Categorie

Afleveringen

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 4

Door 1991, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Lol
Historisch
fc«:W^^Jt
1
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038-421 43 14
8E JAARGANG 1991 NUMMER 4
-*11 ‘” “Mff * •
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Op deze foto kijken we heel onbescheiden
even in de parochietuin van de RK St. Jozefkerk
aan de Assendorperstraat.
Deze kerk werd in 1933 in gebruik genomen. De
noodzaak voor een tweede katholieke kerk, naast
de al bestaande Dominicanenkerk, ontstond
door de sterke groei van de wijk Assendorp. Die
groei werd veroorzaakt door de komst van de
Centrale Werkplaats van de Spoorwegen naar
Zwolle.
In de tuin zien we een processie. De tijd waarin
processies door de wijk werden gehouden was
toen reeds voorbij. Gelet op het model van de
tuin is het aannemelijk, dat er reeds rekening was
gehouden met besloten processies.
Van oorsprong was Assendorp een wijk met
veel boerderijen, waarbij de tuinders de overhand
hadden. Op de achtergrond van de foto is dit landelijke
karakter nog goed te herkennen.
Op de nieuwe foto is de tijd van de processies
voorbij.
U ziet, naast uiteraard dezelfde parochietuin,
dat Assendorp is vol gebouwd. Het hoge gebouw
op de achtergrond staat op de hoek van de Wethouder
Alferinkweg en de Hortensiastraat.
Boven: Parochietuin van de St. Jozefkerk; oude
situatie. (Foto Hogenkamp)
Onder: Parochietuin van de St. Jozefkerk; nieuwe
situatie. (Foto Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
Redactioneel Inhoud
Het verleden kan soms meer tot onze verbeelding
spreken dan het heden. Zo kunt
u door dit nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift te lezen al ijspret hebben, terwijl
anderen alleen maar nat worden van de regen.
Ook kunt u nog naar de authentieke stationskap
kijken, terwijl die inmiddels afgebroken is. Veel
moois wordt snel geschiedenis. Gelukkig zijn er
dan vaak foto’s gemaakt en bewaard. Met veel
plezier laten wij u die in ons tijdschrift zien.
Zo’n tijdschrift als het onze is bijna voor honderd
procent afhankelijk van de inspanningen
van onderzoekers die de moeite nemen hun bevindingen
op papier te zetten. Dit zijn lang niet
altijd professionele geschiedkundigen. Telkens
weer blijkt hoezeer mensen met zeer verschillende
achtergronden geboeid raken door elementen uit
het verleden en daar onderzoek naar gaan doen.
De drukte tijdens de Open Archieven Dag van 12
oktober 1991 toonde dat nog eens aan. Ter gelegenheid
daarvan wijdde de Zwolse Historische
Vereniging een tijdschriftnummer aan het Zwolse
gemeentearchief. Omdat de kas leeg was, konden
vier bijdragen niet meer geplaatst worden. Deze
willen wij u toch niet onthouden, omdat ze u wellicht
op ideeën brengen of moed geven om een eigen
onderzoek te beginnen. Alle geschiedschrijving
blijft uiteindelijk op het speurwerk in de archieven
gebaseerd. De betekenis van het Griekse
werkwoord historeo, te weten trachten te komen,
drukt dit goed uit. Zo opgevat zijn er gelukkig veel
historici in Zwolle. Wat zij over onze stad te weten
komen, laten wij graag in drukvorm zien.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp 122
Negentiende-eeuws ijsvermaak
Herman Aarts en Aranka Meyerink-Wijnbeek 124
De stationskap in Zwolle P.C. Wieringa, ir. C. Douma, J.J.deJong 133
De kunst van het zoeken J.C. Streng 137
Op zoek naar onze voorouders P. Jonkers-Stroink 140
Minnaars der deugdbevordering J.H. Drentje 143
Het verleden van een huis W.A. Huijsmans 147
Recensies 151
Mededelingen 152
Omslag: J. W. Meyere, Kortebaanwedstrijd op de
stadsgracht in Zwolle, 1886. (foto: POM)
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negentiende-eeuws ijsvermaak
‘Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan! Geen volk ter wereld
is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel op den
geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen
aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit metjagtstevels;
schoei hem met de treurspellaars of den blijspelmuil; gij verandert daarmede
den man niet. Hij wordt daarom nog geen ware danser, ruiter,
jager ofkomediant. Hij blijft een Nederlander die danst, rijdt, jaagt of
komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de
voeten, en hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel
schaatsenrijder, als ooit een Spanjaard danser, een Engelsman ruiter, of
een Franschman komediant was. Hij is een man-schaats geworden.
Herman Aarts
Aranka Meyerink-
Wijnbeek Deze beschrijving in het aardige boekje van
J.W. Kirchner geeft op een illustratieve
manier aan hoezeer het vermaak op het
ijs in onze cultuur is ingebed. Het schaatsenrijden
op stadsgrachten, vaarten, plassen en rivieren gaf
de gelegenheid om vrienden of familie te bezoeken
en nieuwe vriendschappen te sluiten. Het ijs
nodigde de mensen als het ware uit tot het vieren
van een winters feest. Het schaatsenrijden is een
echt volksvermaak waaraan door alle sociale lagen
en door alle leeftijden kan worden deelgenomen.
Tot en met de achttiende eeuw was er in strenge
winters sprake van een echte kermis op het ijs,
compleet met muzikanten, wafelkramen en mallemolens.
Hoe het in de vorige eeuw toeging blijkt
uit de volgende schets in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant over de winter van 1895:
‘Een gedeelte van de baan was smaakvol met Nederlandse
vlaggen getooid en door duizenden
lampions in een soort verlichte straat herschapen
langs welke een bonte menigte, van allerlei stand
en leeftijd, zich vrolijk bewoog, onder de opwekkende
tonen van het muziekcorps. Er waren ruime,
goed verlichte en verwarmde tenten geplaatst,
waar men zich van allerlei goede verversingen
bedienen kon, terwijl een onafzienbare menigte
deelnam aan het feest’.
Het ijsvermaak bestaat niet meer in die vorm,
hoewel de grote schaatswedstrijden van nu de
sfeer van de oude kermis op het ijs benaderen zo
niet overtreffen. Men hoeft alleen maar te denken
aan de uitbundige wijze waarop de recente elfstedentochten
zijn verlopen.
Hardrijden op de schaats
Zolang er geschaatst wordt, worden er wedstrijden
gehouden. Op het moment dat de ene
schaatser de andere uitdaagt met de vraag; ‘Wie
van ons is het eerst bij die hoek?’ is er een wedstrijd.
Aan het begin van de negentiende eeuw
werden er, het eerst in Friesland, wedstrijden georganiseerd
waarbij prijzen te verdienen vielen.
Zonder twijfel waren de kasteleins de eerste organisatoren
van de wedstrijden; zij benutten elke
gelegenheid om de gelagkamer vol te krijgen.
Veel binnenschippers, die in de winter met hun
schip vastvroren, waren geduchte wedstrijdrijders.
Rond 1850 werden de eerste ijsclubs in ons
land opgericht, onder meer in Zwolle. Ze hadden
gewoonlijk als doelstelling het organiseren van
schaatswedstrijden. De prijsuitreiking vond als
regel in het café plaats en niet zelden werd de
hoofdprijs door de kastelein beschikbaar gesteld.
Aanvankelijk bestond deze uit een gouden of zilveren
voorwerp, zoals het felbegeerde gouden
horloge of een zilveren tabaksdoos. Al spoedig
daarna werden geldprijzen in het vooruitzicht gesteld.
In 1838 werd in Harlingen al om prijzen van
ƒ 125,- en meer gereden, voor die tijd waren dat
aanzienlijke bedragen. Teneinde concurrentie
tussen de ijsclubs tegen te gaan, kwam men overeen
de hoogte van de prijzen onderling vast te
stellen. Heel lang heeft een maximum van ƒ 100,—
gegolden voor een eerste prijs bij een hardrijderij
voor mannen. Met de geldprijzen kwamen ook
de uitwassen. De deelnemers gingen vooraf afspraken
maken wie zou winnen en wie de geldprijs
zou krijgen; een kwalijke praktijk, maar niet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
onbegrijpelijk. Over het algemeen zullen de deelnemers
aan de wedstrijden het niet breed hebben
gehad. In een jaargetijde waarin de inkomsten
van schippers en boeren minimaal waren ontstond
voor sommige van hen plotseling de mogelijkheid
om forse geldbedragen binnen te halen.
De bekende rijders regelden bovendien onderling
naar welke wedstrijden ze gingen.
Beroepsrijders
Het geld dat de schaatsers wisten te verdienen
maakte hen tot ‘beroepsrijders’, een benaming die
in de vorige eeuw steeds gebruikelijker werd. Op
31 januari 1895 organiseerde de Zwolse Ijsclub een
hardrijderij voor beroepsrijders op de korte baan.
Het woei die dag hard, zeer hard; baanvegers waren
op de ijsclub zo goed als overbodig, de wind
joeg de sneeuw van de baan. Maar het weer bleef
goed en de banen waren in orde en als men eenmaal
op de vlakte was viel het nog mee. Er kwam
dan ook allengs vrij wat publiek op de banen om
getuige te zijn van de hardrijderij voor beroepsrijders.
Tegen 11 uur trokken de deelnemers met
enige leden van het bestuur van de ijsclub door de
stad naar de baan. In de aankondiging van de
wedstrijd werd vermeld dat men naar de baan zou
gaan na aankomst van de trein uit Friesland en
Groningen. Gezien het grote aantal deelnemers
uit die provincies was dat een begrijpelijke opmerking.
Er kwamen 56 deelnemers uit verschillende
provincies aan de start. De directie van de
ijsclub had alles uitstekend georganiseerd. De
baan van 180 meter was flink breed en aan weerszijden
waren kleedkamertjes ingericht. De muziek
had een plaats gekregen rond het midden van
de baan, in een tent die voldoende beschutting tegen
de wind bood. Het publiek stond aan één zijde
vlak langs de hardrijdersbaan. Het was gebruikelijk
dat het publiek aan beide zijden van de baan
stond, maar in verband met kolfwedstrijden die
later op de middag zouden plaatsvinden was dat
niet mogelijk. De uitslag was: ie prijs ƒ 75,- S.Bleeker
te Heeg, 2e prijs ƒ 40,- H.Wester te Eernewoude,
3e prijs ƒ 20,- Joh. Grafhorst te Kampen,
4e prijs ƒ 10,- B.Kruithof te Deventer en 5e prijs
ƒ 5,- E.Blankvoort te Oldebroek.
Voorwaarden
Niet iedere ijsvereniging was even blij met deelname
door rijders uit andere delen van het land.
Vooral de Friese rijders waren zo sterk dat ze nogal
eens met de geldprijzen naar huis gingen. Sommige
ijsclubs bouwden om die reden voorwaarden
voor deelname in, waardoor de Friezen in feite
werden uitgesloten. Een van de mogelijkheden
om dat te doen was door uitsluitend amateurs of
leden, buitenleden en donateurs van de organiserende
vereniging toe te laten, of de wedstrijd alleen
open te stellen voor ingezetenen van de provincie
Overijssel, of van een bepaalde gemeente,
zoals bijvoorbeeld in Wijhe en Genemuiden gebeurde.
De gezamenlijke schipperij van Zwolle organiseerde
op de stadsgracht bij de Sassenpoort een
gekostumeerde hardrijderij op schaatsen waaraan
alleen schippersgezellen wonende of liggend met
het schip in Zwolle mochten deelnemen. Andere
criteria die voor deelname werden aangelegd betroffen
geslacht en leeftijd. De meeste ijsclubs organiseerden
hardrijderijen voor mannen boven
de 18 jaar. Soms vonden afzonderlijke wedstrijden
plaats voor gehuwden en ongehuwden. Bijzonder
was ook de bepaling dat alleen dié leden van een
ijsclub mochten deelnemen die nog nimmer een
prijs gewonnen hadden.
Kortebaanwedstrijd op
de stadsgracht, 18/6
Mogelijk heeft de schilder].
W. Meyere deze
foto voor zijn schilderij
gebruikt, (foto: POM)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schaatsen op de stadsgracht
bij de Emmawijk
tijdens de strenge
winter van 1961. (foto:
Henneke)
Bijzondere wedstrijden
Op gezette tijden werden schaatswedstrijden georganiseerd
ter gelegenheid van een bijzondere
gebeurtenis. Ook onderlinge wedstrijden werden
geregeld gehouden.
De bakkers van Zwolle hielden op 10 februari
1895 een vergadering in het café van Runhaar aan
de Nieuwe Markt, in verband met een te houden
gekostumeerde hardrijderij op de schaats. De vergadering
werd, behoudens het bestuur, bezocht
door 52 bakkers. De Zwolse ijsclub was bereid de
banen ter beschikking te stellen en voor de te houden
optocht was vergunning verleend. De volgende
dag kwamen de bakkers in de Nieuwe Stadsherberg
bijeen. Vandaar vertrok de stoet, door
een grote menigte vergezeld, met muziek en enige
vlaggen en vaandels, in bakkerskostuum, bestaande
uit witte kleding en witte mutsen, naar de ijsbanen.
Hier en daar hadden de bakkers, ter ere
van het feest, de vlaggen uitgestoken. Het weer
was in zover gunstig te noemen dat er een vrolijk
zonnetje scheen, maar de wind was vrij koud. Al
zullen de meeste deelnemers onder hun linnen
pakjes wel iets extra’s hebben aangedaan, het zag
er koud uit. Maar dat was een aansporing te meer
om zich warm te rijden in de wedstrijd. Er waren
35 deelnemers. Na afloop ging men met de muziek
voorop en omstuwd door een grote menigte
naar de Nieuwe Stadsherberg. De prijzen, een
gouden remontoir (horloge) en vijf paar schaatsen,
werden door de heer Emich, president van de
bakkersvereniging, uitgereikt. De bakkers bleven,
onder voordracht en zang, nog enige tijd bijeen.
De slagers van Zwolle wilden blijkbaar niet
achterblijven bij hun collega’s van het brood. Op
14 februari 1895 organiseerden zij eveneens een
gekostumeerde hardrijderij. De ijsbanen in de
Weezenlanden waren opnieuw ter beschikking
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
gesteld en gekleed in witte jas en dito schort, plus
een rode muts snelden de slagers over het ijs. Of er
wellicht toepasselijke prijzen uitgereikt werden,
vermeldt de historie niet.
Op tal van plaatsen werden wedstrijden voor
kinderen in diverse leeftijdsgroepen georganiseerd.
Op 15 februari 1895 bijvoorbeeld werd op de
Thorbeckegracht in Zwolle een wedstrijd gehouden
voor jongens van 10-14 jaar. Er had zich daarvoor
een commissie gevormd, terwijl enige bewoners
van de gracht en van de Posthoornbreehoek
geld hadden gegeven om prijzen te kopen. Toen
men bij de heer Borgman in de Steenstraat kwam
om een pet te kopen, gaf deze nog een mooie wintermuts
op de koop toe, de firma Boerboom gaf
nog enige snuisterijen en de heer De Graaf nog
een mandje appels, zodat iedere deelnemer een
prijsje kon krijgen. Na afloop werden de jeugdige
hardrijders getrakteerd op chocolade, krentebroodjes
en koek en ‘met een sigaar in den mond
trokken allen huiswaarts’.
Gekostumeerde hardrijderijen waren heel
populair. De op 28 januari 1879 door de schippersvereniging
‘Eendracht maakt macht’ georganiseerde
wedstrijd trok 42 deelnemers die waren
uitgedost als ridders uit de middeleeuwen, anderen
als edellieden uit later tijd, daartussen bewogen
zich Zouaven, Russen, Polen, Turken, zigeuners,
Tyrolers en Hongaren, terwijl Pierrot en
Harlekijn net zo min ontbraken als de beer en de
aap. De Ijsclub in Zwolle had toestemming verleend
om van de door haar ingerichte baan gebruik
te maken.
Ijskolven
Aan het eind van de vorige eeuw is een poging gedaan
het ijskolven, of het bandyspel zoals het hier
genoemd werd, in ons land populair te maken.
Het spel is afkomstig uit Engeland. Het doel van
het spel was om met behulp van een houten kolf
of bandystick, een kleine bal door het doel van de
tegenstander te slaan. Omdat het kolven een vlug
en pittig spel is, was de verwachting dat het ook in
ons land zou aanslaan. Om het spel meer bekendheid
te geven vond in 1895 een demonstratiewedstrijd
plaats tussen een team uit Haarlem en het
Zwolse Z.A.C. De Zwollenaren verloren kansloos
met 17-0. Behalve een wedstrijd tegen een Amsterdamse
formatie, die overigens ook ruim verloren
werd, heeft het spel geen blijvende plaats
tussen de andere sporten ingenomen.
Vrouwen in de hardrijdersbaan
De schaatswedstrijden werden overheerst door
mannen, maar dat wil niet zeggen dat er helemaal
geen vrouwen in de hardrijdersbaan kwamen. Uit
een advertentie in de Leeuwarder Courant van 7
januari 1871 blijkt dat vijf dames, die zich waarschijnlijk
ergerden aan de dominante positie van
de mannen bij het schaatsen, een voorrijder vragen,
voorzien van korte broek en ruige muts. Ze
werden afgetroefd door een tegen-advertentie
waarin 7 heren elk een achterrijdster voorzien van
korte broek en ruige muts vroegen. Het is opvallend
dat het wel algemeen aanvaard was dat vrouwen
deelnamen aan gekostumeerde schaatspartijen
en aan het ‘schoonrijden’, maar dat ze alleen
bij wijze van uitzondering werden toegelaten tot
de hardrijderijen. Uitzonderingen waren ook
wedstrijden waarbij paren tegen elkaar in het
strijdperk traden, zoals die op 19 januari 1876 te
Genemuiden waar ‘gepaarde mannelijke en vrouwelijke
personen’ aan de wedstrijd konden deelnemen.
Met de opkomst van de ijsclubs nam het
wedstrijdaanbod voor paren langzaam toe.
Schoorvoetend klonk de roep om wedstrijden
voor vrouwen te houden, maar de zedenmeesters
uit de vorige eeuw waren streng en invloedrijk. De
tijden veranderden maar langzaam. Uit ‘kieschheid’
bleef men zich lang verzetten tegen wedstrijden
voor vrouwen. In 1890 werd in Kampen zelfs
nog zo’n rijderij verboden en vijfjaar later vroeg
een correspondent van de NRC zich af of het nu
werkelijk raadzaam was de ‘dikwijls werkelijk
manachtige naturen, die elkander de zege betwisten
door een dergelijke wedstrijd in die richting
verder te emanciperen?’ Pas na de eeuwwisseling
werd de deelname van vrouwen algemeen geaccepteerd.
Protest tegen de hardrijderij
Nederland zou Nederland niet zijn als er niet iemand
was die een belerend vingertje opstak. In de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courantvan
31 januari 1895 stond te lezen: ‘Het schaatsenrijden
is nu eenmaal niet weg te redeneren of weg te
zuchten. Zo vaak de winterkoning de wateren bevloert,
zal land- en stadsvolk de ijzeren vleugels
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schaatsen op de uiterwaarden
van de IJssel
ter hoogte van de boerderij
van Dubbeldam,
27 december 1961. (foto:
Henneke)
aan de voeten leggen om paard en wagen voorbij,
met de locomotief een wedren aan te vangen en ’t
genot te hebben van een geheel het lichaam verfrissende
en sterkende beweging, en om verre
vrienden en bloedverwanten, wier bezoek in den
zomer te veel tijd en geld zou kosten, op de goedkoopste
en aangenaamste wijze te gaan begroeten.
Blijft dus het schaatsenrijden als volksvermaak
vaststaan en heeft het zoveel goede zijden, dan
schiet er niets anders over, dan alle kracht in te
spannen, om het goede ervan te behouden en het
verkeerde weg te doen, zodat het als volksvermaak
wordt geacht en veredeld. Jammer is het dat
de gewoonte, tot in het begin der vorige eeuw bij
ons algemeen, om van het ijsvermaak te genieten,
bij de aanzienlijke vrouwen zo sterk is afgenomen.
Zij missen daardoor een goed en opwekkend
genot, en het schaatsenrijden zelf wordt
daardoor lichter min edel. Het is niet goed, ook
dit vermaak en de regeling ervan aan het volk alleen
over te laten en aan de winzucht der koffiehuishouders,
die wedstrijden in het hardrijden
uitschrijven. Op enkele plaatsen als Deventer en
Groningen, zijn er ijsverenigingen van meer beschaafden,
die, behalve hun eigen genot ook de
veredeling van dit volksvermaak voor de geringeren
op het oog hebben. Zij kunnen veel goeds
doen. Eén groot bezwaar, bij de andere volksfeesten
een bederf, kan hier niet veel onheil stichten,
de sterke drank, dewijl deze, meer dan uiterst matig
gebruikt de benen verlamt en dus het rijden
onmogelijk maakt. Vandaar dat koffie, melk en
heet bier, nauwelijks hete wijn, de gewone verkwikkingen
der schaatsenrijders zijn. Het hardlopen
moest echter door die ijsverenigingen niet zozeer
worden aangemoedigd als wel het sierlijk lopen’.
Kritiek uit een heel andere hoek blijkt uit een
ingezonden brief in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courantvan 14 januari 1879. Door het
invallen van de dooi was er van een hardrijderij in
Kampen niets terecht gekomen en daar was de
briefschrijver blij mee, want hij meende zeer ongunstig
te moeten oordelen over de hardrijderij
op schaatsen: ‘En waarom? Omdat hierbij een bovenmatige
krachtsinspanning van de dingers naar
de prijzen wordt gevorderd tot welk geen mensch
zijn evenmensch mag in verzoeking brengen; een
bovenmatige krachtsinspanning die den hardrijder
zeer licht onherstelbare schade aan zijn gezondheid
berokkent zo niet iets ergers. Het is
daarom te hopen dat de hardrijderijen op schaatsen
voor goed mogen worden gebannen uit de rij
der volksvermaken. Wil men nog iets van dien
aard houden, dat men dan liever prijzen uitloven
aan hem die ’t sierlijkst schaatsen rijdt’. De briefschrijver
concludeerde dat de hardrijderijen zouden
moeten worden afgeschaft, omdat ze in een
beschaafde maatschappij niet thuishoren.
Beide scribenten braken een lans voor het
schoonrijden. Ze waren niet de enigen. Ook in
andere ingezonden kranteberichten werd de
hoop uitgesproken dat er meer schoonrijderijen
zouden worden gehouden, omdat het in de eerste
plaats goed zou zijn voor de afwisseling en in de
tweede plaats omdat het schoonrijden uitstekend
geschikt zou zijn om ‘al de voordelen van het zo
te waarderen schaatsenrijden te doen uitkomen’.
Er zijn veel schoonrijderijen geweest, maar ze zijn
altijd in de schaduw blijven staan van de hardrijderij,
die meer tot de verbeelding van de mensen
sprak. Er werd ook wel naar een combinatie van
beide gezocht. Menig schoonrijderij vond plaats
in de pauze van een hardrijderij.
Schaatstochten
In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courarctverschenen
in strenge winters berichten over
de toestand van het ijs in en rond Zwolle:
Kampen, 13 januari 1895: ‘Het ijs is zo sterk dat
men dagelijks van het eiland Urk op schaatsen
hier aankomt; terwijl men thans met paarden en
volgeladen wagens met hooi, zaad en andere zware
vrachten bij het pontveer over de IJssel rijdt’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
Deze en andere berichten van vergelijkbare
strekking komen geregeld voor wanneer de Zuiderzee,
de IJssel en de meren in Noord-West
Overijssel bevroren waren. Dan was het tijd voor
lange schaatstochten. De correspondenten van de
regionale nieuwsbladen deden opgave van de
conditie van het ijs in hun omgeving, zoals de ijsmeesters
in Friesland nu nog doen voor een elfstedentocht.
Overijssel bezit weliswaar niet zoveel
open water als Friesland maar er zijn bijzonder
aardige tochten te maken. In de strenge winter
van 1895 informeerden de correspondenten het
publiek nogal verschillend over de ijstoestand. In
de kranten verschenen berichten met de volgende
inhoud:
– Raalte: het ijs op het kanaal van hier naar
Deventer biedt de schaatsenrijders een goede
gelegenheid aan, de Ijsclub Voorwaarts zorgt
zoveel mogelijk dat de banen goed in orde
worden gehouden, door goed vegen en het des
avonds ingieten van de ontstane barsten. Met
succes kan men van hier naar de Snippeling
rijden; vandaar naar Deventer doet men het
best te wandelen daar het ijs op de Schipbeek
wel vertrouwd maar zeer ongelijk is.
Dedemsvaart: Het ijs is op de Dedemsvaart,
voor zover die in de gem. Avereest loopt, zeer
goed; ook de banen zijn goed in orde. ’t is,
naar ik geloof, overal sterk genoeg.
Vollenhove: Het ijs in zee om Vollenhove zover
het oog reikt is overal sterk en vertrouwd,
bv. naar Schokland, Blokzijl, Genemuiden en
Kampen, doch overal vol sneeuwhoopjes.
Vanwege de ijsclub Vooruitgang zullen heden
banen geveegd worden op de Zuiderzee van
Vollenhove naar Kampen, Genemuiden en
Zwartsluis in verbinding met de daar bestaande
banen. Reeds ’s morgens om half zeven
worden ongeveer 30 personen aan het werk
gezet, zodat wanneer het blijft doorvriezen,
morgen de gelegenheid op die banen zal zijn
opengesteld. Van de Moespot over Ronduite,
de Belt, Aardenburgergracht naar Zwartsluis
is het ijs volkomen vertrouwd en de banen geveegd.
Het ijs is echter niet mooi maar toch
berijdbaar.
Kortebaanwedstrijd op
de Zalnese Wetering ter
hoogte van de spoorlijn
Meppel, ongeveer 1960.
(foto: Henneke)
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ijsbaan aan deAssendorperdijk
ter hoogte
van het huidige politiebureau,
(foto: POM)
Voor de armen
In een tijd zonder sociale voorzieningen was de
zorg voor de armen toevertrouwd aan de kerken
en aan goedwillende particulieren. In de vorige
eeuw zaten veel arbeiders en boerenknechten in
de winter zonder werk en daarmee vrijwel zonder
inkomsten. De manier waarop de armen deelnamen
aan de ijsfeesten doet nu nog al discriminerend
aan. Na een wedstrijd in Zwartsluis, in 1855,
werd gesteld dat de hardrijderij goed verlopen
was, dat de organisatoren op een geslaagde dag
konden terugzien en dat ook de algemene armen,
waarvoor het overschot van de inleg- en entreegelden
bestemd was, een niet onbeduidend voordeel
hadden gehad. In diezelfde tijd werd in Kampen
een hardrijderij gehouden waarbij het doel
was geld in te zamelen voor de algemene armen.
Na aftrek van de kosten bleef een bedrag van
ƒ 338,79 over. Een dag later organiseerde de Kamper
vereniging ‘Weldadigheid’ eveneens een ijsfeest.
Het slechte weer was er echter oorzaak van
dat maar weinig deelnemers aan deze gekostumeerde
rijderij op kwamen dagen. De opbrengst
van de entreegelden, bestemd voor de algemene
armen, viel daardoor tegen.
Op 6 februari 1895 werd in Vollenhove een rijderij
om levensmiddelen gehouden. De wedstrijdcommissie,
door weldadige ingezetenen van
Ambt en Stad Vollenhove daartoe in staat gesteld,
kon iedere rijder 16 pond brood, 75 turven en een
kop erwten toebedelen. Na elke rit kreeg de winnaar
bovendien een bonus bestaande uit een kop
erwten. Ijsclub ‘Vooruitgang’ in Vollenhove
hield een hardrijderij om levensmiddelen voor
behoeftigen. Een behoeftig gezin dat niet in staat
was daaraan persoonlijk deel te nemen kon een
plaatsvervanger sturen; 77 huisgezinnen meldden
zich aan. Er waren geldprijzen voor de winnaars,
maar iedere deelnemer ontving een bon voor
kwart kilo spek. In dezelfde week werden in Olst
hardrijderijen voor behoeftigen gehouden waarbij
voor spek en bonen werd gereden. In Kampen
werd op de stadsgracht, door enige werklieden,
een ijsvermaak georganiseerd voor de kinderen
van de beide kosteloze stadsscholen en van de
rooms-katholieke jongensschool. Na een optocht
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
door de stad begaf men zich naar de met vlaggen
versierde ijsbaan. Ongeveer 100 jongens hadden
zich aangemeld. Elk van de deelnemers ontving
een kledingstuk. In de week daarvoor was een collecte
tot dit doel gehouden. Vergelijkbaar ging het
in de strenge winter van 1895 toe in Wijhe. Ook
hier werden hardrijderijen en volksspelen op het
ijs gehouden. Voor een som van ongeveer ƒ 300,-
waren brandstoffen en levensmiddelen gekocht,
die onder de mededingende behoeftigen, alsmede
aan hen die niet aanwezig waren, doch als behoeftig
bekend waren, uitgedeeld. Nog pijnlijker werd
het toen schaats- en hardloopwedstrijden op
klompen op het ijs werden georganiseerd voor
minvermogenden. Sommige organisatoren deden
het voorkomen alsof de wedstrijd in tweeën
was gesplitst. ‘Ook degenen die niet zo gelukkig
zijn om schaatsen te bezitten waren dus in de gelegenheid
gesteld naar een prijs te dingen’, aldus
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
in 1895. Bij een wedstrijd in dat zelfde jaar in
Zwolle waren levensmiddelen uitgeloofd. Men
had door de giften van vele ingezetenen van de
stad een ruime voorraad kunnen inslaan en bovendien
hadden sommige winkeliers verschillende
levensmiddelen gratis verstrekt, zodat aan elke
deelnemer een prijs kon worden uitgereikt. Dat
was niet het geval na een hardrijdwedstrijd waarbij
25 kaartjes voor de gaarkeuken van mejuffrow
de weduwe Van der Bend beschikbaar waren, die
zoveel mogelijk aan de gehuwden gegeven werden.
De organisatoren van de wedstrijden om levensmiddelen
bedoelden het ongetwijfeld goed.
In de praktijk pakte het evenwel anders uit. Door
in de baan te verschijnen waren er levensmiddelen
of goederen te verdienen. Geen wonder dat iedereen
die daartoe maar enigszins in staat was
zich aanmeldde voor zo’n ‘spekrijderij’. Niet alleen
jonge mannen schreven in, maar ook mannen
op leeftijd en gehandicapten. Door het houden
van hardloopwedstrijden op klompen waren
er nog meer deelnemers. Het publiek vermaakte
zich kostelijk met hen; burgerlijk vermaak om de
capriolen van oude en arme mensen, die ook nog
dankbaar moesten zijn voor de prijzen die ze aan
het eind van de dag ontvingen.
In de zelfde sfeer moeten de baanvegers bekeken
worden. In romantische ijsverhalen komt de
baanveger nogal eens naar voren als iemand die
zo aardig is het ijs sneeuwvrij te houden. De werkelijkheid
was wel even anders. Baanvegers waren
werklozen die praktisch geronseld werden om het
koude werk te verrichten; weigeren was er, behoudens
bijzondere omstandigheden, niet bij.
Een aantal Zwolse baanvegers was in r895 zelfs
van ’s middags vier a vijf uur tot ’s nachts twee uur
op het ijs werkzaam om met warm water de
scheuren zoveel mogelijk dicht en het ijs weer
glad te maken. De verdiensten waren treurig. Begin
februari van dat jaar bevatten de bussen van
de baanvegers op de Zwolse stadsgrachten en het
Zwarte Water ƒ 35,58, zodat aan elk van de 64
baanvegers op die dag 55 cent kon worden uitbetaald.
De dagen erna waren de verdiensten weinig
beter. Het hoogste bedrag dat op een dag werd
verdiend was ƒ 1,50. Er waren ook mensen die zich
het lot van de baanvegers aantrokken. Op een
ochtend stopte iemand een envelop in de bus met
de mededeling dat zich daarin een gift bevond. Bij
opening bleek er een gouden tienguldenstuk in te
zitten en een briefje met de volgende inhoud: ‘Er
zijn op de stadsgrachten en Zwartewater tot aan
de Rademakerszijl 64 baanvegers; die menschen
die voor hun onderhoud willen werken verdienen
dooreen tot nu toe 55 cent per dag. Zijn er nu geen
gegoede ingezetenen die ook eens een wandeling
of een rit op die ijsbanen gaan maken om die bussen
ook eens een beetje te begunstigen’.
De ijsbaan van de
Zwolse Ijsclub, circa
1900. (foto: POM)
132 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zomerfeesten
In 1850 werd in Zwolle een vereniging opgericht
die zich volgens haar statuten ten doel stelde: ‘Het
laten verrijden op schaatsen van prijzen en premiën’.
Met veel succes organiseerde de vereniging
schaatspartijen. Een aantal jaren na de oprichting
werd de doelstelling van de vereniging verruimd.
Er werd nu gesproken over de Ijsclub, Vereniging
ter bevordering van Volksvermaken. Het rechtstreekse
gevolg daarvan was dat in het vervolg
’s winters hardrijderijen en ’s zomers volksfeesten
werden georganiseerd. De zomerfeesten werden
als regel vlak voor de jaarlijkse kermis gehouden.
De bijbedoeling daarvan was dat het zomerfeest
klandizie wegtrok van de kermis. In 1857 werd een
roeiwedstrijd op de Wetering boven de Schoenkuipersbrug
gehouden. Na afloop werden er verschillende
volksvermaken gehouden, zoals boegsprietlopen,
tobbespel en zaklopen. In andere jaren
bestonden de volksvermaken ook wel uit
wedstrijden op waterschoenen of het vlaggespel te
water. Het muziekkorps van de stedelijke schutterij
liet zich op gezette tijden horen en de feesten
werden besloten met een prachtig vuurwerk en
een bal champêtre. Toen in 1860 de grote tentoonstelling
van Provinciale Nijverheid werd geopend
werden de openbare festiviteiten op een
aangename wijze besloten door wedstrijden en
volksvermaken vanwege de vereniging de Ijsclub.
De activiteiten van de Ijsclub breidden zich steeds
meer uit. Er waren diverse andere ijsclubs in
Overijssel die dit patroon van hardrijderijen in de
winter en volksfeesten in de zomer overnamen. In
1871 vond het zomerfeest plaats op de Turfmarkt
in Zwolle. De volksspelen werden geopend met
ringrijden waarbij prijzen van ƒ 20,- en ƒ 10,- te
verdienen waren. Daarop volgde het mastklimmen,
eveneens om geldprijzen. Daarna had het
hoepellopen plaats, dat op geheel nieuwe wijze ingericht,
de toeschouwers zeer vermaakte. De
reeks van volksspelen werd besloten met het
klimmen langs gespannen koord, hoepellopen en
het tobbespel. Het feest, opgeluisterd door het
stedelijk corps eindigde met een fraai vuurwerk.
De Zwolse Ijsclub vierde in 1875 haar 25-jarig bestaan
met een uitnemend gelukt feest. De Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant schreef:
‘Men hoorde niet de minste aanmerking. Zelfs
restauratie en bediening, en dat bij zulk een toeloop,
werden geroemd’. Echter, het werd allemaal
te kostbaar en te veel omvattend voor de enthousiaste
Ijsclub. Tijdens de algemene ledenvergadering
van 1878 stelde het bestuur voor de zomerfeesten
te beperken of zelfs helemaal af te schaffen.
De vereniging keerde terug tot haar premiers
amours. Het organiseren van een ijsfeest werd opnieuw
hoofdzaak, terwijl het zomerfeest afhankelijk
werd gesteld van de toestand van de kas. De
