoerden waren gericht op degene die een uitspraak
in het geschil moest doen, namelijk de
koning. Het leger van Zijne Majesteit had de brug
niet nodig om in de noordelijker gelegen delen
van het land te komen. Bovendien was men in
staat om zo nodig in zeer korte tijd een scheepsbrug
over het water te leggen, maar een weg door
de Rute zou korter zijn en minder kostbaar. Daar
kwam nog bij dat het voordeel voor Hasselt niet in
verhouding stond met het nadeel voor Zwolle. De
gezanten schroomden niet er op te wijzen dat het
grote Zwolle voor de koning belangrijker was dan
het kleine Hasselt. Tot een overeenstemming
kwam het die dag niet.
De Zwolse gezanten schreven thuis alle argumenten
op en reisden weer naar Vollenhove waar
zij het geschrift ter hand stelden aan de Raad van
de Koning. In het voorjaar ondernam Johan van
Haerst samen met Bitter van der Marsch een tocht
naar Arnhem om hun standpunt te rechtvaardigen
bij de stadhouder. Vandaar reisden zij in vier
dagen tijd via Antwerpen naar Brussel om ook
daar de belangen van Zwolle te verdedigen bij
Alva. In Antwerpen hadden zij twee verguld-zilveren
kroezen gekocht om ‘dieselve binnen Brussel
aan diverse Heren te verschenken’.20 De dag na
aankomst in Brussel werden de afgezanten van
Zwolle ontvangen door de voorzitter van de
Geheime Raad, Viglius, die hun briefin ontvangst
nam. Zij werden uitgenodigd voor het middagmaal
en bezochten daarna de voorzitter van de
Raad van State Tysenach.21
Na twee dagen raadde Viglius hen een bezoek
aan de landvoogd af, hetgeen door Tysenach
beaamd werd. Een ander advies dat de Zwolse
heren kregen was niet te wachten op de uitslag
omdat het onderzoek te lang zou gaan duren. Van
Haerst en Van der Marsch besloten daarop naar
huis te vertrekken. De onderneming was niet vergeefs
geweest, in september werd het geschil door
Brussel in het nadeel van Hasselt beslist. Er kwam
geen brug.22
Aantasting van de zelfstandige rechtspraak
Nog datzelfde jaar ondernam Van Haerst een
tweede reis naar Antwerpen. De landvoogd en de
stad Zwolle waren het nog steeds niet eens over de
vermindering van de gerechtelijke macht inzake
lijfstraffelijke misdaden. Op 13 december 1570 vergaderden
de Staten in Zwolle – het was één dag na
de publicatie van de Criminele Ordonnantiën – en
zij besloten een gezantschap naar het hof te sturen.
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De zes gezanten, waaronder Van Haerst, spraken
in Antwerpen met de landvoogd, maar konden
hem niet overtuigen van hun recht. De kerstdagen
en de jaarwisseling heeft Johan van Haerst in Antwerpen
doorgebracht. Op 3 januari 1571 verklaarde
Alva eerst een bewijs te willen hebben waaruit zou
blijken dat de koning, buiten voorkennis van de
Staten, geen wetten mocht maken, veranderen of
vernietigen. De gezanten verzochten de landvoogd
om uitstel, zodat zij tijd zouden hebben
instructies van hun opdrachtgevers te ontvangen.
Dit verzoek werd ingewilligd. Zij kregen twee
maanden uitstel, een pover resultaat.
Het gezantschap ondernam een moeizame reis
naar Zwolle. Hevig noodweer had de wegen slecht
begaanbaar gemaakt en dijken waren doorgebroken.
Zelfs binnen de muren van Zwolle waren
mensen en vee verdronken. Bij alle ellende werd
het door Alva gevraagde bewijs niet gevonden. In
februari vroeg men om verlenging van het uitstel,
hetgeen werd geweigerd. Tussen de steden kwam
een geheime correspondentie op gang waarbij
Zwolle ‘Pallas’ genoemd werd, Deventer heette
‘Venus’ en Kampen was ‘Juno’. De gezanten reisden
weer naar Antwerpen. Van de ontevreden
landvoogd kregen zij op 30 maart toch een uitstel
van zes weken toegezegd. De tijd bleek te kort. Een
derde reis naar Antwerpen leverde nogmaals een
paar weken uitstel op. Op 23 juni deden de gezanten
verslag in de Statenvergadering die te Zwolle
werd gehouden. Blijkbaar was het onmogelijk de
door Alva gevraagde bewijzen op tafel te leggen.
‘Dog van wat uitwerkinge alle die moeyte was, siet
men nergens gemelt’.23
De Spaanse soldaten
Amper was Johan van Haerst thuis, of hij moest
zijn koffer weer pakken. De hertog van Alva had
Spaanse ruiters in Zwolle en Kampen gestationeerd,
waarvan de steden verlost wensten te worden.
Behalve dat de soldaten overlast bezorgden
met hun baldadig gedrag, betekende het ook een
aanslag op de stadskas want elke ‘bende’ ontving
iedere week honderd kronen van de stad en de
burgers moesten zorgen voor kamers, bedden,
voedsel en drank. Op wat de soldaten nog kochten
aan voedsel en drank en aan haver en stro kregen
zij een-derde deel korting, een verschil dat door de
stad werd aangevuld. Toen er door de hand van de
ongewenste militaire gasten enige burgers het
leven lieten was de maat vol. De steden Zwolle en
Kampen zonden Johan van Haerst en Arent toe
Boecop naar het hof te Brussel om Alva te overtuigen
van de overlast die de beide steden ondervonden
van de bezetting. Na enige weken was het
gewenste resultaat nog niet bereikt. De steden lieten
hun gezanten weten dat het een paar centen
mocht kosten. Zij konden in Antwerpen geld
opnemen zodat zij het hof geschenken konden
aanbieden. Of het nou door de geschenken kwam,
of door het langdurig aanhouden of door overtuigende
argumenten is niet bekend; maar in elk
geval bewerkten zij bij de landvoogd ontslag van
de bezetting, mits zijn zoon Don Frederik ermee
instemde. Frederik werd geraadpleegd en nadat
deze geen bezwaren bleek te hebben, ontvingen zij
een schriftelijke verklaring met de zo zeer begeerde
toestemming. Zonder nog iets te eten of te
drinken keerden zij met spoed naar Overijssel
terug.
Van Hattum weet het kleurrijk te vertellen: ‘Sy
liepen groot gevaar, om op Zee door een Swaren
storm te vergaan, en dus hun vaderlijke genegenheid
voor de Burgers en ingezetenen met verlies
van hun leven te betalen’. Zij wilden namelijk
vóór zondag thuis zijn om zodoende voor de steden
soldij, serviesgeld en bijkomende kosten van
een hele week te besparen. Ze waren op tijd, binnen
drie dagen hebben toen de ruiters de steden
ontruimd.24
Tussen twee vuren in
Nu het Spaanse leger Zwolle verlaten had was de –
nog Spaansgezinde – stad op eigen verdediging
aangewezen. De staatsgezinde graaf Van den Berg
had Zutphen veroverd en de graaf Van Berlaymont25
raadde de steden Kampen en Zwolle tot
‘het houden van goede wachten’. De beide steden
stuurden hun gezanten, waaronder Johan van
Haerst, naar Sonnenberch waar zij over de situatie
vergaderden. De raad van Van Berlaymont werd
ter harte genomen. De steden besloten op eigen
kosten enige schutters in dienst te nemen en de
stadspoorten en -muren kregen een onderhoudsZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
beurt.26 Het was maar net op tijd. Een tiental
dagen later lag het leger van Van den Berg voor
Zwolle. Het was niet voor lang want ’s avonds trok
hij weer weg. Maar Kampen werd door de prins
van Oranje veroverd en Zwolle had blijkbaar geen
vertrouwen meer in haar eigen verdediging. Op 12
augustus 1572 gaf de regering van Zwolle de stad
zonder de minste tegenstand over aan graaf Van
den Berg. Bij de namen van regenten en meenteleden
die de stad twee dagen later officieel overdroegen
is Johan van Haerst niet vermeld, maar toen
de afgevaardigden uit Kampen de graaf een week
later in Zwolle bezochten om zich te beklagen over
de last van een bezetting van twee vendels, was
Van Haerst er met nog drie andere Zwolse raadsheren
bij. Kampen vroeg verlichting en de graaf
werd heel kwaad. Johan van Haerst zal niet de
zwijgzaamste geweest zijn toen ‘Zwolle sprak’,
waarna ‘de toren’ van de graaf minder werd.27
Kampen was niet de enige die de woede van de
graaf over zich heen kreeg. Ook de Zwollenaren
zag hij als kwaadwillende dwarsliggers. ‘Het wil in
Zwolle niet deugen, eer ick twe of drie van den
Raedt over de Clinge late dansen’ zei hij toen
Zwolle twee maanden later op haar beurt verlichting
vroeg.
De Spanjaarden heroverden Zutphen met
bruut geweld. Ogenblikkelijk verzetten de
geschrokken steden hun bakens. Op 20 oktober
1572 zonden zij hun afgezanten naar Zutphen.
Maar liefst elf afgevaardigden uit Kampen en twee
uit Deventer gingen samen naar de stadhouder en
vroegen om vergiffenis, die hen werd geschonken.
Wat later kwam Johan van Haerst als enige afgevaardigde
van Zwolle aan. Ook hij kreeg na een
knieval de gevraagde vergeving. Hierna gingen zij
allen naar het logement van Don Frederik en kregen
ook daar vergeving.28
Reorganisatie van het Zwolse stadsbestuur
Kort daarna verminderde de koning het aantal
Zwolse magistraten van zestien naar twaalf, allen
streng rooms-katholieken. De gereformeerden
werden uit de Magistraat gezet en rooms-katholieke
magistraten die verdacht werden van gereformeerde
sympatiën ook. Johan van Haerst was
de landsheer trouw maar volgde niet kritiekloos:
‘Jan van Haerst, burgemeester toe Swoll, vijand
De belegering van
Zutphen door troepen
van Alva in 1572, getekend
door Walter Morgan
(foto: BMGN98,
(1983), 56>.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het paleis en de regeringsgebouwen
te Brussel
in de zestiende eeuw.
van de koning’. Zo stond Johan van Haerst vermeld
op een lijst van politieke tegenstanders voor
wie confiscatie van goederen dreigde.29 Waarschijnlijk
was zijn particularistische politiek de
oorzaak dat hij uit zijn functie werd gezet.
Nadat de machtsbalans in Zwolle ten nadele
van Spanje was verschoven, werd het aantal magistraten
weer op zestien terug gebracht. De meente
liet weten dat de magistraten die in 1573 uit hun
ambt waren gezet, weer in hun waardigheden hersteld
zouden worden. De gevraagde heren – Johan
van Haerst, Wolf van Ittersum, Hendrik Knoppert,
Ruerik Wulffs en Berend van Ittersum – lieten
de keurnoten weten beschikbaar te zijn om
indien zij herkozen werden. Maar niet zonder enig
voorbehoud. Zij zouden de richtlijnen van de
Pacificatie van Gent – vrijheid van godsdienstuitoefening
– uitvoeren, maar niets meer. Anders
wensten zij zeer nadrukkelijk van hun eed en ambt
ontslagen te worden. Johan van Haerst was al een
paar maanden eerder tot afgevaardigde van Overijssel
benoemd30 en in januari volgde zijn herverkiezing
tot magistraat van Zwolle. In april 1578
werden Johan van Haerst en Dirk Hertgers door
Zwolle naar het St.Agnieten-bergklooster te Berkum
gezonden waar zij in de Statenvergadering
hun bezwaren kenbaar maakten tegen de aanstelling
van de Staatse graaf Van Rennenberg tot stadhouder
en tegen diens weigering in de geest van de
Pacificatie van Gent te handelen. In opdracht van
de stad deelde Van Haerst aan Van Rennenberg
mee dat Zwolle het niet eens was met zijn benoeming.
31 De graaf trachtte de Zwolse argumenten
als ’te onregt blauwe uitvlugten’ van de tafel te
vegen. Het waren uiteindelijk de edelen die Zwolle
overhaalden de graaf te accepteren. De graaf
accepteerde maar al te graag het geld dat de
(rooms-kathlieke) kloosters uitleenden voor het
beleg van Deventer. Johan van Haerst ging met
vijf andere heren bij dertig kloosters langs en zij
kregen in totaal 8.458 gulden te leen.
In het najaar ging Van Haerst namens Zwolle
naar Deventer voor overleg. Het probleem was dat
de Spaanse landvoogd geen wijzigingen in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 13
geloofszaken permitteerde. Land en steden van
Overijssel, zo zei hij, zou geen religievrede toegezonden
zijn, dus konden zij zich niet beroepen op
de Pacificatie van Gent.
Van Haerst kwam op 23 november 1578 in
Zwolle terug en bracht de volgende ochtend rapport
uit. De stad besloot zich niet zonder meer bij
de eisen neer te leggen. Ongetwijfeld met de eerdere
moeilijkheden over hetzelfde onderwerp nog
scherp in het geheugen, schreef Zwolle aan de
stadhouder, dat zij niet zonder toestemming een
kerk aan de gereformeerden wilde toekennen. Dit
hoewel de gereformeerden van mening waren dat
zij daar door de religievrede en de Pacificatie van
Gent recht op hadden. De stad wilde het onderwerp
bespreken op de komende landdag in
Deventer, drie dagen later. Zwolle vroeg aan de
stadhouder de hopmannen te schrijven en hen te
bevelen geen kerken in te nemen alvorens daar
toestemming voor zou zijn.32
Wie het ook niet eens waren met de gang van
zaken waren de spaansgezinden. Zij probeerden
de rooms-katholieken tot verzet over te halen.
Toen het stadsbestuur dit merkte besloot zij een
delegatie naar Willem van Oranje te sturen. Eind
februari 1580 ging een Overijsselse afvaardiging
van zes personen naar Elburg, waar Willem van
Oranje zich toen bevond. Weer was Van Haerst
van de partij en ook zijn oude bekende Arend toe
Boecop was erbij.33
In de zomer van 1580 liep de spanning in Zwolle
tussen katholieken en gereformeerden zo hoog
op dat het tot een gewelddadige uitbarsting kwam.
In de stad werd gevochten en er vielen doden, er
werd vernield en geroofd. Een aantal boeren die
de gelederen van de katholieken binnen de stad
kwamen versterken en die de toegang tot de stad
geblokkeerd zagen, klommen over de stadsmuur
en kwamen in de tuin van Johan van Haerst
terecht. Vandaar zijn zij verder de stad ingetrokken.
Het huis van Johan van Haerst is tijdens de
rellen ongemoeid gelaten. Dat kon een aantal
spaansgezinde mede-raadsleden niet zeggen, hun
huizen werden geplunderd. Het waren de huizen
van onder andere Hertgers en Van der Marsch.
Wellicht hebben zij nogmaals bij Van Haerst moeten
aankloppen voor een lening.34 Na afloop van
De raadsherenbeker
van Johan van Haerst
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
het oproer kreeg de stad weer krijgsvolk binnen de
muren. Datzelfde jaar ondertekende Van Haerst
een verdrag tussen Zwolle en de Staten van Holland
over het leggen van twee vendels knechten in
de stad.35
De laatste jaren
Behalve magistraat en cameraar was Van Haerst
namens Zwolle gedeputeerde in de Staten van
Overijssel. Tijdens een bijeenkomst van de Staten
op 13 maart 1580 werd besloten dat enige gedeputeerden
een vaste woning in Deventer zouden
hebben. Zij zouden de Staten van alle belangrijke
voorvallen verslag doen. Na korte tijd werd Johan
van Haerst met deze opdracht belast. Of zijn laatste
reis hem naar Kampen voerde? In 1583 werd
Jan van Haersolte bij Kampen door Govert Telvorn
neergestoken.36
Bij de dood van Johan van Haerst werd zijn
memorie in leven gehouden door een zilveren
beker. Want omdat de stad haar magistraten achteraf
betaalde, werd ter herinnering bij het overlijden
het bedrag dat nog te goed was aan een beker
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
besteed. Vaak van zilver gemaakt en mooi
bewerkt. De oudst bewaarde beker, met een hoogte
van 27,6 cm., is die van Johan van Haerst.37 Op
de kelk zijn vier wapens te zien, tweemaal het
wapen van Zwolle, eenmaal het wapen van Johan
van Haerst met de drie kepers en daaromheen de
inscriptie: Johan van Haerst An° Do(mi)ni 1583.
Aan de tegenovergestelde zijde is nog eenmaal het
Haersolter wapen aangebracht maar nu in de
vorm van een ruit, het wapen van zijn echtgenote
Christina van Haersolte. Op een rond schildje
onder de voet van de bokaal is gegraveerd:
Do(mi)nii583
An(no) Aetat. suaey^
Consula 46
Noten
1. Rijksarchief Gelderland (RAG), ‘Genealogisch
handschrift van Van Rhemen, inv.nr. 0908 7H, 474.
2. A.P. van Schilfgaarde, ‘Het archief van het huis Yrst
(Ierst) onder Hattem’, RAG, inv.nr. 0445, r50.
3. GJ. ter Kuile, Archief Van Haersolte en andere familie-
archieven, Zwolle 1957, i64. P. Brood, Inventarissen
van de Huisarchieven de Havixhorst, De Klencke
en Oldengaerde en supplement op de inventaris van
Batinge, Assen 1979,12-278C
4. J.C. Streng, ‘Stemme in Staat’. De bestuurlijke elite in
de stadsrepubliek Zwolle 1579-1795, Hilversum 1997,
319-326.
5. Johan de Ligne, graaf van Aremberg (1525-1568),
werd in 1553 stadhouder van Overijssel.
6. W. Nagge, Historie van Overijssel, Zwolle 1915, dl.2,
184-229.
7. Idem, 253-254.
8. F. van der Pol, De reformatie te Kampen, Kampen
1990,145.
9. R. Reitsma, Centrifugal and centripetal forces in the
early Dutch republic. The States of Overyssel 1566 –
1600, Amsterdam 1982,64.
10. B.J. Kam, Capita selecta: Capita occidorum. Doodstraffen
in Zwolle van Columbus tot Napoleon, Zwolle
1992,182.
11. Klaring: B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad
Zwolle, Zwolle 1975, dl.3,7-8. Brand: J. Geesink, ‘Enkele
mededelingen betreffende de Zwolse brandweer
in vroegere dagen’, in: Verslagen en Mededelingen
van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch
Kegten Geschiedenis [VMORG], 26 (1910), 87.
12. Kam, Capita, 185.
13. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,18.
14. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,31; Nagge, Historie,
dl.2, 298-312; Reitsma, Centrifugal, 91; Van der
Pol, De reformatie, 152-159.
15. Karel van Brimeu, graaf van Megen (1525-1572). In
1569 stadhouder van Overijssel.
16. J.G.C. Joosting, Het huis-archiefvan Batinge, Leiden
1910, r72; S. Elte, ‘Godsdienstige Conflicten in Zwolle
in het tijdvak van 1530 – 1580’, in: VMORG, 52
(1936), 58; Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,62.
17. M. van de Vrugt, De Criminele Ordonnantiën van
1570, Zutphen 1978,54.
18. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,55-
19. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3, 63; S. Elte, ‘Bescheiden
betreffende de hervorming in Zwolle’, in:
Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap
68 (1937), 110-112; Van de Vrugt, De Criminele
Ordonnantiën, Zutphen 1978, 63; Van der
Pol, De reformatie, 178.
20. B. Dubbe, Monumenten in zilver, Zwolle 1976,27.
21. Viglius van Aytta van Zwichem (1507-1577) en
Charles de Tisnacq (? -1573).
22. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,68-78.V
23. Idem, dl.3,97-99,108.
24. Nagge, Historie, dl.2, 388; Van Hattum, Geschiedenissen,
dl.3,109-110.
25. Willem IV, graaf van den Bergh (1537-1586). In 1581
stadhouder van Gelderland en Karel, graaf van Berlaymont
(1510-1578).
26. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,115.
27. Reitsma, Centrifugal […] forces, 110.
28. Nagge, Historie, dl 2,436-437; Van Hattum, Geschiedenissen,
dl.3, H5> 118,128-130.
29. IJ. van Doorninck, ‘Vijanden en vrienden van
Spanje’, in: Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel
4(1878),168-179.
30. Reitsma, Centrifugal […] forces, 268.
31. George van Lalaing, graaf van Rennenberg (ca.1540-
1581). Mededeling: Van Hattum, Geschiedenissen,
dl.3,158.
32. Elte, ‘bescheiden’, 118-119.
33. Reitsma, Centrifugal […] forces, 209.
34. M.L. Hansen, ‘Het oproer te Zwolle in 1580’, in:
Zwols Historisch Tijdschrift, 13 (1996), 48-53. Van der
Marsch had twee maal geld geleend. De eerste maal
een bedrag van 318 goudgulden, de tweede maal 106
rijksdaalder. Hertgers en zijn vrouw hadden voor 85
goudgulden bij Van Haerst in het krijt gestaan
(RAG 0908 7H, 483-484).
35. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3,200,203-204.
36. Van Hattum, Geschiedenissen, dl.3, *94- Van Rhemen
geeft geen zekerheid maar schreef de opmerking
bij zijn informatie over Johan van Haerst (RAG
0908 7H, 482,491).
37. Dubbe, Monumenten, 46-47.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse patriotten in St. Omaars
De oplopende spanningen tussen Patriotten
en Oranjegezinden in de jaren voor 1787
leidden er uiteindelijk toe, dat de Pruisen
het land binnenvielen. Met hun hulp werd de
macht van stadhouder prins Willem V en de
Oranjegzinden hersteld. Na de Pruisische inval en
de capitulatie van Amsterdam in oktober 1787,
brak volgens J.G.M.M. Rosendaal een toestand
van volledige anarchie uit: massale plundering van
duizenden huizen, talrijke mishandelingen door
orangisten, het afvoeren en gevangenhouden
onder erbarmelijke omstandigheden van honderden
krijgsgevangenen, het wegvallen van het stedelijk
gezag in een groot aantal, veelal patriotse
Hollandse steden. Deze veelal georganiseerde terreur
van Orangisten en Pruisische soldaten werd
gevolgd door zogenoemde ‘wetsverzettingen’ in
Utrecht, Zeeland en Holland, waarbij de stedelijke
besturen van patriotten gezuiverd werden. Vooral
in Gelderland, Friesland, Utrecht en Holland vonden
ook justitiële vervolgingen plaats.’
Tijdens de eerste paniek in september en oktober
1787, sloegen tienduizenden, waarschijnlijk
zelfs meer dan honderdduizend patriotten – dat
wil zeggen meer dan 5% van de Nederlandse
bevolking – op de vlucht. Enige tienduizenden
trokken naar het buitenland. Sommigen gingen
naar de Verenigde Staten van Amerika, Denemarken,
Engeland of naar één van de Duitse steden,
maar het leeuwendeel koos voor de Zuidelijke
Nederlanden en Frankrijk. De Noordfranse garnizoensstad
St. Omaars werd aangewezen als plaats
voor de opvang van de niet-militaire vluchtelingen.
