Categorie

Overig

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 1

Door 2002, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1< I JKEXEMPLAAR Historisch m •in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boven: De Thorbeckegracht
vlak voor de
afbraak van de Marsmanpanden,
ca. 1970.
Onder: De huidige situatie
op dezelfde plaats.
Foto’s: Dick Hogenkamp
Toen het nieuwe winkelcentrum bij de
Broerenkerk voltooid was, werden er plannen
ontwikkeld om ook de panden aan het
water op de kop van de Thorbeckegracht bij de
Diezerpoortenbrug onder handen te nemen. Deze
panden stonden bekend als de zogenaamde Marsmanpanden.
Na de Tweede Wereldoorlog waren
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
deze, van oorsprong i8de-eeuwse pakhuizen sterk
verwaarloosd. Vanaf de Diezerpoortenbrug boden
ze een trieste aanblik.
In een van deze panden zat jarenlang Ten Doesschate
Kruiden met een eigen malerij. De heerlijke
kruidengeur verspreidde zich over het water van
de Thorbeckegracht tot ver in de omtrek. Kenners
konden ogenblikkelijk vertellen of er nootmuskaat
of peper gemalen werd.
De panden waren in de jaren zeventig in een
zodanige staat geraakt dat restauratie of renovatie
niet of nauwelijks meer mogelijk was. Voordat
besloten werd tot de bouw van appartementen die
er nu staan, ging er heel wat water door de gracht.
Het aanvankelijk gepresenteerde ontwerp harmonieerde
totaal niet met de structuur van de
bebouwde omgeving. Dankzij hevige protesten
van de Vrienden van de Stadskern en persoonlijk
‘ingrijpen’ van burgemeester Drijber, die van
mening was dat het bouwplan qua schaal en
karakter te zeer afweek van het bestemmingsplan,
werd uiteindelijk gekozen voor een architectuur
die zich in hoofdvorm voegde naar de aanwezige
bebouwing, zoals nu blijkt uit de verspringingen
in gevels en daken van het appartementencomplex,
de sterk verticale structuur, de kleur van de
baksteen en van de dakpannen. Het is vooral de
inbreng van Han Prins geweest, die met zijn schetsen
toekomstige veranderingen op deze plek
zichtbaar maakte en definitief afrekende met het
oorspronkelijk ontworpen glazen gedrocht.
Toen de appartementen in de verkoop gingen
bleek er zo’n grote belangstelling voor te bestaan
dat ze als warme broodjes over de toonbank van
de makelaar vlogen. De plek was en is zeer gewild
en het uitzicht is uniek. In december 1983 kwamen
de 31 appartementen voor bewoning gereed. Het is
jammer dat spuitgasten de kademuur alweer met
graffiti hebben bewerkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Met dit nummer begint de Zwolse Historische
Vereniging aan haar tweede decennium.
De redactie hoopt dat de vereniging
zich in de komende jaren door haar activiteiten
en natuurlijk ook door publicaties in dit
tijdschrift, in een nog grotere belangstelling zal
mogen verheugen.
Het vierkleurenomslag van het jubileumnummer
was helaas een eenmalige zaak. Nu prijkt, weer
in wit-zwart, het interieur van de Grote Kerk op
het omslag. Op het orgel van deze kerk zal meermaals
de muziek van Johann Carl Röhner te horen
zijn geweest, zoals blijkt uit het artikel van Frits
David Zeiler. Deze musicus zou twintig jaar lang
zijn stempel drukken op het muziekleven in Zwolle.
Hij componeerde, dirigeerde uitvoeringen en
werkte samen met Rhijnvis Feith door diens
gedichten op muziek te zetten. Tijdens het onderzoek
kwam een dichtbundel van Röhner te voorschijn,
die tot nu toe een stil bestaan in het Provinciaal
Overijssels Museum geleid had.
In de tijd dat Röhner zijn muziek ten gehore
bracht in de Grote Kerk, hing het door Bob Erdtsieck
beschreven rouwbord van Johannes van de
Linde daar al enige jaren.
Zo’n 100 jaar na Röhner deed een heel ander
fenomeen zijn intree in de stad: de hockeysport.
Willem van der Veen beschrijft het wel en wee van
de Zwolsche Mixed Hockeyclub, die zich van een
aanvankelijk zeer elitaire club waar hockey onder
wat primitieve omstandigheden werd beoefend,
ontwikkelde tot een goed geoutilleerde vereniging-
Wat de overige artikelen betreft, de redactie
heeft geprobeerd de inhoud gevarieerd samen te
stellen in de hoop dat er ‘voor elk wat wils’ is te
lezen. Veel leesplezier.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle Willem van der Veen
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek Wil Cornelissen
Johann Carl Röhner (1774-1837) Frits David Zeiler
Zwolse fraters / 3 AafjeLem
De tamme spreeuw, Pieter van Noort (1621-1672) Lydie van Dijk
Een rouwbord in de Grote kerk Bob Erdtsieck
Literatuur
Agenda
Auteurs
10
13
26
28
30
33
34
35
Omslag: Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B.,
eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle.
Foto: Provinciaal Overijssels museum.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle
‘Een club der vrijage van de goede standen
Willem van der Veen
Een beeld uit de prilste
begintijd van de Zwolsche
Mixed Hockey
Club. In 1904 was de
(men mag wei aannemen:
vrijwel gehele)
club bijeen op het toenmalige
terrein in Frankhuis
bij de houthandel
Eindhoven. Links op de
achtergrond het huis
van de familie Van
Hall.
Zakelijk opportunisme was in 1902 een
belangrijke factor bij de oprichting van de
Zwolsche Mixed Hockeyclub. Dit is een
des te merkwaardiger geluid als men bedenkt dat
de hockeysport bijna een eeuw synoniem is
geweest met ver doorgevoerde amateurprincipes,
waarbij financiële belangen streng buiten de deur
werden gehouden.
Historische naspeuringen leiden naar één
bepaalde figuur: H.J.van Straten, die aan de Melkmarkt
een zaak in rijwielen en sportartikelen dreef
en die ook bestuurslid was van de thans 100-jarige
Zwolse sportvereniging ZAC. Het verdroot Van
Straten dat omstreeks de eeuwwisseling bij ZAC
alleen maar aan voetbal en wielerpolo werd
gedaan. Hij zag winst in een handeltje van hockeysticks,
dure kromme knuppels die uit Engeland
moesten worden geïmporteerd en waarmee
een voor die tijd gloednieuwe sport kon worden
beoefend.
Wat het spelletje precies inhield wist alleen Jasper
Warner, de legendarisch geworden Zwollenaar
die als één van de Nederlandse sportpioniers
kan worden beschouwd. Rond de eeuwwisseling
was hij voorzitter van ZAC en ook (van 1897 tot
1919) voorzitter van de Nederlandse Voetbalbond
die later het predikaat Koninklijk zou verwerven.
Jasper Warner had hockey in Engeland zien
spelen en toonde zich bereid het in Zwolle eens
met wat ZAC-leden te proberen. Van Straten
voelde er natuurlijk alles voor. Hij importeerde
een partijtje sticks (met onmetelijk lange haken,
twee platte kanten en een rubber ring in het midden
om de handen te beschermen) en vond al
spoedig een twintigtal afnemers die schuchter
tegen de ‘sinaasappel’ (de hockeybal was toen
oranje gekleurd) gingen slaan.
Dit opmerkelijk commerciële detail rond de
oprichting van de ZMHC, die daarmee de hockeysport
als eerste in Oost- en Noord-Nederland
introduceerde, kreeg ik in 1962 – bij het zestigjarig
bestaan van de club – van twee kanten te horen.
Het werd mij verteld in gesprekken met twee destijds
reeds hoogbejaarde oud-Zwollenaren, dr. L.
Bierens de Haan en N.J. Beversen die beiden vóór
1910 in Zwolle met de stick hebben gezwaaid.
Twee vrouwen
De hockeybal rolde voor het eerst op een klein
weilandje achter het huis van de familie Ten Doesschate
die toen in het Klein Weezenland woonde.
Wie kon men daar op zondagochtenden meestal
aantreffen? Natuurlijk Jasper Warner en verder
figuren als Jan Hoven (één van de pioniers van de
landelijke sportjournalistiek), S. ten Doesschate
en H. Deking Dura.
Vaak kwamen er ook twee jonge vrouwen, te
weten Nettie Bierens de Haan (oudere zuster van
een onzer zegslieden) en Mena de Vries. Zij kunnen
beschouwd worden als de eigenlijke oprichtZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sters van de Zwolsche Mixed Hockeyclub. Deze
geëmancipeerde dames vonden het op dat stoppelveldje
bij Ten Doesschate allemaal heel knus en
gezellig – met veel thee en zo -, maar zij voelden
met enkele anderen de behoefte aan een échte club
met een meer geregelde, minder provisorische
beoefening van de hockeysport.
Heren konden – niet dan na strenge ballotage – lid
worden als ze de leeftijd van twintig jaar hadden
bereikt. Voor de dames gold een iets minder strak
omlijnde limiet. Voor haar gold de leeftijd waarop
ze bij de verschillende Zwolse families werden
‘gepresenteerd’ en dan mochten deelnemen aan
de bals en diners, teneinde voor een huwelijk-van-
Samen met o.a. luitenant Van Woelderen (de
latere burgemeester van Vlissingen) en J.D. van
Hall vonden de dames een redelijk geschikt terrein,
een weiland in Frankhuis vlakbij de houthandel
Eindhoven.
Denk niet dat sportfanatisme, atletisch vermogen
en hoog tempo daar toen gewaardeerd werden.
Hockey werd uitsluitend in gemengde vorm
beoefend, dus vrouwen en mannen (zeg in die tijd
liever dames en heren) knus door elkaar heen. Het
ging er rustig en gezapig aan toe. Als de aanvalslinie
zich eens een tijdje uitzonderlijke actief
betoonde, kon het gebeuren dat de backs doodgemoedereerd
een pijpje opstaken.
Witte wiev’n
De heren droegen lange kniebroeken en hoog aan
de hals gesloten truien. De pet op het hoofd ontbrak
vrijwel nooit. De dames waren gestoken in
lange witte gebreide truien en rokken van ribfluweel
die tot op de enkels hingen. Baronesse De
Vos van Steenwijk die in de beginjaren ook meespeelde,
vertelde me in 1962 in haar woning in De
Wijk dat voorbijgangers de handen van verbazing
ineen sloegen wanneer ze dames met zulk een
krankzinnig gedoe bezig zagen. Een boer noemde
ze ‘wiev’n met witte jakk’n’.
stand te worden klaar gestoomd. In de regel was
die leeftijd omstreeks achttien jaar.
Het is wel duidelijk dat hockey in die jaren uitsluitend
weggelegd was voor de gegoede standen,
wat heet!: de allerbeste Zwolse families. Bekijk de
volgende namen die uit enkele oude ledenlijsten
konden worden opgediept: jhr. C. Greven, S. van
Roijen, baronesse De Vos van Steenwijk-van Roijen,
A. baronesse Van Ittersum-van Reede, Jacques
van Reede, mevrouw Braakman-Quarles de Quarles,
ridder J. Bosch Van Rosenthal, J. Schaepman,
J. Doyer en H. van Velzen Coster, allen telgen van
de meest vooraanstaande Zwolse families.
De Pelikaan
Een historisch jaar in het bestaan van de ZMHC is
1906, toen de hockeyers van Frankhuis verhuisden
naar een veld bij De Pelikaan aan de Meppelerstraatweg,
de roemruchte uitspanning van de
familie Dijk. Precies zestig jaar later, in 1966, viel
dit pittoreske café ten offer aan het moderne verkeer.
De plek waar het stond, werd bedolven
onder de vele meters dikke zandlagen van de A 28.
Maar het sportterrein dat zijn naam aan deze uitspanning
ontleende, bleef tot de dag van vandaag
het domein van de Zwolsche Mixed Hockeyclub.
In datzelfde jaar 1906 legden de Zwolse hockey-
Eenfoto uit 1908 van
een (mixed) oefenpartijtje
op de Pelikaan.
Het ‘zwakkegeslacht’
zag er toen geen been in
om de bal in de lange
rokken op te vangen. Op
de achtergrond de toegangsweg
naar de Kranenburg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ers de eerste contacten met andere verenigingen.
Er werden, zoals dat toen heette, ‘matches aangegaan’
met elftallen uit o.a. Zutphen, Velp, en Den
Haag. Het eerste wapenfeit van betekenis was in
1909 het veroveren van de Nijmeegse Samovar, die
in dat jaar voor de eerste maal werd verspeeld.
De gezelligheid stond niettemin voorop. Na
In 1908, toen de ZMHC
zojuist naar de Pelikaan
was verhuisd, poseerde
het herenelftal in het
doel, dat groter van
formaat was dan tegenwoordig.
Van links naar rechts:
staand: S. van Royen,
Louis Bosch van Rosenthal,
E.]. C. Greven,
Jacques van Reede,
Albert Mouw, C.
Hermsen, J.E. baron De
Vos van Steenwijk, Ru
de Goeyen; zittend: Jo
Bosch van Rosenthal,
Jan Schaepman, Boy
Royer, Piet Lechner.
afloop versloegen de heren samen met hun tegenstanders
de dorst in de Grote Sociëteit in de Koestraat.
De dames werden daar niet toegelaten,
maar zij verzonnen een ander uitje. Ze gingen zich
bij banketbakker Baggelaar op de Melkmarkt te
buiten aan taartjes die ze zelf op de rekken in de
winkel konden uitzoeken en daarna in de opkamer
van Baggelaar mochten opeten.
Wanneer het mooi weer was, wandelde de hele
hockeyfamilie na de strijd op de Pelikaan naar de
uitspanning op de Agnietenberg, waar ‘dikke
melk’ werd gegeten en de jongelui een thans vergeten
spel beoefenden dat ze ‘wandspringen’
noemden. Volgens één van mijn zegslieden, de
heer A.D. Wentholt, hielden de hockeyers tedere
herinneringen over aan die tijd. Niet voor niets
betitelden ondeugende Zwolse tongen de ZMHC
in die dagen als ‘een club der vrijage van de goede
standen’.
Met de Jan Plezier
Tot 1915 werden uitsluitend wedstrijden in
gemengd verband gespeeld, maar in dat jaar nam
voor het eerst een herenelftal aan de oostelijke
competitie deel. Hete duels werden uitgevochten
met Deventer, Zutphen, Arnhem en Nijmegen,
maar over resultaten staat in zeer schaars overgebleven
clubannalen bijna niets te lezen. Die werden
in die jaren blijkbaar niet belangrijk geacht…
De Zwolse club werd in hockeykringen beroemder
door de ceremonie die na 1915 aan de wedstrijden
op De Pelikaan voorafging. Wanneer de gasten
– meestal per trein – in de stad waren gearriveerd,
togen zij naar het voormalige hotel De Keizerskroon
in de Kamperstraat, waar ze zich in
sporttenu staken. Daarna ging het in een Jan Plezier
in optocht naar het veld aan de andere kant
van de stad. De Zwolse hockeyers reden er op de
fiets achteraan, waarbij de sportschoenen aan het
stuur bungelden.
In een hoekje van het terrein stond een soort
prieeltje, afgeschut door drie doeken, waar in de
rust gezellig thee gedronken werd. Na afloop
besprak men in de gelagkamer van De Pelikaan
het verloop van de hockeystrijd onder het genot
van ettelijke glaasjes boerenjongens die door de
waardin, Moeke Dijk genaamd, zelf was gebrouwen.
