Categorie

2005

Zwolse Historisch Tijdschrift 2005, Aflevering 3

Door 2005, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Annèt Bootsma­van Hulten en Wim Huijsmans

Groeten uit Zwolle

Rhijnvis Feithlaan Poststempel 15 augustus 1910
‘Beste Oom Ik vind dat Mientje een heel lief kind is. Toen wij aan de boot stonden, wierd er een klein kindje uit de boot komen maar we zagen niet dat het Mientje was en toen zagen we dat Tante nam dat kindje bij de hand en toen wisten we dat het Mientje was. Nu, Oom, Mientje eet heel best en zij wil bij ons niet vandaan. Tante ook niet. Nu Oom, groeten van ons allen en de brief is van uw nichtje Suze Engels.’
Suze Engels was bijna tien jaar toen zij deze ansichtkaart aan haar oom Craanen in Amster­dam schreef, broer van haar moeder Johanna Craanen. Haar tante en driejarige nichtje Mientje waren met de boot van Amsterdam gekomen voor een logeerpartijtje. Zwolle onderhield via de Zui­derzee een regelmatige bootverbinding met Amsterdam, die tot kort na de Tweede Wereld­oorlog gefunctioneerd heeft. Suzes vader Willem Engels dreef samen met zijn broer een destijds bekend poeliersbedrijf aan de Thomas a Kempis­straat. Het gezin Engels woonde in 1910 aan de Philosofenallee 4, om de hoek van de afgebeelde Rhijnvis Feithlaan, wellicht de reden dat juist deze kaart verstuurd werd. De familie verhuisde later naar De Belten in Herfte.
Suzes nichtje Mientje Craanen groeide op in Amsterdam, trouwde daar met Berend van der Lin­de en verhuisde in 1940 naar Maastricht. Toevalli­gerwijs woont hun zoon, prof. dr. R. van der Linde, tegenwoordig ook in Zwolle, aan de Kuyerhuislaan op een steenworp afstand van de plek waar vroeger de familie Engels woonde. Bij het overlijden van zijn moeder in 2004 vond hij in haar nalatenschap deze kaart en stelde hem ter beschikking voor deze rubriek.

Redactioneel Inhoud

Na een paar themanummers heeft de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift ervoor gekozen om weer eens de diversiteit van het historisch bedrijf zichtbaar te maken. ‘Zwols Historisch Mengel­werk’ zou een mooie oude term zijn voor de inhoud van dit nummer.
Drie grote artikelen behandelen drie zeer diverse onderwerpen. Jeanine Otten haalt met de gebroeders Stuiver herinneringen op aan hun voormalige Zwolse Lak- en Nikkelfabriek. Ook wetenswaardigheden over het Eiland, waar het bedrijf lange tijd gevestigd was, passeren de revue. Over een geheel ander soort herinneringen gaat het artikel van Kees Ribbens. Hij behandelt de wij­ze waarop Zwollenaren in de naoorlogse periode tot 2000 de Tweede Wereldoorlog hebben her­dacht en de veranderingen die zich hierbij hebben voortgedaan. Steeds meer is bezinning op heden en toekomst een centraal herdenkingselement geworden. Naar aanleiding van de herinrichting van park de Wezenlanden heeft Trudy van Es een stuk geschreven over de oorsprong van dit park. Diverse plannen hebben ten grondslag gelegen aan het huidige park. Geldgebrek blijkt een rode draad in de geschiedenis van het park te zijn.
De drie grote artikelen zijn verluchtigd met een stuk van Willem van der Veen over een onbe­kende paragraaf uit de Zwolse sportgeschiedenis, het motorpolo. Bekende Zwollenaar Jo Land was een van de motoren achter deze curieuze sport.
Drie, ook zeer diverse, boekbesprekingen completeren dit nummer. Twee proefschriften worden besproken. Het ene proefschrift gaat over de bijna vergeten Zwolse literator Meindert Boss (alias J.K. van Eerbeek), het tweede over religieuze vrouwenhuizen aan het einde van de Middeleeu­wen. Persoonlijk herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog vormen de inhoud van het derde besproken boek.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten
en Wim Huijsmans 98
Hoe een stuiver op zijn kant kan vallen: De Zwolse Lak- en Nikkelfabriek van de .rma Stuiver & Zonen Jeanine Otten 100

Eén oorlog, vele herinneringen
Herdenken in Zwolle 1945 – 2000 Kees Ribbens 109

Zwolse sport van vlak na de oorlog:
Voetballen op een motor.ets
Willem van der Veen 116 Park de Wezenlanden Trudy van Es 119 Boekbesprekingen 129 Recent verschenen 135 Mededelingen 137 Auteurs 138
Omslag: Het Zwolse oorlogsmonument in het Ter Pelk­wijkpark van de hand van Titus Leeser. (Foto Malherbe, Gem. Zwolle, collectie HCO)

Hoe een stuiver op zijn kant kan vallen:
De Zwolse Lak- en Nikkelfabriek van de .rma Stuiver & Zonen
Jeanine Otten
Sipke Stuiver tussen het koper- en het nikkelbad, circa 1920. (Particuliere collectie)
Rechts: Personeel van de .rma Stuiver aan het polijsten, circa 1920. (Par­ticuliere collectie)

V
anaf 1919 tot 1971 was aan de Waterstraat, eerst op nummer 124a, later ook op de nummers 92, 94, 96 en 100 de Zwolse Lak­en Nikkelfabriek van de .rma J. Stuiver & Zonen gevestigd. Blijkens een prijscourant van maart 1927 kon men hier motorrijwielen zoals Douglas, Harley Davidson, Excelsior en Indian in alle kleu­ren laten emailleren en diverse rijwielonderdelen laten vernikkelen. Nikkel is een zilverkleurig, glanzend, hard, corrosiebestendig smeedbaar metaal. In de fabriek werden voorwerpen in een zogenaamd nikkelbad (een oplossing van com­plexe nikkelverbindingen) gedompeld en op die manier vernikkeld. Tevens verkocht men ‘kachel­ornamentwerk, gaslampen, gasbars en etalages tegen scherp concureerende prijzen’ en waren de prijzen voor het opnieuw polijsten en vernissen van ganglampen ‘zeer billijk’. Stichter van het bedrijf was Jan Jans Stuiver (geb. 1874 te Luinje­berd, Friesland). Hij was gehuwd met Wietske Brandsma (geb. 1875 te Oudehaske). Het echtpaar kreeg vijf kinderen, dochter Jikke (geb. 1897 te Oudehaske), zoon Sipke (geb. 1898 te Nijehaske), zoon Jan (geb. 1900 te Winschoten), dochter Tiet-je (geb. 1901 te Groningen) en dochter Willempje (geb. 1903 te Leeuwarden). Aanvankelijk was Jan Jans Stuiver veenwerker, later metaalslijper. Als metaalslijper werkte hij in verschillende .etsenfa­brieken in Amersfoort, Leeuwarden en Heeren­veen.

In november 1912 vestigde het gezin Stuiver zich, komend uit Leeuwarden, in de noordelijke bin­nenstad van Zwolle op Eiland 5, later op Water-straat 124a. Als beroep gaf Jan Jans Stuiver ‘vernik­kelaar’ op. Hij begon in 1913 met L. Mulder een galvaniseer- en nikkelinrichting in de Bitterstraat, in het pand van de vroegere Koekfabriek van Brinkman.1 De koekoven bleef in de werkplaats aanwezig. In 1918 gingen ze uit elkaar en in 1919 richtte J.J. Stuiver aan de Waterstraat 124a een eigen werkplaats in lakken, polijsten en vernikke­len van metalen op, de .rma J.J. Stuiver & Zn.2 Misschien heeft L. Mulder hem uitgekocht, maar hoe Stuiver precies aan het benodigde geld voor de start van zijn fabriek was gekomen, is onbe­kend. Kleinzoons Henk en Jan Stuiver, de laatste twee eigenaren van het in 1993 opgeheven bedrijf, vertelden anno 2004 dat hun opa tijdens en na de Eerste Wereldoorlog door speculatie en de geld­ontwaarding van de Duitse mark kapitaal verloren had. J.J. Stuivers zonen Sipke (van beroep metaal-slijper en vernikkelaar) en Jan (van beroep lakker) waren ook werkzaam in het bedrijf.
Het gezin Stuiver verhuisde nog een paar keer: van 1919 tot 1924 woonden ze op Lindestraat 52 in Assendorp, daarna tussen 1924 en 1926 in Ittersum en tot slot van 1926 tot 1935 weer in Assendorp op Sallandstraat 10. In januari 1928 overleed Wietske Stuiver-Brandsma, nog geen 53 jaar oud. Jan Jans Stuiver hertrouwde op 11 juni 1929 met Janna ter Heide (geb. 1883 te Meppel), maar het huwelijk mocht niet lang duren: in januari 1935 overleed ook zij. Jan Jans Stuiver verhuisde in juni van dat­zelfde jaar naar Utrecht. Hij overleed in 1950 te Ermelo.
Hoe het stuivertje verder rolde
In 1927 werden Sipke en Jan eigenaren van de fabriek, nu gevestigd aan Waterstraat 92. Een jaar later kocht Sipke zijn broer uit en was hij de enige eigenaar van de .rma. Jan Stuiver werd garage­houder en dreef tevens een taxibedrijf aan de Groenestraat 47 in Assendorp. Sipke huwde op 9 juni 1925 met Dieka Nijland (geb. 1903 te Zwol­le). Zij kregen drie kinderen: dochter Wietske (geb. 1926), zoon Henk (Hendrik Jan, geb. 1928) en zoon Jan (Jan Jans, geb. 1930). De kinderen