eerste zomer na dit besluit was er alleen een vuurwerk
en muziek van de schutterij. In een nabespreking
van het feest in de Provinciaal Overijsselsche
Courant suggereerde een journalist voorzichtig
of het niet mogelijk was ‘enige der vroegere
amusementen’ in het vervolg toch weer te laten
plaatsvinden ‘met het oog op de sympathie die de
groote massa er altijd voor toonde te bezitten, ziet
men ze noode verdwijnen’. De directie van de Ijsclub
liet zich echter niet vermurwen en hield het
bij activiteiten op de schaats.
Geraadpleegde literatuur
Hedman Bijlsma, Ien, Twa, Trije: Fuort. Het kortebaanschaatsen
in Friesland. (Heerenveen 1985).
Hedman Bijlsma en Karel Verbeek, Niet over een nacht
ijs. (Jubileumboek 100 jaar KNSB, Den Haag 1982).
J.W. Kirchner, Nederlanders door Nederlanders geschetst.
(Amsterdam 1842).
H.J.Looman, Het boek van de schaats. (Amsterdam
1944)-
S.H.Hijlkema, Nederlandsch handboek voor de IJs-sport.
(Amsterdam 1887).
W.Mulier, Wintersport. (Haarlem 1893).
D.M. van der Woude, Vrouwen in de hardrijdersbaan.
(Heerenveen 1948).
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. (Zwolle
1850-1900).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 133
De stationskap in Zwolle
Restauratie niet mogelijk
P.C. Wieringa
Het stationscomplex van Zwolle uit 1868
met zijn bijzondere perron-overkapping
en de hoge spoorbrug gelden, zoals blijkt
uit de vele geschriften die over dit complex de
laatste jaren zijn verschenen, onomstotelijk als
één van de hoogwaardige monumenten in Nederland.
De vraag van de Nederlandse Spoorwegen
in 1989 om de perron-overkapping te mogen slopen,
sloeg dan ook in als een bom.
De Rijksdienst vond de argumenten van de
NS onvoldoende onderbouwd en twijfelde aan de
uitspraak, dat een restauratie niet verantwoord
zou zijn in verband met de slechte bouwtechnische
staat van de constructie en de toegepaste belastingsberekeningen.
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg
meende dan ook, dat een nader onderzoek voor
een restauratie gerechtvaardigd zou zijn, waarbij
de volgende aandachtspunten verwerkt zouden
worden:
– een goede inventarisatie van de technische gebreken
van de constructie en het toegepaste
materiaal;
– de toepassing van de juiste normen en veiligheidsfactoren
voor de belastingsberekeningen
van de constructie van deze bijzondere ‘open/
dichte’ perronkap;
– de uitvoeringsmogelijkheden van materiaalherstel
en eventuele toelaatbare aanpassingen
aan de constructie waarbij de monumentale
waarden herkenbaar blijven.
Een werkgroep bestaande uit technisch-specialisten
van de NS, Technische Universiteit Delft
en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg hebben
dit onderzoek uitgevoerd en externe deskundigen
begeleid.
Dankzij de enorme inzet van ir. Douma van
de Nederlandse Spoorwegen, die op een bewonderenswaardige
wijze aan het onderzoek heeft
meegewerkt, is het volgende gebeurd.
Ten eerste zijn bij het demonteren van de kapconstructie
de gebreken en de vervormingen alsmede
de scheurvorming in een fotoreportage en
inventarisatie vastgelegd. Verder zijn in een windtunnelproef
de juiste uitgangspunten en waarden
vastgesteld voor de berekening van de windbelasting
op de constructie. Tenslotte is in het rapport
van prof. ir. A.L. Bouma (TU-Delft) en van ir.
G.G. Nieuwmeyer de constructie van het spant
berekend. Daarna moest worden geconstateerd
dat de aanwezige constructie niet geëigend is voor
deze situatie.
De gegevens uit het onderzoek met het doel
om de bijzondere perron-overkapping te behouden
en te restaureren of aan te passen, zullen nog
in rapporten moeten worden verwerkt. Wel kon
toen reeds gezegd worden dat – helaas – de restauratie
van de kap uitgesloten werd geacht en dat
eventuele aanpassingen aan de constructie van
een dusdanige orde zouden zijn dat er dan geen
De afbraak van de sationskap.
(Foto: Frans
Paalman)
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorlopige schets van
de voorgenomen
nieuwbouw
sprake meer zou zijn van behoud van de cultuurhistorische
waarden van het monument.
De Nederlandse Spoorwegen zullen naar aanleiding
van de resultaten van het onderzoek opnieuw
een vergunningaanvraag via de gemeente
Zwolle bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
indienen zoals wettelijk voorgeschreven is in
de Monumentenwet 1988 (art. 11 t/m 21).
Het uitgangspunt van het plan zal een nieuwe
overkapping inhouden, waarbij de karakteristieke
constructiedelen van de monumentale kap zichtbaar
worden verwerkt.
The proof is the existence?
ir. C. Douma
Diep in mijn hart heb ik de afgelopen twee
jaar gehoopt, dat onze knappe staalconstructeurs
– met hun onheilsprofetie over
een levensgevaarlijke toestand die niet langer
mocht worden gecontinueerd – dit keer enigszins
ongelijk zouden krijgen. Onder het motto the
proof is its existence, koesterde ik de hoop dat het,
in opdracht van NS uitgevoerde windtunnelonderzoek
zodanige belastings-coëfficiënten zou genereren
dat nog altijd sprake zou kunnen zijn van
een aanvaardbaar identieke en authentieke renovatie.
Weliswaar niet zodanig dat de uitzonderlijk
slanke profilering van deze sikkelspanten in alle
details zou kunnen worden gehandhaafd en hersteld,
maar dat door middel van drastische verzwaring
van de bovenrand en andere versterkingen
nog sprake zou kunnen zijn van een redelijk
vormgelijke restauratie, die nog voldoende blijk
zou geven van ‘herkenning en erkenning’ van
deze unieke constructie.
‘De stationskap wacht op een wonder’,
schreef de Zwolse Courant in mei jongstleden.
Welnu, dat wonder is niet gekomen. Windtunnelonderzoek
naar het gedrag van de (overigens
reeds drastisch vervormde!) spanten bij hoge
windbelastingen en daarbij gevolgde berekeningen
hebben zodanige resultaten opgeleverd dat
bovengenoemde NS-ingenieurs méér dan gelijk
gekregen hebben. De in opdracht van de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg uitgevoerde
tweevoudige contra-expertise door de TU Delft
kon deze desastreuze conclusies alleen maar bevestigen.
Ik citeer prof. ir. A.L. Bouma, die reeds eerder
te kennen had gegeven, dat met de huidige kennis
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
van aard en grootte van windbelastingen men een
dergelijk spant thans nooit meer zou ontwerpen:
‘Bij het beoordelen van de veiligheid van deze
perronkap is de toestand waarin deze thans verkeert
van primordiaal belang. De kap verkeert in
een slechte staat en bevindt zich bij grote belasting
in de gevarenzone. Het dit voorjaar genomen besluit
tot demontage was terecht. De conclusie
moet luiden dat de perronkap aan het einde van
zijn leven is gekomen. Sic transit.
Eenduidig is nu dan ook de recente conclusie
van de gemeente Zwolle, de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg en de NS dat sloop en vervangende
nieuwbouw onvermijdelijk zijn. Hoe die
nieuwe overkapping er precies uit zal zien, is de
komende maanden onderwerp van overleg tussen
de drie genoemde partijen.
Bijgaande schets toont een eerste impressie
van deze nieuwe, eveneens ‘monumentale’ overkapping.
Het moge duidelijk zijn dat hiermee het
laatste woord nog niet is gezegd. Zo hebben wij
bijvoorbeeld voorgesteld om karakteristieke constructiedelen
van de oude spanten als goed zichtbare
rudimenten in de nieuwe overkapping onder
te brengen.
Vast staat wél dat – ondanks diverse opvattingen
dat nu net zo goed gekozen kan worden voor
een platte overdekking of een zadeldak – NS de
handhaving van een gebogen overkapping prefereert,
omdat deze gebogen vormen zo karakteristiek
zijn voor de oude(re) stationskappen in ons
land. Die keuze garandeert tevens een onveranderd
uiterlijk van het totale stationsaanzicht vanaf
het voorplein. Zoals ook onze eigentijdse interieuraanpassing
van het voorliggende stationsgebouw
laat zien, dat wij het exterieur van ons culturele
erfgoed zorgvuldig intact laten.
Gevoel tegen verstand
J.J.delong
De sloop van de stationskap in Zwolle
wordt door iedere monumentenzorger als
een nederlaag ervaren. Een strijd is na
ruim twee jaar beëindigd. Er resten slechts foto’s
en in de toekomst delen van de kap in een museale
opstelling.
Hoe komt zoiets nu tot stand? Ik kan alleen
het proces beschrijven zoals dat bij de sectie Monumentenzorg
is ervaren. Het begon in 1989 met
de droge mededeling dat de kap ‘op’ was en moest
worden vervangen. Je reageert dan heftig in de
sfeer van ‘dat kan niet’ en ‘hij moet gerestaureerd
worden’. Doordat bestuur en burgers van de
waarde van de kap overtuigd bleken te zijn, werd
de NS gedwongen de zaak van een andere invalshoek
te bekijken. Dus niet slopen, maar restaureren
indien… Dat de NS deze optie wilde uitvoeren
wanneer technische studies de haalbaarheid
konden aantonen, was voor Monumentenzorg
een positieve wending, die enige hoop deed ontstaan.
De daarop volgende proeven bij het Nationaal
Laboratorium voor Lucht- en Ruimtevaart
leverden een aantal kentallen die een indicatie gaven
van de druk die de wind op de kap uitoefende.
In dit stadium werd echter op een dusdanig specialistisch
niveau gesproken, dat voor niet-specialisten
– en dat is bijna iedereen – de discussie
nauwelijks te volgen was. Op basis van de windtunnelproeven
concludeerden de betrokken medewerkers
van de NS, dat de kap niet voldeed aan
de normen en dat restauratie onmogelijk was. In
een poging om te kijken of de kap met aanpassingen
kon worden gered, schakelde Monumentenzorg
experts van de Technische Universiteit (TU)
Delft in. Allerlei formules, variabelen en constan-
Zichtop de kap vanaf
perron 3. (Foto gemeente
Zwolle.)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Detailopname. Versterking
van de constructie
is nauwelijks
mogelijk zonder het
ontwerp geweld aan te
doen. (Foto gemeente
Zwolle.)
Foto: Bouw nieuwe
kap.
ten zijn op de constructie losgelaten met als conclusie:
de kap kan niet worden gerestaureerd en
zou in onze tijd nooit gebouwd mogen worden.
Iedere keer dat een technisch-specialist je vertelt
dat het een mooie maar constructief geheel
ontoereikende kap is, groeit je bewondering voor
de ontwerpers van destijds en begin je je sterker
aan de kap te hechten. Immers, logenstraft de kap
al niet 125 jaar lang iedere theorie door ‘gewoon’
in weer en wind te blijven staan? Is dit praktijk tegen
theorie en gevoel tegen verstand? Hadden er
geen onderzoekingen gedaan moeten worden?
Dan zouden we de kop in het zand gestoken hebben
en dan zou nooit een redelijke besluitvorming
tot stand zijn gebracht, omdat er te weinig
bekend is van dergelijke constructies en hun gedrag
tijdens stormen. Natuurlijk kun je ervan uitgaan,
dat de TU Delft eerlijk en objectief de constructie
heeft bestudeerd in opdracht van en betaald
door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
De TU Delft heeft een mogelijke verklaring
voor het niet instorten van de kap, die neigt in de
richting van een dosis geluk waarbij het er soms
om gespannen heeft, getuige de vervormingen
van de spanten. Ook de later aangebrachte glaswanden
en het ophangen van de bedrading aan de
kap hebben mogelijk geholpen de kap overeind te
houden.
Is het dan verantwoord risico’s te nemen? Gebouwen
en constructies hebben de neiging onverwacht
in te storten. Zie de veertiende-eeuwse toren
in Italië, die zonder een zuchtje wind instortte.
Een ander voorbeeld is de A-kerk in Groningen,
waar bij toeval is ontdekt dat de pijlers gevaarlijk
aan het scheuren waren en waar stalen
kolommen in aangebracht moesten worden. Zo
zijn er voorbeelden te over, ook van gebouwen
waarin enorme veranderingen zijn aangebracht
om ze te conserveren, zoals de torens van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda en van de Martinikerk
in Groningen, waar betonskeletten de toren
dragen en het originele materiaal een beschermlaagje
is geworden.
Ingrijpende veranderingen kunnen niet toegepast
worden bij een fragiele kap, waar de constructie
tevens het visuele effect veroorzaakt. Versterking
van de constructie door het plaatsen van
een meter hoge spanten over de kap, zoals de TU
Delft adviseerde, zou een directe aantasting betekend
hebben van het monumentale aanzien. Dergelijke
ingrepen worden door weinigen nagestreefd.
Al deze ontwikkelingen hebben er bij de gemeentelijke
sectie Monumentenzorg toe geleid,
dat er gevoelsmatig steeds meer tegenstand tegen
sloop ontstond, een tegenstand die tenslotte alleen
nog op de architectonische waarde gebaseerd
was. De rapporten van de NS en de Rijksdienst
voor de Mounumentenzorg kunnen niet worden
genegeerd. We zullen ons erbij moeten neerleggen
dat restauratie onmogelijk is. Wat nu rest is samen
met de NS en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
een goede, nieuwe kap te realiseren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
De kunst van het zoeken
Bij oppervlakkige beschouwing heeft Zwolle
cultureel niet veel te bieden. Bij het horen
van de naam Zwolle met betrekking tot
kunst zal niemand op het puntje van zijn stoel
gaan zitten. Toch heeft het Zwolse archief voor
kunst- en cultuurhistorici legio mogelijkheden te
bieden. Vanwege de beperkte ruimte van het artikel
geldt als periodebegrenzing de zeventiende tot
het begin van de negentiende eeuw. Als kunstenaars
worden hier niet alleen de kunstschilders,
maar ook de ambachtslieden van de toegepaste
kunsten – de zilversmeden, tinnegieters en anderen
– en de literatoren beschouwd.
Zwolle en de kunsten
Zwolle was nooit de verblijfplaats van een groot
kunstenaar van nationale betekenis. De beroemde
Gerard ter Borch was weliswaar in Zwolle geboren,
maar hij vestigde zich te Deventer. Ook een
specifieke Zwolse schildersschool is nooit ontstaan
en een belangrijke plateelbakkerij van huishoudelijke
artikelen zoals in Delft was er evenmin.
De kunsthistorische onderzoekers kunnen
zich met een Zwols onderwerp dus niet koesteren
in de magische uitstraling die van een groot kunstenaar
uitgaat.
Een positieve factor is dat het aantal mogelijkheden
om kunst te benaderen zich de laatste decennia
enorm heeft verbreed. Naast de traditionele
manier van het bedrijven van kunstgeschiedenis,
het schrijven over een iconografisch onderwerp
of het leven van een kunstenaar, worden
studies geschreven waarin kunst onder nieuwe en
niet specifiek kunsthistorische invalshoeken
wordt bekeken. Om slechts enkele mogelijkheden
te noemen: de sociale en economische betekenis
van kunst, onderzoek naar kunstverzamelaars en
kunst als propaganda. Het is duidelijk dat al deze
mogelijkheden ook op de situatie in Zwolle toepasbaar
zijn.
Mogelijk onderzoek
Een niet onbelangrijke bijdrage aan onderzoek leveren
de archiefambtenaren, want zij ontsluiten
in de loop der jaren de archieven. In Zwolle bestaat
nu als gevolg van al dat werk een omvangrijke
collectie kaartjes, die zijn geordend op persoonsnaam
en hoedanigheid en zo een prima ingang
op de archieven bieden. Dankzij de grotere
toegankelijkheid zijn de mogelijkheden tot breder,
dieper en – niet onbelangrijk – sneller onderzoek
in het archief sterk verbeterd, vooral op de al
genoemde nieuwe gebieden.
Onderzoek naar de Zwolse ambachtsgilden,
het sociaal-economische kader voor de werkzaamheden
van de kunstenaars tijdens het ancien
regime, biedt nog talrijke mogelijkheden. Het
enige dat over de Zwolse ambachtsgilden bekend
is, is al weer ruim vijftig jaar geleden gepubliceerd
en lang niet volledig.’ Het onderzoek wordt bemoeilijkt
omdat in Zwolle geen archieven van gilden
bewaard zijn gebleven. Daarentegen bieden
de ordonnanties en de resoluties van schepenen
en raden nog tal van mogelijkheden voor onderzoek.
Het betreft dan aanvullende ordonnanties
over zowel de reglementering van de gilden als
beschermende maatregelen tegen concurrentie
van buiten de stad. Het onderzoek wordt vergemakkelijkt
omdat er één alfabetische en twee systematische
indexen op de resoluties zijn.
Zwolse kunstenaars zijn als groep nog niet onderzocht.
De omvang en daarmee het economisch
belang van de diverse gilden is thans duidelijker
vast te stellen, omdat er dankzij de kaartjes
een adequate ingang is op beroepen. Zo maakt alleen
al het simpelweg doornemen van de kaartjes
en de genoemde indexen duidelijk dat de glasschilders
in de zeventiende eeuw een belangrijke
plaats innamen. B. Dubbe heeft in zijn diverse
werken over zilversmeden en tinnegieters zeker
ook voor Zwolle pioniersarbeid verricht. Dankzij
zijn werk zijn van deze ambachtslieden al veel na-
J.C. Streng
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zogenaamde gildetafel
met de merken van enige
zilversmeden. (Foto
Provinciaal Overijssels
Museum, Zwolle.)
men bekend. Met aanvullend onderzoek moet het
mogelijk zijn enig zicht te krijgen op de sociaaleconomische
positie die ze in de stad innamen.
Daarbij is het goed zijpaden niet te vermijden. Als
voorbeeld kan het rekest van 1785 gelden waarin
onder andere de ambachtsgilden op meer invloed
in het stadsbestuur aandrongen. Welhaast alle gildeleden
zijn in dit rekest genoemd.2
Interessante mogelijkheden biedt het onderzoek
naar de sociale positie van de kunstenaars
binnen Zwolle. Per beroepsgroep lijken er bij nadere
beschouwing grote sociale verschillen te hebben
bestaan. De zilversmeden bijvoorbeeld schijnen
onder de ambachtsgilden de hoogste sociale
plaats ingenomen te hebben. Ze waren belangrijk
genoeg om tot de Zwolse elite door te dringen.
Sommige zilversmeden waren verwant aan schepenen
of raden of zaten zelf in het stedelijke bestuur,
hetzij als magistraat hetzij als lid van de gezworen
gemeente.
De spreiding van kunst onder de stedelijke elite
is tegenwoordig een geliefd object van onderzoek.
Aan de hand van testamenten en boedelinventarissen
wordt getracht een beeld te krijgen
van de materiële cultuur waarmee men zich omringde.
Onderzocht worden de aanwezige portretten,
schilderijen, het zilverwerk, de inhoud
van de porseleinkast, de omvang van de bibliotheek
en andere luxeartikelen. Onderzocht zou
kunnen worden in welke mate de elite van Zwolle
zich met zulke objecten omgaf en de mogelijke
toename daarvan in de loop van 200 jaar.
Als collectief wensten de regenten door het geven
van opdrachten hun maatschappelijke positie
duidelijk te maken. De omvang en de veranderende
vormen waarop dat in de loop van de tijd
plaatsvond, zijn nog niet onderzocht. De herenbanken
in de kerken en het stadszilverwerk zijn
bekende voorbeelden, waarschijnlijk omdat ze
(gedeeltelijk) de tijd hebben overleefd. Objecten
die van minder duurzaam materiaal zijn gemaakt,
zoals glas, zijn alleen maar uit schriftelijke bronnen
bekend. De Zwolse magistraat verstrekte tot
ver in de zeventiende eeuw regelmatig opdrachten
tot het maken van beschilderde ramen in de
kerken. De ramen waren – ter meerdere eer en
glorie van de opdrachtgevers – voorzien van de
namen en de wapens van de heren regenten en/of
secretarissen. Dit stedelijk patronaat van de kunsten,
hoe kleinschalig het ook is, verdient zeker
nader onderzoek. In de loop van het ancien regime
lijkt collectieve patronage af te nemen – het
politieke debacle van 1672 is waarschijnlijk het
keerpunt – om plaats te maken voor persoonlijke
opdrachten. In dit verband is er nog vruchtbaar
onderzoek mogelijk naar de maatschappelijke
functie van gelegenheidsgedichten.
De bron bij uitstek om de stedelijke opdrachten
te onderzoeken zijn uiteraard de stadsrekeningen.
Zij zijn over de onderhavige periode
compleet bewaard gebleven. Het nut van deze
bron wordt duidelijk bij hét lezen van de artikelen
die Dubbe en anderen over Zwolse zilversmeden
hebben geschreven. Er is echter van deze
bron nog geen gebruik gemaakt om het stedelijk
patronaat te onderzoeken. Nadeel bij de stadsrekeningen
is dat er geen index op is vervaardigd,
zodat het doornemen van de rekeningen geen sinecure
is. Het zou ideaal zijn als het onderzoek
systematisch gebeurde en vastgelegd werd op
fiches of op een andere wijze.
Resultaten
Het verrichten van een studie naar een individueel
kunstenaar of een onderzoek ter verbreding of
verdieping van de kennis over zijn werk, blijft altijd
aantrekkelijk en op dit gebied worden dan
ook de meeste resultaten behaald. In Zwolle waren
tijdens het ancien regime vaardige schilders,
glasschilders, zilversmeden en houtsnijders werkzaam.
Aan diverse kunstenaars is al aandacht geschonken
in verscheidene artikelen en boekjes,
die hier niet allemaal genoemd kunnen worden.
Uitgangspunt voor het onderzoek was in de
meeste gevallen een bestaand kunstwerk of een
oeuvre. Voor de kunstgeschiedenis van Zwolle
zijn in de laatste decennia vooral J. Verbeek en de
al genoemde Dubbe vruchtbare schrijvers geweest.
Een enkele vondst kan vaak leiden tot een
boeiend artikel met een wijdere strekking. Zo
schreef Verbeek naar aanleiding van de aankoop
van een zilveren theebusje door het Rijksmuseum
twee artikelen over de zilversmid Eusebius Willem
Voet, waarin talrijke details over het culturele
leven in Zwolle zijn opgenomen.3
Op literair gebied zijn er ook nog wel ontdekkingen
te doen over onderbelichte dichters en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
dichteressen. Recent werd, helaas wat verscholen
gepubliceerd, de vrijwel onbekende zeventiendeeeuwse
Anna Morian onder de aandacht gebracht.
4 De aanwezigheid van een kopie van het
Album amicorum van Lubbertus Rietberg in het
archief was de aanleiding een onderzoek naar
deze dichter in te stellen. Het resultaat is een poging
het werk van deze Zwolse dichter te plaatsen
in de literaire wereld aan het begin van de negentiende
eeuw. Er bleek meer over hem te vertellen
dan aanvankelijk werd verwacht.5
Besluit
Het beeld over het culturele leven in Zwolle zou al
danig in positieve zin gewijzigd worden, indien
iemand eens aan de hand van de bestaande studies
een samenvattend onderzoek zou verrichten
en de stand van zaken opmaakte. Het boek van
Hoefer, dat onbedoeld deze taak vervulde door de
erin opgenomen grote hoeveelheid informatie
over beeldhouwers, schilders en zilversmeden, is
verouderd.6
Wat de schilderkunst betreft is er een samenvatting
van de hand van Verbeek.7 Een nieuwe
studie zou echter ook de andere ambachten moeten
beschrijven en zijn voorzien van een alfabetische
naamlijst van alle Zwolse kunstenaars met
bij iedere kunstenaar de biografische gegevens,
bestaande literatuur en verblijfplaats van werk.
Uiteraard dient een geschiedenis van de gilden
aan de naamlijst vooraf te gaan. Een dergelijk
boek zou de lacunes aantonen en systematischer
onderzoek mogelijk maken. De studie zou als referentiepunt
kunnen dienen voor nieuwe onderzoeken
op diverse terreinen.
Onderzoek naar al die kleine meesters en hun
opdrachtgevers zou nog onvermoede inzichten
kunnen opleveren over het culturele leven te
Zwolle tijdens het ancien regime. Iedere bijdrage
die het beeld vollediger maakt, is welkom.
Noten
1. G.J. Hoogewerff, De geschiedenis van de St. Lucasgilden
in Nederland (Amsterdam 1947) 67-73.
2. M. van Heuven-Bruggeman, ‘Een rekest in Zwolle
in de nazomer van 1785’, in: Verslagen en mededelingen
van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsen
regt en geschiedenis 91 (1976) 70-95.
3. J. Verbeek, ‘Rond een zeshoekig theebusje’, in: Bulletin
van het Rijksmuseum 11 (1963) 94-99. Idem,
‘Een vierde theebusje van Eusebius Willem Voet’,
in: Bulletin van het Rijksmuseum 16 (1968) 13-16.
4. G.T. Hartong, ‘Anna Morian, Zwols dichteres’, in:
Overijssel in proza en poëzie (Borne 1983).
5. J.C. Streng, ‘De Zwolse dichter Lubbertus Rietberg
(1783-1826)’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1991)
40-52.
6. F.A. Hoefer, Wandelingen door oud-Zwolle (Zwolle
1912).
7. ]. Verbeek, ‘De beeldende kunst in Overijssel’, in:
B.H. Slicher van Bath e.a. (red.), Geschiedenis van
Overijssel (Zwolle 1970) 333-341.
Een houten theebusje
met zilver versierd
(rond 1700). In de dop
is de naam van de ook
op degildetafel voorkomende
smid E.W. Voet
gegraveerd. (Foto Provinciaal
Overijssels
Museum, Zwolle.)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op zoek naar onze voorouders
P. Jonkers-Stroink
David Schuschan Stibbe,
89 jaar oud, overleden
in 1806. (Foto Provinciaal
Overijssels
Museum, Zwolle.)
Genealogie of stamboomonderzoek is een
hobby die door steeds meer mensen wordt
ontdekt. Dat is niet zo verwonderlijk,
want van het achterhalen van de identiteit van
onze voorouders en het invullen van hun levenswandel
gaat een grote fascinatie uit. Het gemeentearchief
beschikt over een rijk scala aan bronnen,
waarmee het leven van vele generaties Zwollenaren
kan worden ingekleurd. Hieronder volgen enkele
voorbeelden van de soms lastige, maar altijd
interessante problemen die bij een genealogisch
onderzoek om de hoek komen kijken.
In de negentiende eeuw komen we bij het genealogisch
onderzoek over het algemeen geen al
te grote hindernissen tegen. De in 1811 ingevoerde
burgerlijke stand en het in 1850 tot stand gekomen
bevolkingsregister maken het mogelijk een stamboom
gemakkelijk tot het begin van de negentiende
eeuw terug te voeren. Vóór 1811 moeten we
gebruik maken van grotendeels door de kerkelijke
instanties bijgehouden doop-, trouw- en begraafboeken,
ook wel DTB-boeken genoemd. Deze
primaire bronnen bevatten de gegevens die de basis
van elk genealogisch onderzoek vormen, te
weten namen, verwantschappen, data en plaatsen.
Het overgrote deel van de primaire bronnen
is alfabetisch toegankelijk gemaakt, wat het onderzoek
natuurlijk aanmerkelijk vergemakkelijkt.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat er bij een onderzoek
geen problemen naar voren kunnen komen.
Zo blijken er op de lijst van zerken op de
joodse begraafplaats van Zwolle leden van de familie
Stibbe voor te komen met de vermelding: de
leviet. De vraag is nu of deze Stibbes afstammelingen
zijn van stamvader David Stibbe, die zelf geen
leviet was. Uit de bronnen kwamen de namen van
Leonardus, Lucas, Isidoor, Betje, Duifje en Eduard
Levie Stibbe naar voren. Uit verder onderzoek
bleek dat zij afstamden van de ongehuwde Duifje
Elias Stibbe, die op 25 december 1803 was geboren
en op 14 september 1879 overleed. In haar overlijdensakte
stond dat haar ouders Elias Moses Stibbe
en Beeletje Salomons Cohen waren. In een geboorteregister
van niet-gereformeerde kinderen
was in het gedeelte dat op joodse kinderen betrekking
had, te lezen dat op 10 maart 1776 Elias
was geboren, de zoon van Moses Davids Stibbe en
Marjanne Elias. Deze Moses bleek een zoon te
zijn van de stamvader David Stibbe en Duifje
Hartogs.
Zo waren de familieverhoudingen blootgelegd,
maar hoe zat het nu met die vermelding van
de leviet? Om dat te ontdekken werd verder onderzoek
gedaan naar de ongehuwde Duifje. Het
bleek dat zij samenwoonde met Hartog Cosman
Troostwijk. Deze Hartog overleed op 4 augustus
1850 als echtgenoot van de ongeneeslijk krankzinnige
Klara Davids Cohen. Verder kwam naar voren
dat de eerste kinderen van Duifje in het geZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
boorteregister als Troostwijk waren ingeschreven,
een inschrijving die later werd doorgehaald en
veranderd in Stibbe. De oplossing voor het raadsel
lag in het feit, dat Hartog en Duifje voor de
joodse wet wel degelijk gehuwd waren. Die wet
biedt namelijk onder speciale condities een man
de mogelijkheid om, als zijn vrouw krankzinnig
is, een tweede vrouw te huwen. De Troostwijks
waren levieten en vandaar dus de vermelding op
de grafstenen!
Een ander voorbeeld van onderzoek in de registers
van de burgerlijke stand en de DTB-boeken
betreft de herkomst van Cornelis Rijfkogel,
die te Zwolle op 23 oktober 1834 trouwde met Clara
Edelenbos. Uit de bijlagen bij dit huwelijk bleek
dat hij op 21 november 1802 te Heemstede geboren
was als zoon van Cornelis Rijfkogel en Maria
Royer. Meer informatie over de ouders ontbrak,
omdat ze al vele jaren ‘absent’ waren, de vader al
24 jaar. Uit de bijlagen bleek tevens dat zijn grootvader
van moederszijde in Zwolle overleden was.
Het onderzoek spitste zich dus toe op Maria Royer.
Zij werd op 24 maart 1780 geboren en op 26
maart gedoopt als dochter van Johannes Royer en
Aleida Brink. Uit het rechterlijk archief van Zwolle,
dat ook gedeeltelijk alfabetisch toegankelijk is,
bleek dat de ouders van Maria op 13 sprokkelmaand
(februari) 1811 voor de schepenen van de
stad waren verschenen om te melden dat hun
dochter al geruime tijd slecht door haar man behandeld
werd. Aleida verklaarde dat ze, toen ze
zich in het begin van 1805 op verzoek van haar
dochter Maria naar Lisse had begeven, waar het
echtpaar woonde, daar meermalen getuige van
was geweest. Vervolgens had Cornelis Rijfkogel in
lentemaand (maart) 1805 zijn vrouw en kinderen
verlaten. Daarop hadden Johannes en Aleida zich
over de kinderen ontfermd.
Vóór 181a was men niet verplicht een vaste familienaam
te voeren. Dat kan bij genealogisch
onderzoek nog wel eens tot verwarring en problemen
leiden. Zo kwamen in Zwolle een Catrina,
Adam en Bartholomeus Luikerhof voor, die respectievelijk
in 1716, 1728 en 1719 trouwden. De
dopen van deze drie Luikerhofs waren in de alfabetische
toegang echter niet terug te vinden. Maar
omdat zij of hun wederhelften onderling getuige
bij eikaars huwelijken waren, mogen we aannemen
dat we hier met leden van één gezin te maken
hebben. Een belangrijke aanwijzing was dat Catrina
bij haar begrafenis in 1740 Van Ooij werd genoemd.
De naam Van Oijen duikt namelijk wel
vaker op in verband met de naam Luikerhof. Zo
was de vrouw van Adam in 1729 getuige bij de ondertrouw
van Hendrine Esting, de weduwe van
Jan van Oijen. Jan van Oijen was zelf getuige bij
het huwelijk van Bartholomeus.
Omdat het onderzoek in de DTB-boeken geen
uitkomst bood, moesten andere bronnen opgezocht
worden. Zo werd het wijkboek van de Sassenstraat
geraadpleegd, omdat bekend was dat
Bartholomeus in de Walstraat had gewoond en
deze straat destijds in de wijk Sassenstraat was ge-
Huwelijksbokaal, gewaakt
voor het huwelijk
van Egbertus Vos
de Wael en Johanna
Maria van Sonsbeeck
op 16 augustus 1746.
Het dopen, trouwen en
begraven laat niet alleen
in het archief sporen
na. (Foto Provinciaal
Overijssels Museum,
Zwolle.)
142
J_
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op de bokaal werden
naast liefdessymbolen
en een gedicht ook de
familiewapens gegraveerd.
Het linker wapen
is van de familie
Vos de Wael. Dat bij
dit huwelijk niet alleen
het familievermogen
een rol speelde, blijkt
onder andere uit de
hartvorm van de wapens.
(Foto Provinciaal
Overijssels Museum)
legen. Wellicht dat hierin viel te achterhalen waar
de familie vandaan kwam. Bartholomeus werd
vermeld als metselaar, ‘van alhier’. Dat betekende
dat hij dus toch uit Zwolle afkomstig was. Vervolgens
zat er niets anders op dan het doopboek over
een bepaalde periode door te nemen en de doop
van elke Bartholomeus op te schrijven. Belangwekkend
was de doop van een Bartholomeus op 3
maart 1697. Zijn ouders, Peter Hofkerus en Annetje
Bartholomeus, lieten namelijk op 27 mei 1694
een dochter Catrina en op 15 februari 1699 een
zoon Adam dopen. Met deze gegevens in het achterhoofd
kon verder worden gezocht. In het
trouwboek was te vinden dat Anna Bartolomeus
op 12 februari 1682 trouwde met Hendrik van
Ooijen, soldaat onder het regiment van kapitein
Torck. Een huwelijk van Anna met Peter Hofkerus
was echter niet te vinden. Uiteindelijk bleek
dat ze onder andere namen in het huwelijk waren
getreden, want op 25 januari 1691 trouwde Anna
Karnaeij, weduwe van Hendrik van Ooij, met Peter
Haafkens, een soldaat. Deze familie is dus wel
zeer los met achternamen omgesprongen!
Uit het bovenstaande is al gebleken dat secundaire
bronnen kunnen helpen om een vastgelopen
onderzoek weer op gang te brengen. Ook
kunnen ze informatie geven over de levensomstandigheden
van onze voorouders. Zo was bekend
dat ene Gerrit Helleman circa 1755 in Zwolle
geboren was. Onderzoek bracht aan het licht dat
hij op 4 december 1755 luthers werd gedoopt als
zoon van Gerrit Helleman en Catharina Margrite
Vreese. De doop, het huwelijk of de begrafenis
van de ouders konden echter niet in Zwolle worden
gevonden, zodat het onderzoek moest worden
voortgezet in secundaire bronnen. In het
rechterlijk archief werd in een inventaris van goederen
in de wijk Diezerstraat gevonden dat de ouders
vóór half juli 1766 waren overleden. Vanaf
dat moment werd door twee lutherse ouderlingen
een lijst van alle inkomsten en uitgaven van
de wezen bijgehouden. Volgens een resolutie van
schepenen en raden van 15 juni 1791 werd de
voogdij toen beëindigd omdat alle kinderen volwassen
waren. In de boekhouding was sprake van
een stalhouderij. In de transportregisters, waarin
de aan- en verkoop van onro