Deze ceremonie bleef tientallen jaren bestaan
(overigens met een wisselend drankenpatroon),
tot in het begin van de jaren vijftig. Schrijver
dezes, die vlak na de Tweede Wereldoorlog ging
hockeyen, heeft nog een teug geproefd van deze
onvergelijkelijke sfeer – een mengeling van studentikoos
standbewustzijn, bravour en boerengemoedelijkheid.
Moeke Dijk
Als middelpunt van rust fungeerde daarin Dina
‘Moeke’ Dijk die met haar omvangrijke gestalte,
gehuld in een zwarte boerenjapon, een tegenwicht
vormde tegen de exclusieve toon die vroeger in
hockeykringen gebruikelijk was. Temidden van de
dubbele tot viervoudige namen, al of niet verlucht
met adellijke titels, voelde Moeke Dijk zich even
goed thuis als in later jaren, toen hockeyende Jansens
en Pietersens geen uitzondering meer waren.
Ze schonk rustig haar kopje koffie, bereid met
degelijke melk – zó van de koe -, tapte haar glaasZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
jes of verkocht een ‘reepien sukela’ uit het antieke
glazen kastje dat niet van de tapkast weg te denken
was.
Nieuwsgierig was ze wel, hetgeen ze in de praktijk
bracht door haar klanten op een handige, terloopse
manier uit te horen. Vaak stelde ze haar
huiskamer achter het café ter beschikking van de
hockeyers als er op de zondagmiddagen teveel
‘gewoon’ publiek in de gelagkamer zat. Op die
dagen werd er meestal bediend door de bejaarde
kelner Beekman die, als de feeststemming tot een
hoogtepunt was gestegen, weieens bereid bleek op
een stoel te klimmen om lichtelijk scabreuze liederen
uit de oude doos te zingen.
In de jaren vijftig kwam er een einde aan het
knusse, oubollige samenzijn bij Dijk. Op den duur
voelden de ZMHC-ers zich niet meer thuis in de
gelagkamer, waar de sfeer langzaam veranderde.
Een nieuw, agressiever cafépubliek mengde zich
op de zondagmiddagen tussen de Zwolse hockeyers
en hun gasten. Dat botste. Aangeschoten lieden
bemoeiden zich met de hockeyers, waardoor
vaak een onbehaaglijke stemming ontstond.
Enkele ZMHC-ers die meer te verteren hadden
dan de gemiddelde schooljongen, hadden er
genoeg van. Zij ontdekten ’t Pothuys, een van de
eerste bars van Zwolle. En tegelijk een van de sjieke
soort, gevestigd als hij was in het souterrain van
Grand Hotel Wientjes, het duurste etablissement
van de stad.
Deze horeca-gelegenheid-van-de-modernesoort
met zijn populaire barkeeper Ynze Conradi
– een échte heer die prima in hockeykringen paste
– bleef meer dan twintig jaar de vaste uitwijkplaats
na de wedstrijden. Totdat in de jaren zeventig het
eigen ZMHC-clubhuis, dat inmiddels op de Pelikaan
was gebouwd, een zodanige accomodatie
kreeg dat de ontvangst van gasten – heilig in de
hockeywereld – in eigen beheer genomen kon
worden.
Primitief
Terug naar de jaren twintig. Toen konden de
ZMHC-ers in hun stoutste dromen niet aan een
eigen clubhuis denken. Het was maar een primitief
gedoe op de Pelikaan, ondanks het feit dat het
herenelftal in de hoogste afdeling speelde. Kleedruimte
ontbrak nagenoeg en vele maanden van
het jaar graasden de schapen van Dijk op het veld.
Onder de leden moeten overigens voldoende
financiële middelen hebben gezeten, maar de club
merkte daar niet veel van. Kijk eens naar de
namen van een elftal dat omstreeks 1920 op de
oostelijke velden opereerde en waarvan de opstelling
bewaard is gebleven. Het bestond uit: J. Schaepman,
F.A.C. Gregory, jhr. J.F. Berg, jhr. H. Hora
Siccama, W. Loos, mr. J.W. Willinge Gratama,
ridder J. Bosch van Rosenthal, jhr. J.G. van Spengler,
W.C. Graaf van Rechteren Limpurg, S.M.S.
Reitsma en J.C. van Reede, de ‘grote kleine Sjakie’,
zoals deze gefortuneerde Zwollenaar werd
genoemd.
Ook de damesafdeling uit die tijd mag niet vergeten
worden. Enkele vooraanstaande speelsters
waren de dames Kloos-Thiebout, baronesse J.J.M,
van Boetzelaer-Royaards, Jentink-van Holthe en
A.E. Eeftinck Schattenkerk-Tjeenk Willink.
Nieuwe generatie
In de jaren twintig begon de glorie van de oude
‘Mixed’, die jarenlang een steunpilaar van het oostelijk
hockey was gweest, te tanen. Vele goede spelers
verlieten de middelbare school, gingen elders
studeren of werden opgeslokt door de handelswereld.
Daarbij liet de aanvoer van jong bloed zeer te
wensen over, zozeer zelfs dat in 1924 het trieste
besluit moest worden genomen het clubleven
Een ZMHC-feest rond
1934 in de gelagkamer
van De Pelikaan. Rechts
(op een stoel) ‘Moeke’
Dijk en de legandarische
kelner-zanger
Beekman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
geheel stil te leggen. Een kleine vijfjaar bestond de
club alleen in naam. Maar als men aan het einde
van de jaren twintig eens bij het weilandje van de
Boschbleek in het Klein Weezenland ging kijken,
kon men daar de eerste levenstekenen van een
nieuwe, minder exclusief aristocratische hockeygeneratie
aanschouwen.
Telgen van de katholieke, kinderrijke familie
Oldenhof en hun yriendjes sloegen met zelf
gemaakte sticks (krom getrokken knuppels) tegen
een hockeybal. Spoedig daarna werd de ZMHC
met succes nieuw leven ingeblazen en werd er
weer druk gehockeyed op de Pelikaan. In een oud
jaarverslag staat: ‘Het terrein is oneffen, de kleedgelegenheid
zeer primitief, maar de mooie ligging
en de gastvrijheid bij Dijk maken veel goed.’
De club ging weer meetellen in het oosten en
bereikte in 1934 opnieuw de eerste klasse. Namen
uit die vooroorlogse jaren: Karel Remmers, Pim
Lankhorst, Jurriaan Tjeenk Willink, Henk Fernhout,
Hein Sluiter, Harry Koedijk, Coen Oosterwijk
en Pieter Potasse. In 1935 kreeg de ZMHC
zowaar een permanent onderkomen, een houten
kleedgebouwtje dat van de voetbalclub Swift was
overgenomen.
Merkwaardig genoeg was in de oorlogsjaren
van een vermindering van het clubleven geen
sprake. Dat had zelfs rechtstreeks met die oorlogsomstandigheden
te maken. Het Centrale Distributiekantoor
werd van Den Haag naar Zwolle verhuisd,
hetgeen een flinke import van goede westelijke
hockeyspelers veroorzaakte. De ZMHC
boekte een record aantal leden en was korte tijd
schier onverslaanbaar op de oostelijke velden.
Rampzalig plan
Na de bevrijding kwam er snel een einde aan deze
bloei en ging de ZMHC een van haar moeilijkste
perioden tegemoet, ondanks heldhaftig verweer
van de toenmalige voorzitter Wim Gepkens en de
jonge wedstrijdsecretaris Theo Föster. Juist in die
tijd zette schrijver dezes als jonge scholier zijn eerste
schreden op het hockeyveld en was dus in de
gelegenheid om de deplorabele toestand waarin
de club buiten haar schuld was komen te verkeren,
uit de eerste hand mee te maken. De gemeente
Zwolle had namelijk een voor de ZMHC rampzalig
plan opgevat om vlak achter de Pelikaan een
crematorium te bouwen. Uit overwegingen van
piëteit moesten de hockeyers van het toneel verdwijnen.
De treurende nabestaanden zouden weieens
geschokt kunnen worden door dravende
vrouwen en mannen met een schaars stukje bloot
been…
Er werd een nieuw onderkomen gevonden: het
Wilhelminaterrein in de Veeralleebuurt, waar de
Zwolse Lawn Tennisbond zojuist een aantal nieuwe
tennisbanen was gaan bespelen. Een even
onvermijdelijke als financieel armlastige stichting
moest zorgen voor de uitvoering van deze plannen.
Het oude hockeykleedhok werd alvast naar
de Veerallee verhuisd om ook de tennissers onderdak
te verschaffen. Op dit Wilhelminapark is in
clubverband nooit één hockeybal geslagen, sterker:
de operatie kostte de ZMHC bijna het leven.
Rond 1948 was er op de Pelikaan niets meer
over dan een paar vermolmde hockeydoelen. De
club kwijnde snel weg. De damesafdeling ging
geheel ter ziele en er kon nog slechts één herenelftal
op de been gebracht worden. Wonder boven
wonder mocht dit dankzij de inbreng van een
handjevol zeer ervaren spelers als Fons Toebosch,
Wim Quirijns, Hein Sluiter, Sjef van der Muur,
Jan Overmars, Frans Oldenhof en de uit Den Haag
afkomstige oud-international Paul van de Rovaart
in de hoogste afdeling uitkomen.
De gerenommeerde gastelftallen troffen in
Zwolle een accomodatie die elke beschrijving tartte.
Of liever: er was helemaal geen accomodatie.
De spelers moesten zich verkleden in de oude veestal
van Dijk, letterlijk tussen de dampende koeien
en in de stank van het persvoer. Wie zich na de
strijd wilde verfrissen was – in hartje winter – aangewezen
op de koperen pomp met houten zwengel
die buiten op het erf van Dijk stond.
Gelukkig ging de verhuizing naar het Wilhelminapark,
waar slechts ruimte voor één veld was,
op de valreep niet door. De gemeente zag haar
plannen voor het crematorium in de ijskast belanden
en de ZMHC kon aan de Pelikaan blijven.
Groei
Rond 1950 tekenden zich de eerste verschijnselen
af van de later zo onstuimige groei. Er verscheen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hockeyveld aan de
Pelikaan, zoals het er
tot het eind van de jaren
vijftig bij lag. Middenachter
het houten clubhuisje.
Rechts de stal
van de uitspanning die
na de oorlog enige jaren
als kleedgelegenheid
diende.
een wekelijks clubblad dat de sfeer in de vereniging
zeer ten goede kwam, er werd een – overigens
nog bescheiden – houten clubhuis gebouwd en er
kwam een plotselinge toevloed van jeugdige leden.
Spelers als Theo Föster, Willem van der Veen,
Jarig Haasdijk, Wilfred Alberts en Jan de Gruyter
zorgden er in 1953 eerst voor dat de ZMHC in de
eerste klasse terugkeerde en zetten in 1958 de
kroon op hun werk met een oostelijk kampioenschap
en eervolle deelname aan de strijd om de
landstitel.
Het eerste dameselftal promoveerde in 1955
naar de eerste klas en werd het jaar daarop direct
reeds oostelijk kampioen met speelsters als Alette
Huytker, Toos de Jong, de zusjes Eeftinck Schattenkerk,
Elly van der Waarde en Els van Hees.
Sinds die tijd groeide de ZMHC uit tot een
strak geleide, goed geoutilleerde hockeyvereniging.
Zij bracht een aantal internationals en nationale
bestuurders voort, zij introduceerde kunstgras
in Zwolle en zij acteert met tussenpozen op
het hoogste landelijk niveau. Met een ledental uit
een brede laag van de Zwolse bevolking heeft de
ZMHC de oude betiteling ‘club der vrijage van de
goede standen’ ver achter zich gelaten.
SONNET OP DE PELIKAAN
Begraven onder dikke lagen
haastig opgespoten zand
die gestaag de wielen dragen
ligt mijn oude dromenland.
De kroeg mocht niet geweldig heten
met het hobbelig biljart,
laken tot de draad versleten,
en de kachel, roestig zwart.
Maar het was de eerste plek
waar ik vorst’lijk heb gezeten,
klappen op de schouder kreeg
en na zwoegen, rennen, zweten,
van rechtsbuiten tot linksback,
af en toe een wolk besteeg.
WILLEM VAN DER VEEN
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek
Wil Cornelissen Bij de herinwijding van de Zwolse synagoge
op 20 september 1989 hield de toenmalige
burgemeester van de stad mr. G. Loopstra
een indrukwekkende rede. Daarin schetste hij het
wel en wee van de Joodse Gemeente van Zwolle
door de eeuwen heen.
Aan het eind van deze redevoering maakte de
heer Loopstra (tegenwoordig voorzitter van de
Stichting Voortbestaan Synagoge) bekend, dat in
Zwolle-Zuid in Schellerbroek een aantal straten
genoemd zou worden naar joodse Zwollenaren,
die het slachtoffer werden van de vervolging.
De zes vernoemden zijn te beschouwen als een
‘vertegenwoordiging’ van al die honderden Zwolse
joden die in de Tweede Wereldoorlog om het
leven zijn gebracht. Deze zes zijn door de gemeente
gekozen uit een aantal dat was voorgedragen
door de Israëlitische gemeenschap. De doorgaande
straat heeft de naam Diasporalaan gekregen,
waarmee de verstrooiing van de joden buiten
Palestina wordt aangeduid.
De straten zijn – van west naar oost – genoemd
naar:
Izak Os
27.12.1870 Zwolle – 9.7.1943 Sobibor
Izak Os, mijn grootvader, op latere leeftijd voor
veel Zwollenaren, ook buiten de familie ‘oom
Izak’, was handelsman. Met zijn vrouw Lea Os-
Spits en hun vijf kinderen heeft hij op vele adressen
gewoond. Op de kaart van het bevolkingsregister
Boven: Gezicht vanaf de brug over de Zandwetering
bij de Bierton in de richting van de stad. Op deze
weilanden verrees de nieuwbouw van de wijk Schellerbroek.
In de verte is links Stork Dieselmotoren te
zien. Rechts van de Peperbus staat het huis van
D. Sluiter, vroeger aan het Schellerpad geadresseerd,
thans Pilotenlaan 64. De foto dateert uit 1972.
Onder: Plattegrond van de wijk Schellerbroek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
staan vermeld: Wilhelminasingel, Diezerstraat,
Spoelstraat, Bitterstraat, Eiland, Jufferenwal, Roggenstraat,
Thorbeckegracht, Deventerstraat, Tuinstraat,
Derk Buismanstraat. Deze reeks straatnamen,
aangevuld met de familieverhalen, geven een
(onvolledig) beeld van de op- en neergang van de
handel. Soms verdiende opa goed, maar soms ging
ook alles verkeerd. Hij staat te boek als ‘koopman
in emaille goederen’ en de potten en pannen kan ik
mij uit m’n jeugd nog wel herinneren. Maar ook in
andere zaken is wel gehandeld als dat zo uitkwam.
Enigszins ongewoon voor iemand in zaken is
het feit, dat Izak Os zich al in een heel vroeg stadium
aansloot bij de SDAP. Bekend is het verhaal
(hij vertelde dat zelf zo graag), dat hij dan wel niet
behoorde bij de twaalf oprichters van de partij –
zij werden spottend de twaalf apostelen genoemd
– ‘maar ik was dan toch zeker de dertiende’. Hij
heeft ook nog een aantal jaren voor SDAP in de
Zwolse gemeenteraad zitting gehad.
Doodziek is hij, samen met zijn vrouw, als een
der laatste joden uit zijn huisje in de Derk Buismanstraat
gehaald.’