groeiden op in Assendorp aan de Papaverstraat 3. Personeel van de .rma
Henk en Jan werkten vanaf 1942, respectievelijk Stuiver aan het polijsten,
1952 in de fabriek aan de Waterstraat.3 circa 1925. Staande de
In maart 1965 namen Henk en Jan het bedrijf gebroeders Stuiver, links
over van hun vader. De broers voerden een Sipke, rechts Jan. (Foto
modernere bedrijfsvoering en verzinkten voor de Willem Eelsingh, particu­
bouw, industrie en de automobielsector. Behalve liere collectie)
de bedrijfsvoering veranderde in 1965 ook de
naam van het bedrijf van de ‘Zwolse Lak- en Nik­
kelfabriek van S. Stuiver’ in ‘Zwols Galvanisch
Bedrijf fa. Gebr. Stuiver’. Vanwege de sanering
van de noordelijke binnenstad, met name van het
Eiland, in de tweede helft van de jaren zestig moest
de .rma de panden in de Waterstraat verlaten.
Deze stonden op de nominatie om te worden ge­
sloopt. Begin 1971 verhuisde het bedrijf vanuit de
binnenstad naar een modern onderkomen op
industrieterrein ‘De Blokjes’ (Marslanden). Op 29
januari 1971 opende wethouder G. Runhaar aan de
Ampèrestraat 10 het nieuwe galvano-technische
bedrijf. Ruim twintig jaar later, eind 1993, beëin­
digden de broers hun werkzaamheden daar en viel
het doek voor het Zwols Galvanisch Bedrijf van de
.rma Gebr. Stuiver.
Jeugdherinneringen
Tijdens een bezoek aan het Historisch Centrum
Overijssel in 2004 haalden Henk en Jan Stuiver aan
de hand van oude foto’s van het bedrijf en van het

Twee foto’s van de mede­werkers van de .rma Stui­ver voor de fabriek in de Waterstraat, genomen omstreeks 1928. Op de overzichtsfoto links eige­naar Sipke Stuiver, geheel rechts zijn broer Jan Stui­ver. In close-up links weer Sipke Stuiver, derde van links Herman de Graaf (bijgenaamd Baf), derde van rechts Spijkerman. (Foto’s Eelsingh Zwolle, particuliere collectie)

oude Eiland herinneringen op aan hun jeugd in de noordelijke binnenstad. Waterstraat 92 was tevens een graanpakhuis waar ook zout was opgeslagen. Op Waterstraat 94 was een poort die toegang gaf tot het bedrijf. In het kleine huisje Waterstraat 100 woonde, voordat dit pand omstreeks 1947 bij de fabriek werd getrokken, Dirkje ter Beeke (geb. Zwolle 1870), een oude vrouw die tot en met 1940 in haar woning een snoepwinkeltje dreef. Tot eind 1929 deed ze dat samen met haar zuster Maria ter Beeke (geb.1858-overl.1929), aanvankelijk tot circa 1915 aan de Drietrommeltjessteeg 10 en daarna aan de Waterstraat 100. Namen van oud-Eilandbe­woners als de families Opdam, Vermaning, Klap­pe, Bieleveld en De Leeuwe riepen levendige herin­neringen op, evenals oude foto’s van pakhuizen in de Klokkesteeg en het logement ‘De Posthoorn’ van Rinke de Vries in de Drietrommeltjessteeg.4 Volgens Jan was het Eiland een gezellige buurt. Er was altijd wel wat te doen. In de logementen ver­bleven tijdelijk allerlei schilderachtige .guren zoals marskramers, maar ook mannen die er permanent woonden. Zo woonde op Drietrommeltjessteeg 14 in logement ‘De Vriendschap’ een oud-Indiëgan­ger, Rinus Veterman (geen familie van Ruben Veterman), die aldoor heen en weer over het Eiland wandelde. Een ander bekend Zwols type dat veel op het Eiland was te vinden, was Gijs de Boek­lappe. Sommige Eilandbewoners waren van een ruig slag. Op een nacht was Henk aan het werk in de Waterstraat, toen Willem de Vries stomdron­ken met een getrokken mes binnenkwam. Door Willem in een stevige houdgreep te nemen kon Henk hem het mes op tijd ontfutselen. Een broer van deze Willem stichtte brand in zijn eigen woning op het Eiland, maar redde als eerste zijn kostbare televisie.

Crisis- en oorlogsjaren

In de crisisjaren moest boven een rekening van tien gulden een zegel betaald worden. Daarom werden zuinigheidshalve de rekeningen gesplitst. Rijwielhandelaren waren over het algemeen slech­te betalers. Het was de taak van Jan (ook na de oorlog) om met een boekje langs de deur te gaan en aan het voldoen van de rekening te herinneren. Lange tijd werd men per week uitbetaald. Jan her­innert zich nog dat hij, als een van de bazen van het bedrijf, aan het eind van de jaren zestig onge­veer ƒ 70,-per week overhield.

Medewerkers van de .rma Stuiver aan het polijsten, 1952. (Particuliere collec­tie)
Medewerkers van de .rma Stuiver circa 1954. Staan­de vanaf links: Sipke Stui­ver, Johnny, Contermans, onbekend, Jan La Faille. Zittend vanaf links: Jan Stuiver, Herman de Graaf, Reindert Elbrink, Henk Stuiver, onbekend, Albert Bremer. (Particuliere col­lectie) Jan Stuiver aan het werk in de Waterstraat 100 (het voormalig huisje van snoepverkoopster Dirkje), circa 1965. (Particuliere collectie)

Waterstraat 92, 94, 96 in 1967. Het huisje links met het puntdak is Water-straat 100, waar vroeger snoepverkoopster Dirkje woonde. (Particuliere col­lectie)

Na zijn lagere schooljaren op de Da Costa-school ging Henk naar de Ambachtsschool aan de Mimosastraat. Zijn opleiding duurde helaas maar kort. Als veertienjarige jongen moest hij in 1942 van zijn vader in het bedrijf komen werken. ‘Ver­dien ik dan ook wat?’ vroeg Henk zijn vader. En inderdaad verdiende hij ook wat, namelijk vijfen­dertig cent per week! Een van de opdrachten die vader Sipke in oorlogstijd kreeg en die de broers zich nog kunnen herinneren, was het polijsten en vernissen van de kroonluchters van de Grote Kerk. Een vreemder voorwerp kreeg Henk in de oorlogsjaren te polijsten: na een opgraving op het oude kerkhof van de Broerenkerk gaf de heer Van den Berg, directeur van de Bergia-pakhuizen in de Waterstraat, Henk een mensenschedel te polijs­ten. Op last van de bezetter moest de fabriek het laatste oorlogsjaar dicht. Zo kwam Henk in 1944 bij het taxibedrijf van zijn oom Jan Stuiver aan de Groenestraat 47 te werken. Oom Jan moest voor de Duitsers rijden. Daar brandstof voor auto’s niet meer te verkrijgen was, reden oom Jans taxi’s op een gasgenerator die achter de auto hing. Henks werkzaamheden bestonden er uit tijdens het rij­den regelmatig een klap op het deksel van de car­bidton te geven, zodat deze goed afsloot en er niet voortijdig uitvloog. Een levendige herinnering bewaart Henk aan de lap vlees die hij in het laatste oorlogsjaar van de graaf van Rechteren kreeg als dank voor zijn werkzaamheden als bijrijder, toen de graaf met de taxi van het ziekenhuis in Zwolle naar Dalfsen vervoerd moest worden. Op 20 okto­ber 1944 zaten Henk en Jan toevallig aan het Alme­lose Kanaal toen op dat moment het verwoestende bombardement op Kasteel Windesheim plaats­vond. De geallieerden verkeerden in de veronder­stelling dat in het kasteel Duitsers gehuisvest waren, maar deze hadden kort tevoren het kasteel verlaten. Een benauwd ogenblik beleefden Henk en Jan begin 1945 toen zij van Zwolle naar het Lan­geslag (Laag Zuthem) moesten lopen, om een rol papier te ruilen voor een roggebrood. Op dat moment kwam een V2-raket neer bij landgoed De Horte (gelegen aan de weg van Wijthmen naar Dalfsen), de jongens doken van angst in de sneeuw.5

Van oud nieuw maken en van nieuw oud
In de schaarstejaren na de oorlog moest Henk borstels maken en .essen polijsten voor zeepfa­briek ‘De Fenix’ in de Waterstraat. De .essen, die gevuld moesten worden met zeepproducten als Azon en Abro, dateerden nog uit de oorlog en waren oud en aangetast. Door het polijsten wer­den ze weer als nieuw. Het pakhuis van ‘De Fenix’ in de Waterstraat werd in 1963 afgebroken.
Tijdens de oorlogsjaren was veel koperwerk onder de grond verborgen. Na de oorlog liet men dat koperwerk bij de .rma Stuiver polijsten. Zwolse antiquairs als D. Stibbe (Luttekestraat 19) en C. van der Kamp (Molenweg 185) lieten begin jaren zestig bij Stuiver melkbussen verkoperen om ze vervolgens als oud koper te verkopen. Melkbus­sen waren artikelen die bij de modernisering van de melkveehouderij overbodig waren geworden. De melkbussen kregen verkoperd en wel een twee­de leven als decoratieve plantenbak.

