Categorie

2012

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 4

Door | 2012, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

29e jaargang 2012 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Special
Westenholte – Voorst –
Frankhuis Een geschiedenis
in vogelvlucht
Omslag: Frankhuis ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.
(Particuliere collectie)
zwols historisch tijdschrift 143
Inhoud
Groeten uit Westenholte Wim Huijsmans 142
Voorwoord Bert de Vries 144
Westenholte is…?
Een geschiedenis in vogelvlucht
van Westenholte, Voorst en Frankhuis
Frank Inklaar 145
Westenholte – Voorst – Frankhuis;
geografische achtergrond
Gerrit van Vilsteren 162
De cornetmuts
Hoe een modemuts in de streekdracht
terecht kwam Aranka Wijnbeek 171
De Christelijke Mondharmonicavereniging
‘Excelsior’ in Westenholte Wim Huijsmans 179
WVF zal altijd dorpsclub blijven
Steven ten Veen 183
De Nederlandsche Gruyère Blokmelk
Fabriek N.V. Gerrit van Vilsteren 189
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 8: De ontwakende driften van de
Zwolse babyboomers (1962-1963)
Jan van de Wetering 198
Veelomvattende dissertatie van
dr. Philomène Bloemhoff
In anderhalve eeuw veranderde veel aan
het Zwolse dialect Willem van der Veen 200
Mededelingen 202
Auteurs 204
Groeten uit Westenholte
Petuniaplein, 1965
Bij gebrek aan een suikerzakje uit Westenholte
dit keer een prentbriefkaart van het Petuniaplein.
Het plein is ontworpen als winkelcentrum voor
het nieuwe Westenholte. Waar eerst koeien
graasden, moesten winkels komen met een buurtkarakter waar je je dagelijkse inkopen kon doen.
Het zou het dorpse Westenholte allure geven. Het
ontwerp van plein en winkels met bovenwoningen is van de hand van architect W. Geytenbeek,
die ook iets dergelijks aan de Campherbeeklaan
in Berkum had ontworpen. Eind 1964 werd het
complex aan het Petuniaplein opgeleverd.
Op de foto zien we uiterst links de houten noodkerk van de Nederlands Hervormde
Gemeente, de latere Stinskerk. Aan het plein kwamen van links naar rechts: de Centrawinkel van
Mannes Kluin, de Boerenleenbank, de textielzaak
van Johan Spijker, het technisch handelsbureau
van Jannes Willems met gereedschappen en ijzerwaren, de Spar supermarkt en Gosen ten Klooster
met een sigaren- en snoepwinkel. In zijn winkel
zat ook een postkantoortje. Opzij kwam een
snackbar.
Naast de winkels aan het plein had de Centrale
Plattelandsbibliotheek in juni 1964 een nieuw
filiaal geopend. Het gebouwtje rechts met daarop
in neon letters Spaarbank bood onderdak aan de
Raiffeisenbank.
Volgens de plannen van de architect werd het
Petuniaplein dat ongeveer tweeduizend vierkante
meter groot is, ingericht als parkeerruimte en
‘gestoffeerd’ met bloembakken. Het plein waar op
vrijdagmiddag ook een kleine markt gehouden
wordt, is nog steeds het kloppend hart van
Westenholte.
142 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Het Petuniaplein met vrijdagmiddagmarkt, november 2012.
(Foto Jan van de Wetering)
(Collectie HCO)
144 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 145
Het Historisch Centrum Overijssel heeft in
samenwerking met (oud)bewoners een
unieke tentoonstelling gemaakt over de
Zwolse buurten Westenholte – Voorst – Frankhuis.
De tentoonstelling geeft achtergrondinformatie aan de hand van prachtige door de bewoners
ingebrachte foto’s, maar ook de persoonlijke verhalen en herinneringen hebben een plek gekregen
in de tentoonstelling.
Het unieke van de tentoonstelling is dat mensen tijdens de duur ervan hun eigen foto en verhaal
toegevoegen. Hiervoor is een digitaal fotoalbum
gemaakt, waar foto’s in worden opgenomen en
mensen zelf hun verhaal kunnen plaatsen. Dit
album is ook vanuit huis in te zien en reageren op
foto’s en verhalen van anderen is mogelijk.
Het Historisch Café is toegankelijk op iedere
dinsdagochtend van 10.00 uur tot 12.00 uur
zolang de tentoonstelling loopt, een ontmoetingspunt voor iedereen die geïnteresseerd is in
de geschiedenis van deze Zwolse buurten, maar
in het bijzonder voor degenen die er wonen of
gewoond hebben en samen met anderen herinneringen willen ophalen.
Met de expositie, die loopt tot en met
4 januari 2013, wil het Historisch Centrum Overijssel mensen betrekken bij hun eigen geschiedenis. Je eigen verleden bepaalt immers voor een
groot deel ook je eigen identiteit. Zo willen wij een
bijdrage leveren aan leefbaarheid en welzijn in
buurten en wijken. Het project voegt iets belangrijks toe, namelijk de menselijke dimensie van
beleving en ontmoeting. Eerder door het Historisch Centrum Overijssel gerealiseerde wijkprojecten hebben dit ten volste bewezen!
Dit themanummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift is het resultaat van al het moois aan
materialen en informatie dat het Historisch Centrum Overijssel vóór en tijdens de tentoonstelling
Voorwoord
heeft mogen ontvangen. Geweldig dan ook dat de
Zwolse Historische Vereniging een themanummer over deze prachtige Zwolse buurten heeft
willen maken, zodat als de tentoonstelling is
afgelopen, naast het digitaal fotoalbum er ook een
rijk geïllustreerd tijdschrift ligt als resultaat van
hoe samen met bewoners de geschiedenis van hun
eigen wijk in beeld is te brengen.
Zo levert een project met bewoners uit een
wijk ook weer een mooie samenwerking op met
onze aloude partner, de Zwolse Historische
Vereniging, waarvoor ik haar van harte wil
bedanken.
Bert de Vries
Directeur Historisch Centrum Overijssel
Wat zou een oer-Westenholtenaar er
van vinden dat een heel nummer van
het Zwols Historisch Tijdschrift aan de
geschiedenis van zijn woonplek is gewijd? Trots,
omdat er toch maar mooi aandacht is voor dit
unieke plekje? Bevreemding, omdat Westenholte
sinds de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel in 1967 weliswaar bestuurlijk onderdeel is
van Zwolle, maar om het nu Zwols te noemen?
En aandacht in het Zwols Historisch Tijdschrift?
Hoe het ook zij, Westenholte (en Voorst en
Frankhuis), de buur(t)schappen ten noordwesten van Zwolle, hebben al eeuwenlang van doen
met deze stad en andersom. Om maar het meest
in het oog springende voorbeeld te noemen:
ongeveer de grootste catastrofe die Zwolle ooit
is overkomen heeft zijn oorsprong in Voorst.
In 1324 brandde vrijwel de hele stad af door
toedoen van de hoofdbewoner van het kasteel
van Voorst, kasteelheer Roderik van Voorst.
Maar het kan ook vreedzamer: in 1994 werd de
honderdduizendste inwoner van Zwolle, Kyra
Mepschen, geboren in Westenholte. Hoezeer
de bewoners van het gebied de eigenheid van
hun buurtschappen ook beleven, er zijn redenen
genoeg voor het Zwols Historisch Tijdschrift om
in de geschiedenis van deze drie buurtschappen
te duiken. Westenholte was oorspronkelijk het
gebied vanaf de Konijnenbelten tot en met de
Zalkerdijk; Voorst lag hier ten zuidoosten van en
Frankhuis meer richting Zwolle, vroeger bij het
Zwartewater, nu aan het Zwolle-IJsselkanaal. De
oude buurtschap Voorst is opgegaan in het huidige Westenholte.
Detail uit de topografische kaart rond 1900
met Westenholte, de
Konijnebelten, Voorst
en Frankhuis. Onder
de (nog zichtbare) letters van Westenholte
ligt de Zalkerdijk, waar
de lagere school staat
aangegeven. Duidelijk
zichtbaar is ook de
Kolk. (Collectie HCO)
Westenholte is…?
Een geschiedenis in vogelvlucht van
Westenholte, Voorst en Frankhuis
Frank Inklaar
146 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 147
Kasteel Voorst
Het vroegste begin van de bewoningsgeschiedenis is niet veel verschillend van andere nederzettingen in dit gebied. In een drassige omgeving
zoeken mensen een hogere plek op om droog en
veilig te kunnen wonen. De in deze buurt gelegen
hogere plekken waren rivierduinen. Daar vestigden zich de oer-Westenholtenaren. Of er sprake
was van een Friese nederzetting in een Saksische
omgeving, of dat de wortels te zoeken zijn op de
Noord-Veluwe is niet bekend. De rivierduinen
werden in de loop der eeuwen door de bewoners
aangeduid als de ‘Konijnenbelten’. De naam Westenholte komt van Wesderawalde. Dat verwijst
naar een bosrijk gebied. In oude archiefstukken
komt de naam al voor. Westenholte, eerst alleen
en later samen met Voorst, vormde al vroeg een
marke. Een marke was een soort middeleeuws
collectief van grotere boeren die gezamenlijk het
beheer en gebruik van hun gemeenschappelijke
gronden regelden. Het centrum van de marke
bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden. De marke Westenholte-Voorst werd pas in 1903 opgeheven.
Aan de zuidzijde van de Konijnenbelten stond de
burcht van de machtigste heren uit de buurt, de
heren van Voorst. In 1224 werd de oude burcht
afgebroken en er kwam een nieuw, zeer imposant
exemplaar voor in de plaats. Net als alle adellijke
families in de Middeleeuwen streefde ook de
familie van Voorst naar een zo groot mogelijke
onafhankelijkheid. Twee obstakels vonden ze
hierbij op hun weg: de landsheer (de bisschop
van Utrecht) en de IJsselsteden in de buurt, die
andere belangen hadden dan de Van Voorsten.
Bij vlagen, als de belangen gelijk liepen, trokken
de bisschop van Utrecht en de steden als bondgenoten op. Voor Zwolle had dat in 1324 onaangename gevolgen. De stad werd toen getroffen door
een razendsnel om zich heen slaande brand en
werd praktisch geheel verwoest, kerk en stadhuis
incluis. Alleen het klooster Bethlehem en vijf
burgerhuizen bleven gespaard. Volgens de overlevering was Roderik van Voorst de aanstichter van
het vuur. In 1361 volgde een herhaling van zetten.
Zwolle wenste een gracht te graven van de stad
naar de IJssel en dat moest gebeuren over het land
van de Van Voorsten. Die waren daar niet blij
mee en weer stak een Van Voorst, nu Zweder, een
stuk Zwolle in brand. De ‘Nijstad’, de bewoning
buiten de Diezerpoort, ging in vlammen op. Het
was duidelijk: Zwolle moest zich ontdoen van de
burcht van de Van Voorsten om verlost te raken
van de machtige arm van deze heren. De stad riep
de hulp in van bisschop Jan van Arkel. Met hulp
uit Deventer en Kampen werd kasteel Voorst
belegerd. Vijftien weken bood de burcht weerstand, maar toen met blijden ‘drek en vuiligheid’
over de muur werd geworpen waardoor er in het
kasteel gebrek aan drinkbaar water en ziekte ontstond, was het afgelopen. Het kasteel werd met de
grond gelijk gemaakt om nooit meer opgebouwd
te worden. De ijzeren deur van het kasteel is nog
steeds te zien in het oude stadhuis van Kampen.
De beste stenen van het kasteel werden in Zwolle
hergebruikt bij de bouw van de toren van de
Grote Kerk. Nog in het begin van de negentiende
eeuw werd het laatste puin aangewend voor de
aanleg van zeeweringen tegen de Zuiderzee en
voor de verharding van de weg naar Kampen.
Het terrein waar eens het kasteel stond is nu rijksarcheologisch monument: het Stinspark. Een
houten speelkasteel is een ludieke herinnering
aan de eens zo machtige burcht.
De familie van Voorst bleef overigens niet
lang ‘dakloos’, de zonen van Zweder sloten een
verzoeningsverdrag met de bisschop van Utrecht
en bouwden vervolgens verderop in de toen net
omdijkte Mastenbroekerpolder een nieuw kasteel,
huize Werkeren. Ruim honderd jaar na de bouw
van Werkeren liet de toenmalige bewoner, Johan
van Ittersum, ook weer een huis in Westenholte
bouwen in de buurt van de plek waar het oude
kasteel had gestaan: Huis Voorst. Het gedeelte
van de Mastenbroekerpolder waar Werkeren
stond is tegenwoordig opgeslokt door Stadshagen. Werkeren werd in het begin, Huis Voorst
aan het eind van de negentiende eeuw gesloopt.
Negentiende eeuw
De zanderige rivierduinen werden eeuwenlang
vooral bewoond door twijgensnijders en landarbeiders, al dan niet met een klein keuterbedrijfje.
Het lagergelegen, vruchtbare land daaromheen
was het domein van enkele grotere boeren. Een
reiziger van Kampen naar Zwolle beschreef in
1819 het landschap als volgt: ‘Er loopen twee
wegen van hier naar Zwolle, de een geheel door
Boven: Luchtfoto van het Stinspark in Westenholte. Het Stinspark is gebouwd
op de plaats waar ooit de burcht van de heren van Voorst stond. Bij de aanleg
van het park is uitgegaan van de contouren van de grachten rond het kasteel.
Rechts zijn de velden van voetbalclub WVF zichtbaar. (Aerophoto Eelde)
Onder: Reconstructie van de plattegrond van het kasteel. (Informatiebord
Stinspark, foto Jan van de Wetering)
Boven: Tegenwoordig is
dit houten speelkasteel
in het Stinspark nog
een bescheiden herinnering aan vervlogen
tijden. (Foto Jan van de
Wetering)
Links: Verbeelding
door Teun van der
Veen van de belegering
van het kasteel in 1362.
(Uit: Zwolle 750 jaar
stad in woord en beeld
gevat, 1980)
148 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 149
de klei, doch te smal voor een gepakt rijtuig met
vier paarden. Ik reed dus den anderen, over den
Konijnenberg, eerst door lage weilanden, dan
heide, wederom weiland, en eindelijk open veld
… Ofschoon de heide hier meestal bedwongen
en vruchtbaar gemaakt is, ontmoet men nogtans
enkele duintjes. Dan ook deze ontsnappen niet
aan dien geest van ontginning, dien ik overal
aantrof, en men ziet dat de zandhoop sedert kort
kleiner is geworden en nog gedurig wordt.’* Desalniettemin zou het nog zeker een eeuw duren
voor de ‘konijnenbelten’ grotendeels verdwenen
waren, ook tegenwoordig vallen er nog rudimenten van terug te vinden. Veel van het land was in
handen van grootgrondbezitters, die meestal tot
de stedelijke elite behoorden. Bij Frankhuis lagen
de drie buitens Twistvliet, Ketelkolk en De Bildt.
De lagergelegen gebieden hadden met enige
regelmaat te maken met overstromingen. In 1825
verdronken bijvoorbeeld enkele van de toen
honderdvijftig inwoners van Westenholte. Toch
brachten de overstromingen niet alleen rampspoed. De vruchtbaarheid van het land werd er
ook door vergroot.
Tot ver in de negentiende eeuw vormden Westenholte en Voorst gesloten gemeenschappen, die
niet veel met de buitenwereld van doen hadden.
Zelfs niet met elkaar. De omwonende boeren
kwamen bijvoorbeeld niet op de volksfeesten in
Westenholte. Maar langzaamaan werden de contacten met de buitenwereld makkelijker en werd
de wereld wat groter, ook voor de buurtschappen. Meisjes gingen uit werken als dienstbode
in de stad, waar de jongens werk vonden in de
opkomende nijverheid. Frankhuis, wat dichter bij
Zwolle en aan doorgaande wegen naar Kampen
en Hasselt gelegen, kende een wat andere economische bedrijvigheid. Tussen Westenholte en
Voorst en Frankhuis hadden diverse tuinders en
warmoezeniers hun bedrijfjes. Zo vlak onder de
rook van de stad Zwolle hadden ze een stabiele
afzetmarkt. In Frankhuis woonden wat ambachtslieden, die vooral gericht waren op het boerenbedrijf. Zo waren er smederijen en wagenmakerijen.
Ook was er verzorgende middenstand: onder
meer een melkboer, een bakker, een kleermaker,
wat kruideniers en natuurlijk een café-tapperij.
Soms werd deze bedrijvigheid gecombineerd met
een klein boerenbedrijfje.
Grote bedrijven
Grotere economische bedrijvigheid buiten de
landbouw was er in Frankhuis. In de negentiende
eeuw ontstonden daar twee bedrijven, die elk
voor zo’n vijftig arbeidsplaatsen zorgden. Veel
inwoners uit de buurt vonden er werk. In 1825
vestigde houthandel Eindhoven en Zoon zich in
Frankhuis. Het bedrijf kwam uit Blokzijl. Door
de aanleg van de Willemsvaart was er een directe
verbinding gekomen tussen het Zwartewater
en de IJssel. Vlotten hout uit Duitsland konden
veel voordeliger via de IJssel naar Zwolle worden
getransporteerd dan via de Zuiderzee naar Blokzijl. Op buitenplaats Twistvliet liet Lambert Eindhoven een houtzaagmolen bouwen, aangedreven
door de wind. Vanaf 1857 werd gebruik gemaakt
van een stoommachine. In 1973 werd het familiebedrijf overgenomen door een van de grootste
Engelse houtimporteurs, The Southern Evans Ltd.
In 1989 kwam het bedrijf in handen van Stiho BV
te Nieuwegein.
Het andere grote bedrijf was de Blokmelkfabriek. In 1895 verleende de gemeente Zwolle
Uitsnede van het gebied
Zwolle, Zwartsluis en
Kampen met de Mastenbroekerpolder uit de
kaart ‘Transisalania
Provincia vulgo Overyssel’ uit 1743.
De kaart is gebaseerd
op de in 1648 vervaardigde kaart door
Nicolaas ten Have.
Zichtbaar zijn (op de
rode lijn) Westenholte,
Voorst en Frankhuis.
(Facsimile bij ‘Een
perfecte Lantcaerte van
Overijssel’ 2012)
Rechts: Boerderij met
hooiberg in Frankhuis.
Anoniem, achttiende
eeuw. (Collectie SMZ)
Frankhuis eind negentiende eeuw. Tekening
door J.W. Meijer. (Collectie SMZ)
150 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 151
een vergunning aan de Stoomzuivelfabriek Mastenbroek VOF voor de bouw van een roomboterfabriek. In 1926 werd de stoomzuivelfabriek
overgenomen door NV Nederlandse Gruyère
Blokmelkfabriek uit Den Haag. De Blokmelkfabriek verwerkte melk van boeren uit de verre
omgeving tot blokmelk. Blokmelk was een mengsel van melk en suiker, dat na afkoeling stijf werd
en in blokvorm in kisten werd verpakt voor
verzending naar Zwitserland. Daar diende het
als grondstof voor chocolade. In 1977 werd het
bedrijf onderdeel van Coberco Isoco BV. Sinds
1999 is het onder de naam Sensus Operations een
producent en groothandel in voedingsmiddelen
en voedingsmiddeleningrediënten.
Frankhuis was inmiddels door de aanleg van
het Zwolle-IJsselkanaal in het begin van de jaren
zestig van de twintigste eeuw compleet veranderd.
Het was de directe verbinding met Zwolle verloren. Een fiets-voetgangerspontje moest dit gemis
compenseren. In 1985 kwam er weer een vaste
verbinding in de vorm van een voetgangersbrug
op de hoogte van zo’n negen meter boven het
kanaal. Het kanaal bracht ook aan de zuidrand
van Westenholte en in Voorst grote veranderingen. Langs het kanaal kwamen insteekhavens en
industrieterreinen, die tot op heden het beeld
bepalen van wat nu bekend staat als het industriegebied Voorst.
Het personeel van de firma Eindhoven in 1905. (Particuliere collectie)
Het personeel van de firma Eindhoven in 1938. De foto werd gemaakt op 14 maart, ter gelegenheid van het vijftig jaar in dienst zijn
van Egbert Drost. Staand achterste rij vlnr.: Jo Drost, Jan Willem ten Hove, Jan Huizen, Gerrit Drost, Dorus Heres, Reindert Drost,
Sip Heres, Albert van Rijssen, Jan Lubbers, Berent Jan Brinkman, Berent Kluinhaar, Wiechert Bastiaan, Rinus van Duuren, Gait Jan
Hultink, Jan Bastiaannet, Frederik Drost, Hein van Leiden, Jaap Schinkel, Roelof Lemstra, Reize Lemstra, Kees van der Molen, Derk
Drost, Mannes Heideveld, Bert Borst, Coen Nijmeijer, Jacob Palm, Albert Dijkslag, Jo Wever. Voorste rij: Jochem Ammer, Herman
Drost, Bos, Wiechert Korpershoek, Henzen, Arend Zijlstra, Van Buren, Herman Halfwerk, Van Hall, Van Hall, ? , Jannes Drost, Gijs
Kloot, Derk Voeten, Jo Korpershoek, Eikelboom. Zittend de jubilaris Egbert Drost. (Particuliere collectie)
Links: Luchtfoto uit
1948 van de houthandel Eindhoven in
Frankhuis. Het water
op de voorgrond is
de Trekvaart, op de
achtergrond is de Blokmelk-fabriek zichtbaar.
(Foto Aviodrome)
De Gasthuisdijk richting Frankhuis. Rechts zijn de
graafwerkzaamheden voor het Zwolle-IJsselkanaal
zichtbaar. Op de voorgrond staan Tonnie en Marja
Hullen, begin jaren zestig (Particuliere collectie)
152 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 153
Keren we terug naar Westenholte rond 1900. Ook
daar drong de moderne tijd steeds meer door.
Niet alleen gingen Westenholtenaren werken in
Frankhuis, of zelfs in de stad, maar ook kwamen
geschoolde arbeiders uit Zwolle in Westen

holte wonen. Op kleine schaal werden er nieuwe
woningen gebouwd, oude verhoudingen verdwe

nen. Het accent van de nieuwbouw lag vooral in
Voorst. Met name langs de Voorsterweg was wat
middenstand (bijvoorbeeld rijwielhandel Schutte
en kruidenier Kluin) en nijverheid in de vorm
van een smederij, een timmermansbedrijf en een
houtzagerij. Houtzagerij Van Dijk groeide na de
oorlog uit tot een bloeiend bedrijf. Aan dezelfde
Voorsterweg kwam ook het klompenbedrijf van
de gebroeders Van Vilsteren, GeVaVi. Tussen
1962 en 1978 groeide dit bedrijf uit tot een grote
werkgever voor maar liefst zo’n honderd man
personeel. In 1993 werd de productie overgehe

veld naar de firma Nijhuis in Beltrum. GeVaVi
is anno 2012 een groothandel in de verkoop van
klompen, klompschoenen, veiligheidssneakers
en trendy slippers. Ook werkkleding en bescher

mingsmiddelen behoren tot het assortiment.
Na de aanleg van het
Zwolle-IJsselkanaal
begin jaren zestig was
Frankhuis afgesneden
van Zwolle. Een fietsvoetgangerspontje
vormde toen de directe
verbinding. Deze foto
dateert uit 1985, het
pontje werd een jaar
later vervangen door
een voetgangersbrug.
(Collectie HCO,
Redactiearchief
Zwolse Courant)
De werkplaats en het
woonhuis van Jan Hen

drik Schutte, rijwiel

handelaar en -herstel

ler aan de Voorsterweg.
Het rijmpje:
‘N fietse van Skutte
En loop…’n det dutte
Met de wind in ’e rugge
Over d’Iesselbrugge’
was van deze familie
Schutte afkomstig. De
familie Schutte die de
autobusmaatschappij ging exploiteren
maakte daar later de
veel bekender geworden
variant ‘De busse van
Skutte’ op. (Particuliere
collectie)
De Essopomp aan de Voorsterweg van Schutte, begin jaren zestig.
(Particuliere collectie)
Kapsalon Tielenburg aan de Voorsterweg,
jaren veertig. (Particuliere collectie)
Gerrit van Dijk, met
sigaar in de hand,
met al zijn zonen,
omstreeks 1950. De
houthandel werd opge

richt in 1924 en was
gevestigd aan Voorster

weg 60. (Particuliere
collectie)
Links: Houthandel van
Dijk, omstreeks 1960.
(Particuliere collectie)
Rechts: GeVaVi in
1982. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
154 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 155
Een eigenstandig dorp
Na de Tweede Wereldoorlog werd Westenholte
onbetwist de grootste bevolkingskern. In de jaren
vijftig kwamen er nieuwe huizen, eerst als opvulling tussen de bestaande bebouwing (bijvoorbeeld
langs de Westenholterweg, maar ook in het stukje
van de Korenbloemweg en de Anjerweg tot aan de
Rozenweg) en later op verworven terreinen op de
Konijnenbelten. Er werd gebouwd van de Lupineweg tot aan het Petuniaplein en later tussen de
Ridder Zwederweg en de Papaverweg. Westenholte begon meer en meer op een eigenstandig
dorp te lijken en daar horen ook meer voorzieningen bij. In 1965 kwam er een echt winkelcentrum
op het Petuniaplein. Kruidenier Kluin opende
daar een Centra en er kwam ondermeer een slagerij, een textielwinkel en een sigarenwinkel annex
postagentschap. Ook de bibliotheek kreeg een
vestiging aan het Petuniaplein. Vlakbij werd ook
in 1961 de Stinskerk in gebruik genomen. Deze
kerk was de opvolger van het Eben Haëzergebouw
aan de Westenholterweg. Dit gebouw dat door
de weeks in gebruik was voor vergaderingen en
voorstellingen, bood Westenholtenaren op zondagavond en vanaf 1958 ook op zondagochtend
gelegenheid ter kerke te gaan. De Stinskerk maakte het gebruik van Eben Haëzer voor kerkdiensten
echter overbodig.
Bij een eigenstandig dorp hoort ook een
gemeenschapshuis, zeker in een dorp als Westenholte waar het bruiste van het verenigingsleven.
De verwevenheid van het verenigingsleven en het
gemeenschapshuis blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van De Ark. Dit gebouw komt rechtstreeks
voort uit de organisatie van schaatswedstrijden op
De Kolk aan de noordwestkant van Westenholte
bij de Zalkerdijk. In 1939 was de ijsvereniging
WVF opgericht. Tot 1947 werden de schaatswedstrijden op De Kolk gehouden. Hierna kwam er
een ijsbaan, die door de Westenholtenaren zelf was aangelegd. De baan werd in 1968 zodanig vergroot dat er een wedstrijdbaan van vierhonderd
meter kon worden uitgezet. Bij een ijsbaan hoort
een koek-en-zopie tent. Ook deze werd door de
leden van de ijsvereniging in 1953 zelf gebouwd.
Door het groeiend aantal leden werd dit bouwsel
al snel te klein. Opvolger werd De Ark die in 1959
gereed kwam. Naast de ijsvereniging vond ook de
volleybalclub hier zijn onderkomen. Vergaderingen, voorstellingen, bruiloften, feesten en partijen
zorgden ervoor dat De Ark als een echt gemeenschapshuis voor Westenholte diende.
De Ark werd aanvankelijk geëxploiteerd door
de leden van de ijsvereniging, maar dit werd juist
door het succes en de hoge bezettingsgraad van het
gemeenschapshuis voor deze vereniging een veel
te zware belasting. In 1973 werd De Ark vervangen door het moderne ontmoetingscentrum Het
Anker. Dit jaar, 2012, worden plannen ontwikkeld
voor Het Nieuwe Anker, dat moet worden ondergebracht in het nieuwe zorgcentrum Westenhage.
Naoorlogse nieuwbouw, de Lupineweg en
Papaverweg in 1965.
(Particuliere collectie)
In 1961 werd de nieuwe Stinskerk in gebruik genomen. Op de foto staat de leiding van de zondagschool ‘Waakt en bidt’. Staand vlnr.: Rince Pasen, Jan Bos,
Gerrit Zwakenberg, Henk Dol. Zittend de dames: Jennie Bredewout, Dienie
van Voorst, Riek van Weeghel , Anneke Docter en Klaasje Riezebos . (Particuliere collectie)
Gasten op het veertigjarig huwelijksfeest van Geurt
Borst (1899-1976) en Marie Knol (1898-1981).
Zij waren op 23 juli 1925 in het gemeentehuis
van Zwollerkerspel getrouwd. Het huwelijk bleef
kinderloos. Het feest werd in 1965 gevierd in hun
boerderij aan de Zalkerdijk nr. 16. (Particuliere
collectie)
Bouw van De Ark, 1959. (Particuliere collectie)
De Ark. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
Opening van het
nieuwe wijkcentrum
Het Anker, door wethouder Ter Bekke,
jaren zeventig. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant)
156 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 157
De Kolk was niet alleen de oorsprong van de
ijspret in Westenholte. ’s Zomers was het de plek
om te zwemmen, te vissen, of bootje te varen. Een
ideale plek voor een echte recreatieplas zou je zeggen. Al in 1959 waren er plannen in deze richting.
Ook de wijkvereniging WVF spande zich in voor
dit idee. Maar er waren ook andere, economische,
belangen. In 1970 bleek dat houthandel Van Dijk
De Kolk nog steeds mocht gebruiken om boomstammen te laten wateren. De wijkvereniging zag
af van verdere plannen tot het maken van een
recreatieplas.
Westenholte was (en is) een gemeenschap met veel
reuring. De ijsvereniging WVF en de volleybalclub
kwamen al ter sprake. Op sportgebied is er verder
de voetbalvereniging WVF. Dit jaar bestaat deze
vereniging vijfenzeventig jaar. De club werd opgericht door vijf twaalf- en dertienjarige schooljongens die graag een balletje trapten op het grasveld
naast de openbare school. Binnen een maand hadden ze een voetbalclub met de naam Quick geregeld. En wat is een voetbalclub zonder wedstrijden?
De eerste wedstrijd was tegen het Kampense KHC.
Helaas was het resultaat niet positief… De club
sloot zich aan bij de KNVB en met ingang van
het seizoen 1941-1942 kon het aan de competitie
meedoen. Nog wel een mits: de Duitse bezetter
stelde de eis dat de naam veranderd moest worden.
Zo kwam de naam WVF, naar de buurtschappen
Westenholte, Voorst en Frankhuis. De club kreeg
een nieuw voetbalveld bij boer Jacobs, waar nu
het ontmoetingscentrum Het Anker is. In 1979
verhuisde WVF naar het nieuwe sportcomplex De
Weide Steen. En WVF is nog steeds springlevend,
getuige de 850 leden in 2012.
Ook muzikaal laat Westenholte van zich
horen. De oudste nog bestaande vereniging
in Westenholte is het gemengde koor Zang en
Vriendschap, dat al van 1918 dateert. Maar vlak
daarna, in 1920, is de oprichtingsdatum van
muziekvereniging Excelsior. Weliswaar opgericht
als fanfarekorps in ’s-Heerenbroek, was het toch
al snel een Westenholtense vereniging. Pas bij het
veertigjarig jubileum in 1960 kregen de muzikanten voor het eerst een uniform. Nu is Excelsior
een volwaardige muziekvereniging die heel actief
is. Geregeld worden concerten gegeven en neemt
men deel aan concoursen, festivals en optochten.
De naam Excelsior heeft in Westenholte nog een
muzikale invulling gehad: de Christelijke mondharmonicavereniging Excelsior. Dit Excelsior
werd als onderafdeling van de Christelijke Jongemannenvereniging in 1929 opgericht. Een paar
decennia zat er muziek in de mondharmonica,
maar rond 1960 viel het doek.
Roeien op De Kolk, Eva
Zwakenberg en Janna
ter Stege, jaren dertig.
(Particuliere collectie)
Rechts: Zwemmen in
De Kolk, Eva Zwakenberg en Willem en
Janna ter Stege, jaren
dertig. (Particuliere
collectie)
Schaatsen op de baan van ijsvereniging WVF in 1995. IJsvereniging WVF werd
in 1939 opgericht. Dankzij de belangeloze inzet van veel vrijwilligers leidt de vereniging al jaren een bloeiend bestaan. In de beginjaren werd er geschaatst op De
Kolk. Omdat het ijs daar lang niet altijd betrouwbaar was werd er na de oorlog
een eigen ijsbaan gerealiseerd. De opening vond plaats in december 1946. Eind
jaren zestig kon met medewerking van de gemeente en de eigenaar van een aangrenzend perceel de baan vergroot worden tot een 400 meter baan, deze werd in
jan. 1970 in gebruik genomen. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant)
Meisjes van de ijsvereniging omstreeks 1950.
(Particuliere collectie)
Kortebaanwedstrijd op de ijsbaan Westenholte op
4 januari 1993. (Collectie HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant, foto Freddy Schinkel)
Het gemengde koor Zang en Vriendschap in de jaren twintig. Het vaandel
dateert uit 1926, misschien werd toen deze foto gemaakt. Het koor werd in
1918 opgericht. Initiatiefnemers waren drie jongemannen, Van Zuthem,
Heddema en Breunis, leden van de christelijke jongemannenvereniging. Zij
wilden echter een gemengd koor oprichten. Zang en Vriendschap ging van
start met achttien dames en vijftien heren. In 1924 ging men voor het eerst op
concours. Het koor heeft in de loop der jaren veel prijzen in de wacht gesleept.
Er werd en wordt allerlei soorten muziek gezongen, zoals geestelijk, opera, operette, klassiek en musical. (Particuliere collectie)
In 1995 bestond de volleybalvereniging Westenholte veertig jaar.
Daarom werd er een
stratenvolleybalevenement georganiseerd
met 120 teams. Burgemeester Jan Franssen
opende het toernooi
met het oplaten van
ballonnen. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
158 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 159
En dan is er nog de actieve buurtvereniging.
Sinds 1954 kende Westenholte de vereniging voor
Plaatselijk Belang die de belangen behartigde van
de buurtschappen Westenholte, Voorst en Frank

huis. Zo maakte men het zwemmen in De Kolk
mogelijk en regelde men de eerste telefooncel. De
vereniging stond aan de wieg van de bejaarden

sociëteit en van de speeltuinvereniging. En men
richtte een buurtvereniging op, speciaal bestemd
voor het organiseren van jeugdactiviteiten, bin

go’s, droppings en de jaarlijkse bejaardentocht.
Men koos hiervoor de originele naam WVF…
maar nu in de betekenis van Wij Vieren Feest.
In 1972 fuseerden Plaatselijk Belang, de speel

tuinvereniging en Wij Vieren Feest. De krachten
werden gebundeld in de Wijkvereniging WVF. In
1974 verscheen het eerste exemplaar van het wijk

blad De Stins. De wijkvereniging kent tegenwoor

dig een groot aantal werkgroepen, zoals de werk

groep Badminton, de werkgroep Dierenweide, de
werkgroep Huttendorp, de werkgroep Jeugdland,
de werkgroep Kinderactiviteiten, de werkgroep
Volkstuinen en de Vrouwenwerkgroep. De werk

groep Toneel gaf haar eerste voorstelling in 1984.
De toneeluitvoeringen zijn nu een vast jaarlijks
evenement.
Westenholte-Stins
Het is duidelijk dat Westenholte een actief vereni

gingsleven kent en dat men veel samen doet. Dat
zelfs nadat eind jaren zeventig, begin jaren tachtig
het dorp naar verhouding explosief is gegroeid
en er veel nieuwe bewoners bij heeft gekregen.
‘Nieuw-Westenholte’, het deel ten zuidwesten van
de Steenboerweg tot aan de Stinsweg heet offi

cieel Westenholte-Stins. De uitbreiding was een
voortvloeisel van de gemeentelijke herindeling
van 1967, waarbij de gemeente Zwollerkerspel
werd opgeheven. Westenholte, Voorst en Frank