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1990, Aflevering 1

Door 1990, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Zwols
Historisch
Tijdschrift
7e jaargang
1990, nr. 1
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
C*riiarii8inafji!*»ön8i mr mimii’ïiqjocs #064*1, ‘na.,, *O«>%
J no nfnnif ome nrtucr ?.
noni-ïcrrn fmttïiimev.zi
vnoiaattiiclijccrniif
fnp foncnbvni i fp~6 öiiï
ftrcbarfiip nqune $>irtf
u* rrlniflin
i mra
Ijrnis uiniB
9 ui rr rooft
ijïoiioii mi
i llfTf
ntraur
«ifi rtnti umiifrfi Qni
‘”trnfjrmiriiori rófiiiiinif! *9i
«8 mnsbnr ïrmólhn mirtii.rrfr
ini(n$ nifij rtorfiiir.öl’n rrris öif
t>) flüfip öiifnS nf(p flb ui jilifi ön’i
Oluiffl; tifnljiiS uiifir Öa
06 Öifn|mloB.öimi8 B8.1 rr
in ratWliï nï rotitrH U66 f;
rfftahmranumsfifiim ui
ligurfl.frpiillHriïrn.iol
mrr: frflDOiinrrmirifi. t*r
fi qtu6 uobi6 altnuiö Oirr
nr. öinrrni’iBÏXiShtiSop’1
fiabj.fr roufrfli Dimittrr n»S
t^orfliitf tt>nï fttii rib: nr
flörplmf r)ï Dirtil
uiïrürfinflnr.’i’iffiimTiiifö oii: rnTirrniii6 üfiiirnbi
no (iiïprr.iïiiïrctüMioi rfr
urn fflluS: n’i nl riT&iOimiiS
$0*niTir;Dtf$ fliirf fl||«o
MifliifumiSfffnifi fuy flfi
nfi rrfiiiiuT ftlnl fitbuipir.
«ftiutrt nutf Oifnpuli:firrr
rür finir pn-})flr[Ui8i|)u8.
tYsöbiitTmiurflfiiiarrpn
flntifl lnn$: firurOif I;oiirf
ff fliiibiilfm’i’loii in fêniff
fanoiute rr rbufmnlK.iioii
in nibililxrrrfiiiDinni6:iiÓ
rui rominorrr nunlflnoiir.
lil: fr fpo fiimïr fug nos off
timmrfl fiifi.rrnl Irfjig frtp
iTftrmlr.|!>!iinnifl at mr
bfl: (huufriïf üffliiurarn
TMH in UIH Jli) fliirfrrfFbsr
ttiMjos fr Hrboiit,. rr ftmtf
bflurtn ^T
door een stempel-‘wieltje’ over de band te
rollen. Het leer waarmee de platten bekleed
zijn, is van later datum dan het
boekblok, dat uit de vijftiende eeuw stamt.
Wat echter het meeste opvalt is het gat dat
aan de benedenzijde van het boek in de
achterplat is gemaakt. Dit gat is in de plat
gemaakt om er een kettingklamp in te bevestigen
zodat het boek vervolgens aan
een ketting in een bibliotheek bewaard
kon worden. Kettingklampen vinden we
voornamelijk aan boeken die een vaste
aib. 2. Emm’15, fol. 13r. Decoraiie
met acanthusranken,
verwant met Oostnederlandse
verluchting.
19907
afb. 3. Emm 19, p. 263. Initiaal
I aan het begin van het
boek Genesis (In principio
creavit..) met Keulse (?) decoratie-
elementen.
plaats in de bibliotheek hadden en niet
meegenomen mochten worden. Een voorzichtige
conclusie zou kunnen zijn dat de
boeken in het Wittenhuis aan de ketting
lagen, ofwel dat het boek in een latere bewaarplaats
aan de ketting is gelegd.
De navolgende handschriften uit de collectie
zijn opvallend vanwege hun bijzondere
decoratie. Het eerste hiervan (Emm
15) is een missaal. Dat is een liturgisch
boek met teksten die gebruikt worden bij
het vieren van de mis. Het bevat slechts
nnm-fcrrn nurcfnnie1^
rüpfhnfnbpfTnfp’eö!
fcrcbarfup rtqim6 2)«rtf/
sqj jcii6 fwMur é-rfrö fff
nr