De eveneens gevluchte Friese regent Coert
Lambert van Beijma werd verzocht om als regeringscommissaris
de leiding over de vluchtelingengemeenschap
op zich te nemen. Vanaf eind
januari 1788 registreerde Van Beijma de vluchtelingen
en kende hun de door de Franse overheid
verstrekte uitkeringen toe. Vanaf 1 april 1788 werd
besloten om de toelating van vluchtelingen te
stoppen. De kosten van het stelsel liepen uit de
hand. Er ontstond een beleid dat erop gericht was
het aantal vluchtelingen terug te dringen. Een
terugkerende vluchteling kreeg vier tot zes keer
zijn wekelijkse uitkering. Dit systeem bleef tot de
Bataafse Omwenteling en de repatriëring van de
meeste gevluchte patriotten grotendeels intact.
In de maanden januari-april 1788 kwamen
ruim 57 Zwolse patriotten in St. Omaars aan.
Mannen, vrouwen en kinderen, die om welke
reden dan ook zich in Zwolle niet langer veilig
voelden. Uit deze lijst is een aantal personen
gelicht, wier achtergrond en levensloop nader
werd onderzocht. Wie waren zij, welke rol speelden
zij in de Zwolse patriottenbeweging en waarom
vertrokken ze; dat zijn de vragen die centraal
staan in dit artikel.
Karakteristiek van de groep
De 57 naar St. Omaar gevluchte Zwolse patriotten
zijn in verschillende beroepsgroepen onder te
brengen:
Johan Seekles
kleermakersknechten:
timmermansknechten:
zilversmidknechten:
hoveniers:
militairen:
metselaars:
mandenmakersknechten:
schoenmakersknechten:
brouwersknechten:
kappers:
leerlooiersknechten:
smidsknechten:
kastenmakersknechten:
klerken:
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In dit pand, ‘de Utrecht’
of ook wel ‘de Mercuur’
geheten, thans Luttekestraatu,
bevond zich in
de zeventiende en achttiende
eeuw de herberg
‘de Wijnkan.’
Daarnaast waren de navolgende beroepsgroepen
éénmaal vertegenwoordigd: voermansknecht,
passementwerker, winkelier, schipper, boekbinder,
verver/glazenmaker, bakker, horlogemaker,
tabakskoper, turfdrager en een kant- en linnenwever.
De lijst verschaft slechts in beperkte mate
inzicht in de leeftijd van de vluchtelingen. Van 31
personen wordt geen geboortejaar vermeldt. Van
de 26 anderen mannen kan enkel bij benadering
de leeftijd worden vastgesteld. Van hen waren er
acht die tussen de 17 en 19 jaar oud waren; er
waren dertien twintigers, variërend in leeftijd tussen
de 21 en 29 jaar; tenslotte waren er vijf dertigers,
variërend in leeftijd tussen de 30 en 37 jaar.
Hoewel, zoals gezegd, van 31 personen geen
leeftijd kon worden achterhaald, mogen we concluderen
dat het hier in hoofdzaak om jonge patriotten
in de leeftijd tussen 20 en 40 jaar handelt.
Dit komt overeen met de bevindingen van Van
Heuven-Bruggeman, die bij haar onderzoek naar
de rekwestranten van het rekwest uit 1785 constateert
dat het overgrote deel van de personen tussen
de 20 en 40 jaar oud is.2
Uit een viertal vermeldingen (Kemper, Beekman,
Koek en Kalff) valt op te maken dat ook
vrouwen en kinderen de wijk naar Frankrijk genomen
hebben. Naar alle waarschijnlijkheid bestonden
er familiebanden tussen Willem en Hendrik
Knaap, Hendrik en Albert Bruins, alsmede Hendrik
en Christoffel Reis. Hermannus, Willem Jan en
Lambert van der Voort waren broers.
Ook de onderverdeling naar kerkelijke gezindte
laat geen afwijkingen van het geldende Zwolse
beeld zien. Gesteld mag worden dat de hoofdmoot
van de vluchtelingen uit leden van de gereformeerde
gemeente bestond (16 personen), gevolgd
door rooms-katholieken (5 personen) en de lutheranen
(3 personen). Van 33 personen konden geen
gegevens over hun kerkelijke gezindte worden
achterhaald.
Betrokkenheid bij Patriottenbeweging
Onderzocht is of van de op de lijst vermelde personen
meer gegevens over hun betrokkenheid bij
de patriottenbeweging en de achtergronden van
hun vlucht kon worden gevonden. Dit bleek
slechts bij enkelen mogelijk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hendrik Bruins
In november 1787 vond in de herberg ‘de Wijnkan’
te Zwolle een gevecht plaats tussen Hendrik
Bruins en Jan Jansen, wonende aan de IJsseldijk.
Blijkbaar had Bruins zonder enige aanleiding Jansen
met een mes in de borst gestoken. Bruins
vluchtte de stad uit. Hij schaarde zich vermoedelijk
in de rijen van patriotse vluchtelingen om
strafvervolging te ontlopen. Uiteindelijk kwam hij
in St. Omaars terecht. In augustus 1793 dook
Bruins weer op in Zwolle en werd terstond opgepakt.
Tijdens het verhoor bleek, dat hij zeer dronken
was geweest. Hij kon zich verder van het voorval
niets meer herinneren. Bruins werd veroordeeld
tot verbanning uit de stad, de stadsvrijheid
en het schoutambt voor de tijd van twee jaar. Aangezien
hij de kosten van zijn detentie niet kon
betalen werd hij tevens veroordeeld tot vier dagen
hechtenis op water en brood.3
Melle van Groeningen
De in 1759 te Zwolle geboren Melle van Groeningen
was in 1780/1781 matroos aan boord van het
fregat ‘de Eendracht’ dat onder commando van
kapitein A. de Roode stond.4 Bij de doop van zijn
zoon Berent in 1782, bleek dat Van Groeningen
van werkgever was veranderd. Hij was inmiddels
werkzaam als knecht op een beurtschip naar
Haarlem. Zowel in 1788 als in 1794 is Van Groeningen
lange tijd afwezig. Zijn vrouw, Sophia Hulsbergen,
ontving in juni 1794 ondersteuning van de
Stadsarmenkamer.5 In november 1795 was Van
Groeningen – samen met Adam van Brussel,
Andries Peters en Herman van der Vegte – aanwezig
ten huize van Derk Grevenstuk. Van Brussel
werd wegens het zingen van rustverstorende liederen
en oproerig gedrag opgepakt en veroordeeld
tot acht dagen hechtenis op water en brood.6 Op
13 december 1795 ondertekende Van Groeningen
een verzoekschrift om Prinsgezinde ambtenaren
te vervangen door ‘goede patriotten.’ Andere
ondertekenaars waren Jan Willem Stokebrand,
Gerrit Westerhof, Hendrik Willem van Rhee,
Adolf Glazer en Hermannus van der Voort. Zijn
patriotse gezindheid had Van Groeningen ook na
zijn gedwongen verblijf in Frankrijk behouden.7
Salomon van Deventer*
Salomon van Deventer werd op 30 december 1736
te Zwolle gedoopt als oudste zoon van de mrknoopmaker
Peter van Deventer en diens tweede
vrouw Gesina Reinards. Hij overleed te Zwolle op
n februari 1815.
Van Deventer begon zijn ambtelijke loopbaan
op 15-jarige leeftijd als klerk of kopiist op het
stadshuis. In eerste instantie was hij belast met het
afschrijven van eenvoudige dienststukken. Later
volgden de meer vertrouwlijke stukken, waarvoor
hij in 1763 de eed van secretaris aflegde. In 1768
ontving Van Deventer van het stadsbestuur permissie
om als procureur op te treden. Over een
opleiding aan de Zwolse latijnse school of een universiteit
zijn geen gegevens gevonden. Wellicht
heeft hij zich door zelfstudie of praktijkervaring
de nodige wetskennis eigen gemaakt. Zeker is dat
veel instellingen en particulieren van de diensten
A. W. Baron van Pallandt
tot Zuthem (1728-
1803), een lokale patriotse
voorman die samen
metH. Kemperen
J. Jansen naar Brabant
vluchtte in het najaar
van 1/87. Kemper en
Jansen trokken door
naar St. Omaars.
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Resolutie waarin Hendrik
Bruins wordt veroordeeld
vanwege de
steekpartij in herberg
‘de Wijnkan’ (GAZ,
AAZ01-97, p. 531 Resolutie
Schepenen en
Raden d.d. 16 augustus
1793)-
van Van Deventer als procureur, curator of executeur-
testamentair gebruik hebben gemaakt.
Door zijn functies behoorde Van Deventer tot
de sociale middenlaag van de toenmalige standenmaatschappij.
Zoals zovelen van zijn tijdgenoten
zal ook Van Deventer zich hebben afgezet tegen
heersende misstanden en de Stadhouderlijke
invloed op het stadsbestuur. In 1783 werd hij voor
korte tijd lid van de Burgercommissie en raakte hij
betrokken bij het opstellen van verzoekschriften
met een patriottisch karakter. Nadat hij in maart
1787 secretaris was geworden van de Vergadering
van vertegenwoordigers van gewapende schutterijen,
vrijcorpsen en genootschappen van wapenhandel
– onder leiding van de bekende patriot
Gerrit Jan Pyman – werd het duidelijk dat Van
Deventer patriottische sympathieën koesterde.
Hij werd meer en meer gedwongen partij te kiezen
in een escalerend conflict tussen patriotten en
prinsgezinden.
Na de inval van de Pruisische troepen in september
1787 besloot de nieuwe prinsgezinde magistraat
om Van Deventer vanwege zijn aandeel in
bovengenoemde vergaderingen niet gerechtelijk
te vervolgen, doch enkel uit zijn stadsambt van
klerk te ontslaan. Blijkbaar voelde Van Deventer
zich in die periode niet langer veilig in Zwolle.
Vermoedelijk heeft Van Deventer Zwolle al in
januari 1788 verlaten. Zijn aankomst in St. Omaars
werd geregistreerd op 18 februari 1788. Op dat tijdstip
werden eveneens de Zwollenaren Steven
Meulenbelt, Jan Tusveld, Jan Willemsz. Stokebrand
en Hendrik Willem van Rhee geregistreerd.
Het is onduidelijk of Van Deventer in hun gezelschap
reisde.
Zijn verblijf in St. Omaars duurde tot 7 mei
1788, de dag waarop hij werd weggezonden. Wellicht
hebben zijn ervaringen in Frankrijk de nodige
invloed gehad op zijn plotselinge ommezwaai
van patriot naar prinsgezind. Het zou kunnen verklaren
waarom Van Deventer in april (?) 1788 de
vereiste eed op de Constitutie, het erfstadhouderschap
en de regeringsvorm van Overijssel aflegde.
Deze drastische politieke wending bleef Van
Deventer ook in de jaren na 1788 dramatisch achtervolgen.
Zowel in 1791 en als in 1795 moest hij
zich door middel van verweerschriften tegen lasterpraatjes,
aantijgingen en leugens van patriotse
zijde verweren. Opvallend is dat hij in zijn verweerschrift
van 1791 met geen woord over zijn
vlucht naar en verblijf in Frankrijk rept.9
Van Deventer was één van de weinigen, die
zich meermalen in het openbaar heeft moeten
verantwoorden. Dat maakte hem tot een prominent
slachtoffer, wanhopig bezig zijn inkomsten
en verworven positie veilig te stellen.
Hendrikus Kemper en Jan Jansen
Hendrikus Kemper ontving op 3 september 1783
toestemming van het Zwolse stadsbestuur om met
de gereformeerde Hendrina Slootman of Horstman
te trouwen. Hij moest beloven om de kinderen
gereformeerd op te voeden. Het huwelijk werd
op 21 september 1783 te Windesheim gesloten. Uit
dit huwelijk werden in de periode 1784-1795 een
zestal kinderen geboren. Kemper werd in april
1838 lidmaat van de hervormde gemeente Windesheim
en vertrok in 1843 naar Wijhe.
Jan Jansen (van Zwol) werd op 16 februari 1749
te Windesheim gedoopt als het vijfde kind van de
echtelieden Jan Jansen van Zwol en Maria Engberts.
Hij trouwde op 16 november 1788 in de kerk
te Windesheim met Janna Kuipers. Uit dit huwelijk
werden in de periode 1790-1805 zeven kinderen
geboren. Jan van Zwol overleed op 11 september
1807 te Zuthem.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In Windesheim bestond in 1787 een Exercitiegenootschap
(of ook wel Genootschap van
Wapenhandel genoemd). De wetten (= reglement)
van dit Genootschap werden in februari
1787 door een groot aantal burgers van Windesheim
ondertekend. Onder de ondertekenaars
bevonden zich ook Hendrikus Kemper en Jan Jansen.
Laatstgenoemde trad op als luitenant, terwijl
Kemper als kapitein het bevel voerde.
Op 30 juni 1787 brachten Kemper en Jansen
een bezoek aan Joachim van Plettenberg, de
bewoner van het Huis Windesheim. Zij waren
gewapend met sabels en werden op een afstand
gevolgd door een groep medestanders. Van Plettenberg,
oud-gouverneur van Kaap de Goede
Hoop, beschreef die ontmoeting als volgt:
…. Zij quamen om mij aantezeggen en te
waarschuwen van niet weder ten mijnen huize te
ontfangen Den Paknaald van Zwolle (onder deezen
bijnaam verstaande den heer Hoekman) want
dat zij officieren en de Gemeene, uit welke naam
spraaken, hem hielden voor een verspieder, ja zelf
landverrader, en dat over het geheel zij alle het
geloop van Oranje-klanten niet langer willen dulden…’
Het leven van Hoekman had volgens Van
Plettenberg gevaar gelopen: ‘… Om mij te meer
afteschrikken den Heer Hoekman te mijnent te
ontfangen, deden die twee officieren mij verstaan,
dat twee dagen bevoorent die heer (— Hoekman)
groot gevaar hadde geloopen van te zijn aangevallen
op de groote landweg, nadien men weetende
zig op het huis Windesheim bevond, eenige lieden
” op de stenen brug na desselfs terugkomst hadden
gewagt, en alleen van haar voornemen hadden
afgezien, omdat het te laat in den avond wierd,
volgens nadere berigten zouden dit menschen zijn
geweest uit het Zwolsche detachement, hetwel na
Deventer moetende voortreijzen, Windesheim
was voorbijgegaan…’ Er wordt verondersteld, dat
het bezoek van de patriotten aan de orangist Van
Plettenberg gezien moet worden als een wraakneming
vanwege diens verhouding met een 17-jarige
dochter van Joan Derk van der Capellen tot den
Pol, de patriotse leider in Zwolle.10
De namen van Kemper en Jansen komen
eveneens voor op een uit september 1787 daterende
lijst van manschappen uit de genootschappen
van Wijhe, Wilsum en Windesheim, die zich
schriftelijk bereid hadden verklaard om te dienen
in het te formeren patriottenleger. Dit leger moest
het platteland van Overijssel verdedigen tegen een
mogelijke Pruissische inval.1′
Kemper en Jansen werkten als knechten bij de
boer Jan van Santen te Windesheim. In november
en december 1787 bracht de gerechtsdienaar M.J.
Voskuil diverse keren een bezoek aan Van Santen,
teneinde aan diens knechten Kemper en Jansen de
dagvaarding om voor het gerecht te verschijnen te
kunnen overhandigen. Het stadsbestuur was
inmiddels een gerechtelijk onderzoek gestart naar
de betrokkenheid van Kemper en Jansen bij de
gebeurtenis op Huize Windesheim. Het eerste
verhoor van Jan Jansen vond plaats op 5 november
1787. Kemper was toen al gevlucht. Op 12 januari
1788 verscheen Voskuil, vergezeld door een
detachement ruiters met een wagen, andermaal
bij Van Santen om beide verdachten op te halen.
Ook Jansen was inmiddels vertrokken. Volgens
Van Santen was Jan Jansen de dag vóór nieuwjaar
Wy ryden naar
St. Omer. Spotprentop
de patriotse vluchtelingen,
die als narren op
ezels zijn afgebeeld.
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
en Hendrikus Kemper al eerder vertrokken. Beiden
waren gevlucht naar Brabant om zich bij
baron A.W. van Pallandt van Zuthem, drost van
IJsselmuiden, te voegen.
Bij publicaties van 6 mei en 14 juni 1788 werden
Kemper en Jansen opgeroepen om op 29 juli 1788
op het raadhuis te verschijnen, ten einde zich te
verantwoorden voor hun gedrag. Uiteindelijk
werden Kemper en Jansen, voormalige officieren
van het Windesheimer vrijcorps, voor hun bedreiging
van de bewoner van Huize Windesheim veroordeeld
tot verbanning uit de provincie Overijssel.
12
De aankomst van Kemper en Jansen in
St. Omaars werd op 21 januari 1788 geregistreerd.
Gelijktijdig kwamen ook Jan Meyer en Henrik Jan
van Dijk aan.Jansen werd al op 28 mei 1788 weggezonden,
terwijl Kemper met vrouw en twee kinderen
pas in maart 1792 uit St. Omaars vertrok.
Terugkeer in Zwolle
Van degenen die in 1788 en 1789 uit St. Omaars
door de autoriteiten werden weggezonden, zoals
Akkerman, Bader, Beekman, Bruins, Cammeron,
Van Deventer, Van Dijk, Eskes, Glazer, Van Groeningen,
Haselhof, Gerardus Jansen, Jan Jansen,
Kok, Lammerts, Meulenbelt, Ney, Hendrik en
Christoffel Reis, Van Rhee, Segerts, Stokebrand,
Straay, Stuivelaar, Tusveld, Veenhuyzen, Lambert
en Willem Jan van der Voort en Wobben keerden
de meesten in de loop van dat jaar of 1789 terug
naar Zwolle. Slechts enkelen bleven langer weg (de
Bos, Cornelisz, Daulan, Gerrit Jansen, Kannegieter,
Hendrik Knaap, Willem Knaap, Kemper,
Koek, Van der Linden, Naas, Niemeyer, Olthuizen,
Stoel en Hermannus van der Voort) of trokken
naar andere steden of plaatsen, zoals Boschhoever
(Duinkerken, 1790), Kalff (Utrecht, 1796),
Lentmeyer (Loosdrecht, 1798) en de Roer (Parijs,
1790).
Conclusie
Van het merendeel van de vertrokken burgers kon
niet worden achterhaald wat de reden voor hun
vlucht was. Berichten over brandstichting, mishandeling
en doodslag in Zwolle ontbreken. Van
een Oranjegezinde furie tegen het volk was in
Zwolle geen sprake. Vermoedelijk werd hun
vlucht meer ingegeven door onheilspellende
berichten uit andere steden of lagen er andere,
wellicht economische, motieven aan ten grondslag.
Slechts van een enkeling, zoals Salomon van
Deventer, Hendrikus Kemper, Jan Jansen en Hermanus
Potgieter, was het begrijpelijk dat ze de
wijk namen. Zij konden immers worden gerekend
tot de leidende voormannen. De overige vluchtelingen
waren minder belangrijk. Hun namen treffen
we niet aan op de lijsten van Patriotse instellingen,
zoals het Comité Revolutionair, de Burgercommissie,
het Commercie College of de Loge
LTnébranlable. Hun vlucht gaf echter wel aan, dat
ze zich serieus bij de Patriottenbeweging betrokken
voelden.
Opvallend is, dat het vooral knechten, kleine
middenstanders en onvermogenden betrof, die de
wijk naar Noord-Frankrijk namen. Vermogende
Zwollenaren, leden van Patriotse magistraatsfamilies
en leidende Patriotse voormannen zochten
hun heil elders, vermoedelijk in Parijs, Londen en
andere Europese steden. Leden van de familie
Doyer weken zelfs uit naar Noord-Amerika.
Noten
1. J.G.M.M.Rosendaal, “Geene Heeren meer, Zalige
Egalité”, De door de Franse overheid ondersteunde
gevluchte patriotse burgers, 1787-1794, in: Jaarboek
l995 van het Centraal Bureau voor Genealogie, 107-
164.
2. M. van Heuven-Bruggeman, Een rekwest in Zwolle
in de nazomer van het jaar 1785, doctoraalscriptie
Vrije Universiteit Amsterdam, 1975, 21. Zie ook
GAZ, Z.Fol.23.
3. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), Administratief Archief
Zwolle (AAZ01), Resoluties Schepenen en Raden
(Res.S en R.), dd. 16 augustus 1793, p. 531.
4. GAZ, IA025-400.
5. GAZ, AAZ01, Resoluties Provisionele Representanten,
dd. 28 juni 1794, p. 217.
6. GAZ, AAZ01, Resoluties Provisionele Representanten,
dd. 9 november 1795, p. 99.
7. GAZ, AAZ01-06681.
8. J.J. Seekles, ‘Salomon van Deventer, 1736-1815’, in:
Overijsselse Biografieën, deel 2, Meppel 1992,42-45.
9. GAZ, AAZ01-06835.
10. GAZ, AAZ01-06051.
11. GAZ, AAZ01-06055.
12. GAZ, RA001-00466.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
Bijlage: alfabetisch overzicht van naar St. Omaars
gevluchte Zwolse patriotten
1. Frans Akkerman, knopenmaker en merselaar (1783-
1.788), aanwezig in Sc. Omaars van 17 februari 1788
tot 7 mei 1788, wanneer hij wordt weggezonden.
2. Jacob Bader, metselaar (1788), aanwezig in St. Omaars
van 19 februari 1788 tot 24 mei 1788, verblijft
ook in Duinkerke.
3. Harmanus Beekman, timmerman (1788), kleermakersknecht
(1788), aanwezig met vrouw en één kind
in St. Omaars en Grevelingen van 28 januari 1788 tot
19 maart 1789.
4. Jan Boschhoever, scheepstimmerman(sknecht)
(1788/1789), aanwezig in St. Omaars op 10 februari
1.788, verblijft in Duinkerke in 1790.
5. Anthonis de Bos, horlogemaker(sknechc)
(1788/1789), aanwezig in St. Omaars van 24 februari
1788 tot vermoedelijk mei 1791.
6. Albert Bruins, verver en glazenmaker (1788), zilversmid
(1789), aanwezig in St. Omaars op 17 februari
1788.
7. Hendrik (Albert) Bruins, zilversmid(sknecht) (1788),
aanwezig in St. Omaars van 17 februari 1788 rot 23
april 1788, wanneer hij wordt weggezonden.
8. Hubert (B.) Cammeron, kastenmaker, schrijnwerkersknecht
(1788/1789), aanwezig in St. Omaars van
17 maart 1788 tot 14 oktober 1789.
9. Roelof Cornelisz, afkomsrig van Meppel,
brouwer(sknecht) (1788/1789), verblijft in 1787 in
Zwolle, aanwezig in St. Omaars van februari 1788 tot
vermoedelijk mei 1791 •
10. Jan Joseph Francois Daulan, pruikenmaker, dameskapper
(1788-1792), aanwezig in St. Omaars van 29
maart 1788 tot vermoedelijk mei 1792.