huis kwamen bij de gemeente Zwolle. Onder de
vleugels van Zwolle kreeg Westenholte zijn eigen
variant van de bouwmode uit de jaren zeventig.
Ook hier onder meer een bloemkoolwijk met
woonerven, maar wel op de schaal van Westen

holte. Tussen 1978 toen de eerste steen voor de
woning Akkerhoornweg 1 werd gelegd en 1985
verdubbelde in Westenholte het aantal woningen.
Overigens was het niet allemaal steen wat de klok
sloeg. Zoals dat betaamt in een nieuwe wijk kreeg
Westenholte ook een open recreatieruimte, het
Stinspark. Precies op de plek waar eens het mach

tige kasteel van de heren van Voorst stond.
Net als in de groeiperiode in de jaren vijftig bete

kende meer inwoners meer voorzieningen. De
Stinskerk werd te klein en er kwam een nieuwe,
die in 1992 met een speciale eredienst in gebruik
Zang en Vriendschap
tijdens een optreden in
maart 1993. (Particu

liere collectie)
Duivenvereniging
‘De Vriendenkring’
in de jaren dertig.
(Particuliere collectie)
werd genomen. Na een reconstructie breidde het
winkelcentrum Petuniaplein zich in 1983 uit met
een cafetaria, een drogisterij en een bloemen

winkel. Dat oud-Westenholte nog niet helemaal
gewend was aan al die nieuwkomers kreeg een
symbolische vertaling in de paaltjes die werden
geplaatst tussen het Petuniaplein en de Arnicaweg
Links: De kinderboer

derij in het Stinspark,
1993. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
Rechts: De volkstui

nen Westenholte aan
de Zalkerdijk, 1983.
(Collectie HCO, Redac

tiearchief Zwolse Cou

rant)
In 1979 werden de
eerste huurwoningen
aan de Arnicaweg in
Westenholte-Stins
opgeleverd. Op de foto
een van de twee inge

richte modelwonin

gen. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
De scheiding tussen
oud en nieuw Wes

tenholte kreeg een
symbolische vertaling
in de paaltjes die wer

den geplaatst tussen
het Petuniaplein en
de Arnicaweg om het
doorgaande verkeer te
voorkomen. In 1992
werd het plein opnieuw
heringericht en ver

dween deze barrière
die in de volksmond
de ‘Berlijnse muur’
was gedoopt. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
160 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 161
om het doorgaande verkeer te voorkomen. In
1992 werd het plein opnieuw heringericht en verdween deze locale variant van de Berlijnse muur.
Westenholte was nu echt één.
Ook voor het onderwijs had de grote uitbreiding gevolgen. In 1979 werd in Westenholte-Stins
een nieuw scholencomplex geopend waar de openbare school en de christelijke school een plekje
kregen. Al op de kadastrale kaart van 1832 staat
een openbare school vermeld aan de Zalkerdijk.
In de jaren zestig van de twintigste eeuw kwamen
er een openbare kleuterschool en lagere school,
de prof. Kohnstammschool en de Knienenbelt
aan de Papaverweg. In 1979 verenigde het hele
openbare onderwijs zich in De Ridderspoor in het
nieuwe schoolcomplex aan het Korianderplein. De
geschiedenis van de christelijke school begon in
1922 toen aan de Westenholterweg een drieklassige lagere school kwam te staan. In 1963 werd
het gebouw zodanig vergroot dat er wel van een
nieuwe school kon worden gesproken. Het bood
huisvesting aan De Wiekslag, zoals de school was
gaan heten. Door het toegenomen aantal leerlingen verhuisde de naastgelegen kleuterschool Het
Hummeltjeshonk naar de Rozenweg en betrok De
Wiekslag de vrijgekomen lokalen. In 1979 opende
een nieuwe christelijke school, De Akker, op het
Korianderplein de deuren. De fusiegolf in het
onderwijs ging ook Westenholte niet voorbij. In
1995 gingen De Wiekslag en De Akker op in De
Morgenster. Waar de openbare en de christelijke
basisschool hun plek hebben gevonden aan het
Korianderplein is de katholieke basisschool gevestigd aan de Papaverweg. De geschiedenis van het
katholieke lager onderwijs in Westenholte is kort.
Pas in 1962 startte men in De Ark. In 1965 nam
De Kerspel een nieuw houten noodgebouw aan de
Korenbloemweg in gebruik. Daar bleef men tot de
verhuizing in 1979 naar het oude schoolgebouw
van de openbare lagere school aan de Papaverweg.
In 1998 ging De Kerspel op in een grote katholieke
basisschool, De Vlieger, die de hoofdvestiging in
Stadshagen heeft.
Met het noemen van Stadshagen is wellicht de
grootste recente verandering genoemd. In een
mum van tijd heeft Westenholte een grote Vinexbuurwijk gekregen. Frankhuis is zelfs grotendeels
door deze wijk opgeslokt. Westenholte is verder
ontsloten met een futuristische fietsbrug en een
fietstunnel naar Stadshagen. In het buitengebied
tussen dorp en IJssel is een prachtig natuurgebied
ontstaan, de Vreugderijkerwaard. De nieuwste
aanwinsten voor Westenholte zijn het woonzorgcentrum Westenhage aan de Voorsterweg en de
biologische schapenboerderij De Vreugdehoeve
aan de Zalkerdijk. Binnenkort zal er een begin
worden gemaakt met de bouw van het nieuwe
ontmoetingscentrum.
Er is veel veranderd, maar ondanks alle veranderingen bestaat het oude dorpsgevoel nog steeds.
Er is een grote betrokkenheid van de gemeenschap bij alles wat er in Westenholte gebeurt,
wat zich uit in het bloeiende verenigingsleven.
De wijkvereniging is buitengewoon actief en er
wordt van alles in Westenholte georganiseerd. Als
de vraag in de titel van dit artikel moet worden
beantwoord, dan is misschien wel het beste antwoord: Westenholte is een Zwols dorp.
* Uit: Mr. C.W. van der Pot, Zwolle’s omgeving
omstreeks 1900, Zwolle z.j.
Koninginnedag in
Westenholte, 1970.
(Particuliere collectie)
Tante Sien
Dan regelde Klaas chocolademelk via de Blokmelkfabriek. Die
verkocht Sien voor de ijsclub, aanvankelijk gewoon op het ijs,
later vanuit een schuurtje en nog later vanuit De Ark. Sien en
Klaas konden erg boos worden als anderen de chocolademelk
met water verdunden om zo meer te kunnen verkopen. Sien
hield zelf ook erg van schaatsen. Dochter Klaasje: ‘Een paar
zwarte gympen aan, een rok en een zwart alpinopetje op en
rijden maar. Mijn ouders schaatsten altijd kruislings. Heel
vroeger deed mijn vader met wedstrijden mee op de sokken op
de schaats.’ In de tijd dat de ijsvereniging De Ark exploiteerde,
hielp Sien ook altijd volop mee bij bruiloften en partijen.
Tante Sien was ondermeer een actief lid van de Plattelandsvrouwen Zwollerkerspel. Zij en Klaas werden medio
jaren negentig door carnavalsvereniging ‘De Knienebelters’
gehuldigd omdat ze zoveel voor Westenholte hadden gedaan.
Bij de viering van hun 50-jarige en 55-jarige bruiloft in respectievelijk Wientjes en Het Anker kwam muziekvereniging
Excelsior hen ook huldigen. Klaas overleed op 13 augustus
1995. Sien woonde daarna alleen op de Tippe. Ze vierde haar
negentigste verjaardag nog uitgebreid bij Krisman in het
Engelse Werk. Ze was toen onder de indruk van alle mensen
die speciaal voor haar daar naar toe gekomen waren. Tante
Sien overleed op 5 januari 2004 op 93-jarige leeftijd. Ze was op
dat moment de oudste inwoner van Westenholte.
Sien en Klaas
Riezebos -de
Haan met hun
twee dochtertjes
Gerrie en Klaasje,
eind jaren veertig.
(Particuliere
collectie)
De Tippe aan de voet van de Zalkerdijk omstreeks 1980.
Vanaf de Tippe kon je vroeger, voor de bouw van Stadshagen,
Hasselt zien liggen. (Particuliere collectie)
Gesiena (Sien) Blommetje Riezebos-de Haan werd op 25 oktober 1910 in Amsterdam geboren. Toen Sien acht jaar was verhuisden haar ouders naar Overijssel. Het gezin woonde eerst
in ’s-Heerenbroek en vestigde zich vervolgens in Westenholte.
Sien trouwde op 30 april 1937 met Klaas Riezebos (geb. 25
oktober 1909), de jongste zoon uit het gezin Riezebos-Slendebroek (zie pagina 175). Het jonge stel ging wonen op het boerderijtje van de familie Riezebos, de Tippe, aan de voet van de
Zalkerdijk. Klaas werd overigens geen boer, hij begon in 1926
als gewoon arbeider te werken bij de Blokmelkfabriek en bleef
daar zijn hele werkzame leven. In 1951 ontving hij, samen met
zes andere jubilarissen, een koninklijke onderscheiding bij zijn
25-jarig jubileum. Sien en Klaas kregen twee dochters, Klaasje
in 1940 en Gerrie in 1946. Volgens dochter Klaasje JongmanRiezebos ‘verstonden’ haar ouders elkaar goed, ‘wij komen uit
een warm nest.’ Dat er maar twee kinderen waren had een
praktische reden: ‘Onze ouders gebruikten hun verstand.’
Sien en Klaas waren centrale en graag geziene figuren in
Westenholte, hartelijk, sociaal voelend en zeer actief in het
dorpsleven. Ze stonden bekend als tante Sien en ome Klaas.
Vooral Sien was open, vrolijk, opgewekt en pittig, ze liet niet
over zich lopen. Klaas was wat gemoedelijker. Hij was met
name actief in de schaatsvereniging WVF, hij was jarenlang
bestuurslid en werd daarvoor tot erelid benoemd. Dochter
Klaasje: ‘Hij “kon” nooit vrij krijgen, behalve als er ijs lag.’
162 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 163
Gerrit van Vilsteren
Westenholte – Voorst – Frankhuis;
geografische achtergrond
Het is algemeen gebruik te spreken over
WVF: Westenholte – Voorst – Frankhuis. In deze achtergrondschets over de
geografie van dit gebied draai ik de volgorde van
de kernen graag om: Frankhuis – Voorst – Westenholte. Historisch is Frankhuis/Voorst namelijk
lange tijd van veel groter belang geweest dan Westenholte. In dit gebied, dat vanuit de stad Zwolle
achtereenvolgens ongeveer een kwartier tot een
half uur gaans was, waren behalve in Frankhuis
geen concentraties van huizen en mensen te vinden. In de eerste helft van de negentiende eeuw
telde Frankhuis/Voorst ongeveer 45 huizen en
250 inwoners.1 De buurtschap Frankhuis was
gelegen op het kruispunt van de wegen naar Hasselt en naar Kampen. Frankhuis hoorde deels
tot de gemeente Zwolle. Dat deel werd ook wel
het eerste Frankhuis genoemd. Het andere deel
behoorde tot de gemeente Zwollerkerspel. Beide
delen samen telden toen ongeveer 30 huizen en
160 inwoners.
De buurtschap Westenholte lag op een uur
gaans vanuit de stad. Dit qua omvang veel grotere
gebied telde circa 150 inwoners. Westenholte
omvatte globaal het terrein van de Konijnenbelten
tot aan de IJssel via de Stouwdijk (later Zalkerdijk).2
Ontstaansgeschiedenis
De wording van het gebied is het meest bepaald
door de ‘ontmoeting’ van het water vanuit het
land en het water vanuit de zee. Beide watersystemen kwamen (komen) hier regelmatig met elkaar
in botsing.
De basis van het landschap valt terug te voeren
op de ijstijd, die de stuwwallen van de Veluwe en
Salland naliet en een diep dal waarin de rivier de
IJssel stroomde. Dit stroomdal vulde op en het
overige terrein van Salland werd bedekt met door
de wind aangevoerde lagen dekzand. Droogte en
wind zorgden voor de vorming van stuifduinen
langs en in het rivierengebied van de IJssel. Salland vond zijn afwatering in een groot aantal
van zuidoost naar west en noordwest lopende
beken en weteringen. Enkele daarvan – de Kleine
en de Grote Aa – kwamen bij Zwolle samen en
vervolgden hun weg als Zwartewater naar de Zuiderzee. Deze zee was in de loop van de tijd door de
afkalving van de veenmoerassen in het oorspronkelijke ‘Almere’ een steeds groter wordende open
zee geworden.
De voortdurende wisselende waterafvoer aan
landzijde en de groter wordende zee gecombineerd met een algemene zeespiegelstijging maakten ingrijpen van de mens steeds meer noodzakelijk. Van wezenlijk belang was bijvoorbeeld de
inpoldering van Mastenbroek in de veertiende
eeuw. We moeten ons hiervan overigens ook weer
niet te veel voorstellen. Het ging waarschijnlijk
om niet meer dan de aanleg van een dijk rondom
het gebied, om het gevaar van het water in te dammen. Van belang was daarbij een verkaveling en
toedeling in 1364 aan meerdere eigenaren, waaronder de heer van Voorst.
In dezelfde periode kwam ook de zorg voor
bescherming tegen de rivier op. Langs de IJssel
werden dijken tot stand gebracht. Het begin van
een lange geschiedenis, die uiteindelijk tot waterschappen heeft geleid, begon toen.
Illustratief is dat de westzijde van de polder
van Mastenbroek werd beschermd door de al in
de veertiende eeuw aangelegde Stouwdijk. Het
systeem vanuit landzijde werd beschermd door
een reeks van aaneengesloten dijken. Dit begon
bij de poort en stadsgracht van Zwolle met de
Hoogstraat, overgaand in de Gasthuisdijk en
Frankhuisdijk. In Voorst was er de natuurlijke
bescherming door de stuifduinen – de Konijnenbelten. De polder van Katwolde werd vanaf
de stadsgracht omsloten door de Pannekoekendijk en de Katerdijk en aan de westzijde door de
Hoogstraat en Gasthuisdijk. Die twee laatsten
kwamen bij Frankhuis bij elkaar.
Dit landschap komt duidelijk naar voren op
de kaart van Hottinger.3 Deze kaart is gemaakt
aan het eind van de achttiende eeuw, uiteraard
voor militaire doeleinden. Het geeft een gedetailleerd beeld: wegen, rivieren, dijken, meren,
bebouwing, molens en grondgebruik zijn vrij
nauwkeurig weergegeven. De dijken en de strook
stuifduinen en oeverwallen langs de IJssel (Konijnenbelten, Spoolderberg, Kortenberg) zijn goed
herkenbaar. In de Konijnenbelten is geen dijk
zichtbaar.
Confrontatie met het water
Een en ander hield in dat door de eeuwen heen de
confrontatie met het water het leven van de mensen in deze omgeving voortdurend heeft bepaald.
Vele aspecten hebben hierbij in meer of mindere
Eind achttiendeeeuwse kaart uit de
Hottingeratlas waarop
Westenholte, Voorst
en Frankhuis duidelijk
staan afgebeeld.
(Collectie HCO)
Frankhuis en Westenholte – Voorst, twee
aansluitende fragmenten uit de kaarten 303
en 304 uit de ‘Grote
Historische topografische Atlas 1905 Overijssel’.
164 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 165
mate gespeeld. Zonder op alle details in te gaan,
noemen we enkele. Van grote invloed zijn de zeespiegelstijging vanaf circa het jaar 1000 met minimaal één meter en een voortdurende gronddaling
in de polder Mastenbroek geweest. De afkalving
van het Almere en daardoor de vergroting van de
ondiepe Zuiderzee deden het gevaar toenemen.
De afkalving tot aan de verplichte evacuatie en
ontruiming van het veeneiland Schokland in 1859
is het ultieme bewijs daarvan.
De beteugeling en beheersing van de watertoevoer in de rivier de IJssel zijn evenzeer van grote
betekenis. Overvloedige en snellere aanvoer door
ontbossing in het achterland, kanalisering, regeling
van verdeling over Waal, Rijn en IJssel aan het eind
van de achttiende eeuw spelen alle een rol.
Feitelijk betekende dit voor onze omgeving
een continue bedreiging door het water van twee
zijden. Vluchtige inspectie van literatuur toont
overstromingen in dit gebied in 1774, 1775,
1776, 1784, 1824 en de ‘kampioen’ in deze, die
van 1825. Soms kwam het water van landzijde,
zoals in 1774, soms van zeezijde zoals in 1825. In
het laatste geval vielen er in Overijssel alleen al
305 doden te betreuren. Daarvan woonden 26 in
Zwollerkerspel, waarvan het merendeel in de polder Mastenbroek, 3 in Veecaten en 2 in Schelle.4
Er waren voortdurend aanpassingen, maar steeds
weer bleek het niet afdoende te zijn. Sinds 1776
werd door de provincie het systeem van overlaten
ingevoerd. Dat hield aan landzijde (Salland) in dat
bij Deventer een overlaat in de Snippelingsdijk
werd gemaakt. Dan kon het water zich over heel
Salland verspreiden richting Zwolle. Ook werden
waden in de Konijnenbelten open gelaten en in de
Stouwdijk enkele overlaten gemaakt. Aan zeezijde
gebeurde hetzelfde in de vorm van een overlaat bij
Grafhorst en een bij Genemuiden in de zeedijk.
Zo kon het water enigszins beheerst zowel aan de
ene zijde (Salland 1774 en 1784) als aan de andere
zijde (Mastenbroek 1825), binnenstromen. Overigens, vergeet niet dat het water ook wel gewenst
was voor slibvorming op de weiden, de basis voor
vruchtbare grond.
Ondanks dit ingrijpen, gingen de overstromingen door. In 1835, 1862, 1863 en 1877 kwamen
deze in onze omgeving voor. Na 1835 werd het systeem van overlaten en waden aangepast. De Stouwdijk werd gedicht, evenals de waden in de Konijnenbelten. Na de overstromingen in de tweede
helft van de negentiende eeuw werd de ringdijk van
de polder van Mastenbroek over de gehele lengte
verhoogd tot 2.90 m boven NAP. In Frankhuis
werd het dijkvak in 1888/1889 verhoogd.5
Waakzaamheid voor het water was in het leven
van onze grootouders verankerd en overgeleverd.
Zij hebben de betekenis van de ‘bescherming’ door
de ophoging van terpen – in Mastenbroek in de
loop van de tijd wel 8 keer 30 centimeter6 – van
de dijken en overlaten mee gemaakt. Zij hebben
aan de generatie van mijn ouders (begin twintigste
eeuw) de grote betekenis van de afsluiting van de
Zuiderzee met de Afsluitdijk, 1927-1932, mee kunnen geven. De laatste grote overstroming was in
1926. Het was een koud kunstje voor de Duitsers
om de polder van Mastenbroek in 1944 nog te laten
vollopen met water.
Ondanks de vele maatregelen is er een hogere
mate van garantie van veiligheid nodig gebleken.
Het gevaar vanuit zeezijde, nu het IJsselmeer,
is bestreden door de aanleg van de balgstuw bij
Ramspol in 2002. Deze opblaasbare dam tussen
het Ketelmeer en het Zwarte Meer is al twee keer
nodig geweest tegen het opstuwende water van
een noordwesterstorm (2007, 2012). Het gevaar
van de landzijde is nog eens aangetoond door de
gevaarlijk hoge waterstanden in 1995 en 1998.
Dijken zijn nu op deltahoogte gebracht en met
het huidige project ‘Ruimte voor de rivier’ zijn
nieuwe antwoorden op de bedreigingen gegeven.
Bewoning
In deze context van water, dijken en bedreigingen moeten we in het begin van de negentiende
eeuw de bewoners van ons gebied plaatsen.
Een periode, direct na de Franse tijd, van grote
armoede. Het hele land telde toen ongeveer twee
miljoen inwoners. Verharde wegen waren er
nauwelijks, transport en vervoer ging over het
water, met paard en wagen, met hondenkar en
te voet. Iedereen was druk doende om aan de
kost te komen. Eigen of gepachte grond vormde
de basis voor zelfvoorziening. We kunnen de
samenleving in Westenholte en Voorst globaal
typeren als een omgeving van dagloners, al dan
niet met een eigen keuterbedrijfje, van ambachtsDe overstroming van
1825, hier de dijkdoorbraak bij Hasselt, op
4 februari 1825. Gravure, anoniem.
(Collectie HCO)
Biezensnijders in
Westenholte, omstreeks
1910. (Particuliere
collectie)
Veel kleine (keuter) en
enkele grote(re) boerderijen in Westenholte.
(Particuliere collecties)
166 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 167
lieden, al dan niet met een boerenbedoening, en
van enkele grote boeren, die ook voor de markt
werkten met verkoop van boter en vlees. Veel van
de betere grond was in handen van grootgrond

bezitters, meestal behorend tot de stedelijke elite.
In de structuur van Frankhuis zien we dat heel
duidelijk terug. Ambacht en verzorging met een
boerenbedoening en ook warmoezerij bevonden
zich langs de dijkwegen. Rondom het gehucht
Frankhuis lagen drie buitens van elite uit de stad
(Twistvliet, Ketelkolk, De Bildt). Het gehucht lag
tegen het grote open gebied van de polder van
Mastenbroek, dat was verkaveld in grote percelen
en met ‘grote’ boeren. In de Konijnenbelten was
het overheersende beeld dat van dagloners of dag

huurders, keuterboertjes op de schrale zandgron

den en enkele grotere boeren bij de laaggelegen
wei- en hooilanden. Dat beeld treffen we ook aan
langs de Stouwdijk: een afwisseling van kleine
keuterbedrijfjes (van arbeiders en dagloners) met
enkele grotere boerderijen.
Opkomende nijverheid
Het geschetste beeld ondergaat nauwelijks ver

andering in de negentiende eeuw. Beweging
komt er pas aan het einde van de negentiende en
het begin van de twintigste eeuw. De groeiende
bevolking was meer en meer aangewezen op de
opkomende nijverheid en industrie. De betekenis
van de stad Zwolle als bron van werkgelegenheid
nam toe. Naast het beroep van boerenarbeider en
boerenmeid werden meisjes van het platteland nu
dienstbode in de stad, jongens werden arbeider
in de industrie. Dichtbij huis was dat in de tweede
helft van de negentiende eeuw de houthandel
en houtzagerij Eindhoven en Zn, en vanaf circa
1900 de melkfabriek ‘Mastenbroek’, die in 1926
werd overgenomen door de NV Nederlandsche
Gruyère Blokmelkfabriek. Zo bleven de mensen
in de eigen omgeving en bleef de sociale horizon
beperkt tot de grens van het eigen dorp.
Er veranderde wel wat. De stoomtrein kwam
eind negentiende eeuw op, de stoomtram begin
twintigste eeuw. Deze werd al vrij vlug door de
auto(bus) afgelost.
Kenmerkend is dat er vanaf ongeveer 1930 in
sociaal-economisch opzicht niet veel verandert.
Alom in Nederland komen we in een periode
van stilstand en achteruitgang, die inclusief de
Tweede Wereldoorlog tot zo ongeveer 1950
voortduurde.
Frankhuis was toen de locatie van twee grote
bedrijven – de Blokmelkfabriek en Eindhoven en
Frankhuis in 1914- Zn – , beide goed voor meer dan vijftig arbeids

1918. Vooraan een
petroleumboer met
hondenkar. Rechts
met smokmuts staat
Elsemeuje (Elsje) van
Munster, voor haar
café annex winkel. Na
het overlijden van haar
man Harm in 1919
was het alleeen nog een
winkel. Hij werd later
voortgezet door haar
dochter Jans. (Particu

liere collectie)
Werknemers van de
houthandel Eindhoven
en Zn in 1905. (Parti

culiere collectie)
168 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 169
plaatsen. Frankhuis was ook een concentratie van
verzorgende en ambachtelijke bedrijfjes. Denk
daarbij aan enkele kruideniers, een bakker, enkele
smederijen, enkele wagenmakerijen, kappers,
een schoenmaker, een timmerman en aannemer,
een fietsenwinkel/fietsreparatie en verkoop, een
tabakswinkel, een tapperij en café, een bloemisterij. Frankhuis telde daarnaast een concentratie
van tuinders en warmoezeniers, alle gericht op
Zwolle en de coöperatieve groenten- en fruitveiling. Gelegen aan de doorgangsroute was het van
centrale betekenis voor Voorst en Westenholte.
Ook in Voorst en Westenholte was de tijd natuurlijk niet blijven stilstaan. Naast enkele verzorgende bedrijfjes – een kleine concentratie langs
de Kamperweg voorbij de Werkerallee – was het
overheersende beeld dat van verspreide keuterbedrijfjes van arbeiders met een baan elders. Langs
de Kamperweg bestond nog enige nijverheid in de
vorm van een smederij, een timmermansbedrijf
en een houtzagerij. Werkgelegenheid op wat grotere schaal kwam voor in de klompenindustrie,
het snel groeiende bedrijf van de Gebroeders Van
Vilsteren (GeVaVi). Daarnaast waren er enkele
grotere boerenbedrijven.
Draaipunt jaren vijftig
Na lange tijd van langzame verandering – stilstand
zelfs – kwam er een periode van snelle en grote veranderingen. Dit liep uiteraard parallel aan de nationale ontwikkelingen van verandering en vooruitgang. Ons gebied werd meer en meer onderdeel
van de ontwikkeling van de stad Zwolle. Aanvankelijk nog als woongebied van eigen aanwas werkzaam in de stad, vrij vlug daarna als voorstad van
Zwolle met nieuwe bewoners van elders, die werkzaam waren in de stad. Dit kwam tot uitdrukking
in de nieuwbouw van woningen. Eerst waren dat
nog nieuwe woningen als opvulling langs bestaande wegen (met name de Westenholterweg), daarna
werd gebouwd op bouwrijp gemaakte verworven
terreinen in de Konijnenbelten met projecten van
tien tot twintig woningen. Er werd gestreefd naar
een ‘compleet’ dorp, met een eigen winkelcentrum,
kerken, scholen, dorpshuis en voetbalvelden. Dat
was echter nog lang niet het einde.
De aanleg begin jaren zestig van het ZwolleIJsselkanaal met industrieterreinen, de samenvoeging van de gemeenten Zwollerkerspel en
Zwolle in 1967 vormden de basis voor weer een
grote uitbreiding van Voorst en de definitieve
inkapseling in de nieuwe stedelijke structuur. In
de jaren zeventig werd de woonwijk De Stins met
750 woningen gebouwd, een verdubbeling van de
bestaande huizenvoorraad. Vervolgens werd de
context compleet veranderd met de aanleg van de
Vinexwijk Stadshagen in de polder Mastenbroek.
Het einde hiervan komt nu in zicht.
Huidige situatie
Westenholte is de naam geworden voor Voorst
en Westenholte. Maar het grootste deel van het
oorspronkelijke Westenholte is ogenschijnlijk
niet veel veranderd: verspreide bebouwing langs
de Zalkerdijk, zij het dat het agrarisch karakter
daarvan is verdwenen.
Voorst is van een gebied met verspreide
bebouwing een woonwijk geworden in het
tegenwoordige Westenholte. Het geheel telt circa
tweeduizend woningen met ongeveer vijfduizend inwoners. Het maakt de indruk een dorp
te zijn, wat nog wordt versterkt door de recente
afscherming met geluidswallen en een beperkt
aantal toegangen vanaf de wegen naar Kampen
en Stadshagen. De naam ‘Voorst’ is aan de wandel
Boven: Het klompenbedrijf van de gebroeders
Van Vilsteren, GeVaVi, omstreeks 1950.
(Particuliere collectie)
Onder: De smederij
van A. Hullen op de
kruising Hasselterdijk
en Frankhuisweg. Op
de achtergrond ligt
Twistvliet. Jaren vijftig.
(Particuliere collectie)
De Ridder Zwederlaan
en omgeving in Westenholte, gebouwd op
de voormalige Konijnenbelten. 2005 (Particuliere collectie)
De Knoopkruidweg
in Westenholte-Stins,
2004. (Particuliere
collectie)
De cornetmuts
Hoe een modemuts in de streekdracht terecht kwam
170 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 171
geraakt als aanduiding van de uitgestrekte industriegebieden ten westen van de stad. Frankhuis is
na stilstand in de jaren zestig, grote achteruitgang
en verwaarlozing door bewoners en overheid tot
in het begin van de eenentwintigste eeuw, een
vergeten, geïsoleerd woongebiedje geworden, aan
de rand van Stadshagen. De historie is er op vele
plekken nog zichtbaar.
Noten
1. In de eerste registraties van huizen in de gemeente
Zwollerkerspel omvatte het gebied Voorst/Frankhuis Frankhuis tot in Voorst aan de Werkerallee,
thans het Westenhage
2. Van der AA, 1851, pag. 19, deel XII pag. 288
3. Versfelt, 2003, Kaarten van Overijssel en Gelderland, pag. 31
4. Ter Pelkwijk, 2002, p. 164
5. Van der Schrier, 1995, p. 219
6. Boerderij Nieuwe Wetering 18, J. Kroes. Bijlage van
Tijlsbladen, zaterdag 4 juli 1992
Literatuur
– AA, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek
der Nederlanden, Vierde Deel E-G, Gorinchem,
1843
– Drupsteen, Th.G., H.J.M. Havekes, H.F.M.W. van
Rijswick (red.) Weids water. Opstellen over waterrecht. Den Haag, 2006
– Grote Historische topografische Atlas, 1905 Overijssel, schaal 1 : 25.000. Tilburg, 2005
– Hove, Jan ten, Geschiedenis van Zwolle, Waanders
Zwolle
– Pereboom, Freek, Jeroen Kummer, Harry Stalknecht (red.) Omarmd door IJssel en Zwartewater,
zeven eeuwen Mastenbroek. IJsselacademie Kampen, 1995
– Pelkwijk, J. ter, Overijssels Watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825. Stichting IJsselacademie, Kampen 2002
– Schrier, D.M. van der, Mastenbroek en de strijd tegen het water; in: Pereboom, Freek etc. pp. 195-222
– Spek, Theo, Frits David Zeiler en Edwin Raap, Van
de Hunnepe tot de zee. De geschiedenis van het Waterschap Salland. IJsselacademie. Kampen, 1996.
– Ven, Gerard van de, ‘De dijkzorg in Overijssel
1800-1880’, in: Drupsteen 2006, pp. 39-70.
– Versfelt, H.J., De Hottinger-atlas van Noord- en
Oost-Nederland 1773-1794. Groningen, 2003
– Zeiler, Frits David, ‘1825: de ‘vergeten’ watersnood’, in: Tijdschrift voor Waterstaats Geschiedenis,
16 (2007) 1, pp. 19-26
Boven: Tegenwoordig ligt Westenholte afgeschermd door geluidswallen en zijn
er maar een beperkt aantal toegangen vanaf de wegen naar Kampen en Stadshagen. Hier de aanleg van de fietsbrug naar Stadshagen/Frankhuis in 2006.
(Particuliere collectie)
Onder: De Voorsterweg in 2009, rechts zijn de geluidswallen te zien langs de
weg richting Kampen. (Particuliere collectie)
Klederdracht, ach dat is allemaal hetzelfde,
is een veel gehoorde opmerking. Maar
niets is minder waar. De streekdracht is
wel degelijk door de tijden heen veranderd. Het
vertelde bovendien veel over de drager en draagster. Waar je vandaan kwam, of je rijk of arm was,
getrouwd, of in de rouw. Onze voorouders konden die kledingtaal feilloos lezen. Droeg men een
muts gemaakt van batist en ouderwets opgemaakt
dan was men in de zware rouw. Bij lichte of halve
rouw was de muts van tule gemaakt. De zondagse
muts was van kant.
Het valt nauwelijks meer voor te stellen dat
nog geen honderd jaar terug de vrijdagmarkt in
Zwolle een complete streekdrachtenshow was. Uit
de wijde omgeving kwamen de boeren met hun
familie naar Zwolle om te markten. Maar ook veel
Zwolse vrouwen droegen de streekdracht. Paard
en wagen werden geparkeerd in de Smeden, achter in de Diezerstraat, of bij een van de stalhouderijen in de Hoogstraat of Thomas a Kempisstraat.
Vrouw en dochters gingen naar de vrijdagmarkt
en vader en zoons naar de veemarkt. De vrijdagmarkt kronkelde zich door de hele Zwolse binnenstad. Een feest van fladderende knipmutsen
die het straatbeeld beheersten. Het was een bonte
show van klederdrachten uit Zwolle en omgeving,
de Noordwest-Veluwe en natuurlijk Staphorst en
Rouveen.
Ook door de week maakte de streekdracht
met de cornetmuts een vast onderdeel uit van
het straatbeeld, onder meer op de dagelijkse
Bezoeksters van
de Zwolse markt,
omstreeks 1910.
(Collectie SMZ)
Aranka Wijnbeek
172 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 173
warenmarkten, de zogeheten disjesmarkt. Voor
de Harmonie op de Grote Markt werd ’s ochtends
en ’s avonds de melk verkocht door boerinnen uit
de omgeving. Ook op de eiermarkt (Voorstraat),
de botermarkt (Voorstraat, later Nieuwe Markt)
en de groente- en fruitmarkt waren de boerinnen in streekdracht rijk vertegenwoordigd. De
dienstmeisjes droegen ook een cornetmutsje. Het
verbergen van het lange haar was het voornaamste doel. Haren waren vies en zeker die van de
dienstbode.
Waar komt de streekdracht vandaan.
Wanneer de streekdracht precies is ontstaan
weten we niet. Wel kunnen een aantal onderdelen
van de dracht, vooral de vrouwendracht, worden
teruggevoerd op de zestiende- en zeventiendeeeuwse kleding. Zo werd aan het eind van de
zestiende eeuw een klein mutsje gedragen met een
beugeltje voor de stevigheid. Hieruit ontwikkelde
zich later het oorijzer. De kleding bestond uit een
rok met onderrok, een jak met daarover heen een
kraplap, een schort, een schouderdoek en een
muts.
Het in 1857 verschenen boek Nederlandsche
kleederdragten en zeden en gebruiken van Bing en
Von Ueberfeldt laat een kleurrijke dracht zien.
Bonte jakken en kraplappen, kleurrijke schorten
en omslagdoeken. Het geeft ons een goed beeld
van de toen in Overijssel gedragen streekdracht.
De verscheidenheid is groot. Ook de streekdracht
was aan mode onderhevig en veranderde wel
degelijk. In de negentiende eeuw zijn veel invloeden van de op dat moment heersende stadsmode
er in opgenomen.
Terwijl de stadsmode vrij snel veranderde,
bleef de dracht op het platteland vaak lang
nagenoeg ongewijzigd. Veranderingen bleven
niet helemaal uit, maar beperkten zich tot kleinigheden zoals aanpassingen onder de muts en
het jak. De streekdracht was in het begin van de
negentiende eeuw nog kleurrijk. Na 1880 zijn veel
streekdrachten onder invloed van de stadsmode,
maar ook door de nieuwe godsdienstige bezinning uit die jaren, de Doleantie (de kerkscheuring
in de Nederlands Hervormde Kerk in 1886 onder
leiding van dominee Abraham Kuyper), somberder geworden. Vooral het laatste gold sterk voor
Overijssel.
De hoofdkleur van de kleding was zwart. De
vrouwen droegen een jak met een lange schoot die
over de rok viel. De jongere generatie koos voor
een kort jak, een lief, en een rok. Het voorpand
van het jak werd rijk versierd met kraaltjes, kantjes, bandjes en plooien, maar alles in het zwart.
Opvallend is dat in Staphorst en Rouveen de
dracht het minst veranderde en nog altijd kleurrijk is. De meeste veranderingen vonden plaats
in de periode 1850 tot circa 1950. Na de Tweede
Wereldoorlog verdween de streekdracht in snel
tempo.
Wat droeg je waar en wanneer?
Streekdracht kende een soort kleding etiquette.
De dracht valt in drie soorten te verdelen:
1. Het zondagse goed
Dit werd gedragen op zon- en feestdagen en bij
bijzondere gelegenheden, zoals bruiloften, officiële visites en bezoeken. Bij rouw werd de dracht
aangepast. Bij zware rouw was de muts van wit
batist met een stijf geplooide achterstrook. Alle
versiering op de kleding was sober, soms van
crêpe. De hoed was eveneens van crêpe. De sieraden waren van zwart been, ebbenhout of bakeliet.
Bij halve rouw werd de muts van tule gemaakt
in hetzelfde wat ouderwetse model. De kleding
bleef vrijwel ongewijzigd, droeg men een halsdoekje dan kon men nu kiezen voor een patroon
in zwart met een beetje wit. De hoed bleef zwart .
De sieraden daar mocht nu zilver aan toegevoegd
worden.
Was men niet in de rouw dan droeg men een
kanten muts met een breed vallende achterstrook.
‘Wie het breed heeft laat het breed vallen’, zo luidt
het hiervan afgeleide gezegde. Het geheel werd
afgemaakt met sieraden, dat mochten goud en
bloedkoralen zijn.
2. Het opknapgoed
Dit vertoonde veel overeenkomst met de z

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 3

Door | 2012, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

In het spoor van
Eli Heimans

29e jaargang 2012 nummer 3 – 8,50 euro

90 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

B.V.A.B / Zwolle
Omdat op het suikerzakje onder meer een boer­derij, een fabriek, een tractor, een koe en een korenschoof staan afgebeeld, moet de B.V.A.B. wel iets met de landbouw te maken gehad heb­ben, zo was mijn veronderstelling. Met behulp van Google probeerde ik te achterhalen wat de afkorting B.V.A.B. betekende. Het leverde een verwijzing op naar de Badminton Vereniging Almere-Buiten, niet naar iets dat op Zwolle en/of de landbouw betrekking had. De herkomst
van het suikerzakje hield mij bezig. Via de Zwolse Courant kwam ik achter de betekenis van de afkorting B.V.A.B. Het staat voor Bedrijfs Ver­eniging voor het Agrarisch Bedrijf. Deze organi­satie van werkgevers en werknemers in de agra­rische sector voerde sinds 1953 de sociale verze­kering uit zoals de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering en de kinderbijslag. Het hoofd­kantoor stond in Den Haag. Na een reorganisatie kreeg Zwolle met ingang van 1 januari 1958 de hoofdzetel van de B.V.A.B. in Overijssel. Er kwam een bijkantoor in Emmeloord. Het Zwolse kantoor werd gevestigd in de – voormalige – her­vormde kweekschool aan het Assendorperplein 9. Sake Santema was de directeur van het Zwolse kantoor waar ongeveer twintig mensen werkten. In 1965 kwam er een eind aan het korte bestaan van de vestigingen in Zwolle en Emmeloord. De administratie van de B.V.A.B. werd vanaf dat jaar gecentraliseerd in Arnhem. Het suikerzakje dateert dus uit de periode 1958-1965.