Ongezonde dampen

Van het ongezonde werk in zoutzuur- en zwavel­dampen die in de fabriek hingen, zijn de broers Stuiver, even als hun vader Sipke (die 81 jaar oud werd), nooit ziek geweest. Sipke stak zelfs regel­matig zijn vinger in de koper- en nikkelbaden om te proeven of de vloeistof al goed was! De strenge milieueisen die later gesteld werden, vonden de broers nogal overdreven. Wel is Jan eens bijna bewusteloos geraakt van blauwzuurgas dat ver­oorzaakt werd door een verkeerd samengestelde chemische verbinding voor het vernikkelen van producten. Op een avond was hij helemaal alleen in Waterstraat 100, in het voormalige huisje van Dirkje de snoepverkoopster, aan het vernikkelen, toen hij op een gegeven moment bijzonder duf werd. Hij verloor bijna het bewustzijn, maar had nog de tegenwoordigheid van geest om naar bui­ten te wankelen in de levensreddende frisse lucht. In het pand naast nummer 100, achter de poort, werd koper gebeitst door middel van zwavelzuur en salpeterzuur, een combinatie waarbij een levensgevaarlijke damp kan ontstaan. Later kwam er in de fabriek in de Waterstraat een betere afzui­ging. In de poort was een gat in de grond waarin de afvalstoffen geloosd werden. Het chemisch

Achterzijde Waterstraat 96, 1967. (Particuliere collectie)
Waterstraat 94-96, circa 1965. (Particuliere collectie)

afval verdween gedeeltelijk in de Thorbeckegracht Nieuwe opdrachtgevers
Opening op 29 januari 1971 van het nieuwe bedrijfspand aan Ampère-straat 10 door wethouder
G. Runhaar. Links Jan Stuiver, rechts vader Sipke Stuiver en Henk Stuiver. (Particuliere collectie)

en gedeeltelijk in kelderruimten onder de Water-straat. In pand Waterstraat 96 moest op een gege­ven moment een put voor afvalwater gegraven worden. Bij de werkzaamheden stootte men op eeuwenoude muren en puin. Het afvalwater bleek niet naar de gracht weg te lopen maar in onde­raardse ruimtes onder het oude pakhuis.6 De broers konden zich niet herinneren dat er in de Waterstraat ooit door de gemeente gecontroleerd werd op de naleving van milieuwetten. Op de Marslanden, waar het bedrijf van 1971 tot 1993 was gevestigd, had het bedrijf vergunningen van zowel de provincie als van de gemeente. Overigens hoe­ven de winkeliers en bewoners van het nieuwe Eiland niet bang te zijn voor vervuilde grond onder hun winkels en woningen. Deze is immers voor de aanleg van de ondergrondse parkeergara­ge in 1999-2000 geheel afgegraven.
Na de oorlog stootte de Lak- en nikkelfabriek van de .rma Stuiver & Zn steeds meer opdrachtgevers af zoals particulieren en rijwielhandelaren die hun .etsonderdelen lieten vernikkelen. Wel ver­chroomden de Stuivers nog autobumpers, maar deze werden gaandeweg steeds meer van kunst­stof, zodat ook deze werkzaamheden eindigden. Nieuwe opdrachtgevers kwamen daarvoor in de plaats. Zo vernikkelde en polijstte de .rma Stuiver vanaf 1947 in opdracht van Philips, die in dat jaar in Zwolle een massaproductiebedrijf opzette, honderdduizenden centerpennen voor platenwis­selaars. Eigenlijk wilde Sipke Stuiver in 1947, zoals zovelen, graag met zijn gezin naar Canada emigre­ren. Alle papieren lagen al gereed. Echter Jan de Groot, werkzaam bij Philips, raadde het hem af. Na een gesprek met de directeur van Philips Zwol­le, ging Sipke uiteindelijk toch maar niet naar Canada. Jan wilde als jongeman graag naar Nieuw-Zeeland emigreren. Ook hier is uiteinde­lijk niets van gekomen. Hij had een opleiding tot automonteur gevolgd. Zijn oom Jan Stuiver, van Taxi Stuiver aan de Groenestraat, had geen opvol­ger en zodoende kwam Jan enige tijd bij zijn oom te werken. Daarna was hij werkzaam bij de ABC-garage in de Korte Smeden 8. Maar vanaf 1952 tot eind 1993 werkte Jan bij de .rma Gebr. Stuiver. In hun vrije tijd zijn de gebroeders Stuiver al sedert 1940 actief bij de voetbalvereniging Be Quick ’28. Vanaf juni 1993 was Jan zelfs een periode voorzit­ter van deze vereniging.

Voor het vertinnen van producten van Philips Zwolle beschikte de .rma Gebr. Stuiver als enige in Nederland over een speciaal vertinapparaat. De te vertinnen producten (oogjes die aan elektrische draden werden bevestigd) gingen in een zeskanti­ge trommel in een mengsel van tinpoeder met een bepaalde vloeistof. Daarna werden ze in water afgekoeld en in een centrifuge gedroogd. Een opzienbarende opdracht van de gemeente Zwolle kregen de Stuivers eind jaren zestig. Bij het pre­senteren van de gemeentelijke begroting ontvin­gen alle inwoners van Zwolle een glimmende cent, vernikkeld en gepolijst door de .rma Stuiver.

Tot de laatste stuiver
Vanwege de sanering en afbraak van woningen en bedrijfspanden op het Eiland in de jaren zestig en begin jaren zeventig, verhuisde de .rma Gebr. Stuiver begin 1971 naar een nieuw pand op het industrieterrein de Marslanden. Het gebouw was ontworpen door de Zwolse architecten Van der Laan en Nijhoff. Daar zette het bedrijf (met uit­zicht op boerderij De Oude Mars!) zijn werk­zaamheden voort. De broers misten wel de gezel­ligheid van het oude Eiland. Jan: ‘We gingen van de gezelligheid naar niets’. Het ging ook steeds minder met het bedrijf. Nadat de werkzaamheden voor Philips Zwolle ophielden, stapte de .rma over op het verzinken van producten voor Wabco uit Meppel en de Sociale Werkplaats Deventer. Vanaf de jaren tachtig was er steeds minder perso­neel nodig. De laatste jaren werkten de broers met z’n tweeën. Omdat ze geen werknemers hoefden te betalen waren dat volgens hen de ‘beste’ jaren,
Het Zwols Galvanisch Bedrijf van de .rma Gebr. Stuiver, Ampèrestraat 10, vlak voor de liquidatie eind 1993. (Particuliere collectie)

Plattegrond Waterstraat­Klokkensteeg-Drietrom­meltjessteeg en Eiland. (Uit: Jeanine Otten (eind­red.), Het oude Eiland, de verdwenen Jordaan van de jaren waarin ze het meest verdienden. Henk bereikte in 1993 de pensioengerechtigde leeftijd en de broers vonden daarom een investering in een nieuwe waterzuiveringsinstallatie van een paar ton niet meer zinvol. Met deze beslissing bezegel­den de broers het einde van het bedrijf. Alles werd
Zwolle, Zwolle 2002, verkocht en afgevoerd. De bakken met vloeistof-
p. 94-95.) fen als zoutzuur en chroom werden afgevoerd
naar een afvalverwerking in Düsseldorf (Duits­
land). Op 31 december 1993 sloot de .rma Stuiver
voorgoed zijn deuren.
Noten
1 Verslag van de toestand der Gemeente Zwolle, 1913, bijlage XXIX, p. 19-20. Zie ook: Theo de Kogel, ‘Rij­wielindustrie en rijwielhandel’, in: Een kleine staal­kaart van het Zwols industrieel erfgoed, Zwolle/Kam­pen 2001 (Zwolse Historisch Reeks, dl 2), p. 46-52, speciaal p. 50-51. 2 Verslag van de toestand der Gemeente Zwolle, 1919, bijlage XXXVII, p. 49. Historisch Centrum Overijs­

sel, Kamer van Koophandel Zwolle, inv. 92, in­schrijvingsnr. 2579: Emailleer- en nikkelfabriek J.J. Stuiver, ingeschreven 1923, uitgeschreven 1927.

3 Historisch Centrum Overijssel, Kamer van Koop­handel Zwolle, inv. 349, inschrijvingsnr. 12230, Zwolse Lak- en Nikkelfabriek van S. Stuiver, inge­schreven 1951, uitgeschreven 1966.
4 Zie: Jeanine Otten (eindred.) Het oude Eiland, De verdwenen Jordaan van Zwolle, Zwolle 2002.
5 Zie Rudi Velthuis en Henk Makkinga, ‘V2-raketten in Dalfsen’, in: Rondom Dalfsen, nr. 48 (december 2003), p. 1014-1020. De V2-lanceerplaatsen bevon­den zich in Hessum en op landgoed Mataram aan de Poppenallee te Dalfsen. Van de ongeveer 75 V2-s die van 3 februari tot en met 7 maart 1945 gelan­ceerd zijn, zijn zeker zeven binnen een straal van twintig km neergestort.
6 Deze gewelven liggen waarschijnlijk ten grondslag aan de mythe van de onderaardse gangen die van het Broerenklooster onder het Eiland zouden heb­ben gelopen. Bij archeologische opgravingen in 1995 en 1996 is niets van dergelijke gangen geble­ken.