11. Salomon van Deventer, klerk, kopiist op een kantoor
(1788), aanwezig in St. Omaars van 18 februari 1788
tot 17 mei 1788, wanneer hij wordt weggezonden.
12. Hendrik Jan van Dijk, timmerman, aanwezig in St.
Omaars van 21 januari tot 17 april 1788; wordt uiteindelijk
weggezonden.
13. Hendrikus Eskes, (ger, geboren 1769),
kleermaker(sknecht) (1788/1789), aanwezig in St.
Omaatsvan 12 februari 1788 rot 1.6 oktober 1789-
14. Albertus Glazer,kleermaker (1788/1789), aanwezig
in St. Omaars van 13 februari 1788 rot 1 juli 1789-
15. Melle van Groeningen, schipper(sknecht) (1788), aanwezig
in St. Omaars van 24 februari 1788 tot 17 mei
1788, wanneer hij wordt weggezonden.
16. Elzo Arnoldus Haselhof, tabakskoper (1788), aanwezig
in St. Omaars van 18 maart 1788 tot 17 mei 1788,
wanneer hij wordt weggezonden.
17. Gerardus Jansen,(ger, geboren 1771, vermoedelijk
overleden in St. Omaars vóór 7 april 1788), kleermaker(
sknecht), aanwezig in St. Omaars van 12 februari
1788 tot 7 mei 1788, wanneer hij wordt weggezonden.
18. Gerrit Jansen, mandenmaker(sknecht) (1788/1789),
aanwezig in Zwolle in 1787, in St. Omaars van 10 februari
1788 tot 31 januari 1790.
19- Jan Jansen, hovenier, arbeider, aanwezig in St.Omaars
van 21 januari 1788 tot 28 mei 1788; wordt uiteindelijk
weggezonden.
20. Jan Willem Kannegieter, timmerman, schrijnwerkersknecht
(1788/1789), aanwezig van februari 1788
tot februari 1790 in St. Omaars; wordt uiteindelijk
weggezonden.
21. Hendrik Kemper, conciërge en intendant van het kasteel
van A.W. van Pallandt van Zuthem (1787), hovenier,
tuinman (1788), boerencommandant en daghuurder
(1789); aanwezig met vrouw en twee kinderen
van 21 januari 1788 tot vermoedelijk maart 1792
in St. Omaars.
22. Hendrik Knaap, boekbinder(sknecht) (1788), onderofficier
(1789), aanwezig in St. Omaars van februari
1788 tot vermoedelijk mei 1791.
23. Willem Knaap,timmerman(sknecht) (1788-1790),
militair (1788), aanwezig in St. Omaars van februari
1788 tot februari 1790.
24. Jurgen Johannis Kalff (Kal), pruikenmaker (1790-
1792), aanwezig met zijn vrouw in Grevelingen van
1789 tot maart 1792, duikt in september 1796 op in
Utrecht.
25. Koek, afkomstig uit Zwolle, winkelier, verblijft met
zijn vrouw van 1789-1793 in Frankrijk.
26. Hermen Koek, (geboren 1761), bakker(sknecht)
(1788/1789), dagloner van metselaar (1789), aanwezig
in St. Omaars van 1 februari 1788 tot vermoedelijk
mei 1791.
27. Reinier Kok, bombardeur Reg. d’Averhould (1787),
bakker (1788), aanwezig in St. Omaars van 21 maarr
1788 tot 30 april 1788, terug in Zwolle in september
1789.
28. Jannes Lammercs, brouwersknecht (1788), aanwezig
in St. Omaars van 10 februari 1788 ror 16 april 1788,
wanneer hij wordt weggezonden.
29- Hubert Lantenberg, kistenmakersknecht, timmerman
(1788), aanwezig in St. Omaars op 10 februari
1788.
30. Alleberrus Lentmeijer,milicair (1788), stoelendraaier
(1789-1794), geboren in Kampen in 1760, ve

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1997

Door 1997, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
138»
P R I J S F 1 2 , 5 O
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
002488
J3IHOUV
3T1OMZ
31N331AI3O
Ansichtkaart: ‘De Dageraad’, Molenweg 38
Poststempel: Zwolle, 8 oktober 1903
Beste Aaltje. Ik ben heel blij als ik nog eens weer wat
van mijn vroegere leerlingen hoor. Maar ik zal U
toch niet meer kennen. Ik zend U nu een kaart met
onze Dageraad, opdat U nu ook weet, waar we
wonen en onze samenkomsten houden. Hierbij gaat
een kaart, waarop al onze samenkomsten. Met de
hartel. groeten. Uw zeer toegenegen meester E. Meuleman.
Een ansichtkaart uit 1903, vervaardigd door
stoomdrukkerij La Rivière & Voorhoeve te Zwolle,
met het gebouw De Dageraad aan de Molenweg
38 als afbeelding. Het pand is in 1897 ontworpen
door de Zwolse architect F.C. Koch en in 1898
door de hervormde predikant A. de Haan ingewijd.
Het bestond uit een vergaderzaal met
woning en ‘annexe lokaliteiten.’ Van hier uit vond
de stadsevangelisatie in het rode Assendorp plaats,
waar veel mensen woonden die bij het spoor
werkten. Ook was er in De Dageraad een kleuterschool
gevestigd. Bouwkundig ziet het pand er aan
de buitenkant nog net zo uit als op de ansichtkaart.
Wel is het nu wit geschilderd. Naast de
entree is een bord bevestigd waaruit blijkt dat nog
steeds op dit adres de Vrije Evangelisatie gehuisvest
is. Zoals op de kaart vermeld woonde E. Meu •
leman in De Dageraad. Het gaat hier om Egbert
Meuleman, geboren op 22 april 1870 te Zwolle,
conciërge in De Dageraad. Hij was onderwijzer en
heeft Aaltje Dikschei dus in de klas gehad. Uit het
archief van de penningmeester van De Dageraad
blijkt dat Egbert Meuleman op 15 oktober 1907
twaalf-en-een-half jaar verbonden was aan De
Dageraad. Hij kreeg toen een cadeau van 15 gulden.
In 1908 vertrok meester Meuleman naar Den
Haag.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Krantenlezers leverden ook vroeger al commentaar
op gebeurtenissen via ingezonden brieven.
Dit blijkt uit het artikel van Wil Cornelissen over
de onrust die het gevolg was van het optreden van
een veldwachter tijdens een joodse begrafenis.
Eigentijds commentaar en ooggetuige verslagen
zijn ook van belang in het artikel van J.C.
Streng over de grote overstroming van 1825. Veel
over deze ramp is te vinden in het boek geschreven
door Jan ter Pelkwijk ten bate van de slachtoffers.
In de zestiende eeuw werden de originele landen
dijkrechten voor gebruik door juristen gekopieerd.
De fraaie versiering van een aantal van
deze bundels wordt door Lydie van Dijk beschreven
en in de tijd geplaatst.
Een eeuw later, eind zeventiende eeuw, werd
een dichtbundel van Anna Morian gepubliceerd.
G.T. Hartong ontrukt deze Zwolse dichteres aan
de vergetelheid en put uit haar gedichten ook een
groot aantal biografische gegevens.
Iet Ërdtsieck beschrijft het onderwijs aan het
joodse kind in Zwolle rond het midden van de
vorige eeuw. Een aantal overheidsmaatregelen op
onderwijsgebied moest er voor zorgen dat het
joodse kind integreerde in de Nederlandse samenleving.
Tenslotte beschrijft Wim Huijsmans de
geschiedenis van het pand Harm Smeengekade 7,
nu gelegen bij de rotonde bij de Kamperpoortenbrug.
Dit pand werd in 1765 gebouwd als logement
met een stalling voor paarden. Het heeft tot begin
tachtiger jaren van de vorige eeuw als herberg
gefungeerd.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma 2
De veldwachter zorgde voor onrust Wil Cornelissen 4
‘De zenuwen doen mij alles beven’ J.C. Streng 6
Gebundelde stads-, land- en dijkrechten Lydie van Dijk 10
Het onderwijs aan het joodse kind in Zwolle, 1819-1857 Iet Ërdtsieck 14
Anna Morian. Een vergeten Zwolse dichteres uit
de zeventiende eeuw G.T. Hartong 20
Een levendig centrum van verkeer:
Harm Smeengekade 7 Wim Huijsmans 26
Literatuur 32
Mededelingen 33
Agenda 34
Auteurs 35
Houten leesplankje dat gebruikt werd op joodse scholen, (collectie Joods Historisch
Museum, Amsterdam).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De veldwachter zorgde voor onrust
Wil Cornelissen >^^v p vrijdag 3 juni 1932 stierf Vrouwke Levie-
I lLievendag, wonende op de Willemskade
: V^_>/13 in Zwolle, in de ouderdom van 75 jaar.
Ze werd de daaropvolgende zondag begraven op
de joodse begraafplaats aan de Watersteeg (nu
Kuyerhuislaan genaamd). Haar begrafenis verliep
niet geheel rimpelloos als we mogen afgaan op de
ingezonden brieven in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant van 6 en 10 juni 1932.
Merkwaardig is hierbij dat de burgerlijke overheid,
in de figuur van een gemeenteveldwachter
van Zwollerkerspel, een rol speelde.
Wat was het geval? Een eeuwenoude traditie
wil dat mannen en jongens bij een dergelijke
plechtigheid een hoofdbedekking dragen. Tegenwoordig
worden daartoe veelal keppeltjes
gebruikt; destijds droeg men meestal hoeden of
petten.
In de krant van 6 juni schreef ‘een toeschouwer’
dat het bij de plechtigheid ‘enigszins onordelijk
is toegegaan.’ De aanwezige gemeenteveldwachter
kondigde aan dat mannen en jongens, die
niet van een hoofddeksel waren voorzien, niet op
de begraafplaats zouden worden toegelaten. Het is
onduidelijk of hij dit deed omdat hij opdracht had
gekregen om deze regel toe te passen, of dat hij het
op eigen initiatief deed; was het misschien een
joodse veldwachter?
Velen (en dat zullen waarschijnlijk de nietjoden
zijn geweest) maakten van de nood een
deugd. Zij maakten van hun zakdoek een ‘ersatz
hoofddeksel’ zoals de briefschrijver meldt. Hij
deed dat zelf ook voor zijn zoontje. Vervolgens
vertelt hij dat, nadat de plechtigheid enige tijd had
geduurd, hij van de politieman te horen kreeg dal:
het jongetje zich moest verwijderen. Ook andere
‘gezakdoekte’ personen werden verwijderd. De
veldwachter liep over de begraafplaats (en dat alles
tijdens de plechtigheid!) en commandeerde: ‘Er
af.’ Dat gaf natuurlijk onrust op Vrouwkes begrafenis.
De ingezonden-briefschrijver informeerde
naderhand bij een ‘Israëliet’ of een zakdoek geoorloofd
was. Volgens zijn informant was dit inderdaad
wel toegestaan. Zelfs zou in noodgevallen hel:
hoofd met uitgespreide hand bedekt mogen worden.
De briefschrijver eindigt met de vraag of de
politieverordening van Zwollerkerspel het optreden
van de veldwachter rechtvaardigt. Vermoedelijk
niet, zo verzucht hij.
Een paar dagen later reageerde een andere
Zwollenaar (‘Uw abonné A.K., vriend van de
familie’) in de krant. Hij zei dat hij van de onordelijkheden
niets had gemerkt. Maar de personen
die een zakdoek op het hoofd hadden, schaadden
het decorum en verwijdering was niet zo vreemd.
Bovendien, zo vroeg A.K. zich af, is een begrafenisplechtigheid
wel een geschikt schouwspel voor
kinderen, zoals de zoon van de eerste briefschrijver?
‘Tussen het publiek bevond zich ook een
dame met een huilende baby. Dat is toch een contradictie’,
zo beweerde hij. Ook deze tweede briefZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
HIER
BETJE
HIER RIJST
ONZE ZORGZAME MOEDER
VROUWKE LEVIE
-LIEVENDAG
GEB.TE BORNE 4 MEI 5617
OVERL.ALHIER 2 f j ^ , ” 5692
Grafsteen van Vrouwke
Levie-Lievendag op de
joodse begraafplaats
aan de Kuyerhuislaan.
schrijver informeerde bij ‘zeer bevoegde zijde.’
Men vertelde hem dat het dragen van zogenoemde
‘ersatz hoofddeksels’ ongeoorloofd was en dat
de veldwachter dus correct optrad.
Tenslotte is er nog een derde ingezonden brief
van Ed. Anholt Ezn, namens het bestuur van het
Joodse Begrafenis Genootschap. Ook hij nam het
op voor de veldwachter. Immers een gedekt hoofd
was bij een dergelijke plechtigheid verplicht. ‘Het
publiek hoort dat te weten’, zo betoogde hij. ‘En’,
zo voegde hij er nog aan toe ‘in tegenspraak met
andersluidende berichten is het bedekken van het
hoofd met ontbloote hand niet geoorloofd.’
De begrafenis van Vrouwke Levie had dus
door goedbedoeld ingrijpen van de burgerlijke
overheid een onrustig verloop.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
cDe zenuwen doen mij alles beven’
J.C. Streng
Kaart van de provincie
Overijssel met de doorbraken
en overstromingen
van 4 februari 1825,
gedrukt bij E. Maaskampt
Amsterdam (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle).
Aan de grote overstromingsramp in februari
1825 is altijd al veel aandacht geschonken.
De ellende ontving in de toenmalige kranten
volop aandacht in het gehele land. Door Jan
ter Pelkwijk werd over de ramp een boekje ten
bate van de slachtoffers geschreven onder de titel:
Beschrijving van Overijssels watersnood in Februari)
1825. Nog altijd is dit de belangrijkste bron voor de
sindsdien verschenen literatuur.’
Een ooggetuige
Spontane reacties van ooggetuigen op de ramp
zijn echter zeldzaam. Naast het relaas van Jan
Morra over zijn reddingswerk is er een brief die
Rutgera Amarantha Thomassen a Thuessink over
haar ervaringen met de overstroming schreef aan
haar te Groningen wonende nicht Dientje, ofwel
Edzardina Jacoba Gelderman – Lewe van Middelstum.
2
Rutgera Amarantha was de dochter van de
grootmajoor van Zwolle, Joost Peter Thomassen a
Thuessink en Johanna Muntz. Zij was gedoopt op
19 februari 1764 en haar hele leven ongehuwd
gebleven. Ten tijde van de ramp woonde ze in een
huurhuis in de Nieuwstraat. Twee jaar later, op 16
februari 1827, overleed ze. Dientje, weduwe van
Egbert Gelderman, was haar aangehuwde nicht
want de moeder van Egbert was Arnoldina Aleijda
Thomassen a Thuessink, de echtgenote van
Arnoldus Gelderman.
Welnu, op 11 februari 1825 schreef met de schrik
nog in de benen en een overlopend gemoed, Rutgera
Amarantha de volgende brief aan Dientje:
‘Lieve Dientje, Daar ik toch niets doen kan, en
ik met mijn gedachten altijd over de Akeligheden
denk, moet ik UE eens mededelen wat Rampen,
onse Stadgenoten ende omliggende plaatsen, Dorpen
en gehugten al is overkomen; weet dan dat nu
ruim agt dagen geleden ik gerust op mij kamer zittende,
er in eens een geloop zoo sterk door mijn
straat kwam, dat ik vroeg uit ’t glas, of er Brand
was, waar ik ten antwoordt op kreeg, og neen,
maar het water loopt haast binnen Stadt, de Dijk
en voorstad staat al onder en veel lieden vlugten al
binnen om hun leven en haar vee te redden. Denkt
hoe mij dit trof. Ik had wel gevreest de ijsselijke
storm en daer alle Elementen scheenen in beweging
te zijn, dat dit naarheid zou opleveren dog,
zoo had nooit eennig Mensch kunnen denken. In
een ogenblik kerken opgeruimt, ’t Reventer het
Binnengasthuis en veel grote huisen die lieden
binnen namen, ’t Is nu vrijdag agt dagen, wierden
er zoo bij koppels levende zielen en lijken op Berris
in ’t Gasthuis gebracht, die opgevist wierden
aan alle oorden van onse stadt. Enkelden wierden
den kuur nog aangedaan, dog vrugteloos. ’t Zeewater
dat zoo sterk zig in een ogenblik tot in onse
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stadt vertoonde was voor die menschen aller
nadeligst. alle huisraad kwam aandrijven. Vrouwen
met hunner kinderen in de arm gekneld.
Andere die er leven afgebrogt hadden, meenden
nog van haer huisgezin wat te vinden, dog vonden
ze verstijfd op stroo leggen, een aantal vee is hier
overal verdronken. Rende UE dese Couranten om
alles breedvoerig uit te zien en op nieuw aandoening
te spaeren. De zenuwen doen mij alles beven.
Hoe alles weer te regt komt weet God alleen.
Z[uster] Tobias3 heeft voor haer alleen een grote
agtduizend gis. schade. Balt aan de sluis, grote
schade en verliezen van kalk, steen, turf, en een
groot gedeelte van de Kalkhovens weg, de weg na
Meppelt van daar, zal zoo men nu zegt nooit meer
in orde koomen, gat aan gat en de schade van onse
dijken is nog niet te berekenen. Nu wordt er voor
alle die ongelukkigen op ’t Reventer gekookt en
van alles versorgd. Die dankbaarheid van die lieden
is aandoenelijk. De zieken en hoogzwangeren
leggen in ’t Gasthuis, in de Provisorenkamer. De
lijken, gisteren nagt zijn er 19 begraven, 3 aan drie
kisten op baaren na de Grote Kerkhof gebragt. Nu
leggen er al weer drie lijken. Het is niet te beschrijven,
al de ellenden. Tussen de Wipstrikkerallee en
de Dijk is een groot gat gespoeld, met het vorige
water dat was wat gemaakt om de passasie te
stremmen, dog is nu veel groter en dieper. De
muur van UE tuin legd geheel neer.4 Ik beklaag U
ook, dog dit is niets met de grote schade er is. De
Stadt kan het met deze onkosten niet volhouden.
En waar nu al die ongelukkigen heen, die niets
meer hebben overgehouden. Wat zal hier een grote
Armoede door ontstaan. Alle aardappels zijn
hier in den omtrek meest weg gedreven door ’t
Zeewater, [of] in de kuilen bedorven. De boter
kost hier 13 stuiver een pond. Er komt haast niets
ter markt. De Heeren hebben bij intekening, lijsten
om in te tekenen voor de nooddruftigen,
rondgezonden en er zal in andere steden en in
deze stadt ook een collecte gedaan worden.
Recommandeert tog waar gij komt de lieden tot
mededeelzaamheid, want het hart krimpt weg van
al de grievende ellende. Nu wordt bij nagt van al
dat aandrijvend goed nog braaf gestoolen. Er
wordt wel opgepast zoo veel men kan, dog het
slegte volk waagt veel. Nigt van Marie5 te Kampen,
BES
0YE1U} SJSK.1
,„
XïEP. VT.i
,„„™
m
VI, 1) il f
die haar voornaam inkomen had van de boerenerven
in Mastenbroek mist dit ook omdat er zoo
veel rijke boerenwoningen zijn weg gespoelt die
niets hebben kunnen redden. De boerschap
Haarst heeft haast alle het vee verloren. Enkelden
hebben ’t vee op den Dijk agter Z[uster] Tobias
Huis op stroo in al dat weder gehad en hebben ’t
behouden. De oude Wichert6, die gij mogelijk
kent, zat op den haart met 3 getroude kinders en
een dertig kleinkinder die alles verloren hadden
op een paard en een varken na. Dog Cristelijk
dankbaar dat God hun alle zoo ’t leven gespaard
had. Enkelden zaten in de Hooijbergen tot dat
alles door wind en water instoten. Er was schuiten
gebrek om allen te redden. Is dit niet als een zware
straf aan te merken. Ik begrijp ’t tenminsten zoo
lang zijn wij gespaard, dog nu is de ramp gedugt.
Men zou vragen, hoe komt het ooit of ooit nog
weer te regt. Nu genoeg van alle naarheid. Ik hoop
dat bij UE in de stadt alles wel zal zijn. Alle vermaken
hebben hier opeens een eind. Dat geld word
voor ongelukkigen uitgedeeld. O., die nu rijk is en
niet veel doet, is geen mensch. Maakt tog dat
Titelpagina van de
‘Beschrijving van Overijssels
Watersnood’ met
een staalgravure van
A.L. Zeelander naar een
tekening van]. Schoemaker
Doyer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
StaalgravureA.L. Zeelandernaar
J. Schoemaker
Doyer van de
‘grote dierenkop’ in de
‘Beschrijving…’.
Pr[ofessor] Thuessink7 dit ook eens weet. De oude
betrekking op Zwol zal hem wel mededeelzaam
maaken, en bedelt tog waar gij kunt.
Nu lieve Dientje, schrijft mij eens ten eersten
en groet de kinders van mij. Wij zijn alle wel en
denkt eens aan UE liefhebbende Tante’
Geldelijk hulp
In hoeverre de aanmaning om royaal te geven, en
niet alleen die van Rutgera Amarantha maar ook
die van de Provinciale Commissie ter verzorging der
Noodlijdenden door den jongsten Watervloed, is
nog wel na te gaan. Dat kan aan de hand van
publicaties in de Overijsselsche Courant. Op 4
maart berichtte de krant dat er tot nu in totaal
voor 20.383 gulden te Zwolle voor de slachtoffers
bij elkaar was gebracht. De krant kon niet laten er
tevreden aan toe te voegen dat ‘men zich ook
alhier van den plicht der liefdadigheid met luister
heeft gekweten’.
Op diverse manieren werd er geld geworven.
Daartoe behoorde een ook thans nog geliefde
vorm: het benefietconcert. Dat ‘alle vermaken’
opeens ophielden was dus betrekkelijk want op
zaterdag 19 februari werden er in de schouwburgzaal
van D.W. Diepenheim (het huidige Odeon)
diverse operafragmenten uitgevoerd. De entree
was ten bate van de slachtoffers een gulden per
persoon. De organist Hempenius leidde op zondag
27 februari in dezelfde zaal het gezelschap
‘Door zanglust vereenigd’ in een concert van
diverse zartgstukken. De entree was deze keer vijftig
cent. Voor hetzelfde bedrag kon men alweer op
donderdag 3 maart Hempenius op het orgel in de
St. Michaëlkerk horen spelen.
Er werden nog andere initiatieven in de Overijsselsche
Courant aangekondigd. De tamboermajoor
H. Wits en schermmeester J.N. Knoot
hielden op 27 maart een demonstratieve schermpartij.
De entree was vrijblijvend maar de
opbrengst kwam ten goede aan de slachtoffers van
de watersnood. Het is niet bekend wat er met de
opbrengst van de tentoonstelling van de kunstschilder
J. Schoemaker Doyer gebeurde, dat stond
niet in de krant. Wel werd op 26 maart vermeld
dat zijn lopende schilderijententoonstelling uitgebreid
werd met stukken over de watersnood. Er
werd ook een afbeelding getoond van een ‘Groote
dierenkop’ die door de overstroming te voorschijn
was gekomen.