(Collectie ZHT)

De voormalige hervormde kweekschool (rechts) aan het Assendorperplein 9. (Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 91

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans90
In het spoor van Eli Heimans
Natuurbescherming en -educatie
in Zwolle Jan van de Wetering92
FC Zwolle heeft als PEC Zwolle banden
met het verleden hersteld Steven ten Veen120
Van houten keet naar hockeypaleisje
Opvallend historisch contrast
Willem van der Veen124
‘Even ambitieus als het Amsterdamse Bosplan’
Het recreatieplan Vecht-Zwartewater (1962)
Frank Inklaar126
Mededelingen135
Recent verschenen Steven ten Veen136
Auteurs138

Redactioneel
Een groen blaadje, zo zou je ons toch al op jaren zijnde de tijdschrift dit keer kunnen noemen. De hoofdmoot van de bijdragen is gewijd aan de geschiedenis van het Zwolse groen. Dit keer geen verhaal over blauwvingers, maar over groene vingers in het Zwolse landschap. Zwolse ‘wilde tulpen’ en anjers en een montere oude stadshaas passeren de revue. Verteld wordt over de soms gespannen wisselwerking tussen stad, natuur en mens. Jan van de Wetering belicht in het hoofd­artikel het boeiende leven van Eli Heimans, een geboren Zwollenaar die samen met mannen als Jac. P. Thijsse een niet te onderschatten stem­pel drukte op wat het ‘biologisch reveil’ wordt genoemd. In Van de Weterings artikel neemt het Engelse Werk een centrale plaats in. ‘Ik voelde mij er altijd zoo veilig en gerust als op mijn kamertje; alle boomen en struiken waren goede bekenden van mij’, zo schreef Heimans over dit park nabij de IJssel.
Frank Inklaar herinnert aan het recreatieplan Vecht-Zwartewater (1962) van Jan Bijhouwer en wat er van is geworden. Steven ten Veen en
Willem van der Veen schrijven tot slot over voet­bal en hockey, misschien wat minder natuur, maar ook het wedstrijdgras is meestal nog groen. Hoewel het nieuwe hockeyveld van de fusieclub HC Zwolle toch weer de blauwvinger in het land­schap terug brengt. Het bloed kruipt…

Omslag: Litho naar een aquarel van Jan van Oort, uit In het bosch, door Heimans en Thijsse, 1901.
(Collectie auteur)