Eén oorlog, vele herinneringen

Herdenken in Zwolle 1945 – 2000

E
r is nauwelijks een historisch onderwerp te bedenken dat al decennialang zo veel en zo geregeld aandacht krijgt als de Tweede Wereldoorlog. Desondanks vertoont de naoorlog­se historische cultuur – een begrip waarmee de maatschappelijke en individuele omgang met het verleden wordt aangeduid – in grotere mate dan voorheen een aanzienlijke variëteit aan historische onderwerpen. Dat neemt evenwel niet weg dat ‘de oorlog’, zoals de vijfjarige episode doorgaans kort­weg wordt aangeduid, een prominent onderdeel vormt van die historische cultuur. De herinnering aan de oorlog en de betekenis die daaraan wordt gehecht zijn echter geenszins onveranderlijk gebleken in de afgelopen decennia. De wijze waar­op de Tweede Wereldoorlog sinds 1945 in Zwolle is herdacht, vormt daarvan een treffend voor­beeld.1 De herinneringen aan de oorlogsjaren, die onder invloed van eigen ervaringen en zekere opvattingen onderling kunnen verschillen, kregen hier in het openbaar gestalte in een groot aantal herdenkingen en monumenten, maar ook in boe­ken, tentoonstellingen en straatnamen.2
Een van de eerste Zwolse herdenkingsplechtighe­den van de ‘wereldbrand’ vond plaats op de eerste naoorlogse verjaardag van koningin Wilhelmina, 31 augustus 1945. Bij het zogeheten Pax-monu­ment op de Grote Markt, dat bestond uit een rechthoekig wit blok3, werd op deze dag namens de Zwolse bevolking een krans gelegd uit respect voor degenen ‘die hun leven lieten in den strijd voor de vrijheid’. Enkele dagen later vond een gro­te optocht plaats onder het motto ‘Nederland her­rijst’. Deze optocht beeldde niet alleen de oorlogs­jaren uit maar legde ook veel nadruk op de band tussen Nederland en Nederlands-Indië en op de eenheid onder Oranje. De herinnering aan de oor­log werd zo gekoppeld aan nationale symbolen als het koningshuis en het Nederlandse wereldrijk. De oorlog werd hier vooral vanuit een nationaal, Nederlands kader bekeken.

Op 14 april 1946 was het een jaar geleden dat Zwolle werd bevrijd. Omdat 14 april dat jaar op een zondag viel werd de herdenking uit respect voor deze christelijke rustdag een dag vervroegd. Tijdens een of.ciële herdenking van de gevallen verzetsmensen lag de nadruk in de toespraken op het belang van eenheid. Onder het motto ‘Moge hun offer niet tevergeefs zijn geweest’ werd boven­dien een accent op het heden en de toekomst gelegd. Deze bezinning op de verworven vrijheid
Kees Ribbens

Het Zwolse oorlogsmonu­ment in het Ter Pelkwijk­park van de hand van Titus Leeser. Leeser pro­beerde hierin uitdrukking te geven aan ‘de welbe­wuste houding van een mens die leed ondervon­den heeft om zich op te richten en die door het blikken in de toekomst weer levensmoed heeft’. (Foto Malherbe, Gem. Zwolle, collectie HCO)

vond plaats in het Ter Pelkwijkpark waar zich sinds enkele maanden een nieuw, zij het nog voor­lopig, monument voor de Zwolse oorlogsslacht­offers bevond.
De landelijke bevrijding werd begin mei 1946 herdacht. Oud-verzetsmensen en ex-politieke gevangenen hielden op vrijdag 3 mei een stille omgang naar het Ter Pelkwijkpark. Om acht uur namen duizenden aanwezigen daar twee minuten stilte in acht waarna kransen werden gelegd bij het voorlopig monument. Daarna volgde onder grote belangstelling een interconfessionele (christelijke) dankdienst in de Grote Kerk. Op zaterdag 4 mei werden de gevallenen herdacht met één minuut stilte om 11 uur ’s ochtends. In het verslag dat in de Zwolsche Courant verscheen, werd teruggeblikt op de bevrijding als een periode van eenheid en eens­gezindheid. Die eenheid diende bewaard te blij­ven.
Lokaal versus nationaal
De belangstelling voor de lokale herdenking van 14 april, Zwolle’s eigen bevrijdingsdatum, nam al vrij spoedig af. Niet iedereen was daarmee ingeno­men. Er klonken enkele proteststemmen, maar de meeste inwoners hadden hier vrede mee. Onlo­gisch was het in elk geval niet dat een herdenking die in sterke mate in een nationaal kader werd geplaatst, plaatsvond op een landelijke datum en niet op een lokaal gebonden datum.
Enkele jaren later, op 4 mei 1950, leidde de stil­le omgang opnieuw naar het Ter Pelkwijkpark. Even voor acht uur kwam de stoet bij het monu­ment en hield het gebeier van de kerkklokken op. Na twee minuten stilte werd het Wilhelmus gezongen en werden er kransen bij het monument gelegd. De volgende dag, op nationale bevrijdings­dag, werd hier het Zwolse oorlogsmonument ont­huld. De keuze van het plaatselijke monumenten-comité was gevallen op beeldhouwer Titus Leeser en architect J.H. Alberda. In zijn ontwerp pro­beerde Leeser uitdrukking te geven aan ‘de welbe­wuste houding van een mens die wel leed onder­vonden heeft om zich op te richten en door het blikken in de toekomst weer levensmoed heeft’. Rond het voetstuk kwam een lage muur, die de indruk van een bolwerk moest wekken dat weer­stand suggereerde. Het monument voor de Zwol­se gevallenen werd zo een monument dat verzet uitdrukte. De hoop die uit het beeld sprak, was beloond door de bevrijding; daardoor was het offer van de gevallenen niet tevergeefs. Zij waren gevallen voor waarden, die in de nieuw verworven vrede een vooraanstaande rol zouden spelen in de samenleving.
Bij de onthulling van het oorlogsmonument in 1950 gaf het plaatselijk monumentencomité aan dat dit monument op de eerste plaats wilde oproe­pen tot het gedenken van de offers die de vrijheid had gekost. De oorlog diende herdacht te worden, indachtig de woorden van Victor van Vriesland die op het monument waren aangebracht: ‘Gedenkt het leed, maar niet om stil te staan. Gedenkt de schande, maar om voort te gaan.’ Het comité hoopte dat dit monument ook bij volgen­de generaties de herinnering aan verzet en vrijheid levend zou houden. Burgemeester G.A. Strick van Linschoten gaf op zijn beurt aan dat er in donkere dagen kracht geput kon worden uit de bronzen gestalte, die ‘de dag ziet naderen, waarnaar wij allen hunkeren: de dag dat er één werkelijke gemeenschap van volkeren zal zijn.’ Het verlangen naar internationale eenheid was in het Koude Oorlogsklimaat van die dagen een droom, die in schril contrast stond met de werkelijkheid van een verdeelde wereld. De wens tot eenheid was daar­door evenwel niet minder oprecht.

Het stramien voor de herdenking van de Tweede Wereldoorlog lag inmiddels in grote lijnen vast. Op 4 mei was er een stille omgang naar dit monu­ment. Op 5 mei volgden festiviteiten als volks­dansdemonstraties, een wielerwedstrijd, een optocht en muziekuitvoeringen. Aan de herden­king van de bevrijding op 14 april werd slechts gestalte gegeven door klokkengebeier of enige aandacht in de pers. Het nationale kader van de herdenking had de aandacht voor het lokale goed­deels verdrongen.
In de jaren zestig veranderde er aanvankelijk nauwelijks iets aan de opzet van de Zwolse her­denking. Nieuw was wel dat er tijdens de stille omgang in 1961 enkele schoolklassen meeliepen. Blijkbaar werd de behoefte gevoeld de jeugd nadrukkelijker te betrekken bij de herdenking. Zo werd het verleden nadrukkelijker gekoppeld aan de toekomst, die gesymboliseerd werd door de jeugd.
Ter voorbereiding van de twintigste verjaardag van de bevrijding in 1965 werd een tentoonstelling georganiseerd over verdrukking, verzet en vrij­heid. Doelstelling hiervan was niet alleen om de herinnering aan de bezetting bij ouderen levend te houden, maar vooral om de jeugd te tonen ‘hoe het volk zich in “het verzet” […] te weer heeft gesteld tot behoud van het democratisch staatsbe­stel’. Dr. L. de Jong, directeur van het Rijksinsti­tuut voor Oorlogsdocumentatie, legde in zijn ope­ningstoespraak een duidelijk verband met het eigentijds maatschappelijk bestel. Het verzet beli­chaamde zijns inziens immers waarden, die ook in de huidige samenleving en zelfs ver daarbuiten een belangrijke rol dienden te spelen. Het herden­ken van de oorlog was duidelijk meer dan alleen een historische bezigheid; de herdenking diende ook een bezinning te zijn op de hedendaagse samenleving.