In de Overijsselsche Courant verschenen nog
tot juni lijsten met de namen van gevers en de binnengekomen
bijdragen uit het hele land, zo kon
men naam maken met het doen van caritas. Dat
kon ook door in te tekenen op het kloeke boek van
Jan ter Pelkwijk over de watersnood. De
opbrengst van het werk zou uiteraard ten goede
komen van de slachtoffers terwijl de gulle kopers
vereerd werden met de vermelding van hun naam
voorin het boek. Dit initiatief was een groot succes.
Uit het hele land schreven, als ik goed gestaffeld
heb, 928 personen in voor in totaal 962 exemplaren.
De grootste belangstelling kwam uit de
getroffen regio: 608 Overijsselaars wilden het verslag
in huis hebben en dat was 65 procent van alle
Nederlandse inschrijvers. En van de Overijsselaars
kwam ruim een derde deel weer uit Zwolle. De
reden zal zijn dat de initiatiefnemers te Zwolle
woonden. De al genoemde Provinciale Commissie
ter verzorging der Noodlijdenden door den jongsten
Watervloed was gevestigd te Zwolle en bestond uit
plaatselijke notabelen. De schrijver en de drukker
woonden daar ook. De laatste twee heren, Ter
Pelkwijk en Doyer, waren tevens lid van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen. Het is niet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
onmogelijk dat een groot aantal Zwolse inschrijvers
daar ook lid van was. Het was in ieder geval
een onderwerp dat het Nut wel aansprak. In 1825
werden redders uit Zwartsluis, Kampen, Steenwijk
en Noordwolde voor betoonde moed door
het Nut gedecoreerd.8
De inschrijver uit de kleine plaatsjes was
meestal de predikant en/of de burgemeester. In
het algemeen behoorden de inschrijvers tot de traditionele
hogere standen: bestuurders, leden van
de rechterlijke macht, edelen (soms met hele
families tegelijk zoals Bentinck, Plettenberg en
Sloet), predikanten, officieren en mensen uit de
handel. Ambachtslieden komen slechts sporadisch
voor. De intekening toont duidelijk aan dat
Overijssel nog maar nauwelijks geïndustrialiseerd
was want namen van fabrikanten en industriëlen
ontbreken vrijwel geheel.
Hoeveel bracht de uitgave van het boek nu op?
De onkosten waren per boek begroot op tien gulden
en veertig cent. Dat was inclusief een kaart op
‘Atlas dubbel Olifants vel’ en een gedenkstuk op
‘dubbel Olifants velin’. De verkoopprijs van het
boek was vastgesteld op zestien gulden. Een eenvoudige
berekening maakt duidelijk dat het boek
rond de 5400 gulden voor de slachtoffers
opbracht. Twintig procent van dit bedrag kwam
uit Zwolle. Er kan geen twijfel over bestaan,
‘mededeelzaam’ was men wel.
Mastenbroek
Nieuwleusen
Oldemarkt
Olst
Ommen
Ootmarsum
Raalte
Rijssen
Staphorst
Steenwijk
Steenwijkerwold
1
1
20
8
3
6
26
3
1
27
2
Vollenhove
Vriezenveen
Weerselo
Wilsum
Windesheim
Wijhe
IJsselham
Zwartsluis
Zwolle
Zwollerkerspel
3
18
9
1
1
12
2
19
214
4
Bijlage: Lijst van
plaats
Almelo
Bathmen
Blokzijl
Borne
Dalfsen
Delden
Denekamp
Deventer
Diepenveen
Enschede
Genemuiden
Giethoorn
Goor
Gramsbergen
Overijsselse inschrijvers
16
5
5
3
6
21
5
30
6
21
4
4
5
3
Haaksbergen
Hardenberg
Hasselt
Heemse
Heino
Hellendoorn
Hengelo
Herinkhave
Kampen
Kamperveen
Kuinre
Lonneker
Losser
Markelo
naar
7
8
8
1
1
5
4
1
38
3
10
4
2
1
6.
7-
8.
Noten
1. Bijvoorbeeld: W. Coster, Bij nacht en ontij. Rampspoed
in Overijssel, Jaarboek Overijssel 1994, Zwolle
1994.
2. A.J. Mensema, ‘De watersnood van 1825’, in: IJsselakademie
9 (1986), 86-87. Gemeentearchief Zwolle,
Familie-archief Gelderman, inv. nr. 78.
3. Catharina Thomassen a Thuessink, een zus van
Rutgera Amarantha, was gehuwd met Herman Antony
Tobias.
4. Mogelijk wordt hier een muur op Landwijk bedoeld.
Dientje had veel onroerend goed te Zwolle
uit de erfenis van haar man. Zie: J. ten Hove, ‘Bewonersgeschiedenis’,
in: E. Gelderman en J. Hagedoorn,
Een aardsch paradijs. De buitenplaatsen
Boschwijk, Landwijk en Veldwijk nabij Zwolle, Zwolle
i994,73-89-
5. Arnoldina Aleida Eekhout, zij was gehuwd met
Herman Egbert van Marie. Arnoldina Aleida was
een dochter van Christoffel Willem Eekhout en
Anna Catharina Thomassen a Thuessink. Anna
Catharina was een zus van de vader van Rutgera
Amarantha
Niet kunnen traceren.
Evert Jan Thomassen a Thuessink was professor in
de medicijnen te Groningen. De vader van Evert
Jan, David, was een broer van Rutgera Amarantha.
J. Leenders, ‘Van edele bedrijven en welbeproefde
trouw’. De ereblijken van het Nut 1791-1885′, in:
Volkskundig Bulletin 22 (1996), 177-196, hier 182.
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gebundelde stads-, land- en dijkrechten
Lydie van Dijk
Beginkapitaal I versierd
met twee satyrs in het
Stadboek van Zwolle,
1565 (Gemeentearchief
Zwolle; foto Henk
Kwakkel).
Titelpagina van het
negende hoofdstuk in
het Stadboek van Zwolle,
156$. De klassieke
invloed is te zien aan
zuilen en medaillons
(Gemeentearchief
Zwolle; foto Henk
Kwakkel).
Sinds het eind van de vijftiende eeuw waren
boekdrukkers zowel in Zwolle als in Deventer
actief. Door deze opkomst van de boekdrukkunst
nam de produktie van geschreven boeken
in de zestiende eeuw af.
Toch werden op speciaal verzoek in de tweede
helft van de zestiende eeuw nog handschriften
vervaardigd. Dit blijkt uit een groep handschriften,
die zich nu vooral in archieven in het oosten
van Nederland bevinden. Zij bevatten juridische
teksten: dijkrechten, landrechten en stadsrechten.
Aanleiding tot vervaardiging1
Ondanks het feit dat Overijssel in 1528 Karel V had
aangenomen als landsheer, wilde men zoveel
mogelijk de eigen zelfstandigheid bewaren. Deze
zelfstandigheid was geregeld in verschillende
landbrieven en stadsrechten van voorgaande
landsheren. Hierin werd niet alleen de verhouding
tot de landsheer geregeld, maar vooral die tussen
de ingezetenen van Overijssel onderling. Dit
geheel van rechtsregels werd het landrecht
genoemd. Karel V trachtte zijn landen tot een grotere
eenheid te smeden. Daartoe stemde hij o.a.
het recht meer op elkaar af en breidde het uit met
een ‘Reformatie op de landrechten’.
De originelen van het landrecht werden
bewaard in de landskist in het raadhuis in Deventer.
Deze kist zat met zes sloten dicht. De drie steden
Zwolle, Deventer en Kampen, en de drie drosten
van Salland, Twente en Vollenhove als vertegenwoordigers
van de Ridderschap, hadden ieder
een sleutel. Deze landbrieven konden daarom
j bYoof io(
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
P f |
cc nci felrraiT off fötööm m
. anno Dom/ij’
Wdffftvs ‘VA locform.ti
Titelpagina in het Stadboek
van Zwolle, 1565.
De voorstelling met de
Dood, een zandloper,
slangen en een zonnewijzer
is een verwijzing
naar de vergankelijkheid
(Gemeentearchief
Zwolle; foto Henk
Kwakkel).
Omkaderde tekst in het
Dijkrecht van Mastenbroek,
1599. Onderaan
staat de datum 1599 en
de naam van de schrijver,
Hendrick Matthijs
van Wessem uit Zwolle
(R ijksarch ief Overijssel;
foto Hans Westerink).
alleen geraadpleegd worden, wanneer de voltallige
Staten van Overijssel zitting hadden.
Karel V wilde de rechtspraak in handen leggen
van beroepsjuristen, waarvoor in 1553 het Hof van
Kanselier en Raden ingesteld werd. Voor een goede
uitoefening van hun taak was het nodig dat
deze juristen de beschikking hadden over de oude
rechten. Zij lieten daarom de verschillende landbrieven
en soms ook stadsrechten en dijkrechten
afschrijven.
In 1559 gaf Melchior Winhoff in Deventer het
Land recht van Overijssel in druk uit. Dit was echter
niet, zoals de handschriften, een letterlijke
kopie van het oorspronkelijke landrecht maar een
interpretatie. Winhoff trachtte de stofte systematiseren
en toe te lichten. Dat dit niet tot tevredenheid
van potentiële gebruikers was, blijkt uit de
opmerking van de stadhouder, Aremberg. Deze
zou een aan hem aangeboden exemplaar in het
vuur geworpen hebben en Winhoff gevraagd hebben
wie hem het recht had gegeven de landrechten
te herzien2.
Na de overgang van bijna geheel Overijssel van
Spaanse naar Staatse zijde ontstond de behoefte
aan een herziening van het gehele Overijsselse
landrecht. Dit kwam in 1630 gereed en het werd
gedrukt bij Sebastiaan Wermbouts in Deventer.
Met de komst van de Fransen in 1795 verdween
geleidelijk het Overijsselse recht. In 1811 werd het
Franse rechtsstelsel in Overijssel ingevoerd en
gold het oude landrecht niet meer.
Versieringen
Ruim twintig van de traceerbare handschriften die
om de hierboven genoemde reden in de tweede
helft van de zestiende eeuw werden gekopieerd,
zijn versierd met penwerk en aquarel. Opvallend
is dat de motieven grote overeenkomst met elkaar
vertonen, waardoor men zou kunnen veronderstellen
dat niet alleen de teksten, maar ook de illustraties
op dezelfde voorbeelden terug gaan. De
meeste illustraties slaan niet op de tekst. Handschriften
die samengesteld zijn uit verschillende
elementen, kunnen dezelfde voorstelling als versiering
bevatten.
Een deel van de versieringen borduurt voort
op de middeleeuwse traditie: de rubrieken worden
aangegeven met een eenvoudige markering in
rode inkt en in de marges en bij het begin van de
hoofdstukken treffen we maskers, koppen,
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vrouwelijke halffiguur
op zuil in Het landrecht
van Overijssel, Salland,
Twente en Vollenhove,
1567 (Rijksarchief Overijssel;
foto Hans Westerink).
Titelpagina van het
Dijkrecht van Mastenbroek,
1588 (Gemeentearchief
Kampen; foto
Woning).
AL T>. Ï.XX
(fabel)dieren en bloemen aan. Tot dezelfde traditie
behoren ook de met penwerk verluchte beginkapitalen
van de teksten.
Soms treft men voor een hoofdstuk een man
of vrouw met een provincie-, stads- of familiewapen
aan. Dit wapen heeft betrekking op de daarop
volgende tekst, die de rechten van een bepaald
gebied beschrijft, of de door een landsheer opgestelde
regels bevat.
Een meer algemeen karakter hebben de paginagrote
afbeeldingen van Vrouwe Justitia en een
rivierlandschap met een boer, beide voorzien van
een latijnse spreuk.
Nieuw voor handschriften, maar wel gebruikelijk
bij boekdruk in deze periode, is het gebruik
van titelpagina’s. In de middeleeuwse handschriften
komen vrijwel nooit titelbladen voor. De gegevens
over titel, auteur, kopiist, plaats en datum
van ontstaan konden worden opgenomen in het
colofon dat de geschreven tekst afsloot. Dit
gebruik wordt aanvankelijk overgenomen bij het
drukken van boeken. Pas in de loop van de zestiende
eeuw gaan drukkers titelbladen verzorgen.
Het eigentijdse element komt vooral tot uiting
op de titelpagina’s. Hier treffen we o.a. zuilen en
andere architectonische elementen aan, halffiguren
en leeuwenkoppen. Deze tonen overeenkomsten
met elementen van de ornamentprenten uit
de Renaissance. Deze kenden een wijde verspreiding
vooral door de prenten die door Johannes
Vredeman de Vries waren gemaakt.
Op deze titelpagina’s valt op dat de versiering
een enkele maal wat onzorgvuldig is aangebracht.
De ondertekening in potlood is soms zichtbaar en
de vlakverdeling is bij de definitieve invulling niet
altijd goed gelukt. De voor deze voorstellingen
gebruikelijke symmetrie gaat dan verloren. Er verschijnt
in een hoek dan opeens een stuk van een
zuil of een cartouche om de lege plek die is ontstaan
op te vullen, zonder dat dit enige functie of
betekenis voor de afbeelding heeft.
Auteurs
Bij grote uitzondering wordt in een handschrift de
naam of de initialen van een auteur genoemd. Het
betreft dan niet degene die de versiering heeft
gemaakt, maar de kopiist. De handschriften waarin
dit voorkomt zijn de volgende:
Het Stadboek van Zwolle, 15653; in en bij de
tekeningen komen de initialen W I voor,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
mogelijk van Willem Jans, kanunnik van het
Bethlehemklooster4.
Het gehele dijkrecht van Mastenbroek, 15885;
enkele keren staan onder de afzonderlijke teksten
de initialen B K en B K GIW S.
Het dijkrecht van Mastenbroek, 15746; onderaan
de titelpagina komt de vermelding voor H
W collector.
Het dijkrecht van Mastenbroek, 15997; door
het hele handschrift heen komen de initialen
H M V W en de naam Hendrick Matthijs van
Wessem voor, vaak met de vermelding dat hij
dit geschreven heeft in het jaar 1599. Eén maal
wordt hier nog aan toe gevoegd Zwollensis.
Helaas is Hendrick Matthijs niet te vinden in
het Zwolse gemeentearchief. Wel komt Matthijs
van Wessem voor. Deze krijgt in 1567 het
burgerrecht. Hij heeft verschillende kinderen,
maar een Hendrick wordt niet genoemd.
Conclusie
De hier genoemde groep handschriften stoelt
deels op de middeleeuwse traditie: zowel door het
feit dat zij samengesteld zijn uit afschriften van de
originele stukken, als door een deel van de verluchting.
Aan de andere kant laten de elementen
die voorkomen op de titelpagina’s zien dat men
op de hoogte van de renaissancistische vormentaal
was.
Het blijft verwonderlijk waarom men nooit
besloten heeft de verschillende dijk-, land- en
stadsrechten integraal in druk uit te geven in
plaats van ze steeds weer af te schrijven.
Noten
1. De aanleiding voor het afschrijven van de oude
rechten wordt uitgebreid beschreven in: Albert
Mensema, Verluchte Regels, Sallandse handschriften
uit de 16de eeuw, een uitgave van het Stedelijk Museum
Zwolle naar aanleiding van een tentoonstelling
die plaats vond van 15 november 1996 t/m 5 januari
1997.
2. S.J. Fockema Andreae, ‘Recht en Rechtsbedeeling in
Overijssel gedurende het overgangstijdperk 1550-
1630’ in: Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis XVII, 1941
243-293-
3. Gemeentearchief Zwolle, AAZOI nr. 253.
4. Mededeling van de heer A. Mensema.
5. Gemeentearchief Kampen, Waterschap Mastenbroek,
oud-archief nr. 46.
6. Rijksarchief Overijssel, Markenarchief, inv.nr. 902.
7. Rijksarchief Overijssel, VORG 801.
Boer bij een rivier in de
Landrechten van Overijssel
en dijkrechten van
Salland en Mastenbroek,
ca. 1572 (Rijksarchief
Overijssel; f o to
Hans Westerink).
Zittende Vrouwe Justitia
in Het gehele landrechtvan
Overijssel…,
1577 (Rijksarchief Overijssel;
foto Hans Westerink).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het onderwijs aan het joodse kind
in Zwolle, 1819-1857
Iet Erdtsieck Inleiding
In de Nederlands Israëlitische Gemeente te
Zwolle was, evenals in de meeste joodse
gemeenten in Nederland, een godsdienstschool.
Deze school heette sinds 1819 officieel: De
Godsdienstige Israëlitische Armenschool. Men
kan zich afvragen hoeveel joodse kinderen deze
armenschool hebben bezocht en of deze school
hun integratie in de Nederlandse samenleving
heeft bevorderd. Daarnaast is het interessant te
weten welke instanties voor het armenonderwijs
betaalden. Was dat de joodse gemeente of de burgerlijke
overheid? Tenslotte kan men zich afvragen
wat er na de schoolwet van 1857 veranderde
voor de joodse kinderen in Zwolle.
Het joodse onderwijs vóór 1817
De joodse kinderen in Zwolle werden tijdens de
achttiende eeuw onderwezen in het jodendom
door een schoolmeester, die door de leden van de
gemeente werd gesalarieerd. Daarnaast namen
welgestelde joodse ouders privé-onderwijzers in
dienst. Sommige onderwijzers gaven naast het
godsdienstonderwijs les in het Nederlands. In enige
kleine plaatsen buiten Zwolle zoals Ommen en
Wijhe bezochten joodse kinderen de plaatselijke
dorpsscholen.1
De eerste stap op de weg naar de emancipatie
van het joodse kind was het besluit van de Provisionele
Representanten des Volks van Overijssel,
van 23 maart 1796. De representanten van Overijssel
waren van mening, dat een consequente toepassing
van de rechten en de volkomen gelijkheid
van de mens en de burger, moesten leiden tot
intrekking van de ‘Schoolordre’ van 5 april 1666
(die de gereformeerde bevolkingsgroep bevoorrechtte).
In artikel 1 van het nieuwe concept-reglement
werd bepaald dat als onderwijzers mannen
van alle godsdienstige gezindten konden worden
aangenomen. Het werd verboden bij het onderwijs
over godsdienst te spreken en boeken die dit
onderwerp behandelden, mochten niet op school
gebruikt worden.2
In het Emancipatiedecreet van 1796 werd de
mening van Overijssel bevestigd.3
Tijdens de regeringsperiode van Lodewijk
Napoleon (1806-1810) richtten verlichte joden als
Jonas Daniël Meijer, Carel Asser en Mozes Cohen
Belinfante verzoeken en voorstellen aan de koning
om het Nederlands als voertaal op school in te
voeren en bijbel en gebedenboeken in het Nederlands
te vertalen.4
Overheidsmaatregelen in 1817 en 1822
Echter pas onder koning Willem I kwam de emancipatie
van het joodse kind op gang. Bij Koninklijk
Besluit van 10 mei 1817 werden regels vastgesteld
voor onderwijs aan joodse kinderen:
ontbinding van de bestaande godsdienstige
scholen
elke hoofd- en zo mogelijk ringsynagoge
moest een godsdienstige armenschool oprichten
het onderwijs moest geschieden door middel
van het Hebreeuws en het Nederlands (geen
Jiddisch!)
de onderwijzers moesten een examen afleggen
instelling van schoolopzieners (schoolbezorgers),
die rechtstreeks verantwoordelijk waren
aan het Departement van Eerediensten (en
niet aan de parnassijns van de hoofd- of ringsynagoge)
controle van het onderwijs door inspecteurs.3
Reinsma en Van Zuiden, die de emancipatie van
het joodse kind onderzochten, zijn tamelijk pessimistisch
over de naleving van dit Koninklijk
Besluit, daar controle ontbrak. Het ressort Zwolle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
legde in ieder geval in 1819 een register aan waarbij
de godsdienstonderwijzers zich verplichtten, het
reglement na te komen. Twintig geëxamineerde
en geadmitteerde godsdienstonderwijzers onderschreven
in 1819 de bovengenoemde regels van het
Departement van Eerediensten. De examens werden
afgenomen door de schoolcommissie van de
genoemde Godsdienstige Israëlitische Armenschool.
De schoolcommissie bestond uit bestuur
en notabelen van de joodse gemeente te Zwolle.
De commissie telde de volgende vijf leden: J. Themans,
president, H.J. Hertzveld, inspecteur-rabbijn,
S.J. Philipson, prov. secretaris, D.S. Oppenheimer
en M.I. de Vries.6
Een volgende fase in de emancipatie van het
joodse kind begon met de uitvaardiging van het
Koninklijk Besluit van 8 augustus 1822. Deze verordening
verbood het toelaten van vreemdelingen
als rabbijn en opperrabbijn. De Schoolcommissie
in Zwolle kreeg in mei 1829 met dit fenomeen te
maken. Heiman Michal, geboren in Rusland, verzocht
hen namelijk om geëxamineerd te worden
voor de betrekking van Israëlitisch godsdienstonderwijzer.
De schoolcommissie wees Michaels
verzoek van de hand omdat hij een vreemdeling
was. Zij gaven hem, op zijn verzoek, het volgende
certificaat:
‘De Godsd. [Godsdienstige Israëlitische
Schoolcommissie] enzv: Heeft de aanvrage
van Heiman Michaël geb. in Rusland thans
woonachtig te Groenloo om te worden geëxamineerd
als godsd. Israël, onderwijzer ingevolge
dispositie van Z.Ex. den Minister van Staat,
belast met de Generale Direktie voor de zaken
der Herv. Kerk enzv. van 23 Dec. 1822 [No.
3956/2028 verordening No. LXII] omtrent
vreemdelingen bepaald, gewezen van den
hand, maar denzelven verwezen om zich bij
een needrig request te vervoegen aan Z.M. den
Koning om al of niet het nodig verlofte erlangen,
om te kunnen of mogen te worden geëxamineerd.’
Koning Willem I gaf de verlangde dispensatie. Op
20 december van hetzelfde jaar werd Heiman
Michaël door de Schoolcommissie geëxamineerd
als Israëlitisch godsdienstonderwijzer.7
%
H.J.
Het verbod om vreemdelingen als Israëlitisch
godsdienstonderwijzer te benoemen leidde mede
tot de oprichting, in 1836, van het Isralitisch Seminarium.
Nederland had nu een instituut dat
opleidde tot rabbijn, godsdienstleraar en godsdienstonderwijzer;
men was niet meer afhankelijk
van het ‘onbevoegde aanbod’ – dat Jiddisch sprak –
uit het buitenland, met name Duitsland. De
hoofdcommissie hield toezicht op de naleving van
het verbod.8
Inspecteurs joods onderwijs
De overheidsmaatregelen om het joodse kind te
laten integreren in de Nederlandse samenleving
door middel van het onderwijs, werkten doelmatiger
toen de minister op 10 april 1839 de examens
vaststelde waaraan Israëlitische godsdienstonderwijzers
moesten voldoen, en hij onderwijsinspecteurs
aanstelde.9 Deze onderwijsinspecteurs controleerden
of de opgelegde verordeningen daadwerkelijk
werden opgevolgd en nageleefd.