David Spanjar
12. 6.1886 Zwolle – 27.11.1943 Auschwitz
Een bekende bakker. Zijn winkel, Praubstraat 1
(ongeveer op de plaats waar nu de VW is gevestigd),
was goed beklant. Vooral op zondagmorgen
stond de zaak vol met joodse en niet-joodse Zwollenaren,
die allemaal vers brood en/of gebak kwamen
kopen.
David Spanjar was een van de joden die bijna
iedere dag naar de ochtenddienst in sjoel gingen, ’t
Was er nooit erg vol, maar er was wel minjan.2
Spanjar was niet de enige kosjere bakker in
Zwolle. Er waren ook nog de zaken van Andries
Troostwijk en Abraham Wolff.
Hartog Stibbe
2. 6.1886 Zwolle -19.10.1942 Auschwitz
Siegfried Hartog Stibbe was musicus. Hij is lange
tijd concertmeester van het Berlijns Philharmonisch
Orkest geweest. Zijn eerste opleiding kreeg
hij op de Zwolse muziekschool.
In Duitsland liet hij zich Henri noemen.
Omdat hij als klassiek musicus niet dik werd
betaald, leidde hij ook een zigeunerkapel, waarmee
hij ’s avonds laat in restaurants speelde. Als
leider hiervan had hij veel succes.
In de jaren dertig kwarri faij terug naar Nederland.
Hij heeft toen nog een tijdje in de Van Hattumstraat
2a in zijn geboortestad gewoond. Later
is hij naar Amsterdam verhuisd. Vandaar is hij
naar Polen gedeporteerd.
Flora Bilderbeek
2. 8.1883 Zwolle -19. 2.1943 Auschwitz
Eigenlijk Flora Bilderbeek-Denneboom. Zij was Laatste foto van Izak Os
Op heden den iC–^-2—*>>^ <-^ ^-^*-*-»^»--i^w^<^^^— ><^*^-^-* des jaars negentienhonderd negen en dertig, verschen/i voor nrffAmbtenaar van den burgerlijken :Stand der gemeente Zwolle, in het openbaar in het gemeentehuis: Deel van de huwelijksakte van Flora Denneboom en Onder: Hartog Stibbe David Bilderbeek (2/juli 1939) 12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Links: Ter Pelkwijkpark nr. 5, waar Hendrina Broekman haar pianolessen gaf. Foto: W. Cornelissen Rechts: Burgerlijke stand uit de Zwolse Courant van 4.1.1943 een in Zwolle zeer bekende vroedvrouw. Er moeten nog veel Zwollenaren zijn, die door haar op de wereld zijn geholpen. Haar laatst bekende adres was Rodetorenplein 9. Zij is nog in 1939 getrouwd met David Bilderbeek. Hendrina Broekman 9. 4.1889 Zwolle - 3. 9.1943 Auschwitz Hendrina Broekman was pianolerares. Ze woonde eerst in de Kamperstraat op nummer 8, boven de zaak van Olland. Later gaf ze lessen in haar huis Ter Pelkwijkpark nr. 5. Zij was een ongetrouwde, statige, beetje dikke dame 'met prachtig haar'. Haar twee broers hadden een veilinghuis: 'De Witte Roos' op de Melkmarkt op nr. 20. Mirjam van Zwaanenburgh 1.1.1943 Zwolle - 23. 7.1943 Sobibor Mirjam Chaja van Zwaanenburgh was de kleindochter van de laatste opperrabbijn, Samuel Juda Hirsch. Haar ouders waren Nathan van Zwaanenburgh en Jenny Hirsch. Haar vader was secretaris BURGERLIJKE STANTD Ondertrouwd: 4 Jan F. W. Feith, van Rossumstraat 21 en M. de Jong. van Ittersumstraat 51 Getrouwd: 4 Jan B. Flikken en N Talma, Sophiastraat 37. Geboren: 31 Dec Willem Marinus, z. van J. Zwart en E. van Wingerden Hattem — 1 Jan. Mirjam Chaia. d' van N. van Zwaanenburgh en J Hirsch, Schoutenstr 14. — 2 Jan. Rensje, d. van G. Beernink en L Dekker, Gennestraat 15. — Johanna Gerridina. d van D. Heidoorn en J. Bosch. Assendorperdijk 5 — Pieter Christiaan Wilhelm, z. van P. van den Akker en W van der Horst, Molenweg 125. — Marrigie d. van K. Vis en J. Souwman, Vollenhove. — Hendrik je d. van G van het Hul en A Popping. Thomas a Kempisstraat 31. — 3 Jan. Lambertus. z. van K Huisman en A. Grevelink. Lindestraat 75 — Hendrika Maria Francisca. d van A. Th Overmars en M Visscher, Achterom 140.— Hendrik, z. van M. Riesebosch en J. Withaar, Molenwes 90 — 4 Jan. Maria Agatha Elisabeth. d van J. H Basseijn en van de Zwolse joodse gemeente. Het gezin woonde in de Schoutenstraat op nr. 14, naast de synagoge. Mirjam is een halfjaar oud geworden. Ik heb de stellige indruk dat de Mirjam van Zwaanenburghstraat de enige straat in Nederland is, die naar een baby is vernoemd... Noten 1. Zie ook W. Cornelissen, Izak Os (1870-1943), in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1992) 47-50. 2. Tien volwassen mannen, een minimum aantal dat aanwezig moet zijn om dienst te kunnen houden. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Johann Carl Röhner (1774-1837) Een muzikant met hartstocht Sinds de laatste restauratie wordt de Zwolse Broerenkerk met enige regelmaat gebruikt voor concertuitvoeringen. Daarmee is een oude traditie in ere hersteld. In het begin van de vorige eeuw kon de burgerij in dezelfde omgeving namelijk kennis maken met 'het alom beroemde Meesterstuk van den grootsten der Toonkunstenaren', Joseph Haydn's 'Schöpfung'. De première vond plaats op 2 december 1803 en had zoveel succes, dat een herhaling volgde in maart 1804.' De leiding berustte bij de Kamper organist en 'muziekdirecteur' Cornelis Berghuijs, die de in 1801 in Amsterdam geïntroduceerde Nederlandstalige versie van Johannes Kinker gebruikte.2 Behalve de dirigent kwam ook een deel van de instrumentalisten (en vocalisten) van buiten Zwolle; het Deventer muziekgezelschap 'Unis par les sons de la musique' had in 1803 natuurlijk niet zonder bedoeling de partituur van Haydn's oratorium aangeschaft.3 Trouwens, ook de enkele jaren eerder overleden Zwolse 'primarius' Johann Gottlieb Nicolai had deze muziek in zijn bezit.4 Naast de Broerenkerk werden ook de Bethlehemse Kerk en de Grote Kerk voor uitvoeringen in grote bezetting gebruikt, terwijl de Nieuwe Concertzaal in de Bloemendalstraat geschikt was Frits David Zeiler Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B., eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle. Foto: Provinciaal Overijssels museum. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT ir., ''érf/*»"P% de het spoor van zovele musicerende landgenoten en kwam in Nederland terecht (zijn broer Georg Wilhelm zou hem een jaar of tien later volgen). Begin 1797 vinden we hem in dienst van de Bataafse Republiek als 'Musicant by de tweede halve Brigade Infantery', die in Arnhem in garnizoen lag. Daar had hij de 'jongedochter' Anna (ook: Johanna) Maria Bergman leren kennen, die hij op 19 februari 1797 huwde. Zij kregen vier kinderen, van wie Johann Ludwig Moritz (1798) en Carolina Elisabetha (1800) in Arnhem, Friederica Amalia (1803) en Georg Wilhelm (1806) in Zwolle werden geboren. De beide zoons zouden net als hun vader beroepsmuzikant worden.6 Een musicus was in die tijd een generalist. Hij moest niet slechts één instrument beheersen, maar naast het 'klavier' (orgel, clavecimbel en spoedig ook fortepiano) ook tenminste de viool kunnen bespelen, liefst de fluit, daarbij goed kunnen zingen, improviseren en ensemblespelen.7 Muziektheoretische kennis, vaardigheid met directie en enige compositorische gaven strekten tot aanbeveling. Röhner beheerste het allemaal, toen ej9 r££.>?% preoZ
Autograaf van de cantate
‘Het Onweder’ op
tekst van Rhijnvis Feith.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
Eigenhandig geschreven
titelblad van de cantate
‘Het Onweder’, 1806.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
voor kamermuziek en vocale muziek, waaronder
opera, van wat bescheidener omvang. Al met al
komt een beeld naar voren van een tamelijk levendig
muziekleven in de Overijsselse hoofdstad kort
na 1800.5 Een man vooral zou er gedurende bijna
twintig jaar zijn stempel op drukken: Johann Carl
Röhner.
Een nieuwe ‘muzijk-directeur’
Johann Carl Röhner werd op 18 juni 1774 geboren
in Coburg als oudste zoon van de boekdrukker
Johann Moritz Röhner en Catharina Johanna
Ostertag. ‘Carl’, zoals zijn roepnaam luidde, volg-
/ur
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hij in 1801 op de vacature-Nicolai solliciteerde, en
zal met hoge verwachtingen in Zwolle zijn binnengehaald.
8
De nieuwe ‘muzijk-directeur’ kon voortbouwen
op de basis, die onder zijn voorganger voor
het Zwolse muziekleven was gelegd. Hoe de contacten
met zijn Kamper collega Berghuijs waren, is
niet bekend, maar de indruk bestaat dat pas na
diens overstap naar Deventer Röhners activiteiten
tot hun volle ontplooiing konden komen. De
Zwolsche Courant maakt begin 1803 voor het eerst
melding daarvan: op 11 januari zou de organist in
de Nieuwe Concertzaal ‘een vocaal en instrumentaal
concert geven, met eigen composities voor
viool, clarinet en pianoforte’. Daarna zou Röhner
vele seizoenen lang niet meer ontbreken, noch in
de reeksen in de concertzaal (waar in 180618 voorstellingen
werden gegeven), noch bij muzikale
manifestaties elders in de stad.9
Dat de lijst na 1810 grote lacunes vertoont, is
vermoedelijk te wijten aan onze bron. We moeten
er trouwens rekening mee houden, dat de vermelding
van musici en te spelen werken lang niet
M ü % IJ K A A L
ZAK-WOORDENBOEK.
V E R K L A R I N G < » BESCHRIJVING) VOCALE IK INSTRUMENTALE TOONKUNST IN O&SltUftt ZIJNDE, KUNSTTERM&N EN INSTRUMENTEN. si an al In jnsx en unpnsmmmt der Hlu/.IJK locgcivyd. D O O R J. C. Ji Ó JJ N £ II, XomipenJtnt dtr ^itrie Kim f* cm è*t Kanttt* tijk Ntd*rlmn4Ctbc tttftituut, Ut»iijh~ Oi' te~ tuur $* Orgfitt it Z&otti. re Z m i 1 E, • v D i m V A M S r È o s i 1, 8 2 o . altijd volledig is, zodat Röhner waarschijnlijk bij veel meer uitvoeringen betrokken is geweest dan we uit de aankondigingen kunnen opmaken. Tot de belangrijkste werken die onder Röhners leiding in Zwolle tot klinken werden gebracht behoorden Haydn's 'Jahreszeiten', vermoedelijk opnieuw in een Nederlandse vertaling, in 1805 in de Bethlehemse kerk, en Mozarts 'Zauberflöte' in 1806 in de Nieuwe Concertzaal. De laatste uitvoering betrof niet de gehele opera, doch wel de 'voornaamste stukken' daaruit. In 1808 waren opnieuw hoogtepunten uit 'De Schepping der Waereld' te horen. Bij dezelfde gelegenheid bespeelde Röhner 'het nieuw uitgevonden instrument het Melodium'. Röhner als componist10 Regelmatig ook kon de Zwolse burgerij kennis nemen van composities van zijn muziekdirecteur zelf. We zagen al, hoe hij in 1803 kamermuziek van eigen hand ten gehore bracht. Begin 1805 volgde de opera 'De Storm of het betooverde eiland', in maart 1807 de cantate 'Het Onweder' op tekst van Rhijnvis Feith (herhaald op 25 juli d.a.v. en in maart 1809), begin 1810 de opera 'Meifort en Clare', eveneens op tekst van Feith, op 1 april 1817 de opera 'Het kleine Duimpje en de Reus Fayel' en op 6 april 1819 de wederom door Feith berijmde cantate 'De verlossing van Nederland'. Gemiddeld eens in de drie jaar leverde Röhner dus een groot vocaal werk af, terwijl hij in dezelfde periode nog een drietal missen moet hebben gecomponeerd (waarvan de nos. 1 en 3 bewaard zijn) alsmede tientallen liederen. De meeste daarvan zijn in druk verschenen bij J.B. Nolting in Amsterdam; het Haags Gemeentemuseum bezit 22 nummers van deze uitgever, met titels als 'A ma lyre', 'Verlangen' en 'Abendlied', het laatste met opdracht aan Georg Wilhelm. Helaas zijn maar weinig werken gedateerd of van een opusnummer voorzien. Dat geldt evenzeer voor de instrumentale werken, met uitzondering van de 'Simphonie a grand orchestre' (in D) opus 3 uit 1802, de 'Musique militaire pour Ie piano' uit 1820 en de 'Potpourri pour flüte principale' uit 1821. Van Rohner's versie van 'Het Onweder' is de autograaf bewaard gebleven, die via het genootschap Felix Meritis bij de Maat- Titelblad van Röhners 'Muzijkaal Zak- Woordenboek', 1820. Particuliere collectie. Foto: F.D. Zeiler. 16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Uit de liederencyclus 'Fanny' van Röhner en Feith, 1808. Toonkunst- Bibliotheek, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. schappij tot Bevordering der Toonkunst terecht is gekomen.'' Opvallend is de dubbele bezetting van een groot aantal instrumentgroepen (waaronder de altviolen) en de vooraanstaande rol van de blazers, die het natuurgeweld in deze half geestelijke, half op een pastorale lijkende cantate zo krachtig mogelijk moeten oproepen. Op de keerzijde van het titelblad heeft Röhner geschreven: 'De inleiding stelt eenen schonen zomerschen dag voor. Dann spoedig zwellen donkere onweerswolken te zamen en bedekken den gezichtseinder. Reeds rollt van verre de donder en van lieverlee nadert het onweer. Bliksems doorkruisen zich, de stormwind huilt en de donder ratelt. Van langzamerhand trekt het onweder over; de Bliksems worden flaauwer, de donder bromt in de verte en de Wind gaat liggen. Vrolijk verheldert zich de hemel en alles gevoelt nieuw leven en juicht van vreugde in de opnieuw bezielde natuur. J.C. Röhner.' (Volgt eenzelfde tekst in het Duits.) tï.* fc. V V HII|JN IS V KITII: v *B?;IH0 cd ! IHH S"S' A X!' I1I,W(!KVj A% ' V . HOÏfXF. tl' il S i" jl irï. R . ' N Ï 01' II KT (ll'.AI' VAX ElM'Allll . SS» A».-/f, .stf,,miam,--:/rhMll/ir *ir.ir m/b, t/7ft.è wmtr een /u.rA 1 fijt „•&**.* vanJ* trim/ Jfn ?*,i£ .. H hlirt Jhtrrtn fiAr.f9Cwftil/ il Met i/e. Htti/ti ü pil *> üicr Je
Uit het feit, dat ‘Het Onweder’ meer dan een
keer is opgevoerd (en in 1827 nogmaals in een
Duitstalige versie in première is gegaan), kunnen
we opmaken dat het werk in de smaak is gevallen.