Beroering

Vanaf de tweede helft van de roerige jaren zestig ontstond zo nu en dan enige beroering in Zwolle rond de herdenking van de oorlog. Toen de of.­ciële dodenherdenking in 1967 een dag vervroegd werd, omdat 4 mei op hemelvaartsdag viel, liet het De stille omgang op 4mei PSP-gemeenteraadslid G. van der Brug weten 1956. (Collectie HCO)

Kranslegging bij het oor­logsmonument in het Ter Pelkwijkpark op 15 augus­tus 1995, ter herdenking van de capitulatie van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog. (Foto mevr. J. Vonk, col­lectie HCO)

geen reden te zien voor een dergelijke wijziging op godsdienstige gronden. Hij wilde niet laten sollen met deze dag van stil gedenken en deed een oproep om op de vierde mei de gevallenen te gedenken. Zodoende trok zowel op 3 als op 4 mei een stille tocht langs het monument. Omdat het schuiven met data ook elders in Nederland werd bekritiseerd, nam minister-president P.J.S. de Jong eind 1967 het besluit dat er voortaan niet meer geschoven werd met dodenherdenking en bevrijdingsdag.
Het herdenken van historische oorlogserva­ringen werd in 1968 op een nieuwe manier ver­bonden met de actualiteit. Het Zwolse oorlogs­monument werd dat jaar aangegrepen voor de herdenking van een feit dat los stond van de Twee­de Wereldoorlog. Het betrof hier de woede over de bezetting van Tsjechoslowakije door de landen van het Warschaupact in augustus 1968, wat leidde tot tal van protesten in Nederland. In Zwolle werd op 26 augustus een demonstratieve tocht gehou­den door tweeduizend middelbare scholieren. De tocht door de binnenstad eindigde bij het monu­ment in het Ter Pelkwijkpark, waar twee minuten stilte in acht werden genomen. De gewelddadige aantasting van de vrijheid van een onafhankelijke staat door een totalitaire bezetter maakte de asso­ciatie met de in het monument gesymboliseerde Tweede Wereldoorlog voor de hand liggend. Het ritueel van twee minuten stilte op deze plaats werd probleemloos ingeruild voor een actuele politieke kwestie.
De herdenking van het vijfde bevrijdingslustrum in 1970 bestond onder andere uit een discussie tus­sen oud-verzetsstrijders en jongeren. Daarnaast hield ds. J.J. Buskes een toespraak in de Grote Kerk. Daarin koppelde hij de herdenking van de bevrijding aan het nog altijd bestaande gebrek aan vrijheid in vele landen onder de titel: ‘Wij zijn niet vrij, als niet allen vrij zijn’. Het gedenken moest volgens hem geen .xatie op het verleden zijn, maar juist een hedendaagse bezinning op de men­selijke waarden ten behoeve van de toekomst. Zo kreeg herdenken opnieuw een actuele en interna­tionale invulling.
De rede van ds. Buskes sloeg aan bij het plaat­selijke jeugdwerk. Jeugdige Zwollenaren gingen in de stad rondlopen met sandwichborden met daar­op de tekst: ‘Dank voor de vrijheid […] maar laten we niet vergeten dat er nog tienduizenden zijn die naar die vrijheid snakken.’ Bovendien maakten de jongeren een eigen wagen voor de bevrijdingsop­tocht op 5 mei. De wagen maakte duidelijk dat nog veel mensen in de wereld in onvrijheid verkeer­den: ‘Wat ons overkwam in ’40-’45, gebeurt nu met steun van de NAVO in Griekenland, Mozam­bique, enzovoorts’. Dat viel niet goed bij de orga­nisatoren die zeiden ‘geen politiek’ in de optocht te willen. De wagen werd daarom geweerd, maar reed desondanks op eigen initiatief achter de optocht aan.
De politisering van de herdenking, gevolg van een ruimere interpretatie van het begrip vrijheid, leidde op 4 mei 1971 opnieuw tot twee dodenher­denkingen in Zwolle. Tegen acht uur trok de tra­ditionele stille omgang naar het Ter Pelkwijkpark, waar de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog werden herdacht. Om half negen vertrok een tweede stoet. Ditmaal waren het vooral jongeren, die de slachtoffers herdachten van de hedendaagse vrijheidsoorlogen in onder meer Angola en Viet­nam. Herdenken bleek een generatiegebonden fenomeen te zijn.

Vernieuwingen vanaf de jaren tachtig
In de rest van de jaren zeventig gebeurde er weinig bijzonders tijdens de Zwolse oorlogsherdenkin­gen. Dat de herinnering aan de oorlog echter niet uit het collectieve geheugen verdween, werd in de jaren tachtig en negentig duidelijk toen er sprake was van een toenemende belangstelling voor de bezettingstijd, die ondermeer vorm kreeg in de publicatie van nieuwe boeken en in tentoonstel­lingen.
Begin jaren tachtig benadrukte het landelijke Comité Nationale Herdenking dat met de herden­king van de bevrijding een appèl werd gedaan ‘op ieders individuele verantwoordelijkheid in de hui­dige maatschappij ten aanzien van onderdruk­king, racisme en onverdraagzaamheid.’ Dit sig­naal om de herdenking te koppelen aan aandacht voor eigentijdse verschijnselen, werd ook in Zwol­le opgepikt. In 1983 namen meer dan vijfhonderd personen, waaronder veel jonge mensen, deel aan de herdenkingsplechtigheid op 4 mei. Deze grote opkomst was onder meer het gevolg van een oproep in de Zwolse Courant van het COC en enkele linkse politieke partijen. Onder het motto ‘Herdenkt de 4e mei en viert de 5e mei’ werd erop gewezen dat de dodenherdenking onder meer zin­vol was omdat het fascisme nog steeds slachtoffers maakte. Ook het Anti Fascisme Komitee Zwolle deed een oproep voor de dodenherdenking onder verwijzing naar de actualiteit. Dat vreemdelingen­haat en fascisme opnieuw de kop opstaken, werd onder meer gekoppeld aan de aanwezigheid van de Centrumpartij in de Tweede Kamer sinds sep­tember 1982.
In deze jaren werd ook geprobeerd het draagvlak voor de herdenking te verbreden. In voorberei­ding op de herdenking van de veertigjarige bevrij­ding overlegde de gemeente met een twintigtal instellingen, waaronder het voormalig verzet, de joodse gemeente, de Zwolse Historische Vereni­ging, het Podium van Kerken, de Centrale Com­missie Oranje en verschillende politieke partijen. Desondanks werd het voorlopige programma voor de herdenking voorzichtig bekritiseerd in de gemeenteraad. De herdenking zou teveel gericht zijn op hoogwaardigheidsbekleders en was te wei­nig ‘een feest voor iedereen’. Die kritiek werd ter harte genomen bij het opstellen van een nieuw ontwerp-programma, waarin ook ruimte was uit­getrokken voor bevrijdingsfestiviteiten in de wij­ken en voor lesmateriaal.

In het uiteindelijke herdenkingsprogramma van 1985 vervulde de veertiende april weer een belangrijke rol, onder meer in de vorm van een herdenkingsbijeenkomst in de Grote Kerk. De lokale invalshoek van de herdenking was toch weer sterk gaan leven. Bovendien nam, na al die jaren, ook de aandacht toe voor het lot van de joodse Zwollenaren, zoals enkele dagen later bleek tijdens een herdenkingsdienst in de Zwolse syna­goge op Jom ha-Shoa, de joodse gedenkdag van de holocaust.
De nadrukkelijke aandacht voor de bevrijding droeg er in dit jubileumjaar toe bij dat er tijdens de dodenherdenking op 4 mei sprake was van een opvallend lange stoet, bestaande uit een doorsnee van de Zwolse bevolking inclusief een groot aantal jongeren. Inmiddels was de 4 mei herdenking uit­gegroeid tot een manifestatie tegen oorlogsgeweld in de brede zin van het woord, en tevens tot een gelegenheid tot bezinning op heden en toekomst. De aanwezigheid van de jeugd toonde bovendien aan dat de herdenking een veel grotere groep aan-

Bevrijdingsfestival Over­ijssel 1997. Publiek voor een gesloten podium op het bordes van het stad­huis, Grote Kerkplein. (Foto Frans Paalman, afd. Communicatie Gem. Zwolle, collectie HCO) Bevrijdingsfestival Over­ijssel 1997. Voor Museum de Stadshof aan de Blij-markt vlnr. onbekend, Rita Kok, premier Wim Kok, commissaris van de koningin Jan Hendrikx en burgemeester Jan Fran­sen. (Foto Frans Paalman, afd. Communicatie Gem. Zwolle, collectie HCO)

sprak dan alleen degenen met eigen herinneringen aan de oorlog.