De inspectie geschiedde door twee inspecteurs:
Henricus Wijnbeek en Samuel Israël Mui-
Portret van H.J. Hertsveld,
lithografie van
Desquerrois, ca. 1825
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Opgave van het aantal
leerlingen en de lesmethode
door meester
H.M. van Kleeffvan de
Godsdienstige Israëlitische
Armenschool te
Zwolle in 1856.
der. Wijnbeek was sinds 1832 al inspecteur van het
lagere, middelbare en Latijnse onderwijs in
Nederland. Na 1836 vielen ook het Israëlitische
Seminarium en de Israëlitische maatschappelijke
scholen onder Wijnbeeks toezicht.10 Tot 1845, hij
was toen 73 jaar, was hij als inspecteur werkzaam.
11 De overheid stelde naast Wijnbeek, in
overleg met de hoofdcommissie, Mulder tot
inspecteur over het Israëlitisch godsdienstig
onderwijs in Nederland aan. Hij begon zijn taak
eveneens in 1836 en vervulde die tot zijn dood in
1862.12
Wijnbeek inspecteerde het maatschappelijke
onderwijs aan de Israëlitische scholen. Mulder
inspecteerde het godsdienstig onderwijs aan diezelfde
Israëlitische scholen. Tevens inspecteerde
hij de Israëlitische godsdienstschool, vooral met
het oog op het gebruik van de Nederlandse taal.
Hoewel Mulder officieel was aangesteld om
alleen het godsdienstig onderwijs aan beide
schooltypen te inspecteren, maakte hij tevens rapporten
van het maatschappelijk onderwijs aan de
Israëlitische scholen, wat betrof: de taal, vaderlandse
geschiedenis en aardrijkskunde.13 In sommige
gevallen overlappen de rapporten van Wijnbeek
en Mulder elkaar en geven zij daardoor een
genuanceerd beeld van het onderwijs aan eenzelfde
schoolinstelling.
In 1840 inspecteerde Wijnbeek de Israëlitische
Godsdienstige Armenschool te Zwolle. Het
onderwijs werd gegeven in twee groepen. De
school telde in totaal zestig kinderen, waarvan er
tijdens de inspectie veertig aanwezig waren. De
hoofdonderwijzer A. van Noorden gaf les aan de
hoogste klassen en hulponderwijzer A. van Kleeff
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
aan de laagste. De lokalen waren twee vrij donkere
vertrekken. Wijnbeek vond dat het onderwijs van
de onderwijzers niet op elkaar aansloot. Hij was
echter tevreden over het lezen, rekenen en schrijven
van beide afdelingen.14
In 1837 werd in Zwolle een aparte joodse maatschappelijke
school opgericht. Deze school werd
nog hetzelfde jaar door Mulder geïnspecteerd.
Mulder was erg enthousiast dat er aan deze school
een onderwijzer van de stadsschool lesgaf, omdat
dat de emancipatie van de joodse kinderen ten
goede zou komen.’5
Mulder geloofde namelijk als liberale jood dat
de joden slechts volwaardige Nederlandse burgers
konden worden als zij integreerden in de Nederlandse
samenleving. Een eerste vereiste daartoe
was beheersing van de Nederlandse taal en kennis
van de geschiedenis en geografie van Nederland.
Mulder heeft zich in de periode waarin hij inspecteur
was (1836-1862), met al zijn krachten ingezet
om de integratie van het joodse kind, vooral van
het volkskind, te bevorderen. In 1856 kon hij de
hoofdcommissie met voldoening mededelen, dat
‘het onderwijs bij alle [scholen] gegeven wordt
in het Nederduitsch met volstrekte uitsluiting
van de zoogenaamde Joodsche taal’
[Jiddisch].16
Misschien was dit al te optimistisch gedacht
van Mulder, omdat in hetzelfde jaar het ‘Joodsch
duitsch’ schrijven nog werd beoefend door de kinderen
van het eerste en derde klasje van meester
Van Kleeff van de Israëlitische Armenschool in
Zwolle.
Van Kleeff gaf in zijn eentje les aan 37 kinderen
(16 meisjes en 21 jongens). De kinderen waren
onderverdeeld in drie klassen. Van Kleeff had de
lessen als volgt verdeeld:
‘Zondags al de leerlingen des voormiddags van
9 tot 12 en des namiddags van 2 tot 4 uur.
Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag en
Vrijdag des voormiddags van 9 tot 12 uur de
leerlingen der 1ste en 2de klasse, dezelfde
dagen des namiddags van 2 tot 5 uur de leerlingen
der 3de klasse met uitzondering des
Woensdagmiddags van 2 tot 4 uur de leerlingen
van alle klassen’.
Houten leesplankje dat
gebruikt werd op joodse
scholen. Geen aap,
noot, Mies, maar (gelezen
van rechts naar
links): mer (=lamp),
har (=berg), kaf(=
lepel) (collectie Joods
Historisch Museum,
Amsterdam).
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De leerlingen van de eerste klas kregen les in:
De beginselen van het Hebreeuwse spellen en
lezen en Joodsch duitsch schrijven.
Van de leerlingen van de tweede klas werd verwacht
dat zij het volgende onder de knie kregen:
Hebreeuws lezen, Lofspraken en gebeden vertalen,
Gronden des geloofs en De inhoud der feesten
vastdagen.
Tenslotte moesten de leerlingen van de hoogste
klas de volgende acht vakken beheersen: Vertalen
der lofspraken en gebeden, Gronden des
geloofs, De inhoud der feest- en vastdagen, Verklaring
Pentateuch met de verklaring, Commentaar
Rasji, Gronden der Hebreeuwse taal, Bijbelse
geschiedenis en Joodsch duitsch schrijven.17
Onderwijswet 1857
De laatste fase in de integratie van het joodse kind
was de invoering van de Lager Onderwijswet van
1857. Door deze wet werd de subsidie aan de Israëlitische
armenscholen ingetrokken. Hierdoor
dwong de overheid het joodse (volks)kind de
openbare school te bezoeken, daar het voor de
meeste joodse gemeenten niet doenlijk was het
onderwijs zelf te bekostigen.
Zoals gezegd was er naast de Godsdienstige Israëlitische
Armenschool in Zwolle nog een joodse
maatschappelijke school.
Deze was opgericht in 1837 en gefunctioneerde
tot 1861.
In 1858 was Levie Godschalk Kalf (hoofd)-
onderwijzer van deze school. Ook in 1859 was dit
het geval. Uit dat jaar is het volgende over de
school bekend. De plaatselijke schoolcommissie,
die al het onderwijs in Zwolle controleerde, vond
het onderwijs aan deze school matig. De staat van
het schoollokaal, een gehuurd pand, was goed. De
leerlingen betaalden per week ƒ 0,15 schoolgeld.
De school werd in januari bezocht door 24 leerlingen
(18 jongens en 6 meisjes). In juli kwam hier
nog een meisje bij.18
In 1860 veranderde er niet veel. Kalf gaf nu
onderwijs in de eerste helft van het jaar aan dertig
leerlingen (20 jongens en 10 meisjes) en in de
tweede helft van het jaar aan negenentwintig. Een
jongen was afgevallen. De plaatselijke schoolcommissie
vond het onderwijs nu voldoende.
In 1861 werd slechts vermeld dat er een bijzondere
school bestond onder leiding van Kalf. Na dat
jaar komt de school niet meer in de annalen van
de gemeente Zwolle voor. Ze moet dus zijn opgeheven.
De onderwijzer, Levie Godschalk Kalf
overleed in 1864.’9
Kosten joods onderwijs
De kosten van de Godsdienstige Israëlitische
Armenschool in Zwolle werden betaald door de
Nederlandse overheid en de Israëlitische gemeente.
In 1821 droeg het rijk ƒ 250,- en de joodse
gemeente ƒ 200,- bij.20
Ook na de schoolwet van 1857 bleef de overheid
de Israëlitische Godsdienstschool financieel
ondersteunen. In 1875 ontving de school ƒ 200,-
van het rijk. De Israëlitische gemeente ondersteunde
de school met ƒ 175,-. De school werd in
dat jaar bezocht door 34 kinderen, 23 jongens en 11
meisjes. Geen van hen betaalde schoolgeld.21
Conclusie
De Nederlandse overheid was ervan overtuigd dat
het joodse kind alleen kon integreren in de Nederlandse
samenleving via het onderwijs. Daarom
bekostigde en controleerde zij het onderwijs aan
joodse kinderen. De overheid verbood het Jiddisch
al in 1817. Meester Van Kleeff zette echter het
‘joodsch duitsch schrijven’ nog in 1856 op het lesrooster.
Het opheffen van de joodse maatschappelijke
school had vergaande consequenties voor de
joodse kinderen. Godsdienstige en maatschappelijke
vakken konden na 1861 in Zwolle niet meer in
één school of lesrooster gecombineerd worden,
maar moesten gevolgd worden aan twee aparte
scholen. Het joodse kind volgde het maatschappelijk
onderwijs op de normale schooluren en het
godsdienstonderwijs op de vrije middag, tussen de
middag en op zondagmorgen. Dit zware lesprogramma
hielden veel kinderen niet vol.
De inspecteurs van de Israëlitische godsdienstscholen
wezen op het veelvuldig verzuim van de
godsdienstlessen. Ook de inspectierapporten over
de Overijsselse godsdienstscholen vermeldden het
veel voorkomend verzuim van de lessen en de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
achteruitgang van het joodse onderwijs van
ondermeer in Zwolle.
Noten
1. H. Poppers, De Joden in Overijssel van hunne vestiging
tot 1814, Utrecht, 1926,132.
2. D. Michman, ‘Joods onderwijs in Nederland, 1616-
1905’, Stichting Joodse scholengemeenschap (1973) 13-
28,18. De gedachte over de emancipatie van het onderwijs
was in de Overijsselse Staten al eerder geopperd
door de afgevaardigde Ter Pelkwijk die constateerde
dat sommige schoolboeken aanstootgevend
waren voor andere gezindten, zie: Rijksarchief Overijssel,
Staten Archief (RAO, St. Arch.), Notulen van de
Representanten van het volk van Overijssel, inv. no.
5273,274B-275A, 20-9-1795.
3. 1. Erdtsieck, De emancipatie van de Joden in Overijssel.
De rol van de opperrabbijnen Hertzveld, Frankel
en Hirsch. Assen, 1995,22-28.
4. Michman, ‘Joods onderwijs in Nederland’, 19.
5. R. Reinsma, ‘Pogingen tot assimilatie en emancipatie
van het joodse kind in Nederland na 1796’, in:
Tijdschrift voor Geschiedenis, LXXVII (1964) 448-
465, 450, 451. H.G.H. Janssen, ‘Staatsrechtelijke en
culturele aspecten van het Israëlitisch onderwijs in
Nederland tot 1869’, in: Studia Rosenthaliana, XI
(]977) 40-80, 41. D.S. van Zuiden, ‘Organisatie en
geschiedenis van het Isralitisch Kerkgenootschap
tot ca 1870. School- en Armwezen’, in: Studia Rosenthaliana,
V (1971) 187-121,202, 203.
6. Gemeentearchief Amsterdam, Persoonlijk Archief 714
(CAA, PA714), Register waarbij de godsdienstonderwijzers
in het ressort zich verplichten het reglement
te houden, Zwolle, inv. no. 702c, 16-3-1819 t/m I3-7-
1838. Notulen schoolcommissie Godsd. Isr. Armenschool,
inv. no. 693b, 1819.
7. Ibidem, inv.no. 693b, 1829.
8. Reinsma, ‘Pogingen tot assimilatie en emancipatie
joodse kind’, 451, zie ook: H.J. Koenen, Eene geschiedenis
der Joden in Nederland. Utrecht, 1842,395.
9. RAO, Not. Gouv., no. 1989, 27-5-1839.
10. Op de Israëlitische maatschappelijke scholen werd
naast het godsdienstonderwijs ook in profane vakken
onderwezen.
11. R. Reinsma, Scholen en schoolmeesters onder Willem
Ien II. Den Haag, 1968,12,13.
12. Reinsma, ‘Pogingen tot assimilatie en emancipatie
joodse kind’, 452. Janssen, ‘Staatsrechtelijke en culturele
aspecten Israëlitisch onderwijs’, 67.
13. Reinsma, ‘Pogingen tot assimilatie en emancipatie
joodse kind’, 460.
14. Reinsma, Schoolmeesters, 254.
15. Reinsma, ‘Pogingen tot assimilatie en emancipatie
joodse kind’, 458,459.
16. Janssen, ‘Staatsrechtelijke en culturele aspecten Israe-
litisch onderwijs’, 69.
17. GAA, PA714, Zwolle, Notulen en ingekomen stukken,
inv. no. 58od, 23-3-1856.
18. Gemeentearchief Zwolle, Toestand der gemeente,
1858,1859
19. Ibidem, 1860-1864.
20. GAA, PA714, Ing. st. Zwolle, Notulen schoolcommissie
Godsdienstige Isr. Armenschool, Inkomsten en
Uitgaven 1821, inv. no. 693b.
21. GAA, PA714, Relatieven bij verslagen van de vergaderingen
van het kerkbestuur te Zwolle, Verslag Ned.
Isr. Godsdienstschool, 1875, inv. no. 4749, 16-2-
1876.
Verklarende woordenlijst
Hoofdcommissie: officieel de Hoofd-Commissie
tot de Zaken der Israëlieten geheten; uitvoerend
orgaan joodse zaken
Jiddisch: gemengde volksspreektaal, voornamelijk
bestaande uit Duitse elementen en elementen uit
Slavische talen en het Hebreeuws
Parnassijn (parnas): bestuurder joodse gemeente
Pentateuch: eerste vijf bijbelboeken Oude Testament
Rasji: bekende kommentator Tenach en Talmoed
Ringsynagoge: overkoepelend orgaan van een aantal
kleinere synagoges
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Anna Morian. Een vergeten Zwolse
dichteres uit de zeventiende eeuw
G.T. Hartong
Titelpagina van de
dichtbundel van Anna
Morian; uitgegeven in
1698.
In 1698 verscheen te Amsterdam bij de Weduwe
van Gysbert de Groot een zeer zeldzaam
geworden boekje. Thans zijn er slechts drie
exemplaren in openbare collecties bekend.’ Het is
een dichtbundel van 167 pagina’s onder de titel: De
dichtkunst van Jujfrou Anna Morian, op het verzoek
van goede vrienden by een gezamelt, en ten gemeenen
dienste uitgegeven. Wie was deze dichteres?
Vergeten en bijna vergeten
Uit de biografische woordenboeken die elkaar
braaf naschrijven, is het volgende bekend over
Anna Morian. Ze zou omstreeks 1650 te Zwolle
geboren zijn en een vriendin zijn van de predikant
D E
DICHTKUNST
VAN f O Ff /i OU
ANNA MORIAN,
01′ HET VERZOEK VAN GOEDE
V R I E N D E N
BY EEN GEZAMELT,
EN TEN GEMEÉNEN DIENSTE
UITGEGEEVEN.
__ ”AMSTERDAM,
By tic Weduwe MOGVSJEKTDE GKOOT, Bc^ckv
kuuplkr, woouende op dea Nieuwcndyk, i6yi,
Arnold Moonen, die haar dichtvermogen zeer
roemde in een klinkdicht op de ‘eerstelingen harer
Muse.’ Hij betreurde haar dood in een lijkzang.
Haar gedichten werden in 1698 te Amsterdam uitgegeven.
2 Slechts in één geschiedenis van de
Nederlandse Letterkunde, en wel in die van G.
Kalff uit 1909, wordt Anna vermeld: ‘Overijssel
bezat een dichteres in ‘Juffrou’ Anna Morian, wier
Dichtkunst in 1698 na haar dood ‘op het verzoek
van goede vrienden bij een gezamelt en (te
Amsterdam) ten gemeenen dienste uitgegeeven’
werd. ‘Juffrou’ Anna Morian bracht met haar zuster
een deel van haar leven door daar waar ‘de
Zwartewaters vlied / Bij Genemuidens hoek zyn
kruik in zee uitgiet.’ Ze woonden daar totdat de
oorlog met Munster en Keulen de zusters naar
Amsterdam dreef. Anna’s stichtelijke poëzie, verjaars-
en andere gelegenheidsgedichten zijn
geschreven in ‘zuivere taal, doch daarmede is alles
gezegd.’3
Ook in het themanummer ‘Vergeten vrouwen
uit de Nederlandse literatuur tot 1900’ van het
feministische tijdschrift Chrysallis (nr. 6, 1980)
ontbreekt Anna Morian. Niet omdat ze niet als
‘vergeten vrouw’ te beschouwen is, maar kennelijk
omdat ze ook als ‘vergeten vrouw’ vergeten is!
Zelfs in beschouwingen over de Overijsselse
letterkunde is nauwelijks ruimte voor Anna
Morian. Proost noemde haar in 1931: ‘Evenals het
(=het echt gevoelde, het eigene) wel heelemaal
ontbrak bij de alleen maar (voor de volledigheid)
bij name te noemen Overijsselsche “Joffrou”
Anna Morian, wier stichtelijke poëzie en gelegenheidsgedichten
door welwillende vrienden in een
bundel “Dichtkunst” (uit 1698) zijn uitgegeven.
Maar Genemuiden heeft toch de eer gehad, een
dichteres binnen haar muren geherbergd te hebben
wier verzen aan de vergetelheid ontrukt zijn.’4
Entjes, die Anna Morian in een Overijsselse
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
literatuurgeschiedenis uit 1970 niet vermeldde,
wijdde in 1982 enige onbeduidende, nogal negatieve
regels aan haar: ‘Wie zou zich de kans Genemuiden,
dit oude stadje aan het Zwarte water, op
te nemen in de rij van Overijsselse plaatsen in de
slagschaduw van de literatuur laten ontgaan? Literatuur,
nou ja. In 1698 kwam met steun van vrienden
de bundel Dichtkunst van Anna Morian tot
stand. Het was een verzameling van vooral stichtelijke
verzen en de uit die tijd niet weg te denken
gelegenheidspoezie.’5
In 1983 heb ik Anna’s Dichtkunst behandeld
als bron voor biografische informatie, maar deze
uitgave heeft, door het bibliografisch karakter,
slechts in kleine kring gecirculeerd.6 In de bekende
bloemlezing van Gerrit Komrij is Anna Morian
met één gedicht aanwezig: ‘Op den inhoud van
myn rymwerk.’ Over de dichteres staat in het
register niet meer dan: ‘Anna Morian ca. 1650 – ?’7
In 1994 viel haar eindelijk een ruimere aandacht
ten deel. Ton van Strien gaf een overzicht
van De dichtkunst en enige biografische informatie.
Helaas raadpleegde de schrijver geen Zwolse
archieven waardoor hij belangrijke gegevens miste.
8
Uit het bovenstaande blijkt dat Anna Morian tot
voor kort in het gunstigste geval slechts genoemd
wordt; meestal met een ongunstig oordeel over
haar gedichten. Het vermoeden rijst dat de diverse
auteurs elkaar nogal klakkeloos naschreven en dat
maar weinigen de gedichten van Anna Morian zelf
ter hand genomen hebben.
Wie bepaalt op grond waarvan wat literatuur
is? Vooral in de zeventiende eeuw heeft de dichtkunst
in Holland gebloeid, maar het is onjuist
dichters en dichteressen uit de provincie te vergelijken
met bijvoorbeeld Hooft, Huygens en Vondel,
die in het welvarende, cultuurrijke Holland
verkeerden.
Gedichten als biografische bron
Terwijl uit de literatuurgeschiedenis weinig gegevens
over Anna Morian te halen zijn, bieden juist
haar gedichten zelf een rijke biografische oogst.
Anna werd geboren te Amsterdam op 2 juni
1647. Haar ouders waren Jan Morian en Maria
Waijkert (of Wieckert) die op 13 mei 1639 waren
gehuwd. Zij had toen al minstens twee zusters: Lijdia,
geboren op 7 maart 1640 en Elisabeth geboren
op 25 april 1645. Bovendien had ze twee broers.
Abraham was geboren op 4 februari 1643. Van de
andere broer is alleen de voorletter bekend: P.
Toen Anna vier jaar oud was, verhuisde de familie
naar Zwolle waar vader Jan zich als factoor vestigde.
Hij werd op 3 mei 1654 na betaling van honderd
gulden ‘vereert en beschonken’ met het grote
burgerrecht. Spoedig daarna overleed hij en op 1
december 1657 werd hij te Zwolle begraven.
Anna heeft de verhuizing naar Zwolle beslist
niet betreurd:
“K liet Hollants grootsche steden
en pracht, voor ’t lant en zijn eenvoudigheden.
‘K waardeerde een kleine tuin
meer als een huis, gebaut van graeu aerduin
uit Bentmer gront gehouwen
Of’t beelde werk der Heeregrachts gebouwen.’
Na de dood van haar vader zal ongetwijfeld een
oom van haar, Hendrik Morian, bij de opvoeding
en opleiding geholpen hebben. Van 1661 tot aan
zijn dood in 1670 was hij conrector der Latijnse
School te Zwolle. Moonen, de bekende dichterpredikant-
taalkundige en historicus, spreekt zeer
tïürt
Buiten de Sassenpoort,
Gerrit Grasdorp, ca.
1700 (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
‘7 ) ,
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Anna Morian wandelde
regelmatig in de omgeving
van Zwolle waar
zij van de natuur en het
landschap genoot. Gerrit
Grasdorp tekende
omstreeks 1700 dit
‘Gezicht op de IJssel’
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
1
rj
lovend over Hendrik Morian in zijn lijkdicht op
hem:
Hoewel de zusters geheel verschillende karakters
hadden:
‘Hoe ging dat wijsheitslievend hooft
Te weide in Grieksche en Roomsche boeken!
Hoe plagh hij mijnen gouts te zoeken
en schatten, aen de vlijt belooft,
Uit Fransche en uit Toskaensche bladen!
Het lichaem achtte hij gering
Venoegt, schoon ’t ieder uur verging
Als slechts de ziel zich mogt verzaaden.’
Dat Anna ook enkele Franse gedichten schreef,
lijkt te danken aan de zorgen van oom Hendrik.
Anna trok zeer veel op met haar twee jaar
oudere zus Elisabeth:
‘Men zag ons een, in lengte en kleeding, meer
nog min
Als tweelingen, gepaard in ’t uitgaan, werken,
speelen.’
“t Gezelschapschuwe hert (=Anna), ligt treurig
en bedeest
Onschulde met veel lust de pragt en ’t staatsche
woelen,
Den Hemel nader, zo mij dogt, in ’t open veld.
Daar kon ik zuiverder Gods liefde en blydschap
voelen,
Als zyn genade myn gepeinzen had verzeld.
Uw vaste liefde, die my nimmer wou verlaten,
Dee uw gezellig aard en spreeklust zoeten
dwang:
Ik sleepte U (=Elisabeth), eenzaam, veeltyts
weg van’t vrolijk praten.’
De zusters trokken vaak de stad uit om te genieten
van de natuur en het landleven:
‘Hoe zoet was ’t ons, wanneer het helder ‘s
morgens daagde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de stad te ruilen voor een tuin, schoon klein en
stil.’