92 zwols historisch tijdschrift

In het spoor van Eli Heimans
Natuurbescherming en -educatie in Zwolle

Soms schieten mij onderwerpen te binnen die een ‘venster’ in de Zwolse canon hadden verdiend.
Het Engelse Werk miste ik al heel snel na het voltooien van dat boek. Pas een paar jaar geleden kwam ik er tot mijn schande achter dat Eli Heimans een geboren Zwollenaar was en hier zijn opleiding als onder­wijzer heeft gevolgd. Samen met Jac. P. Thijsse is hij in belangrijke mate verantwoordelijk geweest voor de doorbraak van de populariteit van ‘de wilde natuur’ bij brede lagen van de bevolking aan het begin van de twintigste eeuw. Al even belangrijk waren zij als pioniers van de natuurbescherming in ons land. Met dit artikel hoop ik zowel het Engelse Werk als Heimans alsnog recht te doen, temeer daar het park met zijn overvloed aan planten en dieren een belangrijke inspiratiebron voor Heimans was. En dat geldt ook voor mij, want in het Engelse Werk leerde ik als cursist onder de bezielende leiding van gidsen van het IVN meer planten en vogels kennen dan ik onthouden kon. Uit dank daarvoor draag ik dit artikel graag aan hen op en bovendien aan Marijke Donath van de Vereniging voor Heemkunde ‘Omheining’, de auteur van het venster ‘Kruiden-Marie’ in de canon van Heino.
Het is de zomer van 1877. Jacob Heimans, eigenaar van een zijdeververij in Zwolle stuurt zijn zestienjarige zoon Eli naar Raalte om stoffen op te halen. Te voet wel te ver­staan. Dat wil zeggen een wandeling van twintig kilometer heen en twintig kilometer terug en dat op één dag. Het zou een tocht worden die hij zich zijn leven lang zou herinneren. Eli Heimans heeft zijn belevenissen van die dag jaren later nauw­keurig opgeschreven in het boekje Hei en Dennen (1897), dat hij samen met Jac. P. Thijsse schreef. In zijn verslag zijn drie facetten van de veelzijdige persoonlijkheid van Heimans goed herkenbaar: zijn liefde voor de natuur, zijn natuurkennis en zijn tot de verbeelding sprekende schrijfvaardig­heid. Plaats van handeling is een verlaten heide­veld bij Heino, in de buurt van het tegenwoordige station:
‘Om de twee of drie weken liep ik indertijd
’s morgens vroeg langs dien heiweg naar Raalte, en tegen den nacht keerde ik meest langs denzelfden weg terug. Als ik ’s zomers tijd over had, ging ik geregeld mijn broodje zitten eten aan den rand van een meertje op de heide, waar ik mooie bloemen wist te groeien. Ik had op school Suringar’s Zak­flora (…) als prijs gekregen, en ik beproefde met behulp van mijn boekje de namen van de planten te leeren kennen. Heel zelden kwam ik menschen tegen en als ik ze zag aankomen, ging ik ze liever uit den weg; want het waren meest vreemde oerdel­vers, Westfalers, een raar slag volk.
Zoo zat of lag ik eens op een keer tegen de schemering bij mijn meertje, en wist niet beter of ik was heel alleen op de hei. Ik was verdiept in mijn flora, en plukte een paars bloempje uit elkaar, dat ik al een poos te vergeefs probeerde te bepalen; ’t wilde weer niet lukken. Waarschijnlijk praatte of las ik hardop, zooals menschen, die bui­ten vaak alleen zijn, wel meer doen.
Eensklaps hoor ik vlak bij mij een hoge, schel­le stem: “Neen, hoor, je bent glad mis, die is het niet, dat is vetkruid! Zoek maar op, Pinguicula!” Als ik niet op den grond gelegen had, was ik zeker omgevallen van schrik. Voor mij stond een hooge, zwarte gedaante, geleund op een boomtak, nog langer dan zij zelf. Uit het droge, rimpelige gelaat keken een paar scherpe, grijze ogen mij half spot­tend, half nieuwsgierig aan.
Het schepsel leek op ’t eerste gezicht zoo spre­kend op de heks in Grimm’s sprookjesboek van mijn broer, dat ik werkelijk een oogenblik rilde van angst; maar dat was gauw over. Toen ik haar even bedaard aankeek, zag ik de kruidenmand op haar rug en ik begreep dat ik te doen had met Kruiden-Marie, van wie ik al een paar keer in de dorpsherberg had hooren spreken als van een heel knappe en goede kruidenvrouw; zij wist nog beter raad voor ziek vee en vooral voor geiten en kinderen dan de veearts en de dokter met hun beiden. En als de arbeiders geen geld hadden om dadelijk de kruiden te betalen, dan vroeg ze maar een kop koffie en een snee stoete voor betaling; en ’t zieke kind van Harm Krol, die zelf ziek was en niet meer werken kon, had ze genezen voor niets, en nog eieren op den koop toe gegeven.’
Daar op de hei raakte het tweetal in gesprek over de weelde aan planten en dieren om hen heen. Liefhebbers waren ze, allebei. De bejaarde Kruiden-Marie nodigde de jonge Eli Heimans uit in haar huisje, waar hij van de ene verbazing in de andere viel. Hij herinnerde zich:
‘ ’t Was of ik opeens in een museum voor Natuurlijke Historie stond. Op de tafel, op de kast, voor het venster, langs de wand, overal fles­schen met dieren op sterk water, en doozen met glazen deksels, vol met vlinders en torren. Hier en daar hing aan een touwtje een gedroogde vleer­muis te bengelen; op plankjes zag ik hazelwormen en slangen bevestigd; overal in het rond dieren, en daartusschen in bloempotten, maar ook op glazen, in schotels, in kopjes en op drankfleschjes levende, bloeiende planten. (…) “Elken Zondag-Morgen krijgt alles een flinke stofbeurt”, begon Kruiden-Marie; “daarbij lees ik voor tijdverdrijf de namen, en zo zoetjes aan leer ik mijn beestjes kennen.”’1
De twee sloten al gauw vriendschap. Heimans was verbaasd te horen dat Kruiden-Marie niet alleen de verschillende soorten planten, vogels en insecten in haar omgeving kende, maar ook hun Latijnse namen, zoals die vermeld stonden in een groot aantal dikke boeken met platen in haar huisje. Ze leken veel op de eerste delen van de Flora Batava die hij later leerde kennen.
Jaren later bezocht Eli weer eens de plek waar hij de kruidenvrouw voor het eerst ontmoette. Maar ze was dood: ‘waar eens haar eenzaam huisje stond, zag ik den spoortrein voorbij stui­ven’.2 Voorbij was de tijd van zijn bezoeken aan het dieren- en plantenrijk van Kruiden-Marie. Zijn opleiding tot schoolmeester nam al zijn tijd in beslag: ‘een jaar of tien mocht, of liever, wilde ik niet denken aan mijn lievelingsstudie in de vrije natuur, waar zooals de oude Swammerdam3 al zei, “geen duit winst van kwam.”’
Een gelukkige jeugd
Eli Heimans (1861-1914) was een Zwollenaar. De band van zijn familie met Zwolle begint in 1841; dat jaar kwam zijn grootmoeder, de weduwe Valk, met haar zes kinderen naar deze stad. Ze voor­zag als zijdeverfster haar gezin van inkomsten. Het gezin ging wonen in een huis aan de Dijk, tegenwoordig Thorbeckegracht 73. Eén van haar kinderen, Elisabeth Valk, trouwde daar in 1860 met Jacob Israel Heimans, een koopman uit een joodse familie. Na zijn huwelijk werd Jacob Israël opgenomen in de zijdeververij van zijn schoon­moeder. Op 28 februari 1861 werd Eli als eerste kind van het echtpaar geboren. Hij zou nog acht broertjes en zusjes krijgen, waarvan er twee op jonge leeftijd overleden.
Toen Eli twee jaar was, verhuisde hij met zijn grootmoeder en ouders naar een klein huis aan de Papenstraat, op nummer 5. De ververij lag er waarschijnlijk naast, in het zogeheten ‘Hekje of Poortje van Cele’, op nr. 3, waar in de Middel­eeuwen het Fraterhuis stond. Toen de jonge Eli hoorde dat er op de binnenplaats een goudschat begraven zou zijn, ging hij daar graven. Maar het enige wat hij vond waren de resten van skeletten van de bewoners uit de zestiende eeuw.
Eli had al vroeg belangstelling voor de natuur rondom Zwolle. Dat kwam, herinnerde hij zich, door een beklimming van de Peperbus. Het verge­zicht op de wijde omgeving maakte diepe indruk op hem. Hij trok er als jongen vele malen op uit naar de natte velden aan de Weezenlanden en naar de dijken van de Vecht. Daar stonden tegen Pinksteren de kievitsbloemen bij duizenden en duizenden te bloeien: ‘Wij jongens gingen ze elk jaar plukken en de meisjes, die bang waren voor natte voeten, haalden ze bij boezelaars vol onder langs de dijk.’4
In zijn jeugd ging Eli zeer regelmatig naar het Engelse Werk, dat was en is tot op de dag van van­daag een waar paradijs voor wilde planten. Van het groot springzaad dat hij daar in grote hoeveel­heden vond, nam hij jaren later een tekening op in één van zijn boeken.
Het Engelse Werk was aan het eind van de negentiende eeuw zo eenzaam als een kerkhof. Vaak trok Eli er in z’n eentje naartoe; vanuit zijn huis toch al gauw een wandeling van drie kwar­tier. Toen hij acht jaar was kwam hij op zekere dag niet terug van zo’n tocht, zodat ’s avonds de gehele Papenstraat in rep en roer was en de stads­omroeper er aan te pas kwam om een zoektocht te organiseren. Later herinnerde Heimans zich deze gebeurtenis nog heel goed:
‘Ik was na het liggen turen in de zon, die kalm­pjes onderging in de golven van de Veluwe, inge­dut. Gelukkig vond een boer, die over het Kleine Veer van Hattem kwam, mij daar slapen. Hij bracht mij in het donker terug naar de stad. Van de angst van mijn ouders en de boosheid van de buren begreep ik toen niet veel. (…) Ik voelde mij er altijd zoo veilig en gerust als op mijn kamertje; alle boomen en struiken waren goede bekenden van mij; ook de vogels met wie ik heel vriend­schappelijk omging en aan wie ik namen gaf van eigen vinding of die ik had horen noemen; glad verkeerde meestal, maar voor mij de rechte.
Roodborstjes en gietelingen kwamen menig­maal gluren naar wat ik daar in de bosjes lag te doen met [mijn natuurboek] onder de ellebogen. Een oude haas leefde er; die kwam geregeld bij mij langs als hij van de uiterwaard was overgehuppeld en terwijl hij mijn mossig leesplekje passeerde, maakte hij een paar malle sprongen als een uit­nodiging om met hem te spelen; maar als ik mij bewoog, liet hij zijn wit pluimpje zien.’
Ondertussen bracht Eli naar zijn zeggen heer­lijke jaren door op de lagere school in Zwolle. Ook thuis was het plezierig: de ververij leverde zijn ouders een behoorlijk bestaan op. Zijn schoolprestaties waren goed; Eli leerde vlot en makkelijk. Bovendien was er in en om de school van alles te beleven dat voedsel gaf aan zijn rijke fantasie. Grote indruk maakte bijvoorbeeld de intocht van Franse krijgsgevangenen die tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) in Zwolle aankwamen. Ze hadden alle tijd en kenden allerlei leuke spelletjes voor kinderen. Eén van hen kwam eens op de school van Eli en vroeg verlof om de leerlingen zo’n kunstje te mogen leren, of zoals hij zei: ‘quelques divertissements instructifs pour les soirées d’hiver’ (wat leerzaam vermaak voor de winteravonden). Zo leerde de Fransman de schoolkinderen spatwerk maken met behulp van gedroogde bladeren. Deze demonstratie was wel­licht de eerste kennismaking van Heimans met vormen van aanschouwelijk onderwijs. Hij zou het niet vergeten.
School voor armen en minvermogenden
Na de lagere school ging Eli in 1873 naar de Rijks Hogere Burger School (de HBS), die enkele jaren daarvoor in Zwolle was opgericht. Hij wilde later chemie gaan studeren om die kennis te gebruiken voor de zijdeververij die zijn vader inmiddels van zijn schoonmoeder had overgenomen. Maar het zou anders lopen. De textielindustrie in Neder­land had een grote vlucht genomen en vader Heimans kon steeds minder goed concurreren met de grote ververijen in Twente. Er was geen geld meer voor de studie van Eli en hij werd, toen hij in de vierde klas zat, van school gehaald om als een soort ‘reiziger’ voor zijn vader te gaan werken. Tijdens één van die tochten zou hij
Kruiden-Marie ontmoeten. Ondanks de tegenslag zat vader Heimans niet bij de pakken neer. Hij stopte met de ververij en werd handelaar in hui­den en oude metalen.
Met hulp van familieleden kon Eli een paar jaar later weer gaan studeren, maar niet op de HBS. Hij werd in 1878 kwekeling aan de tweede openbare kosteloze school voor armen en min­vermogenden aan de Hoogstraat. Hij was toen nog maar zeventien jaar. Twee jaar later al werd hij benoemd tot hulponderwijzer aan die school, waarvan de leerlingen merendeels afkomstig waren uit sociaal zwakke gezinnen. De school was berucht om de baldadigheid van de leerlin­gen. Maar Eli hield zich staande en haalde er niet alleen de akte van bekwaamheid voor hulponder­wijzer, maar onder andere ook de aktes wiskunde, tekenen en Frans.
Ook in deze tijd hield hij zich bezig met zijn jeugdliefde: de natuur. Achter de school lag biolo­gisch gezien een soort aards paradijs. Op de grote bloemisterij van Wind bestudeerde Heimans de kweek van exotische planten en vissen. En ach­ter de bloemisterij lag de blekerij van de familie Wentholt. Daar trof hij alles aan waarover hij later met zoveel kennis en liefde zou schrijven: vogels, insecten en in de sloten een overvloed aan kik­kers, salamanders, stekelbaarsjes en waterplanten.
Na vier jaar onderwijzerschap vertrok Hei­mans op 21-jarige leeftijd uit Zwolle. In 1882 kreeg hij namelijk een aanstelling op een school in de Zwanenburgstraat in Amsterdam. Maar nog lang na zijn vertrek zou hij zich zijn in alle opzich­ten vormende jaren in Zwolle herinneren. In een artikel in De Groene Amsterdammer schreef hij:
‘De kleine stad, waar ik geboren ben en stu­deerde voor mijn tegenwoordig ambt, is één van de mooist gelegen plaatsen van ons land. Alles, wat iemand, wiens lievelingsstudie de natuur is, maar wensen kan, was daar te vinden. Tien minuten van huis was ik helemaal buiten, waar ik naar hartelust kon wandelen en studeren. Daar waren bossen en parken; prachtige heuvelachtige heidevelden aan de overzijde van een grote rivier met veelbelovende uiterwaarden; uitgestrekte lage venen, moerassige weiden vol orchideeën en kievitsbloemen, zandgronden en kleibodems met heel wat onbebouwde hoekjes; overal tot uren in ’t rond het rijkste natuurleven, dat we in ons land boven de Maas verwachten kunnen.’
De overgang van een slaperig provinciestadje naar de grote stad was niet eenvoudig voor de jon­ge onderwijzer. De Amsterdamse school stond in een achterstandwijk. Nog steeds geëmotioneerd beschreef Heimans later zijn gevoelens na zijn eerste dag als onderwijzer daar.
‘Zaterdagmiddags zo gauw als de schoolbel luidde, holde ik tegelijk met de kinderen weg; ik vloog de vunze woelige steeg uit, de gloeiend warme en droogstoffige straten door, waarin een rossig grijze stofmist hing, tot ik de buurten door was, waar men mij onthaalde op alles wat een vloerkleed of mat maar voor liefelijks bevatten kan, als die eens in de week wordt geklopt. (…)
Ik voelde mij diep ongelukkig, ellendig, ik had heimwee, ik was ziek; maar te versuft door de drukte van de stad en de woelige, mij onver­staanbaar zangerig sprekende schoolkinderen, en wellicht ook door ’t ongewone gemis van frissche lucht, om te beseffen wat ik scheelde. Tegen een hoge polderdijk lag ik in ’t jonge gras, niet ver van de overweg van den trein; langzamerhand ont­waakte ik uit een soort van verdoving en begon de omtrek te overzien. (…) Ik was in gedachten weer bij huis. Onderaan de dijk stond in de diepen polder een boerenhuis waar melk te krijgen was; ik dronk er enige glazen, vroeg wat brood te koop, en toen eerst kwam ik tot bezinning.’
Wat Heimans toen niet kon vermoeden, was dat hij daar in Amsterdam aan het begin stond van een glanzende loopbaan als onderwijzer, wetenschapper en schrijver. De tijd was er rijp voor.
Het biologisch reveil
Om de latere activiteiten van Eli Heimans goed te kunnen begrijpen, is het nodig iets te vertellen over wat aangeduid wordt als het biologisch reveil. Daaronder wordt verstaan de opleving van de belangstelling voor natuur in Nederland aan het einde van de negentiende eeuw. Niet dat er in de tijden daarvoor geen belangstelling voor natuur was, maar deze was anders gericht. Daarvoor gaan we even terug in de tijd.
Al ten tijde van keizer Augustus werd de natuur bestudeerd. In 29 voor Christus schreef de grote Romeinse dichter Vergilius zijn Georgica, een leerdicht gewijd aan landbouw, boomkwe­ken, vee- en bijenteelt. In de eeuwen die volgden werden nog veel meer gespecialiseerde boeken over de natuur gepubliceerd. Die hadden, soms verborgen, soms openlijk, een religieuze onder­toon. In de Middeleeuwen en nog lang daarna werd natuur gezien als schepping van God en een bewijs van diens almacht. Diep geworteld was de gedachte dat wie God wil leren kennen de natuur moest bestuderen.
In 1554 verscheen het Cruydt-boeck van Dodoens, ook wel bekend onder zijn Latijnse naam Dodonaeus. Het is de eerste Nederlandsta­lige plantengids, maar dan op heel groot formaat. Wetenschappelijk gezien toonaangevend was de in 1735 verschenen Systema Naturae van de Zweedse arts en plantkundige Linnaeus (hij stu­deerde aan de universiteit van Harderwijk). In zijn boek verdeelde hij de natuur in een stenen-, planten- en dierenrijk. Zijn methode voor de classificatie van planten vormde de basis voor de flora’s van Heimans, Heinsius, Thijsse, Heukels en vele anderen.
Maar naast kennis speelde ook al vroeg bewondering voor natuurschoon een belangrijke rol. Dat blijkt onder andere uit de schilderijen van de grote Nederlandse landschapsschilders uit de zeventiende eeuw, zoals Esaias van der Velde, Hercules Seghers, Salomon van Ruysdael, Jacob van Ruisdael en Jan van Goyen. Toch was het pas aan het begin van die eeuw dat schilders het realistische Hollandse landschap als onderwerp kozen. In de eeuwen daarvoor fungeerde het landschap meestal slechts als achtergrond voor bijvoorbeeld een portret of een bijbels tafereel.
Die grotere waardering voor de natuur blijkt ook uit een ontwikkeling in de zeventiende en achttiende eeuw. Welgestelde burgers trokken in het voorjaar en de zomer van hun huizen in de stad naar een buitenplaats, omringd door vaak schitterend aangelegde parken en tuinen. De namen van veel van die buitens getuigen nog van deze trek van de stad naar het platteland, zoals Hofwijk, Zorgvliet en Boschwijk.
De bewondering van natuurschoon had in die tijd een speciaal karakter: de opdrachtgevers en hun landschaparchitecten streefden naar een geïdealiseerd beeld van de natuur. Ze kozen voor de Franse stijl, met een strakke geometrische inrichting van hun parken, òf voor de romanti­sche Engelse stijl, met kronkelpaden, kunstmatig aangelegde verhogingen in het landschap en op de tekentafel bedachte waterpartijen. Het Zwolse Engelse Werk is daar een goed voorbeeld van.
Onze voorouders hadden tot ver in de negen­tiende eeuw weinig op met de door mensen onbe­werkte natuur, zoals de moerassen, de zandver­stuivingen en de heidevelden waarmee een groot deel van Nederland was bedekt. Ze noemden het ‘woeste grond’ of nog sprekender ‘onland’. Wilde planten werden doorgaans als ‘onkruid’ aange­duid en waren veel minder in tel dan de gecul­tiveerde planten. Die negatieve waardering had grote gevolgen voor het natuurlijke landschap van ons land. Het vermaarde Beekbergerwoud, het laatste oerbos van Nederland, werd omstreeks 1870 zonder enig maatschappelijk protest met de grond gelijkgemaakt. In onze tijd zouden we er veel voor over hebben om dat ‘onland’ terug te krijgen.
Uit het voorafgaande kan ten onrechte de sug­gestie worden gewekt dat de bewondering voor de natuur voorbehouden was aan de beter gesi­tueerden. Dat is niet het geval. Ook voor mensen die niet rijk waren, en dat gold voor het overgrote deel van de bevolking, was de natuur van waarde. Maar ze gingen er anders mee om. Voor boeren en herders bijvoorbeeld was de natuur geen plaats om zich terug te trekken, ze waren er al: de natuur was hun woon- en werkplaats. Hun natuurbele­ving was daardoor meer functioneel, hoe kan ik gebruik maken van de natuur? In zekere zin was hun afstand tot de natuur kleiner dan die van de welgestelden. Ze waren er één mee.
Dat ook ‘eenvoudige lieden’ uit vroegere tijden oog hadden voor de schoonheid van de natuur, blijkt uit een verslag van Zwollenaar
J. Zeehuisen (uitgever en Statenlid) in het midden van de negentiende eeuw:
‘In het algemeen kan men den landman geen schoonheidsgevoel ontzeggen, wat een gunstig teken voor verdere ontwikkeling is en waarvan men overal, tot in de kleinste hut, nog sporen vindt. (…) De kruidhof voor de huizen laat zien dat de vrouw die deze alleen bewerken moet, eene goeden smaak bezit. En ofschoon er wel gene uitheemsche planten in gevonden worden, is de kruidhof toch meestal versierd met hetgeen ook ons oog kan ver­rukken. Bijvoorbeeld met de prachtige stokroos, de dahlia in alle verscheidenheid, de welriekende damastbloem, de nederige duizendschoon, de gloedvolle muurbloem, de bescheiden violet, de statige lelie. Komt men des vrijdags op onze markt, dan ziet men in vele groentemanden ruikers van deze bloemen te koop liggen.’5
In dit historisch overzicht in vogelvlucht zijn we inmiddels beland in het midden van de negen­tiende eeuw, de periode van het biologisch reveil. In die tijd, even voor de geboorte van Eli Hei­mans, groeide met name onder door de Verlich­ting geïnspireerde wetenschappers de belangstel­ling voor wat werd genoemd ‘de natuurlijke histo­rie’. De natuur werd voortaan bestudeerd om haar eigen kwaliteiten, zonder godsdienstige lading en niet meer noodzakelijkerwijs verbonden met een aantoonbaar nut voor de mens. In 1852 verscheen het blad Album der Natuur, met op het voorblad de mededeling dat het was bestemd ‘ter versprei­ding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand.’ Uit die verduidelijking blijkt al dat de schrijvers toen nog hoofdzakelijk kamer- of laboratoriumgeleerden waren. Dat paste in het tijdsbeeld: Heinsius, de latere mede-auteur van de flora van Heimans en Thijsse, vertelde jaren later dat wie zich in de eerste helft van de negentiende eeuw bezig hield met de studie van plantjes en beestjes voor een zonderling werd gehouden. De kennis van de levende natuur was voor het grote publiek nog een gesloten boek.
In de tweede helft van die eeuw groeide het aantal publicaties over biologische onderwer­pen razendsnel. De volgende stap was het grote publiek enthousiast te maken voor al wat leeft en bloeit. Dat vroeg om popularisering van weten­schappelijke natuurstudies. Het was een grote stap voorwaarts toen in 1857 het vak ‘Natuurlijke Historie’ (net als aardrijkskunde en geschiedenis) in het Nederlandse onderwijs werd opgenomen. Het was de voorloper van het tegenwoordige vak biologie. Onderwijzers kregen als taak hun leer­lingen belangstelling en eerbied voor de natuur om hen heen aan te leren.
Eli Heimans heeft ongetwijfeld een groot aantal van de toen gepubliceerde verhandelingen over natuur gelezen. Al aan het begin van zijn Amster­damse tijd verwierf hij als autodidact een impone­rende hoeveelheid kennis op biologisch gebied, een zeer uitgebreid onderzoeksterrein. Hij gebruikte zijn nieuwe kennis inventief voor zijn tweede pas­sie: het onderwijs. Hij was zeer goed geïnformeerd over de nieuwste ontwikkelingen binnen het toen­malige onderwijs. Wat hem vooral aansprak was de toen baanbrekende gedachte dat onderwijs ook aanschouwelijk moest zijn. Misschien herinnerde hij zich nog het spatwerk met plantenbladeren op zijn Zwolse lagere school. Kinderen moesten voor hun kennis van de natuur de schoolbanken uit, of, zoals een tijdgenoot het uitdrukte: ‘Als we de koe niet naar de school kunnen brengen, dan brengen we de leerlingen maar naar de koe.’
Heimans voegde de daad bij het woord. Al snel na zijn komst in Amsterdam nam hij zijn leerlin­gen mee naar het nabijgelegen Sarphatipark. Zijn doel was, schreef hij later, ‘den kinderen belangstel­ling en eerbied in te boezemen voor al wat de plan­ten- en dierenwereld op te merken geeft. (…) zóó dat na het verlaten der school de verworven kennis hen steeds genoegen doet vinden in het opsporen en nagaan der natuurvoorwerpen en de natuur hun een bron van goedkoop genot wordt.’
Zijn ervaringen tijdens zijn excursies met zijn leerlingen in het park legde Heimans in 1893 vast in een Handleiding voor bij het onderwijs in de natuurlijke historie, in eigen kring meestal het Sarphatiboekje genoemd. De vier delen zouden in Nederland een groot succes worden en werden nog tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw gebruikt.
Een ontmoeting met grote gevolgen
In dezelfde tijd dat Heimans het Sarphatiboekje schreef, leerde hij Jac. P. Thijsse (Jacobus Pieter, 1865-1945) kennen. Thijsse was vier jaar jonger en had net als Heimans de kweekschool bezocht. Een jaar na de komst van Heimans in Amsterdam kreeg ook Thijsse daar een aanstelling als onder­wijzer. En ze hadden meer met elkaar gemeen: beiden waren bezeten van alles wat met natuur te maken had en beiden waren een warm voor­stander van aanschouwelijk onderwijs. De twee mannen ontmoetten elkaar in 1893 tijdens een lezing van Heimans over zijn handleiding voor het natuuronderwijs. Thijsse was enthousiast en stelde Heimans in de pauze de vraag ‘Waarom laat je op dat Sarphatiboekje geen boekjes van buiten volgen?’ En, vertelt Fop I. Brouwer, de biograaf van Heimans, ‘toen gaf Heimans het ant­woord dat beslissend zou worden voor het leven van beide mannen: “Laat ons dat samen doen!”’
Hun jarenlange samenwerking was ondanks hun gedeelde interesses bijzonder omdat het mannen waren met een totaal verschillende aard. Thijsse had volgens zijn biograaf ‘een impulsieve natuur; hij flapte er gemakkelijk wat uit, vertoon­de een beminnelijke onbescheidenheid, timmerde meer aan de weg dan Heimans en zocht graag contact met hoger geplaatste vakbiologen en autoriteiten. Heimans daarentegen was meer een stille werker, de stuwende kracht, die zich altijd bescheiden achteraf hield, die lang kon aarzelen voordat hij iets neerschreef wat hij niet zelf had opgemerkt of ondervonden.’
Vanaf het begin van hun ontmoeting maakten de jongemannen (Heimans was toen 32, Thijsse 28) vele gezamenlijke wandelingen door de natuur om planten, vogels en insecten te bestu­deren. Zonder een gerichte wetenschappelijke opleiding hadden de twee door zelfstudie in wei­nig jaren een grote en brede kennis van de natuur opgebouwd. Maar dat alleen maakt hen niet uniek. Beiden beschikten ook over grote didacti­sche vaardigheden, en, heel belangrijk, ze waren zeer getalenteerde schrijvers. Samen schreven Heimans en Thijsse tussen 1894 en 1904 een groot aantal boeken, die zeer populair zouden worden. Naast het al genoemde Hei en Dennen (1897) zijn dat onder (vele) andere Van vlinders, bloemen en vogels (1894), In sloot en plas (1895), Door het rietland (1896), In de duinen (1899), In het bosch (1901) en niet te vergeten de Geïllustreerde flora van Nederland (1899), die Heimans en Thijsse samen met de vakbioloog H.W. Heinsius schreven. Dat laatste boek wordt nog steeds in gemoderniseerde vorm herdrukt.6 Voor het eerst waren er nu natuurboeken voor een breed publiek beschikbaar die én degelijke, verantwoorde infor­matie gaven, én zeer toegankelijk geschreven waren.
En het bleef niet bij schrijven. Als voorstan­ders van aanschouwelijk onderwijs hechtten Hei­mans en Thijsse grote waarde aan verduidelijken­de tekeningen. Samen maakten ze ter illustratie van hun boeken en artikelen in tijdschriften hon­derden tekeningen van planten, vogels, insecten en andere dieren. Soms maakten ze gebruik van de diensten van ‘echte’ tekenaars. Befaamd wer­den de door Thijsse uitgegeven Verkade-albums met tekeningen van onder andere Jan Voerman jr.,7 L.W.R Wenckebach en Edzard Koning.
Volgens zijn biograaf was tekenen voor Hei­mans zijn lust en zijn leven, ook al was hij ook daarin volledig autodidact. Thijsse vond de smaak van Heimans soms al te verfijnd. Zo bekritiseerde Heimans eens de tekeningen die Thijsse van graafwespen maakte, omdat ze ‘met hun groote ogen, felle kaken en stekelige, doornige graafpo­ten’ op monsters leken. Volgens Heimans had­den de mensen geen lust om naar zulk gedierte te kijken. Thijsse gaf toe en maakte een aanzienlijk kleinere tekening.
De boekjes sloegen tot hun eigen verbazing enorm aan bij het grote publiek, zoals bleek uit de vele enthousiaste brieven van lezers die ze ontvin­gen. Gedreven door dit succes besloten ze in 1896 een tijdschrift uit te geven. Het blad De Levende Natuur, onder redactie van Heimans, Thijsse en
J. Jaspers jr. zou maandelijks verschijnen bij uit­geverij Versluys. Dat het blad nadrukkelijk voor een zo breed mogelijk publiek was bestemd, blijkt uit de redactionele inleiding bij het eerste num­mer:
‘Wij zullen beproeven iets te zijn voor de huis­moeders die haar vogeltjes en hare kamerplanten willen verzorgen en voor de knapen, die voor hun zakgeld wat natuurgenot willen koopen; voor den houder van een tuintje en voor den wandelaar door bosch en veld; voor den vriend der natuur, die hoofdzakelijk voor zijn eigen pleizier er fles­schen en bakken op nahoudt, en voor den vader of onderwijzer, die wil weten hoe hij zijn jongens genoegen kan doen.
Onze stof is rijk! Wij willen de gestes van de spin in haar web gadeslaan, en de levenswijze – ja, lezer, de levenswijze! – der veldbloemen nagaan. Wij willen de vogels bespieden in het kreupelhout en de najaarskleuren van het bosch op het paneel trachten te brengen. Wij willen het hebben over de manier om de natuur waar te nemen, de voor­werpen uit te teekenen en te bewaren. Kortom, de huiskamer en de school, zoo goed als beemd, bosch, zeestrand en heide, het is alles ons arbeids­veld.’
Het is niet moeilijk in deze tekst de ervaringen van Heimans zelf te herkennen: zijn jeugdherin­neringen aan Kruiden-Marie, zijn wandelingen door de natuur, zijn drang om kennis over de natuur op de scholen en in de huiskamers van gewone mensen uit te dragen en – heel belang­rijk – de nadrukkelijk verheffing van de tot dan toe ondergewaardeerde onbewerkte natuur tot een serieus onderwerp van studie. Mede om deze redenen zien velen de oprichting van De Levende Natuur als één van de hoogtepunten van het bio­logisch reveil in Nederland. Al binnen drie maan­den waren er meer dan duizend abonnees, een voor die tijd ongekend hoog aantal. De Levende Natuur, met als ondertitel tijdschrift voor natuur­behoud en natuurbeheer bestaat tot op de dag van vandaag.
Een geheel onverwacht effect van het werk van Heimans en Thijsse (en anderen die dezelfde idealen nastreefden) was dat het aantal studenten in de biologie aan de universiteiten sterk toenam. In de jaren vóór 1890 moesten de universiteiten het soms stellen met één student, in 1900 waren dat er al 44.
Een vuilnisbelt of een natuurgebied
De tijd was rijp voor een vereniging waarin natuurliefhebbers, biologen en andere onder­zoekers hun krachten konden bundelen. In enkele grote steden ontstonden bijna gelijktijdig natuurhistorische verenigingen. Het spreekt bijna vanzelf dat ook Heimans en Thijsse (maar bijvoorbeeld ook Heinsius en Heukels) betrokken waren bij de oprichting in 1901 van de Amster­damsche Natuurhistorische Vereeniging. Nog dat­zelfde jaar nam deze vereniging het initiatief tot het oprichten van een landelijke vereniging met plaatselijke onderafdelingen. Tijdens een bijeen­komst in Artis op 27 december 1901 werd daarop de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging (NNV) opgericht. Thijsse gaf de inmiddels alom bekende drie H’s (Heimans, Heinsius en Heukels) de eer van de oprichting en de latere bloei. Hei­mans speelde zijn leven lang een belangrijke rol in de vereniging en was een graag gehoorde spreker bij de vele onderafdelingen in het land. Vele jaren later kreeg de vereniging het predicaat ‘konink­lijk’, zodat we nu spreken over de KNNV.
Eén van de doelstellingen van de NNV was ‘Het aanwenden van pogingen om terreinen die uit een natuurhistorisch oogpunt belangrijk zijn, te beschermen.’ Dat waren geen loze woorden. Dat bleek toen in 1904 burgemeester en wethou­ders van Amsterdam een plan indienden om wat ze noemden ‘een waardelooze waterplas’, het Naardermeer, aan te kopen om het vol te storten met stadsvuil. Heimans en Thijsse kenden de waarde van het Naardermeer uit eigen waarne­ming: ze maakten er zwerftochten met de bekende schrijver, psychiater en zelfverklaard wereldver­beteraar Frederik van Eeden. Heimans plaatste direct een vlammend protest in De Groene, Thijs­se deed hetzelfde in het Algemeen Handelsblad. Dankzij hun protesten stemde de Amsterdamse gemeenteraad uiteindelijk tegen het voorstel. Om soortgelijke bedreigingen voor de natuur in de toekomst tegen te gaan werd mede dankzij de inspanningen van Heimans en Thijsse op 22 april 1905 in Artis de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten opgericht. Door de uitgifte van obligaties slaagde Natuurmonumenten erin het Naardermeer te kopen. Het is het eerste Nederlandse natuurreservaat uit de geschiede­nis. Als gevolg van het biologisch reveil was een nieuwe tijd aangebroken.
Tussen zijn start als onderwijzer in Amsterdam en zijn plotseling overlijden in 1914 heeft Eli Heimans zich onafgebroken beziggehouden met natuurstudie, publicaties in boeken en tijdschrif­ten en zich ingespannen de natuur in Nederland te beschermen. Het is bijna niet voor te stellen dat hij naast deze tijdrovende activiteiten een gezinsleven had en een al even tijdrovende baan in het onderwijs. In 1888, zes jaar na zijn vertrek uit Zwolle, kwam hij er even terug om te trouwen met de eveneens in Zwolle geboren Betje Stibbe (1860-1960). Ze kregen twee kinderen, een jongen en een meisje. Het gezin woonde in Amsterdam, vanaf 1903 aan de Plantage Muidergracht (nr. 123).
Heimans begon in 1882 als derde onderwijzer aan de lagere school in de Zwanenburgstraat; nog datzelfde jaar kreeg hij een aanstelling als tweede onderwijzer bij de Hendrik Westerschool aan het Weesperplein; in 1886 werd hij bij die school eerste onderwijzer; in 1893 werd hij ‘hoofd der school’ aan de Planciusschool aan de tegenwoor­dige Tweede Breeuwersstraat; dezelfde functie had hij in de periode 1904-1911 bij de Van Swin­denschool aan de Pieter Nieuwlandstraat en met ingang van 1 januari 1912 bij de Hendrik Wester­school.
Hij zal het niet altijd even eenvoudig hebben gehad. Zijn biograaf vermeldt bijvoorbeeld dat de wat ‘betere’ Van Swindenschool in een typische Amsterdamse volksbuurt lag: de buurt noemde de school van Heimans een ‘kale-netenschool’. Er waren relletjes met straatbewoonsters, die ramen ingooiden en modder tegen de muren en in het portaal smeten. Maar binnen de school was Hei­mans populair, zoals blijkt uit getuigenissen van oud-leerlingen. Volgens hun verslagen was hij een goed docent en ‘anders dan anderen’. Met zijn viool liep hij door de school om zangles te geven. Een oud-leerling schreef: ‘Hij was nooit kwaad, vol grappen, erg “onschoolmeesterachtig” (…) en hield niet van ordelijke klassen en zoete kinderen. (…) Hij had altijd dropjes en pepermunt in zijn zak. Dropjes kreeg je maar zelden, pepermunt vaker. Dat waren dikke ronde pepermunten, zo groot als een cent, die kon je alleen in Zwolle krij­gen, zei hij.’
Na 1905 werd Heimans steeds enthousiaster voor de studie van de geologie. Ook die belang­stelling komt voort uit zijn Zwolse periode; als aankomend onderwijzer maakte hij wandelingen via ‘Het kleine Veer’ aan de IJssel naar de Trijzen­berg bij Hattem. Daar bezocht hij in de buurt van ‘De Belten’ eens een kleine boerderij op slechte, stenige grond. Van de boer kreeg hij een verzame­ling stenen, die gezien de ‘groeiringen’ volgens de boer in de grond gegroeid waren. Op die manier kwam Heimans aan zijn eerste bescheiden geolo­gische collectie. In zekere zin werd zijn geologi­sche belangstelling ook zijn einde. Hij overleed in de zomer van 1914 plotseling ten gevolge van een hartstilstand tijdens een geologische excursie in het Duitse Gerolstein.
Heimans en het Engelse Werk8
Heimans bezocht ook na zijn vertrek naar Amsterdam nog regelmatig zijn geboortestad; om er zijn familie en die van zijn vrouw te bezoeken, maar ook om er als vanouds in de omgeving te wandelen. Hij keerde niet alleen terug naar de plek waar hij ooit Kruiden-Marie had ontmoet, maar ook naar het park waar hij zoveel jeugdher­inneringen had liggen: het Engelse Werk. Dat was bijvoorbeeld het geval in de zomer van 1897. Over dat bezoek, met vrouw en kinderen, scheef hij een artikel in zijn ‘eigen’ blad De Levende Natuur onder de tot de verbeelding sprekende titel ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’. Het verhaal laat Heimans weer ten voeten uit zien:
‘De laatste week van de vorige zomervacantie heb ik te Zwolle doorgebracht. ’t Was de heele Maandag drukkend warm geweest, zoo warm, dat ik geen lust had, in ’t open veld of langs de dijken te gaan botaniseeren (…) Thuis blijven dus? Neen, daarvoor is men immers in de vacantie niet bui­ten. Dan maar in de late namiddag naar ’t Nieuwe Werk, zoo als de officiëele naam luidt, of naar
’t Engelsche Werk, zoo als de Zwollenaars het noemen.
Dat Engelsche Werk nu is een park, zoo mooi als er weinig in ons land zijn. Misschien ben ik in dit opzicht niet onbevooroordeeld, maar mij dunkt, het Haagsche bosch en de Haarlemmer­hout zijn niet mooier. Al ontbreken, behalve op Zondag, in ’t Zwolsche bosch de menschen… de vogels, en de eekhoorns, de vlinders en de mooie wilde planten, maar het is er voor een natuurlief­hebber gezellig genoeg.
’t Engelsche Werk ligt vlak aan de IJssel, tus­schen de spoorbrug en het Katerveer, op een driekwartier gaans van Zwolle. Het eerste deel van de weg er heen is een mooie laan: de Veeral­lee; die voert u eerst langs de Willemsvaart; dan gaat ge over een heuvel met sparren begroeid, de oude Spoolderberg; daarna kruist de weg de Wil­lemsvaart en slingert zich langs de keurige buiten­plaats Frisia State tot aan de vrije, ruime ingang van ’t Engelsche werk.
Ik kan de lust haast niet weerstaan, een beschrijving te geven van dit mooie park, waarin ik van kindsaf heb rondgedwaald, waarin ik tot nog toe nog elk jaar een paar dagen heb doorge­bracht met mijn goede kennissen uit de planten- en dierenwereld. Maar dat beschrijven hoop ik later eens te doen, als er eens veel plaats beschik­baar is. Op die warme Maandagmiddag ging ik er dan ook niet heen, om nieuwe planten te zoeken, wel met de hoop, een paar oude bekenden weer te vinden, die ik er het vorige jaar tot mijn spijt gemist had. (…).’
Al snel na aankomst barstte er een onweer los en Heimans en zijn gezin schuilden in de uitspan­ning van het park, op de plaats waar tegenwoor­dig de zaak van Krisman te vinden is. Na de bui ging hij toch weer op zoek naar alles wat groeit en bloeit. Hij zag padden, kikvorsen, slakken, vogels en orchideeën:
‘Vlak bij het holle wegje, waarvan oude elzen en gele kornoeljes een berceau hebben gemaakt, staat aan de voet van een hooge spar een orchi­dee te bloeien. Groote wespen smullen van zijn honing en transporteeren op hun kop de gele stuifmeelklompen naar andere planten. (…) Maar ’t is ook waar; ik moet, om zekerheid voor mezelf te hebben, wat die orchidee betreft, het Engelsche Werk nog even door. In de “Moordpoort”9 is ’t al vrij donker; aan ’t eind van ’t lange gewelf glim­mert het natte groen weer helder op; maar ook in ’t holle wegje en in ‘t berceau heerscht schemer­duister; daar ginds bij die dikke beukenstam moet ik wezen (…).’
Wat is toch die magie van het Engelse Werk, die niet alleen Heimans, maar ook al meer dan honderd jaar de Zwolse natuurliefhebbers in de ban heeft? Een klein beetje kennis over de geschiedenis ervan leert ons niet alleen veel over dat schitterende park, maar ook over hoe de stad Zwolle er in de loop der tijden mee is omgegaan. Een (natuur)geschiedenis in vogelvlucht.
‘Een schoone gelegenheid voor een rijtoer’
Het Engelse Werk is in de negentiende eeuw aan­gelegd op de restanten van een verdedigingswerk uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. Die verde­diging bestond onder andere uit een brede aarden wal van Zwolle naar de IJssel, die een aantal schan­sen met elkaar verbond. Aan de IJssel lag op een natuurlijke verhoging de Nieuwe Schans, later het Nieuwe Werk geheten. Na de Franse Tijd (1795-1813) hadden de verdedigingswerken hun functie verloren. Tijd dus voor de gemeente om een nieu­we bestemming voor het terrein te zoeken.
Om te beginnen werden omstreeks 1827 de oude schansen en de aarden wal gesloopt. Een jaar later, in 1828, nam het stadsbestuur een historisch besluit: het Nieuwe Werk zou als openbare wan­delplaats worden ingericht. Hetzelfde gebeurde met de bastions in de stad. Ook die hadden hun waarde verloren, ook die werden gesloopt en ook die werden met bomen beplant. Daaraan danken we nu onder andere de schitterende Potgietersin­gel en het Ter Pelkwijkpark. Het besluit om ook van het Nieuwe Werk een wandelplaats te maken was in meerdere opzichten opmerkelijk. De schatkist van het stadsbestuur was niet al te goed gevuld en bovendien, wat moest je met een wan­delplaats zo ver van de stad in een tijd dat mensen geen auto’s en zelfs geen fietsen hadden. Je moest er vanuit de stad lopend naartoe, of veel later, met de paardentram naar het Katerveer.
Het stadsbestuur gaf de toen bekende Utrecht­se landschapsarchitect Hendrik van Lunteren (1780-1848) opdracht het park te ontwerpen en aan te leggen. Zijn opleiding kreeg hij voor een deel in Engeland ‘ter vermeerdering zijner wetenschappelijke kennis der horticultuur en ter vorming van zijner smaak in het aanleggen van buitengoederen.’ In 1810 had hij een kwekerij op de voormalige bisschopshof te Utrecht.
Van Lunteren was een aanhanger van de Engelse landschapsstijl. Dat wil zeggen dat hij inspeelde op een geleidelijk veranderde visie op de natuur en de rol van de mens daarin. Het natuurlijke werd verkozen boven het kunstmatige zoals dat in de achttiende eeuw opgeld deed, met als gevolg dat de rechte lijnen van de Frans geori­ënteerde tuinen werden vervangen door meer romantische slingerlijnen.
Van Lunteren ging voortvarend tewerk. In vijf jaar tijd liet hij honderden bomen planten, waaronder elzen, esdoorns, platanen, abelen, kas­tanjes, maar ook dennen, acacia’s en lariksen. Ze werden geleverd door bezitters van buitenplaat­sen in Zwolle. Net als voor de aanleg van de nabij­gelegen Willemsvaart zorgde de gemeente voor de aanvoer van hulpbehoevenden en werklozen, die voor het zware graafwerk een kleine vergoeding ontvingen. Zelf kreeg Van Lunteren voor ‘het aanleggen van stadsplantagien en wandelingen’ de somma van ƒ 732,80. Daarbij ging het vermoe­delijk alleen om het ontwerp voor het park.
Zo ontstond in het Nieuwe Werk een beslo­ten park, sierlijk doorsneden door paden en waterpartijen in de vorm van een aangelegde bosbeek, met af en toe een heuveltje. Wie in het park wandelde, had geen zicht op de wereld daarbuiten, de wandelaar kon zich voor even wanen in een rustgevend, onafzienbaar woud. Al snel na de aanleg werd het park in de volksmond ‘Het Engelse Werk’ genoemd, een teken dat men ook in Zwolle bekend was met de nieuwste ont­wikkelingen.
Toen het park klaar was, stelde de gemeente in 1833 Albert Krajenbelt als terreinbeheerder aan, die kwam te wonen in een huis dat ook als drinklokaal voor de bezoekers diende, een voorlo­per van de latere uitspanning Het Engelse Werk. De gemeente Zwolle gaf strikte richtlijnen voor wat er daar geschonken mocht worden. In de pachtovereenkomst staat dat de bezoekers van het drinklokaal dezelfde verversingen moesten kun­nen bestellen als in het Veerhuis bij het Katerveer. Met één uitzondering: de verkoop van jenever of sterke drank was verboden.
De gemeenteraad werd door de jaren heen voortdurend op de hoogte gesteld hoe het met het park was gesteld. De raad was verantwoordelijk voor elk besluit over de inrichting van het park; een plantsoenendienst was er toen nog niet. In de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw was de gemeenteraad ontevreden over het onderhoud. Er stonden bomen die zoveel schaduw gaven dat ze de groei van het andere houtgewas belemmerden en de vijvers moesten hoognodig worden uitge­baggerd. Teleurstellend was ook dat de spoorlijn Zwolle-Utrecht sinds 1864 dwars door een deel van het park heenliep. Mismoedig stelde de raad vast dat het afgesneden stuk ‘niet meer als wandelplaats werd gebruikt en langzamerhand een dichtbegroei­de wildernis was geworden die tot niets dient.’
De gemeente nam maatregelen, maar er bleef veel te wensen over. Bij het naderen van de lente merkte een raadslid in 1874 op: ‘Het jaar tevoren moest men met lede ogen aanzien hoe bloemen met handenvol geplukt werden op het Nieuwe Werk. Ieder scheen te menen dat wat tot het genot van allen moest strekken zijn particulier eigen­dom is.’ Ook waren er volgens het raadslid maat­regelen nodig tegen het uithalen van vogelnesten en het wegvangen van vogels. Deze opmerking leidde in 1875 tot een verbod op het uithalen van vogelnesten. Een vroege vorm van natuurbe­scherming in Zwolle.
Maar de ontevredenheid over het gebrek aan onderhoud van het Engelse Werk duurde voort. Toen wandelaars zich meer en meer beklaagden dat delen van het park door water en modder onbegaanbaar waren geworden, was de maat vol. Het gemeentebestuur liet in 1878 een plan maken voor een algehele renovatie van het Engelse Werk. Een landschapsarchitect uit Bussum, Dirk Wattez (1833-1906), kreeg de opdracht. Hij presenteerde een ontwerp met onder andere een vergroting van de bestaande vijver met drie boseilanden daarin en de aanplant van vele bomen en bloeiende heesters. Dit alles nog steeds overeenkomstig de landschapsstijl zoals die door Van Lunteren was bedacht. De bedoeling was dat het park beter geschikt moest worden gemaakt als wandel- en rijweg. Het park moest zo worden ingericht dat er ‘een schoone gelegenheid voor een rijtoer te ver­krijgen zou zijn.’
Deze gedachte is tekenend voor die tijd. Een groot deel van de bezoekers van het Engelse Werk behoorde tot de betere standen. Die hadden de tijd om het park te bezoeken, de opkomende arbeidersklasse had die tijd niet of hooguit op de vrije zondag. Toch werden minder vermogende Zwollenaren, althans in woorden, niet buitenge­sloten. Toen sommige raadsleden de uitvoering van de renovatie te duur vonden, merkte raadslid Thiebout op:
‘Het Nieuwe Werk is de buitenplaats van de Zwolsche burgerij en wel in de allereerste plaats voor hen, die het voorrecht van een eigen tuin missen.’
De raad ging met het plan voor renovatie akkoord, zodat in 1879 de werkzaamheden kon­den beginnen. Het werkvolk moest wel een beetje netjes zijn, vond de raad: ‘Men dient fatsoenlijke menschen te hebben. Eertijd heeft men er soms gehad die dronken in de boschjes werden gevon­den.’ Na de renovatie volgens het ontwerp van Wattez zag het park er wat de inrichting betreft ongeveer uit zoals in onze tijd. Tijdgenoten als W.A. Elberts waren tevreden over het resultaat. Hij schreef:
‘’t Is ontegenzeggelijk een der fraaiste plekjes om Zwolle, vooral sinds de verbeteringen daarin, een tiental jaren geleden aangebracht. De vijver in het noordoostelijk gedeelte is vergroot; het ter­rein opgehoogd; de wegen zijn gehard en ‘t geheel maakt door zijn wisseling van hoog en laag, land en water, bosch en bloem, een hoogst aangenamen indruk. Lag het zoogenaamde Engelsche Werk wat dichter bij de stad, het zou meer wandelaars trek­ken en de uitspanning er beter bij varen.’10
De Zwolse vogels krijgen een eiland
Aan het eind van de negentiende eeuw kreeg het Engelse Werk er een geheel andere bestemming bij. Het was de tijd van grote manifestaties op reli­gieus en politiek gebied. In 1883 kreeg de Hulp­zendingsvereniging als eerste toestemming om er een grote landelijke bijeenkomst te houden. Enige voorwaarde van de gemeente: de schade aan het gras moest worden vergoed aan de beheerders. Die huurden namelijk het recht om het gras te maaien en als hooi te verkopen. In de jaren die volgden vonden iedere tweede pinksterdag grote manifestaties plaats van kerken en christelijke verenigingen. Ook de Zwolse socialisten maakten gebruik van het Engelse Werk, bijvoorbeeld om er te demonstreren voor de achturige werkdag. Die bijeenkomsten vonden plaats op een restant van één van de oude bastions, de ‘Schelredoute’, het tegenwoordige Vogeleiland, dat toen via een brug bereikbaar was.
Omstreeks 1900 valt in de gemeenteraad een nieuwe visie op natuur te bespeuren. Sommige raadsleden vroegen zich af wat het Engelse Werk nu eigenlijk was. De gangbare mening was dat het een bos was, met daartussen gelegen plantsoenen. Aan dat bos was weinig onderhoud nodig, want zei een raadslid: aan een bos is niets te bederven, er bloeien alleen wat wilde planten in het voor­jaar. Maar er waren ook raadsleden die vonden dat het Engelse Werk geen bos was, maar een tuin, met mooie perken en gazons. Dat vroeg om meer onderhoud en dus meer geld. De raad kwam er voorlopig niet uit. In de jaren die volgden werd het park steeds beter verzorgd en, in het spoor van Heimans, beschouwden de beheerders wilde planten niet meer als onkruid. Het biologisch reveil was niet aan Zwolle voorbij gegaan.
De andere visie op natuur zorgde er ook voor dat de grootschalige manifestaties in het Engelse Werk werden geweerd. De gemeenteraad toonde zich in 1915 gevoelig voor een klacht van de afdeling Zwolle van de door Heimans, Thijsse en Heukels opgerichte Nederlandsche Natuurhis­torische Vereeniging (NNV). In het zogenoemde ‘Vogeltjesrapport’ maakte de vereniging duide­lijk dat de vogels die zich op het manifestatie-eilandje hadden genesteld, te veel in hun rust werden gestoord. De brug naar het eilandje werd verwijderd, de manifestaties waren voorbij en sindsdien heet de plek het Vogeleiland.11 Een jaar eerder had de Zwolse NNV toestemming aan de gemeente gevraagd om nestkastjes op te mogen hangen in het Engelse Werk. Een vroeg voor­beeld van natuurbescherming in Zwolle. En een paar jaar later zorgde de vereniging ervoor dat de bomen in het Engelse Werk naambordjes kregen, want natuureducatie stond eveneens hoog in haar vaandel.
Heimans heeft zich voor zover bekend niet met de discussie over de inrichting en het beheer van het Engelse Werk bemoeid. Maar we mogen aannemen dat hij niet al te veel wilde ingrijpen. De natuur, juist ook de wilde natuur, vond hij mooi genoeg. In de jaren die volgden werd een bezoek aan het Engelse Werk een vast onderdeel van excursies van Zwolse natuurverenigingen.
Gedroogde planten
Tot ver in de negentiende eeuw was natuurstu­die of een verblijf in de natuur nog steeds een enigszins elitaire bezigheid. Je had er geld en vrije tijd voor nodig en daarover beschikten de meeste mensen niet. Grote delen van de bevol­king leefden in grote armoede in krotten onder barre hygiënische omstandigheden; besmet­telijke ziekten kostten vele mensenlevens. Dat bleef niet onopgemerkt. Stap voor stap werden pogingen ondernomen de armoede te bestrijden; daarbij kreeg de stad meer en meer een negatieve klank, waartegenover ‘het gezonde buitenleven’ werd gesteld. Natuur kreeg een positieve morele waarde.
Omdat al die arbeiders en hun gezinnen vooralsnog met geen mogelijkheid de natuur in te krijgen waren, moest die natuur maar naar de mensen komen, vonden sommigen. Een aan­doenlijk initiatief is dat van de Amsterdamse dominee M.A. Perk, de vader van de bekende dichter Jacques Perk. Hij was de bedenker van de ‘Floralia-beweging’. Het doel was ‘liefde voor planten en bloemen bij het volk op te wekken, om daardoor de kweekster of kweeker, groot of klein, voor hooge, voor de meest reine denkbeelden vat­baar te maken.’ Ook in Zwolle werd zijn initiatief nagevolgd. Een tuinman van een villa in Zwolle12 deelde in 1871 gratis bloemzaadjes uit. De der­tienhonderd uitgedeelde zakjes waren zo’n succes dat de actie het jaar daarop werd herhaald.13
Vanaf het begin van de twintigste eeuw steeg de levensstandaard gestaag met als neveneffect een grotere belangstelling onder ‘het volk’ voor de vrije natuur en voor wat daar groeide en bloeide. Soms, op een onverwacht moment, sta je er oog in oog mee. Bij het openslaan van antiquarische boeken die tussen 1880 en (pakweg) 1940 zijn verschenen, liggen tussen de bladzijden vaak plantjes die daar door de vroegere eigenaar te drogen zijn gelegd. Aangespoord door de boeken en artikelen van Hei­mans en Thijsse legden steeds meer mensen een herbarium aan. In de antiquariaten zijn de oude Flora’s van zowel Heimans, Heinsius en Thijsse en die van Heukels nog volop te vinden. Een teken dat ze destijds massaal werden aangeschaft.
Uit alles blijkt dat Zwolle niet achteraan stond in de nieuwe belangstelling voor natuur. Zwolle had al vroeg (1920) een plaatselijke afdeling van de socialistische Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) uit 1918. Natuurstudie was weliswaar niet de voornaamste doelstelling van de vereniging, maar de belangstelling van de jongeren voor wandelen en kamperen (onder andere op kampeerterrein ‘Eerde’ bij Ommen) was daar wel een belang­rijke stimulans voor. In 1920 werd in Zwolle de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) opgericht tijdens een landelijk congres voor jeugdige natuurliefhebbers. Oud-leden getuigen dat ook die jongerenvereniging vooral populair was in socialistische kring. Maar eerst en vooral bestudeerden de leden de natuur. Eén van de eer­ste leden, de Zwolse Hilda Verwey-Jonker, heeft er jaren later over verteld. Volgens haar is het idee voor de oprichting van de vereniging zelfs bij haar thuis ontstaan:
‘De NJN organiseerde van het begin af aan zomerkampen (…) en veel excursies te voet en per fiets. Zwolle was een heel gunstige plek om die natuurliefde uit te leven, want er was niet alleen die prachtige omgeving, maar er waren ook enkele heel bijzondere planten en vogels: in het voorjaar stonden de velden achter de ijsbaan – ongeveer daar waar nu het ziekenhuis ligt, vol met kievitsbloemen: wilde tulpen, in twee soorten, wit en paars gestippeld. Het was de enige plaats in Nederland waar ze zo algemeen waren. (…) Ook het felrode steenanjertje, dat je in het wild op de Agnietenberg vond, kwam volgens mijn vader alleen bij Zwolle voor. (Deze wordt ook wel de Zwolse anjer genoemd). De vogels zaten voorna­melijk in het Engelse Werk. Winterkoninkjes en allerlei soorten mezen, nachtegalen, wielewalen en tuinfluiters.’14
In het voetspoor van Heimans
Wat is het belang geweest van mensen als Hei­mans en Thijsse? Dat valt moeilijk te overschat­ten. Ze zorgden door hun boeken en artikelen voor de verdieping van de kennis over de natuur en voor de popularisering van die kennis, onder andere door het propageren van natuuronderwijs op de scholen. Door hun daden droegen ze in belangrijke mate bij tot de natuurbescherming in ons land. Dank zij hun activiteiten kreeg ook de wilde natuur – de woeste grond, het onland – de aandacht die het verdiende.
In de doelstellingen van de huidige KNNV klinken nog steeds de idealen van Heimans door: natuurstudie, natuurbeleving en natuurbescher­ming. De Zwolse afdeling is van vele markten thuis. Er zijn werkgroepen voor vogels, planten, insecten, mossen, hydrobiologie en paddenstoelen.
In de twintigste eeuw groeide in de maat­schappij het besef van de nauwe relatie tussen natuurbescherming en natuureducatie. Precies de twee invalshoeken die Heimans en Thijsse al vanaf het einde van de negentiende eeuw propageerden. Op 21 mei 1960 werd het Insti­tuut Voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) opgericht, oorspronkelijk een vereniging van natuurwachten en natuurgidsen. Deze vereniging propageert zichzelf tegenwoordig als ‘instituut voor natuureducatie en duurzaamheid’. Net als het KNNV is het IVN tot op de dag van vandaag zeer actief. Jaarlijks organiseren ze vele excursies in de omgeving van Zwolle. Zeer populair zijn de wilde-plantencursussen en de vogelzangcursus­sen. Ook organiseert afdeling Zwolle van het IVN een natuurgidscursus. Veel van deze excursies en cursussen vinden als vanouds plaats in het Engelse Werk.
De vereniging Zwolle Groenstad , opgericht in 1976, houdt zich vooral bezig met natuurbescher­ming. In de naoorlogse periode was het beleid van het gemeentebestuur vooral gericht op woning­bouw en stimulering van de werkgelegenheid door ruimte te geven aan de industrie. Dat ging niet alleen ten kosten van historische gebouwen, maar ook van natuurgebieden. Zwolle Groenstad wilde deze ontwikkelingen een halt toe roepen. Om de waarde van het Zwolse groen onder de aandacht van het gemeentebestuur te brengen, kon Zwolle Groenstad zich gelukkig prijzen met de medewerking van de Zwolse tekenaar en illustrator Han Prins. In een serie artikelen onder de naam Zwolle’s ontgroening maakte hij week na week duidelijk dat het groene aanzien van de stad ernstig werd bedreigd. Het was vijf voor twaalf. Zwolle Groenstad richt zich tegen­woordig vooral op het behoud en de uitbreiding van het bomenbestand op particulier terrein. De vereniging adviseert burgers en bedrijven, brengt weer bomen terug op de schoolpleinen en plant tegen een kleine vergoeding herinneringsbomen voor iedereen die een geboorte, jubileum of over­lijden wil herdenken. Tot zover enkele belang­rijke Zwolse verenigingen die zich inzetten voor natuurbescherming en natuureducatie.15
Ook de bestuurders en uitvoerders die zich in dienst van de gemeente inspannen voor de groenvoorzieningen in Zwolle timmeren aan de weg. Landelijk gezien speelt onze stad daarbij let­terlijk een voorbeeldige rol. Mede dankzij hun werk staan er in Zwolle ongeveer tachtigduizend bomen en beschikken we naast het Engelse Werk over nog veel meer prachtige parken.16 Ook de Zwolse bermen met wilde planten zijn tot over de gemeentegrenzen befaamd.
Tot slot
Eli Heimans bleef tot zijn dood in 1914 met grote regelmaat publiceren over de natuur in al zijn facetten. Ter afsluiting laat ik deze grote Zwol­lenaar nog één keer zelf aan het woord. Als geen ander wist hij zijn liefde voor de natuur onder woorden te brengen. Het is een fragment uit Hei en Dennen, waarin Heimans zich buigt over een wel zeer nederig dier: de mestkever. Hij schrijft dan:
‘Wij laten onze kevers nu ook maar rustig voortwerken; eenigszins vies moge ons de taak toeschijnen, die de natuur hun heeft aangewezen. Voor de heide zijn ze ongetwijfeld nuttig, althans waar ze in groot aantal voorkomen. (…) Daar loopt er weer een, en nog een; overal zien wij de reinigingsdienst in volle werking. (…) Eens heb ik er in een bladkuil op de heide aan de rand van eikenhakhout een verbazende menigte bijeen gevonden. Een wervelwind had ze tegelijk met de bladeren waarschijnlijk in de kuil gevoerd. Het bleken uitsluitend mannetjes, die op de heide hun natuurlijke dood gestorven waren. Uitgedroogd, zoo licht als een dor blad, had de wind makkelijk spel met hen.
De wijfjes schijnen in de grond te blijven, nadat ze hun eieren in de opgezamelde mest heb­ben bezorgd. Aan de mannetjes is veel meer het bovengrondsche werk opgedragen; de vrouwtjes doen het huiswerk, maar de heeren ‘moeten er uit, het vijandige leven in,’ zooals een dichter heeft gezegd, al had hij toen niet het oog op mestke­vers.’
* Dit artikel is een bewerking van de gelijknamige lezing die de auteur op 24 maart 2011 hield in de cyclus Historische Avonden 2010/2011.
Literatuur
– Berkenvelder, F.C., Zo was Zwolle rond 1900, Zwol­le 1970
– Blok, Olde Meierink en partners, Historisch overzicht van het Engelse Werk/Spoolderbos, Zwolle 2001
– Brouwer, F.I., Leven en werken van E. Heimans en de opbloei der natuurstudie in Nederland in het be­gin van de twintigste eeuw, Groningen 1958
– De canon van Heino; De geschiedenis van Heino in vijftig vensters, Werkgroep canon ‘Omheining’, eindred. Jan van de Wetering, Heino 2011
– Elberts, W.A., Historische wandelingen in en om Zwolle, Schiedam z.j.
– Heimans, E., Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant, in: De Levende Natuur 3 (1898) 5, pag. 81-86
– Heimans, E., Uit de natuur; Bloemlezing uit zijn wer­ken, verzameld door H.E. Heimans, Amsterdam 1917
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., In sloot en plas, Am­sterdam 1907
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., Van vlinders vogels en bloemen, Amsterdam 1907
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., Hei en Dennen, Am­sterdam 1903
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., Door het rietland, Am­sterdam 1896
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., In het bosch, Amster­dam 1901
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., In de duinen, Amster­dam 1907
– Hove, Jan ter, Geschiedenis van Zwolle, Kampen/Zwolle 2005
– Historisch Nieuwsblad, site www.histo­rischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5891/kamerplantjes.html
– Meilof, Jan, Een wereld licht en vrij; Het culturele werk van de AJC 1918-1959, Amsterdam 2000
– Meulen, Dik van der, Het bedwongen bos; Neder­landers & hun natuur, Amsterdam 2009
– Montijn, Ileen, Naar buiten!; Het verlangen naar landelijkheid in de negentiende en twintigste eeuw, Amsterdam 2002
– Nederlands Architectuurinstituur, site www.nai.nl
– Pot, C.W. van der, Zwolle’s omgeving omstreeks 1900, Zwolle z.j.
– Verwey-Jonker, Hilda, Een jeugd in Zwolle, Zwols Historisch Tijdschrift, 10e jaargang1993, nr. 1
– Wetering, Jan van de, De Zwolse canon; De geschie­denis van Zwolle in 50 vensters, Zwolle 2008
– Zeehuisen, J. Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, zesde deel, vierde stuk, 1851, Statis­tieke bijdrage tot de kennis van den stoffelijken en zedelijken toestand van de Landbouwende klasse in het kwartier Salland, Provincie

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 2

Door | 2012, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Redactioneel Inhoud

Een bijzonder artikel in dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift is het interview met oud-wethouder Henk Okkels door steven ten Veen. Okkels kijkt terug op zijn politieke loop­baan onder drie burgemeesters, eerst als raadslid, daarna achttien jaar lang als wethouder. Hij ging ‘zuinig’ om met het beschikbare geld. Hij richtte de stadsbank op waar particulieren een krediet konden krijgen. Eén van de zaken die hij, onder veel protest, invoerde waren de minicontainers.
Okkels opende in 1977 het pand van de Westland-Utrecht Hypotheekbank aan de Grote Markt 11. Onderzoek voor zijn openingsrede werd gedaan door Wim Huijsmans. In de achttiende eeuw werd vermeld dat het pand een ‘weergaloze wijnkelder’ had. Deze mededeling wekte hoge ver­wachtingen bij de genodigden voor de opening!
In het Hopmanshuis vond de kunstenaarsclub (Het) Palet zijn eerste onderkomen. Willem van der Veen, wiens vader Teun aan de wieg van deze club stond, beschrijft hoe Palet daar en op andere plaatsen gehuisvest was. Niet altijd even comfor­tabel, maar wel gezellig. Onlangs is Palet naar een ‘nieuw’ onderkomen verhuisd, het voormalige Rode Kruisgebouw aan de stilobadstraat.
Jan van de Wetering gaat weer vijftig jaar terug in de tijd: platenzaken met popmuziek, nieuwe telefooncellen en de sluiting van de winkel van sigarenhandelaar Piet Kok in 1962. Kok hing in zijn etalage de voetbaluitslagen op, waar velen op af kwamen.
In 1822 overleed de jonge Zwollenaar Jan coenraad Pruimers. Hij studeerde rechten in Utrecht en vestigde zich vervolgens als advocaat in Zwolle, maar was vooral bekend als dichter. Zijn buurman was Rhijnvis feith in de Bloemen­dalstraat. Johan seekles beschrijft hoe tijdgenoten gegrepen waren door zijn vroegtijdige overlijden.
Suikerhistorie Wim Huijsmans 46
Palet begon met oude zolders en een kelder Kunstenaarsclub kreeg vijfde onderdak in 65 jaar Willem van der Veen 48
Jan Coenraad Pruimers, een vergeten Zwolse dichter Johan seekles 60
Henk Okkels, terugblik op een politieke loopbaan steven ten Veen 66
Grote Markt 11 Wim Huijsmans 74
Zwolle in de jaren zestig Aflevering 7: Hoe Piet Kok een einde maakte aan de jaren vijftig (1962) Jan van de Wetering 80
Mededelingen 84
Auteurs 86

Omslag: Tekenavond van kunstenaarsclub Palet in de jaren zeventig in de Broerenkazerne, aquarel door Teun van der Veen.