Het was in elk geval een langer leven beschoren
dan de toonzetting door Röhners voorganger
Nicolai, waarvan we slechts een vermelding over
hebben. Vooral de dichter zal er tevreden mee zijn
geweest. De samenwerking tussen Feith en Röhner
was trouwens over de hele linie hecht en
vruchtbaar. Hierboven noemden we al de opera
‘Meifort en Clare’ uit 1805 en de cantate ‘De verlossing
van Nederland’ uit 1819. Daarnaast dient
nog vermelding de liederencyclus ‘Fanny’, gedrukt
in 1808 te Amsterdam.’2
Het dramatische jaar 1820
Aan waardering zal het Röhner niet hebben ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
broken. ‘Unis’ bijvoorbeeld schafte zijn symfonie
in D al een jaar na verschijning aan, tegelijk met
werken van o.a. Berwald en Fodor.13 Het is een
opgewekt, goed uitgewerkt stuk dat de invloed van
Haydn verraadt zonder tot namaak te vervallen.
Röhners muzikale jargon is in het algemeen trouwens
levenslustig te noemen, zelfs al zijn de
onderwerpen droef-romantisch.14
Wat dat betreft was hij een typische overgangsfiguur
tussen classicisme en romantiek,
waarop ook zijn werken vol storm, onweer en
sprookjesfiguren wijzen. Overigens was de muzikale
uitbeelding van onweer of ‘batailles’ geen typisch
verschijnsel van de romantiek; de orgelvirtuoos
Abt Vogler had in 1786 al eens een demonstratie
daarvan in de Grote Kerk ten beste gegeven.
15
De Belgische musicoloog Gregoir vermeldt in
zijn lexicon uit 186416 drie werken van Röhner: het
populaire lied Corine a Oswald, het in 1820 te
Zwolle uitgegeven ‘Muzijkaal Zak-Woordenboek’
17 en de in hetzelfde jaar ingezonden cantate
‘De verlossing van Nederland’.18 Deze werd door
de jury van het Koninklijk Instituut als volgt
beoordeeld: ‘Dat de klasse den welverdienden lof
aan de samenstelling dezer cantate niet mogt weigeren,
en dezelve alleszins waardig keurde in
tegenwoordigheid van Zyne Majesteit, en hoogst
deszelfs huis te worden uitgevoerd, ofschoon men
misschien niet zonder grond, zou kunnen aanmerken,
dat dezelve met de hedendaagsche kompositien
niet overal gelijken zang houdt, en vooral
verscheidene aria’s in een’ eenigzins verouderden
stijl geschreven zijn, waartoe de woonplaats van
den kunstenaar en de mindere gelegenheid om
goede nieuwe muzijk te hooren welligt aanleiding
geven, dat echter vele stukken die vol vuur en
kracht zijn en waaronder men vooral de meeste
kooren mag rekenen, wanneer zij wel werden uitgevoerd,
de aandacht des kunstenaars op eene
waardige wijze zouden bezighouden, en vaderlandsch
gevoel bij het kunstminnend publiek zouden
opwekken en ontvonken.’ Was getekend:
Fodor, Wilms en De Vos, de eerste twee de meest
vooraanstaande componisten van hun tijd, de
laatste behalve amateurmusicus ook een invloedrijk
criticus te Amsterdam. Behalve lof van de jury
;*3 2. J’k .È. XZ XJ Jt
w^
(//’?/ML (.’./’c/li’+ii/’t
f(‘*c,^c •/. ^ M<*y'Sf£% SSg^5«aft V f o 1, r v o I ' K J Titelblad van Röhners symfonie in D, een van zijn populairste werken, uitgegeven in 1802. Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam. Foto: F.D. Zeiler. 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Berichten uitdeZwolsche Courant over Röhners muzikale activiteiten: Haydns 'Jahreszeiten' (1805) en de in samenwerking met Feith geschreven cantate 'Het Onweder' (1809) en opera 'Meifort en Clare' (1810). Gemeentearchief Zwolle. Foto's: T. Rudolphij. verwierf Röhner met dit werk ook een koninklijke onderscheiding in de orde van de Nederlandse Leeuw en het correspondentschap van het Koninklijk Instituut. Deze nationale bekendheid viel hem ten deel op het moment, dat zijn persoonlijk leven een dramatische wending had genomen. Bij brief van 24 augustus 1820, verzonden vanuit Den Haag, had hij ontslag genomen als stadsmusicus.19 Wat bewoog hem, om een behoorlijk betaalde positie20 in een plaats, waar hij als uitvoerend musicus, componist en pedagoog zeer werd gewaardeerd, zomaar op te geven? Het antwoord is even eenvoudig als menselijk: zijn liefde voor Sophie.21 Anna Sophia Thorbecke was het tweede kind van Jan Everhard Hendrik Thorbecke (1756-1825) en Johanna Geertruyda Ritberg (1758-1805) en als zodanig een nichtje van Johan Rudolf, de latere staatsman. Zij werd geboren op 8 januari 1785 en was dus bij de komst van Röhner naar Zwolle 16 jaar oud. Waarschijnlijk heeft zij les genomen bij de nieuwe 'muzijk-meester'; van haar muzikale gave getuigt de enige van haar bekende afbeelding, waarop zij in het ouderlijk huis aan de Dijk haar broers en zuster met klavierspel onderhoudt.22 In 1812 wordt zij 'rentenierse' genoemd; zij is dan ongehuwd.23 De relatie tussen Carl en Sophie moet zowel in de stad als in familiekring een schandaal hebben veroorzaakt. Weliswaar past een dergelijke getuigenis van 'Sturm und Drang' in ons beeld van de romantiek, maar in de brave Biedermeiertijd was verbeelding natuurlijk iets heel anders dan de dagelijkse werkelijkheid. De eigentijdse bronnen zijn merkwaardig stil over de zaak en latere geschiedschrijvers, zoals Van Apeldoorn, gaan na een niet erg ter zake doende anecdote maar snel over naar Röhners opvolgers.24 We zullen echter proberen de bij het drama betrokkenen na meer dan anderhalve eeuw enig recht te doen. Vrijplaats Freiburg Na de nodige omzwervingen kwamen Carl en Sophie in het Zuidduitse Freiburg terecht. Daar verwierf de gewezen 'muzijk-directeur' zich een goede positie bij het stadstheater. Vanaf het seizoen 1825-26 was hij 'Kapellmeister' van het theaterorkest, een functie die met enkele onderbrekingen tot 1834-35 werd voortgezet en die in laatstgenoemd jaar werd gecombineerd met die van algemeen muziekdirecteur. Alle toen bekende opera's stonden in Freiburg op het repertoire; Röhner dirigeerde er onder meer Webers 'Freischütz' en Rossini's 'Tancredi' en 'Othello'. Ook voor enig eigen werk was nog plaats. Zo gingen Duitstalige versies van de opera 'De Storm of het J. C, RBHNK&, Jtujj HJyficui en Otftntit, ruift! by' deteb bekend, iu oodet JJDC directie, en «et de tdüfentic *«neen gtoote metltt»LJ«fhehbeM «Ibler,op Dlnürdttdcn 9 de«r dei «»ond> ow 5 naren, in de feihtetUfttfciie Ker*,
?»} wotdeo uitgev*«n htt gtoote eo beroemd» ,G<»;lr/>»< //«• fitt/ttk «in dnjgrooifttD der Toontutficuirtii J HAVDN, j g f , De ewft* Mm» t* ft * 41® ét twetdt u Die plttMM gtMevea (• bef>tcfctn vetvtrtfMi ttehop Moedig
den gfte 4èt mfcWtfi vut s tot o wn de Bahlehtmfche Kctkterf.
•De T# f » É t e fc Wö^ritOiiMiKRöfl*1»
m btkoewn.
B U t N D Ü A K t N 6.
Met Permifit v » d(n Heer BURCEMEtSTEtt
Stad , ui de Orgwht ra MuCe* Dlircteor J. C. 1(
de £el kebbt» op DWvgj4»t den 38 M«>rt ‘f ivondi te
texen uur, ia de poote Kerk •, rnet nüfteurit m d t mmr’
n»UD(te Utfhtbber» té MalMk, n eeacocd b«k«tOtrtar
f«r, «ft te vt#m
HIT ONWEKlJtR’. etiie Gmttlyke Cioiètt vtn den
Heer f>. ftitft, ca moot fco^togenyróide Orftslat opMu.
fiek febricttt. . , ,
Be Eotre vóór dés «rite p^sto ii . ƒ 1 : 4 : 0
Voor de Tweede p)«»u . . , /o : 14 : •
. En voot & D«rle pint» , . . . / o .- » 8 o
De Biilet.ee ïjfo te bfkwnto teo Holte T* J.
*o 00* bjr M Etm<. .... , Die f'!n:zcn icriocn M (Kfprteken, fctratfcn tl d»g iicn »8 Murt '«rtxrtiten» vlo 8 tot 11 uur ft>.. ,
Kerk vetvoefea, iÉttt berttende 3 ftoivtrt dur voor.
De mgtfli ii 0^ * Markt by «e Hoof^rtgr.
NB. |Ut»nt)>ry)2tldeHcet
RoBMER.Mflick Directeur eo Otgttiit ilbici, decei hek
tau EEN G&OüT VOCAL co 1NSTROMENTAL
CONCE&T, Op de Nüuwta Ceaetrizwl te geveo, ia
Bet wei W üe Opera Milferi eo C!m»% v«n tiea Heeic R.
Fiith, eo door tjoveflftooemde o/f MuStk geb)t|t, tal ua.
fAOerd wfltddeeOO- *
Het Entr< voo« Uder Perfooo ia. / r — 4 — De Billetteo 1¥P ft «ekutma, lea bulse v a f. e. aer, «o by dm Ê«t«. Den unvu| u te o u u n ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 19 betooverde eiland' ('Der Sturm') en de cantate 'Het Onweder' ('Das Ungewitter') in 1827 resp. 1828 in het Freiburger Theater in premiere.25 Van verdere compositorische activiteit vernemen we nauwelijks iets, al blijkt uit een brief van Sophie uit 1843 dat er na Carls dood veel 'mooije heerlijke Compositionen' onuitgegeven zijn blijven liggen. 26 Johann Carl Röhner stierf in Freiburg op 24 september 1837 na een slopende ziekte, die hem 14 weken aan het bed gekluisterd had gehouden. In de laatste maanden van zijn leven heeft hij getracht zich met zijn familie te verzoenen. Hoe de verhouding met zijn kinderen was, en of hij met hen nog contact heeft gehad, is niet meer te achterhalen. Dat het niet boterde tussen Sophie en de in Zwolle achtergebleven eerste vrouw van Carl, van wie hij nooit officieel gescheiden is, valt te begrijpen; beiden noemen zich naderhand 'de weduwe Röhner'.27 'Leeft dan die Ahrnemsche nog, gy verstaat my wel, wie ik meene', schrijft Sophie in 1843 aan haar zwager in Deventer. Met deze Georg Wilhelm was een moeizaam hernieuwd contact tot stand gekomen. Naast het familieschandaal moeten ook de botsende karakters van de beide muzikale broers de verhouding hebben vertroebeld. Of was de een jaloers op het onmiskenbaar grotere talent van de ander? In Carls hekeldicht 'Der Bruder' wordt G.W. als egoïst neergezet: 'Doch diese Bruder hegte nicht gleichen Bruder Sinn. Er liebte nur sich Selbsten, Sein Wahlspruch hiess: Gewinn. Leichtsinnig brach er immer was heilig er versprach, kam seinen Worten nimmer so wie er sollte nach.' Desondanks verzekert Sophie haar zwager keer op keer, dat Carl hem zeer was toegenegen: 'Want heeft ooit een Broeder met Liefde aan een Broeder gehangen, dan is 't gewis, myn Dierbare Zalige Röhner...' Zij is ontroostbaar door zijn dood:'... troosteloos laufe ich hin und her, eenzaam en verlaaten, want wy.waren ja een Hart en e e n e Ziel ... ik overleeve zijn Dood niet lange, bald lieber theurer Carl bin ich bey Dir ..." Toch zou zij hem nog meer dan twintig jaar overleven. Ze stierf in Freiburg in 1859. Misschien kunnen we haar en haar talentvolle Röhner na al die jaren toch de eer bewijzen die hen toekomt, en uit 'die mooije heerlijke Compositionen' weer eens iets in Zwolle tot klinken brengen. Noten 1. Zwolsche Courant, 26 november 1803 en 17 maart 1804. Vgl. Th.M. van Mierlo en J.C. Streng, 'Kerk en klooster na de hervorming', in: A.J. Gevers en A.J. Mensema (red.), De Broerenkerk te Zwolle (Zwolle 1989) 37-76, i.h.b. 53. 2. Johannes Kinker (Nieuwer-Amstel 1764 - Amsterdam 1845) was dichter, taalkundige en filosoof; in de laatste hoedanigheid een tegenstander van de opvattingen van Rhijnvis Feith. Cornelis Berghuijs (Kampen 1762 - Alkmaar 1816) was werkzaam in Apeldoorn, IJsselstein, Kampen, Deventer en Alkmaar. Over hem: F.D. Zeiler, 'Cornelis Berghuijs (1762-1816), stadsorganist van Kampen en Deventer', in: J. Folkerts et al., Overijsselse biografieën 2 (Meppel/Amsterdam 1992) 17-20. 3. GA Deventer, Archief'Unis par les sons de la musique' 1, Catalogue van Musicq Werken gehoorende aan dit Musicq-College, jaar 1803. Sophie Thorbecke als ongeveer vijftienjarige aan de piano in het huis op de Dijk. Particuliere collectie. Foto: J.P. de Koning, Gemeentelijke Fo todienst Zwolle. 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 9 f rfcr<.. Jlncfcnü, Over hem: H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler, 'J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist', in: Zwo/s Historisch Tijdschrift^ (1992) 94-104. J.G.A. ten Bokum, Muziek in de IJsselsteden. Beschrijving van het muziekleven in Deventer, Zutphen, Zwolle en Kampen in de 19de en het begin van de 20ste eeuw met bijzondere aandacht voor de familie Brandts Buys. (Utrecht/Antwerpen 1988). F.D. Zeiler, 'Door de klanken der muziek vereend.' Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle, Tentoonstellingsdienst Overijssel 1991. De huwelijksakte is te vinden in GA Arnhem, Retroacta BS 170, Huwelijken 1796-1800. De ondertrouw is geschied op 3 februari, het eerste, tweede en derde gebod zijn van resp. 5,12 en 19 februari 1797. Tegelijk met Carl trad zijn collega Johan Hierschwig, afkomstig uit Wenen, in het huwelijk met de zuster van Anna Maria, Johanna Sabina Bergman. De beide oudste kinderen zijn gedoopt in de Evangelisch Lutherse kerk te Arnhem (GAA Retroacta BS 164, Doopboek 1648-1811, fol. 240 en 243). De verdere genealogische gegevens werden mij ter beschikking gesteld door G.J. Röhner te Utrecht, die tevens inzage verleende in de voor Johann Carl van belang zijnde stukken in het familiearchief. Hiervoor zeg ik hem graag mijn hartelijke dank. 7. Een goed voorbeeld van deze veelzijdigheid vormt de Zwolse amateurmusicus J.C.E. Schlüter, die in !797) overigens zonder succes, solliciteerde naar de betrekking van organist bij de Doopsgezinde gemeente in Almelo. Hij speelde klavier, fluit viool en was voorzanger en hulporganist in de Lutherse kerk in Zwolle. RAO, Arch. Doopsgezinde gemeente Almelo 26. 8. De benoeming door de municipaliteit is van 5 october 1801 (GAZ AAZ01-00109, fol. 561). 