Ook wandelden zij in de omgeving van de stad:
‘ in het gewest daar de Vegt
Bij Mastenbroek zijn stroom aan ’t Zwarte
water hegt.
Wij woonden lang gerust aan d’oevers van die
stroomen
Daar room en koren vloeid, daar wilge- en lindeboomen
en hooge populier zig spieglen in de vlied.’
In de stad vermaakten zij zich anders: ‘Dan gaven
wij onzen tijd aan ’t naaldwerk, zingen, lezen.’ Elisabeth
hield zich ook nog met andere zaken bezig.
Zij ‘mengelt dranken, En stampt welriekend kruit
voor uitgeteerde kranken.’ Ongeveer eenentwintigjaar
verbleef Anna te Zwolle, waar haar zus Lijdia
in 1659 gehuwd was met Albert Hanselaar.
In het rampjaar 1672 vluchtten Anna en Elisabeth
voor de komst van de troepen van de Munsterse
prins-bisschop Berend van Galen naar
Amsterdam:
‘Doe nam Elee en ik uit Zallands verse lugt
En vrugtbare akkers hier naar Amstelland de
vlugt
Wij, daar ’t geweld ontvlugt, dog niet de droefheid,
leefden
Als oorlogsballingen in ons geboortestad.’
Maar de overgang was voor hen wel groot: ‘Arete,
ik kon ’t eerst dit landschap niet gewennen, De
groente en de vrijheid lag mij nog te na aan ’t hert.’
Uiteindelijk overleden Anna en Elisabeth kort na
elkaar te Amsterdam. Elisabeth stierf op 10 juni
1696 en Anna zeven dagen later op 17 juni. De zussen
werden in Zwolle begraven op 16 en 22 juni
1696.
De Zwolse vriendenkring
In haar Zwolse tijd begon Anna Morian gedichten
te schrijven. De omgang met Magtelt Bossier, de
dochter van Antonius Bossier, predikant te
Ommen, en met de predikant Arnold Moonen
[AKNOl D MOkENlcra.w ran Ooill» Kn-ke
;*;>;/
„O,
rm.’sar, fi,’rA
had grote invloed op haar. Beide hebben ook
gedichten geschreven.
‘maar schrand’re Amintas (=Moonen) had
haar’ veldzwier hups geleerd,
Die kon te wonder net haar geestigheid afmalen.
En hoe ze in zang en spel alom wist prijs te
halen.
Hij was met ons in ’t zelf geweste,…”
“K was veeltijds aan de Vegt bij speelnoot
Galathea (=Magteld Bossier)
Een aardig meisje, zoet van zeden, en dar meê
Een veldlied naar de maat met heldre stem
opdreunde
Daar ik mij stadsgewoel nog droevig zorgen
kreunde
Ons meeste wandlen was bij d’eik en populier
Digt aan de Vegt geplant; zij zogt me door
haar’ zwier
En geestig zingen mee ten zangberghe op te
trekken.’
Portret van Arnold
Monen, F. Boonen naar
een schilderij van C.
Kelder, ca. 1700 (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tot Anna’s kennissenkring behoorde verder nog
Anna Rouse. Zij was op 29 juni 1644 geboren als
dochter van Henricus Rouse, predikant te Mastenbroek,
Hasselt en sinds 1670 te Zwolle. Anna
Rouse was gehuwd met de Zwolse medicus Hendrik
Fisscher, die volgens Moonen ook dichtte.
Over het culturele klimaat te Zwolle, dat in
deze periode het vaandel van Deventer overnam,
waar Revius, Sticke en Van der Veen de dichterlijke
traditie hooghielden, gaf Moonen aardige bij- •
zonderheden in zijn al eerder genoemde lijkdicht
op Henrik Morian:
‘Heer Morjan, d’eere der geleerden,
Dat doorgeleert en groot vernuft,
Dat nooit voor arbeit heeft gesust,
Dat zoo veel letterwijzen eerden,
Heeft afgeleeft helaes! te zwol
Eertyts een Zanggodinnen tempel,
Wiens staetigh heiligdom en drempel
Steets grimmelde en krioelde, vol
van lettergierigen en kloeken,
Die op zijn voortogt, elk om stryt,
De nacht verkrachtende en den tyt,
geschriften handelden en boeken.’9
Moonen voegde er in een aantekening aan toe:
‘Zwolle was in dit (=1670) en voorige jaeren ryk
van geleertheit en poëzye door de Heeren Joannes
Vollenhove, in den jaere 1665 naer ‘s-Gravenhage
vertrokken, Joannes Kok, toen Rektor der Latijnsche
Schoole, namaels in den Hage, en professor
der Historiën en Welspreekendheid te Leiden,
mijnen geliefden meester, Hendrik Visscher,
Geneesheer der Stadt, en Henrikus Brumanus,
namaels mede Schoolvoogt aldaer; wiens Latijnsche
poëzy en historikennis by liefhebbers in
hooge achtinge is. Waer by voor het leste gevoegt
moet worden de Doorluchtige en in alle wysheit
en geleertheit uitmuntende Drost, Heer Rabo
Herman Schele, die gelyk hij te Zwolle dikwyls
plagh te verkeeren, ook aldaer in den jaere 1662
overleden is, en den Vaderlande te vroeg ontvallen.’
10
Zelfs wanneer we enige zeventiende-eeuwse
overdrijving voor lief nemen, blijft toch een beeld
over van een cultureel centrum. Middelpunt was
de Latijnse school en verder vonden regelmatig
bijeenkomsten plaats van intellectuelen en dichters,
met mogelijk ook dichteressen.
Plaatsbepaling
De gedichten van Anna Morian behoren tot de
calvinistisch-piëtistische richting: doordrongen
van de eigen nietswaardigheid ten opzichte van
God, overtuigd van de eigen uitverkiezing, anti-
Rooms-katholiek, maar steeds geschreven vanuit
diep doorleefde eigen gevoelens. Haar Veldzangen,
opgenomen onder de verjaarsgedichten, verraden
duidelijk de invloed van de Herderszangen
van Arnold Moonen. Haar afkeer van de stad en
voorkeur voor het landleven doen sterk denken
aan het in 1668 uitgegeven Buiten-, Eensaem Huis,
Somer- en Winterleven van de Eibergse predikantdichter
Willem Sluiter, die in 1673 te Zwolle overleed.
Eén gedicht is bijzonder vermeldenswaardig,
omdat het geheel auto-biografisch is. Het is ‘Veldgezang
op myn verjaren den 2-den van Somermaand
1696.’ Het werd kort voor de dood van Elisabeth
en haarzelf geschreven en opgenomen in de
Dichtkunst.11
Zoals al gezegd, na de uitgave van haar dichtbundel
is Anna Morian vrijwel vergeten. Toch is
er nog een bewijs uit de achttiende eeuw dat ze
niet geheel onopgemerkt is gebleven. In de bundel
Schakel van Gezangen ofte Geestelyke Gezangen en
Beschouwingen, uitgegeven door Wilhelmus Sluiter,
predikant te Rouveen en kleinzoon van Willem
Sluiter, werd een gedicht van Anna opgenomen.
Haar ‘Na den Hemel’, in haar Dichtkunst
voorkomend onder de titel ‘Op het aandaghtig
beschouwen van den Hemel.’ De derde druk van
dit boek werd in 1747 uitgegeven door de Zwolse
uitgever Joannes Carolus Royaards.
Uit de combinatie van gegevens uit de gedichten
en het Zwolse archief blijkt inmiddels duidelijk
dat Anna Morian en haar familie tot de Zwolse
burgers behoorden. De toeschrijving van Anna
aan Genemuiden, zoals die gebeurde door Proost
en Entjes, vond plaats op grond van het door Kalff
gegeven citaat. Dat citaat geeft echter, gelezen binnen
het hele gedicht, alleen maar een landstreek
aan, en niet een bepaalde plaats waar Anna
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Morian zich vestigde. Toch is er een troost voor
Genemuiden. Hoewel Anna geen aantoonbare
band met Genemuiden had, heeft het stadje in de
zeventiende eeuw toch een dichteres binnen de
muren gehad; en wel een in de literatuur geheel
onbekende! Immers in 1677 verscheen te Hasselt
bij Herman Rampen, ‘Geauctoriseert Stads-Drukker,
op de Hoogstraat’: Hasseltse Maagden-Rijm.
Bestaande in Geestelijke Meditatien &. Op Sangswijse
door Christina van Os, huisvrouw van
Johannes Nederbosch, predikant van Genemuiden.
Bibliografische bijlage: Anna’s dichtbundel
De gedichten van Anna Morian zijn posthuum
uitgegeven onder de titel: De dichtkunst van juffrou
Anna Morian, op het verzoek van goede vrienden
by een gezamelt, en ten gemeene dienste uitgegeeven,
te Amsterdam by de Weduwe van Gysbert de
Groot, Boekverkoopster, woonende op den Nieuwendyk,
in 1698. Gelet op de typografie lijkt het
bundeltje gedrukt te zijn in Deventer, door Arnoldus
Curtenius. Hij was tussen 1688 en 1707 werkzaam
te Deventer en verzorgde meer drukwerk
voor deze Amsterdamse boekverkoopster. Anna’s
vriend en leermeester Arnold Moonen, predikant
te Deventer van 1679 tot 1711, maar geboren te
Zwolle in 1644, heeft kennelijk zowel bij de uitgave
als bij de keuze van de drukker een grote rol
gespeeld: Curtenius was min of meer de ‘huisdrukker’
van Moonen!
De bundel omvat [VIII], 167, (1 blanco) pagina’s
en is als volgt ingedeeld:
titel, verso titel blanco
[VI ] Voorreden tot den Leser
1-53 Heilige gedichten
54 blanco
55-76 Mengeldicht
77-121 Verjaarsgedichten
122 blanco
123-132 Lykdichten
132 Aen den Lezer
133-137 Bedenkingen over ’t H.Avondmaal
138 Bede voor de kerk
139-167 Lyk- en Grafdichten op de doot van Juffrouwe
Anna Morian, Op het verzoek en
goetvinden der Vrienden uitgegeven, En
blanco
eenige andere van A. Moonen.
Noten
1. Exemplaren zijn er in de Koninklijke Bibliotheek in
Den Haag en in de universiteitsbibliotheken van
Amsterdam en Leiden. Bij de Overijsselse bibliotheekdienst

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1996

Door 1996, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
•vr:
iiii
rrn
1996 NUMMER 1
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Nieuwe Sassenpoortenbrug 5487 Ansichtkaart van de Nieuwe Sassen-poortenbrug,
poststempel 8 september 1910.
‘Heden zitten wij in Zwolle. Daarheen zijn we gefietst
over Raalte. Heden zag ik Olieslagers vliegen.
Bijna een uur was hij in de lucht, ’t Was prachtig
dat te zien. Het was heel stil en naar ik hoor vloog
hij 600 m hoog.’
De gebeurtenis waarover op deze ansichtkaart
wordt gesproken, was de volgende. De Belgische
luchtvaartpionier Jan Olieslagers was in september
1910 uitgenodigd naar Zwolle te komen om vliegdemonstraties
te geven. Op het vliegterrein tegenover
de Hanekamp, langs de huidige Vondelkade,
was een grote hangar geplaatst. Het Bleriot-toestel
bevond zich daarin in een kist. De machine moest
ter plekke worden gemonteerd. Ondanks de sterke
wind ging het vliegtuig op 7 september de lucht in.
De vlucht duurde dan ook maar 15 minuten. E’e
volgende dag was het beter weer. De vele bezoekers
onder wie schoolkinderen die tegen gereduceerd
tarief het terrein op konden, zagen dat
Olieslagers tot 600 meter hoogte kwam. Hij landde
pas na ruim 52 minuten, een nieuw landelijk
record. Na op 9 september nog een korte vlucht te
hebben uitgevoerd, vertrok hij weer uit Zwolle.
Op de kaart is sprake van de Nieuwe Sassenpoortenbrug,
omdat tot 1909 een ophaalbrug over de
stadsgracht lag. In dat jaar kwam de vaste betonnen
Sassenpoortenbrug tot stand.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In 1995 ging het bekende Zwolse wegrestaurant
De Toerist over in handen van het horecaconcern
Van der Valk. B.B. Ester beschrijft in
dit eerste Zwols Historisch Tijdschrift van het
nieuwe jaar de geschiedenis van deze voormalige
tapperij. De Toerist blijkt een oudere geschiedenis
te hebben dan men zou vermoeden. Al in 1817 was
er een directe voorganger bij het tolhek even ten
noorden van de Berkumerbrug. Vanaf 1835 zat de
herberg aan de Hessenweg.
In november 1995 bracht een zestal Russissche archivarissen
een bezoek aan het gemeentearchief
van Zwolle. Onderwerp van gesprek waren de historische
banden tussen Zwolle en Rusland. Wim
Coster, Wim Huijsmans en Jeanine Otten geven
een impressie van de wederzijdse contacten.
M.H. Palfenier-Lentjes vertelt over het eerste
Zwolse vrouwelijke raadslid, Berendina Stoel, naar
wie kortgeleden een straat in Schellerhoek is genoemd.
Een andere bekende Zwollenaar, zij het op ander
terrein en in een andere tijd, was de zeventiendeeeuwse
rector van Latijnse school, historicus en
arts Henricus Brumanus. Jean Streng geeft een
schets van zijn leven.
In 1869 gaf dominee Tideman uit Hoorn een lezing
voor ’t Nut in de Buitensociëteit. Onderwerp:
de wandelende jood; tendens: anti-semitisch.
L.A. Snijders belicht de commotie die dit
(gelukkig) in het rustige Zwolle veroorzaakte.
Wil Cornelissen geeft de naamsoorsprong van de
Rhijnvis Feithlaan en de Hoekstraat.
Dit tijdschrift begint met een nieuwe vaste rubriek,
waarin het vaak fascinerende verhaal achter
de voor- en achterzijde van een jaren geleden verstuurd
ansichtkaartje wordt verteld.
Tot slot zijn een drietal voor de geschiedschrijving
van Zwolle belangrijke boeken door deskundige
lezers besproken.
Groeten uit Zwolle
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995) B.B. Ester
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W. Huijsmans en J. Otten
Berendina Stoel
Op de bres voor vrouw en kind M.H. Palfenier-Lentjes
Straatnamen, niet zo eenvoudig Wil Cornelissen
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus].C. Streng
Rumoer na een Nutslezing in 1869 L.A. Snijders
Literatuur
Boekbespreking
Mededelingen
Auteurs
15
19
20
24
27
29
33
34
Omslag: De Toerist aan de Kranenburgweg omstreeks 1960
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995)
B.B. Ester
Café De Toerist op een
oude ansichtkaart van
omstreeks 1920.
Van het bekende Zwolse wegrestaurant De
Toerist – sinds 1935 gelegen aan de oude
rijksweg naar Meppel, bij de Vechtbrug –
wordt in de Zwolsche Courant van 9 augustus
1977 een korte geschiedenis gegeven. Deze begint
met de aankoop in 1900 door W.H. Ester van een
was een tol annex tapperij, die ten noorden van de
Berkumerbrug bij het Zwolse Tolhek De Tol lag.
De stad Zwolle, de eigenaar, verpachtte deze tol
aan Henrikus Jansen. Voor de tol ‘met het huis
daarbij’ moest hij gedurende de periode 1817 t/m
1819 ƒ 310 per jaar betalen. De pachtcondities wacafé
gelegen aan de Hessenweg, voorheen eigendom
van G.J. Boerrigter.
De geschiedenis van dit pand rijkt echter ten minste
65 jaar verder terug, tot 1835. Het etablissement
blijkt daarvóór nauw verbonden te zijn met de in
het begin van de negentiende eeuw nog bestaande
tol op de Hessenweg, bij het Zwolse Tolhek aan de
Berkumerbrug.
De herberg bij het Zwolse Tolhek (1817-1835)
De oudste voorloper van restaurant De Toerist
ren kennelijk aantrekkelijk, want vóór de vervaldatum
verzocht Henrikus Jansen de pacht te verlengen
voor dezelfde prijs voor een periode van
twaalf jaar. Bovendien vroeg hij of de stad in het
huisje een nieuwe schoorsteen en een keldertje
wilde laten aanbrengen. In april 1819 besloot de
gemeenteraad de tol met het huisje weer aan hem
te verpachten, tegen een jaarlijkse pacht van ƒ 350.
Nieuw was echter de bepaling, dat van transporten
van arme zieke reizigers geen tol mocht worden
gevraagd. Bovendien moest de pachter jaarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijks een extra bedrag van 5% van de verbouwingskosten
betalen.
Henrikus Jansen heeft deze twaalf jaar echter niet
uitgediend. Hij overleed op 2 april 1825 op 48-jarige
leeftijd. Hij werd toen herbergier genoemd;
men mag dus aannemen dat hij zijn tol ook als
café/herberg had ingericht.
Zijn weduwe, de ‘herbergiers’ Geertje Willems
Kamerman, hertrouwde in 1826 met Hermannus
Derksen Boerdijk.
Het tolrecht ging na het overlijden van Henrikus
Jansen over op zijn weduwe, en door haar huwelijk,
op Hermannus Boerdijk. Deze heeft zijn
functie als tolgaarder waarschijnlijk gecombineerd
huisje met het tolhek.’ Het huisje moest tussen 1
mei en 1 juni 1835 worden afgebroken. Boerdijk
kocht het huisje zelf voor 120 gulden. Mr.
Sichterman kocht het tolhek voor 43 gulden.
Omdat Boerdijk de kooppenningen niet voor 1
mei 1835 betaalde, (mogelijk doordat hij op 6 mei
van datzelfde jaar voor 550 gulden een stuk hooiland
kocht) legde de stad Zwolle hem op 1 juli 1835
een hypotheek op voor hetzelfde bedrag, namelijk
120 gulden. Uiteindelijk zal hij wel betaald hebben,
want korte tijd later woonde hij volgens de kadastrale
gegevens op perceel D336, later D580, aan de
Hessenweg dichtbij de kort daarvoor gereedgekomen
Berkumersluis in het Lichtmis-kanaal, thans
met die van landbouwer en herbergier.
Toen in 1831 het contract afliep wist Boerdijk nogmaals
het tolrecht te verwerven, en wel tot en met
1834-
Gedeputeerde Staten van Overijssel hieven de tol
op de Hessenweg per 1 januari 1835 op. Bovendien
zou het tolhuisje moeten worden afgebroken
en ging het onderhoud aan de weg over op de betrokken
gemeenten. Op 8 december 1834 werd ten
huize van Hermannus Boerdijk, ‘kastelijn in ’t tolhuisje’
openbaar ‘voor afbraak verkocht het tol-
Hessenweg 5.
Uit kadastrale gegevens blijkt dat de tol en herberg
op het Tolhek de directe voorganger is geweest
van de herberg op Hessenweg 5. Deze stond daar
in 1935 nog als De Toerist; en als meermaals verbouwde
woning staat het er ook nu nog. Eveneens
blijkt dat Boerdijk zijn tolhuisje inderdaad heeft
afgebroken en verplaatst, d.w.z. nieuw opgebouwd.
Opmerkelijk is dat de herberg van Boerdijk voor
een groot deel op de kadastrale wegstrook is ge-
Hef pand van de oude
Toerist aan de
Hessenweg op dit moment.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
plaatst. Een eigendomsverwerving onder de naam
Boerdijk is niet te vinden in de hypothecaire boekhouding
noch in het notarieel archief.
Boerderij/herberg bij de Berkumersluis
(1835-1935)
Vanaf 1835 zette Boerdijk zijn landbouwbedrijf annex
herberg aan de Hessenweg bij de Berkumersluis
voort. In die tijd was het adres Berkum,
Bruggenhoek 19; nu Hessenweg 5. Het lag aan de
Hessenweg naar Ommen-Hardenberg, op de hoek
van de nieuwe weg naar Meppel langs het
Lichtmiskanaal, bij de juist geopende sluis in dit
kanaal.
Drie generaties Boerdijk hebben vanaf 1835 tot
1900 op deze plaats hun landbouwbedrijf annex
Situatieschets van de
Berkumersluis met de
ontwikkeling van de
herberg.
herberg gehad. Het gebied is later uitgebreid met
twee percelen met ieder een schuur. Deze schuren
werden gebruikt voor de opslag van turf en voor
de stalling van paarden; voor een herberg zeer belangrijk.
De in 1895 geopende tramlijn Dedemsvaart –
Zwolle liep vlak langs het huis.
HermannuS Boerdijk was dus de eerste eigenaar/
bewoner van de herberg. Dochter Willemina
trok na haar huwelijk in 1852 met Kornelis
Boerrigter bij haar ouders in en nam langzamerhand
de werkzaamheden van het boerenbedrijf en
de herberg over. Toen Hermannus’ vrouw Geertje
Kamerman in 1856 overleed, had deze alle onroerende
goederen vermaakt aan haar man. Na het
overlijden van Kornelis Boerrigter in 1871 zette
Hermannus de zaak met zijn dochter voort. Na de
dood van Hermannus in 1877 kwam het hele bezit
in handen van Willemina.
Deze zette het bedrijf voort samen met haar enige
zoon Gerrit Jan. Hun bestaan moet met de nodige
financiële problemen gepaard gegaan zijn. Zij nam
een hypotheek van ƒ 4.000, verstrekt door de RK
Parochie van OLV Hemelvaart te Zwolle. En daar
bleef het niet bij: de leningen en de schulden bleven
zich opstapelen. In 1892, toen zij overleed,
stond er naast de onroerende goederen, een huis
en bijna 4,6 ha grond, een schuld van ƒ 7.200 en
een batig saldo van minder dan ƒ 1.000.
Het liep niet goed met de herberg. Gerrit Jan
Boerrigter kon de rente over de hypotheek niet
betalen. De parochie van OLV Hemelvaart ging
daarop over tot openbare veiling van de goederen.
Zo kwam op 3 april 1900 Willem Hendrik Ester
voor ƒ 4.505 in bezit van het huis en erf. Het huis
had een vergunning tot verkoop van sterke drank.
Het bevatte twee vertrekken en ook een koeie- en
een paardestal. Verder hoorden er twee percelen
hooiland bij. Gerrit Jan Boerrigter vertrok na de
verkoop naar Enschede.
Willem Hendrik Ester was een landbouwer uit
Dalfsen. Al een week na de koop kreeg hij zijn
drankvergunning. Van de kennelijk redelijk florerende
zaak – die om onbekende redenen ‘de zinken
plaat’ werd genoemd – was hijzelf naar men
zegt de beste klant. Passanten werden naar zijn
herberg genood met het fraaie rijm op het bord
boven de deur:
‘Bent ge afgemat en moe
kom dan een weinig rusten
bij Hendrik Ester aan de sluis,
die heeft goede bier en brandewijn in
huis.’
In 1910 bouwde hij haaks op de boerderij/herberg
een nieuwe woning (nu Hessenweg 7). Slechts enkele
jaren later, in 1914, verkocht hij alle opstallen
aan zijn jongere broer Lammert Jan Ester. De reden
van deze verkoop was waarschijnlijk de ziekte
van zijn vrouw, die in 1915 overleed. Hij behield
wel het woonrecht op Hessenweg 8, waar hij tot
zijn dood in 1941 bleef wonen.