Palet begon met oude zolders en een kelder
Kunstenaarsclub kreeg vijfde onderdak in 65 jaar
Willem van der Veen
Reeds in 1929 werd er in groepen naar model getekend bij de Zwol­sche Kunstkring. Van links naar rechts Cor Vriens, Johan Hartzui­ker en Evert Bomhof.
D
e kunstenaars van Palet hebben voor de vijfde maal in het 65-jarig bestaan van hun vereniging een nieuw onderkomen betrokken. Nou ja, nieuw..? Voor hén in elk geval wel. Het voormalige Rode Kruisgebouw aan de stilobadstraat, waar in een nog eerder tijdstip ver­pleegsters van het sophia Ziekenhuis woonden, staat al meer dan honderd jaar op die plek. Maar wat zou het? Vanaf de oprichting van hun club zijn de ‘Paletters’ wel een beetje aan het stof der eeuwen gewend geraakt.
Het allereerste domein dat zij in 1947 betrok­ken, was immers een oud Zwols gebouw (circa 1660), het Hopmanshuis aan het Rodetorenplein. Ruim twee decennia vonden ze daar een uiterma­te sfeervol, maar ook zeer bouwvallig onderdak. Na de eerste verhuizing naar de Broerenkazerne, begin jaren zestig, kwamen ze weer terecht in een interieur van eeuwenoude balken en krakende vloeren. Nieuwere tijden in bouwkundig opzicht kwamen voor de Paletleden dichterbij toen ze eind jaren zeventig de bovenste verdieping van het kort tevoren gesloten sophia Ziekenhuis in de Rhijnvis feithlaan mochten betrekken. Op de gezellige zolder daarvan kreeg hun vereniging een verheugende opleving, die zich in de jaren negen­tig voortzette in alweer een andere, nog ruimer bemeten stek: een royaal samenstel van houten barakken op de hoek van Rhijnvis feithlaan en Bagijnesingel.
Hiermee heb ik al in een notendop de 65-jari­ge geschiedenis van Palets behuizing geschetst. Verderop in dit verhaal kom ik uitgebreider terug op de concentratie van kunstzinnige individualis­ten, die Het Palet, of Palet zoals ze zich in de jaren negentig ‘strakker’ zijn gaan noemen, al die jaren tot een echte vereniging maakten.

Een opmerkelijk verschijnsel eigenlijk. Beel­dende kunstenaars wordt immers vaak een etiket opgeplakt, waarop ‘prototype van het individua­lisme’ vermeld staat? En dan toch die hang naar gezelschap? Een beetje gezelligheid, avondjes gezamenlijk tekenen met broeders in de kunst en er dan na afloop oeverloos over kletsen onder het genot van een drankje: dat is voor de meesten toch een dringende behoefte. Bij alle andere acti­viteiten in het 65-jarige Paletleven is dat kunstzin­nige samenzijn tijdens de vaste tekenavond op de donderdagavonden voor de club misschien wel een van de voornaamste redenen van bestaan.
Zwolsche Kunstkring

Overigens mag Palet niet de primeur van de groepsgewijze beoefening van beeldende kunst in Zwolle voor zich opeisen. Van mijn vader Teun van der Veen weet ik dat hij in de jaren twintig van de vorige eeuw al wekelijks een avondje uit­trok voor een paar uurtjes tekenen of schilderen in gezelschap van Zwolse collega’s. De nestor Evert Bomhof was er destijds bij, maar ook jon­gere talenten als Jo van Efferen, stien Eelsingh, cor Vriens, Johan Hartzuiker en corry Brok. Onder de naam ‘Zwolsche Kunstkring’ tekenden en schilderden zij gezamenlijk op de zolder van de bejaarde Brouwerschool, die in de jaren dertig nog vlak achter het oude Zwolse stadhuis aan het Grote Kerkplein stond.
Net als nu bij Palet gingen ook toen al profes­sionals en amateurs broederlijk (en zusterlijk) met elkaar om en toonden hun werken op gezette tijden gezamenlijk aan het publiek. Dat gebeurde meestal in de oude concertzaal van Odeon, des­tijds een gebruikelijke locatie voor exposities.
Dat ging zo door tot 1936. Toen ging de sloophamer in het afgedankte schoolgebouw. Als jongetje van vier, dat er vlakbij op de Grote Markt woonde, is mij die ingreep goed bijgebleven, want plotseling veranderde toen het uitzicht uit mijn
Een deel van de Zwol­sche Kunstkring in 1931 bijeen op de zolder van de Brou­werschool op het Grote Kerkplein. Van links naar rechts Johan Hartzuiker, Corry Brok, Jo van Efferen en (als model) Goutje van der Spoel, destijds verloofde van Teun van der Veen.
Kunstschilder Han Douma, die aan de wieg van Het Palet stond, speelde ook cello.
ouderlijk huis. De kunstenaars raakten er hun zol­der door kwijt en dachten niet onmiddellijk aan vervanging van hun gebrekkige clublokaal onder de balken van de oude school. Het was immers een onzekere tijd van crisis en oorlogsdreiging, waarin de animo voor nieuwe gezamenlijke initi­atieven niet erg groot was.

Weer een zolder
Dat laatste verdroot Teun van der Veen, die zijn wekelijkse tekenavondje miste. Na enige tijd nam hij het voortouw en kwam met de verras­sende mededeling: ‘Kom maar bij mij op zolder… plaats genoeg!’ Dat was geen grootspraak. De eeuwenoude woning op de Grote Markt 9, boven boekwinkel Waanders, bevatte op de hoogste etage veel onbestemde ruimte, waar in vroeger tijden allerlei werkzaamheden waren verricht. Het meest geschikt voor een tekenlokaal was de grote voorzolder, waar men door vijf ramen op de Grote Markt kon uitkijken.
Mijn vader en zijn tekenvrienden sjouwden stoelen en lessenaars de hoge trappen op, een hele klim vanaf de voordeur, zo’n zestig treden via drie overlopen. Op de muur bovenaan de hoogste trap

ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT
had Teun een zelf verzonnen spreuk geschilderd: ‘Hoe hoger de klim hoe klaarder de lucht.’ Dat was in dit geval nog maar de vraag. Op die zolders was het altijd flink stoffig en bovendien viel het in die tijd niet te verwachten dat de heren hun pijpen en sigaren thuis zouden laten.
Nadat er licht was aangelegd en een klein podium voor de modellen was getimmerd, kon­den de kunstenaars komen. Bij het groepje dat voordien als Zwolsche Kunstkring optrad, voeg­den zich enkele schilders van de Veluwe, zoals frans Huysmans en Jos Lussenburg. Ook kwam er een jeugdige referendaris van het Provinciehuis bij. Hij heette Han Douma en zou een jaar of tien later een belangrijke rol spelen bij de oprichting van Het Palet. In het provinciaalse kunstklimaat van het vooroorlogse Zwolle had Douma bij sommigen bewondering en bij andere afkeuring geoogst voor de radicale stap die hij had gezet. Zijn zekerheid gevende ambtenarenleventje gaf hij prijs voor een ongewis bestaan als kunstschil­der.
Tot in de eerste twee oorlogsjaren gingen de tekenavonden op de zolder van mijn ouderlijk huis nog door, maar daarna kregen beslomme­ringen en zorg rond oorlog en bezetting zozeer de overhand, dat kunstbeoefening op een laag pitje ging branden. Bovendien werd het regime van de bezetters zo draconisch dat samenscholingen van kunstenaars – al was het maar van onschuldige kunstschilders op een oude zolder – niet meer werden getolereerd.

Voorbode
Toch begon in die donkere tijd al een voorbode te ontluiken van een artistieke lente. De opmars van de geallieerde legers verliep zo voorspoedig dat men in het bezette Nederland reeds illusies begon te koesteren van betere tijden in een niet al te verre toekomst.
Ik was in die tijd een jaar of twaalf en had reeds zoveel benul dat ik de gesprekken thuis tus­sen mijn vader Teun en ‘een zekere meneer Dou­ma’ best kon volgen. Han Douma woonde vlak om de hoek in een bovenhuis in de Diezerstraat en kwam weleens buurten op het atelier van mijn vader. Als daar bezoek was sloop ik vaak zo onop­gemerkt mogelijk naar binnen en nestelde me –

Huisarts Jan Pluis,
nieuwsgierig als ik was – achter de grote schilders-
voorzitter Palet tot

ezel om de gespreksstof van de volwassenen met
1952. grote oren te volgen. Ik hoorde mijn vader met Douma filosoferen over plannen om na het einde van de oorlog met bevriende kunstenaars een club op te richten die open stond voor iedereen die zijn hart aan de beeldende kunst had verpand, zowel beroepsartiesten als amateurs. Ook hadden ze het over een vaste tekenavond in de week en over gezamenlijke schildersessies.
Als het luchtalarm afging via de sirene die vlak naast ons huis bij hotel Peters (Grote Markt 11, toen Wehrmachtsheim van de Duitsers) op het dak stond, rende Douma in allerijl naar huis, om maar zo gauw mogelijk bij vrouw en kinderen te zijn.

Oprichting

Na de bevrijding namen de in de oorlog gerijpte plannen vaste vormen aan. Mijn vader Teun droeg ideeën aan (tien mis, één raak) en Han Douma nam het organisatorische werk voor zijn rekening. Hij wist bijvoorbeeld een belang­rijke ambtenaar van zijn vorige werkgever, de provincie Overijssel, te enthousiasmeren. Deze mr. c.f. (Kees) Diesch, een echte kunstkenner die later een belangrijke rol zou gaan vervullen als stimulator van het Zwolse kunstklimaat, was kabinetschef van de Overijsselse commissaris der koningin. Hij schilderde zelf ook en zou al spoedig na de oprichtingsvergadering in april 1947 als secretaris van de nieuwe vereniging gaan fungeren. Aanvankelijk werd deze bestuurs­functie vervuld door Han Douma, die men wel als de voornaamste wegbereider van de nieuwe vereniging mocht beschouwen, maar Douma was inmiddels na zijn versmade ambtelijke loopbaan teveel artiest geworden om nog veel animo voor administratieve arbeid te kunnen opbrengen.
In de allereerste vergadering bij hotel Peters waren 23 aanwezigen het al spoedig eens over de naam van de nieuwe club. Wie met ‘Het Palet’ kwam aandragen is in de vergetelheid verdwenen, wellicht terecht, want het moet gezegd dat dit karakteristieke schildersattribuut ook wel zeer
KNO-arts J.B. Hinnen,

voor de hand lag als merknaam van een club van
voorzitter Palet rond
beeldende kunstenaars.
1960.

Accountant Engelbert Gerzee, voorzitter in de jaren vijftig.
Tekenavond begin jaren vijftig in het Gro­te Atelier op de zolder van het Hopmanshuis. Herkenbaar: Han Dou­ma (derde van links) en rechtsboven Jan van der Woerd.

De populaire Zwolse huisarts Jan Pluis, die in zijn vrije tijd schilderde, werd als voorzitter uit­verkoren, en Jan van der Woerd, eigenaar van een schilders- en glazenwassersbedrijf, die als hobby ook met het penseel om kon gaan, ging de pen­ningen beheren. Latere voorzitters in die beginja­ren werden Kees Diesch, de accountant Engelbert Gerzee en de KNO-arts Hinnen.

Voortvarend
‘De Paletleden gingen destijds met grote voort­varendheid aan de slag’, zoals het huidige Palet-lid Peter den Hengst in 2009 vaststelde in een beschouwing over de historie van de vereniging. Hij schreef dit doorwrochte stuk ten behoeve van een documentatie voor het Historisch centrum Overijssel (HcO).
De eerste tekenavond vond plaats op 19 juni 1947 en wel in het tekenlokaal van het Gymna­sium celeanum, in het fraaie, in de stijl van de Amsterdamse school opgetrokken gebouw aan de Veerallee. Tot op de dag van vandaag is die vaste tekenavond op de donderdag het onontbeerlijke, onafwendbare en hoognodige clubgebeuren van Palet gebleven. Een avond van serieuze kunstbe­oefening, gecombineerd met een gezellige nazit. Naaktmodellen werden in de beginperiode soms ‘helemaal’ uit Amsterdam gehaald. Nog in dat­zelfde oprichtingsjaar werd ook al een expositie georganiseerd en wel in het toenmalige gebouw van de IJsselcentrale aan de Zeven Alleetjes.

Hopmanshuis
Het duurde daarna bijna een jaar voordat Het Palet een eigen domein kreeg, namelijk het Hopmans-huis, een vervallen monument uit langvervlogen tijden. Het gebouw met zijn circa honderd ramen staat nog steeds aan Zwolle’s vroegere handelskade, nu Rodetorenplein, maar is niet meer zo roman­tisch gelegen als toen. In 1947 stond het nog voor de helft in het water. Daar kwam in de jaren zestig een einde aan, toen voor een betere doorstroming van het binnenstadsverkeer de Buitenkant werd verbreed en het Rodetorenplein vergroot. De door­gaande verkeersroute werd nu om het Hopmans-huis heen gelegd. Vlak na de oorlog leek deze loca­tie voor de kunstenaars een lot uit de loterij, temeer omdat ze de tweede verdieping – met prachtig uit­zicht door al die ramen – van de gemeente Zwolle konden huren voor een schijntje: 125 gulden per jaar. Maar er zat wel een addertje onder het gras. Het gebouw verkeerde in een gebrekkige staat van onderhoud. Het Palet zou daar de komende jaren nog veel mee te stellen krijgen.
Dat bleek al spoedig toen er een stichting Hopmanshuis in het leven was geroepen, die tot doelstelling had om ruimten van het gebouw als expositiezalen in te richten en – als uitvloeisel daarvan – tentoonstellingen van nationale beel­dende kunst te organiseren. Aanvankelijk lukte het nog om in de twee benedenzalen ondermeer Breitner, Jan sluyters en leden van de cobragroep te exposeren. Toen de stichting in 1953 echter hetzelfde probeerde met werk van Van Gogh kreeg zij een onverwachte spaak in het wiel gesto­ken. De eigenaar van de Van Goghs, het stedelijk Museum in Amsterdam, had zijn licht in Zwolle opgestoken en weigerde het werk ter beschikking te stellen. Het commentaar was niet mals. Hoe hadden ze het daar, in dat provinciestadje, in het hoofd gekregen, dat zulke kostbare, internationa­le kunst vlak boven een opslagplaats van gevaar­lijk brandbaar materiaal geëxposeerd zou kunnen worden..!? In de kelder van het Hopmanshuis lag namelijk allerlei oude troep opgeslagen: vodden, chris ten Bruggen Kate, Gerard Mensink alsmede Het Hopmanshuis op vaten olie, teer en nog meer. Het ironische feit de beeldhouwster Bé Thoden van Velzen. Zwolle het Rodetorenplein dat naderhand op die benedenverdieping nog wél bleef wat professionele kunst betreft ook goed fungeerde als het eerste jarenlang werk van Paletleden en andere kunste-vertegenwoordigd in Het Palet, waar onder meer domein van Het Palet. naars uit Zwolle en omgeving te zien was, mocht Evert Bomhof, Bep Dikkers, Titus Leeser, pater voor de stichting Hopmanshuis kennelijk géén bezwaar heten…

Het was Pluis…

Intussen liep het voorspoedig met de nieuwe vereniging Het Palet. In 1952 werd afscheid geno­men van de allereerste voorzitter, de huisarts Jan Pluis, die opgevolgd werd door Kees Diesch. Pluis werd geroemd om het feit dat hij, aldus de Zwolse Courant, ‘het artistieke schip van de oprichting af door de vaak moeilijke baren van het Zwolse kunstleven had geleid.’ Het was steeds Pluis’ stre­ven geweest om Het Palet niet tot een provinciaal onderonsje te maken, maar tot een vereniging die ondanks de gezelligheid toch het oog gericht houdt op de Kunst met de grote K., aldus de krant.
Voor dat laatste zorgde natuurlijk vooral het aanzienlijke deel van beroepskunstenaars onder de Paletleden. Zij kwamen niet alleen uit Zwolle maar ook uit de wijde omgeving. Een greep: Piet Zwiers uit Giethoorn, stien Eelsingh uit stap-horst, het echtpaar Brante-Bloemen uit steenwij­kerwold, de Veluwse schilders Jos Lussenburg, frans Huysmans, cees Graswinckel, Jo Kloek,

Links: Kunstschilder Evert Bomhof, Zwolse nestor in beginjaren van Het Palet.
Rechts: Pater Raymond van Bergen, legenda­risch Paletlid uit de begintijd.

Raymond van Bergen, Teun van der Veen, Han Douma, Jan van Merwijk, Evert caspers, Marinus Liebrecht, Ab de Groot en Rudi Koegler de toon aangaven.
Na uitgebreide werkzaamheden in het ver­waarloosde gebouw kon rond 1950 verreweg het grootste deel van het Hopmanshuis in gebruik worden genomen. Voor het eerst werden toen enkele individuele ateliers ingericht voor een deel van de beroepskunstenaars. Bovendien werd de zolderverdieping zoveel mogelijk opgeknapt en kreeg de naam Het Grote Atelier als belangrijk­ste trefpunt voor de hele vereniging. Niet alleen voor het wekelijks gezamenlijk tekenen, maar ook voor de gezelligheid na afloop. Er kwam zelfs een echte bar in, op de kop getikt bij de sloop van een Zwols café. Het enige Paletlid van adel – jonkheer cees Graswinckel, kunstschilder van beroep uit Wapenveld – stak de handen uit de mouwen en maakte het grote barmeubel passend aan de ruimte. In de afgelopen decennia werd het steeds meeverhuisd naar nieuwe locaties van Palet en tot de dag van vandaag scharen de leden zich er genoeglijk omheen. Begin jaren vijftig was zo’n barsfeer nog een nieuwtje in Zwolle. Dat zou niet lang meer duren.

Bohémiensfeer
Palet komt zelfs de (in de ogen van enkelen mis­schien twijfelachtige) eer toe dat het in die jaren een aparte, niet onbelangrijke rol zou gaan spelen in de vernieuwing van het Zwolse uitgaansleven. De jaarfeesten in het Hopmanshuis werden ver­maard. Het gebouw leek dan ook geknipt voor een sfeervol avondje uit. Het oude, houten interi­eur straalde gezelligheid uit en werd door Teun van der Veen verder opgefleurd met decors vol kleurige en humoristische afbeeldingen. In het nauwe, ronde trappenhuis bezetten feestgangers de vele treden, zij dronken elke passant vrolijk toe. Omhoog ging het naar het grote atelier op de zolder, waar de gesprekken aan de bar varieerden van quasi diepzinnig tot totale onzin. Dan omlaag naar de expositiezaal, waar zwoel gedanst werd op de muziek van een jazzband. Het was een onop­houdelijke stroom van mensen die het gevoel hadden voor een avond (en nacht) echte bohe­miens te zijn. Ik kan me herinneren dat de toen bekende radiozangeres Riedel van Kleef een keer geheel onverwacht bij die jazzband optrad. Zij was uitgenodigd door een bevriend kunstenaar en amuseerde zich kostelijk.

Dat Parijs in die jaren als het artistieke walhalla werd beschouwd kwam in Zwolle nog meer tot uiting in een verrassend initiatief van vier Palet-leden, Han Douma, Teun van der Veen, Jan van Merwijk en Henk Voges. Het idee was ontstaan in een echt volkscafé aan het einde van de Nieuwstraat. Daar resideerde Willem van Dorth, bijgenaamd ‘de Dodde’, die er een nogal gemêleerde klantenkring op na hield. Deze bestond uit ‘gewoon volk’ (vooral veel marktkooplui), maar ook intellectuelen en kun­stenaars, waaronder Paletleden uit het vlakbij gele­gen Hopmanshuis. Na hun tekensessies kwamen die op donderdagavond vaak een afzakkertje in Van Dorths café nemen.
De vier kunstenaars zaten daar op een late avond, begin 1954, met kroegbaas Willem om de ronde tafel. Zij vertelden hem dat de enorme kel­der onder het Hopmanshuis kortgeleden ontdaan was van alle brandgevaarlijke troep die er opge­slagen lag, en polsten hem voorzichtig over hun plan om daar een uitgaansgelegenheid in Parijs-achtige sfeer te creëren. Ze hadden ook al een naam bedacht: ‘Les Quatres Brosses’ ofte wel ‘De Vier Kwasten’. Toevallig zou die zomer de grote manifestatie ‘Zwolle Eén’ worden gehouden, met enkele feestweken. Daar zou die Parijse kroeg prachtig in passen. Van Dorth zag er wel brood in.

De Vier Kwasten

Zo kwam er te midden van de oude gewelven een sfeervolle ruimte in franse stijl: bizarre beschil­dering (daar kreeg Teun weer zijn kans), visnet­ten, kaarsen, een bar en een klein podium, alles natuurlijk in het half duister. Die kelder, waar franse landwijn als huisdrank werd geschon­ken, franse chansons het klankdecor vormden en muzikale passanten de gelegenheid kregen spontaan een nummertje ten beste te geven, werd een groot succes. Zó grandioos, dat de onderne­

Tekenavond in het Hopmanshuis, jaren vijftig. Op de voorgrond schilder Marinus Lie­brecht. Op de achter­grond schilder en beeld­houwer Rob Schotman.
Paletlid en schilder Jan van Merwijk in de jaren zestig.

Stien Eelsingh (links) leidt haar kunstschool­tje van Het Palet op de tweede etage van het Hopmanshuis, rond 1950.

Maar ze had op haar eigen, nieuwe manier de gezapigheid uit het Zwolse uitgaansleven verdre­ven. Op initiatief van de kroegbaas kreeg de kel­der van Les Quatres Brosses navolging in Zwolle, vooral in de Voorstraat, waar Van Dorth in de jaren zestig soortgelijke etablissementen ging exploiteren. Het avond- en nachtvertier in Zwolle was structureel veranderd, dankzij het initiatief vanuit Het Palet. Het was niet verwonderlijk dat de vereniging in die feestjaren een opvallende ledenwinst boekte. Zij bereikte het recordaantal van 125 leden, een aantal dat in haar hele bestaan wel zo ongeveer de bovengrens zou blijven. Bij veel van die nieuwelingen werd nauwelijks beel­dend talent aangetroffen. Ze waren veel meer uit op feestjes en gezelligheid. Toen het met die vrolijkheid minder werd, waren de meesten gauw weer vertrokken. Het ledental bleef, tot de dag van vandaag, rond de honderd schommelen. Wel zorgden tegenstanders van artistieke nivellering er voor dat er een ballotagecommissie voor nieu­we leden werd ingesteld.

Kunstschool
Heel wat serieuzer was Palets poging om een belangrijke rol te gaan spelen in het Zwolse en regionale kunstonderwijs, een apart verhaal in de historie van de kunstenaarsclub. In 1948 was het al gekomen tot oprichting van een eigen kunst­school. Dat geschiedde vooral door toedoen van de in Zwolle opgegroeide – en destijds in haar boerderij in staphorst wonende – schilderes stien Eelsingh, samen met de beeldhouwster Bé Thoden van Velzen uit Hattem, en later bijge­staan door de schilder Piet Zwiers uit Giethoorn. Het drietal onderkende dat er in Zwolle en wijde omgeving grote behoefte was aan een instituut voor onderwijs in verschillende takken van beel­dende kunst, zowel voor kinderen als volwasse­nen. De ‘Kunstschool Het Palet’ begon in 1948 op de tweede verdieping van het Hopmanshuis. Het cursusgeld bedroeg ƒ 1.50 per middag of avond. In het eerste jaar kwam er al een toeloop van zo’n honderd cursisten. Maar helaas ontstond er na een jaar of zeven een vervelende controverse over organisatie en financiën tussen stien Eelsingh en het Paletbestuur. Deze leidde er in 1956 toe dat de kunstschool werd stopgezet. Het conflict liep zo hoog op, dat stien Eelsingh en Piet Zwiers hun lidmaatschap van Het Palet opzegden en vervol­gens een nieuw eigen schooltje begonnen op een grote zolder aan het Koewegje.

Concurrent
Later karakteriseerde stien Eelsingh het conflict in een kranteninterview als ‘kleinsteedse misver­standen’. Maar haar schooltje werd wel jarenlang een geduchte concurrent van het nieuwe instituut dat inmiddels binnen de vereniging was ontstaan en dat de naam ‘Vrije Academie van Het Palet’ had gekregen. Deze situatie bleef bestaan tot het jaar 1964, waarin stien Eelsingh en Piet Zwiers kort na elkaar overleden en het schooltje in het Koewegje werd opgeheven.
Bij die Vrije Academie was inmiddels al dui­delijk gebleken dat zo’n kunstinstituut niet renda­bel te maken is zonder professionele hulp van bui­tenaf. Er werd een professionelere en zakelijker aanpak vereist. ‘Dat ging het vermogen van Het Palet te boven’, schrijft Peter den Hengst in zijn al eerder genoemde beschouwing voor het HcO.

Het Hopmanshuis in de
In 1959 beleefde men de start van een nieuw
deplorabele staat van

initiatief: de stichting Zwolse Kunstschool
omstreeks 1970. (Foto

‘Gerard Terborch’ die onder directie stond van
Han Prins, collectie

Joh.W. schotman, destijds directeur van het
HCO)

Overijssels Museum aan de Melkmarkt. Docenten werden allen Paletleden: Bé Thoden van Velzen, Jo Pessink, Rudi Koechler, Han Prins en Teun van der Veen. Het leek heel wat, maar zoals altijd en overal in die tijd bleef de financiële onderbou­wing minimaal. De gemeente gaf een subsidie van slechts duizend gulden per jaar.
Door de jaren zestig heen werd de invloed
Toen Teun van der

van Het Palet op het Zwolse kunstonderwijs dan
Veen in de jaren zeven-

ook steeds kleiner. In 1965 bleek de kunstschool,
tig in het atelier aan

die nog altijd gebruik maakte van de gebrekkige
de voorkant van de

accommodatie in het Hopmanshuis, al geen basis
Broerenkazerne werkte,

van bestaan meer te hebben. Opvolgster werd de
maakte hij vanuit het

Zwolse school voor Beeldende Kunst, die geheel
raam een schilderij van

los kwam te staan van Het Palet, hoewel ze nog
het Broerenkerkplein.

wel even in het Hopmanshuis gevestigd bleef. In
Het was de tijd van de

1967 kwam ook daar een einde aan en verhuisde
grote afbraak in dit

de school naar het Refter op het Bethlehemskerk­
gedeelte van Zwolle’s
plein.
binnenstad.

Bij Palet werd het afscheid allerminst betreurd. Toch voelde men later ook een beetje trots over het onmiskenbare feit dat in de eerste indruk maakte als hij er middenin zat of stond te generatie van Paletleden de basis was gelegd voor werken. Een voordeel was overigens wel de ruim wat heden ten dage het Zwolse centrum voor de bemeten zaal op de bovenste verdieping die heel kunsten ‘De Muzerie’ is. geschikt bleek voor de gezamenlijke donderdagse
tekenavond en de nazit aan de bar. Dit dierbare Hopmanhuis vaarwel meubel was mee verhuisd vanuit het Hopmans-Het Hopmanshuis werd langzamerhand zo’n huis. Maar echt gezellig werd het er nooit in die ruïne dat de gemeente Zwolle niet meer aan een ingrijpende, langdurige en kostbare restauratie ontkwam. Het Palet moest er daarom uit. De vereniging kreeg in 1968 de beschikking over een deel van de voormalige Broerenkazerne, een zeer

Bij de opening van
bejaard, nogal hol en somber gebouw met hoge
een Palet-expositie in

lokalen. Als men er rondliep was de sfeer totaal
de jaren zeventig ziet

anders dan in de knusse ambiance van het Hop-
men van links naar

manshuis. Een nadeel was het gebrek aan indi­
rechts Han Douma,

viduele ateliers. Mijn vader Teun bijvoorbeeld
mevrouw Tamse, wet-

had voor zichzelf nog wel een ruimte bemachtigd
houder Tamse (die het

aan de voorkant van het gebouw met zicht op het
openingswoord sprak)

Broerenplein en de Librije, maar die was zo royaal
en Chris ten Bruggen

en met zo’n hoog plafond dat hij een verloren
Kate.

Tekenavond in de jaren zeventig in de Broeren­kazerne.

kille kazerne, waar anderhalve eeuw eerder de soldaten van Napoleon gelegerd waren.

Ziekenhuiszolder
Toch waren de meningen zeer verdeeld toen er voor Palet na acht jaar een einde kwam aan de periode Broerenkazerne. De gemeente had het oude gebouw nodig om na uitgebreide renovatie onderdak te verschaffen aan het nieuwe Zwolse conservatorium. Voor Palet had men een andere locatie bedacht: de zolderverdieping van het voormalige sophia Ziekenhuis in de Rhijnvis feithlaan. Een hele overgang! Van het stof der eeuwen naar de moderniteit van de twintigste eeuw. Deze vleugel van het voormalige zieken­huis was nog maar veertig jaar oud en destijds gebouwd in een voor die tijd (jaren dertig) onge­kend moderne architectuur. Architect J.G.
Links: Modeltekenen bij Het Palet in de Broeren-kazerne, jaren zeventig.
Rechts: Tekenavond in de jaren zeventig in de Broerenkazerne.

Wiebenga had de nieuwe vleugel toen ontworpen in de stijl van het zogeheten functionalisme.
Ik herinner me uit 1976 nog de heftige discus­sies die mijn vader met zijn Paletcollega’s voerde. Voor hem betekende het: ‘weg uit de binnenstad, weg uit het voor hem zo vertrouwde sfeertje van het oude Zwolle. Voortaan moest hij –‘helemaal op de fiets’ – naar de Rhijnvis feithlaan.’
Maar wat viel het hem achteraf mee op die frisse, gezellige zolder van het ziekenhuis. Hij kreeg er een prachtig atelier in een van de ver­pleegsterskamers, evenals flink wat andere col­lega’s die konden profiteren van de beschikbare ruimte. Dat atelier van mijn vader werd al spoedig een soort van sociëteit. Ik kon hem er in zijn laat­ste jaren geen bezoekje meer brengen of het zat er altijd vol met collega’s en zomaar aanlopend volk. Vaak heftig discussiërend, terwijl Teun rustig door zat te tekenen of te schilderen.
De logistiek in dat voormalige ziekenhuis was prima verzorgd door een grote goederen- en personenlift, die vroeger diende om ondermeer hele ziekenhuisbedden naar boven of beneden te transporteren. Krakend maar onweerstaanbaar tilde de lift nu leden en bezoekers naar de Palet-zolder. Al hadden de kunstenaars nog zoveel van hun materiaal bij zich – lijsten, doeken, platen karton, ezels – een hijgend toesnellende gast kon er altijd nog wel even bij.

De Zwolse School

Mijn vader heeft de vierde verhuizing van zijn geliefde Palet niet meer meegemaakt. Hij was al een tiental jaren eerder overleden voordat er een einde kwam aan de langste periode die de club in één en hetzelfde gebouw had beleefd. Tegen hun zin moesten de Paletleden na 26 jaar in 2002 afscheid nemen van hun zolder in het voormalige ziekenhuis. Er moest plaats worden gemaakt voor de christelijke Academie voor Beeldende Kunst (nu ArtEZ), die van Kampen naar Zwolle verhuis­de en het hele ziekenhuiscomplex in gebruik nam.
Even was er sprake van dat Palet onderdak kon krijgen in de oude Ambachtsschool aan de Hortensiastraat, maar tot ieders teleurstelling werd het een complex van eenvoudige houten barakken schuin achter het voormalige sophia
59

Ziekenhuis, op de hoek van Rhijnvis feithlaan en Bagijnesingel. Het aanvankelijk nogal armetierig ogende onderkomen moest eerst ook nog een jaar of vier gedeeld worden met thuiszorgorganisatie Icare en een lerarenopleiding, maar vanaf 2006 werd Palet enig bewoner. Achteraf bleek toen dat de kunstenaars het nog niet zo slecht hadden getroffen met deze behuizing. Nergens eerder konden de leden zoveel individuele ateliers van hun vereniging huren als daar. Bovendien gaven de lange gangen gelegenheid om respectabele exposities van eigen leden te houden, hetgeen op hun beurt weer uitmondde in een eigen galerie, de Zwolse school genaamd. Die zal ongetwijfeld voortzetting krijgen in het nieuwe domein aan de stilobadstraat dat er schuin achter op een steen­worp afstand ligt. Palet kan er weer jaren tegen!
* De afbeeldingen bij dit artikel zijn allemaal van de hand van Teun van der Veen en in het bezit van de auteur, evenals de foto’s, tenzij anders vermeld.
** Kunstenaarsvereniging Palet beschikt over een mooie website: www.paletzwolle.nl
Tekenavond in de jaren tachtig op de zolder van het voormalige Sophia Ziekenhuis. Voor de grap tekende Teun van der Veen zichzelf als naaktmodel.