9. GA Zwolle, AAZ01-04578 (Patentregister, 1806 blz. 463). Zwolsche Courant, 8 jan. 1803; 5 jan. 1805; 6 apr. 1805; 8 jan. 1806; 26 mrt. 1806; 19 juli 1806; 8 jan. 1807; 18 mrt. 1807; 25 juli 1807; 6 apr. 1808; 28 feb. 1809; 24 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 SH OVtrA£i.' Dichtbundel van Röhner, 1802, Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle. De tekeningen zijn alle gesigneerd metA. Bergman; zij was Röhners eerste echtgenote. a. Titelblad. b. Gedicht op Röhners eerste symfonie, waarschijnlijk de in 1802 verschenen symfonie in D. c. Een der vele gedichten, gewijd aan de belevenissen aan boord van het marineschip 'Haarlem'. d. Tekeningen van A. Bergman bij het gedicht 'Der gehobene Schatz'. Foto's: F.D. Zeiler. mrt. 1809; 16 jan. 1810; 10 apr. 1810; 28 mrt. 1817; 30 mrt. 1819; 4 en 8 feb. 1820. 10. Zie bijlage: Composities van Johann Carl Röhner. 11. Toonkunst-Bibliotheek Amsterdam T 3959/Ms- Roe-i. 12. De eerste druk van 'Fanny' dateert overigens al van 1787. Persoonlijke mededeling van R. de Bree, Zwolle. 13. Als noot 3. 14. Bij een zeldzame uitvoering van de liederencyclus 'Fanny' in 1974 in Zwolle viel het de toehoorders op, 'dat de tekst zo droevig, maar de muziek zo vrolijk was'. Persoonlijke mededeling van H.J.H. Knoester, Zwolle. 15. GAZ, Resoluties S. en R., 30 dec. 1785. Ten Bokum, 16. 16. GJ. Gregoir, Biographie des artistes-musiciens néerlandais des XVIIIe et XlXe sièdes, et des artistes étrangers, résidents ou ayant résidés en Néerlande a la même époque, (Anvers 1864) 151-152. Het citaat uit het juryrapport van 1820 is uit dit biografisch woordenboek afkomstig. 17. Een exemplaar hiervan bevindt zich in FA Röhner 13. Bij brief van 3 oktober 1819 droeg Röhner de rechten op zijn 'Toonkunst- woordenboek' over op de boekverkoper D. van Stegeren te Zwolle; in 1855 gingen deze weer over op de Erven J.J. Tijl (GAZ BA 026, Archief Tijl, doos 1). 18. De autograaf van dit werk is bewaard gebleven in de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de opvolger van het Koninklijk Instituut. Onder het nummer W 277 bevindt zich zowel een band met partituur (406 bladzijden, 3 delen, 18 'nommers') als een grote bundel partijen. Op een achttal zangpartijen staan de namen van de solisten genoteerd, waaronder Ramaer, Schaapman, Doijer en Helmich. 19. GAZ AAZ02-00053, Resoluties B & W, 16 sept. 1820; GAZ KA017-009, Acten van de Kerkeraad, fol. 396, 20 sept. 1820. 2 2 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Autograaf van de cantate 'De verlossing van Nederland' op tekst van Feith, waarmee Röhner in 1820 een prijs verwierf van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Bibliotheek KNAW, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. 20.GAZ KA017-413, Lijst van tractementen van het kerkelijk personeel, 1810. Röhner staat voor f500 op de loonlijst (hij was in 1801 begonnen met f450). Vgl. GAZ AAZ02-00010, Resoluties Gemeenteraad, 134- 135, 12 sept. 1818, waarbij Röhner een extra vergoeding krijgt toegezegd voor het stemmen en spelen ter gelegenheid van het uitdelen van prijzen aan de leerlingen van de Latijnse school. 21. Biografische gegevens uit: GAZ, fiches op achternamen 1800-1899; FA Röhner; Genealogie Thorbecke. Nederlands Patriciaat. Genealogieën van bekende geslachtenjo (1986), 340-367. 22. De kinderen Thorbecke in het huis aan de Dijk, ca. 1800 (de gebruikelijke datering, ca. 1810, is gezien de leeftijd van de kinderen onwaarschijnlijk). Afgebeeld zijn v.l.n.r. Sophie, Lubbertus, Friedrich Wilhelm, Franz Heinrich en Katharine. Part. coll., kopie aanwezig in GAZ, neg.nr. 72RO38.D. 23. GAZ AAZ01-06039, Register van alle huizen, 1812, fol. 133-134. Röhner wordt hierin op fol. 42-43 vermeld, inwonend bij horlogemaker Frederik de Haen in de Waterstraat. 24. J.C. van Apeldoorn, Het orgel in de Groote- of St. Michielskerk te Zwolle (Zwolle 1896) 28. Vgl. ook noot 17. De Zwolsche Courant maakt van het ontslag geen melding. 25. W. Schlang & O. Ritter von Maurer, Das Freiburger Theater (Freiburg 1910) 41,53,119-120. 26. FA Röhner 34, Brief van J.C. aan G.W. Röhner, 1837. Ibid. 35, Afscheidsgedicht 'Der Bruder', 1837. Ibid. 36, Brieven van A.S. Thorbecke aan G.W. Röhner, 1838,1842-43. Stadtarchiv Freiburg, Bestand Hinterlassenschaftsakten H 2762. 27. GAZ Overlijdensakten 1846 no. 479, 30 nov. 1846: Johanna Maria Bergman, oud 71 jaar, geboren te Arnhem, dochter van Johan Lodewijk Bergman en Johanna Elisabeth Franken, zonder beroep, weduwe van Karel Röhner, overleden 26 nov. te 22.30 uur in de Papenstraat te Zwolle. Het bestand echtscheidings- procedures 1813-1838 uit het archief der Rechtbank van eersten aanleg te Zwolle (RAO, inv.nr. 79) bevat geen materiaal over een eventueel door haar of Röhner begonnen procedure. Bijlage Composities van Johann Carl Röhner (Coburg 18 juni 1774 - Freiburg 24 september 1837) Instrumentale muziek Het eerste werk aanwezig bij TA en RAU; de overige in GM - Simphonie a grand orchestre (in D) opus 3. Hummel, Berlin / Grand Magasin de Musique, Amsterdam 1802 - Air favori varié pour Ie violon principal avec accompagnement de deux violons, viola et violoncelle. Nolting, Amsterdam z.j. - Caprice et variations pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, alto et basse. Steup, Amsterdam z.j., no. 205 - Musique militaire pour Ie piano; contenant une marche, 3 pas redoubles et une valse. Steup, Amsterdam 1820 - Ouverture a grand orchestre. Simrock, Bonn / Cologne z.j., no. 1514 - Potpourri pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, deux hautbois, deux cors, alto et basse. Steup, Amsterdam 1821 - Potpourri pour la flüte avec accompagnement de pianoforte. Steup, Amsterdam z.j. - Sonate pour Ie pianoforte avec accompagnement d'un violon. Nolting, Amsterdam z.j. - Marche pour la flüte de St. Jean (voor piano). Steup, Amsterdam z.j. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Liederen, uitgegeven bijf.B. Nolting te Amsterdam Alle in druk aanwezig in GM; de nrs. 28 en 30 tevens bij TA, de nrs. 33 en 48 in FA Röhner 28 L'Absence uitgave nr. 239 29 L'Attente 240 30 Corine a Oswald 241 31 Mon dernier mot... si! 242 32 La pensee 248 33 Mesadieux 249 35 Un jour dans unegrotte obscure 253 36 Regrets d'une mère sur la mort de son jeune enfant 254 37 Atoi 255 38 Souvenir 256 39 Amalyre 257 40 La malheureuse 258 2 Verlangen 265 (1819) 43 L'amitié 267 44 Le vaucluse 268 45 Que Ie jour me dure 269 46 Les quatres saisons 270 48 L'enseignement mutuel 280 48 Ma philosophie 287 4 Abendlied (tekst van Cramer, opgedragen aan G.W. Röhner) 289 5 Minnesold 290 6 DieErscheinung 291 Liederen, uitgegeven bij anderen Alle aanwezig in GM; 'Fanny' tevens bij TA, UBA en POM - Aan Nederland (volkslied, tekst L. Rietberg). Steup, Amsterdam z.j. - Wiegenlied. Vermaazen, Amsterdam z.j. - Fanny (liederencyclus, tekst Rhijnvis Feith). Allart, Amsterdam 1808 Overige vocale muziek De eerste drie werken aanwezig bij TA; 'Het Onweder' in afschrift in RAO; de cantate 'De verlossing van Nederland' in bibliotheek KNAW; de opera 'Het kleine Duimpje' in UBA; van de overige werken slechts vermeldingen aangetroffen - Het Onweder, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, 1806. In 1827 in Duitstalige versie 'Das Ungewitter' in Freiburg opgevoerd. - Missa no. 1. Handschrift (niet van Röhner) z.j., afkomstig uit de Mozes en Aaronkerk te Amsterdam. - Missa no. 3. Handschrift, 1847, herkomst als no. 1. - De verlossing van Nederland, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, ca. 1819. - De Storm of het betooverde eiland. Opera, 1805. Vermeld in ZC; in 1826 in Duitstalige versie 'Der Sturm' in Freiburg opgevoerd. - Meifort en Clare. Opera, tekst Rhijnvis Feith, 1810. Vermeld in ZC. - Het kleine Duimpje en de reus Fayel. Opera op tekst van Hendrik Kraijenstein, 1814. Vermeld in ZC. Diversen Aanwezig in POM, afdeling documenten - Gedichte von Joh. Ca. Röhner. Autograaf, met tekeningen van A. Bergman, Zwolle 1802 Aanwezig in FA Röhner 13 - Muzijkaal Zak-Woordenboek, bevattende eene beknopte verklaring en beschrijving der voornaamste, thans bij de vocale en instrumentale toonkunst in gebruik zijnde, kunsttermen en instrumenten. Dirk van Stegeren, Zwolle 1820. Afkortingen: KNAW Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam TA Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam UBA Universiteitsbibliotheek, Amsterdam GM Haags Gemeentemuseum, Den Haag FA Familie-archief Röhner, Utrecht RAO Rijksarchief Overijssel, Zwolle RAU Rijksarchief in Utrecht, Utrecht POM Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle ZC Zwolsche Courant (aanwezig in Gemeentearchief Zwolle en Rijksarchief in Overijssel, Zwolle) restant bijschrift pagina 22: a. Begin van het eerste koor. c. Partij voor altstem, blijkens het opschrift gezongen door 'juffrouw Ramaer' (mogelijk familie van een in Zwolle woonachtige arts). ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse fraters/3 Aafje Lem Op deze manier komt de naam voor in een charter van 2 mei 1415: Gherardus Vollenhoe. De geschiedenis van de moderne devotie in Zwolle is ons onder meer in de kroniek van het Zwolse fraterhuis overgeleverd. ' De periode van bijna een eeuw die volgt op de stichting van het Zwolse huis rond 1384, wordt in deze kroniek uitgebreid beschreven, met als leidraad de levensgeschiedenissen (vitae) van de in die tijd in het huis verblijvende fraters. Sommige van deze fraters zijn slechts in een enkele zin of korte paragraaf vertegenwoordigd in de kroniek; andere hebben door hun levenslange toewijding een stempel gedrukt op de geschiedenis van het huis. In de beide voorgaande artikeltjes over de Zwolse fraters 2 is steeds sprake geweest van fraters en andere personen uit die eerste groep: mannen die slechts zijdelings hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het fraterhuis: Tilmannus Honf bijvoorbeeld, die een groot deel van zijn leven niet in het Zwolse, maar in het Harderwijkse fraterhuis heeft doorbracht; Wessel Gansfort, die nooit deel heeft uitgemaakt van het fraterhuis, maar door zijn karakter en levenswijze een stempel heeft gedrukt op de periode waarin hij leefde en de mensen die met hem in contact kwamen. Daarnaast zijn er de fraters uit de tweede groep: zij duiken in allerlei verhalen in de kroniek telkens weer op. Gedurende tientallen jaren verrichtten zij vele functies zowel in als buiten het fraterhuis en hebben zo diens geschiedenis mede bepaald. Een van deze fraters is al eens kort ter sprake geweest, maar zijn leven verdient meer dan een terloopse vermelding. Het gaat om Gerardus (Gheert) van Vollenhoe, die in de ruim 40 jaar dat hij deel uitmaakte van de communiteit, zijn sporen heeft nagelaten. Gerardus bezocht eerst de Zwolse school. Zijn schooltijd moet gevallen zijn aan het begin van de vijftiende eeuw, want toen er in 1415 statuten werden gemaakt voor het fraterhuis, was hij al toegetreden tot de broederschap; uit de stukken blijkt dat hij een van de medebepalers van deze huisregels was.3 Aan het eind van het j

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 2

Door 2002, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Terborchstraat 10
2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
ZWOLLE, — hoek Statlonsw
en Van Nagelstraat
ÏD 51
{Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Ansichtkaart hoek Stationweg en Van Nagellstraat
Poststempel 14 november 1911
‘Eerwaarde Broeder,
Uw brief hebben we Zaterdag in goede gezondheid
ontvangen en met genoegen gezien dat U het ook
goed maakt, maar druk. Nu zoo gaat het mij ook,
van den morgen tot de avond bezet. G. Meijnders is
Zaterdagavond nog een poosje hier geweest, hij is al
druk voor St. Nicolaas. Met den H.E. Heer Deken
aan het hoofd is hier een comité gevormd om Z.E.
Kardinaal v.Rosschum een huldeblijk aan te bieden.
Ook de Heeren Geestelijken uit Zw. geboren met de
Proost Deken Mulder van Wolvega hebben zooiets
op touw gezet.
Nu Heer broer de hartelijke groeten van Vader en
Moederen van Uw Zus Anna.’
Jarenlang was Wilhelmus Marinus van Rossum de
trots van katholiek Zwolle. Deze in 1854 geboren
Zwollenaar maakte een indrukwekkende kerkelijke
loopbaan met als bijzonder hoogtepunt de
benoeming tot kardinaal door paus Pius X in
november 1911. Deze eer was slechts twee Nederlanders
te beurt gevallen en de laatste keer was bijna
vier eeuwen geleden. In Zwolle werd deze
heuglijke benoeming onder meer gevierd met een
plechtig lof en een feestpredikatie in de Dominicanenkerk.
In de ansicht wordt, met verkeerd gespelde
naam van de kersverse kardinaal, aan de
voorbereiding van deze huldeblijken gerefereerd.
De genoemde geestelijke Mulder, proostdeken
van Wolvega, was een boerenzoon uit Wijthmen.
De Van Nagellstraat (met dubbel 1) was in het
begin van de twintigste eeuw een nieuwe straat, de
meeste huizen zijn er gesierd met fraaie Jugendstil-
tegeltableau’s. Het gebied waar de straat werd
aangelegd was voordien eigendom van de familie
Van Nagell.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift
speelt de negentiende eeuw een belangrijke
rol.
Maria Hansen beschrijft het korte leven van
een meisje ‘van stand’, Sophie van Haersolte.
Ondanks haar zwakke gezondheid nam zij deel
aan uitjes naar familie, en, juist ter verbetering van
haar gesteldheid, maakte zij reizen naar het buitenland.