Lammert Jan Ester was vóór 1914 tapper en veerman
van het Haersterveer. In die functie werd hij
toen opgevolgd door zijn neef Jan Kouwen, de
schoonzoon van Willem Hendrik Ester. In mei
1915 kreeg hij zijn drankvergunning. Spoedig daarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
na richtte hij de in 1910 gebouwde woning in als
café.
De situering van het café veranderde dus. Tot 1910
was het op de Hessenweg naar Dalfsen georiënteerd;
na 1914 op de straatweg Zwolle-Meppel.
Verkeersstromen veranderen met de tijd! In 1923
verkocht Lammert Jan Ester de zaak aan zijn
schoonzoon Hendrik Willem Henderiks.
In de jaren dat Henderiks de scepter zwaaide in
het café werd het alom bekend. In de volksmond
werd het café Henderiks genoemd, maar officieel
heette het café De Toerist.
Restaurant De Toerist, Kranenburglaan 10
(1935-1995)
In 1934 nam H.W. Henderiks – vanwege de aanleg
van de nieuwe verkeersweg van Meppel naar
Zwolle en de nieuwe brug over de Vecht – het initiatief
om een geheel nieuw en modern restaurant
te bouwen op het adres Kranenburgweg 10. In 1935
werd de eerste steen gelegd door zijn enige dochter
Gerrigjen. Daarmee werd een nieuwe periode
ingeluid, een nieuwe start gemaakt; geen café
maar een restaurant!
Tot na de Tweede Wereldoorlog was de ontwikkeling
zeer rustig. Nadat in 1947 de leiding over het
bedrijf was overgenomen door de oprichters
schoonzoon Albert Spijkerman, profiteerde het na
1950 ten volle van de explosieve economische ontwikkelingen.
De eerste uitbreiding vond al plaats
in 1954. Inmiddels is het restaurant vele malen –
1960, 1970, 1977 – verbouwd, uitgebreid en regelmatig
aangepast aan de eisen van de tijd.
Het restaurant – toen nog een van de weinige familie-
restaurants – werd in 1981 omgezet in een
BV, die vanaf 1985 onder de directie van H.W.
Spijkerman stond.
In mei 1995 werd het bedrijf overgenomen door
het Van der Valk-concern.
In een periode van 160 jaar is er zeer veel veranderd.
De karresporen van 1835 zijn de straatwegen
van 1935 geworden en, voorzover deze nog bestaan,
zijn ze nu getransformeerd in twee- en vierbaans
autosnelwegen. Evenzeer is de weggebruiker
veranderd. De reiziger met de diligence van 1835,
de wegtoerist van 1935, ze zijn verdwenen en in de
plaats daarvan is gekomen de snelle en gehaaste
autorijdende zakenman van tegenwoordig.
Gelukkig weet ook in de huidige tijd de gehaaste
‘wegtoerist’ nog steeds De Toerist bij Zwolle te
vinden en te waarderen. Dit kan gezien worden als
een bevestiging dat het lange verleden van het restaurant
borg staat voor een voorspoedige toekomst.
* Dit stuk is gebaseerd op een langer artikel dat
zich in het Gemeentearchief bevindt. Het is geschreven
vóór de overname door het Van der
Valk-concern in mei 1995.
Restaurant De Toerist”
in 1995 met de uitbreiding
door de fam.
Spijkerman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W.
Huijsmans en J. Otten
Tijdens hun bezoek aan
het gemeentearchief
Zwolle op 13 november
1995 bekeken de
Russische archivarissen
de tentoongestelde archivalia
die op Rusland
betrekking hebben.
V.l.n.r.: Jeanine Otten
(atlasbeheerder GAZ),
Galina Ipatova
(Omsk), Natalia I.
Razgon (Altaj), Wim
Coster, Wim
Huijsmans (plv. archivaris
GAZ), Wladimir
A. Jerjomentsjenko
(Moskou), Valentin G.
Mishanov (Sint-
Petersburg), tolk,
Marina Bobyleva
(Moskou) (foto: Jan
Drost).
Inleiding
Op 13 en 14 november 1995 bracht een
zestal Russische archivarissen een bezoek
aan Zwolle. Dit bezoek vormde een onderdeel
van een tiendaags werkbezoek aan ons
land om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen
van het Nederlandse archiefwezen.
Het gezelschap bestond uit twee heren en vier dames.
Twee kwamen uit Moskou en één uit Sint-
Petersburg. Van de ligging van deze plaatsen heeft
iedereen nog wel een beeld. Drie personen van het
gezelschap kwamen daarentegen uit regio’s waarvan
de meeste mensen in het gunstigste geval wel
eens gehoord hebben, maar waarbij zij geen flauw
idee hebben waar ze liggen. Het ging om Omsk,
een grote stad in de Oeral, om Oedmoertië, een
republiek in het midden van de Russische federatie,
en om Altaj, een district in Centraal-Azië tegen
de grens met Kazachstan. Om een idee over
de afstand te geven: dit district ligt dichter bij
Peking dan bij Moskou.
Uit de gesprekken tupsen de Russische en Zwolse
archivarissen bleek dat, bij vergelijking met de situatie
hier, men in Rusland qua infrastructuur en
techniek op archièfgebied achter loopt. Zo is er
bijvoorbeeld een groot gebrek aan goed verpakkingsmateriaal
voor archieven en aan degelijke archiefdepots.
Ook worden computers amper gebruikt.
Vakinhoudelijk bleek men goed onderlegd.
De komst van de Russen was aanleiding voor het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gemeentearchief Zwolle na te gaan welke banden
er in het verleden tussen Zwolle en Rusland geweest
zijn. Het materiaal dat aan de Russen getoond
werd, moest vooral illustratief en visueel
aantrekkelijk zijn.
Dit artikel is ontstaan om te voorkomen dat het
geselecteerde materiaal na afloop van het bezoek
weer in archiefdozen zou verdwijnen zonder dat
vastgelegd werd wat er zo al aan materiaal aanwezig
is over de connecties tussen Zwolle en
Rusland. Natuurlijk kunnen hierin niet alle aspecten
tussen Zwolle en Rusland aan bod komen.
Hanze
In 1230 kreeg Zwolle stadsrecht van de bisschop
van Utrecht. De bloeiperiode van Zwolle ligt in de
eerste helft van de vijftiende eeuw. Twee begrippen
staan daarbij centraal: de Hanze en de
Moderne Devotie.
De Hanze was een bondgenootschap van
Westeuropese handelssteden, vooral gelegen in
het huidige Duitsland en in Oost-Nederland.
Gedreven door gemeenschappelijke belangen
zochten dezen steden contact met elkaar en zegden
zij elkaar hulp toe. Lübeck stond aan het
hoofd van dit verbond van steden. Zwolle was
voor 1400 al lid van de Hanze maar werd in 1407
officieel opgenomen. Hanzesteden lagen ook langs
de Oostzee, tot in Rusland toe. Er liep een handelsroute
van Brugge over Hamburg, Lübeck en
Reval (Tallin) naar Novgorod. In deze
Noordrussische stad was een Hanzekantoor gevestigd.
De laatste Hanzevergadering werd in 1669 gehouden.
Zwolle nam in 1980 het initiatief om na
311 jaar opnieuw een vergadering van
Hanzesteden bijeen te roepen. Dit initiatief viel op
vruchtbare bodem en vindt nu jaarlijks in een
Hanzestad plaats. De steden verdringen zich om
het te organiseren.
Moderne Devotie
Op het eind van de veertiende eeuw ontstond in
de IJsselstreek een nieuwe religieuze beweging onder
de naam Moderne Devotie van wie Geert
Grote de stichter was. Zwolle ontwikkelde zich in
die tijd tot een religieus en onderwijscentrum van
internationaal belang. Johan Cele gaf les op de
y CfciSfc
Latijnse school aan leerlingen die van heinde en
ver kwamen. Hij was bevriend met Geert Grote.
De Moderne Devotie had zo direct invloed op de
leerlingen van de Latijnse school. Zij verbleven in
de internaten van de fraters. Buiten de schooluren
was de opvoeding aan hun zorgen toevertrouwd.
Mede daardoor kon de invloed van de Moderne
Devotie zich relatief snel over West-Europa uitbreiden.
Afcfe waarbij Zwolle
opnieuw in de Hanze is
opgenomen, Lübeck 9
juni 1407 (GAZ,Soll.
Charters AAZ01,
inv.nr. 407.09).
Sint-Ambrosius, in 374
tot bisschop van
Milaan gewijd, schrijvend
in zijn cel.
Ingekleurde houtsnede
in: Opera Sancti
Ambrosii, deel 1,1492
(GAZ, coll.
Emmanuelshuizen, nr.
XVII).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Moderne Devoten, zowel leken als kloosterlingen,
bleven de Rooms-Katholieke Kerk trouw. Zij
streefden een verinnerlijking van het geloofsleven
na in een tijd waarin binnen de kerk veel wantoestanden
heersten. Aflaathandel bloeide, in kloosters
was een gebrek aan tucht en de hoge geestelijkheid,
afkomstig uit de adel, kon vaak beter
vechten dan de mis lezen. De Moderne Devoten
Kaart van Rusland
naar Isaac Abraham
Massa, getiteld:
‘Russiae, vulgo
Moscovia dictae, Partes
septentrionalis et orientalis
[Rusland, ook wel
Moskovië geheten, de
noordelijke en oostelijke
delen] / Auctore Isaaco
Massa’, in: Atlas
Maior, dl. 1 (1664), uitgegeven
doorJoan
Blaeu (GAZ, coll.
Bibliotheek, inv.nr.
11A6-2).
of Broeders des Gemeenen Leven wilden een oprecht
godsvruchtig leven, zonder uiterlijk vertoon.
Zij trachtten dit in commune te verwezenlijken. Zij
verdienden hun brood voor een groot deel door
het overschrijven van bijbels, missalen en stichtelijke
werken. De belangrijkste pagina’s en hoofdletters
werden prachtig versierd. In de beginhoofdletters
zijn vaak prachtige voorstellingen van
Christus of.heiligen afgebeeld. Deze illustraties en
miniaturen waren niet alleen bedoeld om het gebedenboek
er mooier uit te laten zien, maar ze
droegen er ook toe bij dat de lezers de tekst beter
in zich op ikonden nemen. Een vergelijking met
iconen uit de Russische kerkelijke kunst dringt
zich op.
De bekendste Moderne Devoot is zonder enige
twijfel Thomas a Kempis. Op de Sint-Agnietenberg
bij Zwolle, waar hij in 1471 overleed, schreef
hij zijn De imitatione Christi (Over de Navolging
van Christus). Na de Bijbel is dit het meest gelezen
boek ter wereld. Het is vertaald in bijna alle talen,
tot in het Russisch toe. Het gemeentearchief
Zwolle bezit een grote collectie Thomas a Kempisuitgaven
waaronder enkele in cyrillisch schrift.
Russische kaarten
Het gemeentearchief Zwolle bezit een collectie
kostbare zestiende- en zeventiende-eeuwse atlassen.
Hieronder wordt nader ingegaan op de
Russische kaarten in drie van deze atlassen.
De stedenatlas Civitatis Orbis Terrarum van Georg
Braun en Frans Hogenberg was één van de best
verkochte boeken in het laatste kwart van de zestiende
eeuw. De zes delen werden uitgegeven tussen
1572 en 1617. In het gemeentearchief zijn de
eerste twee delen van de Latijnse editie aanwezig,
gebonden in een leren band met in goud en kleur
het wapen van Zwolle en het jaar 1593 gedrukt. In
het tweede deel komt een gefantaseerde plattegrond
van Moskou voor. De voorgrond is gestoffeerd
met bizons, Moskovieten te paard in
krijgsuitrusting en arresleden. Het was indertijd
erg moeilijk’om aan betrouwbare gegevens te komen
omdat men gemakkelijk voor spion kon
worden aangezien. Vertegenwoordigers van landen
en handelsagenten uit het westen mochten
niet in Moskou wonen vanwege het taboe op het
contact met westerlingen. Bij Moskou ontstond
een voorstad, de Sloboda, waar zich op den duur
een westerse kolonie vormde.
In de zeventiende eeuw was de door Joan Blaeu
stijlvol uitgegeven Atlas Maior of Grooten Atlas of
Wereldbeschrijving in perkamenten banden van
grootfolio-formaat een traditioneel relatiegeschenk
van de Verenigde Republiek der Nederlanden
aan koninklijke en andere belangrijke personen.
Het was de duurste gedrukte uitgave die
men in de tweede helft van de zeventiende eeuw
kon kopen. In de vaart der volkeren heeft de stad
Zwolle zich in het verleden een gebonden en met
kleuren afgezette Nederlandse editie van de Atlas
Maior aangeschaft, bestaande uit tien delen atlas
en twee delen Stedenboek (Noord en Zuid-
Nederland). Russische kaarten komen voor in het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
tweede deel, uitgegeven in 1664. Dat het erg moeilijk
was om aan recente gegevens te komen voor
het maken van de kaarten, blijkt uit de grote kaart
van Rusland. Blaeu gebruikte voor deze kaart een
vijftig jaar oude drukplaat met een uit 1613 daterend
ontwerp van de in 1632 overleden kaarttekenaar
van de Oostindische Compagnie, Hessel
Gerritsz. Het tweede deel van de Atlas Maior bevat
verder drie kaarten van Zuid, West, Noord en
Oost-Rusland. De eerst- en laatstgenoemde kaarten
waren al verschenen in Blaeu’s Theatrum uit
1638. De kaart van West-Rusland werd voor het
eerst in 1662 in de Atlas Maior opgenomen, maar
het kaartbeeld dateert uit 1610 en is van de hand
van Isaac Abraham Massa (1586-1643), gebaseerd
op zijn Beschrijvinge van der Samoyeden Landt in
Tartarien. Massa’s waardevolle kaarten van Siberië
waren de eerste die in het westen verschenen.
Massa was een veelzijdig Haarlems koopman die
handel dreef met Rusland en bevriend was met de
Haarlemse schilder Frans Hals die in 1626 zijn
portret schilderde. Als jongen werd Massa in de
leer gedaan bij Amsterdamse kooplieden die handel
dreven met Rusland. In 1600, dertien jaar oud,
reisde hij naar Rusland en woonde daar acht jaar
bij zijn werkgever. Tijdens dit verblijf was hij getuige
van Ruslands ‘Troebelen’ toen het land geteisterd
werd door oorlog, hongersnood en complotten.
Hij wist een unieke kaart van het zeventiende-
eeuwse Moskou in handen te krijgen; iets
wat hem veel moeite kostte, omdat het in 1605 als
verraad gold wanneer een Moskoviet zo’n kaart
aan een buitenlander gaf. De plattegronden van
Moskou en het Kremlin in de Atlas Blaeu dateren
van voor 1630 en zijn zonder twijfel gegraveerd
naar Russische originelen; waarschijnlijk uit de
collectie Russische kaarten in bezit van Hessel
Gerritsz., en mogelijk afkomstig van Fjodor, de
zoon van tsaar Boris Godoenov (1598-1605).
In de omstreeks 1696 door Nicolaas Visscher II
uitgegeven Atlas Minor komen twee kaarten voor
van het vorstendom Moskovië en van het
Russische Rijk. Deze laatste kaart was van de hand
van Nicolaes Witsen (1641-1717), burgemeester van
Amsterdam en bewindhebber van de Verenigde
Oostindische Compagnie. Witsen had een speciale
interesse voor Rusland en het noordelijk deel
van Azië, dat toen voor de Europeanen nog grotendeels
onbekend was. In 1664-1665 bezocht hij
Moskovië, in 1665 was hij in Moskou. In 1690 publiceerde
Witsen een kaart van Tartarije en in 1692
een groot boek over dat gebied.
Migratie
Bijna 300 jaar geleden bezocht tsaar Peter de
Grote Nederland. Met zijn gevolg verbleef hij te
Zaandam en Amsterdam om het vak van scheepstimmerman
onder de knie te krijgen. Het tsaar-
Peter-huisje in Zaandam is nu een toeristische attractie
van de eerste orde. De reis naar Nederland
was voor de tsaar een hele onderneming.
Des te meer bewondering dwingt het af te constateren
dat er aan het eind van de zeventiende, begin
achttiende eeuw al particulieren waren die
vanuit Zwolle naar Rusland reisden en vice versa.
Dankzij het uitgebreide kaartsysteem van het
Zwolse gemeentearchief is dat snel vast te stellen.
Zo kwam Willem Emont met attestatie uit
Moskou. Hij meldde zich in 1678 bij de
Hervormde kerk in Zwolle als lidmaat aan. Adolf
Gibbonis vertrok 25 jaar later met attestatie uit
Zwolle naar Moskou. In beide gevallen ging het
om kooplieden die lidmaat waren van de
“Willem Emont uit der
Muscou.’ Attestatie van
Willem Emont, in 1678
uit Moskou komende,
N.H. lidmatenboek.
(GAZ, KA 017, inv.nr.
139)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interpretatie
anno 1930 van de
Kozakken, tijdens de
historiespelen in park
Eekhout ter gelegenheid
van het y00-jarig bestaan
van Zwolle, september
1930 (GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Het gymnasium in de
Goudsteeg in 1920. Op
de voorgrond de heer
Koppelle, leraar Duits
(GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Hervormde kerk. Ongetwijfeld waren de contacten
intensiever dan alleen van deze twee personen.
Reisden immers katholieke of joodse Zwollenaren
af, dan werd hun geen bewijs van hun kerkgenootschap
meegegeven. Contacten tussen particulieren
en Rusland, die plaatsvonden buiten het
stadsbestuur om, onttrekken zich helemaal aan de
waarneming van de huidige onderzoeker; indien
er althans geen archivalia van bewaard zijn gebleven
in bijvoorbeeld een familiearchief.
In de achttiende eeuw werd ,êr incidenteel wel eens
een brief bezorgd op het Zwolse stadhuis vanuit
een Russische stad, maar van een intensief verkeer
was allesbehalve sprake. De contacten bleven marginaal.
Franse tijd
Na de inval van de Fransen namen aanvankelijk,
vele jonge mannen als vrijwilliger dienst in hel:
Franse leger. Napoleon voerde de conscriptie in,
de verplichte inschrijving voor de militaire dienst.
Tientallen Zwollenaren trokken gedwongen in hel:
leger van Napoleon mee naar Rusland.
Verscheidenen kwamen om nadat ze vele ontberingen
hadden doorstaan.
Jan Willem van Wetering, geboren in 1789 in
Zwolle, meldde zich in 1803 als vrijwilliger aan. Hij
was nog geen veertien! Van hem is een dagboekje
bewaard gebleven. Daarin beschreef hij hoe hij in
1805 met het Franse leger naar Oostenrijk trok, in
1807 onder andere in Bremen verblijf hield en in
1811 in Gent gelegerd was. Met het leger van
Napoleon stak hij in het voorjaar van 1812 bij Kleef
de grens over. Hij beschreef de tocht over de
Beresina en de verschrikkelijke ellende die hij daar
zag. Toen de kansen voor Napoleon in november
1812 verkeken waren, meldde Van Wetering zich
aan bij een Russisch-Duits legioen. Met dat leger
trok hij in omgekeerde richting naar Frankrijk.
Op 31 maart 1814 bereikte hij Parijs.
De Russische plaatsen die Van Wetering in zijn
dagboekje noemde, hadden voor de archivarissen
uit Rusland een bekende klank. Op de Russische
kaart van Blaeu is de route, zoals Van Wetering
die beschreef, exact te volgen.
Prins de Naritschin
In november 1813 trokken Russische troepen
Zwolle binnen en maakten een eind aan de Franse
overheersing. Het waren Kozakken die uit het zuiden
van Rusland afkomstig waren. Zij reden op
kleine paarden en stonden onder bevel van generaal
prins de Naritschin. De Fransen boden geen
weerstand. De Zwollenaren onthaalden de
Kozakken op jenever omdat ze de Fransen meer
dan zat waren. Toch was Zwolle ook weer blij de
Kozakken kwijt te raken. Ze deden zich immers
volgens overlevering overvloedig te goed aan sterke
drank en bovendien joegen ze op kippen en
vrouwen…
Nicolaas van Wijk
Gaat het om bekende Zwollenaren, dan worden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 13
naast Thomas a Kempis ook steevast Johan Derk
van der Capellen tot de Pol, Potgieter en Rhijnvis
Feith (1753-1824) in één adem genoemd. Van
laatstgenoemde dichter zijn enkele werken in het
Russische vertaald. In dit verband moet er echter
nóg een erudiete Zwollenaar genoemd worden,
namelijk Nicolaas van Wijk (1880-1941). Hij was
de eerste Nederlandse hoogleraar in de Slavische
talen en groeide op in Zwolle. Deze domineeszoon
bezocht hier het Gymnasium in de
Goudsteeg, waar al spoedig zijn taalgevoeligheid
werd onderkend. In 1898 vertrok hij naar
Amsterdam om Nederlands te studeren. Drie jaar
later studeerde hij cum laude af; weer drie jaar later
promoveerde hij, wederom cum laude.
Ondertussen had hij zich ook beziggehouden met
de Slavische talen en had hij geruime tijd in
Moskou doorgebracht. In 1907 ging hij opnieuw
naar Rusland, en een jaar later verscheen in het
tijdschrift De Gids een uitgebreid reisverslag onder
de titel Russische indrukken. Op 25 juli 1913 volgde
zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden.
In Zwolle kwam hij in de eerste jaren na zijn vertrek
nog regelmatig terug om zijn familie te bezoeken,
de uitgave van een boek bij W.E.J. Tjeenk
Willink te bespreken of een lezing te geven. Zo
sprak hij bijvoorbeeld in 1920 op de
Volksuniversiteit over ‘Het nihilisme in de
Russische literatuur’. Rusland wenste hij na de revolutie
van 1917 niet meer te bezoeken, maar voor
Russische emigranten in Nederland zette hij zich
tot zijn dood in 1941 met hart en ziel in.
Portret van Nicolaas
van Wijk, in: N. van
Wijk, Russische indrukken,
Leiden, 1988.
4% OBUQATIOMS-AÏÏLEIHE
4% OBLIGATIE LEENIHG
WLADI KAWKfS
WLADI KAWKAS
EP001WE0 •AATSCMPPD
nK (1 BEW»’/,. ösfMÜJ)»iïa
Quito – I.SKU4» Etlnid tlnlinj,
IW.™n» 14/ 1ilmius «ld lirju.ijf IBt litt uo.ii» Hou”
P«MlllAP.rEPHDSlD.BAfflTH
” ••’-‘• WLIfrpWlAS-EjfEMBAHF-fiESELLSClAFT,
Russische obligaties
Hoewel de contacten met Rusland in deze eeuw
toenamen, is daarvan in de archivalia in het gemeentearchief
Zwolle weinig te merken.