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1990, Aflevering 2

Door 1990, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

sein1
van de Zwolse Historische Vereniging
e zomei
n’45
Colofon Redactioneel
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
en verschijnt vier maal per jaar.
Leden van de vereniging krijgen het
tijdschrift gratis toegezonden.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift
J.H. Drentje, H. Halbertsma, W.A. Huijsmans,
N. Lettinck, A. van der Wurff,
I. Wormgoor, H.C.J. Wullink.
Redactie-adres:
Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle.
Typewerk en vormgeving:
Marinus Prins (bNO).
druk: drukkerij Werktuig.
Bestuur Zwolse Historische Vereniging:
voorzitter:
J. Hagedoorn,
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle.
secretaris:
E. Tijssen,
Tichelmeesterlaan 37, Zwolle.
penningmeester:
Henk Brassien,
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle.
leden:
P.J. Berends, I. Wormgoor, R. Salet, R.T.
Oost.
Secretariaat/ledenadministratie:
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle,
(telefoon: 038 – 539 625)
Financiën:
girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging.
tarieven lidmaatschap:
jeugdleden, studenten, 65+ ƒ 25,00/jaar
leden tussen 21 en 65 jaar., ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Hoe verliep het dagelijks leven in Zwolle
in de eerste maanden na de bevrijding?
Kwam het normale leven weer vrij snel op
gang, zoals de standaard-formulering luidt?
Wil Cornelissen heeft die eerste vrije zomer
bewust meegemaakt. In het archief
vulde hij zijn herinneringen aan met documenten
en kranteberichten. Zijn verhaal
vormt de opening van het tweede nummer
van het vernieuwde Zwols Historisch
Tijdschrift.
W. van den Broeke gaat een eeuw verder
terug in de geschiedenis. Hij beschrijft de
achtergronden van een vroeg plan tot aanleg
van een Overijsselse spoorweg (1845)
dat echter niet gerealiseerd is. De ontwikkeling
van Zwolle heeft daardoor enige
vertraging opgelopen. Een waardevolle
bijdrage aan de geschiedschrijving over
Zwolle in de negentiende eeuw.
Dat saaie rekeningen uitgangspunt kunnen
zijn voor een levendig historisch verhaal
toont JJ. Seekles aan. Het reilen en
zeilen van een Zwols (soldaten)ziekenhuis
in de zeventiende eeuw wordt dankzij zijn
verslag enigszins voorstelbaar.
Tenslotte verschafte bloemist Goutbeek
ons een curieuze, doch waardevolle bijdrage
tot de Zwolse sociale geschiedenis
over het leven in en om een hooiberg.
De gebruikelijke rubrieken completeren
dit nummer.
De redactie stelt reacties op de inhoud
van het tijdschrift zeer op prijs.
Voorpagina, links:
De vermoeiende strijd zit er op. Luttekestraat (ter
hoogte van het Grote Kerkplein), 14 april 1945.
Voorpagina, rechts:
De Wilhelminasingel, 14 april 1945. Voor de komst
van de Canadezen waren de straten verlaten. De
duitse borden worden afgebroken.
(beide foto’s: Gemeente-archief Zwolle, J.P. de
Koning)
Achterpagina:
Advertenties uit Het Parool, editie Zwolle en omstreken,
uit de zomer van 1945-
1990 38
Inhoudsopgave
40 Zwolle 1945: Die eerste vrije zomer
Wil Cornelissen
W 48 ‘Men sterft alleen als men
wordt vergeten’ wn comeüssen
50 De Overijsselsche Spoorwegmaatschappij:
Een vroeg spoorwegplan (1845)
W. van den Broeke
58 Facetten van het Soldatengasthuis
JJ. Seekles
67 Hooibergen rond Zwolle A. Gombeek
38 Colofon
38 Redaktioneel
39 Inhoudsopgave
70 Mededelingen
70 Agenda
70 Personalia
1990 39
Zwolle 1945:
Die eerste vrije zomer
Wil Cornelissen
Op 14 april 1945 liep Leo Major, scout
van het Regiment de la Chaudière, als
eerste Canadese bevrijder over de
Wipstrikkerallee. Een uur later was hij
“surrounded by a very huge crowd”,
zoals hij in zijn herinneringen
schreef. 1)
In de dagen daarna vierde Zwolle feest
èn herdacht Op elke straathoek werd
gedanst In alle kerken en op alle pleinen
dankte men God en de Canadezen
voor de bevrijding. En omdat “de stad
voor verwoesting gespaard is gebleven,
kwam het normale leven weer
vrij snel op gang”, aldus Teun van der
Veen. 2)
Dat de stad voor verwoesting gespaard
was gebleven is gedeeltelijk waar. Dat het
normale leven weer vrij snel op gang
kwam is maar ten dele waar. Voor velen
zou het leven nooit meer normaal worden.
De schrijver is hier wel héél vluchtig
over de gebeurtenissen van die eerste vrije
zomermaanden heengewalst.
Het leek mij nuttig om mij eens te verdiepen
in die periode. Niet alleen omdat ik
viel over de genoemde opmerking, maar
ook omdat ik mijn geheugen over die verwarrende
tijd, die ik als jongeman bewust
meemaakte, wilde toetsen aan de bronnen
zoals die voor een groot deel te vinden
zijn in het Zwolse Gemeentearchief.
In deze bijdrage tracht ik enkele achtergronden
– en dus de grote problemen –
van de Zwolse stadsbestuurders te belichten.
Maar niet alleen dat. Ook de moeilijkheden
waar de “gewone” bevolking in die
blije maar ook ongeregelde maanden voor
kwam te staan, leken mij waard om vastgelegd
te worden.
Er werd in de maanden na de bevrijding
veel gemopperd en geklaagd. De eerste
tekenen van teleurstelling, vooral uit de
kringen van de ex-illegalen die ’t zich allemaal
zo heel anders hadden voorgesteld,
worden al spoedig duidelijk. Wellicht zal
uit het onderstaande blijken dat bestuur
èn bevolking ook nauwelijks riemen hadden
om redelijk mee te roeien. Men
moest, na vijf jaren bezetting, het ineens
weer allemaal zélf gaan doen. En dat kon
niet door verder te gaan op het punt waar
men op 9 mei 1940 was gestopt.
Wie stuurt en bestuurt?
Jhr mr M.P.M, van Karnebeek hervatte op
die 14e april 1945 zijn werkzaamheden op
het stadhuis. Echter niet als burgemeester.
Hij zou van de bevrijdingsdag tot 1 november
1945 als waarnemend burgemeester
fungeren. Van Karnebeek was op 11
oktober 1944 door de bezetter ontslagen.
Zijn taak werd met ingang van 16 november
daaraanvolgend overgenomen door de
NSB-er mr A. Meerkamp van Embden, die
in april 1945 spoorloos verdween, evenals
burgemeester P.P. Hensels van Zwollekerspel.
3)
Van Karnebeek werd gesteund door de
eveneens op 14 april weer in functie getreden
wethouders N. Boden en L. Lansink.
Dit drietal moest in de zomer van
1945 leiding geven in onze stad. Pas op 29
oktober van datzelfde jaar zou de tijdelijke
gemeenteraad worden geïnstalleerd.
Van Karnebeek begon in elk geval vrolijk.
“Ik zag hem op 14 april, met zwarte gleuf-
1990 40
hoed en met een fles jenever door de
Koestraat lopen,” herinnert P. Nekkers
zich. 4)
Toch had het burgelijk bestuur (nog) niet
veel te beslissen. Het was de tijd van het
Militair Gezag. En de namen van kolonel
Hotz, Dr P.A. Jongsma en J. Graver, en
ook van andere commandanten van de
NBS, duiken steeds uit de archieven op.
Deze NBS – Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten; de afkorting heeft nog al
eens verwarring gegeven met de NSB –
had korte tijd haar hoofdkwartier gehad in
hotel Peters op de Grote Markt, maar toen
daar Canadese officieren moesten worden
ingekwartierd, verhuisde de staf naar de
Harmonie.
De politie was nog op 1 maart 1945 onder
commando gekomen van E.H. Huizinga,
die “kort voor de bevrijding met onbekende
bestemming de vlucht nam”. 5) Na 14
april werd D.W. Toussaint tijdelijk belast
met de leiding van het Zwolse korps.
Commissaris G.J. Lettinck, die in januari
1941 door de bezetter van zijn taak was
ontheven, zou op 14 mei 1945 weer de
leiding op zich nemen.
De gemeenteambtenaren kwamen, voor
zover ze niet op hun post waren blijven
zitten, voor het grootste deel weer opduiken.
De mededelingen aan de bevolking geschiedden
voornamelijk via Het Vrije Dagblad.
Dit blad verscheen op 16 april voor
het eerst en zou tot 13 juni te krijgen zijn.
Daarna kwamen er plaatselijke uitgaven
van onder andere Het Parool, Trouw en
Het Vrije Volk. De provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant mocht niet
worden gedrukt. Dit was een gevolg van
een maatregel die door de Londense regering
genomen was. Deze maatregel hield
in dat alle bladen die na 1 januari 1943
verschenen waren, met ingang van de dag
van de bevrijding een verschijningsverbod
kregen opgelegd. De eerste Zwolsche
kwam pas op 16 februari 1946 van de
pers.
Een blik In de stad
De situatie was volgens die eerste kranteberichten
niet best in onze goede stad. Er
was grote woningnood volgens Het Parool
en “de Jeugd is voor een deel bandeloos
en verwilderd” 6), er werd een oproep gedaan
om zuinig te zijn met water (“voor
closetspoeling grachtwater gebruiken” 7))
en er verscheen een verzoek van de Nederlandse
Spoorwegen om dwarsliggers,
planken en meubilair terug te brengen. 8)
Het vuilnis kon niet worden opgehaald;
het was de laatste maanden overal maar
neergeworpen, zodat “de stad een onbeschrijfelijke
aanblik opleverde”. 9) Volgens
het Verslag van de toestand van de Gemeente
“heeft het enige maanden geduurd
voor dit alles was opgeruimd”. De gemeentereiniging
klaagde over de enkele
nog aanwezige auto’s, die door gebrek
aan benzine niet konden rijden. Bovendien
waren ongeveer 150 reservetonnen
(Zwolle had in enkele wijken nog het tonnenstelsel)
bij ’t bombardement vernietigd.
Maar de politie was op haar post. Zij trad
“onverbiddelijk op tegen de zeer ernstige
vormen aangenomen onzedelijkheid, misdadigheid
en baldadigheid”.
En dit was nog maar een deel van de problemen
waarmee men in de stad te maken
had. Om nog maar enkele zaken te noemen:
er brak in juli een tyfus- en een difterie-
epidemie uit; dit gaf in het Sophiaziekenhuis,
waar de weer teruggekeerde
Dr Spanjaard klaagde over het voortdurend
gebrek aan verplegend en huishoudelijk
personeel, grote problemen. Door
kolengebrek waren er grote moeilijkheden
rond de gas- en elektriciteitsvoorziening.
De financiële situatie van Zwolle was zorgelijk.
De stad was noodlijdend. De voortdurende
stroom voorschriften uit Den
Haag was niet altijd even duidelijk.
Een ander probleem vormden de vele
“foute” Zwollenaren die opgespoord
moesten worden of die al vast zaten. Op
zeker moment zaten er in het Huis van
Bewaring maar liefst 280 personen in arrest.
Ook moet de langzaam op gang komende
stroom berichten van het Rode Kruis betreffende
de omgekomen stadgenoten
worden genoemd, al kwam die stroom
eigenlijk pas na 1945 in al zijn verschrikkelijke
zekerheid over ons heen.
Waar liggen de grenzen?
Zoals reeds gezegd deden het Militair Gezag
(M.G.), de politie en het gemeentebestuur
alles om aan de verwarde toestand
het hoofd te bieden, al was de grens tussen
M.G., NBS en politie niet altijd even
duidelijk. Het M.G. gaf al spoedig opdracht
dat “ieder die goederen van vijandelijke
onderdanen, NSB-ers of andere
1990 41
afb. 1. Het opbrengen van
‘duits-vriendelijke’ dames,
hier op de Stenen Pijp. De
route haar de gevangenis
staat op deze (beschadigde)
foto vol belangstellenden.
(GAZ, foto: J.P. de Koning)
landverraders onder zich heeft, verplicht is
hiervan onmiddellijk aangifte te doen”. 10)
(Ik heb niets kunnen vinden omtrent een
bevel om goederen die van Joodse Zwollenaren
in bewaring genomen waren, terug
te geven. De weinige teruggekeerden
moesten vaak op eigen houtje hun achtergebleven
bezittingen opsporen. Brieven
van Hans Herzberg-Pinas en van Hilde
Marcus-Loeb, in mijn bezit, spreken hierover
boekdelen. Er bleken na de oorlog
nogal wat “Bewariërs” te zijn – Wil C.) n)
Problemen waren er ook bij het passeren
van de IJssel. Op 26 april schreef Lieut.
Bunee dat de “travel-permits only will be
issued to important government officials”.
Op 5 mei schreef de gewestelijk commandant
van de NBS Dr P.A. Jongsma aan de
burgemeester dat hij tot nader order geen
passen meer wilde afgeven voor het passeren
van de IJssel. Op 15 mei schreef de
burgemeester aan de commissaris voor
politie: “De politie beperkt zich tot de beoordeling
der politieke betrouwbaarheid
der aanvragers van reisvergunningen”. Een
maand later verleende de burgemeester
weer een reisvergunning aan de vroegere
commissaris van politie J.R. Derksema.
Hoewel op 20 juni twee stadgenoten géén
toestemming kregen om voor familiebezoek
het Twente-Rijnkanaal over te steken
of naar Zeeland te reizen, kreeg Van Karnebeek
toch op de 21e juni van de Militaire
Commandant, Lt. Van Vrijaldenhoven,
te horen dat er door ambtenaren te véél
reispassen werden afgegeven. Het zal niet
het belangrijkste probleem zijn geweest,
maar erg duidelijk lagen de bevoegdheden
klaarblijkelijk niet. Een ander voorbeeld
is dat de burgemeester op verzoek
van* de Town Major aan de plaatselijke
commandant van de NBS verzocht “om de
leden van de ‘ondergrondsche’ opdracht
te geven, dat zij niet schieten met hun geweer,
ook niet in de lucht”. 12)
Er zijn nog meer wrijvingen te bespeuren.
De commissaris van politie Toussaint wilde
niet door J. Graver worden onder-
1990 42
vraagd over de houding van de politie tijdens
de bezetting. Hij schreef dat hij van
mening was dat er slechts één plaatselijke
commandant was “en wel Dr P.A. Jongsma”.
De burgemeester schreef aan de gewestelijke
commandant van de NBS, kolonel
Hotz, “dat de leden van de NBS géén
taak hebben op gemeentelijk, politioneel
of bestuursgebied. Bovendien oefenen zij
een hinderlijke aandrang uit bij het verkrijgen
van voorrang, voor een binnenlands
paspoort”. 13)
Ook bij de praktische uitvoering van alle
werkzaamheden moeten er veel problemen
zijn geweest. Dikwijls ontbraken de
allernoodzakelijkste zaken. Het Militair
Gezag vroeg bijvoorbeeld per advertentie
in Het Vrije Dagblad “met spoed om 5
exemplaren NE en EN Ten Bruggencate
woordenboeken”. 14) En op 1 mei werden
er typistes gevraagd “die in het bezit zijn
van schrijfmachines”; bovendien werden
er “zuinig lopende personenauto’s met
chauffeur” gevraagd. 15)
Zwollenaren en Geallieerden
De houding van en tegenover de geallieerde
militairen (n& de Canadezen werden
er al spoedig Engelsen hier gelegerd),
was begrijpelijkerwijs van een andere, delicate
orde. We moesten en konden ook
veel van ze accepteren. Maar volgens de
politie mishandelden Canadese militairen
herhaaldelijk burgers. Ruiten van woningen
werden, voornamelijk op zaterdag- en
zondagavond, vernield. In juni klaagde
H. Boerrigter dat zijn polshorloge door
een Engelse militair was ontvreemd en
M. Jalink werd door beschonken Canadese
militairen neergeslagen. Bovendien vermeldde
het politierapport dat geallieerde
militairen onzedelijke handelingen pleegden
met minderjarige kinderen. De predikanten
Van Noppen (Nederlands Hervormd)
en Vreugdenhil (Gereformeerd)
schreven op 30 april aan de burgemeester
“of hij wil bevorderen dat zich na 10 uur ‘s
avonds géén minderjarige meisjes op
straat bevinden ter voorkoming van immorele
omgang ook met den geallieerden
soldaat”. Eind juni antwoordde de burgemeester
dat de voorschriften zeer ingewikkeld
zouden worden en de praktische
handhaving uiterst moeilijk. Er moeten
geen regels gemaakt worden, schrijft hij,
die niet te handhaven zijn. En hij voegde
er nog aan toe: “In het Zuiden des lands is
er ervaring opgedaan”.
Maar in de krant is daar weinig of niets
over te vinden en in het officiële Verslag
van de toestand der Gemeente Zwolle
staat “dat de samenwerking met de militaire
autoriteiten en het M.G. en de illegaliteit”
(bedoeld zal wel zijn de oud-illegalen
– Wil C.) “niets te wensen over liet”.
In mei kwam de order van het M.G. dat
de plaatselijke uitgave van Het Parool niet
meer dan één maal per week mocht verschijnen.
Papiergebrek was er de oorzaak
van.
B & W-besluiten
Er waren natuurlijk wel degelijk terreinen
waarop B.& W. bevoegdheden hadden.
Zo moest het zo langzamerhand uit zijn
met de bevrijdingspret. De burgemeester
maakte bekend dat er géén vergunningen
meer werden afgegeven voor buurtfeesten.
Nu konden er tenminste geen ruzies
meer ontstaan zoals in Schelle. Daar liep
de gemeentegrens van Zwolle en Zwollekerspel
over de Schellerallee; bij een
buurtfeest mocht één kant van de straat
van de andere kant niet meefeesten. Er
ontstond natuurlijk een grote rel.
Op 4 mei besloten B & W om Dr C.G. van
Essen tot conrector van het gymnasium te
benoemen. Eigenlijk had dit al in 1941
moeten ingaan, maar de secretaris-generaal
van het toenmalige Departement van
Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming
keurde die benoeming toen
niet goed, omdat “loyale houding ten opzichte
van de bezettende macht niet bij
van Essen gewaarborgd was”. 16)
Een geheel andere mededeling ging in tegen
onze Hollandse properheid. Er zou
namelijk streng worden opgetreden tegen
het onnodig gebruiken van het schaarse
water. “Er wordt nog dagelijks geconstateerd
dat water voor niet noodzakelijke
doeleinden wordt gebruikt, zoals straatschrobben
en gevelwassen”. 17) Vandaar…
In de krant werd ook bekendgemaakt dat
bij inkwartiering en vordering door Britse
strijdkrachten vergoedingen konden worden
toegekend. Voor een officier kreeg
men ƒ 1,25 per nacht. Uiteraard was dat
voor onderofficieren en minderen lager
(f 0,65), en voor “slaapruimte met strooligging
ƒ 0,30 en zonder strooligging
ƒ 0,20”. 18) Dat er gebruik van is gemaakt,
blijkt uit de gevonden rekeningen.
Financiën spelen altijd, maar zeker ook in
1990 43
die “bevrijdingszomer”, een belangrijke en
steeds terugkerende rol. En zoals zo vaak
ging het ook toen over grote, maar zeker
ook over kleine bedragen. Er moest orde
op zaken komen. Het Sophia-ziekenhuis
probeerde dan ook 19 dagen verpleeggeld
4 ƒ 3,00 plus ƒ 107,15 (dat was voor de
operatiekamer, verstrekte medicamenten,
een narcose van ƒ 2,50 en een laboratoriumonderzoek
van ƒ 3,00) te krijgen van
de militair E.G. Dodds. Het Sophia heeft
het geld nimmer kunnen innen, want later
bleek dat de naam Dodds waarschijnlijk
verzonnen was. De Grote Sociëteit trachtte
ƒ 175,00 los te krijgen van de geallieerde
militairen, omdat er biljartballen gestolen
waren. De melkboer Willem Westenberg
had schade, doordat een dronken Canadese
of Engelse militair achteruit tegen zijn
bakfiets reed. Willem leed een schade van
80 liter melk en 25 liter karnemelk.
D.P. Nekkers, de directeur van Odeon,
deed bij de politie aangifte van de vermissing
van 10 flessen bier, waarde ƒ 1,40.
Maar de geallieerde maakten een goede
indruk toen ze meldden, per advertentie,
dat bij het te geven bal door de staf der
Canadezen in De Oude Dellen in Heerde
“de dames beneden 21 jaar per auto thuis
gebracht zullen worden, desgewenscht gehaald”.
19)P255
Van geheel andere aard was het briefje dat
vader Eugène Taymans aan de burgemeester
schreef. Hij verzocht inlichtingen
over zijn zoon Henry L.J.M. die op 28 november
1944 boven Zwolle zou zijn neergeschoten.
“Ik veroorloof mij U enige inlichtingen
te geven” (bedoeld zal zijn: te
vragen — Wil C.) “over zijn lot, zelfs het
slechtste”. 20) Door de politie worden er
rapporten opgesteld: “Taymans sneuvelde
in de Bloksteeg, nadat het toestel boven
de ambachtsschool was aangeschoten. Het
lijk lag 3 dagen in regen en wind. De bezittingen
zouden door de Duitsers van de
Organisation Todt zijn geroofd. De militair
werd op de Kranenburg begraven”. 21) Vader
Taymans zal iets van het bovenstaande
te horen hebben gekregen. Pas vele jaren
later zou blijken dat de namen Smik
en Taymans verwisseld waren.
Dr P.A. Jongsma, de plaatselijke commandant
van de NBS, schreef aan de burgemeester:
“In illegale kring is weinig vertrouwen
in de voortvarendheid ban de
Commissie roerende en onroerende goederen”.
Hij stelde voor om uit illegale
kring te benoemen A.N. Nieuwpoort en
E. van der Pers. 22)
De gemeentebesturen probeerden natuurlijk
weer zo snel mogelijk orde in de administratie
te krijgen. Als illustratie moge
dienen het bericht dat de gemeenteontvanger
van Zwollekerspel, J. Bosch,
bekend maakte dat er géén boete zou vallen
als de hondenbelasting vóór 1 juni zou
worden betaald. In de euforie van de bevrijding
waren zeker veel mensen deze
hondenbelasting vergeten. Typerend vond
ik het bericht dat aan het gemeentebestuur
van Deventer de tweede distributiestamkaarten
werden gestuurd, ten name
van Jan Theodoor van de Broek, arts, zijn
echtgenote Hilde Stoffel en de kinderen
Ernst, Hans en Alexander Emanuel, allen
wonende te Deventer, Pothoofd 35. “Het
blijkt thans dat deze personen het gezin
vormen van A.E. Marais, arts te Zwolle,
ondergedoken Jood. Zij zijn nu in Noodregistratie
opgenomen. Wij brengen hierbij
de dankzegging van betrokkenen over”.
23)
De eerste dolle pret is over
Bij de politie kwamen er in de junimaand,
zoals gezegd, veel klachten en aangiften
van diefstal binnen. Temidden van al deze
en ook andere berichten over burenruzies,
vechtpartijen en dreigementen iemands
onvaderlandslievende houding tijdens de
bezetting aan te zullen geven, kwam Roeloef
Horreüs de Haas melden dat hij coloradokevers
had gesignaleerd. Er dreigde
namelijk in die zomer een invasie van die
voor de aardappeloogst zo schadelijke kever.
Maar de Haas was waakzaam. Een typerend
berichtje voor mensen die hem
hebben gekend.
Drie maanden na de bevrijding, op de 13e
juli, kwam het goede bericht dat “er de
volgende week weer gas zal zijn”. 24) Er
staat bij: een heel uur van 11.15 – 12.15. In
verband daarmee zal de gemeentesecretarie
van Zwollekerspel gesloten zijn van
12.15 – 1.45. De ambtenaren kunnen dan
gauw naar huis om een hapje te eten.
“Maar de levering van water en van elektra
zal nog mondjesmaat geschieden”. 25)
B & W verboden in die julimaand het
zwemmen in het Zwartewater, Almelose
kanaal, Nieuwe Vecht en de Willemsvaart
in verband met de uitgebroken tyfus-epidemie.
De toestand in het Sophia-ziekenhuis
werd zó precair dat er in augustus al-
1990 44
‘X, afb. 2. De bekende Zwollenaar
Gait Mulder speldt op
de Diezerkade een oranje
strikje op.
(GAZ, foto:J.P. de Koning)
leen nog maar ernstige patiënten werden
opgenomen. Gelukkig kwam er hulp op
het gebied van medicijnen en voedingsmiddelen.
Dr Spanjaard maakte met dankbaarheid
melding van zendingen koffie,
suiker, blikjes melk en rozijnen van het
Amerikaanse Rode Kruis, sinaasappelsap
in flessen van Nederlanders in Zuid-Afrika
en … melkpoeder van Z.H. de Paus.
Politierapporten blijven een bron van informatie.
Zij geven soms in enkele regels
waardevolle achtergrondinformatie. Zo
werd er bij Reinders’ Oliefabrieken politieassistente
gevraagd bij het lossen van pinda’s
omdat het personeel van de fabriek
de jeugd daar niet van af kon houden.
Ook moest de politie ingaan op een
klacht van badmeester Ter Haar omdat het
openluchtbad was gevorderd door Canadese
militairen en “een grote menigte
heeft zich rondom verzameld en wenst
toegang tot het bad”. 26)
Ernstiger zaken vroegen op het stadhuis
de aandacht. Het Rode Kruis verzocht in
verband met hun opgraving en identificatie
adressen te vermelden van in Amersfoort
gefussilleerde Zwollenaren.
Voor de P.O.D. (Politieke Opsporingsdienst)
tekende commissaris Lettinck vele
arbeidsovereenkomsten. Er moesten veel
tijdelijke opsporingsambtenaren komen
omdat gedurende die hele zomer politieke
delinquenten werden binnengebracht.
De commissie Roerende Goederen van vijanden
en landverraders op de Melkmarkt
schreef dat ze ook nog veel Joodse goederen
had. Het toezicht was onvoldoende en
er werd in verband met diefstallen om
uitbreiding van het personeel gevraagd.
Op 11 augustus 1945 antwoordden B & W
dat niet alleen de gevraagde controleur
(f 1800 per jaar) er zou komen, maar dat
er ook 5 magazijnknechten (a ƒ 0,64 per
uur) en 1 loopjongen (voor ƒ 7,50 per
week) aangesteld zouden worden.
Op 1 augustus meldde de militaire commandant
dat de avondklok was opgeheven,
’s Nachts mochten we dus weer naar
1990 45
afb. 3. Jhr mr M.P.M, van
Karnebeek (GAZ, foto: J.P.
de Koning)
r
buiten. De gaslevering werd met een
kwartier verlengd.
Van Karnebeek waarschuwde de burgers
dat ze bij het opruimen van de Duitse versperringen
(er waren veel bunkers bij
bruggen en in parken) door geallieerde en
Nederlandse militairen minstens 300 meter
afstand dienden te bewaren.
Installatie van een nood-gemeenteraad
en het plotselinge vertrek van Van
Karnebeek
Van groot belang was het instellen van
een adviescommissie die een kiescollege
van 87 kiesmannen- en/of vrouwen moest
vormen. Deze 87 zouden dan uiteindelijk
de tijdelijke (of nood-) gemeenteraad van
27 personen moeten kiezen. Het was een
ingewikkelde procedure en men ging zeer
zorgvuldig te werk. De commissie van 87
zou niet alleen moeten bestaan uit 3 boeren,
22 ambtenaren, 18 middenstanders,
25 arbeiders en 19 leidinggevende, maar
ook uit 23 Nederlandse Hervormden, 18
Roomskatholieken, 12 gereformeerden, 26
Democratisch Socialisten, 3 personen van
de Waarheidsgroep en 5 “diversen”. Het
werd later nog ingewikkelder toen op 29
september van 14 Antirevolutionaire en
Christelijk Historische bewindsmannen het
bericht kwam dat “men op principiële en
practische gronden niet bereid is aan deze
verkiezingen deel te nemen”. 27) Die gronden
worden duidelijker als men de uitspraken
van landelijk AR-voorman Jan
Schouten in de Buitensociëteit leest. Hij
zei: “Omdat de regering met de nieuwe
gemeenteraadsverkiezingen recht en wet
met voeten treedt, meen ik van elke Antirevolutionair
te kunnen vragen zich niet
verkiesbaar te stellen bij de komende gemeenteraadsverkiezingen.
Christendom en
Humanisme kunnen niet samengaan.”
Schouten noemde de NVB (Nederlandse
Volksbeweging) “een valse eenheid en
verweet haar en de huidige regering methodes,
waaruit de nazi-invloed zonneklaar
sprak”. 28) Jan Schouten had het kennelijk
niet erg begrepen op de regering
Schermerhorn – Drees. Dit werkte dus ook
door in de Zwolse politiek.
Op 29 oktober werd de noodgemeenteraad
geïnstalleerd. Alle 27 leden waren heren.
Men had toen al een tiental dagen
kunnen wennen aan de gedachte dat Van
Karnebeek zou vertrekken. Ten Heuvels
Krant meldde op de 20e oktober al dat geruchten
“dat de waarnemend burgemeester
ontheffing uit zijn functie zou hebben
gevraagd thans zekerheid zijn. Het bericht
wekt bewondering en teleurstelling”. 29)
Op 31 oktober werd in een speciale raadsvergadering
afscheid genomen van Van
Karnebeek. Zijn ontslag ging de volgende
dag in. De oud-burgemeester heeft vele jaren
later in een interview met de Zwolse
1990 46
Courant privé-omstandigheden aangevoerd
als grond voor zijn ontslag. Hij wilde
scheiden en vond dat hij als gescheiden
man niet als burgemeester kon aanblijven.
Er is ook een (mondeling overgeleverd)
bericht dat zijn ontslag een politieke
achtergrond zou nebben. Feit is dat de
Zwolse Courant ruim twee jaar later, op 15
januari 1948, meldde dat “bij wege van
rechtsherstel op zijn verzoek eervol ontslag
is verleend aan jhr mr M.P.M. Van
Karnebeek als burgemeester van Zwolle
met ingang van 1.11.’4 5”.
Conclusie
Veel is (nog) onbesproken gebleven over
“die eerste vrije zomer”. De terugkeer van
de Joodse Zwollenaren, de zuivering van
de honderden “foute” stadsgenoten, het
weer op gang komen van de plaatselijke
politieke partijen en nog andere onderwerpen
komen wellicht in een later stadium
aan de orde. Uit het bovenstaande
blijkt overduidelijk dat de zomer van 1945
toch niet als “normaal” de Zwolse geschiedenis
mag ingaan.
Hoewel het burgerlijk gezag moeite deed
om weer greep op het reilen en zeilen in
onze stad te krijgen, is dit niet direct na de
bevrijdingsroes gelukt. In de maanden die
volgden na die glorieuze 14e april bleken
er veel competentiegeschillen te zijn tussen
het college, de georganiseerde NBS,
de ongeorganiseerde oud-illegalen, de politie,
het Militair Gezag en de geallieerden.
Maar Zwolle was vrij en dat was na die
vijf donkere jaren het belangrijkste. 30)
Noten:
1. Origineel bij dhr. J. Hagedoorn
ie Zwolle
2. Teun van der Veen c.s.,
Zwolle 750 Jaar In woord
en beeld gevat. (Zwolle
1980)
3. In de na-oorlogse notulen
van de B & W-vergadering
van die gemeente wordt er in
dit verband over de “waarnemend”
(tussen aanhalingstekens)
burgemeester gesproken.
4. Mededeling P. Nakkers, 1
maart 1988
5. Verslag van de toestand der
Gemeente Zwolle over de jaren
1940 – 1945
6. Het Parool 18 april 1945
7. Het Vrije Dagblad 19 april
1945
8. Het Vrije Dagblad 20 april
1945
9. Verslag van de toestand der
Gemeente Zwolle over de jaren
1940 – 1945
10. Het Vrije Dagblad 20 april
1945
11. Bewariërs: licht spottende
naam voor de niet joden
(“Ariërs” in de taal van de
Duitsers) die bij wegvoering
of onderduik van de joden
goederen in bewaring hadden
genomen, “’t is allemaal
maar tijdelijk en we zullen ’t
jullie na terugkomst beslist teruggeven.”
Helaas waren
sommige mensen, wat dat
laatste betreft, enigszins vergeetachtig