Vader Johan Christiaan, lid van de Tweede
Kamer, liet niets achterwege om haar de beste
verzorging te geven. Het mocht niet baten: op 35-
jarige leeftijd werd zij op Bergklooster begraven.
Een van de fraaiste straten in Zwolle is de Terborchstraat.
Theo de Boer beschrijft het pand
waarin hij zelf tot voor kort woonde en als antiquaar
gevestigd was: Terborchstraat 10. Hij beschrijft
tevens het ontstaan van de straat. De succesvolle
architect Steven Trooster was verantwoordelijk
voor deze imposante villa, een ‘plaatje’
in de stijl van de neorenaissance. De Boer begon al
met het pand in oude luister te herstellen, de nieuwe
eigenaar, makelaar Chris van Beek, zal dit voltooien.
Jan ten Hove zet in zijn artikel uiteen hoe het
nieuwe standaardwerk over de Zwolse geschiedenis
opgezet wordt en hoe de vorderingen zijn. Hij
geeft nu al vast de feiten rond een paar Zwolse
eigenaardigheden weer, nl. de verklaring van de
Zwolse blauwvingers en, zoals hij het noemt, de
Hanzemythe. Het geeft aan hoe elke tijd de
geschiedenis gebruikt om de stad er zo voordelig
dan wel roemrijk mogelijk uit naar voren te laten
komen.
In december 2000 wilde Wim Coster informatie
over een dienstmakker van zijn opa. Wat zijn
oproep opleverde, kunt u in dit nummer lezen.
Feestelijkheden van katholiek Zwolle komen
aan bod bij de beschrijving van de ansichtkaart en
in de bespreking van het boek Carnaval in Zwolle.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een oubaas,
een bottendokter en een antiquaar Theo de Boer 40
Een nieuwe Geschiedenis van Zwolle Jan ten Hove 56
Een ‘redelyk zoet’meisje, Sophia Cornelia
baronesse van Haersolte, 1838-1873 Maria L. Hansen 62
Werd vervolgd: Een oude dienstmakker Wim Coster 73
Recent verschenen Marieke Schaap-Steegmans 75
Boekbesprekingen 77
Mededelingen 80
Auteurs 82
Omslag: Terborchstraat 10-12, een zeer rijk pand in neorenaissancestijl en het
enige in de Terborchstraat dat zowel van binnen (nr. 10) als van buiten nog veel
originele stijlelementen bevat. (Collectie HCO)
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een
oubaas, een bottendokter en een antiquaar
Theo de Boer
Plattegrond van Zwolle
uit de Atlas van Kun,
1845. Er is nog nauwelijks
sprake van bebouwing
buiten de stadsgracht.
De huidige Stationswijk
heette toen de
‘Landen achter de
Hoven’. Duidelijk valt
het hoornwerk te onderscheiden,
een verdedigingswerk
in de vorm
van een ‘M’, gelegen
waar nu de Van Karnebeekstraat,
de Zuiderkerkstraat
en de Zeven
Alleetjes lopen. (Particuliere
collectie)
In 1850 was Zwolle een kleine provinciestad. De
bebouwing bevond zich nog grotendeels binnen
de grachtengordel. Het kaartbeeld uit die
tijd verschilt maar weinig van de vroegste kaart
van Zwolle, rond 1560 getekend door Jacob van
Deventer. Al die tijd had het leven zich binnen de
grachten afgespeeld. Daarbuiten woonden alleen
boeren en tuinders.
De ‘uitleg’ van de stad begon rond 1860. Met
de aanleg van Assendorp werd een begin gemaakt.
Daartoe was al in 1861 de Sassenpoortenbrug verbeterd
door de bekende Zwolse aannemer B.H.
Trooster. Notabelen begonnen aan de overkant
van de stadsgracht, de huidige Van Roijensingel,
fraaie villa’s te bouwen. Omstreeks dezelfde tijd,
in 1864, kreeg Zwolle zijn station; toen nog een
houten gebouwtje bij de Willemsvaart, ver buiten
de bebouwde kom gelegen. Dit stationnetje bleek
al snel te klein. In 1868 verrees een nieuw emplacement,
gelegen op de huidige locatie en gebouwd
volgens de eisen van de hoogste bouwklasse van de
spoorwegen. De aanwezigheid van dit station gaf
een enorme impuls aan de ontwikkeling van de
daar in de buurt gelegen wijken. De Stationsstraat
werd na de gereedkoming van het station aangelegd
als eerste verbinding tussen station en het
stadshart. Straten waren daar verder nog nauwelijks:
van de Terborchstraat valt in deze tijd nog
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niets te bespeuren. Enkele straten bestonden al
wel: de Zeven Alleetjes (welke indertijd een wandelplaats
was voor de binnenstadsbewoners,
beplant met zeven niet even lange rijen lindebomen);
de Deventer Dwarsstraat (de huidige Zuiderkerkstraat)
en de Achtersteeg (de huidige
Tuinstraat). De directe omgeving van de huidige
Terborchstraat heette Hertenkamp. De naam van
de huidige Hertenstraat is hier nog een verwijzing
naar. Het terrein ten zuiden van de gracht, de huidige
Stationswijk, heette oorspronkelijk de ‘Landen
achter de Hoven’, zoals op een kaart uit 1845 is
te zien. Duidelijk valt daarop het ‘hoornwerk’ te
onderscheiden, één van de twee voorwerken welke
Zwolle rijk is geweest. Een hoornwerk was een
zeventiende-eeuws verdedigingswerk gelegen buiten
de ommuring en stadsgracht in de vorm van
een ‘M’. Deze ‘M’ is nu nog terug te vinden in de
loop van de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat
en de Zeven Alleetjes. In 1875 werd een plan
voor een nieuwe wijk tussen station en stadscentrum
getekend door de Zwolse stadsarchitect J.L.
van Essen. Dit plan werd later uitgebreid doordat
er de Van Nagellstraat en de Hertenstraat aan toe-
Opname halverwege de
Terborchstraat, vanaf
de kant van het station.’
Omstreeks 1885. Het
pand 10-12 is nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
Al een zeer herkenbare
Terborchstraat,
omstreeks 1885, gefotografeerd
vanaf de kant
van het station. Het eerste
pand links in de
straat, met overdekte
veranda, is Terborchstraat
22. De nummers
10-12 zijn nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Steven H.J. Trooster
(1849-1910) in 1885.
(Particuliere collectie)
gevoegd zijn. Het was een gedurfd project, waar de
veemarkt direct naast de spoorbaan geprojecteerd
werd.
Aanleg Terborchstraat
In 1882 werd een tweede straat tussen de inmiddels
grotendeels bebouwde gracht en het station aangelegd:
de huidige Terborchstraat. Deze straat was
het verlengde van de Zeven Alleetjes. Enkele Zwolse
gemeenteraadsleden maakten zich zorgen dat de
aanleg van de nieuwe straten, waaronder de Terborchstraat,
tot een financieel debacle zou leiden.
De discussie in de gemeenteraad getuigt hiervan.
De architect had de kosten in 1880 begroot op
13.163,- gulden bij een breedte van 12 meter en
inclusief aanschaf van de grond, welke nog van het
Weeshuis verworven moest worden. Het college
zag wel heil in de aanleg en vermoedde dat er snel
bebouwing zou plaatsvinden, met name van burgerwoonhuizen.
Mr. J. Gratama, lid van de Zwolse
gemeenteraad, was een van de weinige gemeenteraadsleden
met een vooruitziende blik. Hij
betoonde zich een groot voorstander van de aan te
leggen straat: ‘Overal breiden zich de steden bij de
stations uit, de bevolking verplaatst zich bij voorkeur
naar den omtrek van stationsgebouwen’. Ook
de heer J.H. Schellwald was een voorstander: ‘Dat
zal een kalme aangename binnenweg zijn, in het
klein gelijk aan de Stationsweg’ en spreker hoopte
dan ook, dat er enige villa’s zullen worden
geplaatst. Hij achtte het tot stand komen ‘van den
weg bepaald een verbetering voor de Gemeente’.
Mr. G. Roijer was een van de tegenstanders, hij
beargumenteerde dat: ‘… de grond bij het station
daar jaren heeft gelegen voor hij kopers vond…
Wellicht wakkert de lust aan [! ]’. Uiteindelijk werd
het voorstel met dertien tegen vier stemmen aangenomen.
Dit alles speelde zich in het voorjaar van
1880 af. In oktober 1881 werd én het plan voor de
riolering én het bestek goedgekeurd en in 1882 kon
de nieuwe straat aangelegd worden. De straat werd
vernoemd naar de vermaarde zeventiende-eeuwse
Zwolse schilder Gerard Terborch. ‘Gerard Terborchlaan’
zou een betere benaming zijn geweest:
de straat werd omzoomd door lommerrijke
bomen en was bijzonder rustig gelegen tussen het
station en het stadshart. Uiteindelijk heeft de heer
Schellwald gelijk gekregen en werden de villa’s
gebouwd. Anno 2001 staan er nog steeds aan beide
zijden bomen: in de winter klimmen de boomklevers
hierin omhoog en in het voorjaar broeden de
pimpel- en koolmezen in nestkastjes. In 1864
woonden er 20.500 mensen in Zwolle, anno 2001
meer dan 105.000; de Terborchstraat heeft als één
van de weinige haar originele karakter behouden.
De gevels van bijna alle panden zijn nagenoeg
identiek aan de oorspronkelijke gevels. De meeste
huizen zijn tussen 1880 en 1890 gebouwd; alleen het
pand met de huisnummers 9-11 dateert uit 1914 en
nummer 17 dateert uit 1924. De aarde die eerst
woest en ledig was, zou omgetoverd worden tot de
‘doktersstroate’ van Zwolle. Een plattegrond van
Zwolle uit 1904, waar de gehele Stationswijk op
staat, geeft al bijna, op de genoemde latere panden
na, de huidige situatie weer.
ZWOLLE
Frillikutil.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
De architect
De architect van Terborchstraat 10 is Stephanus
Hermannus Joseph Trooster, roepnaam Steven.
Steven Trooster werd geboren te Zwolle op 22
december 1849 e n is overleden te Utrecht op 26
november 1910. Hij was een zoon van de boven al
genoemde bekende Zwolse aannemer, beter
gezegd projectontwikkelaar avant la lettre, Bernardus
H. Trooster. Over Bernardus is in 2000 in
dit tijdschrift een uitgebreid en aardig artikel verschenen
van de hand van een nazaat. De eerste
levensjaren van Steven zullen wel onbekommerd
zijn geweest daar zijn vader, toen nog, een bemiddeld
man was. Regelmatig verhuisde het gezin
Trooster naar één van de door Bernardus nieuw
gebouwde huizen. Het tot dan bewoonde pand
werd vervolgens, met de nodige winst, verkocht.
Over de opleiding van Steven tot architect is niets
Bouwtekening van het
vooraanzicht van Terborchstraat
10-12 van de
hand van de architect,
Steven J.H. Trooster.
(Collectie HCO)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plan van de bei-etage
van Terborchstraat 10-
12 van de hand van de
architect, Steven J.H.
Trooster. (Collectie
HCO)
concreets bekend, maar vermoedelijk heeft de
zoon het vak van zijn vader geleerd en daarnaast
gestudeerd. Zijn eerste bouwwerk dateert uit 1872,
een verbouwing van een huis aan de Zeven Alleetjes.
In 1881 trouwt Steven met Cornelia Maria
Kamphuis uit Zaandam, de dochter van een welgestelde
familie van houtkopers. Vader Trooster
ging in 1883 failliet. Steven stond zowel zijn vader
als zijn beide broers Bernard Jr. en Martinus
financieel bij. Dit moet een behoorlijke belasting
voor hem betekend hebben; het vermogen dat hij
desondanks bezat is vermoedelijk voor een groot
gedeelte afkomstig geweest van zijn schoonfamilie.
Want Trooster was op het eind van zijn leven
geenszins een onbemiddeld man, hetgeen duidelijk
blijkt uit de akte van scheiding en deling na
zijn overlijden in 1910. Hij liet zijn vrouw de volgende
onroerende zaken, ter waarde van circa
135.000,- gulden, na: vijf huizen in de Terborchstraat;
tien huizen in de Celestraat; de steenfabriek
‘De Koppel’ te Houten en een bouwterrein aan het
Wilhelminapark te Utrecht.
Troosters werk
Architect Trooster was in Zwolle zeer succesvol en
bouwde in de tachtiger en negentiger jaren tal van
imposante villa’s. Bijna al zijn ontwerpen zijn in
de neorenaissancestijl, een stijl die jarenlang verfoeid
is, maar die tegenwoordig meer en meer
erkenning begint te krijgen.
Panden die hij naast de huizen in de Terborchstraat
ontworpen heeft zijn onder meer:
1882 Het Bestevaershofje, Potgietersingel 5 (nu
Monuta Stichting);
1883 De villa van wijnhandelaar J.F.G. van Reede,
Burgemeester van Roijensingel 18 (nu:
Bramer Bedrijfsmakelaardij);
1884 Ter Pelkwijkpark 18, het voormalig gemeentehuis
van Zwollerkerspel (nu
uitvaartcentrum);
1883 Stationsweg 2. In dit pand is geruime tijd
het Kadaster gehuisvest geweest. In de
nieuwe behuizing van het Kadaster op het
Hanzeland hangt achter de publieksbalie
een zeer fraaie aquarel van Stationsweg 2
van de hand van Trooster.
1889 De Buitensociëteit. Bij de opening van de
Buitensociëteit tegenover het station
schreef het tijdschrift De Opmerker op 8
februari 1890: ‘Dezer dagen werd te Zwolle
de nieuwe concertzaal van de Buitensociëteit
feestelijk ingewijd. De geringe beschikbare
middelen waren oorzaak dat bij den
bouw de grootste economie moest worden
betracht. Toch is het den architect, den
heer S.J.H. Trooster, gelukt een gebouw te
stichten dat blijkens de eenstemmige getuigenis
in alle opzichten aan de verwachting
beantwoordt. Aan het slot van de rede viel
den architect een warme ovatie ten deel’.
Ongetwijfeld heeft Trooster meer panden ontworpen
in Zwolle. Hij genoot ook landelijke
bekendheid. De man moet een goed katholiek
geweest zijn, hetgeen blijkt uit de aanpassingen
van het priesterkoor, de kapellen en catechisatieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
lokaal en -kamer in 1888 en 1889 van de Onze-Lieve-
Vrouwe Kerk (de Peperbus), die hij heeft
mogen realiseren.
Troosters visie
In 1895 werd Trooster gekozen in de Zwolse
gemeenteraad. Hij blijkt wederom een man van
grote sociale gevoelens, nu niet alleen voor zijn
armlastige familieleden maar in het bijzonder
voor de arbeidende klasse. Trooster staat namelijk
aan de wieg van de eerste bouwverordening in
Zwolle. Hij had in de gemeenteraad verreweg de
modernste ideeën over het bouwen voor ‘Jan met
de Pet’. Gedurende het gehele jaar 1897 weerde
Trooster zich dapper om zijn opvattingen over
bredere straten, grotere huizen, hogere huizen en
huizen met plafonds in de bouwverordening te
krijgen. Dit speelde vooral in de nieuwe wijk
Assendorp, gebouwd als echte arbeidersbuurt
voor de ‘spoorhazen’. Helaas, de strijd werd grotendeels
verloren door Trooster. Het college van B
en W kwam met een veel ‘bekrompener’ bouwverordening,
welke in december 1897 werd goedgekeurd.