Onvermeld mogen echter niet de Russische obligaties
blijven die rond de eeuwwisseling door
sommige Zwollenaren en kerkbesturen werden
aangeschaft. Met het geld werden spoorlijnen aangelegd
om het immens grote land te ontsluiten.
Na de Russische revolutie van 1917 waren deze
obligaties van de ene op de andere dag weinig of
niets meer waard.
In het gemeentearchief zijn in een particulier archief
couponbladen aanwezig van een Russische
obligatie uit 1912 die was uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij te Sint-
Russische obligatie uit
1912, uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij
te
Sint-Petersburg. Tot
1917 zijn de couponnetjes
keurig geknipt en
ingeleverd. Daarna bleven
ze aan de mantel
bevestigd. (GAZ, KA
Onze Lieve
Vrouwenparochie).
Philosofenallee 1,
Zwolle. In de periode
1905-1908 woonde
Henk Sneevliet op de
eerste verdieping (foto:
Jan de Koning i.o.v.
Gemeentearchief
Zwolle, 1985).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een groet uit het
Wologda van voor 1917.
Boven: v.l.n.r.
Seminarie, Archangelskstraat,
Gouvernementeel
Mannen Gymnasium,
Middelbare school,
Eerste Vrouwen
Gymnasium (part. coll.
Zwolle).
Petersburg. Tot 1917 zijn de couponnetjes keurig
geknipt en ingeleverd. Daarna bleven de couponnetjes
aan de mantel bevestigd.
Henk Sneevliet
De politieke carrière van Henk Sneevliet (1883-
1942) begon in Zwolle. Hij werkte bij het spoor en
was lid van de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij. Voor die partij zat hij in de periode 1907-
1909 in de Zwolse gemeenteraad. Daarna verhuisde
hij naar Utrecht en werd lid van de
Communistische Partij. Hij voerde oppositie tegen
Troelstra. Hij was lid van het Uitvoerend
Comité van de Derde Internationale. In de tijd dat
hij in Nederlands-Indië verbleef was hij nauw betrokken
bij de Sarekat Islam en de Indonesische
Communistische Partij in China. Ook bij de oprichting
van de Communistische Partij in China
zou hij betrokken geweest zijn. Hij woonde vele
jaren in Moskou en was bevriend met Lenin. Later
koos hij voor Trotzki. Op 13 april 1942 werd hij te
Amersfoort in het concentratiekamp gefusilleerd.
Michael Minsky
Sinds 1978 woonde de Russische bariton en dirigent
van het Don Kozakken Koor, Michael
Minsky in Zwolle. Hij werd bekend vanwege zijn
Russische Galaconcerten, waaraan tal van bekende
artiesten meewerkten. In 1982 startte hij met de
voorbereiding van de herdenking van het 1000-ja
rig bestaan van de Russisch Orthodoxe Kerk. Dit
feit werd op 30 september 1988 in Zwolle herdacht
met een concert in de Grote Kerk waarbij koningin
Beatrix en tal van kerkelijke en wereldlijke
hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren.
Minsky was al ziek maar kon die dag toch nog
meemaken. Het was de kroon op zijn werk. Negen
dagen later overleed hij. Zijn archief werd, voor
zover het op Zwolle betrekking had, door zijn weduwe
aan het gemeentearchief geschonken.
Slot
In 1989 knoopte het gemeentebestuur van Zwolle
op initiatief van Adrie Wever, raadslid voor het
Links Akkoord, vriendschapsbanden aan met
Wologda, een grote stad ten noorden van
Moskou. Anno 1996 staan deze contacten op een
laag pitje omdat de communicatie – ondanks perestrojka
en glasnost – moeilijker verloopt dan
voorzien was.
Tijdens het in november 1995 afgelegde bezoek
aan het gemeentearchief Zwolle, nam de
Russische delegatie van archivarissen met interesse
kennis van het tentoongestelde materiaal. De tijd
van voorbereiding was te kort om onderzoek te
doen naar nog meer contacten tussen Zwolle en
Rusland. Maar wellicht dat dit artikel zal inspireren
tot verdere nasporingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berendina Stoel.
Op de bres voor vrouw en kind.
Op 27 mei 1994 werd in de Aalanden aan de
Volterbeek het vrouwenopvang- en begeleidingscentrum
van de Berendina Stoel
Stichting (BSS) opgeleverd. In juli ging in het huis
de opvang van vrouwen en de begeleiding voor
vrouwen en hun kinderen van start. De BSS richt
zich ook op jonge zwangere vrouwen en ’tienervensomstandigheden
van vrouwen en kinderen in
Zwolle. In het onderstaande verhaal wordt het leven
van deze sociaal bewogen vrouw geschetst.
Haar jeugd
Berendina Gerharda Nieuwhof werd op 10 september
1878 in Zwolle geboren. Zij was de tweede
M.H. Palfenier-Lentjes
moeders’ die hulp en begeleiding nodig hebben.
De BSS werkt samen met Blijf van m’n Lijf en het
Leger des Heils. De naam van de stichting is afkomstig
van de vrouw die als eerste vrouwelijke
raadslid in het begin van de jaren twintig van deze
eeuw voor de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij (SDAP) in de Zwolse gemeenteraad zat en
zich krachtig inzette voor de verbetering van de ledochter
van het echtpaar Johannes Lambertus
Nieuwhof, steenhouwer, en Geertruida Maria
Overwater. Zij had vijf zusters en een broer. Niets
wees er in 1878 bij de geboorte van Berendina
Nieuwhof op dat zij een grote rol zou spelen in de
maatschappelijke politieke geschiedenis van
Zwolle.
Haar wieg stond in een huisje aan het Klein
Op 27 mei 1994 vond de
oplevering plaats van
het vrouwenopvangcentrum
van de Berendina
Stoel Stichting aan de
Volterbeek. De heer A.].
Dost (rechts), voorzitter
van de Stichting, neemt
de sleutel in ontvangst
(foto: collectie
Berendina Stoel
Stichting).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Grachtje, in één van de armste wijken van de stad.
Doordat het Klein Grachtje grensde aan de tuinen
rond de villa van baron Van Dedem aan de
Diezerkade, werd zij al jong geconfronteerd met
het verschil tussen rijk en arm.
Voor onderwijs was zij aangewezen op de armenschool
in de Schoolstraat, waar de klassen bestonden
uit zestig leerlingen. De kwaliteit van dit onderwijs
mag dan ook niet al te hoog ingeschat
worden. Trouwens, ook het gebouw werd zeer ondoelmatig
geacht.
Over de jaren na haar schooltijd is helaas maar
zeer weinig bekend. Het is niet ondenkbaar dat zij
al vroeg thuis haar moeder moest helpen, zeker na
de dood van haar vader in 1895.
Op 25 augustus 1898 trouwde zij met Anthonie
Johan Stoel, die rijtuigschilder bij de Nederlandse
Spoorwegen was.
Beide echtelieden hadden een godsdienstige achtergrond.
Berendina kwam uit een rooms-katholiek
gezin en Anthonie was Nederlands Hervormd.
Het huwelijk werd echter niet kerkelijk ingezegend.
Uit de boeken van de rooms-katholieke kerk blijkt
dat Berendina Stoel als lid werd geschrapt.
Ongetwijfeld was haar lidmaatschap van de SDAP
daar debet aan. Anthonie Stoel, overigens ook lid
van de SDAP, bleef Nederlands Hervormd en ook
hun kinderen zijn in die religie opgevoed. Dat zij
de stap van ‘rooms’ naar ‘rood’ maakte, was omdat
zij koos voor de partij die haar wèl in de gelegenheid
stelde om op te komen voor de arbeidersvrouwen
en hun kinderen. Zij kende de slechte levensomstandigheden
^an deze groep immers
maar al te goed.
De vrouwenbeweging
In 1903 werd Anthonie Stoel ontslagen omdat hij
had deelgenomen aan de Spoorwegstaking.
Daardoor kwam het echtpaar niet in aanmerking
voor financiële bijstand. Werk was voor Anthonie
in Zwolle moeilijk te vinden en in 1905 besloten
Anthonie en Berendina dan maar naar
Amsterdam te trekken, waarschijnlijk in de hoop
daar aan de slag te kunnen. De keuze voor
Amsterdam zal mede beïnvloed zijn door het feit
dat daar in die tijd de vrouwenemancipatie in opkomst
was en in datzelfde jaar de Sociaal
Democratische Vrouwen Club (SDVC) werd opgericht,
een onderafdeling van de SDAP. Deze
SDVC had tot doel de vrouw politiek bewust te
maken, het kiesrecht voor vrouwen te verkrijgen
en tevens om moederschapszorg en kinderopvang
te stimuleren.
Na een verblijf van drie maanden in Amsterdam
keerde het echtpaar Stoel naar Zwolle terug; naar
verluid ingegeven door heimwee.
Terug in Zwolle was Berendina Stoel actief in de
SDAP. Binnen deze partij heeft zij via verschillende
cursussen ook haar politieke opleiding gehad.
Eén van de prominente SDAP-leden die voor deze
opleiding zorgde, was Henriëtte Roland Holst, die
in 1907 in Zwolle een lezing gaf. In datzelfde jaar
maakte mevrouw Stoel deel uit van een delegatie
van Zwolse vrouwen die in Amsterdam contact
zocht met de SDVC. In 1908 werden in verschillende
regio’s afdelingen van deze vrouwenbeweging
opgericht. Berendina Stoel werd voorzitster
van de Zwolse afdeling.
Ter ondersteuning van het verkrijgen van het
vrouwenkiesrecht bezocht Berendina Stoel vooral
achtergestelde vrouwen om hen van het belang
van dit kiesrecht te overtuigen. Uit angst voor repercussies
voor de vrouwen zelf of hun mannen,
viel dit zeker niet mee. Ook hield zij lezingen in de
Buitensociëteit. Door dit alles heeft Berendina
Stoel een groot aandeel gehad in de strijd van de
vrouwenbeweging in Zwolle.
Uiteindelijk werd zij door haar strijd zo belangrijk
voor de SDAP dat zij in 1919 door deze partij voor
de gemeenteraad verkiesbaar werd gesteld. Op de
kandidatenlijst stond zij op de achtste plaats.
De politieke carrière
Bij de verkiezingen van 1919 veroverde Berendina
Stoel een zetel in de raad. Deze verkiezingsuitslag
betekende voor haar een persoonlijke triomf, zeker
ook omdat, zelfs binnen de SDAP, nog niet iedereen
gelukkig was met een vrouw in de raad. Bij
haar installatie als raadslid werd zij beloond met
het zingen van de Internationale door haar achterban
uit de vrouwenbeweging en met vijftig rode
rozen.
In de raad bewoog mevrouw Stoel zich op sociaalZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
maatschappelijk terrein en dan in het bijzonder
gericht op het verbeteren van de leefomstandigheden
van de arbeidersvrouwen en -kinderen. Zo
kreeg zij onder meer zitting in de commissies
openbare bewaarscholen, kindervoeding en woningbouw.
Haar grote verdienste was het onder de
aandacht brengen van de erbarmelijke omstandigheden
waarin deze zaken verkeerden. Het was
haar gebleken dat de raadsleden zeer slecht op de
hoogte waren van de wantoestanden. Op haar eigen
kordate, niet mis te verstane spreekwijze
bracht zij dit alles onder de aandacht, zoals duidelijk
blijkt uit de notulen van de raad.
In december 1920 overlegde de raad of de kindervoeding
door de gemeente of door particulieren
verstrekt moest worden. De discussie spitste zich
vervolgens toe op de vraag of de maaltijden ook
gedurende de vakanties uitgedeeld moesten worden.
Volgens de notulen zei mevrouw Stoel:
‘… dat de statistiek bewijst, dat de kinderen als ze
weer op Kindervoeding komen, sedert het einde
van de maaltijden, in gewicht afgenomen zijn.
Daaruit blijkt de noodzakelijkheid om langer dan
drie maanden voedsel te verstrekken. Het is hoog
tijd, dat de vrouw zich eens wat meer met dergelijke
zaken bemoeit. Altijd zijn vrouw en kind vergeten…
Spreker zou niet willen beginnen met voeding
van gemeentewege, als het kind op school
komt, ook het kind op de bewaarschool, dat het
noodig heeft, moet de voeding ontvangen.’
Uit de notulen blijkt overduidelijk dat mevrouw
Stoel het verbeteren van de levensomstandigheden
geen zaak van liefdadigheid vond. Volgens haar
was dit een zaak van de hele gemeenschap, uit te
voeren door de gemeente.
Zo heeft zij in februari 1923 over de woningtoestanden
gezegd:’… als zij niet geweten had, dat de
berichten over de woningtoestanden in Palvu1 serieus
waar waren, zij dan bij het lezen gedacht zou
hebben, wat is dat schrikkelijk overdreven.
Spreker heeft zelf een onderzoek ingesteld. Zij
komt met heel velen van dat soort menschen in
aanraking… Spreker zou tegen de vrouwen van de
raadsleden eens willen zeggen, hoe het haar te
moede zou zijn, als zij in zoo’n krot moesten huizen.’
In februari 1924 discussieerde de raad uitvoerig
over het al dan niet inrichten van een bewaarschool.
Mevrouw Stoel pleitte hartstochtelijk voor
het wel inrichten van een bewaarschool ‘op de
Hoogstraat’. Vervolgens staat er in de notulen:
‘Spreker (mw. Stoel) begrijpt niet, hoe de leden
van den Raad zoo boomen kunnen opzetten over
een betrekkelijk luttel bedrag, ’t Is of de Raad
Amsterdam moet gaan kopen. Het is toch te gek,
De heer en mevrouw
Stoel (foto: mevrouw
B.G. Stoel-Slot,
Zwolle).
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat de heeren raadsleden daar nu twee avonden
over zitten te boomen, over de inrichting van één
gemeentelijk bewaarschool. Men moest zich schamen…
Spreker zou den raad dringend willen verzoeken
om nu hedenavond te besluiten tot inrichting
van de Willemsschool tot bewaarschool…
Reeds in 1918 is immers het besluit genomen
waarbij de invoering van voorbereidend onderwijs
urgent werd verklaard.’
Mevrouw Stoel had niet altijd succes met haar
voorstellen voor verbeteringen, maar zij heeft wel
op vele terreinen een eerste stap gezet. Zij liet de
arbeidersvrouwen betere tijden kennen.
De jaren na de gemeenteraad
Berendina Stoel heeft zeven jaren in de Zwolse gemeenteraad
gezeten. In 1926 werd haar echtgenoot
aangesteld als huismeester van het passantenhuis,
een gemeentelijk verzorgingshuis, aan de Friese
Wal. De voorwaarden waren dat de huismeester
gehuwd was, de kinderen de deur uit moesten zijn
en de echtgenote de taakvan huismeesteres op
zich zou nemen. Dit betekende dat Berendina
Stoel het lidmaatschap van de raad moest opgeven.
Bij haar afscheid sprak de voorzitter van de
raad enige woorden van waardering: ‘Spreker constateert,
dat het werk van mevrouw Stoel veel
waardering bij alle raadsleden heeft gevonden.
Zoo niet allen, dan toch zeer velen onder de
raadsleden zien haar met leedwezen heengaan.
Spreker gelooft in hun geest te handelen, wanneer
hij de wensch uit, dat het mevrouw Stoel zelf en
haar man goed moge gaan en zij in hun nieuwe
betrekking met genoegen werkzaam mogen zijn.
(applaus).’
Ook voor de taak in het verzorgingshuis heeft zij
zich, samen met haar man, voor de volle honderd
procent ingezet. Bij de pensionering van het echtpaar
Stoel in 1941 bleek dat zij in al die jaren
slechts een paar verlofdagen hadden opgenomen.
Daarom kregen zij als beloning een gratificatie van
333 gulden en 33 cent, dit was twee maanden salaris.
:
Na hun pensionering zijn de heer en mevrouw
Stoel gaan wonen in de Iepenstraat, waar
Anthonie Stoel op 9 februari 1946 overleed.
Berendina Stoel is toen ingetrokken bij haar dochter
die in de Tesselschadestraat woonde. Op 3 juli
1952 is zij daar, door de politiek vergeten, overleden.
In 1991 werden in de wijk Schellerhoek straten vernoemd
naar vrouwen die voor de geschiedenis
van Zwolle van belang zijn geweest. Sedertdien
draagt een zijstraat van de Jofferenlaan de naam
Mevrouw Stoelstraat om haar op die manier te
eren. Ook door haar naam toe te kennen aan de in
het begin van dit artikel genoemde Stichting zal
deze blijvend voor Zwolle gehouden blijven.
Noot
Palvu is de naam van het partijblad en het verenigings-
1. gebouw van de SDAP aan de Eekwal nummer 29.
De afkorting staat voor: Proletariërs Aller Landen
Verenigt U.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Straatnamen, niet zo eenvoudig
In de raadsvergadering van 8 september 1878
vroegen bewoners van de Stropsteeg, om een
andere naam voor hun straat. Men was niet
gelukkig met de bestaande naam.
In dezelfde vergadering verzocht de heer Schuite
om de naam Duistere Steeg te vervangen door het
meer welluidende Prins Hendrikstraat. Prins
Hendrik, bijgenaamd De Zeevaarder, een broer
van koning Willem III, was in datzelfde jaar getrouwd
met prinses Marie van Pruisen.
Burgemeester en wethouders wilden niet direct reageren.
Zij gaven er de voorkeur aan te wachten
tot er meerdere verzoeken zouden komen, wellicht
ook van bewoners van andere straten.
Bovendien vond de voorzitter de naamsverandering
van Duistere Steeg in Prins Hendrikstraat
‘minder verkieslijk’. Immers ‘als de leden van het
Koninklijk Gezin hier op bezoek komen, geven zij
allicht de wens te kennen om de straten te bezoeken,
waaraan men hun naam heeft gegeven’.
Kennelijk verkeerde de genoemde weg in een niet
al te beste staat. Misschien zou de prins wel eens
beledigd kunnen zijn.
Natuurlijk werd het voorstel gedaan om een commissie
te benoemen, maar uiteindelijk besloot de
gemeenteraad dat het college van B&W zich er
nog eens over moest buigen.
Meer dan drie jaar later, in de vergadering van 3
april 1882, besloot de raad zonder discussie(l), om
vele nieuwe straten van een naam te voorzien of
oude namen te veranderen. We zien dan dat de
Duistere Steeg Schoolstraat gaat heten en de
Stropsteeg Akkerstraat. De Akkerstraat liep van de
Diezerweg naar het Klein Grachtje, daar waar nu
de Eikenstraat ligt.
In diezelfde vergadering van 1882 werd de straat
‘langs de huizen der Vereniging tot verbetering
der arbeiderswoningen buiten de Diezerpoort’
voorzien van de naam Rhijnvis Feithstraat.
In de daaropvolgende raadsvergadering, dus op 24
april 1882, kwam de heer Van Rees daarop terug.
Hij stelde voor om de Platte Allee te vernoemen
naar Rhijnvis Feith, omdat ‘die naar het door den
dichter zoo geliefde Boschwijk voert.’ Hij wilde de
nog maar kortgeleden gegeven naam Rhijnvis
Feithstraat omgedoopt zien in Hoekstraat.
Dit voorstel zorgde voor enige verwarring in de
vergadering. De ‘schoone naam’ van de Rhijnvis
Feithstraat zo maar om te dopen tot het neutrale
Hoekstraat vond de heer Jordanus onjuist. Hij
stelde dan ook de naam Oostkampstraat voor. ‘Als
opvoedkundige en onderwijsman is de naam
Oostkamp juist in dit gedeelte der stad zeer bekend’,
gaf hij aan. De heer Gratema wilde de straat
echter vernoemd zien naar de heer Van Meurs, ‘de
man, die den stoot heeft gegeven tot de verbetering
van de woningen van de arbeidende klasse
hier ter stede.’ Gratama wilde Van Meurs graag
hulde toebrengen, ‘hij behoort nog in het land der
levenden’, voegde hij er aan toe.
Over en weer discussieerde men over ingebrachte
ideeën. De heer De Goeijen informeerde nog wie
dan wel de heer Hoek zou mogen zijn. De voorzitter
antwoordde daarop dat die naam was gekozen
omdat de straat de vorm van een driehoek had.
Tenslotte: de Platte Allee werd zonder hoofdelijke
stemming voorzien van de nieuwe naam Rhijnvis
Feithlaan, terwijl de Hoekstraat zijn naam kreeg
met tien tegen vier stemmen. Beide straten bestaan
nog steeds. De Rhijnvis Feithlaan loopt van
de Brink tot aan de Vechtstraat; de Hoekstraat ligt
achter het winkelcentrum De Diezerpoort en
vormt de verbinding tussen de Schoolstraat en de
Langenholterweg.
Wil Cornelissen
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus
J.C. Streng
Brief van Brumanus
waarin hij om een aanvullende
subsidie voor
huishuur verzoekt.
De zeventiende eeuw was niet de eeuw van
de specialisten. Wijsheid was boekenwijsheid.
Wie lezen kon – en dan in de eerste
plaats Latijn – en over een goed gevulde bibliotheek
beschikte, was in staat om zich vrijwel de
volledige toenmalige wetenschap eigen te maken.
Dat kon door van Aristoteles tot Zeno alle schrijvers
ijverig te bestuderen. Het was dan ook vrij
normaal dat geleerden zoals Henricus Brumanus
thuis waren in diverse thans gescheiden wetenschapsgebieden.
Biografie
Henricus Brumanus was de zoon van Sergius
Brumanus en Judith Feith. Sergius en Judith waren
in 1634 te Elburg gehuwd; hij was toen apotheker
aan de Markt te Zwolle.1 Enkele jaren later, in
1641, kocht Sergius het Zwolse burgerrecht. Het
echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan alleen
Henricus de volwassen leeftijd bereikte. Hij was
op 18 november 1638 te Zwolle gedoopt. Bijna tien
jaar later werd Henricus als leerling aan de Zwolse
Latijnse school ingeschreven waar hij tussen 1647
en 1654 de lessen volgde. Hij verdiende als beste
leerling twee maal een prijsboek: een geschiedwerk
van Dionysius van Halicarnassus en een verzamelband
met de gedichten van Virgilius. Toen
Henricus de Latijnse school verliet, was zijn vader
reeds gestorven. Want in 1654 verzocht de weduwe
Brumanus namelijk aan de magistraat een bijdrage
in de studiekosten van Henricus om de studie
voort te zetten.2 Waarschijnlijk heeft het stadsbestuur
het verzoek ingewilligd omdat het in deze
tijd gebruikelijk was om talentvolle burgerzonen
daarin tegemoet te komen. Het is niet duidelijk
aan welke universiteit hij verder studeerde. In de
studenten-alba van de universiteiten in de
Verenigde Republiek komt zijn naam niet voor.
Evenmin is zijn naam onder de gepromoveerden
te vinden. Dit laatste is wel verklaarbaar, want de
stad was in haar ondersteuning niet zo royaal dat
een dure promotie mogelijk was. Doctor is
Henricus dus waarschijnlijk nooit geworden.
Als tegenprestatie voor de stedelijke ondersteu-
Vtury f »»••»>•

Lees verder