Jan Coenraad Pruimers, een vergeten Zwolse dichter
Johan Seekles
Silhouetportret van Jan Coenraad Pruimers. (Uit: Zwols Biografisch Woordenboek)

J
an coenraad Pruimers werd geboren op 1 mei 1799 te Zwolle, als oudste kind van de echte­lieden Daniel Pruimers en Gesina Dumpel. Zijn doop vond plaats op 5 mei 1799, in de Grote of st. Michaëlkerk. Hij overleed te Zwolle op 31 januari 1822, slechts 22 jaar oud.
Jeugd en opleiding
Jan coenraad was de eerste zoon van Daniel Prui­mers en Gesina Dumpel. Dit echtpaar was op 30 juli 1798 ’s avonds om 18.30 uur in de hervormde kerk te Zwolle getrouwd. Zij kregen tussen 1799 en 1817 twaalf kinderen, zeven meisjes en vijf jongens: Jan coenraad (1799), catharina (1800), conraad (1801), Geertruida Johanna (1802), Nicolaas (1804), Lucretia Hendrika (1806), Janna Johanna (1808), conrada Johanna Adriana (1810), Johanna Judith (1811), Barbara Hendrika (1813), Daniel (1814) en Daniel (1817). Vier kin­deren stierven kort na hun geboorte. Jan coen­raad werd vernoemd naar zijn grootvader van vaderszijde. Hij deed belijdenis op 24 september 1816.

Het gezin Pruimers bewoonde een huis in de Bloemendalstraat, nummer 2, destijds een van de deftige straten in het centrum van de stad. Vader Daniel Pruimers was in 1787 te Harderwijk afge­studeerd als jurist. Vanaf 1788 was hij politiek en bestuurlijk actief. Zo was hij onder meer lid van de Zwolse Orangistische magistraat (1788-1794), burgerhopman, erfmarkerichter van Varsen (1808), lid van de Vergadering van Notabelen voor de Monden van de IJssel (1814) en lid van de stedelijke raad van Zwolle (1815-1836). Met zijn oudere broer Lucas Hendrik Pruimers dreef Daniel een wijnkoperij/wijnhandel. Deze lucra­tieve handel stelde hen in staat om de havezaten Voorst onder Zwolle en de Arendshorst onder Ommen aan te kopen. Onbemiddeld was het gezin Pruimers dus zeker niet. De jeugdjaren van Jan coenraad zullen redelijk onbezorgd zijn ver­lopen, passend bij de maatschappelijke status van een regentenzoon.
Net als zijn vader en ooms coenraad, Lucas Hendrik en Rudolf Jan Pruimers ging Jan coen­raad naar de Latijnse school te Zwolle. De eerste inschrijving in het Album disciplinorum (register van leerlingen) dateert uit 1813. Hij sloot zijn schoolperiode af in 1816 met een oratie onder de titel De moribus Germanorum (= over de gebrui­ken van de Germanen). Vanaf september 1816 volgde hij een universitaire studie rechtsgeleerd­heid aan de Universiteit van Utrecht. Zijn pro­motie vond plaats op 15 juni 1821. Promotor was professor H. Arntzenius. De titel van het proef­schrift luidde: Dissertatio juridica inauguralis de cura, quam leges habent liberis prioris tori, en het was gewijd aan de rechten van kinderen uit een eerder huwelijk. Na zijn studie vestigde hij zich als advocaat te Zwolle.

Dichter in spe

Jan coenraad groeide op in een milieu waarin dichten, schrijven en schilderen gemeengoed waren. Het maakte deel uit van de opvoeding in een regentengezin. Vermoedelijk is Jan coenraad al op jonge leeftijd met dichten begonnen. Moge­lijk heeft Rhijnvis feith, zijn buurman in de Bloe­mendalstraat, het ontluikende talent van de jonge Pruimers gestimuleerd. Jan coenraad was samen met andere Zwolse dichters, zoals Lubbertus Riet-berg en Jan Assuerus Doyer, een geregelde gast op feith’s buitenverblijf Boschwijk. Ook in zijn Utrechtse studentenperiode zal hij volop de gele­genheid hebben gehad om zich met de dichtkunst bezig te houden. Zijn enige dichtbundel Rijmen gaf hij uit in 1821 bij de Amsterdamse uitgever Johannes van de Heij. Met de uitgave hoopte Jan coenraad duidelijkheid te krijgen op de vraag of hij de poëzie/dichtkunst blijvend moest beoefe­nen. De bundel werd zeer goed ontvangen, maar tot een vervolg kwam het door zijn vroegtijdig overlijden niet.
Wat vonden zijn familieleden, vrienden en andere literatoren van zijn gedichten? Laten we ons eerst op de dichtbundel zelf richten.

De dichtbundel Rijmen

De dichtbundel Rijmen is oorspronkelijk in 1821 in Amsterdam uitgegeven. Op veler verzoek werd te Groningen bij J. Oomkens in 1841 een tweede druk gepubliceerd. Het aantal pagina’s bedraagt
103. P.G. Witsen Geysbeek schreef een kort voor­woord: ‘In zijne kleijne poëtische nalatenschap liggen de zigtbaare kiemen van voortbrengselen, die, behoorlijk gerijpt, geen onsmakelijke dicht­oof zouden geweest zijn, inzonderheid in het cri­tische en epigrammatische vak, waarin trouwens jonge dichters doorgaans het gelukkigst arbeiden, schoon Pruimers ook aanleg tot het satyrische had.’
De bundel bevat drieëndertig gedichten, korte en lange. Zo bestaat het gedicht Onderscheid tus­schen hert en hart uit negentien woorden in vier regels. Een enkele keer lijkt het meer een verhaal in dichtvorm, zoals bijvoorbeeld het gedicht het Kaartspel of het gedicht Karel van Egmond gevan­gen, waarin Jan coenraad verwijst naar een ingrij­
61

pende gebeurtenis in de Zwolse geschiedenis, namelijk de gevangenname van hertog Karel van Egmond door Zwolle in 1524. Twee gedichten worden ingeleid door een Latijnse spreuk of regel. Bijna alle gedichten zijn in de Nederlandse taal, slechts één keer maakt hij gebruik van het Zwolse dialect, namelijk in het gedicht de belofte, waarin de kroeg ‘de Gulden Zwaan’ bezocht wordt. De gedichten zijn doorgaans vrolijk en luchtig, soms kritisch en satirisch. Aan Amor (God van de liefde) en Bacchus (God van de drank) zijn veel dichtregels gewijd. Vreugde en verdriet wisselen elkaar voortdurend af. Verontwaardigd is hij in het gedicht Dubbele onwaarheid, waarin vrouwen worden voorgesteld als lelijke apen! Het is de eni­ge keer dat verwezen wordt naar een boek, geti­teld Schola Curiositatis, als aanleiding voor een gedicht. In het laatste gedicht richt Jan coenraad zich rechtstreeks tot de lezer, met een oproep om een oordeel over zijn gedichten uit te spreken.1
Hieronder volgen de commentaren op Jan coenraad en zijn dichterschap, geschreven na zijn overlijden.
Het gedicht Dubbele onwaarheid uit de bun­del Rijmen. (Collectie HCO) Het gedichtje van de achtjarige Barbara Pruimers over de dood van haar broer. (Col­lectie HCO)

Barbara Hendrika Pruimers (1813-1873)
Toen Jan coenraad in januari 1822 overleed, was zijn zusje Barbara Hendrika acht jaar oud. In twaalf versregels verwoordde ze haar verdriet:2
Mijn broeder is gestorven ach!
Mijn lieven broeder Jan
Hij kon de studie o zo goed
En weet er nu niets van

Mijn ouders ach! Die treuren zeer
Mij broers en zusters ook
De halve stadt die treurt er van
’T gemis is ook zoo groot

Maar eens zal ik hem wederzien
In eenen beteren staat
Dan zal ik hem de handen bien
En zien hoe ’t met hem gaat.

ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT

Op latere leeftijd heeft Barbara een aantal verzen en gedichten in een schriftje, getiteld Verzen door
J.C. Pruimers, afgeschreven.3 Het boekwerkje bevat een aan ‘Oom D.’ gerichte brief in dicht­vorm en enkele gelegenheidsgedichten, geschre­ven door J.c. Pruimers, gevolgd door gedichten van R. feith, P.L. den Beer, L. Rietberg, W.P. Hubert en E.A. Borger. Opmerkelijk is een onge­titeld gedicht, dat hij schreef tijdens zijn ziekte. Het ongedateerde gedicht is geschreven te Zwolle, vermoedelijk in januari 1822, kort voor zijn over­lijden ‘aan eene sleepende Borstziekte’:
Trok hij ziek en zwak naar Zwoll,
Hoestte, proestte, kuchtte, kuchtte
Als een dempige oude knol
Voelend dat zijn zielekasse
Reparatie noodig had
Wendde hij zich tot den Doctor
Wijd beroemd door land en stad.

Het bijna gelijktijdig overlijden van twee voor­aanstaande en verdienstelijke jongelingen uit de stad, naast Pruimers ook mr. Alexander Gerard Vos de Wael, bracht Rhijnvis feith tot een korte overweging: ‘Dit vlugtig aanzijn is ’t begin van ons bestaan, het neemt door tegenspoed allengs in luister aan. Eens rijpt het in het graf, tot een volmaakter leven. En daar zal de Eeuwigheid den roof des tijds hergeven.’
Ook de Zwolse belastingontvanger P.L. den Beer (1771-1830), leerling van feith, schreef op 3 februari 1822 een gedicht over het overlijden van Pruimers en Vos de Wael. Den Beer stelt daarin bedroefd te zijn over het overlijden, maar geeft aan dat slechts God’s vaderliefde troost kan bieden:
Geen denkbeeld zal mij ooit begeven, ’T geen over ’t wisselvallig leven Zodanig heerlijk licht verspreidt, Ook bij het graf dier jongelingen Wier vroeger dood ik wilde zingen Schenkt nog dit denkbeeld zaligheid.

P. Bicker Caarten (1792-1855)4
Op de dag van Jan coenraad’s overlijden had de in Zwolle woonachtige Pieter Bicker caarten, controleur van ’s Rijks belastingen, al een gedicht

gemaakt. Het draagt de titel: Bij het overlijden van den heer en mr. J.C. Pruimers. In vier strofes pro­beerde Bicker caarten de diepbedroefde ouders een hart onder de riem te steken en te troosten. De laatste strofe luidt:
Staak dan ouders, staak uw klagten,
Treur! O stad en Vaderland!
Wijd den dierbren uw gedachten
Bloemen om zijn zerk geplant;
Vroeg liet hij, het jeugdig leven,
Maar de vruchten ons gegeven,
Tuigen van zijn mannengeest.
Pruimers, d’ eerkroon u geschonken:
Blijft om uwen schedel pronken,
Ze is der deugdenloon geweest!

L. Rietberg (1783-1826)5
De Zwolse notaris mr. Lubbertus Rietberg gaf op 24-jarige leeftijd zijn eerste gedicht uit, getiteld: Het geluk der liefde, dat in 1808 gunstig werd ontvangen. Later uitgegeven dichtbundels, zoals Lentelooveren (1810), Poezij (1814) en Dichtbloe­men (1825) werden door kenners eveneens posi­tief beoordeeld. Hij had zich voornamelijk in de school van Rhijnvis feith gevormd, wiens vriend­schap hij had verworven. Rietberg en Pruimers kenden elkaar. Ze zullen elkaar geregeld tijdens de dichtbijeenkomsten bij feith hebben gesproken. Het overlijden van de talentvolle Pruimers had Rietberg zeer aangegrepen. In zijn op 31 januari 1822 uitgegeven gedicht Uitboezeming bij het overlijden van mr. J.C. Pruimers zei hij daarover:
Wat hadt ge, o Vaderstad! Van hem niet mogen wachten,
Die vrolijkheid en scherts aan Themis ernst verbond;
Die deugd en wijsheid paarde aan ’t zuiverst pligtbetrachten,
En in wiens eersteling gantsch Neerland wellust vond!

Jhr. mr. A.G.A. ridder van Rappard (1799-1869)
Anthon ridder van Rappard was een studievriend van Jan coenraad Pruimers en Alexander Gerard Vos de Wael. Pruimers had een goede naam onder de studenten. Zijn dichtbundel Rijmen was met grote bijval ontvangen. Eén gedicht was zelfs in de Muzenalmanak opgenomen. De heren ken­den elkaar onder meer van de bijeenkomsten van het rechtsgeleerd dispuutgezelschap Themis. Van Rappard’s toespraken op het overlijden van beide
medestudenten werd onder de titel Herinneringen aan mr. A.G. Vos de Wael en mr. J.C. Pruimers
op bescheiden schaal in druk uitgegeven (1823). Over Pruimers schreef Van Rappard, in bijna dichterlijke bewoordingen: ‘Eene nog hoogere vlugt heeft hij bereikt in een dichtstukje, waarin hij het meest verheven onderwerp: God – bezingt, hetwelk tevens het laatste is, dat van hem het licht zag. Tot het ver­vaardigen van hetzelve werd hij opgewekt door het aanhooren van eene les van den hoogleeraar schröder, over het verhevene. Deze, gewoon om zijne opmerkingen over de empirische psycho­logie, wanneer de aard van het onderwerp zulks medebragt, met voorbeelden op te helderen, had ook bij dit onderwerp de schoonste voorbeelden uit dichters van ouderen en lateren tijd, op de hem eigene, wegslepende wijze voorgedragen. Pruimers hing met geheel zijne ziel aan den mond van zijnen voortreffelijken leermeester, verliet opgetogen deszelfs gehoorzaal, en vervaardigde in de verhevene en godsdienstige stemming, tot welke zijn geest was opgevoerd, het dichtstukje hetwelk ik bedoel. Niettegenstaande de werkelijke verdiensten, welke het bezit, en de vele voortreffe­lijke en wezenlijk verheven gedachten, in hetzelve vervat, komt het mij toch voor, een nieuw bewijs op te leveren, dat de dichter, bij zulke onderwer­pen, niet dien toon aansloeg, welke hem bijzonder eigen was, en welke zulke treffende oorspron­kelijkheid aan zijne overige, minder verhevene dichtstukjes bijzette. Maar bij zulk eene, zoo ik meen, niet minder ware dan onpartijdige beoordeeling, moeten wij nim­mer uit het oog verliezen, dat het slechts proeven zijn, en wel proeven van een jeugdig vernuft, dat gedurende den tijd van derzelver vervaardiging, altijd bezig was met het beoefenen van de regels der kunst, en zich dus ook, op dat oogenblik, wel-ligt minder kon onthouden, om aan zulke zijner voortbrengselen, welke zijnen gewonen zangtoon te buiten gingen, dat kunstmatige te geven, het­welk wij vermeenen er in aan te treffen (…)’ Ook van het uiterlijk van Pruimers gaf Van Rap­pard een beschrijving: ‘Zijn breed gewelfd en sterk achterover gebogen voorhoofd, zijn gebogen en spitse neus, naar wel­ken de zachte wenkbrauwen sterk henen bogen, de mond en kin, de vorm en hoofdtrekken van zijn gelaat teekenden schranderheid, vernuft, ver­beeldingskracht, in één woord, genialiteit.’6

E.J. Potgieter (1808-1875)
In het tijdschrift de Gids van 1843 gaat Potgieter dieper in op de bundel Rijmen van Pruimers. Aan zijn beschouwing gaf Potgieter een autobio­grafisch tintje. Als twaalfjarige had hij de beelte­nis en de dichtbundel van zijn jong overleden plaatsgenoot ontvangen. Pruimers’ vroege dood had een diepere indruk op hem gemaakt dan zijn verzen. In een emotionele opwelling had hem de gedachte gestreeld hoe mooi het moest zijn om geacht, geprezen, bewonderd en bemind, zeer vroeg te sterven, met een lauwerkrans om de blonde schedel en op de lippen een tevreden lach. Het verdriet van ouders bracht Potgieter terug naar de realiteit. Volgens Potgieter had Pruimers zijn bestemming gemist. Ook betreurde hij het dat uitgever Oomkens in de tweede druk van Rijmen geen uitgebreide levensbeschrijving en beoordeling van de gedichten had opgenomen. De ontwikkeling van een poëtisch talent had een aardige studie kunnen opleveren.7
Noten

Pruimers beoordeeld

1. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 4
Met zijn gedichten had Jan coenraad de humor
2. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 45
in de Zwolse dichtkunst teruggebracht. Na de
3. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 5 zwaarmoedigheid en het moralisme van feith 4. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 53 en zijn leerlingen een verademing. Ofschoon Jan 5. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 56 coenraad feith bewonderde, stond hij het minst 6. J. de Bosch Kemper, Levensberigt van Jhr. mr.
onder diens invloed. Zijn gedichten hebben een A.G.A. Ridder van Rappard, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1870,
vrolijk en satirisch karakter. Het zijn grappig
pag. 123-140
berijmde anekdotes, waardoor hij inhoudelijk
7. Tijdschrift de Gids, 1843, Album. ‘Korte berigten
dichter bij de werken van A.c.W. staring stond.
over boekwerken, vlugschriften, enz., aankondigin-Pruimers is de enige met een tweede druk en een gen van vertalingen, letterkundig nieuws, enz.’, pag.bloemlezing achter zijn naam. Volgens zijn tijd-659-662 genoten zou Jan coenraad Pruimers nieuw elan 8. J.c. streng, Zwols Biografisch Woordenboek, Hil­
in het Zwolse literaire wereldje hebben gebracht.8 versum, 2004, pag. 201, 202

Henk Okkels, terugblik op een politiekeloopbaan
Steven ten Veen Een wat suffig provinciestadje waar veel ambtenaren wonen en heel weinig te doen is. Dat imago kleefde aan Zwolle toen in 1966 de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening ver­scheen, waarin aan dat provinciestadje plotseling

Henk Okkels als kersverse wethouder in 1972, tegen de achtergrond van de Structuurschets Zwolle 2000. (Foto Henneke, particuliere collectie)
een grote rol werd toebedeeld om de verwachte groei van ons land in goede banen te leiden. In de nota stond dat Zwolle zou moeten uitgroeien tot een stad van tenminste 250.000 inwoners. Een perspectief dat in het stadhuis met evenveel trots als gejuich werd ontvangen. Er werd onmiddellijk een structuurschets samengesteld, die op 4 sep­tember 1968 in het perscentrum Nieuwspoort in Den Haag werd gepresenteerd. Daarin stond aan­gegeven op welke manier Zwolle kon uitgroeien naar een stad, die in het jaar 2000 een kwart mil­joen inwoners zou tellen.
Van de plannen in de structuurschets Zwolle 2000 is maar weinig terecht gekomen. Maar feit is wel dat er aan het eind van de zestiger jaren in de vorige eeuw in Zwolle als het ware een knop is omgegaan. Zwolle straalde opeens veel meer dynamiek en zelfbewustzijn uit. Henk Okkels heeft eerst als raadslid en later als wethouder een actieve rol gespeeld in de nieuwe koers die Zwolle was ingeslagen. In 1966, kort voor de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel die als een soort van ijzeren barrière rond de stad lag, werd hij raadslid voor de cHU (christelijk Historische Unie) en van 1972 tot 1990, achttien jaar lang, was hij wethouder met financiën als belangrijkste onderdeel in zijn portefeuille. Okkels, nu 87, kijkt in dit artikel terug op zijn politieke loopbaan in Zwolle.

Assendorp en Ittersum
Henk (Hendrik) Okkels werd op 15 april 1925 in de Dahliastraat in Zwolle geboren. Net zoals bij veel andere gezinnen die in Assendorp woonden het geval was, werkte zijn vader in de centrale Werkplaats van de spoorwegen. Negen jaar oud was Henk toen hij met zijn ouders en twee oudere broers naar Ittersum verhuisde. In het vrijstaande huis aan de Nieuwe Deventerstraatweg met de naam ‘clematis’ op de voorgevel heeft hij er een onbezorgde jeugd gehad. ‘Ittersum, gelegen te midden van weilanden, was toen nog een echt dorp, waar iedereen elkaar kende. Je had er eigen­lijk twee groepen, socialisten en niet-socialisten. De niet-socialisten staken op Koninginnedag de oranje vlaggen uit en organiseerden een grote optocht, de socialisten vierden op de eerste mei hun dag van de arbeid. Maar toch kon iedereen heel goed met elkaar opschieten.’ Dat zijn roots in Noord-Duitsland liggen, vertelt Okkels maar al te graag. ‘Daar kwam mijn grootvader vandaan. Uit Ditzumer Hammrich in het Rheiderland, niet ver van de grens met Groningen. Ze noemen het daar het “Endje van de Welt”. Ik was vier jaar toen hij overleed, heb hem dus nauwelijks gekend. Maar ik heb wel de hele stamboom Okkels uitgezocht, wilde weten wat ze hebben gedaan, wat hun leven heeft bepaald. Mijn grootvader is via Drieborg bij Nieuweschans, waar hij smid was, in Zwolle terecht gekomen, waar hij net zoals later mijn vader bij de spoorwegen werkte.’

Na de lagere (Marnix)school ging Okkels naar het christelijk Lyceum aan de Veerallee om met het diploma op zak een baan te vinden op het Gewes­telijk Arbeidsbureau in de Kamperstraat. Na de bevrijding was hij lid van de zuiveringscommissie van het Arbeidsbureau, waarvan burgemeester strick van Linschoten voorzitter was. In 1950 kreeg Okkels een baan in Assen op de griffie van de provincie Drenthe. In datzelfde jaar trouwde hij met Hermina (Miep) Groen. Het jonge stel ging bij moeder Groen in de Hortensiastraat wonen, wat in die tijd van woningnood heel gebruikelijk was. Bijna een halve eeuw, 47 jaar om precies te zijn, heeft het huwelijk geduurd. Miep Okkels werd getroffen door de ziekte van Wege­ner, die er onder andere de oorzaak van was dat zij drie keer per week naar de nierdialyse moest. Zij overleed in 1997 op 79-jarige leeftijd.
Als ambtenaar van de provincie Drenthe reis­de Okkels elke dag met de trein op en neer naar zijn werk in Assen. Daarbij maakte hij nog een heel nare gebeurtenis mee. ‘Op de ochtend van 25 november 1953 reed de trein op de oversteek met de Nieuwleusenerdijk tegen een truck met oplegger. Ik zat in de voorste coupé toen ik plot­seling een geweldig lawaai hoorde. Tegen mijn medepassagiers schreeuwde ik dat ze de benen op de bank moesten leggen. Op dat moment ging het hele leven aan mij voorbij. Behalve een paar kleine wondjes kwam ik gelukkig met de schrik vrij.’
Politiek

Okkels, die in 1954 overstapte van de provinciale griffie in Assen naar die van Overijssel in Zwolle, had op jonge leeftijd al belangstelling voor de politiek. Hij werd lid van de cHU en was vooral actief binnen de jongerenorganisatie in Overijs­sel, waarvan hij voorzitter werd. Bij de plaatselijke afdeling in Zwolle bleef hij niet onopgemerkt en al snel kwam de naam van Okkels op de kandidaten­lijst voor de gemeenteraad te staan. ‘Maar op de ledenvergadering duikelde ik naar een onverkies­bare plaats. Door veel leden werd het me kwalijk genomen dat ik mijn dochters Alet en Hildegard naar de openbare school stuurde. Die mensen begrepen weinig van de beginselen van de partij waarvan zij lid waren. De openbare school is de school van het volk, kinderen uit alle geledingen ontmoeten elkaar daar, spelen er met elkaar. Het was dus een principiële keus.’
In 1966 werd Okkels dan toch lid van de gemeenteraad van Zwolle en een jaar later, na de verkiezingen die nodig waren door de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel, fractievoorzit­ter van de cHU. Die partij zou overigens al snel daarna opgaan in de Protestants christelijke combinatie (ARP en cHU). Vervolgens sloot ook de KVP zich bij dit samenwerkingsverband aan en werden de raadsverkiezingen van 1970 als ccP (combinatie christelijke Partijen) inge­gaan. Twee jaar later werd Okkels tot wethouder benoemd als opvolger van de tussentijds vanwege gezondheidsredenen afgetreden J. Hubbers, die als belangrijkste onderdeel sociale zaken in zijn portefeuille had. Na de raadsverkiezingen van 1974 werd Okkels wethouder van financiën en mocht hij zich ‘de penningmeester van de stad Zwolle noemen.’
Zuinig

Een latere collega-wethouder, de in 2007 overle­den Hein Eskens (PvdA), heeft eens over Okkels

Wethouder Okkels kon er wel om lachen toen hij eind januari 1979 een fles azijn in ontvangst nam, die (van links naar rechts) Gaston Sporre, Jan ter Schegget en Gerard Stroeve namens de afdeling Zwolle van de PvdA hem kwamen brengen. De fles, sym­bool voor ‘zure politiek’, was immers bestemd voor het voltallige college waarin ook twee PvdA-wethouders zitting hadden. (Particuliere collectie)
gezegd: ‘Hij is niet alleen zuinig, hij is ook nog een potter.’ ‘Klopt’, zegt Okkels als hij er nog eens mee wordt geconfronteerd. ‘Ik ben inderdaad zuinig of beter gezegd, ik ga verstandig met mijn geld om. Want een “knieper”, zoals ze dat noe­men, ben ik zeker niet. Daarbij komt, dat ik heel veel belangstelling heb voor zaken op het gebied van financiën en economie. Programma’s op de televisie die daarmee te maken hebben, sla ik niet over.’ Toen Okkels in 1972 wethouder werd, had Zwolle met grote tekorten te kampen en waren de jaarrekeningen nooit op tijd klaar. ‘Ik herin­ner me een brief uit 1974 van het provinciaal bestuur, waarin gedreigd werd dat Zwolle tot een zogeheten artikel 12-gemeente zou worden verklaard als de financiën niet op orde werden gebracht. Zo’n maatregel betekent in de praktijk dat je als gemeente op financieel gebied niets meer te vertellen hebt omdat je onder curatele van het Rijk komt te staan, kortom dat je niet meer baas in eigen huis bent. Het tekort was berekend op zo’n acht à tien miljoen gulden. “Het gat van Okkels” noemde Gaston sporre het spottend op een ver­gadering van de PvdA. Het was dus tijd om orde op zaken te stellen.’
Okkels heeft dat met grote bedrevenheid, consequent en zonder aanzien des politieke per­soons gedaan. Het resultaat mocht er zijn. Zwolle had binnen een paar jaar de begroting niet alleen op orde, maar slaagde er ook in geld voor allerlei nuttige bestedingen die in de toekomst zouden moeten worden gedaan opzij te leggen. Zo waren er fondsen voor culturele accommodaties, voor parkeervoorzieningen en zelfs voor geneesmidde­len. Keerzijde van de medaille was wel dat Zwolle als er in Den Haag wat te verdelen viel vaak achter het net viste. ‘We werden er als financieel zeer gezond gezien. We hadden voor 140 miljoen gul­den aan voorzieningen, zeg maar reserves, op de bank staan. Die rijkdom heeft ons zonder al te veel problemen in de jaren zeventig door de oliecrisis gesleept, die tot fikse kortingen van het rijk op het gemeentefonds leidde. Op onze reserves pasten we een rente toe, die conform de markt was. Door die op de meeste fondsen te beperken tot de infla­tiecorrectie kwam er geld vrij om niet alleen de begroting sluitend te maken, maar ook nog extra investeringen te doen. We waren als het ware de bankier van onszelf.’

Schouwburg en containers
En Okkels bleef zuinig. De bouw van een nieuwe schouwburg bijvoorbeeld, door velen als hoogst noodzakelijk gezien, kwam bij hem niet in zijn gedachten op, ook al was er een fonds culturele accommodaties dat overigens bij lange na niet voldoende was om zo’n project te financieren. ‘Je zou niet alleen met de financiering van nieuw­bouw te maken hebben, maar ook met de exploi­tatie ervan. Bovendien hadden we al Odeon en de Buitensociëteit. Eerlijk gezegd heb ik me achteraf wel eens afgevraagd of ik niet iets te behoudend ben geweest met het uitgeven van geld.’
Het waren niet alleen de financiën waar­mee Okkels als wethouder te maken kreeg. De verzelfstandiging van het sophia Ziekenhuis beschouwt hij nog altijd als een huzarenstukje. Het ziekenhuis, na de oorlog ontstaan als een samenwerkingsverband tussen het gemeentelijk ziekenhuis en het protestants-christelijke zieken­huis in oprichting, viel onder het gezag van de gemeente wat betekende dat op het personeel de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren van toe­passing waren. Die situatie dreigde onhoudbaar te worden en dus kwamen er onder leiding van Okkels gesprekken over verzelfstandiging op gang. ‘Van een ziekenhuis had ik geen verstand, maar van onderhandelen wel. Om tot overeen­stemming te kunnen komen is een goede sfeer aan de onderhandelingstafel van het allergrootste belang. Daarom had ik toen het op het nemen van definitieve beslissingen aankwam alle partijen uitgenodigd om naar een hotel-restaurant op de 69
Veluwe, de Zwarte Boer bij staverden, te komen. Een goede maaltijd doet wonderen. Zou voor dit interview trouwens ook geen slecht idee zijn…’
Drie mini-containers (groen, grijs en blauw) hebben de meeste inwoners van Zwolle bij hun huis staan. De allereerste (grijze) container werd door Okkels ingevoerd. Dat ging niet zonder slag of stoot. ‘In alle wijken werden inspraakavonden gehouden en daarbij ging het er dikwijls hard aan toe. Veel bewoners dachten dat het met zo’n mini-container veel duurder zou worden en wilden daarom de plastic huisvuilzak die aan de straat werd gezet handhaven. Al met al was Zwol­le een van de eerste gemeenten in ons land waar de mini-container werd ingevoerd. De slag om de stadsverwarming heb ik echter verloren’, vertelt Okkels. ‘Het plan was om in Zwolle-Zuid alle woningen aan te sluiten op stadsverwarming, die door de IJsselcentrale zou worden aangelegd. Ik had heel links achter me staan, wat nog niet eerder was gebeurd. Maar het voorstel werd in de raad

Wethouder Okkels toont zich van de ‘bur­gervriendelijke kant’ en deelt hapjes uit bij een gelegenheid in het stadhuis, 1987. (Foto Paalman, particuliere collectie) Wethouder Okkels bij de opening van een basisschool in Holten-broek, mei 1985. (Foto Paalman, particuliere collectie)

Stadsbank
De stadsbank, die in 1994 ter ziele is gegaan, was het troetelkind van Okkels. Van hem kwam in 1986 het initiatief om Kredietbank en stortings­dienst samen te voegen tot stadsbank Zwolle. ‘We hadden cliënten die zich financieel heel goed kon­den redden en mensen die in de bijstand zaten en bij een gewone bank niet of moeilijk terecht kon­den. Bij de stadsbank konden zij ook een krediet krijgen voor de aanschaf van een wasmachine of iets dergelijks. Ze konden die dan contant betalen en bedongen vaak ook nog een aardige korting. Zelfs landelijk werd de stadsbank Zwolle, die de gemeente nog een behoorlijke winst opleverde, ten voorbeeld gesteld.’ Okkels was een verklaard tegenstander van zakelijke kredieten, maar na zijn vertrek kreeg deze activiteit meer ruimte. Met desastreuze gevolgen. De achterstanden op de aflossingen liepen hoog op en het schip stadsbank maakte langzaam maar zeker slagzij. Op 12 juli 1999 besloot de raad om de stadsbank op te hef­fen.
ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT
Als dieptepunt in zijn politieke loopbaan beschouwt Okkels het aftreden in 1985 van Jaap de Groot, collega-wethouder van de PvdA waar­mee hij goed kon opschieten. ‘Zijn fractie stelde hem min of meer verantwoordelijk voor de sloop van het Gouverneurshuis, terwijl hij daar hele­maal niets aan kon doen. Het Gouverneurshuis was een uitgewoond karkas, het stond niet op de rijksmonumentenlijst en een gemeentelijke monumentenlijst bestond nog niet. Door een sloopvergunning af te geven, handelde De Groot overeenkomstig de regels.’

Waarnemend burgemeester
Drie burgemeesters heeft Okkels meegemaakt:
J.A.f. Roelen, J. Drijber en G. Loopstra, terwijl hij zelf in 1980 tussen het vertrek van Drijber en de komst van Loopstra enkele maanden waarne­mend burgemeester was. ‘Daar kijk ik met grote voldoening op terug, want juist in die korte peri­ode bezochten koningin Beatrix en prins claus onze stad en werd in het kader van 750 jaar Zwolle de internationale Hanzedag gehouden. Ik durf echt wel te zeggen, dat ik me in die tijd als een vis in het water voelde.’
Toen Okkels in 1966 raadslid werd, was Roelen burgemeester. ‘Je zou hem de man van de vooruitgang kunnen noemen. Hij zorgde ervoor dat scania naar Zwolle kwam. Maar het was ook de tijd van de grote saneringen in de binnenstad, achteraf vaak bekritiseerd, maar toen door vrijwel de hele raad goedgekeurd. En dan was er de discussie over een nieuw stadhuis, die na het vertrek van Roelen in volle hevig­heid doorging en waarbij de emoties vaak hoog opliepen. Tijdens een van de raadsvergaderingen waarop een beslissing moest worden genomen (op 29 mei 1972), staakten de stemmen omdat Truus Mensink (ccP) tegen stemde. Daar was ik als fractievoorzitter niet van op de hoogte en ik werd dan ook ontzettend kwaad. Iedereen is vrij om te stemmen zoals hij of zij dat wil, maar als je je uiteindelijk niet aan de afspraken in de fractie wenst te houden, is het wel zo netjes om je voorzitter daarvan van tevoren in te lichten. Ik heb het altijd jammer gevonden dat het oor­spronkelijke plan van architect Konijnenburg niet is uitgevoerd, omdat het Grote Kerkplein daarmee volgens mij veel meer uitstraling zou hebben gekregen. Maar met de wijzigingen die hij in het plan moest aanbrengen, heeft Zwolle toch een stadhuis gekregen dat heel goed in het middeleeuwse stadscentrum past.’

Na Roelen, die in 1970 naar Arnhem vertrok, kwam Drijber. Als burgemeester van Middelburg had hij bewezen veel gevoel te hebben voor het historische karakter van een stad. Geen wonder dus dat in Zwolle onder zijn leiding een andere wind ging waaien. ‘In de tijd van Roelen werden Han Prins en zijn Vrienden van de stadskern op het stadhuis zo’n beetje als vijanden beschouwd. Drijber kon echter direct al heel goed met de Vrienden opschieten. Men luisterde naar elkaar. Drijber heeft veel voor Zwolle betekend. Hij bemoeide zich eigenlijk bijna overal mee. Tijdens de onderhandelingen over een nieuw college werd een keer de suggestie gedaan om de portefeuille van de burgemeester maar helemaal uit te kleden. Maar dat idee werd al snel verlaten onder het
Waarnemend burge­meester Okkels trad in 1980 op als gastheer bij het bezoek van koningin Beatrix en prins Claus in Zwolle. Hier wandelt het gezelschap over de Oude Vismarkt. Links achter prins Claus loopt mevrouw Okkels-Groen. (Particuliere collectie)
Oud-wethouder Okkels en oud-burgemeester Drijber in juli 1992 op het Grote Kerkplein, met op de achtergrond het in de jaren zeventig zo omstreden stadhuis. (Particuliere collectie) Locoburgemeester Okkels in gepeins verzonken, met op de achtergrond wethou­der J. Tamse (links) en gemeentesecretaris

N.H. Melman. (Parti­culiere collectie)
Wethouder Okkels bij het afscheid van Fred Pfeifer, hoofd van de afdeling voorlichting, mei 1990. (Foto Paal-man, particuliere col­lectie)

72 ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT
Zwolse geschiedenis als de belangrijkste na de stichting van het koninkrijk in 1813 beschouwen. Zo heb ik het ook genoemd toen hij in 1980 naar Arnhem vertrok en ik hem namens de raad mocht toespreken. Bijzonder in die periode was ook dat we van 1974 tot 1978 een college zonder PvdA hebben gehad. Tijdens een afdelingsvergadering was besloten dat de socialisten niet samen met de VVD in een college zouden gaan zitten. Toen de onderhandelingen begonnen, hield Hein Eskens ons die belofte aan de kiezers voor. “Wij hebben dat de kiezers niet beloofd”,

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 1

Door | 2012, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Industrieel monument
van de wederopbouw

29e jaargang 2012 nummer 1 – 8,50 euro

2 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Café Stroomberg
In 1861 begon Marten Doggenaar, beurtschip­per op Leeuwarden, een café op de hoek van de Thomas a Kempisstraat en de Brink waaraan hij de naam De Nieuwstad gaf. Met de naam ‘Nijstad’ of ‘Nieuwstad’ werd eeuwenlang het gebied aangeduid dat voor de Diezerpoort lag. Egbert Stroomberg nam rond 1885 het café over. Naast tapper was hij ook scheepstimmerman. Het café mocht zich verheugen in een grote belangstelling van ondermeer (turf)schippers, tramreizigers en bezoekers van de paardenmarkt, die rond de Brink en in de Thomas a Kempisstraat werd gehouden. Vanaf circa 1930 verdween de tram uit het straatbeeld en deed de autobus zijn intrede. De paarden werden vanaf 1 april 1931 op de nieu­we Veemarkt verhandeld.
Na twee generaties Stroomberg kwam het pand in 1955 in bezit van Gerrit Mensink. Het bleef café Stroomberg heten. Café annex slijterij zijn nog steeds in handen van de familie Mensink.
Café Stroomberg heeft in de loop der jaren een grote vaste klantenkring opgebouwd. Ook schakers, kaarters en biljarters vinden hier hun thuishonk. Boven wordt er heel wat af vergaderd. Ook na honderdvijftig jaar is het bij Stroomberg nog altijd goed toeven, zowel in het café als in de glazen uitbouw. Je kunt er genieten van een lunch, van een kop koffie of wat sterkers. Boven de bar hangt het devies: ‘Drinck als regel maetig, maer dan wel regelmaetig’. Elke stamgast zal het daar­mee eens zijn.