12. Brief van Burgemeester aan
Pl.Cdt NBS, Nieuwe Haven
12a, dd. 25.4.’45. In Gemeente-
archief Zwolle (GAZ)-
AAZ03.
13. Brief van Burgemeester aan
Gewestelijke Cdt NBS, Hertenstraat
10, dd. 26.4.’45, in
GAZ-AAZ03
14. Het Vrije Pagblad 26 april
1945
15. Het Vrije Dagblad 1 mei 1945
16. Besluit B & W 4 mei 1945
17. Het Parool 19 juni 1945
18. Het Vrije Dagblad 28 april
1945
19. Het Parool 23 juli 1945
20. Brief Eugène Taymans, dd. 1
juni 1945 in GAZ-AAZ03
21. Rapport Gemeentepolitie dd.
24 juli 1945 in GAZ-DA003
22. Brief dd. 6 juni 1945 in GAZAAZ03
23. Brief van Gem. Bestuur
Zwolle aan id. Deventer, dd.
29 juni 1945 in GAZ-AAZ03
24. Het Parool 13 juli 1945
25. Ibidem
26. Politierapport dd. 15 juli 1945
in GAZ-DA003
27. Het Parool 29 september
1945
28. Het Parool 24 september
1945
29. Ten Heuvels Krant 20 oktober
1945
30. Het bronnenmateriaal is aanwezig
bij het gemeente-archief
van Zwolle. Het is bekend
dat bepaalde bronnen
pas na 50 jaar openbaar zijn.
Het werd mij echter, onder
bepaalde voorwaarden, toegestaan
om van enkele van
dit soort archivalia (met name
politiegegevens, NSB-documentatie,
etc.) gebruik te maken.
Graag wil ik de stadsarchivaris,
drs F.C. Berkenvelder,
voor zijn medewerking
in deze dank zeggen. Verder
dank ik de heren H.J.H.
Knoester, J.L. Admiraal en
vooral W.A. Huijsmans.
1990 47
‘Men sterft alleen
als men wordt vergeten’
Wil Cornelissen
Binnenkort zullen aan diverse panden
In onze gemeente plaquettes worden
aangebracht Zij geven de plaats aan
waar In de jaren 1940-1945 ‘iets’ Is gebeurd.
Dat ‘Iets’ vraagt natuurlijk om
een nadere uitleg en verklaring.
Het huis van de heer en
mevrouw Noordhof, P.C.
Hooftstraat 18 (foto: J. Hagedoorn)
Er zijn in die jaren in veel woningen en
gebouwen acties voorbereid tegen de
Duitse bezetters. Gewapende en ongewapende
overvallen werden er gepland en
voorbereid, op diverse plaatsen werden illegale
bladen gedrukt, er werden onderduikers
verborgen. Ook zijn er plaatsen
aan te wijzen waar verzetsmensen of gijzelaars
gevangen werden gehouden en er
zijn stadsgenoten omgekomen bij bombardementen.
Kortom, ook in onze stad zijn
er (nog) veel plaatsen die herinneren aan
de oorlogsjaren. Zwolle staat niet in de geschiedenisboekjes:
het was geen Putten,
Rotterdam of Texel; het was – zeker in die
jaren – een gewone provincieplaats. Maar
oorlog en bezetting trekken zich niets aan
van gemeentegrenzen en dus bleek ook
het verzet overal te zijn. Wat dat betreft
was de Overijsselse hoofdstad geen uitzondering.
Na overleg en met medewerking van het
gemeentebestuur werd een werkgroep samengesteld
die als doelstelling kreeg een
inventarisatie te maken van panden die
voorzien moesten gaan worden van een
gedenkplaat. Deze werkgroep moest het
plan nader uitwerken. De werkgroep, die
in september 1989 van start ging, bestond
uit de heren J.T. Teunis (stadsontwikkeling/
monumentenzorg), W.A. Huijsmans
(gemeente-archief), J. Hagedoorn (Zwolse
Historische Vereniging), G. van der Brug
(gemeenteraadslid) en W. Cornelissen (initiatiefnemer).
De bijeenkomsten van de werkgroep verliepen
in een prima sfeer. Er bleken –
vooral na een oproep in de plaatselijke
pers – veel plekken te zijn, te veel zelfs,
1990 48
die in aanmerking konden komen; er zou
echter beslist geen ‘woud’ van plaquettes
mogen ontstaan.
Een belangrijk punt van bespreking was
of er ook ‘plaatsen van het kwaad’ gemarkeerd
moesten worden. Moesten bijvoorbeeld
het huis waar de Ortskommandant
zetelde en het Kringhuis van de NSB in de
lijst worden opgenomen? Na ampele discussie
besloot de werkgroep dit wèl te
doen: uit historisch oogpunt gezien zou
het natuurlijk onvolledig zijn om wel de
‘verzetshuizen’, maar niet de plaatsen
waartegen men zich verzette, te benoemen.
Praktische problemen konden zich nog
voordoen met betrekking tot de noodzakelijke
toestemming van de huidige eigenaren,
de juiste teksten en de afmetingen
van de plaquettes.
De werkgroep deed ook nog suggesties
aan het gemeentebestuur om bepaalde
plaatsen extra te markeren. Als zodanig
komen in aanmerking: het stadhuis, waar
omgekomen ambtenaren kunnen worden
vermeld, het Engelse Werk, waar gearresteerde
onderduikers zijn doodgeschoten,
de Bollebieste, waar slachtoffers van een
bombardement vielen en de vroegere veelading
(nu PTT post-station, Westerlaan)
vanwaar de meeste joodse stadgenoten
werden weggevoerd.
Met vreugde constateer ik dat op 5 mei j.1.
tijdens een plechtige bijeenkomst de eerste
plaquette door de burgemeester van
Zwolle is onthuld. Deze plaquette is bevestigd
aan het woonhuis P.C. Hooftstraat
18, waar de heer en mevrouw Noordhof
tijdens de Tweede Wereldoorlog tot veertien
Joodse landgenoten een veilig onderdak
hebben geboden.
De overige borden zullen in de loop van
de komende maanden worden aangebracht.
ADVERTENTIE’S.
OPSLAG
JUQfc’M TiaiiN &ILLJJKS
YllU • Woft OEN tf/f o ^
In 19″13 vierde Johan Barlel
(vader van ‘onderduikmoedcr’
Atic Noord>iof,
l’.C. llooftslraat 18) zijn 72c
verjaardag.
Uil hel ‘feestprogramma’
deze wal wrange
advertentie …. (materiaal:
Wil Cornclissen)
1990 49
De Overijsselsche
Spoorwegmaatschappij:
Een vroeg spoorwegplan
W. van den Broeke
Over de aanleg van spoorwegen In
Nederland leidt een aantal misvattingen
een hardnekkig bestaan. Daarvan
zijn voorbeelden te vinden in wetenschappelijke
verhandelingen, zowel
als in populaire geschiedenisboeken.
Zo zou in ons land de betekenis van
de spoorwegen pas laat ontdekt zijn,
omdat wij over een uitgebreid net van
goede waterwegen beschikten. De aanleg
van onze spoorwegen zou gefinancierd
zijn door buitenlandse vermogensbezitters,
omdat de Nederlandse
kapitalisten hun vermogen nlet-risicodragend
wensten te beleggen. Een andere
veelgehoorde misvatting is, dat
de Indische baten in belangrijke mate
hebben bijgedragen in de aanlegkosten
van ons spoorwegnet. Deze opvattingen
zijn door recent historisch
onderzoek wel grotendeels achterhaald.
D
De aanleg van de eerste spoorlijn (Amsterdam-
Haarlem) vond slechts 14 jaar later
plaats dan de aanleg van de eerste spoorlijn
ter wereld (Stockton-Darlington). Men
kan dus bepaald niet beweren, dat Nederland
in dit opzicht achterliep. De veelgeroemde
waterwegen waren alleen in het
westen van ons land goed bevaarbaar; in
de overige delen van Nederland waren
vooral de rivieren minder geschikt voor de
opkomende stoomvaart. In het westen
ging het vervoer per spoor een welkome
aanvulling vormen op het traditionele personenvervoer
per trekschuit of diligence.
Natuurlijk ontbrak het niet aan klaagzangen
van onder andere de beurtschippers
die zich in hun broodwinning bedreigd
voelden. Maar tot omstreeks 1850 vormde
het vervoer per spoor in het westen van
Nederland geen acute bedreiging voor de
bestaande middelen van vervoer.
Financieringsproblemen hebben bij de
realisatie van ons spoorwegnet nooit een
doorslaggevende rol gespeeld. Het beginkapitaal
werd in vrijwel alle gevallen door
Nederlandse vermogensbezitters verschaft;
het werkkapitaal echter door buitenlanders.
De Indische baten waren alleen van belang
voor de aanleg van het net van de
Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.
De overheid financierde
voor deze maatschappij de aanleg van de
‘aarden baan’ en deed daarbij een beroep
op het batig slot van de Indische begroting.
De Nederlandse spoorwegactiviteiten liepen
dus in geen geval achter bij die van
het omringende buitenland. Wel droegen
die Nederlandse activiteiten een ander karakter.
2) Zo was de rol die de overheid
ten aanzien van de spoorwegaanleg speelde
uniek: staatsaanleg van de spoorlijn en
particuliere exploitatie. Die combinatie trof
men vrijwel nergens elders aan. De voltooiing
van het totale, nationale spoorwegnet
liet inderdaad lang op zich wach-
1990 50
ten. Specifieke problemen bij de constructie
van de spoorweg hebben daarbij zeker
een rol gespeeld (bijvoorbeeld de slappe
ondergrond en het grote aantal te overbruggen
waterwegen). Voor deze problemen
werden echter creatieve oplossingen
gevonden: de toepassing van beweegbare
bruggen; de versterking van de slappe ondergrond
met behulp van roosterwerken
en rijshout. De conclusie ligt dan ook voor
de hand: het begin van de spoorwegaanleg
in Nederland vond niet bijster veel later
plaats dan elders in Europa. De specifieke
problemen bij de aanleg van spoorwegen
zorgden er wel voor dat de voltooiing
van het gehele spoorwegnet enige
tijd op zich liet wachten. De creativiteit
van ondernemers, technici en financiers
stond echter borg voor een adequate oplossing
van deze problemen.
De Overijsselsche Spoorwegmaatschappij
in vergelijking tot de Hollandsche
yzeren Spoorwegmaatschappij
(HSM) en de Nederlandsche Rhijnspoorwegmaatschappij
(NRS)
Het geschetste beeld is van toepassing op
de eerste spoorwegmaatschappijen in
Nederland: de HSM en de NRS. De slappe
ondergrond stelde de constructeurs van de
Hollandsche Ijzeren Spoorwegmaatschappij
voor grote problemen. Door de inventiviteit
van onder andere hoofdaannemer
Plooster werden deze problemen betrekkelijk
snel opgelost en zo kon op 20 september
1839 de lijn Amsterdam-Haarlem
worden geopend. In de loop van de jaren
veertig werd het net uitgebreid tot Rotterdam
(via Leiden en Den Haag). Ook bij
de aanleg van deze trajecten waren de nodige
strubbelingen te overwinnen. Vooral
problemen met de onteigening van de benodigde
gronden speelden daarbij een belangrijke
rol. Maar ook voor die problemen
wist men creatieve oplossingen te
vinden, zoals het omzeilen van het beruchte
laantje van Van der Gaag. Wat de
wijze van financieren betreft, voerde de
HSM een progressief beleid. De bij deze
maatschappij gevolgde financieringsmethode
resulteerde in een verhouding van
eigen en vreemd vermogen van 1:2. Dat
was voor die tijd volstrekt ongebruikelijk.
Contemporaine deskundigen op het gebied
van de spoorwegfinanciering stonden
een tegenovergestelde vermogensverhouding
voor, waardoor het van derden betrokken
vermogen ruimschoots werd gedekt
door het in de onderneming aanwezige
eigen vermogen.
De participanten in het eigen vermogen
waren in eerste instantie vrijwel uitsluitend
Nederlandse vermogensbezitters of commissionairs
in effecten. De deelnemers in
het aandelenkapitaal van de onderneming
zagen hun deelneming primair als speculatieobject.
In dat opzicht werden de
hooggespannen verwachtingen echter snel
de bodem ingeslagen. De gerealiseerde
rendementen op hun beleggingen gingen
de algemeen geldende rentestand nauwelijks
te boven. Ten gevolge daarvan wendden
deze vermogensbezitters zich al snel
gedesillusioneerd af en zochten hun heil
elders, bijvoorbeeld in buitenlandse spoorwegwaarden.
Een soortgelijke ontwikkeling
voltrok zich vermoedelijk ook in andere
delen van West-Europa. Ook daar
bleken de beleggingen in nationale spoorwegwaarden
weinig lucratief en leek deelneming
in het maatschappelijk kapitaal
van buitenlandse, bijvoorbeeld Nederlandse,
spoorwegmaatschappijen aantrekkelijk.
In ieder geval droegen dergelijke beleggingen
een sterk speculatief karakter.
Vooral het ontbreken van voldoende informatie
droeg daartoe bij. Men was kennelijk
bereid veel risico te nemen in ruil
voor een hoge winstverwachting. Veel
aandelen van de HSM raakten door deze
ontwikkeling in Duitse handen. Het grote
aantal Duitse vestigingen van een aantal
Amsterdamse bankiershuizen, zoals Königswarter,
Bischoffsheim, Sichel, Hollander
en Lehren is aan deze ontwikkeling
niet vreemd geweest.
Een soortgelijk beeld kan worden geschetst
van de NRS, hoewel er verschillen
bestaan. De in 1845 opgerichte NRS exploiteerde
aanvankelijk de lijn Amsterdam-
Utrecht-Arnhem. In 1856 vond de aansluiting
plaats op het Duitse spoorwegnet, zodat
Amsterdam per spoor rechtstreeks verbonden
werd met het Ruhrgebied. Een
jaar eerder was de lijn Utrecht-Rotterdam
tot stand gekomen. Door de rechtstreekse
verbinding met het Duitse achterland
droeg deze onderneming een ander karakter
dan de HSM. Het goederenvervoer was
voor de NRS van meet af aan veel belangrijker
dan het personenvervoer. Bij de
HSM was het omgekeerde het geval. De
NRS voorzag in zijn vermogensbehoefte
op een wijze zoals die door contemporai-
1990 51
ne financieringsdeskundigen werd voorgestaan
(eigen vermogen:vreemd vermogen
= 2:1).
De initiatiefnemers van de Rijnspoorweg
(de voorloper van de NRS), zowel als de
deelnemers in de eerste geldlening waren
allen Nederlanders. Geen van die initiatiefnemers
komt echter voor als deelnemer in
het maatschappelijk vermogen van de
NRS. Het maatschappelijk kapitaal van de
NRS werd voor 2/3 door Engelsen gefourneerd.
Bovendien waren de twee belangrijkste
Nederlandse aandeelhouders op
Engeland georiënteerde ondernemers (L.J.
Enthoven en Ch. Wilson). De overeenkomst
met de HSM is duidelijk. Het werkkapitaal
werd door buitenlanders verschaft;
de initiële vermogensverschaffers
waren echter Nederlandse beleggers. Ook
het verschil is in het oog springend. Van
een Duits overwicht is hier geen sprake,
maar de Engelse invloed is overduidelijk
aanwezig.
In hoeverre is het hierboven geschetste
beeld nu van toepassing op de Overijsselsche
Spoorwegmaatschappij? De vergelijking
kan in dit geval niet helemaal opgaan,
omdat de Overijsselsche Spoorwegmaatschappij
nooit daadwerkelijk heeft
bestaan: Maar een aantal vragen kan wel
gesteld en beantwoord worden en op die
punten kunnen vergelijkingen worden gemaakt.
Wie waren de initiatiefnemers, welke
richting had de spoorlijn; wie waren de
initiële vermogensverschaffers en wat waren
hun verwachtingen en waarom is het
genomen initiatief nooit gerealiseerd?
De betekenis van de Overijsselsche
Spoorwegmaatschappij voor de stad
Zwolle
In het begin van de negentiende eeuw
zette de achteruitgang van de Zwolse transitohandel
op Duitsland die in de loop
van de achttiende eeuw een aanvang had
genomen — zich voort. De slechte bevaar-
Verkeerssituatie in Overijssel
(Bron: Tijdschrift voor
economische en sociale geografie,
jrg. 39 (1948) 352)
Vergaring
Spoorwagen
Kanalen
•”” – – – – – Straat wagen
1990 52
baarheid van de Vecht en de hoge in- en
uitgaande rechten waren er de oorzaak
van dat deze eertijds voor Zwolle zo belangrijke
handel meer en meer naar Hamburg
en Bremen werd verplaatst. Tegen
het midden van de vorige eeuw was de
transitohandel geheel komen te vervallen.
Sommige auteurs en ook contemporaine
scribenten waren van mening, dat vooral
de conventie van Mainz van 31 maart 1831
de Overijsselse transitohandel veel nadeel
had berokkend. Bij dat verdrag werd het
transitoverkeer op de Rijn en de Waal aan
een vast recht onderworpen en ontdaan
van talrijke, lastige formaliteiten ten gunste
van Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht.
De Kamer van Koophandel en Fabrieken
te Zwolle zag in de genoemde conventie
een poging om de overheersende positie
van Holland te handhaven ten nadele van
de Overijsselse steden. Van Vuuren was
van mening dat de Kamer van Koophandel
onvoldoende oog had voor de hoofdoorzaak
van de achteruitgang van de internationale
handel van Zwolle. ‘De Mainzer
conventie is een uitvloeisel van de vrijmaking
der internationale waterwegen,
gericht naar de wereldzeeën. Ware de
Geldersche IJsel van meet af aan in het
waterwegenstelsel van den Rijnstroom in
het deltagebied opgenomen geweest en
ware het Zwolle gelukt met dien internationalen
vaarweg een behoorlijke verbinding
op eigen grondgebied te verkrijgen,
dan zoude de stad ook in 1831 bij de
langzame herleving van den internationalen
handel, haar aandeel daarin op den
weg van Keulen naar Amsterdam, hebben
kunnen handhaven. Het is de voortdurende
verwaarlozing van den Gelderschen
IJsel als functioneelen vaarweg in de delta,
die voor Zwolle door alle tijden heen belemmerend
heeft gewerkt.’ 3) En even verderop
in zijn betoog stelt Van Vuuren, ‘dat
indien de Geldersche IJsel met evenveel
zorgen als Waal en Rijn tot een internationalen
vaarweg gemaakt was, daardoor de
IJselsteden zeker een grooter aandeel van
den Rijnvaart hadden kunnen behouden.’
4)
Het verlies van de transitohandel werd al
snel enigszins gecompenseerd door de
opkomst van de Twentse katoenindustrie,
vooral na de afscheiding van België. In samenwerking
met enkele Twentse katoenfabrikanten
werd in 1839 te Zwolle een
rechtstreekse scheepvaartverbinding met
Huil tot stand gebracht. Een aantal jaren
leek het erop dat Zwolle haar internationale
funktie zou heroveren als overslagplaats
van de grondstoffen bestemd voor
de Twentse industrie. In Zwolle werden
deze grondstoffen in wagens en schepen
overgeladen en naar Twente gebracht, terwijl
omgekeerd de Twentse fabrikanten
hun produkten voor een groot gedeelte
via Zwolle naar Holland transporteerden,
om van daaruit naar Indië te worden vervoerd.
De omvang van dit vervoer wordt
geïllustreerd door het feit dat in 1839 niet
minder dan 28.000 vrachtwagens de tol op
de straatweg te Nijverdal passeerden en
ongeacht de lage waterstand gedurende
de zomer van datzelfde jaar ook grote
hoeveelheden goederen per schip langs
de Regge en de Vecht werden vervoerd.
De opbloei van de Twentse katoenindustrie
was één van de lichtpunten die het
bewijs vormde voor de bewering dat het
in de eerste helft van de negentiende
eeuw niet alleen maar stagnatie was wat
de klok sloeg. In die context moet ook het
initiatief van de gebroeders Salomonsen
worden gezien om te komen tot de aanleg
van een spoorlijn evenwijdig aan de bestaande
handelsrouten: Kampen-Zwolle-
Raalte-Almelo. Het uitblijven van de realisatie
van dit plan betekende voor Zwolle
een gemiste kans. En dat niet alleen vanwege
het feit dat de initiatiefnemers van
plan waren Zwolle als vestigingsplaats van
de onderneming te kiezen. Veel belangrijker
was dat door het gebrek aan snel en
regelmatig vervoer de handelsstromen
naar Holland een andere route kozen namelijk
via Deventer-Arnhem. Pas in 1864
kreeg Zwolle een treinverbinding met
Utrecht; een spoorlijn over de Veluwe die
door de Nederlandsche Centraalspoorwegmaatschappij
werd geëxploiteerd.
De initiatiefnemers en de richting van
de lijn
In de gehele eerste helft van de negentiende
eeuw heeft het Twente ontbroken
aan goede verkeerswegen. Het goederentransport
vond plaats met kleine schuiten
en karren. Het laatste vervoermiddel was
vooral van belang daar waar scheepvaart
onmogelijk was (in het oostelijk, hoger gelegen
deel van het district en in de winter
wanneer de riviertjes en vaarten waren
dichtgevroren). In 1835 waren er voor het
landverkeer nog slechts twee bestrate we-
1990 53
gen beschikbaar: de macamdaweg Deventer-
Holten-Goor-Hengelo-Oldenzaal en de
toen juist voltooide straatweg Zwollè-Raalte-
Wierden-Almelo-Hengelo-Enschede.
Het goederenvervoer met kar en paard
ging uiteraard langzaam. Dat was zeker
het geval op de zandwegen, die buiten de
bestrate routes de enige verbindingen
vormden tussen de kleinere plaatsen.
Voor het vervoer van en naar het westen
was voor Twente ook de scheepvaart van
belang. Deze vond plaats met kleine platboomde
vaartuigen op Regge en Vecht en
was aanzienlijk goedkoper dan het vervoer
per as. Bij voldoende waterstand kon
men vanuit Zwolle met deze scheepjes,
die een diepgang van 1 tot 3 voet hadden
(de zogenaamde ‘zompen’) tot Almelo opvaren
en met een geringe lading zelfs tot
Weerselo, Borne en Goor. Deze schuitenvaart
was hoofdzakelijk in handen van
schippers uit het dorp Enter, die eigenaars
van de door hen gebruikte zompen waren.
5)
De waterstand was voor dit vervoer te water
echter een ernstig probleem. De Regge
was het grootste deel van het jaar een vrij
ondiep riviertje en ’s zomers viel het niet
zelden droog. Het heeft in de eerste helft
van de negentiende eeuw dan ook niet
ontbroken aan plannen om Regge en
Schipbeek beter bevaarbaar te maken. Het
bleef echter bij vrome wensen. Een andere
oplossing voor het probleem van de hoge
transportkosten zou de aanleg geweest
zijn van een kanaal tussen Zwolle en
Almelo. Plannen daartoe werden in 1836
ontworpen en door provinciale Staten
aangenomen. Uitvoering van de plannen
bleef echter opnieuw achterwege. Kanalen
hadden de hoge vervoerskosten inderdaad
kunnen doen dalen, maar een ander ernstig
bezwaar konden zij niet opheffen: de
Matrix van de aandeelhouders en aandelen in de
Overijsselsche Spoorwegmaatschappij (1845)
Beroep resp.
funktie
Woonplaats
Zwolle
Kampen
Almelo
Amsterdam
Totaal
Omgeving Koninklijk Huis
Bestuur en rechtspraak
Gouverneur
Kamerheer;
lid van de
ridderschap
1(5) 1(5)
1(2)
1(10)
4(22)
Burgemeester
lidprovinciale
Staten
1(2)
1(25)
2(27)
Bank en geldwezen
Commissionairs
in effecten
1(200) 1(165)
1(155) 1(154)
1(90) 1(70)
1(76)
7(910)
Bankier
1(7.241)
1(7.241)
Handel,
industrie
en verkeer
Fabrikant
1(1.800)
1(1.800)
Totaal
3(12)
1(2)
1(1.800)
10(8.186)
15(10.000)
Legenda: Horizontaal gelezen, geeft de matrix het aantal aandeelhouders aan per woonplaats. Verticaal gelezen,
geeft de matrix het aantal aandeelhouders weer per beroepscategorie of maatschappelijke funktie.
Tussen haakjes staat vermeld het aantal aandelen, dat iedere aandeelhouder heeft genomen.
1990 54
verkeersstremming in de winter ten gevolge
van vorst.
De weersomstandigheden dwongen zo de
fabrikanten tot grote investeringen in
voorraden, zowel van grondstoffen als van
eindprodukten. Een spoorwegverbinding
met de vrijwel steeds ijsvrije noordzeehavens
enerzijds en met de mijngebieden
anderzijds had aan de genoemde bezwaren
tegemoet kunnen komen. 6)
In 1835 had Charles de Maere reeds een
concessie aangevraagd voor een ‘stoomwagen’-
dienst. Hij wilde met door stoom
bewogen locomobielen een geregelde verbinding
tussen een aantal Overijsselse
plaatsen beginnen langs de bestaande
straatwegen. Het plan werd echter niet ten
uitvoer gelegd.
Eén van de eerste plannen voor een
spoorweg door Twente ging uit van de
Kamer van Koophandel te Deventer. In
augustus 1844 stelde zij een nota op waarin
de wenselijkheid van een spoorlijn in
aansluiting op de juist gereed gekomen
lijn Amsterdam-Arnhem, werd uitgesproken.
Zij dacht zich een lijn van Ede dwars
over de Veluwe naar Apeldoorn en
vandaar over Deventer en Hengelo naar
Munster. Het nadeel van dit plan school in
de kostbare doorgraving van de Veluwse
heuvels, terwijl in dit dun bevolkte gebied
weinig of geen vraag naar vervoer per
spoor te verwachten was. Een aansluiting
van Deventer op Arnhem kwam aan dit
bezwaar tegemoet. Onder leiding van
twee Twentse fabrikanten en een Amsterdamse
bankier werden die plannen nader
uitgewerkt en in april 1845 werd ‘de heeren
G. en H. Salomonsen, fabriekanten te
Almelo en L.R. Bischoffsheim, bankier te
Amsterdam’ concessie verleend ’tot aanleg
en exploitatie van ijzeren spoorwegen in
de provincies Gelderland en Overijsel, in
verbinding met den Rijnspoorweg en de
Duitsche grenzen, en wel:
a. van het punt van aanlsuiting aan den
Rijnspoorweg in de nabijheid van Arnhem
over Deventer naar Raalte;
b. van Kampen over Zwolle naar Raalte;
vervolgens van die gemeente naar Almelo
en van daar naar de grenzen van
Duitschland. 7)
De lijnen moesten volgens de concessie
voor het eind van 1849 voltooid zijn; als
waarborg werd een bedrag van
ƒ 500.000,— bij de regering gestort.
De Initiële vermogensverschaffers en
hun verwachtingen
Uit de matrix van aandeelhouders en aandelen
in de Overijsselsche Spoorwegmaatschappij
(1845) blijkt, dat de helft van de
aandeelhouders afkomstig was uit de wereld
van het bank- en geldwezen (één
bankier en zeven commissionairs in effecten).
Bovendien valt op, dat deze vermogensverschaffers
allen uit Amsterdam afkomstig
waren. De omvang van de participatie
van deze groep aandeelhouders in
het totale aandelenkapitaal van de onderneming,
groot ƒ 10.000.000,- was nog indrukwekkender
namelijk 81,5%. Daaronder
was dominant aanwezig de Amsterdamse
bankier Lodewijk Raphael
Bischoffsheim; hij nam voor 7.241 aandelen
deel in het maatschappelijk kapitaal.
De overige 18,5% was uit Overijsel afkomstig;
18% daarvan werd door de firma G.
en H. Salomonsen te Almelo genomen.
De Zwolse aandelen, twaalf in getal, werden
volgens de akte van oprichting genomen
door:
Jan Dirk Graaf van Rechteren van
Ahnem, kamerheer van de koning, ridder
in de militaire Willemsorde 4e klasse, ridder
in de orde van de Nederlandsche
Leeuw en van het Duitse Huis balije van
Utrecht, Staatsraad-Gouverneur en lid van
de ridderschap van de provincie Overijssel
(5 aandelen);
Jonkheer mr. Willem Gerrit Hovy, kamerheer
van de koning, ridder in de militaire
Willemsorde, 4e klasse, lid van de ridderschap
en van de Staten van Overijssel (5
aandelen);
Dirk Schreven, ridder in de orde van de
Nederlandsche Leeuw, kabinetssecretaris
van zijne excellentie de Heer Staatsraad-
Gouverneur van Overijssel (2 aandelen). 8)
Aanvankelijk waren de verwachtingen van
de participanten in het aandelenkapitaal
hooggespannen. Dat bleek uit de notering
van de ‘actiën Overijsselsche Spoorweg’
op de Amsterdamse effectenbeurs. Medio
april werden die aandelen tegen een
koers van 106% verkocht en er was zelfs
sprake van handel in ‘Overijsselsche
shares te Londen.’ 9) Het Algemeen Handelsblad
uit die dagen berekende, dat de
netto exploitatie-opbrengst circa 7% zou
bedragen! 10)
Ook de Salomonsons waren optimistisch.
Nog voor de concessie definitief was verleend,
waren zij druk in de weer met de
Godfried Salomonson (1794 •
1867). (Uit: R.A. Burgers,
100 jaar G. en II. Salomonson
(Leiden 1954), 94)
Hein Salomonson (1796-
1883). (Uit: R.A. Burgers,
100 jaar G. en II. Salomonson
(Leiden 1954), 96)
1990 55
voorbereidende werkzaamheden. ‘Wij zijn
druk bezig voor de statistiek; het is echter
geen werkje van een uur. Zooiets moet
nauwkeurig worden opgegeven en volstrekt
niet kunnen bestreden worden.
Daartoe heeft men veel bescheiden nodig
en moet men veele authoriteiten consulteren’
schreven zij aan Bischoffsheim op 6
mei 1845. n) Zowel te Amsterdam als in
Twente overheerste dus het optimisme.
Dat verklaart ook waarom de concessionarissen
en de initiële vermogensverschaffers
vrijwel dezelfde groep van personen
vormde.
Toch is de Overijsselsche Spoorweg nooit
daadwerkelijk van de grond gekomen. De
vraag rijst wat daarvan de reden is geweest.
De reden van de mislukking
In de literatuur wordt vrijwel unaniem de
kapitaalverschaffing als het voornaamste
struikelkblok gezien voor de realisatie van
spoorwegplannen. Pas in 1860 kwam daar
met de spoorweg-wet van Van Hall verandering
in. Door die wet kwam de aanleg
van spoorwegen in handen van de staat,
zodat een belangrijk deel van de vaste
kosten niet meer zo zwaar op het exploitatie-
resultaat drukte. Burgers bracht de
oorzaak van de mislukking van de Overijsselsche
Spoorwegmaatschappij als volgt
onder woorden: De achteruitgang van de
aandelenkoersen in augustus 1845 was het
eerste teken van een ommekeer, welke
zich in financiële kringen in een paniek
en een sterke koersdaling (die tot 1850
aanhield) manifesteerde. Toen oogstmislukking
en hoge levensmiddelenprijzen de
crisis van 1847 teweeg brachten, werden
de overdreven rentabiliteitsverwachtingen
van de Engelse spoorwegspeculanten nog
meer teleurgesteld. Spoorwegaandeelhouders
leden in de jaren 1845-1849 zware
verliezen en de kapitaalschaarste in Engeland
maakte ook aan de Overijsselsche
Spoorwegmaatschappij een ontijdig einde.
De concessionarissen zagen geen kans de
aandelen nog te plaatsen en trokken zich
terug. Aan de in de concessie gestelde
voorwaarde van realisatie van de lijnen in
1849 kon niet worden voldaan en de gedeponeerde
waarborgsom bleef daardoor
ter beschikking van de regering. 12) Ook
Boot zag de oorzaak van de mislukking
gelegen in onvoldoende financieringsmogelijkheden.-
Van Amsterdamse zijde
scheen meer gewicht te worden gelegd op
het maken van koersverschillen dan op
een spoedige plaatsing van alle aandelen.
Waarschijnlijk werd de manipulatie in de
hand gewerkt door de speculatie in spoorwegaandelen,
welke in die tijd in Engeland
plaats vond. Het slot was, dat na de
crisis van 1847 de concessionarissen zich
terugtrokken. De bij de concessie gestorte
som van ƒ 500.000,- bleef ter beschikking
van de regering. 13)
De vraag is of deze redenering juist is.
Sommige tijdgenoten waren in ieder geval
een andere mening toegedaan. Zij meenden
dat de overheid een te passieve houding
aannam met betrekking tot de spoorwegaanleg.
Een adequate onteigeningswetgeving
ontbrak. In vele gevallen meende
zij dat de veiligheid van het land in het
Johan Derck graaf van Rechteren
van Ahnem (1799-
1886); mogelijk geportretteerd
door Servaas de Jong
(1838). (Foto: Iconograp–
hisch Bureau, ’s Gravenha-
Dirk van Schreven (1796-
1852); portret door W.C.
Chimaer van Oudendorp.
(Foto: POM)
Jhr mr Willem Gerrit Hovy
(1805-1886); door Photographisch
Atelier Th. Junge.
(Foto: Iconographisch
Bureau, ’s Gravenhage)
1990 56
geding was. Bovendien weigerde zij categorisch
rentegaranties op leningen te verschaffen.
Ook Godfried Salomonson was van mening
dat de overheid ernstig tekort schoot.
In een brief aan Bischoffsheim, waarin hij
het mislukken van de Overijsselsche
Spoorwegmaatschapij nog eens overdenkt,
schrijft hij: ‘Nog kookt mij het bloed, als ik
bedenk hoe de regeering ons heeft behandeld.
Wij moesten binnen 8 dagen klaar
zijn.’ Schimmelpenninck beloofde een
nieuwe onteigeningswet, maar die bleef
uit. De Rhijnspoorweg werd geholpen met
een krediet van ƒ 1.000.000,- in verband
met de noodzakelijke spoorversmalling.
De Overijsselsche Spoorwegmaatschppij
moest iedere hulp ontberen. ‘Herinner U
dat alles, herinner U de veele bezwaren
der kleine besturen en de oneindige vertraging
bij Oorlog wegens Deventer enz.
en dan, heeft men ons niet schandelijk behandeld?’
14)
Conclusie
In het begin van deze verhandeling is gewezen
op de vele misvattingen die er over
de spoorwegaanleg in Nederland nog
steeds bestaan. Vooral financieringsproblemen
zouden een doorslaggevende rol
hebben gespeeld. Die beweringen treft
men ook in de toonaangevende literatuur
aan wanneer het de Overijsselsche Spoorwegmaatschappij
betreft. Is die opvatting
juist? Godfried Salomonson was een andere
mening toegedaan en er is aanleiding
om aan de gangbare opvattingen te twijfelen.
De benodigde ƒ 10.000.000- werd
moeiteloos bijeengebracht blijkens de notariële
acte van oprichting. De aandelen
stonden ter beurze boven pari genoteerd
en werden zelfs in Londen verhandeld. De
verkoop van de aandelen in de tweede
hand verliep inderdaad moeizaam. Maar
de oorzaak daarvan was eerder gelegen in
de algemene economische recessie dan in
de onwil om spoorwegwaarden te nemen.
Veeleer is men geneigd de oorzaak van de
mislukking van de Overijsselsche Spoorwegmaatschappij
te zoeken in het ontbreken
van ‘een industrieel klimaat’ dat wil
zeggen een investeringsklimaat, dat voor
de ondernemer dermate aantrekkelijk is
dat hij tot de noodzakelijke innovatie
komt. In het onderhavige geval is duidelijk
dat de overheid het op veel fronten
liet afweten bijvoorbeeld ten aanzien van
de onteigening van gronden, het verstrekken
van een rentegarantie, de voorwaarden
van de concessie. Intussen betekende
deze gang van zaken wel een gevoelige
klap voor de economische ontwikkeling
van Zwolle. Aanvankelijk leek het er op
dat de tanende transitohandel gecompenseerd
zou worden door de opbloei van de
Twentse katoenindustrie, die haar eindprodukten
via Zwolle naar Holland wenste
te transporteren en haar grondstoffen
via Zwolle wilde betrekken. Denk met betrekking
tot dit laatste aspekt bijvoorbeeld
aan de scheepvaartverbinding met Huil.
Het uitblijven van een goede spoorverbinding
tussen Twente en Zwolle leidde ertoe
dat het handelsverkeer Oost-West voor
een belangrijk deel aan haar neus voorbijging.
De Twentse eindprodukten werden
via Deventer-Arnhem naar Holland getransporteerd.
Noten:
1. Broeke, W. van den, FInan- 5.
clën en financiers van de
Nederlandse spoorwegen
1837-1890. Zwolle 1985.
2. Griïfiths, R.T., Achterlijk,
achter of anders? Aspecten 6.
van de economische ontwikkeling
van Nederland in de
19e eeuw. Amsterdam 1980.
3. Vuuren, L. van, Rapport be- 7.
treffende een onderzoek
naar de welvaartsbronnen
van de gemeente Zwolle
uitgebracht In opdracht
van het gemeentebestuur
onder de wetenschappelijke
leiding van L. van Vuur- 8.
en. Zwolle 1939, 19-
4. idem, 20.
Schutten, G.J., Varen waar
geen water is; geschiedenis
van de scheepvaart ten
oosten van de IJssel van
1300-1930. Hengelo 1981.
Deze passages zijn gebaseerd
op: Burgers, R.A., 100 jaar
G. en H. Salomonson. Leiden
1954.
Citters, E. van, en J.A.C, van
Roosendaal, Verzameling
van Wetten en Besluiten
enz. betreffende de spoorwegen
In Nederland 1832-
1890. ‘s-Gravenhage 1879
e.v. jaren.
Gemeente Archief Amsterdam.
Notarieel archief Johannes
Commelln 16 april
1845. nr. 19834.
9. Brief van G. en H. Salomonson
aan L.R. Bischoffsheim
d.d. 4-8-1845. Burgers, R.A.,
100 jaar G. en II. Salomonson,
139.
10. Deventer Courant 18 april
1845. Daarin wordt de betreffende
berekening uit het
Handelsblad aangehaald.
11. Burgers, a.w., 138.
12. Burgers, a.w., 139.
13. Boot. J.A.P.G., De Twentsche
Katoennijverheid
1830-1873- Amsterdam 1935,
178.
14. Burgers, a.w., 138.
1990 57
Facetten van het
Soldatengasthuis
JJ. Seekles
Genealogisch onderzoek naar militaire
voorouders wordt soms als uitermate
lastig ervaren, vooral omdat een
militair In de regel geen vaste woonen
verblijfplaats heeft Militairen duiken
dan eens hier, dan weer daar op;
het traceren van hun belevenissen
wordt daardoor zeker bemoeilijkt.
Toch zijn er verschillende bronnen en
diverse publicaties die ons Iets meer
kunnen vertellen over het mistige verleden
van militaire voorouders. 1) Tot
één van die bronnen mogen de rekeningen
van het Zwolse soldatengasthuis
(- ziekenhuis) over de jaren
1621-1654 zeker gerekend -worden. 2)
In dit artikel wordt gepoogd aan de hand
van de rekeningen een beeld te schetsen
van de lotgevallen van dit instituut. Er zijn
geen andere archiefbescheiden van het
soldatengasthuis overgeleverd. Aandacht
wordt daarbij geschonken aan de ontstaansgeschiedenis,
de huisvesting, de financiën,
het personeel en provisorschap,
alsmede de verzorging en behandeling
van gewonde soldaten. Terwille van de
omvang van deze bijdrage is een alfabetische
lijst met namen van de 852 verpleegde
of gestorven soldaten of burgers over
de jaren 1621-1654 achterwege gelaten.
Deze lijst is te raadplegen in de studiezaal
van het Gemeente-archief Zwolle. Deze
lijst geeft in combinatie met de hier gepresenteerde
informatie een indruk van het
reilen en zeilen van het Zwolse soldatengasthuis.
Als bijlagen zijn toegevoegd een statistisch
overzicht van verpleegde soldaten, een
overzicht van ontvangsten en uitgaven,
alsmede lijsten met namen van de provisoren,
het personeel, de barbiers of chirurgijns
en apothekers, die bij het soldatengasthuis
betrokken zijn geweest.
Het Zwolse soldatengasthuis als instituut
a. tot 1653
Over de l6e eeuwse geschiedenis van het
soldatengasthuis is weinig bekend. In de
bronnen vinden we slechts enkele verspreide
gegevens. Op 4 augustus 1590
schrijft soldaat Albert van Borkeloe een rekwest
aan het Zwolse stadsbestuur, waarin
hij verzoekt om een financiële ondersteuning
vanwege zijn verblijf in het gasthuis
waar hij wordt verpleegd voor opgelopen
verwondingen. 3)
Een soortgelijk verzoek bereikt het stadsbestuur
15 jaar later. Erich Saelmaeker,
een uit Lunenburg afkomstig soldaat, verblijvende
in het gasthuis voor gewonde
soldaten, vraagt het stadsbestuur om ondersteuning
voor zijn kinderen en zichzelf,
omdat zijn vrouw is overleden en hij bij
de verdediging van Oostende (1600) beide
onderbenen verloren heeft. 4)
Uit 1590 dateert een register van rekeningen
van onkosten voor het verplegen van
zieke en gewonde soldaten. 5) Daaruit
blijkt, dat de soldaten vanuit het leger –
veelal met begeleidende brieven – naar de
stad Zwolle zijn gezonden. Het stadsbestuur
bracht de soldaten onder in de sinds
de Reformatie (1580) geconfisqueerde
kloosters en gasthuizen, zoals bijvoorbeeld
het Geertruiden