De handelingen van de Zwolse gemeenteraad
getuigen hiervan:
‘Hij [Trooster] kan zich niet begrijpen, dat
Burgemeester en Wethouders de cijfers van ’t concept
verlagen willen. Bij een hoogte van 3 M. zal
een vertrek van 48 M2, nog niet meer zijn dan 4 bij
4 M, en dat is toch werkelijk niet te veel voor de
woonkamer van een gezin, dat er dan in den regel
nog in slaapt ook en waarin gekookt en gegeten.
Spr. kan het zich niet begrijpen hoe men die afmeting
nog te groot kan noemen. Neem een gezin
van 6 personen: man, vrouw en 4 kinderen, dan
heeft men bij de afmetingen, in het concept aangegeven,
juist 8 M2 per persoon om te wonen en te
slapen. Het is eigenlijk al te klein. Het geeft op verre
na niet wat uit een oogpunt van gezondheid
mag worden geëischt.’
HOLLANDSCHË SOCIËTEIT VAN LEVENSVERZEKERINGEN, Opgericht in ’t jaar 1 8 0 7 te AMSTERDAA
ZWOLLE. ,j X
3 Bank vnn LMnlng.
H BMhlohomneho Kort.
l BroeroDkork.
pgodo
8 Doioliilrctiitir Kloos
K, C. Kort.
O OerecbUbof.
CO Pent’ an TOosnaf kantoer.
81 RUfcf» U. B. School.
3 & n p o o r t ,
ulü.
fU Slaiftm
Btoomtmm.
36 Ht. Ulohnftltitork.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 3

Door 2002, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

N
mmer
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
> f e s . Ktiss, Amstaröarri. Ho. BOS!
/ – * . – Drukwerk
BRIEFKAART
(CA.HTE POSTALE)
Algemeene Postve
jjde. voor het adrc ‘
-• Universelle)
Oude ViFtcbimirkt. ZWOLLE.!
j B
,.ilrul«iit’,’divr>Drdio
trlt (taart IA
CIMI poauli doorichfsppift
ID allim
naam in datun ir
ip schiijm.
AAN..
(Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Prentbriefkaart Oude Vis(ch)markt
De prentbriefkaart toont een prachtig tafereel van
een rustige Oude Vismarkt met op de achtergrond
de Grote Markt en de sociëteit De Harmonie. De
Oude Vismarkt dankt zijn naam aan het feit dat
hier tot 1792 de verkoop van vis plaats vond. Daarna
werd de vis op het Rodetorenplein verkocht.
Onder de Oude Vismarkt stroomde de Grote Aa,
die rond 1860 gedempt werd.
De foto is gemaakt op Koninginnedag. Dat
feest werd vanaf 1898 gevierd op 31 augustus. Vele
vlaggen met wimpels sieren de huizen. Het is hoog
zomer; de man met de mand loopt in hemdsmouwen
over straat en de bomen zitten volop in het
blad.
Het straatbeeld werd nog niet verstoord door
schreeuwende reclames en flikkerende neonverlichting.
De enige reclameuiting bestond uit het
aanbrengen van een uithangbord, zoals links op
de voorgrond: Paul van Hulzen, beddenfabriek.
Rechts zien we op het uitspringende pand Oude
Vismarkt 7 tussen de eerste en tweede verdieping
de naam F.J. Schoemaker. Dit was een stoommeubelfabriek.
We zien de in 1901 gemoderniseerde
gevel. Na een brand in 1907 werd het pand nogmaals
verbouwd en door architect M. Meijerink in
Jugendstil opgetrokken. Meer over de geschiedenis
van de firma Schoemaker kunt u lezen vanaf
pagina 103 in dit themanummer.
Uit het pand van Schoemaker en de adreszijde
van de kaart valt op te maken dat de opname tussen
1901 en 1905 gemaakt is. Vanaf 1905 is de adreszijde
van prentbriefkaarten in tweeën gesplitst: het
rechterdeel voor adresgegevens, het linkerdeel om
te beschrijven. Voor 1905 was de adreszijde uitsluitend
bestemd voor het adres; vandaar dat op
die prentbriefkaarten teksten op de voorzijde
voorkomen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Inhoud
111
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 86
Zwolse koopmansgeest Redactioneel 88
De Oude Gaper en de firma J. ten Doesschate
Annèt Bootsma-van Hulten 89
Tabaksfabriek Van den Helm Lydie van Dijk 93
Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en bitterfabriek
Annèt Bootsma-van Hulten 98
‘Richt u in naar uw zin’de firma F.J. Schoemaker & Zn. (1843-1958)
Miriam Schneiders 103
Tingieterij Kamphof (1864-1938) Annèt Bootsma-van Hulten 108
Biljartfabriek Princesse J.A. Hoffscholze Wim Huijsmans en
Menno van der Laan 111
Geweermakers aan de Luttekestraat, de firma H.J. Bremer
Annèt Bootsma-van Hulten 115
Gevavi Wim Huijsmans en Menno van der Laan 117
Walter Stern Wil Cornelissen 119
IJsmakers Talamini op de Grote Markt Jeanine Otten 122
Smederij en rijwielhandel Tensen in Berkum Theo de Kogel 127
Runhaar; specialist in zonweringen en rolluiken Wim Huijsmans 130
Auteurs 134
Omslag: De Oude Gaper, Diezerstraat 14, in volle bedrijvigheid in 1903. Duidelijk
zijn de in de gevel ingehouwen woorden ‘Drogerijen’ en ‘Verfwaren’ te zien.
(Particuliere collectie)
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse koopmansgeest
Redactioneel Zwolle heeft bij sommigen altijd de naam
gehad een beetje saaie ambtenarenstad te
zijn. Dat beeld is zeker niet juist. Zwolle was
van oudsher een Hanzestad maar vooral ook een
regionaal centrum waar de handel floreerde. De
industrie nam een bescheidener plaats in maar
was wel degelijk aanwezig. Tegenwoordig zijn er
in de industrie zelfs zo’n 9.000 arbeidsplaatsen
voor handen en daarmee neemt deze bedrijfstak
een volwaardige plaats in het arbeidsbestel in.
Kenmerkend voor een middelgrote stad als
Zwolle waren de vele bedrijven die ter plekke productie
en handel combineerden. Sommige daarvan
bestaan nog steeds. Het zijn de bedrijven die
Zwolle in de vorige eeuw kleur hebben gegeven.
De meeste waren gevestigd in de binnenstad en
konden dan ook niet over het hoofd worden
gezien. Vele Zwollenaren hebben herinneringen
aan zo’n bedrijf.
In het kader van het thema van Open Monumentendag
2002 (‘Koopmansgeest’) besteedt het
Zwols Historisch Tijdschrift in een extra dik nummer
aandacht aan Zwolse ondernemingen waarbij
ambachtelijk vakmanschap en handel hand in
hand gingen: ze combineerden in oorsprong een
werkplaats met een winkel waar de producten ter
plekke verkocht konden worden.
De keuze van de beschreven bedrijven is verder
tamelijk willekeurig en voor een deel bepaald
door de beschikbaarheid van literatuur of archiefmateriaal.
Sommige bedrijven bestaan nog, zoals
Talamini, andere zijn reeds lange tijd opgeheven,
zoals tingieter Kamphof. Sommige zijn eeuwenoud
geworden, zoals drogisterij de Oude Gaper
(vanaf 1782), andere zijn pas in 1937 gesticht (Walter
Stern). Bijna allen waren in hartje binnenstad
gevestigd, twee in Zwollerkerspel (smederij Tensen
in Berkum en Gevavi in Westenholte).
Eén ding hebben ze gemeenschappelijk: na de
start was het jarenlang hard werken, waarna
meestal een succesvolle uitbreiding volgde.
Een niet onaanzienlijk deel van de starters
kwam overigens van buiten Zwolle. Meubelmaker
Schoemaker kwam uit Twello, Jurriaan ten Doesschate
kwam uit Goor. Johannes Hoffschulte
kwam in 1840 uit het Duitse Neuenhaus naar
Zwolle, Heinrich Joseph Bremer kwam in 1865
eveneens uit Duitsland en Walter Stern vluchtte in
1936 voor de nazi’s naar Nederland. Pietro Talamini
vertrok in 1932 naar Nederland. En daarmee
is het verhaal van de typisch Zwolse ondernemingen
ook een beetje een verhaal van Zwolse nieuwkomers.
Ondernemende types en harde werkers,
die met hun specifieke kennis, zoals het maken
van geweren maar ook ijs, iets wisten toe te voegen
aan de plaatselijke cultuur.
Tot de sanering in de jaren zestig waren vele
bedrijven en bedrijfjes nog in de binnenstad
gevestigd. De meesten kampten met ruimtegebrek,
versnipperde huisvesting en werden geconfronteerd
met verkeerstechnische problemen. De
biljartfabriek Hoffscholze zat aan Achter de Broe-
“ren. Likeurstokerij Doijer en Van Deventer (wie
herinnert zich niet de penetrante zoete geur) had
de hele hoek Gasthuisplein en Wolweverstraat in
gebruik. En de ‘markies van de Voorstraat’, Runhaar,
maakte, repareerde en verhandelde zijn zonweringen
in de twee panden aan de Voorstraat en
de Ossenmarkt. Vanaf de jaren zestig vestigden
met name de bedrijven waarbij de winkelfunctie
ondergeschikt was of was geworden, zich op nieuwe
industrieterreinen en zijn daarmee een beetje
uit het blikveld van de Zwollenaar verdwenen.
Andere zijn er nog steeds. Samen hebben ze de
geur en kleur van Zwolle bepaald en laten ze zien
dat Zwollenaren een nijver en ondernemend volkje
vormen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
De Oude Gaper en de firma J. ten Doesschate
De bekendmaking in 1990 dat drogisterij de
Oude Gaper haar deuren ging sluiten veroorzaakte
veel beroering in Zwolle. De
drogisterij was al ruim 200 jaar, sinds 1782, in hetzelfde
pand aan de Diezerstraat (nr. 14) gevestigd
en was in de loop der jaren uiterlijk nauwelijks van
karakter veranderd. De winkel was daarmee meer
dan alleen een locale bijzonderheid geworden; het
was ook de oudste drogisterij in Nederland. In de
Oude Gaper was het tot 1990 nog mogelijk allerlei
bijzondere producten te verkrijgen die ter plekke
werden afgevuld in stopflesjes of afgewogen in
papieren zakjes met opdruk. Het oorspronkelijke
karakter van de winkel en de traditionele wijze
waarop het drogisterijvak uitgevoerd werd, spraken
velen aan maar was aan het eind van de twintigste
eeuw niet meer rendabel.
De firma J. ten Doesschate
Dat was in de twee eeuwen daarvoor wel anders.
In 1782 werd er in het pand Diezerstraat 14 een
kaarsenmakerij annex grutterszaak gevestigd.
Wanneer de verkoop van drogerijen daarbij kwam
is niet helemaal zeker, maar dat was in ieder geval
zeker vanaf 1785 het geval. De bedrijfsvoering in
drogerijen bleef vervolgens aan het pand gekoppeld.
Vanaf 1785 waren de achtereenvolgende eigenaren
ook regelmatig aan elkaar verwant.
Rond 1900 bestond de Oude Gaper niet alleen
uit een drogisterij maar ook uit een grossierderij
in drogerijen en verfwaren. Het bedrijf was in die
tijd eigendom van de heer J. ten Doesschate en
zijn echtgenote J. ten Doesschate – Nellensteijn.
De winkel droeg de naam In d’Oude Gaper maar
de grossierderij werd gevoerd onder de naam de
firma J. ten Doesschate. De zaak telde in 1903 elf
personeelsleden.
Jurriaan ten Doesschate (1842-1916) was
afkomstig uit Goor en stamde uit een textielfamilie.
Hij trouwde in 1878 de Zwolse apothekersdochter
Jansje Nellensteijn (1846-1924). Volgens
de familieoverlevering was Jans (zoals zij
genoemd werd) Nellensteijn een flinke en intelligente
vrouw. Jurriaan en zij moeten hun kennis
van zaken in de praktijk opgedaan hebben, waarbij
(schoon)vader Nellensteijn ongetwijfeld ook
een rol gespeeld heeft.
De grossierderij omvatte de handel in drogerijen,
specerijen, chemicaliën, de fabricage en
handel in verf en de import en handel in levertraan.
In het pand aan de Diezerstraat was behalve
de winkel een kantoor gevestigd, een kruidenzolder
en een verfwarenzolder, een verfkamer en een
chloorafweging, een taplokaal voor olijf- en slaolie,
een taplokaal voor de levertraan, een kistenmakerij
en een schaftlokaal. De firma bezat daarnaast
ook nog een pakhuis aan de Bitterstraat,
gelegen recht tegenover de Nutsschool. De knechten
die in het pakhuis aan de Bitterstraat werkten,
Annèt Bootsma –
van Hulten
De verfkamer in de
Oude Gaper in 1903.
(Particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1888 liet Jurriaan ten Doesschate een nieuw huis aan de Oude Vismarkt 7
bouwen, waar hij met zijn gezin ging wonen. De familie Ten Doesschate woonde
naast de meubelfabriek Schoemaker. Dit bedrijf half zichtbaar op de foto, wordt
elders in dit tijdschrift beschreven. (Particuliere collectie)
moesten zich ’s morgens eerst in de winkel aan de
Diezerstraat melden.
In 1888 liet Ten Doesschate aan de Oude Vismarkt
7, in het verlengde van Diezerstraat 14, een
nieuw huis bouwen waar hij zelf met zijn gezin
ging wonen. Beide panden stonden met elkaar in
verbinding, een situatie die tegenwoordig nog
steeds zo is. De werktijden waren lang, in de jaren
tachtig van de negentiende eeuw begon men om
zes uur ’s morgens en werd er tot ongeveer acht
uur ’s avonds doorgewerkt. Wel hield men zeker
twee pauzes, om tien uur en om vier uur, waarbij
het personeel koffie en thee kreeg, iets wat toen
nog lang niet algemeen gebruikelijk was. Het echtpaar
Ten Doesschate – Nellensteijn stond in aanzien
bij hun medewerkers. Ter gelegenheid van
hun 25-jarig huwelijk in 1903 kregen ze van het
gezamenlijke personeel een prachtig fotoalbum
cadeau waarin onder meer het hele bedrijf op de
gevoelige plaat werd vastgelegd. Dit album
bevindt zich nog in familiebezit, de bij dit artikel
afgedrukte foto’s zijn hieruit afkomstig.
Levertraan en verf
Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw
moesten alle Nederlandse kindertjes in de wintermaanden
levertraan slikken. De levertraan van
Ten Doesschate was wijd en zijd vermaard. Ten
Doesschate importeerde de levertraan zelf rechtstreeks
uit Noorwegen. Hij ging ook zelf op zakenreis
naar Noorwegen. De levertraan werd aangevoerd
in vaten en in de Diezerstraat overgetapt in
flessen die vervolgens hun weg door heel Nederland
vonden. Deze zogeheten ‘Lotodinsche’ levertraan
werd verkocht onder de naam ‘In de
Gekroonde Oude Gaper’. Opmerkelijk was dat de
levertraan in vierkante flessen zat, een idee van
Ten Doesschate omdat vierkante flessen beter in
kisten verpakt konden worden. Op de flessen zat
statiegeld, zij werden, na in sodawater te zijn uitgekookt,
eindeloos hergebruikt.