Bevrijdingsfestival

Vanaf 1991 zag Zwolle op 5 mei een nieuw herden­kingsverschijnsel: het provinciale bevrijdingsfesti­val, een initiatief van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. De doelstelling hiervan was ‘niet alleen het herdenken van de bevrijding maar ook het onder de aandacht brengen van de begrippen vrijheid, gelijkheid en democratie van de jongere generatie en wel op een manier die hen aanspreekt.’ Het eer­ste Overijsselse bevrijdingsfestival trok in 1991
10.000 bezoekers en gold daarmee als succesvol. De organisatoren wilden de bevrijding actualise­ren met popmuziek en theater als uitingen van hedendaagse gevoelens over vrijheid. Optredens van popgroepen, straattheater en een circusinstuif zorgden voor een levendig evenement. Info­stands op een Vredesmarkt maakten duidelijk dat niet vergeten moest worden dat het niet overal vrede was. Een doorlopende vertoning van een video.lm over Overijssel in de Tweede Wereld­oorlog, die veel bekijks trok, zorgde ervoor dat de historische aanleiding tot de manifestatie niet uit beeld raakte. Over het risico dat ouderen minder zouden worden aangesproken, maakte de organi­satie zich niet erg druk.
Het was echter niet alleen de jeugd die in recente jaren de aandacht kreeg bij het herdenken. Ook andere groepen, zoals de genoemde joodse gemeenschap, kwamen voor het voetlicht. Vanaf 1991 werden ook de Indische Nederlanders nadrukkelijk bij de herdenkingen betrokken. Op de dag van de Japanse capitulatie in 1945, 15 augus­tus, werd voortaan eveneens een herdenking in Zwolle georganiseerd met een tocht naar het Ter Pelkwijkpark.4

De vijftigste verjaardag van de bevrijding werd in 1995 op uiteenlopende wijze herdacht. Er waren kransleggingen, toespraken en plechtigheden bij de oorlogsmonumenten, de onthulling van een plaquette, het planten van een Vredesboom, een stille tocht langs de synagoge, een nieuwe publica­tie over de Zwolse oorlogsgeschiedenis5, een druk­bezocht de.lé met authentieke legervoertuigen en een tentoonstelling over de bevrijding van de stad. In de synagoge werd een monument onthuld met de namen van de in de oorlog omgekomen Zwolse joden. Daarnaast trok het bevrijdingsfestival op 5 mei meer dan 75.000 bezoekers. Toch ging de boodschap van het festival – ‘Een voor allen’, ver­wijzend naar artikel 1 van de Grondwet – aan velen voorbij. Enquêteurs constateerden dat de aanwe­zigen vooral voor de lol en de muziek kwamen: ‘De jeugd weet niet wat het thema is.’ De vooral op jongeren afgestemde 5 mei-viering leidde tot ergernis bij sommige ouderen. Van inhoudelijke verdieping was naar hun idee meer sprake tijdens een zogeheten Dienst van Verzoening in de Grote Kerk op zondag 7 mei.
De gang van zaken in de meest recente jaren verliep en verloopt volgens dit nieuwe patroon, waarbij evenwel serieus getracht wordt de inhoud van 5 mei niet te laten overschaduwen door de vorm. Meer dan een halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog is de vijfde mei dé dag geworden waarop de democratische verworvenheden in bin­nen- en buitenland gewogen worden. Dit wordt op de vierde mei voorafgegaan door een stille tocht, een interculturele gebedsdienst (christelijk, joods en islamitisch) en twee minuten stilte in het Ter Pelkwijkpark, onderdelen die telkens weer de betiteling ‘indrukwekkend’ ontlokken. Bezinning op heden en toekomst naar aanleiding van een historische situatie is op 5 mei het centrale her­denkingselement geworden. De aanwezige jeugd luistert geduldig toe om zich vervolgens over te geven aan het jongerenfeest dat bevrijdingsdag in Zwolle, zoals ook op vele andere plaatsen, is geworden. Herdenken heeft daarmee een heden­daagse vorm gekregen. Onveranderlijk is die vorm zeker niet.

Noten

1 Ik dank Wim Huijsmans die me ertoe gebracht heeft dit verhaal in deze vorm te publiceren en Paul Harmens die mij behulpzaam was bij het aanreiken van relevante documentatie.
2 Voor verdere gegevens over oorlogs- en andere her­denkingen in Zwolle verwijs ik naar: Kees Ribbens, Een eigentijds verleden. Alledaagse historische cultuur in Nederland, 1945-2000 (Hilversum 2002) met name 175-232. Zie voor het meer algemene Neder­landse beeld van oorlogsherdenkingen: J.C.H. Blom, Het leed, de vastberadenheid en de mooie vrede. Het nationaal monument op de Dam, in:
N.C.F. van Sas (red.), Waar de blanke top der duinen en andere vaderlandse herinneringen (Amsterdam, Antwerpen 1995) 137-150 en: Frank van Vree, In de schaduw van Auschwitz. Herinneringen, beelden, ge­schiedenis (Groningen 1995).
3 Ook voor de afzonderlijke oorlogsmonumenten in Zwolle wordt verwezen naar Een eigentijds verleden. Daarin kon overigens nog geen melding worden ge­maakt van het monument voor de gefusilleerden in het Engelse Werk uit 2001 en van het monument voor Britse vliegers aan de Hasselterdijk uit 2004.
4 Vanwege de beperking tot de periode 1945-2000 wordt hier verder niet ingegaan op het in 2002 in Park Eekhout onthulde Indië-monument. Dit was aanvankelijk vooral bedoeld om aandacht te vragen voor de Nederlandse militairen tijdens de Indonesi­sche onafhankelijkheidsstrijd tussen 1945 en 1949, maar kreeg in augustus 2003 een bredere betekenis met de toevoeging van een extra gedenksteen met de tekst: ‘Ter nagedachtenis aan burgers en militai­ren die de dood vonden door oorlog, bezetting, ge­vangenschap en terreur in Oost-Azië, 1941-1962’.
5 Zie voor de lokale historiogra.e van dit thema (eveneens een vorm van herinneren) de Verant­woording in: Kees Ribbens, Bewogen jaren. Zwolle in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle-Kampen 1995) 9-10.

Zwolse sport van vlak na de oorlog:
Voetballen op een motor.ets
Willem van der Veen
Voor de aanvang van een uitwedstrijd in Dordrecht rijdt het team van de ZMPC (op de voorgrond) samen met de tegenstan­ders het terrein op. Twee­de van links initiatiefne­mer Jo Land in zijn jonge jaren. (Particuliere collec­tie)
Het idee alleen al. Voetballen terwijl je op een motor.ets voortraast. Je moet er maar op komen (…en er weer afvallen).
H
et gebeurde in Zwolle, vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen jonge mannen na de jaren van dreiging en angst zo uitgelaten waren dat ze allerlei manieren bedachten om zich eens lekker uit te leven. Velen van hen hadden zich tijdens de bezetting schuil en gedeisd moeten hou­den om niet door de Duitsers in de kuif te worden gepikt voor een enkele reis naar het Dritte Reich, waar ze kostbare jaren als dwangarbeiders in de oorlogsindustrie konden verknoeien en ook nog de kans liepen er het leven bij in te schieten. Toen in 1945 alle ellende voorbij was, snakte een clubje Zwolse motorliefhebbers er naar om hun ‘hakkepufs’ die ze, vaak niet zonder gevaar of kans op vordering, op verborgen plekjes de oorlog had­den doorgesleept, weer eens te kunnen bestijgen. En dan niet voor gezapige ritjes op de zondagmid­dag, maar voor opwindender vertier.
De jeugdige Zwollenaar Jo Land nam begin 1946 het voortouw. Deze garagehouder en taxi­ondernemer, die in later jaren in de stad bekend werd door zijn reisbureau, kreeg toen om de haver­klap te maken met energieke motorfanaten. Ze gebruikten zijn garageruimte aan de Blijmarkt om lekker aan hun grommende .etsen te sleutelen en te ‘knooien’, zoals dat in het Zwolse dialect heet.

Jo Land, toen ook nog een twintiger, had het zichzelf aangehaald. Als motorenthousiasteling en als zakenman zag hij wel brood in die rage, maar al gauw kreeg hij door dat het zijn garage geen goed deed.
‘Het werd een kwajongensboel’, zegt Land, nu een tachtiger die in het ouderencentrum De Rivie­renhof woont. Zijn hele garage stond vol met dat spul en de knapen gingen op zaterdagmiddag bovendien proefrijden op de nabij gelegen Potgie­tersingel, niet bepaald het meest geschikte circuit voor de motorsport. Het wekte nogal wat weer­stand van omwonenden en kuierende passanten.
Motorpolo

Jo Land wilde de energie van zijn motorfanaten in meer geregelde banen leiden zonder het spectacu­laire element uit het oog te verliezen. Hij vond er wat op. In een krant had hij gelezen dat er sinds kort ook in ons land een uit Engeland afkomstige sport werd beoefend, die geknipt leek voor jonge motorrijders. Motorpolo werd het spelletje genoemd. Zeg maar: tegen een bal aan trappen, terwijl de beoefenaren zich in het zadel van hun brullende monsters bevonden. Zij konden uiter­aard de ver.jnde techniek van voetballende tijd­genoten als Abe Lenstra en Faas Wilkes niet eve­naren, maar hun snelheid vergoedde veel.
Jo Land richtte met hulp van vrienden als Johan Busbroek en Arie Visser een club op die ze de ZMPC noemden: de Zwolse Motor en Polo Club. Het werd dolle pret. Niet alleen voor de leden zelf, maar ook voor Zwolse toeschouwers die de gelegenheid kregen zich aan het spektakel te vergapen. Op het toenmalige Gemeentelijk Sport­park, waar zich nu het Oosterenkstadion bevindt, en op andere voetbalvelden zagen ze een merk­waardig schouwspel. Gehelmde coureurs maakten malle trappende bewegingen om met hun motor­laarzen, waaroverheen scheenbeschermers waren gegespt, een extra grote maat voetbal te raken en in de goal te schoppen. Daarbij werd ook nog getracht een beetje samen te spelen.
De polokeeper (links) pro­beert met zijn (nep)motor in de handen een schot van de speler (rechts) te keren. (Particuliere collec­tie) Felle actie van Zwolse motorfanaten tijdens een polowedstrijd in de jaren van vlak na de Tweede Wereldoorlog. (Particulie­re collectie)