(Collectie ZHT)

Stroomberg in 2011. (Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 3

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans2
Bedrijfshal IJzerleeuw
gemeentelijk monument
Annèt Bootsma – van Hulten4
Vriendinnetje van Leo Major
heeft een gezicht gekregen
Steven ten Veen12
Van Bonifaciusschool
via De Schalm naar Facet
Katholiek speciaal onderwijs 50 jaar geleden gestart tussen gevangenis en gasfabriek
Willem Damman17
De Molukkers van Zwolle
en hun achtergrond
Herman Aarts27
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 6: Het jaar van de zebra
(1961-1962)
Jan van de Wetering37
Boekbespreking40
Mededelingen41
Auteurs42

Redactioneel
Voor u ligt de gloednieuwe editie van het Zwols Historisch Tijdschrift, het eerste nummer van 2012, weer met een verscheidenheid aan boeiende historische gebeurtenissen.
Wij presenteren het eerste Zwolse industriële gemeentelijke monument van de wederopbouw aan u, de bedrijfshal van BV IJzerleeuw. Annèt Bootsma beschrijft dit nieuwe monument en geeft een schets van het bedrijf, zij gaat daarbij onder meer in op de tweehonderd jaar oude geschiede­nis van het Zwolse moederbedrijf O. de Leeuw.
Met Bevrijdingsdag voor de deur komt Steven ten Veen met nieuwe feiten over de bevrijder van onze stad, Leo Major. Zijn Nijmeegse vriendinne­tje heeft namelijk een gezicht en een naam gekre­gen, Antoinette Sliepenbeek.
Willem Damman schrijft over vijftig jaar geschiedenis van het rooms-katholieke speciaal onderwijs in Zwolle. In 1961 werd namelijk de Bonifaciusschool opgericht, later omgedoopt in De Schalm, een paar jaar terug in Facet. De school ontstond in een tijd waarin een term als ‘debiel’ nog gangbaar was. Damman beschrijft de veranderde visie op kinderen die ‘niet mee kun­nen komen’ en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de ontkerkelijking.
Verder is er aandacht voor de Molukse gemeenschap in Zwolle, binnen het bredere kader van de Molukse geschiedenis. Herman Aarts verhaalt van het KNIL, woonoorden en de Molukse gemeenschap in Holtenbroek. In het onlangs door het HCO uitgegeven boekje Kenang Kenangang, herinneringen zijn interviews met de eerste en tweede generatie Molukkers in Zwolle te lezen. Veel jaren zestig in dit nummer, Jan van de Wetering verhaalt in zijn gelijknamige serie over nieuwerwetse zaken als de twist en het zebrapad. Al deze teksten, aangevuld met het suikerzakje en een boekbespreking, bieden weer uren leesplezier!

Omslag: De tot naoorlogs industrieel monument aangewezen bedrijfshal van BV IJzerleeuw,
met het over de haven reikende dak, 2010.
(Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

4 zwols historisch tijdschrift

Bedrijfshal IJzerleeuw gemeentelijk monument

Eind maart van dit jaar is een bedrijfspand van BV IJzerleeuw door het college van
B en W aangewezen als gemeentelijk monument van de wederopbouw. IJzerleeuw is daarmee de eerste Zwolse onderneming die met een naoorlogs bedrijfspand de status van beschermd monument op de gemeentelijke monumentenlijst heeft verkregen. Het betreft de bedrijfshal van IJzerleeuw aan de Gasthuisdijk 15, die dateert uit 1961-1962 en die nu is aangemerkt als een bouwwerk van architectuurhistorisch belang en als goed bewaard gebleven voorbeeld van naoorlogse bedrijfsmatige bouw.
O. de Leeuw
IJzerleeuw is een voorraadhoudende groothandel in staal. Het bedrijf werd opgericht in december 1955, maar maakt onderdeel uit van een al veel ouder geheel. IJzerleeuw ontstond als zelfstandige werkmaatschappij van de Zwolse onderneming O. de Leeuw. De geschiedenis van O. de Leeuw gaat ruim tweehonderd jaar terug naar het begin van de negentiende eeuw. In 1810 begon Hen­drik Wijnekes in het pand Diezerstraat 72 een handel in ijzerwaren, onder het uithangbord ‘In den blauen saegh’. Wijnekes overleed in 1844. Vervolgens ging de ijzerwarenzaak in eigendom over op Hendrik J.J. Bolte, zijn weduwe Johanna H. Bolte-Stroink en tenslotte op haar broer Johan H.H. Stroink. In 1869 verscheen de jonge Gro­ninger Oeds de Leeuw (1846-1916) ten tonele. De Leeuw werd in 1872 medefirmant. In 1892 kocht hij Stroink uit en zette het bedrijf onder zijn eigen naam voort: firma O. de Leeuw. Het bedrijf telde toen negen medewerkers, waaronder één reiziger.
In het laatste kwart van de negentiende eeuw transformeerde de oorspronkelijke detailhandel zich tot een groothandel. Belangrijke afnemers waren smeden in het noordoosten van het land en het aangrenzende deel van Gelderland. Interes­sant is dat veel van deze smeden uitgegroeid zijn tot constructiebedrijven, machinefabrieken, car­rosseriebedrijven en landbouwmechanisatiebe­drijven, die tegenwoordig nog altijd hun goederen betrekken van de zeven bedrijven die onder de huidige O. de Leeuwgroep ressorteren. In die zin is O. de Leeuw meegeëvolueerd met haar klanten.
In de jaren negentig van de negentiende eeuw begon De Leeuw naast ijzerwaren ook kachels, wasmachines en landbouwwerktuigen te verko­pen. De landbouwmachines werden geïmporteerd uit Duitsland, Engeland en Amerika (Deering). Speciaal daarvoor werd in het begin van de twin­tigste eeuw een nieuw magazijn gebouwd op het Rodetorenplein. Dit grote bakstenen gebouw is eind jaren negentig van diezelfde eeuw afgebroken om plaats te maken voor het Maagjesbolwerk.
In 1895 werd de firma bij het bezoek aan Zwolle van koningin-moeder Emma en de jonge koningin Wilhelmina voor de eerste keer het pre­dicaat ‘hofleverancier’ verleend. In die tijd werden er ook daadwerkelijk leveranties aan de kroon-domeinen in Apeldoorn gedaan, zoals puntdraad en gereedschappen. Het predicaat hofleverancier is door alle volgende koninginnen verlengd, waar­door O. de Leeuw deze onderscheiding nu al 117 jaar onafgebroken heeft mogen voeren. Daarmee is de onderneming de oudste, nog bestaande, hof­leverancier van Overijssel.
De bedrijfsactiviteiten van O. de Leeuw waren tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw gestoeld op vier pijlers: landbouwwerktuigen, ijzerwaren, huishoudelijke apparaten en ijzer en staal. Daarna is de onderneming zich steeds meer gaan toeleggen op staal, ijzerwaren en gereed­schappen en technische producten en werd het een succesvolle toeleverancier voor bedrijfsmatige afnemers. De groothandel in consumentengoede­ren werd dan ook afgebouwd en de afdeling land­bouwwerktuigen werd in 1993 omgevormd tot een importhandel voor tuin- en parkmachines.
IJzerleeuw
Vanaf eind jaren vijftig begon de verzelfstandiging van de verschillende bedrijfsafdelingen van O. de Leeuw en de verhuizing naar moderne panden op onder meer het nieuwe industrieterrein Voorst A (Gasthuislanden) aan de rand van de stad. De uit­tocht uit de Zwolse binnenstad, waar de bedrijfs­activiteiten in de loop der jaren over vele panden versnipperd waren geraakt, werd ingeluid in 1955 met de oprichting van IJzerleeuw en de daadwer­kelijke vestiging (1956) van dit nieuwe bedrijf aan de Hasselterdijk in Frankhuis, op een van de gemeente gehuurd terrein van zo’n 17.000 m2. Dit betrof een voorlopige vestiging, bij de oprichting had men zich al verzekerd van een toezegging van de gemeente voor de aankoop van een vergelijk­baar terrein in de Gasthuislanden, welk gebied was aangewezen als nieuw industrieterrein en dat zou komen te liggen aan het nieuw te graven verbindingskanaal tussen het Zwartewater en de IJssel, het Zwolle-IJsselkanaal. Dit grootschalige project paste in het naoorlogse beleid om de stad door allerlei infrastructurele aanpassingen beter bereikbaar te maken. Het kanaal, waarbij ook insteekhavens naar nieuwe industriegebieden inbegrepen waren, zou een belangrijke stimulans gaan vormen in de ontwikkeling van de Zwolse economie.
De oprichting van IJzerleeuw was een ambiti­eus plan. Dat paste enerzijds goed bij de tijdgeest en de visie van de toenmalige directeur
Tj. Bootsma, schoonzoon van directeur O. de Leeuw jr. (1875-1954), maar het betekende voor het moederbedrijf toch een erg grote investering. Bootsma zocht daarom een landelijke partner om zijn plannen te verwezenlijken en vond die in de NV IJzerhandel Van der Vliet en De Jonge uit Amsterdam. Het doel van de gezamenlijke doch­ter vormde de handel in walserijproducten (ijzer en staal) in de meest uitgebreide zin, zoals balken, platen, profielbuizen en bouwstaalmatten. O. de Leeuw telde in die tijd ruim honderd personeels­leden, het bedrijf had in tien jaar tijd een enorme groei doorgemaakt.
In 1960 werd gestart met de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal. Kort daarna kwam de koop door IJzerleeuw van het nieuwe bedrijfsterrein aan de Gasthuisdijk definitief rond en kon worden begon­nen met de aanleg van het nieuwe bedrijfscomplex.
Men kan wel zeggen dat de opzet voor het nieuwe bedrijf de toenmalige Zwolse maat ruim oversteeg. Het complex was een ontwerp van het bouwbureau van Van Leer’s Vatenfabrieken uit Amstelveen. Dit bedrijf was onder meer gespeci­aliseerd in de bouw (en exploitatie) van vatenfa­brieken. Van Leer werd voor de nieuwbouw van IJzerleeuw ingeschakeld omdat partner Van der Vliet en De Jonge een dochteronderneming van dit bedrijf was. Tegelijkertijd werden ook het in Essen (Duitsland) gevestigde Architektur- und Ingenieurbüro ‘Silberkuhl’ en de firma ‘Montage­schaaldak’ uit Zwijndrecht bij het project betrok­ken.
Het nieuwe bedrijf werd via een insteekhaven (Katwolderhaven) aangesloten op het Zwolle-IJsselkanaal. De bedrijfshal werd zodanig opgezet dat deze aan een kant open was en het dak over de haven reikte. Zodoende konden, met aan het dak bevestigde kranen, goederen rechtstreeks in en uit een schip worden geladen. Deze situatie werkte prima en bestaat nog altijd, nadeel is alleen dat het door het open karakter voor de magazijnmede­werkers behoorlijk koud in de hal kan zijn.
Een betonskelet vormde de hoofdconstructie van de bedrijfshal, waar overheen zich aan de havenzijde een ‘gevouwen’ betonnen schaaldak bevond. Verder bestond het dak uit tien betonnen ‘sheddaken’* met stalen gordingen en spanten. Genoemd bureau uit Essen ontwierp het dak, het montagebedrijf uit Zwijndrecht voerde het uit. De stalen gordingen werden ter plekke gebogen en gelast. De bedrijfshal werd door het bouwbedrijf der Koninklijke Nederlandsche Maatschappij voor Havenwerken NV uit Amsterdam gefun­deerd op gewapend betonpalen. Al met al een bij­zondere betonnen constructie, die nu geldt als van grote typologische waarde. De overkapping doet denken aan die van de uit hetzelfde jaar stammen­de hal van het Amsterdamse RAI-gebouw.
Bij al dit buiten-Zwolse bouwgeweld maakte directeur Bootsma zich indertijd wel zorgen of dit niet de in de loop der tijd zorgvuldig opgebouwde en goede relaties met Zwolse aannemers zou ver­storen. Maar er werden wel Zwolse bedrijven als onderaannemer ingeschakeld en er was nog een ander Zwols element, het kantoorgebouw aan de straatzijde. Chr. Stoel, ingenieur-adviseur voor bouwconstructie in Zwolle, ontwierp dit gebouw als een staalskelet in een modern-functionalisti­sche stijl, met een plat dak met betonplaten.
Gestage groei
De bouw van het bedrijfspand vond plaats in 1961-1962. De voorlopige vestiging aan de Has­selterdijk en de mogelijkheid om daar veel meer voorraad te houden en, zeer belangrijk, veel gro­tere balken en staven op te slaan dan voordien mogelijk was, hadden direct al in een belangrijke behoefte voorzien. De zaken waren daar dan ook naar tevredenheid verlopen. Maar eenmaal gevestigd in het nieuwe onderkomen aan de Gasthuisdijk ontwikkelde IJzerleeuw zich zonder meer voorspoedig. Logisch gevolg daarvan was een dringende behoefte aan meer opslagruimte. In 1971 werd de verwerkings- en opslagcapaciteit van het bedrijf verdubbeld door de functionele ingebruikname van het naast de hal gelegen bui­tenterrein. Het kwam voor IJzerleeuw goed uit dat het schuin tegenover hen aan de Rieteweg gelegen voormalige bedrijfspand van NV Wispel­wey medio 1973 te koop kwam. Met de aankoop van dit pand beschikte het bedrijf over een totale oppervlakte van 25.000 m2, waarvan 10.000 m2 bebouwd was. Hiermee was de behoefte aan ruimte voorlopig gestild. De nieuw aangeschafte hal aan de Rieteweg werd binnen het bedrijf aan­geduid als hal 3, het buitenterrein naast de hoofd­hal als hal 2. Deze hal 2 werd eind jaren tachtig ook overdekt.
De meest recente uitbreiding vond plaats in 2004. Na jarenlange onderhandelingen kwamen direc­teur van de O. de Leeuwgroep Marnix Bootsma (zoon van Tj. Bootsma) en directeur Rinse Valk van de aangrenzende voedingsproducent Abbott Laboratories tot overeenstemming over een grondruil. Dat leverde voor IJzerleeuw en Abbott allebei een belangrijke ruimtewinst op. Het per­ceel van de in 1973 aangekochte hal 3 werd geruild met een schuin daartegenover, aan de Gasthuis­dijk gelegen terrein. Daarop verrees een nieuwe, tweemaal zo grote en volledig geconditioneerde hal 3, die op 20 mei 2005 feestelijk geopend werd door burgemeester Meijer. Bij die gelegenheid werd tevens het vijftigjarig jubileum van IJzer­leeuw gevierd.
Medewerkers
IJzerleeuw maakt deel uit van de O. de Leeuw­groep en heeft daarmee nog steeds het karakter van een familiebedrijf. Familiebedrijven opereren doorgaans meer op lange-termijn basis, ze zijn solide en hebben een betrokken relatie met hun medewerkers. Veel medewerkers bij IJzerleeuw kunnen bogen op een lang dienstverband, er wordt regelmatig een vijfentwintig- of zelfs veer­tigjarig bedrijfsjubileum gevierd. In dit verband moeten de heer en mevrouw Dick en Nelly van Brink-van Beek genoemd worden. Zij hebben bei­den erg veel bijgedragen aan de opbouw van IJzer­leeuw en hebben beiden hun vijftigjarig jubileum bij de O. de Leeuwgroep gevierd. Zij werden voor hun verdiensten voor het bedrijf in respectievelijk 1993 en 1995 koninklijk onderscheiden. In 2005 werd ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van IJzerleeuw het voltallige personeel met part­ners een lang weekend naar Praag aangeboden. Verder wordt er regelmatig iets voor (en door) de medewerkers georganiseerd, waarbij de gepen­sioneerden niet vergeten worden. IJzerleeuw telt momenteel circa dertig medewerkers en biedt ook werkgelegenheid aan een zevental chauffeurs van het voormalige transportbedrijf Van der Weerd, nu onderdeel van de Pax Transport Groep.
Vandaag besteld, morgen geleverd
IJzerleeuw vormt tegenwoordig samen met Teham Pongers te Hengelo en Geertsema Staal in Win­schoten (deze bedrijven werden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw overgenomen) de staalhandelsdivisie binnen de O. de Leeuwgroep. Klantgericht denken en handelen staan bij de hele groep voorop. IJzerleeuw heeft in de loop der jaren een solide reputatie opgebouwd als voorraadhou­dende staaltoeleverancier. In het lange en rijke ver­leden is veel product- en marktkennis opgebouwd. Daardoor kan de vraag van de klant bijna altijd direct worden beantwoord. Het bedrijf heeft zich toegelegd op deskundige advisering, zorgvuldige en snelle uitvoering van orders en uitgebreide service. De laatste jaren heeft IJzerleeuw geïnvesteerd in een moderne boorzaagstraat met daaraan verbonden een straalmachine. Zo kan ingespeeld worden op de wens van de klant om bewerkt materiaal snel toegeleverd te krijgen. Onder het motto ‘van­daag besteld, morgen geleverd’ rijden er dagelijks vrachtwagens door Noord-, Oost- en Midden-Nederland. Het klantenbestand loopt van de grote metaalverwerkende industrie tot de ambachtelijke siersmid. Zoals de in de jaren zestig en zeventig bekende Zwolse siersmid Willem Veltien, die vele uithangborden in het centrum van Zwolle heeft gemaakt. Natuurlijk hebben de bedrijfsresultaten in de loop der jaren wel gefluctueerd, maar het bedrijf heeft nooit rode cijfers hoeven schrijven. Een mooi resultaat voor een echt Zwols bedrijf, dat nu ook kan bogen op een bedrijfshal van cultuur­historische waarde.
* Een sheddak, zaagdak of zaagtanddak is een dak­vorm die vooral bij uitgestrekte fabriekshallen werd toegepast. Bouwkundig gezien betreft het een reeks evenwijdige zadeldaken met ongelijke schilden. De nokken zijn oost-westgericht. De schilden zijn voorzien van vele ramen. Het op het noorden ge­richte schild is veel steiler dan het op het zuiden ge­richte schild. Het gevolg van dit alles is dat de gehele hal gelijkmatig verlicht wordt. (Bron: Wikipedia)
** Dit artikel is gebaseerd op gegevens uit de bedrijfs­archieven van O. de Leeuw BV en BV IJzerleeuw, en de toelichting bij het besluit van B en W om de be­drijfshal aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Annèt Bootsma –
van Hulten

De tot naoorlogs indu­strieel monument aangewezen bedrijfshal van IJzerleeuw uit 1961-1962, in 2005. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)

zwols historisch tijdschrift 5

Een factuur van
O. de Leeuw uit 1952, een paar jaar voor de verzelfstandiging van de diverse bedrijfsafde­lingen. IJzerleeuw werd drie jaar later als zelf­standige dochter opge­richt, maar de naam werd al wel gehanteerd voor de handel in staaf-, plaat-, band-, beton- en balkijzer. (Bedrijfs-archief O. de Leeuw)

6 zwols historisch tijdschrift

Het begin aan de Has­selterdijk kende een provisorisch karakter. Maar er was voldoende opslagruimte. Op de achtergrond, aan de overkant van het Zwar­tewater, zijn de nieuwe flats van Holtenbroek te zien. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

Oude logo van IJzerleeuw. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)

zwols historisch tijdschrift 7

Maquette van de nieuwbouw, waarop de tien sheddaken en het gevouwen schaaldak aan de havenkant goed te zien zijn. (Bedrijfs-archief IJzerleeuw)

Luchtfoto van de IJzerleeuwhal met de karakteristieke dak­constructie. Begin jaren negentig. (Bedrijfs-archief IJzerleeuw)

8 zwols historisch tijdschrift

Boven: De hal gefoto-grafeerd vanaf de waterkant. Het licht-effect van de sheddaken is goed te zien. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)
Onder: Het over de haven reikende dak van de hal, 2010. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)

zwols historisch tijdschrift 9

Links: Een vrachtwagen wordt geladen in hal 1, 2005. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)
Rechts: Het in modern-functionalistische stijl opgetrokken kantoor. Oorspronkelijk was er maar een verdieping, begin jaren zeventig werd het kantoor uit­gebreid met een tweede verdieping, in 1996 volgde nog een facelift. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)
Luchtfoto uit 2004, met de nieuwe hal 3 in aan­bouw. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

Optreden van ‘levende’ standbeelden bij de festivi­teiten rond de viering van het vijftigjarig jubileum en de opening van hal 3 in 2005. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

10 zwols historisch tijdschrift

Burgemeester Meijer opende op 20 mei 2005 tijdens een feestelijke bijeenkomst de nieuwe hal 3 met een symboli­sche druk op de knop. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)

Onder de pannen bij O. de Leeuw
Tj. (Tjamko) Bootsma (1912-1993) was als schoonzoon van de toenmalige directeur Oeds de Leeuw jr. van 1946 tot 1991 betrokken bij O. de Leeuw, aanvankelijk als adjunct-directeur, en vanaf 1954 als directeur. Onder zijn leiding groeide O. de Leeuw uit tot een welvarende groep van groot­handelsondernemingen in staal en buizen, ijzerwaren en gereedschappen, en technische artikelen. Op zijn tachtigste verjaardag in november 1992 werd hij daarvoor tot ridder in de Orde van Oranje Nassau benoemd. Hij werd geïnterviewd in de Zwolse Courant van 4 december 1992: ‘In de ruim 180 jaar van het bestaan van het bedrijf is slechts één keer met verlies gedraaid. Dat was in 1930, en dat was een verlies van niets. Maar mijn schoonouders kwamen er wel speciaal voor terug van vakantie, zo ging dat in die tijd. De goede resultaten zijn altijd mede te danken geweest aan de loyaliteit van veel medewerkers. We hebben altijd bijzonder trouw personeel gehad. Het klinkt patriarchaal, ouderwets, maar vroeger was je onder de pannen als je voor O. de Leeuw werkte.’
Tjamko Bootsma, 1912-1993.

zwols historisch tijdschrift 11

Boven: De heer en mevrouw Dick en Nelly van Brink-van Beek, eind jaren vijftig. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)
Links: De medewerkers van IJzerleeuw in 2009. Enkele personen ontbre­ken, evenals de chauf­feurs. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)
Rechts: Opname uit het magazijn, 2005. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)

Vrachtwagen voor hal 3, 2012. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

12 zwols historisch tijdschrift

Vriendinnetje van Leo Major
heeft een gezicht gekregen
Leo Major, de in 2008 overleden bevrijder van Zwolle, vertelde tijdens een van zijn vele bezoeken aan die stad dat hij ook had meegeholpen aan de bevrijding van Nijmegen. ‘Ik had daar een vriendinnetje. Toen ik verder trok zei ik: “Ik ga voor jou een stad bevrijden.” Nou, ik heb woord gehouden.’ Dat vriendinnetje, Antoi­nette Sliepenbeek, heeft na de oorlog vrijwel niets gezegd over de relatie die zij met de Canadese soldaat heeft gehad. Maar foto’s waarop zij samen met Leo Major stond, heeft zij altijd bewaard. Jan Kramer, haar oudste zoon die als klein kind graag in oude foto’s zat te snuffelen, vond ze in een schoenendoos. ‘Die man met dat ooglapje, Leo Major dus, trok me en ik vroeg er steeds naar. Maar mijn moeder heeft mij zo goed als niets verteld over haar persoonlijke belevenissen met Major in de oorlog. Ook niet later in haar leven.’
Familie Sliepenbeek
Die foto’s, aangevuld met enkele brieven, heeft Jan Kramer op 23 maart van dit jaar aan het His­torisch Centrum Overijssel (HCO) geschonken. Het Zwols Historisch Tijdschrift heeft de primeur (bijna al) deze foto’s aan u te kunnen tonen, ze staan bij dit artikel afgedrukt. De foto’s vormen een belangwekkende aanvulling op de vele ver­halen die over Leo Major zijn geschreven. Vooral omdat de Nijmeegse vriendin van de bevrijder van Zwolle nu een gezicht heeft gekregen. Antoi­nette Wilhelmina Pancratia Maria Sliepenbeek (1924) was het derde kind uit het gezin van Gerar­dus Johannes Maria Sliepenbeek (1887-1970) en Hendrika Johanna Maria Roelofs (1887-1962), dat tijdens de oorlog op de Sterreschansweg 82 in Nijmegen woonde. De andere kinderen waren Peter (1921-1983), Jos (1925-1999), Rikie (1926-2005) en Gerard (1928-2012). Antoinette trouwde na de oorlog op 29 december 1954 in Nijmegen met Gerardus Aloysius Kramer (1926). Zij overleed op 11 mei 1999 op 75-jarige leeftijd in Deurne. Haar man was al in 1984 gestorven.
Dat Leo Major tijdens een van zijn vele bezoe­ken aan Zwolle vertelde dat hij in Nijmegen een vriendinnetje had gehad, bewijst dat het meer was geweest dan zo maar een vluchtige relatie. Kort voor zijn terugkeer naar Canada heeft hij Antoi­nette zelfs gevraagd om mee te gaan naar zijn vaderland, maar die stap wilde of durfde ze niet te zetten. Vanuit Canada stuurde Major ondermeer een foto naar zijn Nederlandse vriendin waarop hij samen met zijn nichtje Jenine stond. Later tijdens een van zijn vele bezoeken aan ons land, heeft Major zijn vroegere vriendin nog bezocht. ‘Zij heeft daar bijna niets over verteld’, herinnert zoon Jan zich. ‘Zij vond het leuk om hem weer te zien, maar vond het nog steeds verstandig dat ze niet met hem mee naar Canada was gegaan.’
Gerard Sliepenbeek, de jongste telg uit het Nij­meegse gezin, heeft nog jarenlang contact gehou­den met Leo Major. Twee keer heeft Major samen met zijn vrouw Pauline (zij trouwden in 1953) bij hem in Venlo gelogeerd. Voor Sliepenbeek, die op 2 maart dit jaar op 83-jarige leeftijd is overleden, was Leo een echte held. ‘Hij bewonderde hem’, vertelt Jan Kramer. ‘Niet voor niets is hij na de oorlog naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda gegaan. Hij is ongeveer negen jaar beroeps­militair geweest.’
In Zwolle werd Leo Major pas in 1970, vijf­entwintig jaar na de bevrijding, een held. Dat een Canadese soldaat, lid van het Regiment de la Chaudière, een heldenrol had gespeeld tijdens de bevrijding van de stad was wel bekend, maar hoe hij heette en of hij nog leefde, wist vrijwel niemand. Tot hij in 1968 werd opgespoord door Zwollenaar Frits Kuipers en twee jaar later de uit­nodiging kreeg om in Zwolle de herdenking van de bevrijding bij te wonen.
Onverschrokken
Op 6 juni 1944, D-Day, landde Leo Major op een Normandisch strand. Het werden zijn eerste gevechtshandelingen, na drie jaar in trainings­kampen in Engeland doorgebracht te hebben. Een paar dagen na de invasie raakte hij door een fosforgranaat zwaar gewond aan zijn linkeroog. Zijn commandant wilde hem naar huis sturen, maar daar peinsde hij niet over. ‘Ik kan met één oog nog prima een geweer richten, misschien zelfs beter’, zou hij hebben gezegd. Die onverschrok­kenheid toonde Leo Major ook in de gevechten die zijn regiment met de Duitsers uitvocht tijdens de opmars richting Nederland. In de Slag om de Schelde, bedoeld om de haven van Antwerpen te ontsluiten voor bevoorradingsschepen, rekende hij volgens de overlevering in zijn eentje 93 Duit­sers in. Hij kreeg er de Distinguished Conduct Medal voor, de op een na hoogste onderscheiding voor militairen van het Britse Gemenebest. Major zou er later, tijdens de Korea-oorlog (1950-1953), nog een krijgen.
Toen het Regiment de la Chaudière half sep­tember 1944 Nijmegen had bereikt, bleven ze daar steken omdat het de geallieerde troepen niet was gelukt om bij Arnhem de Rijn over te steken (ope­ratie Market Garden). Veel soldaten werden bij inwoners van Nijmegen ingekwartierd. Vermoe­delijk kwam Leo Major bij de familie Sliepenbeek terecht en heeft hij op die manier Antoinette leren kennen. De opmars werd vervolgens hervat naar Zeeland. Daar raakte Major begin oktober (Slag om de Schelde) ernstig gewond aan zijn rug door de klap van een antitankmijn. Hij werd in een gip­sen korset gehesen, kreeg het advies om zich maar een tijdje buiten de strijd te houden en kwam toen voor de tweede keer bij de familie Sliepenbeek terecht, voor een wekenlange revalidatie.
Bevrijding van Zwolle
Toen Major was opgeknapt, voegde hij zich weer bij zijn regiment dat inmiddels de Rijn was overgestoken en optrok door het Rijnland. Begin maart 1945 was deze operatie voltooid. Het regiment keerde weer terug naar Nederland om zich te voegen bij de troepen die zich klaarmaak­ten voor het slotoffensief voor de Nederlandse bevrijding. Op 13 april was men tot Wijthmen bij Zwolle opgerukt. Vanuit het oosten was een ander Canadees regiment de stad genaderd. Omdat de Canadezen stevige gevechten rond Zutphen hadden moeten leveren, gingen zij er van uit dat de hoofdstad van Overijssel vanwege zijn strategische ligging aan spoor, wegen en water en de daar gevestigde hoofdkwartieren van Wehrmacht, Gestapo en Sicherheitsdienst fel zou worden verdedigd. Plannen om de stad met granaatvuur te bestoken lagen klaar, maar uit vrees voor burgerslachtoffers en schade aan de historische binnenstad werd besloten er twee vrijwilligers voor verkenning op uit te sturen. Dat werden Leo Major en zijn vriend Willy Arsenault. Zwaar bewapend gingen de twee laat op de avond van de dertiende april op pad, maar al na korte tijd werden ze bij Zalné door machi­negeweren onder vuur genomen. Arsenault werd getroffen en was op slag dood. Major ging alleen verder en trok rond 1.00 uur het donkere Zwolle binnen. Bij de Sassenpoort liep hij Duitsers tegen het lijf. ‘Ik maakte lawaai voor een heel regiment. Zij mochten niet weten dat ik alleen was. Met mijn geweer heb ik er een paar neergeknald, de rest sloeg op de vlucht’, vertelde hij later aan een journalist van de Zwolse Courant. Het waren nog wat achterblijvers, de meeste Duitsers hadden die nacht de aftocht al geblazen. Teruggekeerd bij zijn regiment kon Major melden dat het ver­zet van de Duitsers in Zwolle weinig voorstelde en de volgende dag, 14 april, trokken de Canade­zen de stad binnen, waar de bevrijding uitbundig werd gevierd.
Ereburger
Na 1970 is Leo Major samen met zijn vrouw Pau­line nog vele malen in Zwolle geweest. In 1985 kreeg hij de erepenning van de stad en in 2005, zestig jaar na de bevrijding, werd hij tot ereburger benoemd. Op maandag 13 oktober 2008 stierf Leo Major op 87-jarige leeftijd aan kanker. Na zijn overlijden werd een straat naar hem vernoemd, de Leo Majorlaan. Major had graag begraven wil­len worden op de Canadese oorlogsbegraafplaats in Holten, naast zijn vriend Willy Arsenault. Die begraafplaats is echter alleen bedoeld voor militai­ren die tijdens de strijd zijn gesneuveld. Daarom ligt het graf van de bevrijder en ereburger van Zwolle in Canada.
Literatuur
– Amsman, Michael, ‘Bevrijder van Zwolle Leo Ma­jor: “Je doodt of je wordt gedood. That’s war”’, in: Zwolse Courant, 2000
http://www.home.wanadoo.nl/wijthmen/wijth­men/oorlogsverhaal.htm
– Bax, Wouter, ‘Leo Major 1921-2008’ in: Trouw, 29 oktober 2008
– Leo Major over de bevrijding van Zwolle, Engelsta­lige versie
http://www.destentor.nl/multimedia/ar­chive/00912/Verslag_van_de_bevr_912578a.PDF
– Leo Major over de bevrijding van Zwolle, vertaling Wil Cornelissen.
http://www.obd.nl/bevrijdingskranten/dag/grafx/zwolle%20bevrijd.pdf
– Veenhof, Nicholas F., The Legendary Liberator of Zwolle. A biography of Léo Major. 2007
http://www.destentor.nl/multimedia/ar­chive/00445/Het_complete_Leo_Ma_445231a.pdf

Steven ten Veen

Leo Major in het mid­den met ooglapje met vlnr. Antoinette Slie­penbeek, Gerard Slie­penbeek, Jos Sliepen­beek en een onbekende militair. De foto zal waarschijnlijk in 1944 in de omgeving van Nijmegen gemaakt zijn, met zelfontspanner. (Collectie Sliepenbeek, HCO)
Nog een foto van het­zelfde uitje, nu gemaakt door Gerard Sliepen­beek. Vlnr. Antoinette Sliepenbeek, Leo Major met ooglapje, Jos Slie­penbeek en een onbe­kende militair. (Collec­tie Sliepenbeek, HCO)

zwols historisch tijdschrift 13

Het complete gezin Slie­penbeek minus vader Gerrit, bij hun woning aan de Sterreschansweg in Nijmegen. De foto is na de oorlog genomen. Achteraan staat zoon Gerard in zijn KMA-uniform, in het midden vlnr. Antoinette, Jos, Rikie en moeder Slie­penbeek. Vooraan zoon Peter. (Collectie Slie­penbeek, HCO)

Leo Major in de kamer bij de familie Sliepen­beek, waarschijnlijk 1944. (Collectie Slie­penbeek, HCO)

14 zwols historisch tijdschrift

Vader en moeder Slie­penbeek met hun drie dochters, vlnr. Antoi­nette, vader, moeder, Rikie en Jos (staand). Vader Gerard was in zijn jonge jaren beroeps­officier bij de landmacht en werkte later bij landbouworganisaties. De foto is na de oorlog genomen.(Collectie Sliepenbeek, HCO)
Leo Major en een onbe­kende militair voor het huis van de familie Sliepenbeek aan de Sterreschansweg 82 in Nijmegen, waarschijn­lijk 1944. (Collectie Sliepenbeek, HCO)

zwols historisch tijdschrift 15

Leo Major een half jaar na de oorlog weer terug in Canada, met naar eigen zeg­gen zijn nichtje Jenine. Antoinette Sliepenbeek schreef achterop de foto ‘winter Jan. 1946’. Major, een Franstalige Canadees die ook wel wat Engels sprak, schreef de overige tekst: ‘Ceci est une photo prise plus dernierement. Je suis avec ma cousine Jenine que tu connais deja assez bien. J’ai encore l’air un peux mili­taire malgré que je suis maintenant un civil, ne trouves tu pas. Your boy friend, Loves Leo.’ (Dit is een heel recent genomen foto. Ik sta er op met mijn nicht Jenine, die je inmiddels vrij goed kent. Ik zie er nog een beetje als een militair uit, ondanks dat ik nu een burger ben, vind je niet. Je vriendje, liefs, Leo).
(Collectie Sliepenbeek, HCO)