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1990, Aflevering 4

Door 1990, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Zwols
Historisch
Tijdschrift
7e jaargang
1990, nr.
/9,5|0
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
ARCHITECTENBUR. G. RIETVELD OUDEGRACHT 55 UTRECHT
WERK: ARCH. MEDEW. SCHAAL DATUM BLAD NO:
Jongere bouwkunst
Colofon Redactioneel
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
en verschijnt vier maal per jaar.
Leden van de vereniging krijgen het
tijdschrift gratis toegezonden.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
Redactie-leden: J.H. Drentje, J. Gelderman,
H. Halbertsma, J. ten Hove,
W.A. Huijsmans, I. Wormgoor, A. van
der Wurff.
Adviseurs: N. Lettinck, H.CJ. Wullink.
Redactie-adres:
Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle.
Tekstverwerking en vormgeving:
Marinus Prins (bNO).
druk: drukkerij Werktuig.
Fotografie:
Tenzij anders is vermeld zijn de foto’s
afkomstig van de
Gemeentelijke Fotodienst Zwolle
(J.P. de Koning).
Bestuur Zwolse Historische Vereniging:
voorzitter:
J. Hagedoorn,
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle.
secretaris:
E. Tijssen,
Tichelmeesterlaan 37, 8014 LA Zwolle.
penningmeester:
H. Brassien,
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle.
leden:
A. Bootsma-van Hulten,
R.T. Oost, I. Wormgoor.
BJ. Kam,
Secretariaat/ledenadministratie:
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle,
(telefoon: 038 – 539 625)
Financiën:
girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging.
Tarieven lidmaatschap:
jeugdleden, studenten, 65+
(wonend binnen Zwolle)…. ƒ 25,00/jaar
overige leden ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Lange tijd heeft de bouwkunst uit de periode
1850-1940, de zogenaamde jongere
bouwkunst, in de schaduw gestaan van
bouwwerken uit een verder verleden. De
laatste jaren lijkt daar echter verandering
in te komen. In het hele land wordt nauwkeurig
geïnventariseerd welke gebouwen
er uit die periode bewaard zijn gebleven.
In Zwolle is die inventarisatie al afgerond:
het blijkt om ongeveer 1000 objecten te
gaan. Dit grote aantal duidt erop dat de
stad toen een belangrijke ontwikkeling
doormaakte. J.W. van Beusekom gaat, in
het eerste artikel van een serie over jongere
bouwkunst, in op de stedebouwkundige
ontwikkelingen.
Om de jongere bouwkunst meer onder de
aandacht te brengen, is onlangs een wandel-
en fietsroute langs interessante gebouwen
gemaakt.
C. Hamming gaat veel verder terug in de
tijd. Hij gaat in op de vraag of Zwolle nu
wel of niet aan de IJssel of aan de Vecht
heeft gelegen.
In het laatste artikel geeft J.C. Streng achtergrondinformatie
bij de tentoonstelling
over de schilder Derk Jan van der Laan,
die momenteel in het POM te zien is. Hij
schetst het beeld van een culturele bloeiperiode
in Zwolle tussen 1795 en 1830; dit
in tegenstelling tot de gangbare opvatting
dat de eerste helft van de negentiende
eeuw vooral een tijd van kommer en kwel
was.
Tenslotte wensen wij u prettige feestdagen
en een heel goed 1991.
Foto omslag: J. Lensink, Het Oversticht.
Bouwtekening op omslag: Dienst Openbare Werken,
gemeente Zwolle.
Op de foto op pagina 111: het pand Burgemeester
van Royensingel 17-18.
©Zwolse Historische Vereniging 1990
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd
en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,
microfilm of op welke wijze dan ook, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitge-
1990 110
Inhoudsopgave
112 Jongere bouwkunst in Zwolle
1 8 5 0 – 1 9 4 0 ( d e e l 1) Jan Willem van Beusekom
121 Wandel-Fietstocht jonge bouwkunst
in Zwolle J.T. Teunis
124 Zwolle aan de Vecht? Een stad aan
S de Ijssel?
een recensie-artikel c. Hamming
132 Twee opmerkingen naar aanleiding
van de tentoonstelling met werken
van Derk Jan van der Laan j.c. streng
139 Mededelingen
141 literatuur
142 Agenda
142 Personalia
1990 111
Jongere bouwkunst in
Zwolle, 1850-1940 (deel 1)
Jan Willem van Beusekom
In de periode 1850-1940 vindt een
snelle ontwikkeling plaats die
verstrekkende gevolgen heeft voor het
aanzien van stad en land. Ook Zwolle
ondergaat in die periode grote veranderingen.
Eén van de oorzaken is de
aanwijzing tot provinciehoofdstad.
De groei die daar het gevolg van is uit
zich in nieuwe gebouwen en nieuwe
wijken. Behalve bestuurlijke, vinden
ook economische veranderingen
plaats die leiden tot schaalvergroting
en noodzakelijke verbeteringen van
de infrastructuur. Deze beide factoren,
en daarmee samenhangende nevenontwikkelingen,
hebben geleid tot de
stad (of beter: gemeente) zoals we die
nu kennen.
In het kader van de monumentenzorg
is tot voor kort nooit veel aandacht
besteed aan deze betrekkelijk recente
periode. Slechts de oude binnenstad
en enkele objecten in het buitengebied
waren interessant Een selectie
van gebouwen, merendeels van vóór
1850, is ter bescherming op de
rijksmonumentenlijst geplaatst De
laatste jaren is er sprake van een toenemende
belangstelling voor de jongere
bouwkunst, waarbij behalve aan
de gebouwen zelf, ook waarde wordt
toegekend aan de omgeving.
In dit eerste artikel in een serie over
de ontwikkeling van de gebouwde omgeving
in de gemeente Zwolle komen
de stedebouwkundige ontwikkelingen
van de stad en het buitengebied aan
de orde. In de volgende drie artikelen
zal ingegaan worden op de objecten
in de stad en het buitengebied.
Het Monumenten Inventarisatie Project
(M.I.P.)
In 1986 is in de provincie Overijssel een
begin gemaakt met het zogenaamde Monumenten
Inventarisatie Project (M.I.P.),
dat op initiatief van het Ministerie van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
wordt uitgevoerd in de twaalf provincies
(en de vier grote steden). De coördinatie
berust bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
te Zeist.
De doelstelling is om in korte tijd (circa
vijf jaar) een landelijk, eenduidig overzicht
te krijgen van de stedebouw en bouwkunst
in Nederland in de periode 1850-
1940. Het M.I.P. kan dienen als bouwsteen
voor toekomstig beleid van zowel Rijk,
provincie als gemeente ten aanzien van
ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en
monumentenzorg. Daarnaast kan het
M.I.P. dienen ten behoeve van selectie- en
registratie-activiteiten ten aanzien van objecten,
ensembles, structuren en gezichten.
Bovendien bevordert het M.I.P. de kennis
en waardering voor de tot voor kort ondergewaardeerde
periode 1850-1940 door
aanzetten te geven tot publicaties en wetenschappelijk
onderzoek.
In Overijssel wordt het Monumenten Inventarisatie
Project voor de provincie uitgevoerd
door Het Oversticht (Genootschap
tot bevordering en instandhouding
van het landelijk en stedelijk schoon in de
provincie Overijssel). Deze particuliere organisatie
bestaat sinds 1925, is gevestigd
in Zwolle en is werkzaam op het gebied
van welstandstoezicht, landschapsbeheer
en monumentenzorg.
De bedoeling van het project in deze pro-
1990 112
foto 1: Voorbeeld bebouwing
van de Stationswijk
(Van Royensingel)
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
vincie is dat tussen begin 1987 en medio
1990 naar schatting 12.000 objecten in
kaart worden gebracht. Daarnaast worden
van alle gemeenten historische beschrijvingen
gemaakt die zich toespitsen op de
periode 1850-1940. Ook wordt een beschrijving
van de stedebouwkundige ontwikkeling
in die periode, veelal aan de
hand van historisch kaartmateriaal, opgesteld.
Overijssel is daartoe in drie gebieden verdeeld:
Salland, het Land van Vollenhove
en Twente. Van deze drie gebieden wordt
een afzonderlijke en uitgebreide gebiedsbeschrijving
gemaakt. In januari 1989 werden
de rapporten van de tweeëntwintig
Sallandse gemeenten aan de toenmalige
minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur, mr. drs. L.C. Brinkman, aangeboden.
In het najaar volgden de vier gemeenten
in het land van Vollenhove. Medio
1990 zullen de negentien Twentse gemeenten
afgerond zijn.
In de volgende fase van het M.I.P. zal uit
de geïnventariseerde objecten een selectie
gemaakt worden, in eerste instantie door
het Rijk voor plaatsing op de Rijksmonumentenlijst.
Naar verwachting zal slechts
een zeer klein gedeelte van de objecten
daarvoor in aanmerking komen. Daarnaast
kunnen ook de gemeenten zelf en/of de
provincie hun eigen monumentenlijst hiermee
aanvullen of beginnen.
In de tweeëntwintig Sallandse gemeenten
zijn ongeveer 4.200 objecten geïnventariseerd,
waarvan in Zwolle alleen al ongeveer
1.000. Dit aantal geeft al aan dat
Zwolle in de periode 1850-1940 een belangrijke
ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Stedebouwkundige ontwikkelingen
In de Franse tijd, aan het eind van de
achttiende eeuw, vinden grote bestuurlijke
veranderingen plaats. Nieuwe bestuurlijke
eenheden ontstaan en nieuwe hoofdsteden
worden aangewezen. Het in 1798 ontstane
Departement van de Oude IJssel beslaat,
behalve de huidige provincie Overijssel,
ook Drenthe, een deel van Friesland
en het noorden van de Veluwe. Zwolle
wordt als meest centraal gelegen plaats de
hoofdstad van dit Departement. In 1801
vindt een herindeling plaats waarbij Drenthe
en Overijssel één provincie vormen die
in 1807 weer gesplitst wordt. Van de huidige
provincie Overijssel is Zwolle nog
steeds de hoofdstad, hoewel het inmiddels
niet meer zo centraal gelegen is.
Het aanwijzen van een stad tot provinciehoofdstad
heeft tot gevolg dat er tal van
voorzieningen getroffen moeten worden
voor nieuwe functies en voor huisvesting
van personeel.
Na een grote bloeiperiode in de veertiende
en vijftiende eeuw gaat door de opkomst
van de steden in Holland en Zeeland
de handelsfunctie van Zwolle achteruit
en komt er aan de groei van de stad
een einde. Tot circa 1800 blijft de stadsontwikkeling
van geringe betekenis en
dus voornamelijk binnen de omwalling uit
het begin van de zeventiende eeuw.
In 1790 wordt de vestingfunctie van Zwolle
opgeheven, waarna de verdedigingswerken
afgebroken worden. Hierdoor ontstaat
de mogelijkheid voor stadsuitbreiding
op en buiten de stadswallen. Langs de
uitvalswegen van de stad zien we voorsteden
ontstaan. In zuidoostelijke richting
(langs de weg naar Deventer) ontwikkelt
1990 113
foto 2: Het Assendorperplein
in de wijk Assendorp
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
kaart 1: Zwolle, 1850
(rechterpagina)
zich Assendorp. In mindere mate zien we
een dergelijke ontwikkeling in noordoostelijke
richting (langs de weg naar
Meppel), de Nieuwstad en in westelijke
richting (langs de weg naar Kampen), de
Hoogstraat en langs de Willemsvaart
(kaart 1).
De uitbreiding van de stad is vooral het
gevolg van de bevolkingstoename: in 1850
tellen de gemeenten Zwolle en Zwollerkerspel
samen 22.322 inwoners, in 1895 is
dit aantal toegenomen tot 35.545 en in
1940 tot 51.901. (zie tabel). In 1850 woont
85% van de bevolking in de stad. De rest
woont verspreid in het buitengebied; de
gemeente Zwollerkerspel met kleine con-
Bevolkingsontwikkeling van Zwolle en Zwollerkerspel
jaar
1850
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
bron-.
gemeente
Zwolle
17.930
19.315
20.699
23.060
26.726
30.848
33928
35.743
40.496
43.301
gemeente
Zwollerkerspel
4.226
4.775
5.250
5.638
5.856
5.871
6.652
7.231
8.156
8.600
Databank Universiteit van Amsterdam,
vakgroep sociale geografie, 1988
totaal
22.156
24.090
25.949
28.698
32.582
36.719
40.580
42.974
48.652
51.901
centraties in Windesheim, Ittersum, Berkum
en Westenholte.
Industrie kent Zwolle nauwelijks. Van een
echt industrieterrein is vóór 1940 dan ook
geen sprake. Alleen op het Noordereiland
en het Rode Torenplein is sprake van enige
industriële bebouwing,
Vóór 1850 bestaat de industrie voornamelijk
uit huisnijverheid. In 1853 zijn er
slechts twee fabrieken met meer dan twintig
werknemers. Eén van de belangrijkste
industrieën wordt de Centrale Werkplaats
van de spoorwegen (1870). Verder bestaat
de industrie voornamelijk uit: twee ijzergieterijen;
grafische industrieën, een gasfabriek
en zeep- en zoutziederijen.
In het midden van de negentiende eeuw
komt, vooral onder de vele hoge
ambtenaren, de behoefte op in de buurt
van de stad, maar toch in het groen, te
kunnen wonen. Dit leidt-tot de singelbebouwing,
zowel aan de zijde van de binnenstad
als aan de overzijde waar tot dan
toe de onbebouwde Weezenlanden liggen.
Nadat in 1864 het station in dit gebied
gebouwd is, verrijst hier de deftige
Stationswijk (foto 1).
De arbeiderswijk Assendorp breidt zich uit
tussen de Assendorperstraat en de
Stationswijk, vooral ten behoeve van de
werknemers van de Centrale Werkplaats
van de spoorwegen (foto 2). De uitbreiding
van Assendorp is de belangrijkste
stadsontwikkeling in de periode 1850-1900
(kaart 2).
In de eerste decennia van deze eeuw zien
we een geringe uitbreiding langs de
1990 114

foto 3: Gevelwand langs de
gedempte Willemsvaart
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
kaart 2: Zwolle, 1900
(rechterpagina)
• V

Hoogstraat, voornamelijk bestaande uit arbeiderswoningen.
Langs de Willemsvaart
ontstaat bebouwing voor de middenklasse
(foto 3). Omstreeks deze tijd ontstaat
eveneens de Emmawijk. Ten oosten van
de binnenstad komt,. ten zuiden van de
Wipstrikkerallee, de zeeheldenbuurt tot
stand en ten noorden van de binnenstad
de Indische buurt.
Vervolgens komt de wijk Dieze ten noorden
van de stad tot gereed, evenals het
ten oosten van Assendorp gelegen Pierik.
Tussen de beide wereldoorlogen wordt de
wijk Wipstrik ten noorden van de Wipstrikkerallee
aangelegd en tenslotte in de
jaren dertig de wijk Veerallee ten behoeve
van meer welgestelden (foto 4).
In het buitengebied is vóór 1940 nauwelijks
van een stedebouwkundige
ontwikkeling sprake. De vier genoemde
concentraties kennen slechts een geringe
uitbreiding langs het bestaande wegenpatroon
(kaart 3).
Infrastructuur
De grote kracht van Zwolle is nog steeds
het relatief grote achterland zonder concurrerende
grote steden en de ligging van
de stad die bepaald wordt door de verbindingen
met dat achterland, kortweg de infrastructuur
genoemd.
De infrastructuur kunnen we in drie groepen
verdelen: de waterwegen, de landwegen,
en de spoor- en tramwegen (kaart
4).
De waterwegen
Alhoewel Zwolle niet echt aan de IJssel
ligt wordt het vaak met Kampen, Deventer,
Zutphen en Doesburg tot de IJsselsteden
gerekend. De stad heeft in het verleden
toch haar bloei aan deze rivier te danken.
Met name het dicht bij elkaar liggen
van deze rivier en de Nieuwe Wetering,
de Vecht en het Zwarte Water is voor de
stad van belang.
Al sinds de bedijking van de IJssel heeft
foto 4: De Prins Hendrikstraat
nabij de Veerallee
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
1990 116

kaart 3: Zwolle, 1940
(rechterpagina)
kaart 4: Infrastructuur
O I 2 3 k m
Rijksweg A28
Hoofdweg of autoweg zonder gescheiden rijbanen naar:
Kampen (1) Hasselt (2), Ommen (3), Deventer (4) en Hattem
(5).
Spoorlijn naar: Kampen (a), Leeuwarden-Groningen (b),
Emmen (c), Wierden-Almelo (d), Deventer (e)
en Amersfoort-Utrecht (f).
Waterweg: IJssel (I), Zwarte Water (II), Overijsselse Vecht
(III), Nieuwe Vecht (IV), Nieuwe wetering (V),
Almelose Kanaal (VI) en Zwolle-IJsselkanaal (VII).
bron: Grote Topografische Atlas van Nederland, 1987.
Zwolle gepleit voor een scheepvaartverbinding
met deze rivier. In 1819
wordt deze wens eindelijk vervuld door
de aanleg van de Willemsvaart, die later
verbreed, verlegd en verdiept wordt. Op
de vrijgekomen grond van de oorspronkelijke
vaart ontstaat de Emmawijk.
In 1832 komt het Lichtmiskanaal gereed
dat voornamelijk van belang wordt voor
de afvoer van turf uit de verveningsgebieden
langs de Dedemsvaart.
Het Overijssels Kanalenplan uit 1847 heeft
tot doel door middel van een uitgebreid
stelsel van waterwegen te zorgen voor
verbindingen met het oosten van de provincie,
waar de Twentse textielindustrie in
opkomst is en goede aan- en afvoerwegen
nog ontbreken. Het eerste deel van dit kanaal
van Zwolle tot de Regge komt in
1853 gereed. Later volgt doortrekking tot
Almelo en de verbinding met Deventer.
Aan de functie van de meeste waterwegen
komt in de loop van deze eeuw een einde
door concurrentie van spoorwegen en
wegverkeer.
Landwegen
De ligging van Zwolle in een moerassig
gebied is een belemmering geweest voor
de aanleg van wegen. Gezien de aanwezige
waterwegen in die tijd is de behoefte
aan landwegen gering. Van oudsher loopt
ten noorden van de Vecht de Hessenweg
via Berkum over Ommen en Hardenberg
naar Noord-Duitsland. De brug over de
Vecht bij Berkum dateert in eerste aanleg
uit 1450. In de achttiende en negentiende
eeuw is deze weg van groot belang voor
de handel. In 1836 wordt de weg naar
Ommen ten zuiden van de Vecht aangelegd
(de Poppenallee), waardoor de Hessenweg
aan belang inboet. De oudste verbinding
met Twente (de Twentse weg) via
Wythmen, ten noorden van Heino, Raalte
en Hellendoorn naar Almelo wordt in
1830 vervangen door de verharde en rechte
weg Zwolle-Heino-Raalte-Wierden-Almelo.
De weg naar het noorden over Meppel
naar Leeuwarden wordt in dezelfde tijd
verhard. De grond voor de aanleg is afkomstig
uit het Lichtmiskanaal. De weg
naar Kampen wordt in 1924 verhard met
restanten van het kasteel van Zweder van
Voorst te Westenholte.
De verbinding over de IJssel wordt tot in
deze eeuw verzorgd door het Katerveer.
1990 118