Droevige .guur
Elk team bestond uit vijf spelers plus een keeper. De laatste was eigenlijk een ridder van de droevige .guur, want hij had een schier onmogelijke taak. De ballen die op hem afkwamen, moest hij probe­ren tegen te houden, terwijl hij het karkas van een motor.ets in de handen diende te houden en tegelijk moest zien te voorkomen dat hij door het aanstormende geweld onder de zoden werd gestopt. Is het gek dat men niemand bereid kon vinden om bij voortduring als doelwachter op te treden? Het ondankbare baantje werd bij toer­beurt door de clubleden ingevuld.
De motorfanaten beschikten zelfs over een echte trainer en wel in de persoon van Stoffel de Graaf*, die de kunst had afgekeken bij een polo-club in België. Onder zijn leiding scheurden ze zich een paar uurtjes in de week in het zweet op de mulle, stijl oplopende zandvlakte van de Leemcule in Hattem. Ook ondergingen zij fysieke indoor-training in een Zwolse gymzaal, waar de motoren uiteraard buiten de deur moesten blijven.
De Zwolse Motor-en Poloclub werd regelma­tig uitgenodigd voor uitwedstrijden in oorden als Driebergen, Emmen en Dordrecht. Dat werd dik­wijls feest als de Zwolse afvaardiging er met voltal­lig materieel heen trok. In de grote bestelwagen van Land stonden soms vijftien motoren opeen gepakt. Vaak had de klok al middernacht geslagen als de karavaan in Zwolle terugkeerde.
Toch was de populariteit van deze nieuwe sport geen lang leven beschoren. In het begin kwam er heel wat volk op af, maar langzamerhand ebde de belangstelling weg, omdat deze afgeleide vorm van de echte voetbalsport een beetje gefor­ceerd aandeed en lang niet de spanning en schoonheid van het grote voorbeeld kon evena­ren. Enkele propagandatochten die de ZMPC door de stad organiseerde, hielpen niet meer. Na de euforie van de bevrijding waren de Zwollena­ren langzamerhand kritischer in de keuze van hun vermaak geworden. Ten leste stond er alleen nog een handjevol familieleden en bekenden langs de lijn. De ZMPC bleef wel bestaan, maar de P (van polo) kreeg begin jaren vijftig van de vorige eeuw al geen praktische invulling meer.
* Stoffel de Graaf, die later mede.rmant werd van het Zwolse makelaarskantoor De Graaf en Van Vilste­ren, overleed in juni van dit jaar.

Park de Wezenlanden

H
et afgelopen jaar is er een herinrichtings­plan gemaakt voor Park de Wezenlanden. Dit plan wordt – omdat op dit moment voldoende .nanciële middelen ontbreken – in onderdelen uitgevoerd. Begonnen is inmiddels met de verbetering van het manifestatieveld en de aanleg van een nieuwe skatebaan. Voorafgaand aan het herinrichtingsplan is onderzoek gedaan naar de ontstaansgeschiedenis van het park. Het hiernavolgende is een neerslag van dit onderzoek. Soms lijkt de geschiedenis zich te herhalen.
Groene Long
De ‘Weezenlanden’ – eens eigendom van het wees­huis van de Nederlands Hervormde Gemeente in Zwolle – was zeker tot de afsluiting van de Zuider­zee in 1932 drassig gebied en niet geschikt voor bebouwing. Zwolle breidde zich naar het oosten uit over de hogere gronden van de Wipstrik en Assendorp; de lager gelegen gronden van de Wezenlanden bleven van bebouwing gespaard. De eerste ideeën om hier een park aan te leggen ont­stonden vlak na de Tweede Wereldoorlog. In het uitbreidingsplan voor Zwolle, dat de architect en

Trudy van Es
De Wezenlanden omstreeks 1936. Op de achtergrond duidelijk zichtbaar de Dominica­nenkerk, wat moeilijker te onderscheiden de Sassen-poort, de Peperbus en de toren van de St. Michaël-kerk aan de Nieuwstraat. (Foto B. Meulenbelt, collectie HCO) Architect en stedenbouw­kundige W.M. Dudok ont­wierp in 1948 het park als een ‘groene long’ op het terrein ten oosten van de Luttenbergstraat. Voor de invulling maakte hij zelf een ontwerp. Dit ontwerp valt te omschrijven als een ‘functionele landschap-stijl’: verschillende func­ties kregen een plek in een ‘landschappelijke setting’ met boomgroepen en zich­ten, maar de voor de land­schapstijl zo kenmerkende slingerpaden ontbreken. (Collectie HCO)

stedenbouwkundige W.M. Dudok in 1948 maakte, was het terrein ten oosten van de Luttenbergstraat -het huidige park – gedacht als een ‘groene long’. Voor de invulling van deze groene long kwam Dudok zelf met een ontwerp. Het ontwerp is inte­ressant vanwege de schakel die het vormt tussen eerdere parkontwerpen in Engelse landschapstijl (denk aan Park Eekhout of het Engelse Werk) en het later uitgevoerde moderne ontwerp voor Park de Wezenlanden.
De Engelse landschapstijl – met zijn heuvels en dalen, kronkelende vijvers, boomgroepen, zichten en slingerende wandelpaden – raakte na de eeuw­wisseling steeds meer in diskrediet. Het ontwerp van Dudok uit 1948 is te omschrijven als een ‘func­tionele landschapstijl’: verschillende functies kre­gen een plek in een ‘landschappelijke setting’ met boomgroepen en zichten, maar de voor de land­schapstijl zo kenmerkende slingerpaden ontbre­ken. De relatie van het park met zijn omgeving kreeg in het plan bijzondere aandacht. Zo ont­wierp Dudok een brug over het kanaal naar de Wipstrik, en ten zuiden van de Wethouder Alfe­rinkweg afwisselend boomblokken en een open bebouwing, om een overgang te maken van de groene ruimte van het park naar het dicht bebouwde Assendorp. In het verlengde van de Schuurmanstraat, ontworpen als ontsluitingsrou­te voor het centrum, plande Dudok een nieuwe verkeersbrug over de stadsgracht.

Parkstrook
De gemeente koos na onenigheid met Dudok een andere stedenbouwkundig adviseur. De Delftse ir.
S.J. van Embden, die onder andere de supervisie kreeg over de invulling van het aan het park gren­zende gebied, nam belangrijke elementen uit het plan van Dudok over: ‘Vanaf de nieuwe dwarsweg (de huidige Luttenbergstraat) naar het oosten zal een brede groenstrook worden behouden, die tus­sen de wijken Assendorp-Pierik en de wijk Wip-strik door van het stadscentrum reikt tot in het landelijk gebied.”1 Ten zuiden van het park beoogde ook Van Embden de totstandkoming van een vrij ruime bebouwing als ‘onmisbare over­gang’ van de woonwijk Assendorp naar het ‘wan­delpark’. De langs de Assendorperdijk beschikba­re terreinen werden gebruikt voor scholenbouw, afgewisseld met lage bebouwing (de ‘zaagtandwo­ningen’). Langs de Wethouder Alferinkweg wer­den nog een tweetal hogere woongebouwen geprojecteerd, ‘teneinde samen met enkele zware boomgroepen de bebouwingsrand visueel enige vastheid te geven en het tot stand komen van een ordelijk wijkbeeld zoveel mogelijk te bevor­deren.’2
De grote parkstrook was allereerst bedoeld als een recreatiegelegenheid voor de omliggende wij­ken. Wat de vormgeving van het park betreft schreef wethouder Nooter al in 1954 dat er ‘dient te worden gestreefd het midden te houden tussen een meer natuurlijke en een meer parkachtige aanleg. (…) Mijns inziens zal een bekwaam land­schap- en tuindeskundige ons hierin behulpzaam moeten zijn. Een prijsvraag behoort uiteraard ook tot de mogelijkheden. Laten we trachten hier het beste te bereiken.’

Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij
Of er inderdaad een prijsvraag is geweest is ondui­delijk. Omdat er in stukken wordt gesproken over het ‘bekroonde schetsontwerp’ van de Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij (Heidemij) is dit mogelijk. Het park was is in het plan van de
De St. Jozefkerk en de Jeruzalemkerk, beide in 1932-1933 gebouwd, gezien vanaf de Wezen-landen omstreeks 1936. (Foto B. Meulenbelt, collectie HCO)

Heidemij, gemaakt door de heer Cornet in sep­tember 1958, overwegend bestemd voor passieve recreatie. Aan de westzijde van het park was even­wel een ijsbaan geprojecteerd (ter plekke van het huidige provinciehuis). ’s Zomers kon de ijsbaan worden gebruikt als sportruimte voor middelbare scholen. Verder bevonden zich in het park speel­weiden, speelplaatsen, gazons en een visvijver. Op de plaats van de huidige kinderboerderij zou een hertenkamp komen.
Het plan uit 1958 besloeg een groter gebied dan het huidige park alleen. Het gedeelte tussen de Zuidbroeklaan en de Marsweg werd overwegend bestemd voor een dierenasiel, twee schooltuin-complexen, een complex met jeugdgebouwen en een verkeersplein voor verkeersinstructie. Het deel ten zuidoosten van de Marsweg – die toen nog niet aansloot op de Alferinkweg – kreeg een volle­dig actieve recreatieve bestemming; hier werd een sportveldencomplex geprojecteerd. De verwezen­lijking van de plannen moest helaas – ‘in verband met de investeringsbeperking en de .nancierings­moeilijkheden’3 -worden opgeschort.

Provinciehuis
In het plan van Van Embden van 1955 was in het westen van de groene long enige bebouwingsmo­gelijkheid gegeven. Gedacht werd aan een repre­sentatief bouwwerk. In 1959-1960 gaf het provin­ciebestuur een meervoudige opdracht voor het ontwerp van het toekomstige provinciehuis aan de latere Luttenbergstraat. Het ontwerp van prof.
M.F. Duintjer kreeg de voorkeur.4 In 1963 stem­den Provinciale Staten in met Duintjers de.nitie­ve ontwerp. Het duurde evenwel nog tot 1967, voordat kon worden begonnen met de bouw.
Duintjers provinciehuis bestaat uit een ‘werk­gedeelte’ (nu bekend als ‘kantoorgedeelte’) en een ‘representatief gedeelte’ (nu bekend als ‘bestuurs­gedeelte’), die op de eerste verdieping zijn verbon-

Het plan van de Heidemaatschappij, gemaakt door de heer Cornet, uit 1958. In dit plan was het park overwegend bestemd voor passieve recreatie. Aan de westzijde van het park was evenwel een ijsbaan geprojecteerd (ter plekke van het huidige provinciehuis). ‘s Zomers kon de ijsbaan worden gebruikt als sportruimte voor middelbare scholen. Verder bevonden zich in het park speelweiden, speelplaatsen, gazons en een visvijver. Op de plaats van de huidige kinderboerderij zou een hertenkamp komen. Het plan besloeg een groter gebied dan het huidige park. (Collectie HCO)

den door een ‘brug’. De schuine gevel van het representatieve gedeelte – aan de kant van de onderdoorgang – loopt mee met de richting van de Schuurmanstraat, op dit moment een straat van secundair belang, maar ten tijde van de planvor­ming beschouwd als toekomstige ontsluitingsrou­te voor het centrum. De brug is nadrukkelijk geprojecteerd in de as van deze straat, ‘waardoor Duintjer een route heeft willen creëren vanuit de stad onder het gebouw door naar het toekomstige stadspark. Op abstract niveau belichaamt het pro-
Het Provinciehuis in 1977, gezien vanaf park de Wezenlanden. (Foto M. Malherbe, Gem. Zwolle, collectie HCO)

vinciehuis dus zowel scheiding als verbinding tus­sen stad en platteland.’5
In 1962 vroeg de gewijzigde situering van het geplande provinciehuis om aanpassing van het ontwerp van het park. Het gebouw zou als geheel achttien meter verder van de Luttenbergstraat worden geplaatst, vooral om een groter parkeer­terrein te kunnen realiseren. Naar aanleiding hier­van verzocht de Heidemij een aantal maal om een overleg met de architect en tuinarchitect van het provinciehuis. Het overleg bleef echter vooralsnog
Gewijzigd plan van Mien Ruys en de Heidemaat­schappij van eind 1963. (Collectie HCO)

uit, wat leidde tot een plan dat de Heidemij ‘nu ten einde raad geheel zelfstandig’6 maakte. De gemeente besloot op dat moment het plan niet verder uit te laten werken, maar alsnog te wachten op overleg met de tuinarchitect van de toekomsti­ge tuin van het provinciehuis.

Mien Ruys

Sinds 1962 was Mien Ruys op voorspraak van Duintjer bij de planvorming voor het provincie­huis betrokken. De bemoeienissen van Ruys reik­ten verder dan de tuin alleen. Samen met Cornet van de Heidemij ontwierp zij in 1963 een nieuw plan voor het Park de Wezenlanden. Het ontwerp is een voorbeeld van een modern functionalis­tisch-architectonisch ontwerp: de rechte lijnen, eenvoudige vormen en een sober materiaalge­bruik zijn kenmerkend. De belangrijkste vernieu­wing van de moderne ontwerpopvattingen lag in het feit dat de parken niet langer een gesublimeer­de schijnnatuur vertegenwoordigden (zoals bij de Engelse landschapstijl het geval was), maar dat zij gerelateerd waren aan een bredere stedenbouw­kundige visie en aan een functioneel gebruik. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het eer­dere plan van de Heidemij betroffen het deel gren­zend aan het terrein van het Provinciehuis.
Vanwege het niveauverschil – het terrein van het provinciehuis werd voor de bouw .ink opge­hoogd – ontwierp Ruys op de overgang van het terrein van het provinciehuis naar het grote mani­festatieveld een keermuur van basaltkeien, waar Duintjer nog had gedacht aan een eenvoudig talud. Aan de noordoostzijde zou een trap met .auwe treden het terras bij het provinciehuis met het park verbinden. Om deze trap niet zonder meer te laten uitkomen op de speelweide ontwierp Ruys aan de voet hiervan een klein pleintje met banken. De aanleg met bloemen langs het koelwa­terkanaal uit het plan van Cornet verbreedde ze tot dit pleintje, zodat het pad daar een logische beëindiging vond. De speelweide werd hierdoor smaller en beter van verhouding, met als gevolg dat de behoefte deze weide te doorsnijden met paden en te vullen met boomgroepen verviel.
Eind 1963 werd goedkeuring verleend aan het plan. De kosten werden geraamd op 1.571.000 gul­den. In de begroting waren geen posten opgeno­men voor grondkerende wanden, hekwerken, bruggen, banken, theehuis en dergelijke. De brug­

De Wezenlanden besloeg oorspronkelijk het gebied tussen het Groot Wezenland, het Almelose Kanaal en de oude Assendorperdijk. Het gedeelte tussen de stadsgracht en de Luttenbergstraat werd na de oorlog bouwrijp gemaakt. Hier de voorbereiding voor de bouw van de woningen aan de Schuurman­straat, eind jaren vijftig. Op de achtergrond zijn van links naar rechts de Oosterkerk aan de Bagijnesingel, de oude watertoren aan de Turfmarkt, de zuivelinrichting ‘Hoop op zegen’ aan de Philosofenallee en de begin jaren vijftig gebouwde .ats aan de Hanekamp te zien. (Foto J. Burgman, collectie
HCO)

gen, banken en het theehuis zouden door de dienst Openbare Werken worden ontworpen en begroot. In een later stadium – september 1967 ­maakte de Heidemij toch uitwerkingen voor ‘kunstwerken’ in het park, waaronder de bruggen en keermuren.

Meer planwijzigingen

Oorspronkelijke wilde Mien Ruys aan de zijde van het koelwaterkanaal, aansluitend op het terras van de provincie, terrein ophogen. Omdat de gemeen­te liet weten dat de opzet van het park zodanig was, dat geen of praktisch geen ophooggrond zou worden aangevoerd, liet Ruys dit idee al in sep­tember 1963 vallen. Dit maakte het noodzakelijk de keermuur verder door te laten lopen, waarbin­nen dan de trap naar de bloementuin viel. Het ver­hoogde bomenplateau aan de Alferinkweg werd gehandhaafd. De gemeente ging akkoord, op voorwaarde dat voor de verhoging volstaan kon worden met de grond die vrij zou komen uit de bouwput voor het provinciehuis. Begin 1964 werd echter bij de gemeente bekend dat er minder grond vrijkwam uit de bouwput en dit had gevol­gen voor de uitvoering: ‘Om volledig aan uw wen­sen tegemoet te blijven komen zouden wij moeten zorgen voor de aanvoer van 10.000 m3 grond, waarmee een bedrag van ± ƒ 50.000 gemoeid zal
De ijsbaan op het Wezen-land in 1928. (Foto A. van Beek jr., collectie HCO)

zijn. Aangezien dit bedrag niet in redelijke ver­houding staat tot het belang dat de gemeente heeft bij de aanpassing van het park aan de tuin van het provinciehuis, zijn wij tot onze spijt niet in staat de aansluiting zodanig uit te voeren als bij de besprekingen is overeengekomen.’7
Op een ontwerptekening van 1971 is het ver­hoogde bomenplateau verdwenen en zo ook een verbinding met het park aan deze zijde. In 1972 werd nog een laatste ontwerp gemaakt. Hierop is weer een, weliswaar kleiner, verhoogd bomenpla­teau gedacht. In dit ontwerp werd een aansluiting gemaakt in het verlengde van de Schuurmanstraat door middel van ee

Lees verder