16 zwols historisch tijdschrift

‘I fought the war with only one eye and I did it pretty well’, zei Major later over zijn oogkwet­suur. Hier staat hij met ooglap op de Wipstrik­kerallee tijdens de intocht van de Canadezen op 14 april 1945. Rechts onder zit gehurkt Frits Kuipers, de man die Major ruim twintig jaar later weer in Canada opspoorde en zijn naam en daden daarmee aan de vergetel­heid ontrukte. (Collectie HCO)
In 1985 kreeg Leo Major de erepenning van de stad Zwolle. Hier staat hij met zijn vrouw Pau­line tussen burgemeester Loopstra en oud-burge­meester Drijber. (Col­lectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 17

Van Bonifaciusschool via De Schalm naar Facet
Katholiek speciaal onderwijs 50 jaar geleden
gestart tussen gevangenis en gasfabriek
De school voor speciaal basisonderwijs Facet bestond op 1 september 2011 exact vijftig jaar. Aan dit jubileum van een halve eeuw onderwijs aan kinderen, die om wat voor reden ook de basisschool voortijdig hebben verlaten, wordt in het voorjaar van 2012 aandacht besteed. Een receptie, reünie en een feestprogram­ma staan er dan op het programma. Daarmee wordt de stichting van deze rooms-katholieke school voor buitengewoon lager onderwijs (BLO) in 1961 aan het Assiesplein (Noordereiland) herdacht. In dat jaar besloot het destijds nieuwe schoolbestuur – de Theodoor Heerkensstichting als opvolger van de stichting Bijzonder Onder­wijs ‘De Twee R.K. Parochiën van Zwolle’ – het gebouw van de oude naai- en breischool van de Armeninrichting uit 1885 in gebruik te nemen. Ondanks de povere staat van het gebouw luidde hier op 1 september 1961 voor het eerst de school­bel voor katholieke leerlingen met een leerach­terstand. Zuiderling de heer L.C. Maas van de fraterschool in Amersfoort – een dependance van de fraters van Utrecht – werd het eerste school­hoofd. Zijn speciale hobby waren kippen. Die pikten wat extra graantjes mee op de speelplaats van de broodkorsten die de jeugd er achterliet, terwijl de gelegde eieren goed van pas kwamen in de kooklessen van de oudste meisjesgroep. Deze eerste katholieke school voor ‘buitengewoon’ onderwijs lag tussen de gevangenis (uit 1739) en de gasfabriek (uit 1848). Het taalgebruik van de gevangenen bij het luchten, de gaslucht van het naastgelegen complex en de specifieke geuren van specerijen en maalderijen langs de Thorbecke­gracht leverden toen al diverse klachten op over een ongewenste en ongezonde leeromgeving. Al deze bedrijvigheid zou de leerlingen prikkelbaar maken, terwijl ze juist veel rust en ruimte nodig hadden. Toch zou het nog dertien jaar duren voordat een nieuwe school op een passende loca­tie kon worden geopend, aan de Palestrinalaan in Holtenbroek.
BLO-school
Alle tastbare herinneringen aan die begintijd op het Noordereiland zijn compleet verdwenen. Of het zouden nog een paar volgroeide bomen moe­ten zijn van de oude speelplaats, in de doorkijk van de straat naar De Spiegel. De destijds in het schoolbestuur flink vertegenwoordigde geestelijk­heid (een deken, twee pastoors en een kapelaan) koos Bonifacius als schoolnaam, de Latijnse naam (toen nog met een -c-, later met een -t- geschre­ven) van de in 754 bij Dokkum vermoorde mon­nik, bisschop en martelaar. De naam betekent zoveel als ‘hij die het goede doet’, ook wel geïn­terpreteerd als ‘hij die een goede toekomst heeft’. Dat kan van de school in die vijftig jaar tijd zeker gezegd worden, net als van de Hanzestad Zwolle met zijn middeleeuwse jaarmarkten rondom
5 juni, de kerkelijke feestdag van de H. Bonifatius.
Na de nieuwe Lager Onderwijswet Visser uit 1920 met ook een BLO-paragraaf1 en twee jaar later de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs, kreeg de gemeente Zwolle tien jaar later pas de eerste BLO-school in de oude schippersschool aan de Vechtstraat. Het zou nog 31 jaar duren voor het katholieke onderwijs ook over zo’n schooltype beschikte. Het Zwolse stads­bestuur had toen nog de twijfelachtige reputatie van de Overijsselse gemeenten het minst uit te geven aan onderwijs (zeven procent tegenover gemiddeld dertien procent). Raadsstukken uit die tijd ademen de sfeer van handen op de knip en geen ‘uitgaven buiten proportie, waardoor onze stad in armoede zal vervallen’. Katholieke leerlin­gen die op de lagere school niet konden meeko­men, waren destijds dan ook aangewezen op een openbare school. Sinds 1954 was deze gehuisvest in de Willem Barentszstraat (bij de Weteringbrug) onder de naam Casimirschool.2 De leerlingen van die school werden formeel als debielen en imbe­cielen betiteld. Termen die heden ten dage zeer negatief overkomen en als beledigend worden ervaren, maar die toen nog gewoon op het naam­bord op de gevel stonden.3
Mimi Steinebach
Voor het onderwijs aan katholieke leerlingen was na de oorlog op deze openbare BLO onder direc­teur Dronkers de Zwolse juf H.M. (Mimi) Stei­nebach aangetrokken. Zij gaf extra godsdienst­onderricht, leerde de leerlingen de catechismus, bereidde hen voor op de eerste communie en het vormsel en nam ook roomse leesboeken met hen door. Extra oefenmateriaal met een altaartje, miskleedjes en kazuifels betaalde juf Mimi uit eigen zak. Daarnaast vervulde zij ook een actieve rol in het katholieke Mariagilde, de latere scou­ting- of verkennersgroep. Hoewel op de Zwolse katholieke lagere scholen (gescheiden jongens- en meisjesscholen) blijkens de inspectierapporten voortreffelijk werd lesgegeven door de fraters van Tilburg en de zusters van Liefde, waren in 1949 toch al 29 katholieke leerlingen op deze openbare school aangewezen. De nood groeide begin jaren zestig tot ruim vijftig aanmeldingen op de school aan de Willem Barentszstraat, zodat daar een leer­lingenstop werd ingevoerd.
Mimi Steinebach (geb. 1916), tegenwoordig wonend in Zandhove, kan zich die tijd nog goed herinneren. ‘Ik ben niet de grondlegster van de Bonifacius, maar heb me in die tijd wel heel sterk gemaakt om deze BLO-school van onze eigen identiteit van de grond te krijgen. Het kostte veel inspanning om de Zwolse geesten daarvoor rijp te maken. Natuurlijk zat ik in een dubbelrol als katholieke leerkracht in gemeentelijke, openbare dienst. Uiteindelijk is de school er toch gekomen, maar ik moest een bittere teleurstelling wegslik­ken’, aldus Steinebach. Zij wees indertijd via onder meer diverse artikelen in de Zwolse Courant het toenmalige schoolbestuur, de gemeente en de wethouder meermalen op de nood van het ‘rooms-katholieke misdeelde kind’.
Ook sprak ze diverse katholieke standsorga­nisaties hierover toe. Ze kreeg destijds het advies van directeuren van katholieke BLO-scholen in Raalte en Hengelo om mee te solliciteren naar de functie van directeur. Haar eigen vakbond, waar­van ze bestuurlijk deel uitmaakte, stuurde in het voorjaar van 1961 een aanbevelingsbrief voor haar kandidatuur voor de directeursvacature. ‘Het sollicitatiegesprek, toen nog in het kantoor van de Theodoor Heerkensstichting aan het Gasthuis­plein, was weinig eervol. Ik zou louter voor het geld hebben gesolliciteerd en één der bestuurders merkte op dat mannen toch echt niet onder een vrouw wilden werken. Ja, na al het ijveren voor die rooms-katholieke buitengewone school was ik daar zeer verbolgen over. Dat was mijn eer te na’, aldus Steinebach, die tot haar pensionering op de Casimir bleef werken op de VSO-afdeling (voortgezet speciaal onderwijs) voor meisjes. Emancipatie stond toen in de kinderschoenen en de geestelijkheid had het nog voor het zeggen. Ondanks een later aanbod om er alsnog als leer­kracht te komen werken, was dat voor haar een gepasseerd station.
De Bonifaciusschool
De eer de Bonifaciusschool te hebben gesticht komt toe aan de heer H.A.M. Scholten, de eerste betaalde directeur en administrateur van de Th. Heerkensstichting, die na het Gasthuisplein 14a weldra onderdak kreeg aan de Wolweverstraat. In 1958 was al in de St. Aloysiusschool in de Koestraat gepionierd met twee hulpklassen voor leerlingen die achterbleven, waarvan een aantal in 1961 ook naar het Assiesplein kon overstappen. De heer Maas, het eerste schoolhoofd, kreeg in de Bonifaciusschool de zorg voor 26 katholieke leerlingen die van de Casimirschool waren geko­men. Hij ging echter ook bijna letterlijk de boer op om extra leerlingen te trekken voor de nieuwe katholieke streekschool voor speciaal onderwijs. Zo trok hij naar roomse scholen in Kampen en Dalfsen (ook geleid door de zusters van Liefde), Ommen, Vilsteren, Hoonhorst, Heino, Lier­derholthuis, Wijhe, Wijthmen en Hattem. Zelfs katholieke scholen uit de Noordoostpolder ver­wezen zo af en toe een leerling door. Zo kon in 1961 met drie klassen met in totaal 74 leerlingen en drie leerkrachten worden gestart aan het
Assiesplein. Daarbij fungeerden twee later benoemde meesters ook nog als taxichauffeur van leerlingen uit Ommen en Dalfsen.
Het knusse negentiende-eeuwse schooltje vol oliekachels was in bouwkundig opzicht echter aan het eind van zijn Latijn. Tocht, lekkages, in de winter moeilijk te verwarmen lokalen en pla­fondplaten die af en toe losraakten en zelfs naar beneden kwamen, moest de nieuwe directeur Theo Hoogeveen toen al trotseren. Hij was in 1969 van Arnhem gekomen. Gekscherend werd zijn eerste werkplek (het halletje voor de toiletten) ook wel het ‘Ministerie van WC’ genoemd, van­wege het ontbreken van een echte hoofdenkamer. De katholieke BLO groeide als kool van drie naar zeven klassen. De intern gerealiseerde gymzaal moest ook weldra onderdak bieden aan een groep leerlingen, hetgeen tegen het zere been van zowel de inspectie als de gemeentelijke gymopzichter was.
De Schalm
Bonifacius kende dus letterlijk ruimtegebrek. Na een eerste optie op nieuwbouw langs de Kranenburgweg in Berkum, kon uiteindelijk in 1974 een fraai nieuw schoolgebouw voor speci­aal- en voortgezet speciaal onderwijs voor 4- tot 18-jarigen aan de Palestrinalaan in Holtenbroek in gebruik worden genomen. De naam Boni­facius werd veranderd in De Schalm: symbool van een schakel in een ketting en tevens van een doorgaande lijn in opvoeding en onderwijs naar de volwassenheid. Symbool ook van een nieuwe tijd, want ondanks het protest van de deken van Zwolle tegen het laten vallen van de naam Boni­facius, was de invloed van de geestelijkheid op het onderwijs al sinds de kerkelijke omwenteling en vernieuwing in de eerste helft van de jaren zestig (Tweede Vaticaans Concilie in 1963) en volgende jaren tanende geweest. Het biechten was in de nieuwe Michaëlkerk (1964) aan de Middelweg, gebouwd na de afbraak van de oude kerk in de Roggenstraat, al afgeschaft. Weldra zou ook het biechthoren door de kapelaans Zegger en De Froe in een apart kamertje op school tot het verleden behoren.
Voor die tijd vervulde de nieuwe school aan de rand van Holtenbroek zowel regionaal als landelijk een voortrekkersrol qua nieuwe onder­wijsmethodieken. De saamhorigheid zoals die tot uiting was gekomen in de oude school met vaste werkavonden voor het maken van leermiddelen en het samen sporten werd ook op De Schalm voortgezet. De nieuwe term voor moeilijk lerende kinderen (MLK) deed zijn intrede, waarbij zowel de didactiek als de pedagogiek een grote sprong voorwaarts maakten in de begeleiding van het ‘speciale’ kind. De hulpvraag van elk individueel kind kwam centraal te staan. Ook de term ‘bui­tengewoon onderwijs’ veranderde geleidelijk in ‘speciaal onderwijs’. Mede door een actieve KOV-vakbondsrol4 van directeur Hoogeveen, die contacten in Den Haag had, kreeg de orthodidac­tische component steeds meer vorm en inhoud.
Het was tevens Hoogeveens verdienste het team waar mogelijk extra bijscholing te geven, op cursus te sturen en in de subsectie MLK bij elkaar over de vloer te laten kijken. ‘Het team was zeer toegewijd en nam elk initiatief ter hand, waar­door het vooral ook een teamprestatie is wat er in mijn leidinggevende periode allemaal tot stand is gekomen. Het team kreeg steeds meer specialis­ten (onder meer een logopedist, orthopedagoge, jeugdarts, vakleerkrachten, schoolmaatschappe­lijk werker en remedial teachers) en ook het toela­tingsgebied werd veel professioneler. Dat daarbij de vakbond een uitstekende steunpilaar was, staat buiten kijf’, aldus de gepensioneerde directeur, die zich in het CNV nog immer sterk maakt voor het onderwijs. Na 1974 werd het instructie-onderwijs (dat wil zeggen dat niet de leeftijd maar het niveau van lezen, spelling, rekenen-wiskunde en klokkijken bepalend is voor het bij elkaar plaatsen van leerlingen) geïntensiveerd en ook halfjaarlijks getoetst, waarvan ook de buitenwacht (basisscholen) haar profijt kon doen. Ook speciale projecten rondom sociaal gedrag, het picto-lezen, leerlijnen op het VSO voor praktijkonderwijs en rapportage kregen zelfs landelijke belangstelling en navolging. Thans is de methodiek van José Schraven, die 25 jaar als orthopedagoge op De Schalm werkte en twee jaar geleden verkaste, aan een landelijke opmars bezig. Haar Zo leer je kinde­ren lezen en spellen methodiek vindt alom intrede en wordt door Malmberg op de markt gebracht als een krachtige basis in het lees- en spellings­proces. Voorkomen is beter dan genezen, zo is de gedachte bij deze aan de Palestrinalaan ontwik­kelde methodiek.
Directeur Hoogeveen werd per 1 juni 2000 opgevolgd door de heer Gé Mulder, oud-leer­kracht van 1969 tot 1987 en na het directeurschap op een identieke school in Deventer weer op het oude nest teruggekeerd. Hij leidde de school de nieuwste tijd binnen. De voortgezette afdeling (13 tot 18 jaar) was na de nieuwe Wet op het Basis­onderwijs (1998) overigens al in 1999 losgekop­peld en werd als locatie Oost van het Thomas a Kempiscollege voortgezet.5 Nog wel in hetzelfde gebouw, maar bestuurlijk elders ondergebracht. Tijdens de periode Mulder huisden er tijdelijk ook enige groepen van SBO De Sluis (voorheen de Casimirschool) en een fusie leek toen op termijn tot de mogelijkheden te behoren, waarmee de tijd van weleer (1930-1961) terug zou kunnen keren. Die vlieger ging na vele jaren overleg en ook wel kopzorgen echter niet op. Ontwikkelingen rondom het samenwerkingsverband SBO/BAO6 (‘Weer samen naar school’), een nieuw opgericht schoolbestuur (Catent), de Brede School en geïn­tensiveerd inspectietoezicht, waarbij leerlijnen en verantwoording ook schriftelijk nadere uit­werking vereisten, waren in de periode Mulder hoogst actueel. Daarbij kreeg De Schalm, na het vertrek van De Sluis, ook nog inwoning van de Taaltrein (opvang voor kinderen tot vier jaar met ernstige taal- en spraakproblemen) en een spe­ciale buitenschoolse opvang binnen de poorten. Bij het afscheid van Mulder werd de schoolnaam omgedoopt in Facet, onder het motto ‘wij laten kinderen schitteren’!
Facet
Mathieu Bootsveld is na de heren Maas, Hoo­geveen en Mulder de vierde directeur in succes­sie. Aan hem de taak om Facet een prominente plaats te laten behouden in het proces Passend Onderwijs. Daarnaast moet hij onder meer het traject Handelingsgericht Werken (HGW), dat het schoolbestuur Catent de komende jaren op alle katholieke scholen onder zijn beheer intro­duceert, verder gestalte geven. Naast de zorg van Bootsveld voor alle zaken die al onder zijn voor­ganger in gang zijn gezet, wordt ook gaandeweg een compleet nieuw leerlingvolgsysteem inge­voerd. Met de viering van het gouden jubileum rust nog een extra taak op zijn schouders, maar de kersverse directeur is ook een kei in delegeren.
Facet draagt nog het predicaat rooms-katho­liek, maar van kerkelijke bemoeienis is nauwelijks meer sprake. Alle Zwolse parochies zijn opgegaan in één geheel. De Michaëlkerk – waaronder de school oorspronkelijk ressorteerde – is gesloten, er zijn alleen wat losse contacten met de Ver­rijzeniskerk in Holtenbroek. Kerkelijke feesten worden niet meer op school voorbereid en zijn louter parochiële zaken geworden. Het biech­ten, de voorbereiding op de eerste communie en het vormsel zijn derhalve fenomenen uit de beginjaren. Catechese wordt echter nog steeds gegeven, in de vorm van de zogeheten projecten van ‘Hemel en aarde’, waarin ook Bijbelverhalen aan bod komen. Vaste vieringen zijn er rondom Kerstmis en Pasen, waarbij de Vastenactie een jaarlijks project is om kinderen bij noden elders op de wereld te betrekken. In dat kader bezoeken leerlingen soms nog een kerk. Respect, goede omgangsvormen, naastenliefde en oog voor de schepping en andere godsdienstige uitingen staan hoog in het vaandel in de visie en missie van Facet.
Al met al hebben in een halve eeuw rooms-katholiek speciaal onderwijs zo’n pakweg vijf­duizend leerlingen in en rondom Zwolle hier onderwijs genoten. Het topjaar was ongetwijfeld 1983 met maar liefst 248 aan de inspectie opgege­ven leerlingen op de SO- en VSO-afdeling samen. Reden om in het voorjaar van 2012 extra aandacht aan dit jubileum te besteden met onder meer een weerzien van oud-leerlingen en personeel. Twee Facet-teamleden hopen een prachtig jubileumboek van de persen te laten rollen met vele kiekjes uit de oude doos. Ook het huidige schoolbestuur Catent hoopt men in de feestvreugde te betrekken.
* Het jubileumboek Van Bonifaciusschool via De Schalm naar Facet, 50 Jaar katholiek speciaal onder­wijs in Zwolle wordt op de reünie op dinsdag 26 juni a.s. gepresenteerd. Het boek kan daar aangeschaft worden. Daarna kan het boek gekocht en afgehaald worden op de administratie van Facet aan de
Palestrinalaan 915. De prijs is nu nog niet bekend.
Noten
1. De Lager Onderwijswet van 1920 noemde het buitengewoon onderwijs apart. Buitengewoon on­derwijs was bestemd voor die kinderen die ‘wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijke oorzaken niet in staat zijn het gewone onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun Buitengewoon Onderwijs te doen geven.’
2. Voluit de Professor dr. R. Casimirschool. Rommert Casimir (Kollum, 1877 – Voorburg, 1957) was een Nederlands opvoedkundige en onderwijsvernieu­wer. Tegenwoordig heet de school SBO De Sluis en is gevestigd aan de Zwarteweg.
3. Visies in historisch perspectief op mensen met een handicap: – het separatiebeginsel (tot ongeveer eer­ste helft twintigste eeuw). Positief: de gehandicapte wordt liefdevol behandeld, negatief:de gehandi­capte wordt buiten de maatschappij geplaatst;
– het normalisatieprincipe (na 1945). Positief: de gehandicapte wordt niet alleen verzorgd, maar moet zich ook aanpassen aan de eisen van de maat­schappij. Negatief: er bestaat het gevaar van schijn­aanpassing, de gehandicapte wordt overvraagd;
– het integratieprincipe (vanaf 1970). Positief: meer gelijkwaardigheid tussen mensen met en zonder handicap. Negatief: overaccentuering van de eigen­heid van het kind, zonder rekening te houden met de eisen van de maatschappij.
4. KOV: katholieke onderwijs vakvereniging.
5. Met de Wet op het Basisonderwijs (1998) ver­dwenen de speciale scholen voor moeilijk-lerende kinderen (SO-MLK) en de speciale scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (SO-LOM) als naam uit de wet. Beide schoolty­pen zijn samengevoegd en gaan verder onder de naam: Speciaal Basisonderwijs (SBO). In deze wet is het niet meer geoorloofd als SBO-school een voortgezette afdeling (VSO-MLK) te voeren. Men kreeg drie jaar de tijd om de VSO-afdeling af te stoten. Met ingang van het schooljaar 1999-2000 is de VSO-afdeling overgedragen aan het Thomas a Kempiscollege en deze draagt nu de wettelijke naam: School voor Praktijkonderwijs.
6. SBO/BAO: speciaal basisonderwijs / basisonderwijs.

Willem Damman

Het gebouw van de oude naai- en brei­school van de Armen­inrichting uit 1885 was gelegen tussen de gasfabriek (links) en de gevangenis (rechts). De Bonifaciusschool werd er in 1961 gehuisvest. Luchtfoto uit 1947. (Uit: Oud Zwolle van­uit de lucht)

18 zwols historisch tijdschrift

De Bonifaciusschool, gelegen achter de gevan­genis, in het begin van de jaren zeventig.
(Collectie HCO)

Register oudste personeel Bonifacius
(geboortejaar, -plaats en opleidingsschool)
1961: L.H.C. Maas (1916, Valkenswaard – St. Gerardus Majella, Dongen)
A.C. Leyssen-Doodkorte (1937, Leeuwarden – St. Lucia, Rotterdam)
Geppaart-Van der Linden (1932, Waalwijk – St. Antonius, Dongen)
1962: S.P.M. Fecunda (1937, Willemstad Curacao – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
E.A.M. Geerdes (1939, Avereest – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
Stoffels-Pohlman (1914, Voorst, invalster)
G.J. Wunnink (1940, Weerselo – Rijkskweekschool, Coevorden)
1963: J.E. Homma (1931, Steggerda – St. Louis, Oudenbosch)
Zr. Jacqueline Hutten (1924, Boxmeer, tijdelijk)
M.E.J. Haage (1943, Zwolle – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
1964: D.F. van Velzen (1938, Zutphen – Insula Dei Kweekschool, Arnhem)
P.H. Schunselaar (1942, Zwolle – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
G.A.A Krüse-Roesink (1939, Borger – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
1965: J. Lorijn (1932, Arnhem – Rijkskweekschool, Deventer)
A.M.C. Spoelstra-Hulsenbek (1938, Deventer – Voorzienigheid, Amsterdam)
J.H. Willemsen (1941, Ommen – Voorzienigheid, Steenwijkerwold)

zwols historisch tijdschrift 19

De nu bijna 96-jarige Mimi Steinebach maakte zich sterk voor een rooms-katholieke BLO, maar zou er nooit werken. (Foto auteur)

20 zwols historisch tijdschrift

Katholieke scholen in Zwolle en herkomst eerste leerlingen Bonifaciusschool
Al in 1857 werd door de Zusters van Liefde aan het Gasthuisplein (destijds Gesticht genoemd) onderwijs gegeven aan katholieke meisjes, terwijl katholieke jongens terecht konden op de St. Aloysiusschool op de hoek Koestraat-Praubstraat. In tegenstelling tot het openbaar onderwijs was die stichting louter een privézaak en moest men voor alle kosten zelf opdraaien. Voor jongens moest meer schoolgeld betaald worden dan voor meisjes. In 1889 kwam weliswaar een bezoldiging van rijkswege voor personeel af, maar voor gebouwen, leer­middelen en inventaris moest de school de eigen broek ophouden. Door de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in 1920, waarvoor jaren strijd was geleverd (de zogeheten Schoolstrijd), was het mogelijk eigen scholen van rooms-katholieke signatuur te stichten. Ook de katholieke bevolking van Zwolle profiteerde maximaal van de nieuwe onderwijswet, want na 1920 boden de fraters van Tilburg (Van Roijensingel 7), die voor het eerst in 1892 in Zwolle als onderwijzers actief waren, extra hand- en spandiensten aan. In de verzuilde samenleving van destijds domineerden zusters en fraters decennialang het katholieke onderwijs. Het waren de hoogtijdagen van het Rijke Roomse leven, waarin kerk, school, gezin en standsorganisaties een eigen eenheid vormden. In het onderwijs ging alle aan­dacht weliswaar uit naar de lagere scholen, maar de zusters en fraters zagen ook kans een begin te maken met het voortgezet onderwijs. De LO-wet van 1920 kende namelijk ook een paragraaf voor uitgebreid lager onderwijs (ULO), waarvan de bekostiging in feite identiek aan die van lagere scholen was. Zo ontstonden al de Theresia-ULO en St. Anna Nijverheidsschool rondom het complex van de zusters aan de Vijfhoek, terwijl de fraters pionierden met de Antonius ULO aan de Grote Baan. In 1939 besloot het schoolbestuur
‘De Twee R.K. Parochiën van Zwolle’, waarin flink wat geestelijkheid vertegenwoordigd was, de lagere scholen parochiegewijs te verdelen. Dit werd mede ingegeven door de penibele situatie van de gemeentefinanciën. Kinderen konden zeven leerjaren (later acht) doorlopen op de jongens- en meisjesschool van de eigen parochie. Vanouds behoorde zuid-west Zwolle aan de Onze Lieve Vrouweparochie (Peperbus, Ossenmarkt) toe, terwijl noord-oost Zwolle bij de St. Michaël (Roggenstraat) kerkte. De scheidslijn lag tussen Zwartewater, Melkmarkt, Gasthuisplein en het Almelose Kanaal. Zo kwam de school aan het Aa-plein (vroeger St. Jozef geheten) voor jongens van de Michaël­parochie beschikbaar. De school kreeg dezelfde naam als de patroonheilige, Michaël. Meisjes konden terecht op de Irmgardisschool aan de Hofstraat (Dieze). Later zou daar ook de Franciscusschool in de buurt verschijnen (Molenkampsweg). De parochie van de Peperbus kende de Heilig Hartschool voor meisjes (zusters) en de St. Aloysiusschool voor jongens (fraters), die al decennia in dezelfde gebouwen vertoefden. Omdat ook Assendorp inmiddels een eigen parochie had, verschenen hier de Mariaschool (Assendorperstraat) en Thomas­school (Bleekerstraat), waarbij deze jongensschool later verkaste naar de Assendorperdijk en als Sint Jozefschool verder ging. In 1961 kwa­men de eerste leerlingen van de Bonifaciusschool voor BLO derhalve van de volgende katholieke lagere scholen uit stad en ommelanden (met tussen haakjes adres en schoolhoofd):
Mariaschool (Assendorperstraat 71, Zuster Dorothea, meisjes)
Michaëlschool (Aplein 7, Frater Wendelinus, jongens)
Jozefschool (Assendorperdijk 275-51, tijdelijk frater, jongens)
Franciscusschool (Molenkampsweg 19-11, G.F. Haage, jongens)
Irmgardisschool (Hofstraat 16, F.J.M. Wiersma, meisjes)
H. Hartschool (Vijfhoek 7, Zuster Arsana, meisjes)
Radboudschool (Bachlaan, J.W.J. Schoonaard, jongens en meisjes)
Kerspelschool (Westenholte, Van Mulkom, jongens en meisjes)
St. Jozef (Wijthmen, Kroesenallee 23, A.J.H. Bisschop, jongens en meisjes)
Uit omliggende plaatsen en parochies:
Aloysiusschool Dalfsen (Zr. Louisa), St. Cyriacusschool Hoonhorst (J.A. Overmars), Onze Lieve Vrouweschool IJsselmuiden,
Mgr. Zwijssenschool Kampen (Zr. Henrica, meisjes, G.J. Leferink, jongens), St. Jozefschool Hattemerbroek (W.H. van de Schepop),
St. Andreasschool Hattem, St. Josefschool Wijhe (J.H. Teunissen), St. Nicolaasschool Lierderholthuis (A.G.B. Spit), H. Barnardus­school Ommen (J.H. Fikkert), St. Willibrordus Vilsteren (J.H. de Wit), St. Stephanusschool Meppel (S. Flapper), St. Nicolaasschool Vollenhove (V.H. Martens), St. Clemensschool Steenwijk (Th.C.A. Huis in ’t Veld), St. Gerardus Majella Steenwijkerwold
(Zr. Aloysi), Mariaschool Ens (J. Huizinga), St. Bonifaciusschool Kraggenburg (H.H. Clerx) en Mariaschool Marknesse (J. v/d Bles).

zwols historisch tijdschrift 21

Theo Hoogeveen was de tweede directeur van de Bonifaciusschool. Hem komt samen met zijn personeel de eer toe de Bonifaciusschool en De Schalm (sinds 1974) uitgebouwd te hebben tot een speciale basis­school met methodieken voor het moeilijk leren­de kind. (Particuliere collectie)
In het oude schoolge­bouw werden de lokalen verwarmd met olieka­chels. Gé Mulder staat hier les te geven, augus­tus 1970. (Particuliere collectie)

22 zwols historisch tijdschrift

Groep 4 in het school­jaar 1974-1975, net na de verhuizing naar de nieuwe locatie aan de Palestrinalaan. (Parti­culiere collectie)

zwols historisch tijdschrift 23

Het docententeam in het schooljaar 1974-1975, net na de verhuizing naar de nieuwe locatie. Van links naar rechts, staand: Theo Hooge­veen, Jos Homma, Joop Lorijn, zuster Agnes, Eva Hauling, Jan Bon­garts. Gehurkt: Marise Timmers, Annemiek Weijers, Gé Mulder, Johan Willemsen.
(Particuliere collectie)

Logo van de Schalm. (Particuliere collectie)

24 zwols historisch tijdschrift

Het schoolvoetbalteam dat in 1978 kampioen van Zwolle en daarna regionaal kampioen werd. Ze mochten toen deelnemen aan het landelijke kampioen­schap op het KNVB-sportcentrum in Zeist. Begeleiders van links naar rechts: Gé Mulder, Johan Willemsen, Ber­tus van de Belt, Wim Oud Ammerveld.
(Particuliere collectie)

Teamfoto van de Schalm in het school­jaar 2005-2006. Van links naar rechts, boven: Gé Mulder, Henk Leferink, Odette Tem­mink; midden: Louk de Winter, Maurice de Haan, Wim Damman, Marise Timmers, Karen de Groot, Clementia Postma, Ernst Noord­huis. Zittend: Hanneke Leferink, Ellen Hiem­stra, Marcel Schmeier, stagiaire, Joke Bisschop.
(Particuliere collectie)

zwols historisch tijdschrift 25

Oud-directeur L.C. Maas bij de afscheids- en jubileumreceptie – veertig jaar onderwijs – van Gé Mulder in 2007. (Particuliere collectie)

26 zwols historisch tijdschrift

Kinderen voeren een circusvoorstelling op, 2007. (Particuliere col­lectie)

zwols historisch tijdschrift 27

De Molukkers van Zwolle en hun achtergrond
Zestig jaar geleden kwamen ongeveer vier­duizend Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen naar Nederland. Met hun komst werd een hoofdstuk van onze koloniale geschiedenis afgesloten en werd tevens een nieuw hoofdstuk van immigratie en integratie geopend.
Voorgeschiedenis
De Nederlanders dreven al vanaf de zeventiende eeuw handel met de Molukken. Het eiland Ambon was een van de oudste Nederlandse kolo­nies in Azië. De Molukse kruidnagels en noot­muskaat werden onder het monopoliestelsel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) verkocht.
In 1825 werd het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) opgericht, als onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht. De taken van het KNIL werden omschreven als: ‘handhaving van het Nederlands gezag in de archipel, optreden tegen inheemse tegenstanders en afwering van aanvallen van andere mogendheden’. Het KNIL is bij herhaling ingezet om het gezag in Nederlands-Indië te handhaven en dat gebeurde doorgaans op een weinig zachtzinnige manier.
Er namen relatief veel Molukkers dienst in het KNIL. Door de eeuwenlange contacten met Nederlanders was een deel van de Molukse bevolking overgegaan tot het christendom, velen konden lezen en schrijven en onderscheidden zich daarmee van andere inheemse bevolkingsgroe­pen. De Molukse militairen namen een bevoor­rechte positie in bij het KNIL, ze ontvingen lange tijd meer soldij dan andere niet-Europese bevol­kingsgroepen en stonden bekend om hun loyale houding aan het Nederlandse gezag. De militairen werden overal waar dat nodig was in Nederlands-Indië ingezet. Dat betekende dat de soldaten en hun gezinnen voortdurend werden overgeplaatst. Veel kinderen van Molukse militairen zijn dan ook buiten de Molukken geboren en menig Molukse soldaat trouwde met een meisje uit een ander deel van het land.
Inheemse soldaten van het KNIL leefden met hun gezinnen in kazernes, de tangsi. Europese militairen woonden met hun vrouwen en kin­deren buiten de kazerne. Inheemse militairen en hun gezinnen woonden binnen de omheining in de compagniesgebouwen, chambrees genoemd. Tussen de gebouwen bevonden zich het exerci­tieterrein en grasveldjes. Rond de tangsi was het doorgaans een drukte van belang met stalletjes met etenswaren en winkeltjes waar de vrouwen van de militairen inkopen konden doen.

Tweede Wereldoorlog en dekolonisatie
In januari 1942 viel het Japanse leger Nederlands-Indië binnen. Het KNIL capituleerde na twee maanden van strijd. Molukse militairen vochten aan Nederlandse zijde mee tegen de Japanners. De soldaten van het KNIL werden krijgsgevangen gemaakt. De meeste inheemse militairen kwamen vrij snel weer vrij, maar de Nederlandse KNIL-militairen en een deel van de Molukse militairen werden opgesloten in interneringskampen. Later werden ook Nederlandse burgers in deze beruchte kampen opgesloten. De Molukse militairen wei­gerden hun eed van trouw aan Nederland te her­roepen en werden als straf daarvoor als dwangar­beiders ingezet.
Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstond een gezagsvacuüm in Nederlands-Indië. Nationalisten, die naar onafhankelijkheid van het land streefden, grepen de kans om de koloniale banden met Nederland te verbreken. Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Moham­med Hatta eenzijdig de onafhankelijke Republik Indonesia uit. De strijd die hieruit voortvloeide wordt de Bersiap-periode genoemd. ‘Bersiap’ was de strijdkreet van de nationalisten en betekent ‘wees paraat’ of ‘maak je gereed’. Om de macht weer in handen te krijgen stuurde Nederland een groot aantal militairen naar Nederlands Indië en werden opnieuw inlandse soldaten, waaronder veel Molukkers, voor het KNIL geworven. In een tweetal grootscheepse militaire acties, doorgaans politionele acties genoemd, werd geprobeerd de nationalisten op de knieën te krijgen. In deze strijd zijn vele duizenden slachtof

Lees verder