‘Hoge Spoorbrug’ nabij de
Van Kamebeekstraat; goed
voorbeeld van een negentiende
eeuwse ijzeren brugconstructie.
Nadat eerdere pogingen om tot een verkeersbrug
over de IJssel te komen mislukt
zijn, ontstaan er in 1862 plannen voor een
gecombineerde spoor- en verkeersbrug,
doch Zwolle ziet van deelname af. Pas in
1927 wordt begonnen met de bouw van
een verkeersbrug, die in 1930 in gebruik
genomen kan worden als onderdeel van
de Zuiderzeestraatweg naar Amersfoort.
Spoor- en tramwegen
Vanaf het midden van de negentiende
eeuw worden spoorwegen aan de
vervoersmogelijkheden toegevoegd. Zwolle
krijgt pas na het gereedkomen van de
IJsselbrug in 1864 een rechtstreekse verbinding
met Amersfoort en Utrecht. Enkele
jaren later wordt deze lijn doorgetrokken
naar Meppel. Nadat aanvankelijk een
noodstation aan de Willemsvaart gebruikt
is, komt in 1868 het huidige. station gereed.
In 1865 komt de spoorlijn naar Kampen
tot stand. In 1866 wordt de verbinding
met Deventer, Zutphen en Arnhem
geopend. In 1880 komt de verbinding met
Almelo gereed, waarmee tevens aansluiting
wordt verkregen op het Duitse spoorwegnet.
Zo wordt Zwolle steeds meer een
knooppunt van spoorlijnen in vele richtingen.
In 1888 wordt daar de lijn naar Apeldoorn
via Hattemerbroek aan toegevoegd.
In 1903 tenslotte wordt op particulier initiatief
de spoorlijn naar Ommen aangelegd
die vier jaar later wordt doorgetrokken
over Coevorden en Emmen naar Oost-
Groningen.
Behalve aan spoorwegen ontstaat tegen
het eind van de vorige eeuw ook de behoefte
aan betere verbindingen met de regio,
hetgeen leidt tot de aanleg van tramwegen.
Nadat de stad in 1885 een paardentramverbinding
krijgt met het Katerveer
komen vervolgens drie stoomtramverbindingen
tot stand. In 1895 wordt de
tramlijn langs het Lichtmiskanaal over Dedemsvaart
naar Hardenberg aangelegd. In
1908 komt de Zuiderzeetramweg over
Elburg naar Nunspeet gereed. In 1914
wordt de tramverbinding over Hasselt,
Zwartsluis en Vollenhove naar Blokzijl in
gebruik genomen. Al deze tramlijnen zijn
nog vóór de Tweede Wereldoorlog opgeheven
als gevolg van toenemende concurrentie
van het wegverkeer.
Literatuur:
Het Oversticht, Inventarisatie jongere bouwkunst 1850-1940. Beschrijving Gemeente Zwolle (Zwolle
1988).
Het Oversticht, Inventarisatie jongere bouwkunst 1850-1940. Objecten gemeente Zwolle, deel 1-5
(Zwolle 1988).
Het Oversticht, Inventarisatie jongere bouwkunst 1850-1940. Gebiedsbeschrijving Salland (Zwolle
1988).
1990 120
Wandel-Fietstocht jonge
bouwkunst in Zwolle
J.T. Teunis
In 1979 werd er voor het eerst vanuit het
ministerie van CRM aangedrongen op een
onderzoek naar waardevolle architectuur
uit de periode 1850-1940. De reden hiervoor
was dat steeds meer panden uit die
periode werden gesloopt, hetgeen toch tot
onrust leidde in de kring van monumentenzorgers
en historische verenigingen.
Tijdens een inventarisatie bleek dat Zwolle
een rijk bestand aan jonge bouwkunst bezat
met fraaie woonhuizen en bijzondere
kerken en bruggen. Een aantal van deze
objecten is in de daarop volgende jaren
middels de gemeentelijke monumentenverordeningen
beschermd. Ook probeert
de gemeente door een informerend en stimulerend
beleid de betrokkenheid van
burgers en eigenaren bij de monumenten
te versterken. Eén van de middelen daarbij
is het maken van informatiebrochures
over verschillende onderwerpen.
Uit persoonlijke contacten met eigenaren
van monumenten en andere geïnteresseerden,
was men op de afdeling Monumentenzorg
van de sector stadsontwikkeling
op de hoogte van de belangstelling naar
de jonge bouwkunst in Zwolle en speelde
men reeds geruime tijd met de gedachte
een wandel-fietsroute als informatieblad
uit te geven. Tot nu toe werd door de
actualiteit of om andere redenen de voorkeur
aan andere onderwerpen gegeven.
Toen het comité Open Monumentendagen
de jonge bouwkunst als hoofd-item voor
Zeven alleetjes 1, kantoorgebouw
IJsselcentrale;
goed voorbeeld van de
Delftse School.
1990 121
Meppelerstraatweg 19, Marechausseekazerne
uit 1929
ontworpen door het bouwkundig
bureau der Genie te
Groningen met invloeden
van de Amstrdamse school,
art deco en architect
W. Dudok.
de vijfde open monumentendag van
8 september 1990 koos, leek dit het geschikte
moment een wandel-fïetsroute
voor te bereiden en deze op de open monumentendag
aan het comité en daarmee
aan de Zwolse bevolking aan te bieden.
Met de layout werd enigszins afgeweken
van de reguliere informatiebladen over
monumentenzorg en archeologie in
Zwolle.
Het maken van een keuze is bij zo’n groot
aanbod erg moeilijk. Hoofdzakelijk is gekozen
uit panden en objecten die voorkomen
op de gemeentelijke monumentenlijst,
geregistreerd staan als rijksmonument
of naar inzicht van de afdeling monumentenzorg
borg staan voor voldoende bouwkundige
of historische kwaliteit. Voor een
keuze uit de ongeveer 385 rijksmonumenten,
280 gemeentelijke monumenten en
toegevoegde panden zijn een aantal criteria
vastgesteld. De historische-architectonische
kwaliteit, de naamsbekendheid van
de ontwerper, datering van hét object en
de relatie tot de route speelden een rol bij
de selectie. Uit een eerste sortering bleek
al snel dat met alleen een wandelroute het
niet mogelijk zou zijn alle bouwwerken te
bekijken. De uitbreiding van Zwolle na
1850 met wijken als Veerallee, Assendorp
en Dieze heeft als gevolg dat gekozen
voorbeelden ver weg kunnen liggen en
voor ons doel niet beloopbaar zijn. Het
splitsen in een wandelroute in de omgeving
van de binnenstad en een fietstocht
in de buitengebieden is dan onvermijdelijk.
Terwille van een aantrekkelijke tocht
of uit praktische overwegingen is bij de
keuze van uiteindelijk 44 objecten soms
afgeweken van bovengenoemde maatstaven.
Het zal bijvoorbeeld duidelijk zijn dat
de panden aan de Burgermeester van
Royensingel stuk voor stuk interessant
zijn, maar dat zij alleen al een halve
brochure vullen.
Andere redenen voor het niet opnemen in
het infoblad kunnen zijn dat al genoeg
voorbeelden uit een bepaalde stijlperiode
zijn opgenomen of dat een object moeilijk
in de route was op te nemen. Soms is
daarentegen een object juist opgenomen
om een gat in de route te vullen. Bij een
aantal bouwwerken speelt het probleem
om de tekst kort te houden. Persoonlijke
voorkeur voor een bouwstijl of architect
gaan al gauw een rol spelen. Zonder de
andere te kort te doen behoren de volgende
panden tot de pronkstukjes van het infoblad:
– Burgemeester van Royensingel 17 en
18, villa in neo-renaissancestijl ontworpen
door S.J.H. Trooster
– Diezerstraat 80, voormalig Provinciehuis
met Statenzaal; een ontwerp van
rijksbouwmester J. van Lokhorst in
neo-gotische stijl
– Diezerstraat 64, bioscoop De Kroon;
interbellum architectuur naar een ontwerp
van H.J. Voogden
– Samuel Hirschstraat 8, synagoge opgetrokken
in eclectische bouwstijl en ontworpen
door F.C. Koch
– Willemsvaart 21, kantoorgebouw ontworpen
in 1957 door G. Rietveld, een
voorbeeld van de international
style/Het Nieuwe Bouwen
– Van Karnebeekstraat ong., de zogenaamde
‘Hoge Spoorbrug’ uit 1883;
een goed voorbeeld van een negentiende-
eeuwse ijzeren brugconstructie
– Stationsplein, Hoofdgebouw uit 1886 in
waterstaatsstijl waartegen een gebogen
ijzeren kap met sikkelspanten de oudst
• bewaard gebleven in ons land
– Assendorperstraat 205-207, Dominicanenklooster
en kerk; een neo-gotische
kruisbasiliek met klooster naar een
ontwerp van J. Kayser uit 1902
1990 122
Rhijnvis Feithlaan 80-84,
voormalig Sophia Ziekenhuis;
goed voorbeeld van
Het Nieuwe Bouwen. (Foto:
M. Malherbe)
Rhijnvis Feithlaan 80-84, voormalig
Sophia Ziekenhuis; goed voorbeeld
van Het Nieuwe Bouwen opgeleverd
in 1935 naar een ontwerp van J.G.
Wiebenga
Meppelerstraatweg 19, Marechausseekazerne
uit 1929 ontworpen door het
bouwkundig bureau der Genie te
Groningen met invloeden van de
Amstrdamse school, art deco en architect
W. Dudok
Zeven alleetjes 1, kantoorgebouw
IJsselcentrale; werd in 1939 ontworpen
door A. van der Steur in samenwerking
met M. Meijerink; een goed voorbeeld
van de Delftse School.
Op vrijdag 7 september 1990 kon mevrouw
M.C. Meindertsma als wethouder
van monumentenzorg het eerste exemplaar
van de wandel-fietstocht aan de heer
Dikkers, voorzitter van het plaatselijk
comité Open Monumentendagen en de
VW Zwolle aanbieden.
Op de open monumentendag van 8 september
1990 maakten velen gebruik van
de gelegenheid kennis te maken met de
jonge monumenten door een infoblad bij
de VW te halen.
Het infoblad is nog steeds gratis te verkrijgen
bij de VW, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de
Menno van Coehoornsingel.
1990 123
Zwolle aan de Vecht?
Een stad aan de IJssel?
een recensie-artikel
C. Hamming
In de Zwolse Courant van 11 november
1989 werd de uitgave aangekondigd
van het Zwols Archeologisch
Dagboek, geschreven door E. Dikken,
deels met medewerking van anderen.
1) Vermeld werd dat het boek veel
nieuwe archeologische gegevens zou
bevatten en tevens dat Dikken zou ingaan
op de vraag of Zwolle ooit aan
de Hssel gelegen zou hebben. Dikken
– zo meldde het bericht verder – was
ervan overtuigd dat Zwolle vóór de
twaalfde eeuw aan de Vecht zou hebben
gelegen en na de twaalfde of dertiende
eeuw aan de HsseL De bewijzen
daarvoor stonden in het aangekondigde
boek, in het hoofdstuk ‘Waternood-
Watersnood’, geschreven samen met
H. Kamphuis. 2)
Hieronder wordt nader ingegaan op
de vraag of Zwolle aan de Vecht en later
aan de Hssel kan hebben gelegen;
dus niet op de vraag of ver vóór de
tijd dat de stad bestond, ooit rivieren
op die plaats hebben gelopen. Dat
laatste is namelijk zeker, omdat er rivierafzettingen
voorkomen in de ondergrond.
Het gaat er in dit artikel
ook niet over of overstromingswater
van de Vecht of van de Hssel Zwolle
bereikt kan hebben. Ook dat lijkt me
een onbetwist gegeven.
Sinds wanneer bestaat Zwolle?
Zwolle heeft in 1230 stadsrechten gekregen,
inmiddels ruim 700 jaar geleden.
Voordat de bisschop van Utrecht Zwolle
stadsrechten verleende, was er uiteraard
sprake van een duidelijke bewoning, misschien
reeds gedurende een lange periode.
Er waren enige buurschappen, waarvan
bekend is dat de bewoners verenigd
waren in markeverband, onder andere
Middelwijk, Dieze en Assendorp.
Dieze en Assendorp lagen buiten de huidige
stadsgrachten. In het boek staat dat
de buurschap Middelwijk grotendeels binnen
de huidige stadsgrachten lag. Genoemd
wordt het gebied De Weezenlanden,
Van Nahuysplein, Nieuwe Markt. Bij
de vondsten van De Weezenlanden wordt
als vroegste datering van het schervenmateriaal
de achtste en negende eeuw opgegeven,
terwijl er van de elfde tot de vijftiende
eeuw intensieve bewoning was.
Verder lag de buurschap Zwolle tevens
binnen de huidige stadsgrachten. Waar die
buurschap precies lag wordt niet duidelijk
aangegeven. Mogelijk denken de auteurs
aan de vindplaats HEMA, waar door hen
materiaal uit de negende tot de twaalfde
eeuw is gevonden. In ieder geval lag de
buurschap Zwolle lager dan het op een
zandrug gelegen Middelwijk, dat in 1230
tevens dichter bevolkt en welvarender
was.
Een continue bewoning vanaf de achtste
of negende eeuw lijkt me denkbaar: eerst
de buurschappen Zwolle en Middelwijk
en later de stad Zwolle. Die buurschappen
zouden best iets meer geweest kunnen
zijn dan zuiver agrarische nederzettingen.
Mogelijk was er sprake van enige handel,
inclusief schipperij.
Door de auteurs zijn echter nog veel oudere
vondsten gedaan: bij de vindplaats
Weezenlanden en bij de vindplaats Biblio-
1990 124
theek zijn stukjes bewerkt vuursteen gevonden
van ongeveer 8000 jaar oud.
Dat er 8000 jaar geleden wel eens mensen
woonden of rondzwierven op de plaats
waar nu Zwolle ligt is mijns inziens zeer
aannemelijk. We mogen dat echter niet
zien als het begin van de latere buurschappen
Zwolle en Middelwijk. Op basis
van de in het boek aangereikte gegevens
mogen we dat begin verwachten in de
achtste of negende eeuw of in de direct
daaraan voorafgaande eeuwen.
De nieuwe gegevens
De gedachte over de aanwezigheid van
vele rivierbeddingen blijkt voornamelijk
afkomstig te zijn uit verwerking van sondeergegevens.
De auteurs hebben namelijk
gegevens verwerkt van een paar duizend
sonderingen in en rond Zwolle. Het
voorkomen van onder zand gelegen kleien/
of veenlagen viel daarbij op. Deze lagen
veelal op diepten van 2 a 4 meter,
maar ook wel op 7 i 10 meter of dieper.
Het op die diepte voorkomen van klei en
veen is volgens de schrijvers het bewijs
voor de aanwezigheid van oude stroombeddingen.
3) De diepteligging van die
klei- en veenlagen zien zij als de diepte
van de geul die open moet zijn geweest in
historische tijd. 4)
Door de punten waar klei en/of veen
werd aangetroffen met elkaar te verbinden
– soms over grote afstanden — werd vervolgens
de richting van die beddingen
verkregen. Voor de keuze van die richtingen
sluiten de auteurs aan bij wat er over
West-Salland bekend is, namelijk dat de
stroombeddingen eerst in oost-westelijke
richting liepen en in latere tijd in zuidnoordelijke
richting. Tot in de eerste
eeuwen na het begin van de jaartelling
loosden de oost-west gerichte beekdalen
van het Sallandse zandgebied hun water
namelijk rechtstreeks in de IJssel. Door de
toenemende waterafvoer van de IJssel en
de opbouw van een oeverwal daarlangs,
werd de lozing op die rivier geleidelijk
aan belemmerd. Het water vloeide sindsdien
af in noordelijke richting door het
kommengebied evenwijdig aan de IJssel.
De Vecht langs Zwolle
Voor oude stroombeddingen in de omgeving
van Zwolle die de auteurs vóór de
negende eeuw aanwezig achten, nemen
zij op basis van bovengenoemde vergelijking
een oost-west richting aan. Daaruit
leiden ze af dat de Vecht toendertijd door
of langs Zwolle moet hebben gelopen, uitmondend
in de IJssel. Ze wijzen een viertal
mogelijkheden voor stroombeddingen
aan. Eén van die beddingen zou daarbij
door oud-Zwolle gelopen hebben. Op basis
daarvan beweren zij dat Zwolle vóór
de negende eeuw aan de Vecht lag. Als
mogelijk tracé komt naar voren: Nieuwe
Vecht, door de binnenstad (daarbij wordt
onder andere gedacht aan de Luttekestraat,
doch uit die omgeving ontbraken
sondeergegevens), Willemsvaart.
Indien de Vecht vóór de negende eeuw
inderdaad zo door Zwolle gestroomd zou
hebben, dan was dat voor de ontwikkeling
van de buurschappen Zwolle en
Middelwijk tot iets meer dan een agrarische
nederzetting een ideale situatie! Aan
de Vecht gelegen met een zeer korte verbinding
naar de IJssel.
Een moeilijkheid voor zo’n tracé is echter
dat tussen Vecht en IJssel een aantal zandruggen
liggen, haaks op de veronderstelde
richting van de beddingen (afb. 1). Ook
aan die moeilijkheid hebben de auteurs
gedacht. Ze veronderstellen dat de te passeren
dekzandruggen onderbroken waren
door diepe laagten met daarin diepe geulen.
In de tiende tot de twaalfde eeuw
zouden die laagten door verstuivingen
dichtgestoven kunnen zijn. In dat verband
wijzen ze erop dat in diezelfde periode op
de Veluwe bij Kootwijk stuifzanden zijn
ontstaan. Toen zou het hier ook wel gestoven
kunnen hebben. Wat de schrijvers
zich daarbij voorstellen staat kernachtig
verwoord in de aankondiging in de Zwolse
Courant: “…voor het eerst wordt melding
gemaakt van een ongekende droogte
waarmee Zwolle in de 10e-12e eeuw te
maken heeft gehad. Zandverstuivingen
zorgden voor natuurlijke dijken en het afsluiten
van beken en dalen. Mede hierdoor
is de waterstroomrichting veranderd.”
Als gevolg van het dichtstuiven van de
geulen dwars door de dekzandruggen
zouden de waterlopen vanaf de twaalfde
of dertiende eeuw een andere richting
hebben genomen, meer zuid-noord. Ze
zouden daarbij de laagten gevolgd hebben
die gelegen waren tussen de dekzandruggen.
De schrijvers maken echter niet duidelijk
waarom die wateren vóór de tiende
1990 125
afb. 1. Zandgronden, grotendeels zandruggen, in de omgeving van
Zwolle. (Voor de begrenzing der zandgronden is gebruik gemaakt van diverse
kaarten van de Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, uit de jaren 1950-
1965.)
Zandgronden
• Geen gegevens
1990 126
eeuw geen gebruik maakten van die, ook
toen al aanwezige laagten.
De Ussel langs Zwolle
In de bovengenoemde aankondiging van
het boek in de Zwolse Courant, staat dat
in het boek wordt aangetoond dat Berkenvelder
gelijk had met zijn bewering dat
Zwolle aan de IJssel heeft gelegen. In het
boek laten de auteurs zich echter minder
positief uit: “Toen het water Zwolle vanuit
het zuiden bereikte, moet er in het begin
van de wateroverlast, ca. 13e eeuw, een
IJsselloopCje) dichter bij Zwolle hebben
gestroomd dan een ieder tot nu toe heeft
aangenomen.” 5) Als bewijs noemen ze de
volgende punten:
de weinige (en slechte) dijken
– het lage gebied ‘de Lure’
– de gevonden kleilagen in Assendorp
– het watertje de Riete (Rijt)
– het restant van een oude bedding op
de plaats waar later de spoorhaven
werd aangelegd
– de vele in eikaars verlengde liggende
zuid-noord gerichte verstoringen (=
klei- en veenlagen afgeleid uit sonderingen).
Ze stellen dat deze bewijzen aansluiten bij
de vermoedens van andere auteurs over
een IJsselloopQe) dichter bij Zwolle. In die
vroege periode zou het daarom geen probleem
geweest zijn om een gracht te graven
vanuit Zwolle naar de IJssel.
Deze laatste opmerking is daarbij een anticlimax.
Als er op zo korte afstand van
Zwolle een IJsselarm lag, waarom zou
men dan nog vanaf Zwolle en dwars door
die aanwezige IJsselloop een soort voorloper
van de Willemsvaart gaan graven naar
de hudige IJsselloop?
Waar lag dat IJsselloop(je) precies? Langs
Zwolle is dat duidelijk genoeg aangegeven:
onder het spoorwegemplacement
zuidelijk van Assendorp, oude spoorhaven,
langs de Kamperspoorlijn, via de
Riete uitmondend in het Zwarte Water.
Bovenstrooms van Zwolle wordt geen duidelijk
tracé aangegeven. Het water kwam
wel uit het zuiden; mogelijk denken de
schrijvers daarbij aan de Soestwetering.
Waar het water uit de IJssel kwam blijft
echter onduidelijk: niet uit de doorbraken
bij Harculo, want die dateren uit de zestiende
eeuw.
Hoe het verder zou zijn gegaan met het
IJsselloopQe) wordt ook nog aangeduid.
Nadat Mastenbroek was ingepolderd, zou
het meeste water via de westelijk gelegen
IJsselloop (de huidige IJssel) zijn afgevoerd.
Slechts weinig water zou nog via
het Zwarte Water wegstromen. (Het is niet
duidelijk waarom; de Riete bleef toch buiten
de Mastenbroekerpolder?) Verder stellen
de auteurs dat de gehele loop zuidelijk
langs Assendorp buiten gebruik raakte
door een betere beheersing van het water.
Daarvoor in de plaats kwam de Steen-
Zandwetering en later alleen de huidige
IJsselloop.
Kijken we nu eerst even naar de zes
‘bewijzen’ voor het IJsselloopQe). Als eerste
noemen de auteurs de weinige en
slechte dijken. Daaruit is mijns inziens
niets anders te lezen dan dat in die tijden
meermalen overstromingswater uit de
IJssel langs Zwolle zal zijn afgevloeid.
Overstromingswater is echter geen IJsselloop!
Lage gebieden rond Zwolle zullen
vaak door inundaties hebben blank gestaan,
zo ook de Lure (2e punt). Als bezinking
uit het overstromingswater is een
kalkloze, zware klei afgezet (3e punt). Dat
dit water onder andere via de Riete naar
het Zwarte Water zal zijn afgevoerd, is
ook aannemelijk (4e punt).
De andere twee bewijzen, namelijk een
oude bedding ter plaatse van de latere
spoorhaven en het vaak in een rechte lijn
voorkomen van punten met klei- en veenlagen,
doen hier vreemd aan. Eerder in dit
hoofdstuk worden dit soort bewijzen na
melijk gebruikt als argument voor oostwest
gerichte beddingen van de Vecht
vóór de negende eeuw en nu moeten ze
wijzen op een noord-zuid gerichte IJsselgeul
na de dertiende eeuw. Dit wordt nog
gekker omdat nu het aantreffen van een
oude bedding in de vroegere spoorhaven
als bewijs wordt aangevoerd voor een
IJsselloop aldaar, terwijl eerder aanwijzingen
voor een oude bedding bij het stationspostkantoor
als bewijs werd genoemd
voor een Vechtbedding daar. Het stationspostkantoor
is namelijk gebouwd op de
plaats waar vroeger de spoorhaven lag.
Klei en veen als indicatoren voor
stroomgeulen
Hierboven zijn de bewijsvoeringen nagegaan
voor een Vechtloop door Zwolle en
een IJsselloop langs Zwolle. In beide gevallen
blijkt dat de daarvoor aangevoerde
argumenten, op zijn zachtst gezegd, on-
1990 127
toereikend zijn. Zou het daarbij ook zo
kunnen zijn dat de basis voor die argumenten
niet juist is?
Die basis is op pagina 139 als volgt omschreven:
“Omdat al jaren discussies in
publicaties plaatsvinden over ‘Heeft
Zwolle wel of niet aan de IJssel of Vecht
gelegen’, zochten we naar bewijzen om
die vraag te kunnen beantwoorden. De in
de (sondeer)rapporten gevonden klei- en
veenlagen ontstaan namelijk daar waar
water heeft gestroomd.” Kort daarna is
echter te lezen dat in het begin van het
Holoceen het veen in kommen is gegroeid
en dat veengroei tot stilstand kwam in gebieden
die weer stromend water kregen.
Dit laatste is juister. In stromend water
ontstaat namelijk geen veen; wel in ondiep,
stilstaand water en in drassige gebieden.
Klei wordt slechts sporadisch in nog
functionerende geulen afgezet. Wel is het
zo dat vervallen geulen vaak drassige, of
met water gevulde laagten zijn. Daarin
kunnen dus klei- en veenlagen zijn gevormd.
Bij Zwolle is een heel apart en fraai voorbeeld
aangetroffen van klei- en veenlagen
die ontstaan zijn in stilstaand water. Na de
val van kasteel de Voorst in 1363 is de
slotgracht gedeeltelijk gedempt. In het resterende
ondiepe, stilstaande water is veen
ontstaan en bij inundaties vanuit de IJssel
zijn daarin dunne kleilaagjes afgezet.
Een ander voorbeeld heb ik aangetroffen
naast de Willemsvaart bij de aanleg van
het fietstunneltje onder de IJsselallee. Over
een lengte van ongeveer zes meter was
daar een verticale, rechte wand zichtbaar;
duidelijk de wand van een gegraven
gracht, kanaal of lange put. Deze wand
was gaaf. Dat duidt er op dat er na het
graven weinig mee is gebeurd. De gegraven
diepte was opgevuld met daarin gevormd
veen.
In noot 18 op pagina 149 wordt gerept
van een ‘grave’, voorkomend in een archiefstuk
uit het jaar 1363. Verder is er
ook in 1480 sprake van het graven van
een kanaal. Of die graafwerkzaamheden
ooit voltooid zijn, of onafgewerkt zijn blijven
liggen is niet bekend. Het is aannemelijk
dat ik bij de Willemsvaart een restant
van één van die graafwerken heb aangetroffen.
Gezien het daarin gevormde veen
was het een stilstaand water dat langzaam
is dichtgegroeid. Deze vondst is overigens
destijds door Ir. D.M. van der Schrier
schriftelijk gemeld bij de ROB te
Amersfoort.
In vervallen geulen kunnen dus klei- en
veenlagen zijn gevormd. Daarnaast kunnen
zij ook in andere terreindepressies
ontstaan. In het zandgebied komt op
meerdere plaatsen veen voor in kuilvormige,
niet doorlopende laagten (dus geen
geulen). Soms zijn deze bedekt met een
zandlaag. Dat veen is vaak van pleistocene
ouderdom. In Zwolle-Zuid zijn door
mij zulke kuilvormige en met zand bedekte
venen aangetroffen bij de aanleg van de
IJsselallee-tunnel onder de spoorlijn naar
Deventer en op een paar plaatsen in de
omgeving van de spoorwegovergang
Oude Deventerstraatweg – Nfeuwe
Deventerweg.
Ouderdom van klei- en veenlagen
De auteurs laten zich niet rechtstreeks uit
over de ouderdom van de klei- en veenlagen,
maar uit het geschrevene valt wel het
nodige af te leiden. Ze veronderstellen dat
die lagen gevormd zijn in open geulen en
tevens dat die geulen open waren tijdens
de oudste Zwolse geschiedenis. Wat de
zandopvulling van de geulen betreft, verwijzen
ze naar de zandverstuivingen in
Kootwijk van de tiende tot de twaalfde
eeuw. De veronderstelde IJsselgeulen zijn
jonger, en het veen of de klei daarin dus
ook. Ze gaan niet in óp de zandopvulling
ervan. Wel vermelden ze dat in het zandgebied
verstuivingen voorkwamen tot in
de zestiende eeuw.
Voor de ouderdom van de diverse klei- en
veenlagen is door mij geraadpleegd Geologische
geschiedenis van Nederland en Toelichting
bij Geologische overzichtskaarten
van Nederland; 6) dit is aangevuld met eigen
regionale en locale kennis over bodemlagen.
De geologische perioden zijn
weergegeven in afbeelding 2. De in die tabel
gegeven dateringen moeten niet als
absoluut gezien worden. Ze geven een
orde van grootte waarin men kan denken;
hoe verder terug in de tijd hoe globaler de
datering. In de laatste kolom van de tabel
zijn een aantal voorbeelden genoemd van
afzettingen in de betreffende geologische
perioden. De tabel begint met de derde
ijstijd, het Saalien, die ook in het hoofdstuk
‘Waternood-Watersnood’ genoemd
wordt.
In het Saalien bedekte landijs ons land
voor een deel; onder andere Zwolle en
1990 128
omgeving. In deze periode werden de
Veluwse en Overijsselse heuvelruggen gevormd.
In de vierde ijstijd, het Weichselien,
ontstond het dekzandlandschap. Tijdens
deze ijstijden was het niveau van het
zeewater erg laag omdat een grote massa
water vastgevroren lag in dikke pakketten
landijs.
Tussen de derde en vierde ijstijd lag het
Eemien, een periode waarin het ongeveer
even warm was als nu. Een groot deel van
de ijskap uit de derde ijstijd was gesmolten
en daardoor was het zeeniveau gestegen.
Ten noorden van Amersfoort is in het dal
van de Eem op ongeveer 15 & 20 meter
diepte zeeklei uit die periode aangetroffen
en in het IJsseldal is op 12 a 18 meter
diepte veen en (rivier)klei gevonden. Het
veen dat op 12 meter diepte bij de Hoge
Spoorbrug is gevonden en het veen op 16
meter diepte bij de Veerallee, zullen we
dan ook mogen zien als bodemlagen uit
het Eemien.
Na het warmere Eemien volgde het koudere
Weichselien, de vierde ijstijd. Het
vroor toen niet constant, maar warmere en
koudere perioden wisselden elkaar af. In
de warmere perioden lag de gemiddelde
zomertemperatuur iets boven de 10 C; in
de koelere lag de temperatuur iets lager.
Een voorloper van de Rijn stroomde geduafb.
2. Overzicht van de geologische perioden met
gevormde afzettingen.
Geologische perioden
c
8
J2
o
X
c
8o
.!2
OH
c
X!
u1
Laat Weichselien
Midden Weichselien
Vroeg Weichselien
Eemien
Saalien
de vermelding van enige in die periode
Globale data
in
Subatlanticum
Subboreaal
Atlanticum
Boreaal
Preboreaal
Late Dryas Stadiaal
Aller0d Interstadiaal
aren v.Chr
900
3.000
6.000 *
7.000
8.000 J
9.000
9.800
Vroege Dryas Stadiaal
B0lling Interstadiaal
10.000
11.000
55.000
130.000
Afzettingen

IJsselkleien
Rivierduinen
Stuifzanden
Veen
Vechtafzettingen
Veen
• Rivierduinen
Jonger Dekzand II
Veenlaagje
Jonger Dekzand I
Veen- of leemlaagje
Ouder dekzand
Veenlagen
Smeltwaterafzettingen
Dekzanden met veenlagen
Zeeklei in het Eemdal
Rivierklei in het IJsseldal
Veen
•o
c ^
S c/3
— -C
!> f-.
E >
Vorming van stuwwallen
1990 129
rende het Weichselien door het IJsseldal
naar het noorden en zette daar een flink
pakket sedimenten, zoals kleien en zanden,
af. Ook in het Vechtdal vonden in
die tijd afzettingen plaats, doch daar met
materiaal van oostelijke herkomst. Door
herhaald verstuiven van die zanden, voornamelijk
in de koudere perioden, is een
deel van het dekzand gevormd. In de warmere
perioden kon in de vochtige laagten
veen ontstaan.
De warmere perioden kwamen het meest
voor in het Vroeg en het Laat Weichselien,
minder in het koudere en drogere Midden
Weichselien. Het lijkt daarom logisch voor
de ouderdom van veenlagen op een diepte
van 7 a 10 meter in hoofdzaak te denken
aan de warmere perioden van het
Vroeg Weichselien en voor veenlagen op
2 a 4 meter diepte aan warmere perioden
uit het Laat Weichselien. Iedere warme periode
werd gevolgd door een koudere.
Alle toen gevormde veenlagen kunnen
dus bedekt zijn geraakt met een laag dekzand,
eventueel met veenlagen daarin. Het
is daarom helemaal niet vreemd kleien/
of veenlagen aan te treffen onder
zandlagen van uiteenlopende dikte.
In het IJsseldal ging tijdens het Weichselien
de afzetting van rivierzanden door,
gelijktijdig met de vorming van dekzanden.
Dit is ook te zien in de tabel. Het
was uniek ooit deze afzettingen naast elkaar
in één ontsluiting te kunnen zien bij
de aanleg van de sluisput te Spoolde.
Na de laatste koudere periode eindigde
het Weichselien – en daarme tevens het
Pleistoceen – en begon het warmere Holoceen.
Dit is de geologische periode waarin
we nu nog leven en die ongeveer 10.000
jaar geleden begon.
Om weer aan te sluiten bij het artikel van
Dikken en Kamphuis, gaan we even terug
naar de vindplaatsen Bibliotheek en Wezenlanden.
Daar hebben zij stukjes bewerkt
vuursteen gevonden van ongeveer
8.000 jaar oud. Toen die mensen hier leefden
was, geologisch gezien, het Holoceen
dus nog maar net begonnen.
In hét warmere Holoceen is veel veen gevormd,
bijvoorbeeld het veen in de
Mastenbroekerpolder. De Rijn verliet het
IJsseldal en ging door de Betuwe stromen.
Alleen de Oude IJssel met daarin opgenomen
de Berkel, bleef haar water door het
IJsseldal afvoeren. Later Heeft de Rijn opnieuw
toegang gekregen tot het IJsseldal
via een zijtak in de omgeving van
Arnhem. Daarna zijn langs de IJssel de bekende
IJsselkleien afgezet: kalkrijke klei in
de nabijheid van de beddingen en kalkloze
klei op grotere afstand daarvan. Uit
eigen bodemwaarnemingen weet ik dat de
afzetting van IJsselklei hier reeds begonnen
is tijdens het Subboreaal, in een smal- •
Ie geul tussen nog groeiend veen.
Gedurende het Holoceen zijn op sommige
plaatsen langs rivieren rivierduinen ontstaan,
onder andere langs de IJssel en
langs de Vecht. In het late Holoceen zijn
op meerdere plaatsen in het zandgebied
stuifzanden ontstaan, als regel het gevolg
van beschadigingen van het ijlere vegetatiedek
op de drogere zandgronden. Zo
zijn onder andere stuifzanden ontstaan
langs druk bereden wegen. Fraaie voorbeelden
daarvan liggen langs de Hessenweg
onder Ommen-Hardenberg en langs
de Oude Twentseweg onder Heino. Beschadiging
kon ook ontstaan door overbegrazing
door schapen, onder meer bekend
van de Veluwe. In de directe omgeving
van Zwolle zijn geen grote oppervlakten
met stuifzanden ontstaan, al kan locaal
wel enige verstuiving hebben plaatsgevonden.
Conclusies
De aankondiging in de Zwolse Courant
over het verschijnen van het Zwols
Archeologisch Dagboek bevat de uitspraak
van Dikken: “Dit boek beschouw
ik dan ook als een herschrijving van een
deel van de Zwolse geschiedenis; de ware
feiten zullen als een bom inslaan.” In het
Voorwoord van het boek zelf staat iets
dergelijks, namelijk dat hij historische ‘vaste’
feiten heeft kunnen veranderen dan
wel verbeteren.
In verband met de aangekondigde gewijzigde
opvatting over de vroegere loop van
de Vecht en van de IJssel, heb ik het boek
op die punten kritisch doorgelezen. Mijn
kritiek richt zich dus niet op de archeologische
inhoud van het boek. Integendeel
zelfs, voor de bewoningsgeschiedenis ben
ik uitgegaan van de in het boek aangedragen
gegevens.
Mijn kritiek richt zich alleen op de geologische
en hydrografische zaken, dus op de
bodemlagen en waterlopen; en dan nog
alleen voor zover van betekenis voor de
geschiedenis van oud Zwolle. Omdat de
1990 130
auteurs bovendien nogal wat uitspraken
doen over de diverse bodemlagen (klei,
veen, dekzand, stuifzand), ben ik ook ingegaan
op het ontstaan en de ouderdom
van die bodemlagen.
Dikken en Kamphuis hebben uit sondeergegevens
het voorkomen van klei- en
veenlagen op veel plaatsen in en rond
Zwolle afgeleid. Ze zien dit als bewijs dat
daar geulen gelopen moeten hebben.
Door die punten, soms over grote afstand,
met elkaar te verbinden, komen ze tot een
reconstructie van waterlopen. Die waterlopen
moeten daarbij gefunctioneerd hebben
tijdens het bestaan van Zwolle.
In de door mij gegeven kritiek is enerzijds
aangetoond dat het voorkomen van klei
en veen geen bewijs is voor het bestaan
van een geul. (In sommige gevallen kan
het daarvoor wel een aanwijzing zijn.) Anderzijds
is erop gewezen dat klei- en
veenlagen, die in deze omgeving onder
zand voorkomen, veelal van veel grotere
ouderdom zullen zijn dan de eerste
eeuwen na het begin der jaartelling.
Een Vechtloop door Zwolle zoals de auteurs
voorstellen (Nieuwe Vecht, Binnenstad,
Willemsvaart) is niet mogelijk vanwege
de op dat traject aanwezige doorlopende
dekzandruggen. Dat diepe onderbrekingen
in dekzandruggen door stuifzand
mooi gaaf toegesloten zouden kunnen
zijn, zoals door de auteurs wordt verondersteld,
is nog nergens aangetroffen, net
zomin als het over grote lengte dichtstuiven
van soms zeer diepe geulen. Er is
trouwens helemaal geen reden genoemd
waarom het (Vecht)water, ook in de
vroegste eeuwen, niet gewoon de laagten
tussen de dekzandruggen gevolgd zou
hebben.
Een IJsselloop langs Zwolle is er evenmin
geweest. Dikken en Kamphuis voeren een
zestal punten als ‘bewijs’ aan voor zo’n
loop, maar in deze kritiek worden die zes
punten alle ontzenuwd. Daarnaast is er
nog een duidelijk tegenargument. Hierboven
is in de paragraaf over de ouderdom
van klei- en veenlagen vermeld, dat vanaf
het Subboreaal de afzettingen in en langs
de geulen van de IJssel kalkrijk zijn. Langs
het door Dikken en Kamphuis aangegeven
traject voor een IJsselloopQe) ligt geen
baan met kalkrijke kleien. Daar heeft dus
ook geen IJsselloop gelegen.
Noten:
1. Egben Dikken, Zwols Archeologisch Dagboek
(Zwolle 1989).
2. idem, 141-168. Tenzij anders vermeld, zijn de gegevens
in dit artikel aan dit hoofdstuk ontleend.
3. idem, 139.
4. idem, 170.
5. idem, 157.
6. uilgegeven in respectievelijk 1956 en 1975.
1990 131
Twee opmerkingen
naar aanleiding van de
tentoonstelling met werken
van Derk Jan van der Laan
J.C. Streng
In het Provinciaal Overijssels Museum
is van 10 november tot en met 13 januari
1991 een tentoonstelling te zien
met werken van de Zwolse kunstschilder
Derk Jan van der Laan (1759-
1829). Voor de tentoonstelling is een
catalogus gemaakt met een levensbeschrijving
van Van der Laan, gebaseerd
op nieuw archivaUsch onderzoek,
en een oevrecatalogus van zijn
tot nu toe achterhaalde werken. Het is
daarom dat hier aandacht wordt geschonken
aan twee, met de tentoonstelling
verband houdende, maar
onderling onderscheiden zaken. Ten
eerste komt het culturele klimaat in
Zwolle – vooral in de jaren rond 1800
– aan de orde. Vervolgens wordt de
tentoonstelling in een bredere Nederlandse
context geplaatst.
1. Het culturele leven te Zwolle rond
1800.
Inleiding
De eerste helft van de negentiende eeuw
staat vooral bekend als een tijd van kommer
en kwel, van Franse overheersing en
economische malaise. Toch lijkt het alsof
er juist tussen 1795 en 1830 ten opzichte
van de voorgaande en volgende periode,
sprake is van culturele bloei in Zwolle.
Deze culturele bloei was het resultaat van
particuliere initiatieven. De Zwolse overheid
hield zich – niet door een diepgaande
zienswijze over de verhouding tussen
cultuur en overheid maar door geldgebrek
– volledig afzijdig. Dat was in heel
Nederland zo. Dat een Zwollenaar, J.R.
Thorbecke, deze culturele onthouding na
het midden van de negentiende eeuw tot
een staatkundig axioma verhief, is dan
ook niet meer dan een toevalligheid.
Voorzover het een openbare uitvoering
betrof, was het voor de organiserende instantie
dan ook zaak in ieder geval quite
te spelen en voor commerciële voorstellingen
winst te behalen. Lukte dat niet, dan
hield elke culturele activiteit op. Onder
deze omstandigheden is het opmerkelijk
dat er überhaupt in die moeilijke tijden
iets ondernomen werd.
De belangrijkste gebeurtenis in 1795 was
het einde van het Ancien Régime. Voor
Zwolle was in 1798 de aanwijzing tot
hoofdstad van Overijssel van grote betekenis.
Het einde van het Ancien Régime had
grote gevolgen. In 1796 werd de gepriviligeerde
positie van de gereformeerde kerk
opgeheven. Voor de kerk betekende dit
een groot prestige verlies. Katholieken,
protestantse dissenters en joden, die twee
eeuwen lang als tweederangs burgers waren
beschouwd, waren nu juridisch gelijkwaardige
staatsburgers. De directe lijn tussen
de kerkeraden en de stedelijk besturen
werd verbroken. Het gevolg lijkt een
afnemende invloed van het kerkbestuur
1990 132
op de dagelijkse gang van zaken binnen
de stad. Het zou een nader onderzoek
waard zijn deze veronderstelde ontwikkelingsgang
ook voor Zwolle te onderzoeken.
De gewijzigde positie van de adel na 1795
had grote gevolgen. Voor de Overijsselse
adel verviel de verplichting een havezate
te bezitten. Successievelijk werden de havezaten
die hun functie – een jonker
moest vóór 1795 in het bezit zijn van een
havezate om in de Staten verschreven te
worden – hadden verloren in rap tempo te
koop aan geboden. Vele jonkers verlieten
het platteland en vestigden zich in de steden.
Onderzocht zou moeten worden in
welke mate deze edelen aan Zwolle, sinds
1802 de permanente hoofdstad van de
provincie, de voorkeur gaven boven andere
plaatsen. In 1815 werden door koning
Willem I vele burgerlijke families geadeld
om ingelijfd te worden in zijn ‘menagerie
du roi’.
Sociabiliteit
Een belangrijk cultureel fenomeen in de
samenleving sinds de achttiende eeuw
was de groeiende behoefte aan sociabiliteit
(de omgang met mensen in groepsverband).
In Zwolle waren een aantal verenigingen
die aan deze behoefte tegemoet
kwamen. Nadat tussen 1787 en 1795 het
verenigingsleven goeddeels verboden was
geweest, werden na 1795 aarzelend verenigingen
opgericht of heropgericht. Er
waren organisaties met een los verband
zoals leesgezelschappen en vriendenkringen
waarbij verhandelingen werden gehouden
door en voor de leden. Een voorbeeld
was de kring rond Jan ter Pelkwijk.
Hij hield in zijn vriendenkring, waaronder
Rhijnvis Feith en A. den Goudoever, de
rector van de Latijnse school, verhandelingen
over geografisch-natuurkundige verschijnselen.
1) Een cultureel marginaal en
zelfgekozen geisoleerd bestaan, leidde de
in 1802 opgerichtte vrijmetselaars-loge
‘Fides Mutua’; circa 1825 waren er 44
broeders aangesloten. 2) De twee belangrijkste
organisaties, in omvang en invloed,
waren wel de Maatschappij tot Nut van ’t
Algemeen – eerst als zelfstandige Zwolse
maatschappij, daarna aangesloten bij de
landelijke organisatie – en de Groote
Sociëteit. Over Het Nut, de organisatie met
de grootste maatschappelijke en culturele
invloed, is al gepubliceerd. 3) Vooral in
ri E E
het eerste decennium van de negentiende
eeuw organiseerde ‘Het Nut’ regelmatig,
nadat het zich aan de armoedebestrijding
vertild had, concerten en declamatie-avonden.
Na de aansluiting bij de landelijke organisatie
waren de culturele activiteiten
beperkt tot het in stand houden van een
bibliotheek en bemoeienis met het lager
onderwijs.
De Groote Sociëteit, opgericht in 1802,
werd in Zwolle de plaats waar de stedelijke
elite elkaar, na ballotage en het belalen
van een jaarlijks bedrag, ontmoette. In de
goed bijgehouden ledenlijst staan in de
periode van 1802 tot 1829 niet minder dan
435 namen genoteerd. 4) Die Zwolse elite
bestond uit diverse historisch gegroeide
groepen: leden van de oude Overijsselse
adel, de nieuwe door koning Willem I geadelde
personen én leden uit de patriottische
en de Orangistische burgerlijke regentenfamilies
uit het Ancien Régime. Ook
katholieken, al waren het er niet veel, sloten
zich bij deze elite aan. Binnen deze
kring werd enige mate van religieuze tolerantie
betracht. In 1819 werd de katholieke
T.E.F. Heerkens tot voorzitter van de
Groote Sociëteit gekozen. Overigens is de
associatie met oude heren niet terecht.
Een steekproef leert dat de leden zich op
zeer jonge leeftijd, meestal al tijdens hun
studie of direct na hun promotie, als lid
lieten inschrijven. De sociale samenstelling
S E.
Heemse. Titelvignet door
J. de Wit Janszoon naar DJ.
van der Laan uit: Heemse.
Hof-, bosch-, en veldzang
(1783). Foto: UB Utrecht.
1990 133
van de Groote Sociëteit wacht nog op een
serieuze historische analyse.
Het Nut en de Groote Sociëteit waren de
verenigingen waarvan de leden in aanmerking
komen om als klankbord te dienen
voor de culturele gebeurtenissen in
Zwolle. Of ze deze taak ook in voldoende
mate hebben waar genomen is de vraag.
Rhijnvis Feith heeft zich in het algemeen
niet positief over Zwollenaren – en hij kon
nauwelijks iets anders dan de stedelijke
elite op het oog gehad hebben – uitgelaten.
Het waren in zijn ogen prozamensen,
met meer verstand van ‘een fijne flesch en
eene lekkere pastij’ dan van literatuur. 5)
Kunstenaars
Belangrijker dan de instellingen voor de
beoordeling van een cultureel klimaat zijn
de kunstenaars. De beroemdste Zwollenaar
was ongetwijfeld Rhijnvis Feith. Zijn
domicilie in Zwolle veroorzaakte een constante
stroom van bezoekers naar de
Bloemendalstraat en naar Boschwijk. De
bezoekers werden gastvrij – Feith was niet
armlastig – onthaald. Mocht Feith van het
algmene culturele klimaat in Zwolle geen
hoge dunk hebben, sommige individuele
personen kon hij waarderen. Feith had
vrienschappelijke betrekkingen met diverse
Zwolse kunstenaars waaronder de
schilder Derk Jan van der Laan en de
dichter Lubbertus Rietberg. Over de muzikale
kwaliteiten van Johan Gotlieb Nicolai,
organist in de Michaëlskerk en componist
liet hij zich positief uit. Feith heeft een
grote invloed op het Zwolse culturele leven
uitgeoefend. Zijn toneelwerken en
cantates werden regelmatig uitgevoerd.
Dat hij in Zwolle op een breed publiek
kon rekenen blijkt in 1824 als er niet minder
dan 96 Zwolse inschrijvers zijn op de
uitgave van zijn verzamelde werken. 6)
In de schaduw van Feith beoefenden nog
heel wat personen de dichtkunst. Slechts
twee zijn van enig belang. De al genoemde
dichter en notaris Lubbertus Rietberg,
bereikte landelijke bekendheid met vier
dichtbundels. 7) Zijn eerste uitgave is een
gedicht dat hij eerder voorgedragen had
Glooiend landschap (circa
1800). Foto: Provinciaal
Overijssels Museum.
1990 134
op een Zwolse Nutsavond. Van Jan Coenraad
Pruimers werd één bundel gedichten
uitgegeven. Hij stierf ‘veelbelovend’ – hét
epitheton voor jonggestorven dichters – al
op tweeëntwintig-jarige leeftijd.
Als kunstschilders werkten in Zwolle de
generatie-genoten Antoine Daniël Prudhomme,
geboren te Zwolle in 1745, en
Derk Jan van der Laan. Beide kunstenaars
zonden werk in naar de tentoonstellingen
van ‘kunstwerken van nog in leven zijnde
Nederlandsche meesters’ te Amsterdam,
Haarlem of Den Haag. Van een latere generatie
was Willem Gerrit van Ulsen. Van
Ulsen was leraar aan de openbare tekenschool.
Deze tekenschool was op initiatief
van koning Willem I tot stand gebracht. In
1819 werd te Zwolle met tekenles gestart.
Tentoonstellingen werden in die tijd te
Zwolle niet gehouden.
Uitvoeringen
Aan de hand van de culturele uitvoeringen
die aangekondigd werden in De Zwolsche
Courant is een beeld te vormen van het
culturele leven in Zwolle. Het openbare
culturele leven werd gedomineerd door
muziekuitvoeringen en toneelvoorstellingen.
Naar het muziekleven werd al een onderzoek
verricht door Ten Bokum. 8) Wat opvalt
bij de serieuze muziek is de hegemonie
van de religieuze over de profane muziek.
Religieuze muziek betekende in die
tijd in de eerste plaats muziek in en rondom
de gereformeerde eredienst. Nu was
de zangkunst van de gemeenteleden notoir
slecht, klachten daarover kwamen
vooral uit eigen kring. De gereformeerden
hadden echter een troetelkind waar alle
muzikale aandacht op geconcentreerd
werd: het orgel. Uitvoeringen van religieuze
muziek waren in Zwolle dan ook in de
regel orgelconcerten of concerten waarin
het orgel een belangrijke plaats innam. De
kerkvoogd Pieter Queisen zorgde nog
eens voor een verruiming van de mogelijkheden
door in het tweede decennium
van de negentiende eeuw twee orgels te
schenken, één aan de Broerenkerk en één
aan de Bethlehemkerk.
Werken van contemporaine buitenlandse
componisten werden zelden uitgevoerd.
Van Joseph Haydn werden in 1803 de
‘Schepping der Waereld’ en in 1804 de
‘Jahreszeiten’uitgevoerd. Voor de Zwolse
cultuur waren de composities van de
plaatselijke organisten en muziekmeesters
johan Gotlieb Nicolai en Johan Carl
Röhmer belangrijker. Nicolai componeerde
de opera De geboortdag. Voor Feith
schreef hij muziek bij diens geestelijke
cantate Het onweder. Ook Röhmer schreef
muziek voor Feith’s Het onweder,9) waarbij
niet duidelijk is of dit een bewerking
van Nicolai is of een eigen compositie.
Eveneens op een tekst van Feith componeerde
hij de muziek bij De verlossing van
Nederland. Bovendien schreef hij twee
opera’s: één op tekst van (alweer) Feith,
Meifort en Clare en: De storm of het
betoverde eiland. Daar hield het niet mee
op. Voor Hendrik Kraijenstein schreef hij
in 1814 de muziek voor diens ’tooverzangspel’
Klein Duimpje en de reus Fayel.
10) -Al deze werken zijn in Zwolle uitgevoerd.
Omdat De Zwolsche Courant geen
commentaar levert op de uitvoering, is het
niet mogelijk enig inzicht te krijgen in de
kwaliteit van de uitvoering of de ontvangst
door het publiek.
Profane muziek werd verzorgd door de in
Zwolle ingekwartierde militairen. Zij verzorgden
regelmatig muzikale optredens.
Jacob van Lennep en Dirk Hogendorp
brachten in 1823 een bezoek aan Zwolle.
Op een zondag konden ze direct na de
hervormde dienst in de Michaëlskerk, op
de Markt luisteren naar muziek die door
dragonders uitgevoerd werd. n) Het lijkt
de normaalste zaak van de wereld maar
vóór 1795 was dit op een zondag ondenkbaar
geweest.
Over het toneel in Zwolle bestaat geen literatuur.
Wat hier volgt is niet meer dan
een globaal overzicht, voornamelijk gebaseerd
op aankondigingen in De Zwolsche
Courant.
De opvoeringen werden verzorgd door
rondtrekkende gezelschappen. In de jaren
1790 tot 1792 speelde een troep onder de
naam van ‘Nederduitsche Schouwburg’ in
Zwolle. De troep stond onder leiding van
mevrouw CE. van Dinsen, geboren
Kraijenstein. In 1790 traden ze op tijdens
de kermis; in de volgende jaren in de
herfst en winter. De invloed die de kerk
toen nog had, wordt zichtbaar in het verzoek
van mevrouw Dinsen om, zolang er
op de vrijdagavond niet gepreekt werd,
een toneelstuk te mogen opvoeren. 12)
Het was dus kennelijk vóór 1795 nog verboden
om tijdens de uitvoering van kerkdiensten
te spelen.
1990 135
Vooral tijdens de kermis in de laatste
week van juli was er een hele week lang
een vol programma. Toneel tijdens de kermis
was meer dan volksvermaak. In 1815
bezocht tijdens de jaarmarkt de beroemde
acteur Ward Bingley met zijn troep
Zwolle. 13) De notaris-dichter Lubbertus
Rietberg raakte zeer onder de indruk van
de manier waarop Bingley diverse emoties
uitbeeldde.
Het repertoire van de toneelvoorstellingen
werd gedomineerd door de toneelstukken
van de immens populaire Duitser August
van Kotzebu. De tweede plaats werd ingenomen
door Rhijnvis Feith. Zijn Tbirsa of
de Zege van den Godsdienst, Ines de
Castro en Lady Johanna Gray werden regelmatig
opgevoerd. In Zwolle was men
blijkbaar over de revolutionaire stemming
heen, het revolutiestuk van Feith, Mucius
Cordes, komt niet in de aankondigingen
voor.
Op 24 februari 1814 werd de Nieuwe
Zwolse schouwburg geopend met een zinnebeeldige
voorstelling. 14) De schouwburg,
met nog diverse zalen, werd geëxploiteerd
door ‘meester timmerman’ en
kastelein D.W. Diepenheim. Het complex
was verlicht met Engels lamplicht en voorzien
van een buffet. De opening stond onder
leiding van de al genoemde Hendrik
Kraijenstein die vermoedelijk voor de gelegenheid
uit Middelburg was gehaald.
Het einde van een periode
Door een

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1988, Aflevering 1

Door 1988, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1988/1 l
ZWOLS
HISTOQIÓCH
TIJD6CHQIFT
ZWOL6E HI&TODI&CHE VEDENIGING
INHOUDSOPGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG VIJF 1988
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 De drie middeleeuwse rivierovergangen over de Vecht
bij Zwolle D. Wemes
15 Grafkelder te Windesheim H. Clevis
BOEKBESPREKINGEN
21 Drostenhuis. Het provinciaal Overijssels Museum
Besproken door A.L.A. Wevers
23 Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij de
IJssel Besproken door F. Koorn
VERENIGINGSNIEUWS
27 Lezingencyclus
28 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
VAN DE INSTELLINGEN
14 Tentoonstellingsagenda P.0 M.
30 Oproep P.J. Meertens-Instituut
29 Mededeling van het gemeente-archief
32 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck
(eindredacteur Jaarboek), I. Wormgoor, H.C.J. Wullink,
A. van der Wurff
Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of
openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopy,
microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
I«rOL«E HI«TODI«Ct1l VtDtNICINC
Na twee speciale uitgaven – De Zwolse mummie en Domus
Parva – verschijnt na een jaar weer een ‘normaal’
tijdschriftnummer.
In dit afgelopen jaar zijn er enkele wijzigingen gekomen
in de personele bezetting van de redactie. De
heren R.Oost en P.Lindhoud hebben afscheid genomen en
voor hen in de plaats zijn gekomen de heren J.Drentje
en E.den Daas. Mevrouw I.Wormgoor is eindredacteur van
het tijdschrift geworden.
De opzet van het tijdschrift is echter onveranderd gebleven.
Ook in dit nummer kunt u enkele artikelen,
boekbesprekingen en mededelingen vinden. Tenslotte
wordt een beroep op uw medewerking gedaan door de redactie
en het Meertens-Instituut in Amsterdam.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
DE DRIE MIDDELEEUWSE RIVIEROVERGANGEN OVER DE VECHT
BIJ ZWOLLE
D. WEMES
De auteur van dit artikel neemt op grond van zijn
bevindingen bij het bestuderen van de geschiedenis
van het landschap een standpunt in, dat wellicht
diskussie oproept bij een deel van onze lezers.
De redactie stelt bijdragen van lezers aan
een mogelijk debat, liefst in de vorm van een
artikel, zeer op prijs.
Inleiding
Een halve eeuw geleden was het gebied, omsloten door
Zwarte Water, Vecht en Nieuwe Vecht, een groot stiltegebied.
Alleen langs de Meppelerweg was wat verkeer,
gaande naar of komende van het noorden. Het spoedde
zich toen nog door de stad Zwolle. En langs die weg
vormde de stoomtram enkele malen per dag een puffend
beeld van activiteit. Dit gebied van de vroegere marke
Dieze, Berkum en Langenholte is door Van der Pot aan
het begin van deze eeuw kleurrijk beschreven 1). Het
geheel was als het ware een mooie grote achtertuin van
de stad Zwolle, waar in 1450 nog een tuindeur was aangebracht
in de vorm van de houten Berkumerbrug.
De tegenwoordige toestand is totaal anders. Nu loopt
er een grote dijk om Zwolle heen, voorzien van brede
onderdoorgangen, vanaf de IJssel tot aan de betonnen
brug over de Vecht. En in het Berkumse gebied verdween
de Meppe1erstraatweg onder de nieuw opgeworpen zanddijk,
waarover de A28 ligt met zijn vier rijstroken en
daverende verkeersstroom. De trambaan herkreeg zijn
vroegere bestemming van verkeersweg – de huidige Kranenburgerallee
-, nu voor lokaal verkeer. De namen van
buurschappen en dergelijke leven voort in namen van
stadswijken. De naam van de oude marke Berkum ging
over op de slaapstad die ligt ingeklemd tussen de A28
en de Nieuwe Vecht. Men vindt hier geen sporen meer
van het vroegere landelijke karakter.
Onze belangstelling richt zich daarom op het gebied
langs de Vecht, waar de aloude marke Langenholte ligt
fig.l Oriënteringskaart van het gebied; tekening van
de auteur op basis van topografische kaart 1850.
en een onbebouwd stukje van de marke Berkum. Hier bij
de Agnietenberg lopen geen grote verkeersbanen, wel is
er een fietspad over de Vechtdijk naar de zandhoogte,
verderop met boerderijen verscholen in boomgroepen
(zie figuur 1: de buurschap Langenholte). Nu is het
een idyllisch landschap in een uithoek. Eeuwen geleden
moet dit anders geweest zijn.
In dit artikel wordt aandacht besteed aan rivierovergangen
over de Vecht die in dit gebied kunnen hebben
bestaan. Na een schets van de gangbare opvattingen
(die overigens niet als zodanig in de literatuur zijn
beschreven) wordt een nieuwe visie gepresenteerd. De
constructie en toepassing van de brugge en de spikke
zullen worden belicht, evenals de consequenties van de
geopperde visie.
4
Het gangbare beeld
Voordat het land van Mastenbroek bedijkt was (1364),
kon men alleen naar Hasselt over Langenholte en Genne.
Niet dat Hasselt zelf toen zo belangrijk was, maar het
lag op de route langs de westelijke rand van het veengebied
tussen Reest en Vecht. Vanaf deze rand is het
veengebied langzamerhand ontgonnen. Tussen Langenholte
en Genne lag begin deze eeuw nog een voetveer – het
Genneger veer – maar voordien kan het een grootser allure
gehad hebben.
Bij de Nemelerberg is in 1398 het klooster van St. Agnes
gesticht, populair veelal aangeduid als het klooster
op de Agnietenberg of Bergklooster. Het is beroemd
geworden door Thomas è Kempis die hier van 1399 tot
1472 vertoefde. Het klooster beijverde zich ook de
wildernis tussen Vecht en Reest tot ontwikkeling te
brengen. De monniken zullen daarom veel baat hebben
gehad bij een rivierovergang. Hoewel dat niet bekend
is, kan het Haersterveer uit die tijd dateren; thans
wordt het in feite niet meer gebruikt.
Voor 1450 lag bij Berkum een veerstal (dit is een
aanlegpunt voor een veerboot). De weg die van Zwolle
kwam en hier de Vecht passeerde, gaf aansluiting op
een merkwaardige, zeer oude verkeersweg die zich ruwweg
van Hasselt tot Hardenberg (en verder), zo’n tien
uren gaans uitstrekte. Het was in feite een enorme
strook heide waarin karresporen uitgesleten waren. Iedere
voerman koos zijn eigen spoor, ’s zomers door mul
zand, maar in natte tijden over een redelijk begaanbaar
zandpad met veel modderige kuilen. Delen van de
route gaven nog dezelfde aanblik op het eind van de
negentiende eeuw. Langs deze weg kon men over Hardenberg
en Venebrugge naar Westfalen of over Ommen naar
Twente gaan.
De Zwolse weg naar Berkum was een weg, vrij van slingers
en omwegen, wat er op kan wijzen dat het van oorsprong
een weg was die door een wildernis was aangelegd,
waarlangs eerst veel later bebouwingen ontstonden.
Er ligt een duidelijke knik in de weg bij de
kruising met de Westerveldse A. Vermoedelijk lag hier
een voorde (doorwaadbare plaats) en aan de Berkumse
kant een herberg.
Een rivier doorwaden was een onderneming waarvan het
welslagen sterk afhankelijk was van een geschikte
waterstand, waarop men soms dagen moest wachten. Tussen
de Westerveldse A en de Vecht hadden de Zwolse
vroede vaderen de gerechtsplaats van Zwolle laten aanleggen
(de stadsrechten van 1230 maakten hen dit mogelijk)
als demonstratie van hun bestuurlijke macht.
Daar koos men altijd de belangrijkste weg voor uit.
Twijfels aan het oude beeld
Met het bovenstaande zijn de gangbare opvattingen geschetst
met betrekking tot de rivierovergangen in de
Vecht bij Zwolle. Dit beeld behoeft echter een herziening.
Deze opvatting kwam bij stukjes en beetjes tot
stand. ;
In een door de IJsselakademie gepubliceerd onderzoek
over de veldnamen van Langenholte staat vermeld dat er
langs de Vecht wat weilanden lagen met de naam de
Bruggen 2). Het is duidelijk een toponiem, maar blijkt
in de Nederlandse taal nog niet omschreven te zijn.
Verrassenderwijs werd het wel in de Duitse literatuur
gevonden. Abels schrijft: “Brugge bedeutet in alteren
Namen nicht eine Brücke im heutigen Sinne, sondern eine
Art Knuppeldam über Morëste und Wasserlaufe”3). Met
deze opmerking waren de problemen geboren. Waarom lag
hier bij Langenholte zo’n brugge? Bestonden er meer
van dit soort bruggen in Nederland? En waarvoor gebruikte
men deze?
Omdat een brugge een onbekend begrip is en heden ten
dage niet meer bestaat, is tevens geprobeerd eens na
te gaan hoe zo’n brugge gemaakt werd en hoe deze functioneerde.
Uitwerking van deze vraag leidde tot een
nieuw inzicht.
De eerste vraag luidde: waarom lag juist hier bij
Langenholte een brugge? Was het een voorloper van het
Genneger Veer? Zouden er ook bruggen gelegen hebben
bij het Haerster veer en de veerstal in Berkum? Een
onderzoek naar meer toponiemen langs de Vecht vanaf ’t
Zwarte Water tot voorbij Berkum, leverde nog twee
andere namen op, te weten Berkum-Bruggenhoek – een
naam die bekend voorkwam – en Spiekpolder, dat bij
Haerst gelegen is, dus bij de twee andere rivierovergangen.
In de naam Spiekpolder zit het woord spikke
verborgen, dat in de Nederlandse en Duitse literatuur
6
goed bekend is. Voorlopig zullen we ons echter beperken
tot Berkum-Bruggenhoek. Het is dat deel van Berkum
waar een interlokale (de A28) en een lokale weg elk
afzonderlijk door middel van een brug over de Vecht
geleid worden. Sterker nog, in april 1968 lag er ook
nog de laatste uitvoering van de eeuwenoude houten
Berkumerbrug, maar die werd kort daarop gesloopt.
De naam Berkum-Bruggenhoek staat op de topografische
kaarten afgedrukt tussen de Vecht en de Kranenburg en
lijkt daarom heel toepasselijk voor de huidige situatie.
Maar evenals bij Langenholte kan het ook hier een
toponiem zijn. We bekijken daarom eens een oudere
kaart uit 1825 4). Daarop staat aangegeven: Bruggenhoeks
Buitenlanden bij de ten zuiden van de oude houten
Berkumerbrug gelegen uiterwaard op de rechter (dus
de niet-Zwolse!) Vechtoever. Dit geeft aan het woord
Bruggenhoek een heel andere betekenis. Het wijst op
een gebied, aanvankelijk Bruggenhoek genoemd, waarvan
bij de aanleg van de Vechtdijk een deel aan de rivier
kwam te liggen als uiterwaard, wat men toen Buitenland
noemde 5). De naam Bruggenhoek is dus ouder dan de
Vechtdijk en daarom ook ouder dan de Berkumerbrug. Het
moet een toponiem zijn met dezelfde betekenis als bij
Langenholte.
Waarom is de naam brugge in Nederland zo weinig
bekend? Het antwoord hierop is eenvoudig: men meende
met een gewone vrijdragende brug te maken te hebben,
die op pijlers rust en zo een water overspant. De naam
brugge komt wel meer voor, zoals in Brugge (België),
Baambrugge (aan de Utrechtse Vecht), Veenebrugge (bij
Hardenberg) en Esschenbrugge (bij Emmen in Drente).
Als boerderijnamen worden door Slicher van Bath genoemd:
Oldenbrugge berch (Rechteren 1381), Ertbrugge
(bij Wijhe 1310)en de Kipbrugge (bij Dalfsen 1436) 6).
Ook kennen we Roobrugge en Steenbrugge bij Deventer
7). Tot slot weten we dat bisschop Godfried aan de
Friezen van Lammerbruke in 1165 land schenkt 8). Het
jaartal 1165 lijkt ook goed te passen bij de bruggen
in Langenholte en Berkum!
De schrijfwijze van het woord brugge varieert nogal:
brugge, brucge, brugghen en bruke. We zullen voor het
enkelvoud brugge (bruggen mv. ) aanhouden en niet het
eigentijdse woord paalweg gebruiken, dat een niet bestaand
inzicht suggereert, zoals blijkt uit krantenartikelen
uit de jaren vijftig over een paalweg
gelegen in de Zwolse Diezerstraat. Het kan een brugge
geweest zijn.
De brugge
We zullen drie aspecten van de brugge nader bezien,
namelijk het toenmalige verkeer, de noodzakelijke constructie-
eisen en de mogelijke toepassing.
Het verkeer bestond in de vroege middeleeuwen uit
twee- en vierwielige karren die getrokken werden door
ossen of paarden; ruiters; voetgangers en vooral kudden
vee. We moeten ons realiseren dat toen het beroep
van herder zeer veel voorkwam.
Uitgaande van deze gegevens blijkt dat de constructie
van een brugge goed doordacht moet zijn geweest. Het
was meer dan een reeks naast elkaar, dwars over de
route liggende, losse boomstammetjes. De delen hout
moesten even dik zijn, niet te dun, want dan zou het
breken onder het gewicht van een wagen, maar ook niet
te dik, want dan zou de kar hobbelen en schokken en
daar waren de houten wielen niet tegen bestand. De
balkjes moesten vast bevestigd liggen op de ondergrond
zowel omdat het gewicht van een wagenwiel ze anders
uit elkaar kon drukken, alswel omdat de trekdieren
zich schrap moesten kunnen zetten om de wagens te
trekken. Tenslotte moest voorkomen worden dat een os,
paard of schaap met zijn poten tussen de stammetjes
door kon zakken en ze zo kon breken. Mogelijk lag er
een tweede laag dunnere takken over de eerste laag
heen, die ook gefixeerd moest worden. Het geheel kan
afgedekt zijn geweest met zoden en plaggen. Een mogelijke
constructie kan zijn geweest: drie balken in de
lengte-richting en dwars daarop goed tegen elkaar aan
liggende dwarsbalkjes. Een stuk brugge van vijf meter
lengte, bestaande uit drie ronde balken, vijf meter
lang, twee decimeter dik en vijftig balkjes van drie
meter lengte, één decimeter dik, woog 1300 kilo. Waarschijnlijk
gebruikte men geen spijkers maar wilgetenen
om alles bijeen te houden. Een brugge kon honderden
meters lang zijn. Het waren dus geweldige investeringen
in hout, waarvoor een geregeld onderhoud nodig
was.
De derde vraag luidde, onder welke omstandigheden de
bruggen zijn gebruikt. Er zijn maar een paar mogelijk8
heden: zand, veen en klei en dan of op het land of –
zoals de situatie bij Langenholte en Berkum doet vermoeden
– in het water. Mul zand gaf geen problemen in
de middeleeuwen. Er bestonden geen aangedreven wielen
die de neiging hebben zich al draaiende dieper in te
graven en bovendien is nat zand, zoals we uit eigen
strandervaring weten, goed berijdbaar. Bij veen- en
kleigrond lijkt een brugge zonder meer bruikbaar. Maar
door het eigen gewicht en het verkeer zal een brugge
er in wegzinken. Stel dat een brugge 30 è 35 centimeter
dik was, dan kan deze een veen- of kleilaag van
die dikte vervangen. Dikkere lagen moest men eerst tot
deze dikte weggraven. De brugge is niet te vergelijken
met een brug. Het is in feite een goed bruikbaar wegdek,
maar bestond niet uit stenen doch uit hout in de
vorm van boomstammetjes. Op het land zal men langs de
rand nog paaltjes in de grond geslagen hebben. De weg
was misschien drie meter breed. Men zal uitwijkplaatsen
gebruikt hebben en geen dubbele rijbaan in analogie
met de eensporige zandwegen.
. r
fig.2 Voorstelling van een brugge; tekening van de
auteur.
9
Wanneer we de constructie nog eens bezien (figuur 2),
dan lijkt die toch niet geschikt voor gebruik in het
water als een soort wegdek in een voorde. Door de waterstroom
en het verkeer zullen zoden en plaggen in
zeer korte tijd verdwenen zijn. Door het laagje water
– dat maximaal 30 centimeter kan zijn geweest – zal
controle van de brugge op gebroken stammetjes vrij
moeilijk zijn. De brugge moet goed gemarkeerd zijn geweest
aan de randen; hoe leidde men anders een kudde
schapen? Was het risico om schapepoten te breken niet
veel te groot?
Voorts gaf een brugge een rivier doorlaatvermindering
en moest deze ’s winters aan land gebracht worden om
niet in het voorjaar door voorbijstromende ijsschotsen
vernield te worden. Zou de middeleeuwer onder alle
weersomstandigheden bereid zijn geweest een brugge te
repareren, als ’t ware de natuur tartend?
Men kan het ook anders bezien. Was er destijds een
brugge in de rivier noodzakelijk geworden? Het karakter
van de rivier de Vecht moet heel anders zijn geweest
dan tegenwoordig. De venen en bossen waren nog
volkomen ongerept. Er was nog maar weinig land in ontginning
genomen zowel langs de Vecht als in Twente. Er
waren nagenoeg geen sloten en greppels die het water
van de akkers en de weiden afvoerden. Kortom, de neerslag
werd maximaal vertraagd afgevoerd. Het waterpeil
van de Vecht zal de regenval in de seizoenen vertraagd
gevolgd hebben. Waarschijnlijk was destijds net als nu
de regenval in de herfst het grootst, juist in de tijd
dat de oogst verhandeld werd. In 1226 is voor de slag
bij Ane veel materiaal per schip langs de Vecht vervoerd;
deze was toen kennelijk goed bevaarbaar. Ook de
afvoer naar het Almere zal aanvankelijk probleemloos
geweest zijn. De later (1170) ontstane Zuiderzee had
meer open water waarop de wind vat had. Door opwaaiing
aan de monding werd toen de afvoer ernstig belemmerd.
Maar dat probleem bestond nog niet in 1150. De vrij
constante en regelmatige afvoer suggereert dat er geen
grote hinderlijke afvoer was van erosieproducten als
zand, klei en veen. Dit wordt bevestigd door het ontbreken
van een Vechtdelta.
De spikke
Zoals we zagen bij de naam Spiekpolder, is er ook nog
sprake van een spikke. Het is een goed bekend toponiem
10
in de Nederlandse en Duitse literatuur 9). Schönfeld
geeft vele benamingen en schrijfwijzen: spiek, spijk,
spijc, spek, spik en spikke. Wie de genoemde literatuur
er op naleest, krijgt de indruk dat een brugge
ook wel met spikke werd aangeduid. Maar een spikke was
een algemener term. Men duidde er ook een gevlochten
beschoeiing langs een oever mee aan en het is een constructiemethode
om een sloot te passeren. Men vult de
sloot met ter plaatse gehakte takken, twijgen en stammet
j es en vormt zo een wat erdoor latende dam. Als de
sloot voldoende aangevuld is, kan toch zo’n dam nog
niet gepasseerd worden. Beestenpoten zakken er in weg.
Wat ontbreekt is een wegdek. Men bracht daarom een
vlaak of vleek mee, een mat van 2×1,5 m2 gevlochten
twijgen of soepele stokken. Het waren de voorlopers
van onze ijzeren rijplaten. Men legde ze over de gemaakte
dam en dekte ze af met ter plekke gestoken zoden.
Zo ontstond de “spekdam”, geschikt voor alle
soorten vee en indien stevig materiaal was gebruikt
kon er ook een beladen hooiwagen overheen. De vleek
nam men na gebruik mee terug naar huis. Het ding werd
voor veel doeleinden gebruikt: als rijplaat, als
“tuun” (afrastering) van de moestuin, bij dijkdoorbraken
benutte men een vleek met zoden als een afdichting
en in de boerderij kon men een vleek over de (hane)-
balken leggen en een zolder vormen.
Een spikke was te vergelijken met een brugge, maar men
kon er ook een sloot of wetering mee passeren. Zou het
daarom mogelijk zijn geweest dat in Haerst een brugge
lag maar ook , en alleen hier, een brede afwateringssloot,
een wetering of een natuurlijk watertje (bijvoorbeeld
de Hermelijn)?
Het is duidelijk dat een spikke totaal ongeschikt is
om in een rivier gebruikt te worden: het waterpeil zou
ontoelaatbaar verhoogd worden, terwijl losse takken of
takkenbossen, twijgen en stammetjes onbruikbaar zijn
in stromend water.
Een nieuwe visie
Er resteert maar één mogelijkheid: in de twaalfde eeuw
zal het gebied waar nu de Vecht stroomt en waar de
twee bruggen en de spikke lagen, hooguit een wat moerassig
land zijn geweest en dat waarschijnlijk alleen
in het najaar en de winter. De Vechtbedding lag ergens
11
anders, het meest waarschijnlijk daar waar nu de Westerveldse
A loopt.
Ik acht dit een verrassende visie die veel consequenties
met zich meebrengt. Laten we allereerst de lokatie
bij de oude herberg “De Vrolijkheid” nader bezien.
We treffen hier geen bijzondere toponiemen aan. Alleen
het meer westelijk en bij de Agnietenberg gelegen
“hof van Nemele” heeft een typische waternaam 10). Op
de al eerder genoemde kaart uit 1825 zien we behalve
een afwijkend recht stuk weg bij de Vrolijkheid ook
parallel hieraan een zeer brede sloot 11). Vermoedelijk
had men hier geen voorde. Er was in 1226 scheepvaart
zoals we zagen en deze twee passeermogelijkheden
hinderden elkaar. Een voorde moest toen namelijk erg
ondiep zijn, zo’n 20 è 25 centimeter, opdat de middeleeuwer
er normaal met zijn laarzen doorheen kon wandelen.
Ter weerszijden zullen de insteekhavens van de
veerschepen gelegen hebben; zo hinderde men de scheepvaart
niet.
Een tweede consequentie is, dat vanaf de Vrolijkheid
de weg naar Langenholte en vandaar naar Genne en Hasselt
gelopen moet hebben. Deze afslag lag zo ver van
de Vrolijkheid, dat eventueel hoog water van de Vecht
de weg langs de hof van Nemele naar Langenholte niet
bereikte. Maar deze weg moest wel nog een Vechttak
passeren. Dit wordt hier verder buiten beschouwing
gelaten. De weg naar Berkum is ook bedoeld geweest
als een route naar de achter Haerst liggende wildernis
waar de Zwollenaren kennelijk al vroeg turf gingen afgraven.
Het startpunt daarvan, waar later het huis Ordel
lag en waar het oorspronkelijke veenstroompje de
Hermelijn bereikt kon worden (later vergraven tot
slotgracht), ligt ongeveer in het verlengde van de weg
van de Vrolijkheid naar Berkum. Turfgraven is een seizoenbedrij
f en voor de vorst invalt moet de turf van
het veld zijn. Bevroren turf verkruimelt en is daardoor
waardeloos. Het vrachtverkeer van turf zal
eeuwenlang bestaan hebben, in tegenstelling tot het
handelsvrachtverkeer. In 1250 gingen de zware vrachtwagens,
de Hessenwagens, op Zwolle rijden, en reeds in
1276 kreeg Zwolle toestemming een tolweg op Lenthe aan
te leggen. De indruk bestaat dat in het najaar en in
de winter het Vechtwater hinderlijk hoog kwam te staan
bij de bruggen en de spikke.
Zeker is, dat de bruggen en de spikke beheerd werden
12 !
door de adel. Het zal ons daarom niet verbazen als in
1188 een domus in Haersholte genoemd wordt 12). Er is
ook tol geheven, immers de investering was vrij hoog.
Bij Langenholte zou het huis den Doorn van oorsprong
een tolhuis kunnen zijn geweest. Bij Berkum moet een
tolhuis gestaan hebben ter hoogte van Dijkzicht. De
brugge werd met Langghenbrugghen aangeduid 13). Tot
slot blijkt uit de eigen naam Bruggeman dat er mensen
bij betrokken waren als tolgaarder of kantonnier 14).
Alleen voor Berkum is precies bekend wanneer de brugge
overbodig werd: in 1450 kwam de houten Berkumerbrug
tot stand.
Berkumerbrug omstreeks 1940; tekening van ir. J. van
den Bergh
Samenvatting
Dit onderzoek is in zekere zin een vervolg op het onder
auspiciën van de IJsselakademie uitgevoerde onderzoek
naar veldnamen in Langenholte. Daarbij vond men
13
voor weilanden aan de Vecht gelegen, de naam De Bruggen.
Aangetoond is dat deze naam op identieke wijze
ook bij Berkum voorkomt. Tussen Langenholte en Berkum
treffen we nog de naam Spikke aan. Het toponiem Brugge
is nog niet beschreven in de Nederlandse literatuur,
wel in de Duitse. De indruk was, dat het een soort
‘veredelde’ voorden betrof. Een analyse van de opbouw
en de toepassing leert echter dat ze enkel bruikbaar
zijn in een niet al te diep moeras met stevige ondergrond.
Voor rivierdoorgangen zijn ze ongeschikt omdat
het in feite houten wegdekken zijn.
Hieruit moet geconcludeerd worden dat de brugge en
spikke door een loopveld, een winterwaterafvoer, van
de Vecht lagen. De Vecht zelf stroomde dus niet langs
Berkum, Haerst en Langenholte. Omdat Zwolle in 1270
van de bisschop van Utrecht toestemming kreeg een tolweg
naar Lenthe aan te leggen, vanwaar verder reizen
naar Westfalen en Twente mogelijk was, mogen we aannemen
dat het loopveld toen zoveel water over een lange
periode afvoerde, dat deze route praktisch gezien
onbruikbaar werd voor het handelsverkeer. In de droge
zomertijd zal men hierlangs de turf vervoerd hebben
die ten noorden van het loopveld gestoken werd. De zomerbedding
van de Vecht van destijds wordt thans benut
door de Westerveldse A.
Noten
Pot, C.W. van der, Zwolle’s omgeving omstreeks
1900, Zwolle z.j. De hoofdstukken verschenen als
artikelen in de Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant tussen 1903 en 1912.
Aalbers, j. en Ph. de Bruyn, “Veldnamen van Langenholte”
in: Bijdragen uit het land van IJssel en
Vecht, vierde bundel IJsselakademie, Zwolle 1981.
Ir. P. van den Berg te Zwolle maakte mij attent
op: H. Abels, Die Ortsnamen des Emslandes, in
ihrer sprachlichen und kulturgeschichtlichen Bedeutung,
Paderborn 1927.
Kaart van de rivier de IJssel van Westervoort tot
Kampen, door L.J.A. van der Kun en R. Musquetier,
1856 blad 12, Rijksarchief in Overijssel te Zwolle.
Verdam, J. en C.H. Ebbinge Wubben, Middelneder-
1andsch Handwoordenboek, Den Haag 1932.
Slicher van Bath, B.H., Mensen en land in de Mid14
deleeuwen. Assen 1944. De daarin opgenomen lijst
van boerderijnamen.
7. Deze namen staan op de topografische kaart als
huizen vermeld.
8. Bergh, L.Ph.G. van den, A.A. Beekman, H.J. Moerman,
Handboek der Middelnederlandsche Geografie,
Den Haag 1949, p.131.
9. Schönfeld, M., Veldnamen in Nederland, Arnhem
1980, p.151; Abels, a.w. p. 73.
10. Schönfeld, M., Nederlandse waternamen, Brussel
1955, p.45.
11. Van der Kun, Kaart van Overijssel, blad 12.
12. De goederenlijst van de graaf van Dale; men zie
hiervoor Bijdragen en Mededelingen van het Historisch
Genootschap XXV, Utrecht 1904, p. 365.
13. Berkenvelder, F.C. Zwolse regesten dl. 1, Zwolle
1980. Regest nr. 467 d.d. 05-02-1397.
14. Idem. Regest nr. 456 d.d. 31-10-1396.
TENTOONSTELLINGSAGENDA
PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
15 januari ’88 – half maart Anamorfoses en gezichtsbedrog
(Voorstraat)
half maart – half april Paasgebruiken in Overijssel
(Melkmarkt)
half maart – eind mei Urnen uit Overijsselse J
grafvelden (Voorstraat)
half april – begin juni De keuken (Melkmarkt)
15
GRAFKELDER TE WINDESHEIM
H. CLEVIS
Op 27 april 1987 werd bij het verdiepen van de vloer
ten behoeve van de restauratie van de Nederlands
Hervormde kerk te Windesheim een grafkelder ontdekt.
Een trap met zeven treden leidde naar de dichtgemetselde
kelder. Na opening bleek deze twee skeletten te
bevatten die onder circa 25 cm grondwater lagen. Met
toestemming van het kerkbestuur en met medewerking
van de aannemer zijn de skeletten gelicht door de
stadsarcheoloog H. Clevis, diens assistente M.
Barwasser, de heer Van de Berg en leden van het
kerkbestuur. Foto’s zijn genomen door J.P. de Koning.
Binnenmaats bedroegen de afmetingen van de kelder
2.30 x 1.70 m met een maximale hoogte van 1.50 m. Het
baksteenformaat was 23 x 11 x 4.5 cm met een lagenmaat
voor 10 stuks van 50.5 cm. Onder de plaats van
de kisten lagen drie halfsteens bakstenen muurtjes
van twee lagen hoog. Het water is verantwoordelijk
geweest voor een goede conservering van het botmateriaal.
Helaas is dat niet het geval voor het hout van
de kisten en kleding.
Metrisch en morfologisch onderzoek verricht door drs.
F. Laarman van de Rijksdienst voor Oudheidkundig
Bodemonderzoek te Amersfoort (R.O.B.) leverde de
volgende gegevens. Op grond van de afmetingen van
schedel en bekken bestaan de twee individuen uit een
man en een vrouw. De man had een lichaamslengte van
circa 1.70 m 1). Zijn leeftijd op grond van tanden en
schedelnaden lag tussen de 40 en 50 jaar. Hij heeft
een sterker ontwikkelde rechterzijde. De bovenzijde
is niet krachtig ontwikkeld. De schedelnaad van het
voorhoofd is merkwaardig genoeg niet volledig dicht.
De vrouw heeft relatief sterk ontwikkelde onderarmen.,
Ook heeft zij een vergroeiing van de vierde t/m de
elfde thoracale borstwervel. Twee vingerkootjes zijn
aan elkaar gegroeid en tussen twee andere waren
slijtsporen (kraakbeen afwezig). Op vele plaatsen was
het kraakbeen aan het verbenen (ribben,
knieschijven). De schedelnaad van het voorhoofd was
vrijwel geheel niet dicht gegroeid. De snijtanden in
de bovenkaak steken sterk naar voren.
16
Grafkelder te Windesheim met skeletten; foto Gemeentelijke
Fotodienst Zwolle
Op grond van bovenstaande gegevens zijn een aantal
vooronderstellingen te maken. De man is waarschijnlijk
rechtshandig geweest en beslist geen havenarbeider.
Omdat zijn bovenbouw niet krachtig ontwikkeld
is, kun je veronderstellen dat hij geen zware
lichamelijke arbeid heeft gedaan. De vrouw zal een
stramme rug gehad hebben en pijnlijke vingers. Met
ver uitstekende snijtanden zal ze niet direct een
schoonheid geweest zijn. Van beide personen is de
schedel vreemd. Normaal groeit de schedelnaad van het
voorhoofd al vrij vlot na de geboorte dicht, zodat de
naad niet meer te zien is. Bij beiden was de naad nog
zeer duidelijk te zien. Omdat de R.O.B, niet over een
vergelijkingscollectie beschikt is niet onderzocht of
de vrouw kinderen gebaard heeft.
Metrisch en morfologisch onderzoek, verricht door I.
Kockelbergh (revalidatie-arts), wijst uit, dat het
mannelijk individu leed aan een Spondylosis deformans.
Dit is een woekering van het bot die bij hem
tot uiting kwam bij de lendewervels en plaatselijk
tussenwervelschijf overbruggend was. Bij de vrouw
zijn volgens Kockelbergh enkele kiezen getrokken.
17
Haar wervelkolom toonde een uitgesproken Skoliose (=
vergroeiingen) en een sterk uitgesproken Spondylotische
en op meerdere niveaus tussenwervelschijf
overbruggende randlijstwoekeringen. In hoeverre zij
daarvan klachten heeft ondervonden, is niet vast te
stellen omdat de klachten hierbij geen vaste relatie
vertonen met de afwijkingen. De kans is groot dat zij
vrijwel geen klachten gehad heeft. Wel moet zij een
wat gedrongen uiterlijk gehad hebben, met name wat
korte en gedrongen “borst-buik”, dus relatief lange
armen en benen. Ook heeft zij een verbening van
vrijwel alle peesovergangen (Calcinosis Metabolica
Universalis). Dit is een beeld waarbij kalkafzetting
plaats vindt in bindweefsels van pezen, fascies (=
vliezen om spieren) en bij het zenuwweefsel. Men kan
er van uitgaan dat zij klachten gehad moet hebben,
diffuus en gegeneraliseerd van haar bewegingsapparaat.
Bij diverse kleine gewrichten waren
osteofyten (= uitgroeisels), voornamelijk bij de
vingergewrichten. De overige gewrichten vertoonden
eveneens verkalkingen bij de kapsels.
Wat de bij vondsten betreft zijn bij de man een paar
verzilverde manchetknopen gevonden. Bij de vrouw
lagen enkel benen knoopjes. Onder de manchetknopen
zaten enkele flintertjes stof van kleding. Op de
manchetknopen stonden geen initialen. De kisten waren
goed afgewerkt. Dit viel te constateren uit het feit
dat de spijkers diep in het hout gedreven waren,
waarbij de gaten netjes opgevuld en afgewerkt waren.
Aan elke kist zaten zes ringen. Het deksel was met
lange schroeven aan de bodem vastgeschroefd.
Aan de hand van het skeletmateriaal, de kelder en de
metaalvondsten is geen nauwkeurige datering te geven.
De kelder is waarschijnlijk bij (of vóór) de
verbouwing van 1824 onder de vloer weggewerkt. Jonger
kan deze begraving nauwelijks zijn in verband met het
verbod op begrafenissen in kerken (waarop
ontheffingen mogelijk waren). Aan de andere kant moet
de kelder dateren uit de tijd dat het gebouw als kerk
in gebruik was.
Buiten de kelder zijn nog enkele fragmenten van
menselijk botmateriaal geborgen die afkomstig zijn
van drie verschillende individuen. Deze begrafenissen
waren echter niet meer in situ.
18
Uit historisch onderzoek, op basis van het archief
van de Hervormde kerk Windesheim, bleek dat op 18
augustus 1793 te Windesheim Joachim, baron van
Plettenberg op 54-jarige leeftijd is overleden aan
“eene borstziekte na langzaam verval van kragten” 2).
Op uitdrukkelijk verzoek werd hij in alle stilte en
soberheid begraven. Dit vond plaats op 23 augustus
van dat jaar. Zijn kist werd door een koets met
paarden tot voor de kerk gebracht, waarna twaalf
personen uit de buurt hem naar binnen hebben gedragen.
Zijn stoffelijk overschot werd in een gemetselde
grafkelder bijgezet. Dit laatste feit vooral draagt
sterk bij aan de identificatie.
Joachim, baron van Plettenberg werd op 8 maart 1739
te Leeuwarden geboren. Hij vertrok in 1764 als
raad-extraordinair voor de Kamer Amsterdam met de
‘Amerongen’ naar Oost-Indië. Hij werd in 1765
raad-ordinair, in 1767 independent-fiscaal, in 1771
waarnemend gouverneur en in 1774 gouverneur van de
Kaap de Goede Hoop. In 1783 werd hij wegens grote
verkwistingen “eervol” ontslagen. In 1785 repatrieerde
hij en vestigde zich met zijn vrouw op het
landgoed Windesheim dat daartoe door hem werd
aangekocht op 5 oktober 1786 voor f. 47.000,- van
Carel Lodewijk Christiaan, graaf van Wartensleben tot
Windesheim. Hij overleed daar op 18 augustus 1793.
Zijn echtgenote was Cornelia Charlotte, dochter van
Gijsbert Jan Feith. Zij werd op 14 juni 1744 te
Batavia geboren en huwde daar op 13-jarige leeftijd
in 1757 met Louis Taillefert. Haar eerste man
overleed op 21 maart 1767 en Cornelia Charlotte
hertrouwde te Batavia op 12 september 1767 met
Joachim, baron van Plettenberg. Zij overleefde haar
man en blijkt in 1811 te Zwolle gewoond te hebben,
alwaar zij op 28 oktober Keizer Napoleon ontvangen
heeft toen deze op doortocht was. De keizer nam bij
haar zijn intrek en hield er de volgende dag een
receptie. Cornelia Charlotte overleed op 5 november
1812 te Zwolle. Na haar dood werd het landgoed
Windesheim door haar erfgenamen weer in 1813 verkocht.
Voor zover bekend heeft het echtpaar geen
kinderen gehad. Van het echtpaar zijn portretten
bewaard gebleven. Volgens Kockelbergh levert het
portret van Cornelia Charlotte een positieve identificatie.
’t?.”-‘ :•}””••>/,.:•
Joachim van Plettenburg (1739-1793) Cornelia Charlotte Feith (1744-1812)
foto Iconografisch Bureau Den Haag t£>
20
In een soort dagboek van de Hervormde kerk van
Windesheim wordt uitvoerig op de begrafenis van
Joachim van Plettenberg ingegaan. De twaalf personen
die hem ten grave gedragen hebben werden ’s avonds
met de overigen uit de buurt ten huize van Gerrit van
Keulen in het klooster verzorgd en onthaald op wijn,
brood en tabak. Hiertoe was door de weduwe f. 45,-
aan het kerkbestuur gegeven ter vergoeding van de
onkosten. F. 3,- bleef over en werd in de armenbus
gestopt. De overledene had voor zijn dood bepaald dat
het geld dat uitgespaard zou worden op een plechtige
begrafenis aan de armen en de noodlijdenden van deze
gemeente zou worden gegeven. Dezen moesten dan op een
voor hun ongewone maaltijd onthaald en van enige
kleren voorzien worden tot een dankbaar aandenken aan
de overledene. Van het overige geld moesten diegenen
iets krijgen die nog niet door de diaconie bedeeld,
maar wel noodlijdende waren. Na de begrafenis werd
aan een commissie van de kerkeraad terstond hiertoe
f. 200,- ter beschikking gesteld. Zo werden op 5
september van de zestien armen van de gemeente
diegenen die konden komen in het huis van diaken L.
Langenvoord onthaald op een goede maaltijd van soep
en rijst met gekookt en gebraden vlees. Daar
verscheen ook de commissie van de kerkeraad waaraan
eenieder zijn behoefte aan kleding kon opgeven. Ook
degenen die door ouderdom of anderszins niet konden
komen zouden kleding krijgen. Zo werd voor
eenentwintig personen kleding besteld. Aan onkosten
voor de maaltijd, kleding, snijdersloon en schoenen
werd f. 164,- betaald. Van de overige f. 36,- werd f.
20,- uitgetrokken voor een “slagbeest” voor de armen
en de overige f. 16,- werd in reserve gehouden om uit
te delen aan noodlijdenden van deze gemeente
gedurende de winter. Een en ander vond plaats met
goedkeuring van de weduwe.
De beide skeletten zullen te zijner tijd herbegraven
worden aan de zuidzijde van de Nederlands Hervormde
kerk te Windesheim.
Noten
1. M. Trotter, G.C. Gleser, ‘Estimation of stature
from long bones of American white and negroes’ in:
American Journal of physical anthropology 10
(1952), p 69-514.
2. Inv. nr. 2.
21
BOEKBESPREKING
DROSTENHUIS. HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
JHR. A.J. GEVERS EN A.J. MENSEMA
Uitgeverij Waanders, Zwolle 1987
A.L.A. WEVERS
Ter gelegenheid van de eerste landelijke monumentendag
op 12 september 1987 verscheen het boek ‘Drostenhuis.
Het Provinciaal Overijssels Museum’ . De
auteurs, jhr. A.J. Gevers en A.J. Mensema, als
archivisten verbonden aan het Rijksarchief in
Overijssel te Zwolle, zijn bepaald geen onbekenden in
het Overijsselse historische wereldje. Zowel
individueel als gezamenlijk publiceerden zij artikelen
en boeken van genealogische, heraldische en
historische aard. Het bekendste voorbeeld van
gezamenlijke arbeid vormt het standaardwerk ‘De
havezaten in Salland en hun bewoners’ (Alphen aan den
Rijn 1983).
Het ‘Drostenhuis’ verscheen in de Kleine Monumenten
Reeks, een initiatief van de Staatsuitgeverij,
uitgeverij Waanders en de Walburg Pers. Eerdere
publikaties in deze reeks zijn ‘Mauritshuis’,
‘Schiedamshuis’, ‘Kastelen van Zutphen’ en ‘Westfries
Museum’.
Het Drostenhuis, een gezichtsbepalend pand aan de
Voorstraat in het centrum van Zwolle, werd in het
midden van de zestiende eeuw gebouwd en vormt een
fraai voorbeeld van de wereldlijke bouwkunst uit die
tijd in de oude hanzestad Zwolle. De naam ontleende
het aan een van de functies die de bouwheer. Engelbert
van Ensse, bekleedde, namelijk drost van
Drenthe.
Het boekwerkje -inclusief foto’s, (bouw)tekeningen en
het notenapparaat 80 pagina’s- behandelt vrijwel alle
aspecten van de geschiedenis van het Drostenhuis. De
auteurs bedienen zich hierbij van een beproefde
methode: aan de hand van de verschillende eigenaren
22
en/of gebruikers wordt de geschiedenis van een huis
beschreven. Voor het ‘Drostenhuis’ betekent dit dat
na min of meer inleidende hoofdstukken over
respectievelijk de Voorstraat (de levendige handelswijk
waarin het Drostenhuis gelegen was), de bouwheer
Engelbert van Ensse en de bouwmeester Jacob van
Ceulen, in de hoofdstukken 5 en 6 uitvoerig aandacht
wordt besteed aan de vier patricische families -Van
Ensse, Van der Werf f, Podt en Helmich- en aan het
Provinciaal Overijssels Museum, welke vanaf het
midden van de zestiende eeuw tot op heden in het
Drostenhuis onderdak hebben gevonden 1). De diverse
familiegeschiedenissen en het overzicht van het
verleden en de collecties van het Provinciaal
Overijssels Museum voegen overigens weinig toe aan de
kennis over het Drostenhuis als zodanig. In hoofdstuk
5 over de patricische bewoners van het pand, loopt de
lezer bovendien het gevaar te verdwalen in de
veelheid aan genealogische gegevens. Enkele
genealogische tabellen zouden hem of haar in deze de
helpende hand kunnen bieden.
De bouwgeschiedenis van het Drostenhuis zélf wordt
gedetailleerd behandeld in hoofdstuk 4. Zowel in
kunsthistorisch als bouwtechnisch opzicht worden de
in- en externe verbouwingen, die de bewoners overeenkomstig
hun individuele eisen en de smaak van de tijd
aan het huis hebben laten verrichten, nauwgezet uit
de doeken gedaan.
Men kan van een publikatie als het ‘Drostenhuis’ niet
verwachten dat er diepgravende probleemstellingen of
historische discussiepunten aan ten grondslag hebben
gelegen. Dit impliceert echter geenszins dat ook elke
structuur ontbreekt. De auteurs hebben de veelheid
aan gegevens, ontleend aan een grondig archief- en
literatuuronderzoek en verantwoord in een uitgebreid
notenapparaat, tot een overzichtelijk verhaal weten
samen te smeden. Daarbij wordt de tekst functioneel
geïllustreerd door vele foto’s, tekeningen en
plattegronden. Kortom, het ‘Drostenhuis’ biedt de in
genealogie, bouwkunst en cultuurgeschiedenis
geïnteresseerde lezer veel kijk- en leesplezier.
l/. Op basis van stijlovereenkomsten en gemeenschappe
lijke steenhouwersmerken met het raadhuis van
Hasselt komen de auteurs tot de conclusie dat
Jacob van Ceulen tevens de bouwmeester van het
Drostenhuis geweest moet zijn. Gevers en Mensema,
Drostenhuis, 23.
23
BOEKBESPREKING
WINDESHEIM. STUDIES OVER EEN SALLANDS DORP BIJ DE
IJSSEL
F.C. BERKENVELDER, H. BLOEMHOFF, R.TH.M. VAN DIJK,
J.J. DIJKSTRA EN A.M. VAN DER WOUDE (RED.)
IJsselakademie, Kampen 1987
FLORENCE KOORN
Als een dorp of stad jubileert, bestaat vanzelfsprekend
de behoefte aan een historische studie. Slechts
weinigen kunnen een wetenschappelijk verantwoorde en
toch voor een breed publiek leesbare lokaal-historische
studie van prehistorie tot nu schrijven. En
aangezien er bovendien vrijwel nooit geld is om
hiervoor een bezoldigde kracht in te huren, blijven
deze studies meestal ongeschreven.
Gelukkig is er een alternatief, een bundel met
diverse bijdragen. Aan zo’n bundel kleeft niet zelden
het bezwaar dat er een brokkelig beeld uit naar voren
komt; er zit geen lijn in en omdat men afhankelijk is
van de schrijvers die zich aanbieden blijven
belangrijke aspecten onderbelicht. Dit geldt ook voor
deze bundel, waar de meest uiteenlopende onderwerpen
aan de orde komen, maar waar belangrijke zaken, die
in een eenmanswerk nooit ontbreken, zoals de
geschiedenis van het bestuur en het kerkelijk leven,
onbesproken worden gelaten.
Het is niet te verwonderen dat het klooster Windesheim,
waardoor het dorp Windesheim zijn wereldreputatie
heeft gekregen, in deze bundel nadrukkelijk aan
bod komt. Per slot van rekening is ook het inwijdingsjaar
van de kloosterkerk, 1387, gekozen voor de
vele jubileumactiviteiten in dit jaar, waaronder het
uitkomen van deze bundel, maar ook de organisatie van
een wetenschappelijk congres over de doorwerking van
de Moderne Devotie, van welke religieuze beweging het
klooster Windesheim één van de belangrijkste
bolwerken was. Gastvrij bood het dorp twee dagen lang
onderdak aan congresgangers uit het hele land, die,
wandelend van Dorpshuis naar Florens Radewijnszschool
24
of Hervormde kerk, iets van de sfeer van het
Windesheim van nu konden opsnuiven.
Zes van de tweeëntwintig bijdragen in deze bundel
gaan over het klooster Windesheim. Het is verbazend
hoe weinig er van dat beroemde klooster is overgebleven;
archief, bibliotheek, het complex zelf, we
moeten het doen met schamele restanten. Gelukkig zijn
er, dank zij de behoefte van de aanhangers van de
Moderne Devotie om hun eigen geschiedenis vast te
leggen, wel verhalende bronnen bewaard. Professor
Weiier schetst, op basis van deze in het Latijn
geschreven en dus weinig toegankelijke kronieken, een
beknopt maar helder beeld van kloosterstichting,
kloosterleven en geschiedenis. In de bijdrage van
R.Th.M. van Dijk wordt ingegaan op het ontstaan van
een netwerk van regulierenkloosters die dezelfde
regels volgden als Windesheim en als leden van het
zogenaamde kapittel van Windesheim een hechte
organisatie vormden. A.J. Geurts zet op een rij wat
er over de produktie van de schrijfkamer van Windesheim
bekend is. Mogelijk schreven de monniken niet
zozeer af voor de markt, als wel voor hun eigen
bibliotheek, maar het is de vraag of het weinige dat
aantoonbaar in Windesheim geschreven is representatief
is voor de werkelijke boekenproduktie.
Drie bijdragen handelen over de resten van het
klooster zelf. De vraag waar het klooster in strikte
zin, dat wil zeggen de woon- en werkverblijven van de
monniken en de kloosterkerk, nu precies gelegen
hebben werd toen het jubileumjaar begon te naderen zo
brandend, dat er al voordat deze bundel verscheen
hevige debatten zijn gevoerd in de Zwolse Courant.
Voor buitenstaanders zijn dergelijke debatten
nauwelijks te volgen, en het is ook wat verwarrend
dat men in deze bundel met twee diametraal tegenover
elkaar staande visies wordt geconfronteerd. De
huidige Hervormde kerk is niet een restant van het
klooster in strikte zin, maar van de kloosterbrouwerij,
terwijl de restanten onder Pastorieweg nr. 2 en
4 van het ziekenhuis van het klooster zijn. Hierover
is men het eens. Dit blijkt ook zowel uit archiefbronnen
als uit het bouwhistorisch onderzoek waarover
D.J. de Vries en G. Berends van de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg in hun bijdrage verslag uitbrengen.
Volgens de archeologen R. van Beek en H. Clevis moet
25
het klooster in strikte zin ten noorden van de
huidige Hervormde kerk hebben gelegen. Opgravingen
ter plekke brachten echter geen kloosterfunderingen
aan het licht. De conclusie dat het klooster dan dus
tot de laatste baksteen zal zijn afgebroken, lijkt
mij nogal voorbarig. De historicus R.Th.M. van Dijk
zoekt het klooster elders. Hij geeft een interessante
theorie over de mogelijkheid dat het complex uit twee
kernen bestond, een industriële kern, waarvan het
brouwhuis en ook het ziekenhuis deel uitmaakten, en
het kloostercomplex in strikte zin. Maar dat de
kelder onder de boerderij van Van den Oort onderdeel
van dit laatste complex vormt, bewijst hij niet
overtuigend. Het feit dat op verzoek van een eerbare
instelling nog wel als de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg met wichelroeden is gelopen en
inderdaad de door Van Dijk berekende kerk werd
gelocaliseerd, beschouw ik eerder als een curiosum
dan als een bewijs. Wel kan ik volledig instemmen met
zijn pleidooi om eerst bronnenonderzoek te doen
alvorens te gaan graven, maar ik vraag me af of het
thans verrichte bronnenonderzoek uitputtend is
geweest.
Dat Windesheim, in tegenstelling tot wat men vroeger
wel eens gedacht heeft, voor 1387 niet kaal en
onbevolkt was, was in vakkringen al lang bekend, en
komt ook in drie bijdragen in deze bundel aan de
orde, terwijl bovendien uit de bijdrage van Van Beek
en Clevis blijkt dat er al gravend naar een klooster
in ieder geval een prehistorische boerderij boven
water is gekomen. In een kort maar krachtig openingsartikel
stelt professor Blok dat al in 1028 de naam
Windesheim in de bronnen voorkomt. In een interessante
bijdrage gaan J.P. van den Berg en D.M. van der
Schrier in op de haat-liefdeverhouding van de
middeleeuwer met de IJssel. Deze rivier was niet
alleen een gevaar, waartegen maatregelen genomen
moesten worden, maar ook een vriend, die door de
overstromingen het land vruchtbaarder maakte. Van de
menselijke ingrepen om de waterstromen te reguleren
resten nog sporen in het hedendaagse landschap.
R. van Beek schetst hoe Windesheim in 1310 bestond
uit vijf hoeven en tracht deze te localiseren. Ik
vind het jammer dat hij al in 1400 weer ophoudt en
vraag me af of zijn reconstructieschets wel klopt.
26
Een sprong van de veertiende naar de twintigste eeuw
is wel heel groot en geheel onbelangrijk voor de
ligging van het klooster is deze reconstructie niet,
want dit werd op een van de vijf hoeven gevestigd. Ik
zou er voor willen pleiten ook de Sallandse
schattingsregisters uit het eind van de veertiende
eeuw, de vijftiende eeuw en begin zestiende eeuw eens
aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, de
originelen liggen weliswaar op het gemeentearchief in
Deventer, maar kopieën zijn in Zwolle op het
Rijksarchief aanwezig.
De zestiende, zeventiende en achttiende eeuw zijn in
deze bundel wat karig bedeeld, maar komen in drie
bijdragen over welstand en grondbezit, handel en
nijverheid en het onderwijs wel mede aan de orde. Ook
A.J. Mensema en A.J. Gevers besteden er aandacht aan
in hun geschiedenis van de havezate Windesheim, waar
in die periode onder de elkaar tamelijk snel
opvolgende eigenaars schilderachtige personen waren.
Pas vanaf de negentiende eeuw kwam er een familie in
het bezit van de havezate die er ettelijke generaties
heeft gewoond, de baronnen De Vos van Steenwijk. Uit
de diverse andere bijdragen in de bundel, vooral ook
de “kroniek” achterin het boek, wordt iets duidelijk
van de greep die zij op het dorpsleven gehad moeten
hebben.
E. Beekink heeft de demografische ontwikkeling van
Windesheim van 1811 tot 1939 bestudeerd. Zijn meest
opzienbarende conclusie is dat het percentage
gedwongen huwelijken in Windesheim tot de hoogste in
Nederland moet worden gerekend. F.C. Berkenvelder
heeft de migratie bestudeerd en concludeert dat de
samenleving betrekkelijk stabiel was; immigranten
kwamen uit de buurt, en Windesheimers zelf beproefden
hun geluk ook graag in de directe omgeving. Het was
voor mij een verrassing dat er geen stroom van
Windesheimer dienstboden naar de stad ging, maar
juist Zwolse meisjes in Windesheim gingen dienen.
Toen de congresgangers Windesheim verlieten, was
vanuit de bus zichtbaar dat een paar jongetjes,
gewapend met trompetten, zich naar het dorpshuis
spoedden. Uit de bijdrage van W. Neijzen is mij
duidelijk geworden hoe node de Windesheimers hun
dorpshuis twee dagen hebben moeten missen, want het
verenigingsleven in Windesheim bloeit uitzonderlijk.
27
Dat het dorp zo duidelijk een eigen identiteit heeft
gehouden mag wel als het bijzondere van het Windesheim
van nu gelden. Dit heeft ook, zo leid ik uit de
bijdrage van H. van Dijk over de ruimtelijke ontwikkeling
van Windesheim af, het dorp er mede voor
behoed dat het is opgeslokt door een Zwolse nieuwbouwwijk.
LEZINGENCYCLUS ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING 1988:
“GESCHIEDENIS VAN DE STADSUITBREIDINGEN”
Zwolle ontwikkelde zich in de loop der eeuwen van een
kleine nederzetting met enkele honderden inwoners tot
een groeistad met 90.000 burgers. Dit maakte het noodzakelijk
de bebouwing van de stad telkens uit te breiden:
tot de grenzen van de oude stadskern, tot de
vesting Zwolle, tot buiten de oude stadswallen
Deze groei en de geschiedenis van die groei zijn het
onderwerp van de lezingencyclus in 1988. Er zijn weer
vier lezingen gepland. De plaats zal nog bekend worden
gemaakt. Aanvangstijd van de lezingen is 20.00 uur,
behalve van de tweede lezing, die om 20.30 uur zal
beginnen. De lezingen zullen steeds van te voren
worden aangekondigd, maar u kunt natuurlijk ook alvast
de onderstaande data noteren.
De volgende sprekers zullen een lezing verzorgen:
8 maart drs. R. Salet:
De geschiedenis van de vesting Zwolle
17 mei drs. J. Hagedoorn:
Uitbreidingen in de negentiende en
vroege twintigste eeuw
13 september drs. R. Salet:
Uitbreidingsplannen rond de tweede wereldoorlog
15 november ir. R. Krijtenburg:
De stadsontwikkeling in de afgelopen 25
jaar
28
VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
J.A.M.Y. Bos – Rops en M. Bruggeman, Archief*wijzer:
handleiding voor het gebruik van archieven in Nederland.
Muiderberg, Coutinho 1987. ISBN 90-6283-690-9.
107 p. f 24,50. Dit boek is niet speciaal op Zwols
historisch onderzoek gericht, maar op archiefonderzoek
in het algemeen. Uiteraard kan ook de lokale historisch
onderzoeker (in spé) met dit boek zijn voordeel
doen.
B. Dubbe, “Achttiende-eeuwse beeldhouwers in Overijssel”
in: Antiek jaargang 22 (1987) nr.3, p.127-150. In
dit artikel staat onder meer informatie over Zwolse
beeldhouwers.
Bert Evenboer, Neem nou Zwolle. Een kleine historie
over de ontwikkeling van Zwolle. Deel 1; Spoolde/Veerallee.
Zwolle, uitgegeven in eigen beheer 1987. 172 p.
f 24,50. Bundeling van (herziene) bijdragen die in de
periode 1973-1978 in de Zwolse Koerier verschenen onder
de titel Zwolle vroeger en nu.
E. J. Fischer, Stroomopwaarts. De electriciteitsvoorziening
in Overijssel en Zuid-Drenthe tussen circa
1896 en 1986. Uitgave van de N.V. Electriciteits-Maatschappij
Ijsselcentrale ter gelegenheid van het 75-jajarig
bestaan op 11 december 1986. Zwolle, Waanders
1987. ISBN 90-6630-067-1. 374 p. f 75,00.
J.C.H, de Groot en A. M. J. Perry – Schoot Uiterkamp,
Bibliografie van Overijssel 1951-1980. Zwolle, Waanders
1987. ISBN 90-6630-111-2. 288 p. f 49,50
Jan ten Hove, De geschiedkundig-Overijsselsche tentoonstelling
van 1882 en de beginjaren van het Provinciaal
Overijssels Museum. POM-flet nummer 26, oktober
1987. Zwolle, Waanders. Te verkrijgen bij het Provinciaal
Overijssels Museum, Voorstraat 34, Zwolle.
H.J. Oldenhof, Van normaalschool Steenwijkerwold naar
PABO Zwolle. PABO Zwolle 1987. 160 p. Aanwezig bij het
gemeente-archief Zwolle.
29
Gregor Rensen en Piet den Otter, Historisch onderzoek
In Overijssel. Een handleiding. Utrecht, Matrijs 1987.
ISBN 90-70482-50-9. 180 p. f 29,95. De in offset verspreide
Handleiding voor de locale en regionale geschiedbeoefening
in Overijssel (Zwolle 1985; zie Zwols
Historisch Tijdschrift 1986 nr.2) voorzag duidelijk in
een behoefte. De beperkte oplage was snel uitverkocht.
De auteurs hebben de tekst verbeterd en uitgebreid en
de nieuwe versie is als boek verschenen. Behalve in de
boekhandel ook te verkrijgen bij het Rijksarchief in
Overijssel, Eikenstraat 20, Zwolle.
A. Schoot Uiterkamp, “Armenzorg in Zwolle in de tweede
helft van de negentiende eeuw” in Overijsselse Historische
Bijdragen 102e stuk (1987), p.91-132.
F. Tavenier en H. van ter Meij, De Zwolse bioscoopcommissie
1914 – 1916. Werkstuk cursus lokale en regionale
geschiedenis van de Christelijke Leraren Opleiding
Zwolle. Uitgave in eigen beheer, Zwolle 1987. 20
p. + 7 bijlagen. Aanwezig bij het gemeente-archief.
Terugblik en vooruitzien. Dertig jaar Stedelijk
Conservatorium (1957 – 1987). Met een voorwoord van G.
Loopstra. Uitgave van het Stedelijk Conservatorium,
Zwolle 1987. 24 p. Aanwezig bij het gemeente-archief.
A. de Vries, “De gewelfschilderingen in de Broerenkerk
te Zwolle” in Bulletin KNOB 86 (1987) 4, p. 161-178.
MEDEDELING VAN HET GEMEENTE-ARCHIEF ZWOLLE
Onder de titel “Geschiedenis van de Windesheimer molen”
verscheen in het Zwols Historisch Jaarboek 1
(1984 p.1-6) een artikel van de hand van M. van der
Leeuw. In aansluiting daarop kan worden medegedeeld,
dat thans het archiefje van de Stichting “de Windesheimer
molen” (1950-1964) dat aanwezig is in het Zwolse
gemeente-archief, van een inventaris is voorzien.
30
De stichting, die op 27 maart 1951 werd opgericht,
stelde zich ten doel de uit 1748 daterende windkorenmolen
te Windesheim, staande aan de rijksweg Zwolle-
Deventer, in eigendom te verwerven en in stand te
houden als monument.
De eerste doelstelling kon al vlot worden bereikt. Op
21 januari 1952 vond de notariële eigendomsoverdracht
plaats, waarbij J. Langevoord de molen aan de stichting
verkocht.
Vervolgens werden pogingen in het werk gesteld om gelden
te verwerven voor de restauratie van de molen. Deze
werkzaamheden konden uiteindelijk worden opgedragen
aan de molenbouwer A.J. Bisschop te Dalfsen. Op 14
juni 1952 werd de gerestaureerde molen feestelijk in
gebruik gesteld. In de jaren daarna (1956 en 1962)
bleven restauratie- en herstelwerkzaamheden noodzakelijk.
De daarvoor benodigde gelden werden verkregen
door subsidies, giften en leningen.
De molenaars waren C L . Geene en W. van den Berg.
Het archiefje van de stichting is openbaar.
J.J. Seekles
VRIJWILLIGERS GEVRAAGD VOOR ONDERZOEK NAAR DIALECTEN
EN VOLKSKUNDE
Het P.J. Meertens-Instituut te Amsterdam is een onderzoeks-
instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen. Het houdt zich vooral bezig met
dialectologie, volkskunde en naamkunde. Het Meertens-
Instituut kan zijn taak echter niet vervullen zonder
de hulp van vrijwilligers die gegevens verschaffen. De
afdelingen Dialectologie en Volkskunde zenden daartoe
ten minste één maal per jaar een vragenlijst uit van
vier bladzijden of meer. Bij het naamkundig onderzoek
heeft het ‘vrijwilligerswerk’ een ander karakter.
De dialectologische vragenlijsten hebben betrekking op
de dialecten van Nederland, de Friese dialecten – niet
de Friese taal als zodanig – en die van Nederlandstalig
België. Er wordt gevraagd naar het dialectwoord
31
voor een bepaald Nederlands woord of begrip, de vertaling
in dialect van een Nederlandse zin, het al dan
niet voorkomen in het dialect van een bepaalde zinsconstructie,
enzovoort. Het gaat hierbij om het dialect
zoals dat nu normaal gesproken wordt in de plaats
waarvoor de vragenlijst wordt ingevuld. Dat zal wel
niet precies hetzelfde zijn als het dialect van bijvoorbeeld
vijftig jaar geleden. Talen veranderen, dialecten
ook. Het is goed dit uitdrukkelijk te zeggen,
want je hoort wel eens dat er tegenwoordig geen ‘echt’
of ‘goed’ dialect meer wordt gesproken. In dat geval
zouden de lijsten alleen maar ingevuld kunnen worden
door mensen die een vrij hoge leeftijd bereikt hebben,
en dat is beslist niet de bedoeling.
In de volkskundelijsten gaat het om zeer gevarieerde
onderwerpen, die altijd betrekking hebben op het dagelijkse
leven van vroeger en nu, in het gezin en daar
buiten. Zo zijn de laatste jaren bijvoorbeeld aan de
orde geweest: het broodverbruik, de inmaak, de indeling
en inrichting van de woning, maar ook feesten en
blaasmuziekverenigingen. Het volkskunde-onderzoek
heeft alleen betrekking op Nederland.
Het Meertens-Instituut gaat er van uit dat bij een
historische vereniging zoals de ZHV veel leden zijn
die voor dit werk de juiste instelling en interesse
hebben. Zij hopen daarom dat er binnen de ZHV goede
medewerkers gevonden zullen worden. Vandaar deze oproep.
Zoudt u invuller willen worden van hun dialecten/
of volkskundelijsten?
Het is niet zo dat degenen die deze lijsten invullen
dat allemaal op eigen kracht doen. Velen halen de gevraagde
gegevens bij anderen die op de hoogte zijn van
het dialect of van de gebruiken in een bepaalde
plaats. Met behulp van de juiste zegslieden zullen de
vragenlijsten zeker ingevuld kunnen worden.
Het is vrijwilligerswerk en het kost tijd. Geld hoeft
het niet te kosten, want men kan gebruik maken van een
antwoord-enveloppe. Vergoeding kan het instituut niet
geven. Wel ontvangt men jaarlijks het contactblad en
er wordt af en toe een ‘Open Dag’ op het instituut georganiseerd.
Ook kan men de publicaties tegen gereduceerde
prijs verkrijgen.
32
Als u aan deze vorm van medewerking aan het wetenschappelijk
onderzoek naar de Nederlandse dialecten,
gewoonten en gebruiken wilt meewerken, of wanneer u
verdere inlichtingen wenst, kunt u zich richten tot
het P.J. Meertens-Instituut. Dat kan zowel schriftelijk
– P.J. Meertens-Instituut, Antwoordnummer 10778,
1000 RA Amsterdam – als telefonisch onder nummer 020-
234698, en vraagt u dan naar de heer H. Beekveldt.
PERSONALIA
D. Wemes (1921) volgde in zijn geboorteplaats Zwolle
de Rijks H.B.S. (1939) en studeerde werktuigbouwkunde
aan de M.T.S. te Groningen. Daarna was hij werkzaam op
gieterijtechnisch gebied. In een latere periode stelde
hij handboeken samen voor het gebruik van warmtebehandelingsovens
in de metaal- en glasindustrie. Na zijn
pensionering raakte hij sterk geïnteresseerd in de
historische geografie. Publiceerde in het Zwols Historisch
Jaarboek 1985 over de Voorstraat.
H. Clevis is werkzaam als stadsarcheoloog van Zwolle
en Kampen.
F. Koorn (1951) studeerde middeleeuwse geschiedenis
aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in
1981 op het proefschrift Begijnen in Holland en Zeeland
gedurende de middeleeuwen (Assen 1981). Sinds
1982 is zij als adjunct-archivaris verbonden aan het
Gemeentearchief Haarlem.
A.L.A. Wevers (1960) werd geboren in Hengelo. Na het
V.W.O. studeerde hij contemporaine geschiedenis aan de
Rijksuniversiteit Utrecht. In 1987 studeerde hij af op
de scriptie Een onbebouwde akker. Socialisme in Twente
1880-1914. Hij is thans in T.E.G.-verband werkzaam bij
het Rijksarchief in de provincie Overijssel.
ZWOL&E VERENIGING
BESTUUR:
voorzitter;
J. Hagedoorn
secretaris:
R. Stel
penningmeester:
H. Brassien
leden:
Tyassenbelt 28, Zwolle
Boddemate 43, 8014 JK Zwolle
Brederostraat 76, Zwolle
P.J. Berends, R.T. Oost, R. Salet, I. Wormgoor
SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE:
Postbus 1448
Telefoon: 038 – 539625
REDACTIE-ADRES:
Westerstraat 17
8001 BK Zwolle
8011 CD Zwolle
GIRO-REKENING:
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging te Zwolle
LIDMAATSCHAP:
jeugdleden, studenten en 65-plus
leden tussen 21 en 65 jaar
huisleden
f25,– per jaar
f35,– per jaar
f 7,50 per jaar
typewerk: H. Wullink & A. van der Wurff
lay-out: Henk Brassien
druk: Koninklijke Tijl N.V. Zwolle
omslag: “SWOLLA”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden

Lees verder