Een ander vermaard product van de firma Ten
Doesschate betrof verf. Niet toevallig staat nog
altijd op de gevel van Diezerstraat 14 met grote
ingehouwen letters de woorden ‘drogerijen’ en
‘verfwaren’ te lezen. De verkoop hiervan beleefde
altijd een hausse in het vroege voorjaar wanneer
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
GAPER DiezeRSTRAAT.
de grote schoonmaak werd gehouden. Het was
met name onder de boeren een goed gebruik met
de schoonmaak ook een en ander van een fris
laagje verf te voorzien. De grondleggers van de
huidige verffabriek Van Wijhe leerden het vak bij
Ten Doesschate; D.H. van Wijhe en D. Vermeulen
werkten eerst in de Oude Gaper voor zij in 1916 in
de Goudsteeg voor zichzelf begonnen met een
groothandel in drogerijen en verfwaren. Ten
Doesschate bleek overigens ook een leerschool
voor Zwolse drogisten, de heren Westenberg en
Kinket werkten in de Oude Gaper voordat zij
eigen zaken begonnen.
A.J. ten Doesschate
Rond 1885 nam het echtpaar Ten Doesschate –
Nellensteijn een verweesde neef uit Goor op in
huis. Deze neef, genaamd Anthonij Judany ten
Doesschate (geb. 1862), stak veel kennis op bij zijn
oom en tante; hij bracht dit in praktijk door in
1899 in dezelfde branche voor zichzelf te beginnen.
Er ontstond toen een verwarrende situatie,
twee firma’s die zich in dezelfde stad onder bijna
dezelfde naam, firma J. en firma A.J., met dezelfde
handel bezighielden. Ter illustratie, de firma J. ten
Doesschate verkocht zijn levertraan onder de
naam ‘In de Gekroonde Oude Gaper’; de firma
A.J. ten Doesschate, in dezelfde vierkante flessen,
onder de naam ‘De 3 Gapers’. A.J. was overigens
Het fotoalbum dat het
echtpaar Ten Doesschate
– Nellensteijn ter
gelegenheid van hun 25-
jarig huwelijk in 1903
van het personeel aangeboden
kreeg, was versierd
met originele pentekeningen.
Deze fraaie
Jugendstilafbeelding is
daaruit afkomstig.
(Particuliere collectie)
Etiket van de ‘Lotodinsche’
levertraan van de
firma J. ten Doesschate,
in de vierkante flessen
verkocht onder de naam
‘De Gekroonde Oude
Gaper’. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Oude Gaper, Diezerstraat
14, in volle
bedrijvigheid in 1903.
Duidelijk zijn de in de
gevel ingehouwen woorden
‘Drogerijen’ en
‘Verfwaren’ te zien.
(Particuliere collectie)
zeer succesvol, uit zijn bedrijf ontstond de bekende
in Wapenveld gevestigde onderneming Euroma,
producent van kruiden, specerijen, mengsels,
sauzen etc. Beide firma’s Ten Doesschate bestonden
lang naast elkaar, maar uiteindelijk ging dit
ten koste van de firma J. ten Doesschate. Het
duurde overigens nog tot eind jaren zestig voordat
de firma J. ten Doesschate officieel overgenomen
werd door de toenmalige Handelsvereniging A.J.
ten Doesschate.
Drie generaties Piquet
Drogisterij de Oude Gaper en de fima J. ten Doesschate
waren toen al lang verschillende wegen
ingeslagen. Jurriaan ten Doesschate was in 1916
overleden. Zijn twee zoons Anton en Gezienus
traden niet in de voetsporen van hun vader maar
begaven zich wel op een aanverwant terrein, zij
werden allebei arts. De dochter van Jurriaan en
Jans ten Doesschate – Nellensteijn, Wilhelmina
Johanna (geb. 1881), trouwde met Jacques Sully
Piquet (1879-1928). Dit echtpaar Piquet – ten
Doesschate zette de Oude Gaper en aanvankelijk
ook de firma J. ten Doesschate voort. De in 1928
weduwe geworden mevrouw Piquet – ten Doesschate
verkocht de firma J. ten Doesschate in 1936
aan de heer B. Deuzeman; haar zoon Jurriaan
Piquet (geb. 1909) zette toen de drogisterij voort.
De Oude Gaper bleef in de twintigste eeuw een
familiebedrijf. Jurriaan Piquet bepaalde tientallen
jaren lang het gezicht van de Oude Gaper; menig
Zwollenaar zal zich hem nog voor de geest kunnen
halen, een kleine levendige man die in witte jas
achter de antieke toonbank van de drogisterij
stond. Vanaf 1957 mocht Piquet zich hofleverancier
noemen, dat predikaat werd aan de Oude
Gaper verleend in 1957 bij het 175-jarig bestaan.
Jurriaan Piquet overleed in 1987. Het was zijn
zoon Eelco Piquet die zich in 1990 gedwongen zag
de deur van de drogisterij te sluiten, waarmee een
eind kwam aan een 218 jaar oud Zwols bedrijf.
Epiloog
Toen de oorspronkelijke drogisterij in 1990 sloot
ontstond er spontaan een actiecomité ter behoud
van pand en interieur. Onder voorwaarde dat het
vertrouwde uiterlijk gehandhaafd werd, was er
van 1992 tot 1996 een Trekpleister-filiaal gevestigd.
Daarna werd het in 1997 een Benetton-winkel. De
Oude Gaper verloor daarmee waarschijnlijk
definitief zijn drogisterijbestemming, maar het
oorspronkelijke karakter is nog herkenbaar.
* Bij deze wil ik graag postuum dank zeggen aan de
heer Mr. J. ten Doesschate, die mij waardevolle informatie
verschafte over zijn grootouders Ten
Doesschate – Nellensteijn. Helaas heeft de heer Ten
Doesschate de verschijning van dit artikel niet meer
mogen meemaken, hij overleed in juni 2002.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Tabaksfabriek Van den Helm
Het Historisch Centrum Overijssel bewaart
in haar collectie drie plakboeken waarin
de laatste eigenaar van de tabaksfabriek
Van den Helm, de heer BJ. Roelfsema, de geschiedenis
van het bedrijf reconstrueert.
In deze plakboeken zijn ook enkele archiefstukken,
brieven en verpakkingsmateriaal opgenomen.
Het onderstaande is op de beschrijving van
Roelfsema gebaseerd en op gegevens uit het
archief van de Kamer van Koophandel te Zwolle.
Kruidenier en tabakshandel
Celius Dirk van den Helm (1749-1833) begon in
1805 met een tabakskerverij. Deze kerverij groeide
in korte tijd uit tot een tabaksbedrijfje in combinatie
met een kruidenierswinkel. Winkel en
bedrijf waren gevestigd in de Diezerstraat op het
huidige nummer 56. Dit pand, ‘Het groene Rad’
genaamd, was in 1747 gekocht van de med. dr. Van
Sonsbeek door de vader van Celius Dirk, Jacobus
Casparus van den Helm. Jacobus Casparus woonde
zelf niet in het pand, maar in een erachter gele-
Lydie van Dijk
%*•••?%
Reclameplaat met doorsnede
van de fabriek
aan het Gasthuisplein
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ansichtkaart van de
winkel in de Diezerstraat
met de twee
gevelbeelden (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
gen huis aan het huidige Gasthuisplein. Hij was
lakenhandelaar en gemeensman en overleed in
1795. Zijn kleinzoon Coenraad Derk (1787-1849),
zoon van Celius Dirk, wordt in het patentregister
in 1810 vermeld als winkelier in tabak, snuif, koffie
en thee. Deze Coenraad Derk zette dus het bedrijf
van zijn vader voort. Na zijn dood werd de firmanaam
gewijzigd in Wed. CD. van den Helm.
Overname
De weduwe was Anna Gesina Wispelweij, de tweede
vrouw van Coenraad Derk. Zij leidde het
bedrijf tot haar overlijden in 1856. Daarna heeft
Jacobus Casparus van den Helm, een zoon uit het
eerste huwelijk van Coenraad Derk met Magdalena
van Rees, het bedrijf enige tijd beheerd. In 1872
verkochten de drie kinderen uit het eerste huwelijk
de panden aan de Diezerstraat en het Gasthuisplein
aan Anthonij Dengerink. Bij de koopsom
van f 12.000 waren voorraden ruwe tabak,
MM
Receptuur
Johannes van den Helm heeft in november1872
zijn inkoopkennis en receptuur van snuif via een
receptenbrief overgedragen aan Anthonij Dengerink.
Volgens de aantekeningen van de heer
Roelfsema is dit document van een ontwapenende
eenvoud.
Voorbeelden hiervan zijn:
• Oud Snuif 20 et verkoop: fabriek stelen
• Roode Snuif 50 et verkoop: gekleurde stelen,
fijn gezeefd, goed vochtig en reuk olie naar
verkiezing (Nagelolie en Bergamot)
• Zwarte reuk Snuif 80 et verkoop: Brokling en
fabriek stelen, fijn ziften, alleen Bergamotolie
Memorandum
• De snuif moet gezeefd worden naar verkiezing
(grof of fijn)
• De reuk olie bij droppels door de aangemaakte
snuif doen, en laten doortrekken I niet door
de pekel doen, dan blijft er te veel aan de rand
van depot waar de pekel in is, hangen. Zoo
kan men alle soort van reuksnuif maken.
(Archief Van den Helm, HCO)
apparatuur en inventaris niet inbegrepen, deze
worden althans niet in de akte van verkoop
genoemd. Ook het kruideniersbedrijf is onvermeld.
Blijkbaar hield men zich vóór 1872 uitsluitend
bezig met de tabaksproductie, met de verkoop
daarvan en met sigarenhandel. De nieuwe
eigenaar Dengerink beschikte kennelijk in ruime
mate over middelen, want in korte tijd waren alle
kosten van koop en overname betaald.
De firma Van den Helm was in die tijd lang
niet de enige tabakskerverij in Zwolle. Rond 1880
waren er dertien tabaksfabrieken in de stad. Landelijk
gezien was het onrustig in deze bedrijftak.
In sigarenfabrieken kwamen stakingen veelvuldig
voor. Dit zal een van de aanleidingen zijn geweest
voor de oprichting van de Vereeniging van
Tabaksfabrikanten in Nederland op 14 februari
1906. De overige tabaksindustrie heeft echter nauwelijks
last gehad van stakingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
fOA
Gevelbeelden en tabakspotten
Anthonij Dengerink handhaafde aanvankelijk de
naam firma Wed. CD. van den Helm, later gewijzigd
in firma A. Dengerink v/h Wed. CD. van den
Helm. Na zijn dood in 1906 zetten zijn twee zonen
het bedrijf voort. Eigenaar was Hendrik Sybrand
Dengerink. Deze woonde aan het Gasthuisplein
nr. 5. In 1924 verhuisde hij naar Van Nahuysplein
8, in 1937 naar nr. 12. Briefpapier vari 1907 laat de
volgende bedrijfsnaam zien: Stoom-tabaksfabriek
Eén van de twee gevelbeelden
die de winkel
aan de Diezerstraat
flankeerden. Het gevelbeeld
is gemaakt van
beschilderd gietijzer en
stelt een man voor steunend
op een zogeheten
karot. De hoogte van
het beeld is 66 cm. (Collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
Het Wapen van Amsterdam, opgericht 1805. De
brief is ondertekend met A. Dengerink, voorheen
Wed. CD. van den Helm. Deze naam en het
beeldmerk Het Wapen van Amsterdam werd in
1909 als merk gedeponeerd.
In een van de plakboeken in het HCO zit een
(niet erg scherpe) ansichtkaart van het interieur
van de winkel in de Diezerstraat. Hierop zijn twee
snuiftabakspotten te zien zijn die de heer Roelfsema
enkele jaren geleden heeft overgedragen aan
het Stedelijk Museum Zwolle. Behalve deze
tabakspotten kwamen toen ook de beide beelden
die de ingang van de winkel flankeerden, evenals
een reclameplaat die een doorsnede van de fabriek
laat zien, in bezit van het museum. De gevelbeelden
zijn van beschilderd gietijzer en stellen twee
mannen voor steunend op een karot. Een karot
zijn tabaksbladeren, ontdaan van de hoofdnerf,
om elkaar gewikkeld, gedroogd en vermalen tot
snuif. Op het voetstuk van het ene beeld staat
‘sigaren’, op dat van het andere ’tabak’.
Volautomatisch
Tot ver in de jaren dertig vervaardigden de meeste
tabaksfabrieken uitsluitend pruim- en pijptabak.
Slechts enkele grote bedrijven fabriceerden daarnaast
ook shagtabak, hoofdzakelijk bestemd voor
de export. In Nederland werd shag vooral verkocht
aan zeelui en verlofgangers en gepensioneerden
uit Nederlands-Indië. De firma Wed.
CD. van den Helm was een van de eerste ondernemingen
die dit betrekkelijk nieuwe artikel met
veel succes op de markt bracht. Een volautomati-
Sigarenautomaat trekt aandacht
De winkel van weduwe Van der Helm in de Diezerstraat mag zich verheugen
in ruime belangstelling. Reden is het nieuwtje dat Van der Helm voor haar
zaak heeft geplaatst: een sigarenautomaat. Na inworp va een dubbeltje krijgt
men naar keuze 3,4,5 of 6 sigaren. Een pakje sigaretten kan ook. Sommigen
zien het als een stap in de richtingvan eerbiediging van de zondagsrust. Nu
kunnen de mensen immers op zondag een rokertje kopen zonder dat een
ander er voor hoeft te werken. Critici van de automaat wijzen er echter op dat
de keuze die de machine biedt wel erg beperkt is.
(Zwolsche Courant, 25 oktober 1904, bewerkt)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door de firma Van den
Helm gebruikte verpakking
(collectie HCO).
Ansichtkaart Thorbeckegracht;
situatie vlak
voor de tabaksfabriek
zich er vestigde (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle).
sche pakmachine, een Quester uit Keulen, werd
daarvoor aangekocht. Het was de laatste gewone
machine die dit Duitse bedrijf nog leverde, daarna
werd volledig omgeschakeld op oorlogstuig.
In 1936 kocht H.S. Dengerink het pand Thorbeckegracht
nr. 8 en verhuisde het bedrijf. Later
wordt ook het aangrenzende pand gekocht. Deze
verhuizing was ongetwijfeld een belangrijke verbetering,
maar een groot bezwaar was dat de
betrekkelijk zware machines op de eerste verdie-
Thorbeckegracht.
ping moesten worden geplaatst, omdat kantoren,
magazijn en expeditie te veel van de ruimten op de
begane grond in beslag namen.
Een tweede overname
Uit een rapport van de gemeente Zwolle naar de
welvaartsbronnen van de stad blijkt dat er in 1937
nog maar één bedrijf over is van de vele tabaksfabriekjes
die er zestig jaar daarvoor waren. De afzet
is, volgens dit rapport, geheel regionaal georiënteerd,
hetgeen de transportkosten drukt. Voor de
werkgelegenheid was de betekenis gering, er
waren maar elf arbeiders in dienst. In 1876 had de
tabaksindustrie nog 28 werknemers.
Op 1 januari 1938 trad H.S. Dengerink uit de
firma. De handelsnaam werd weer gewijzigd in
Firma Wed. CD. van den Helm. Blijkbaar was de
negentiende-eeuwse naam nog steeds een begrip.
Het bedrijf werd eind 1938 overgenomen door
Johannes Lubbert Roelfsema uit Winschoten, die
in Zwolle aan de Stationsweg 7 ging wonen. Roelfsema
was afkomstig uit de tabaksindustrie. Zijn
familie had in Winschoten ook een fabriek.
Het Zwolse bedrijf had een goede naam. Dit
kwam tot uiting in de koopsom. In totaal moest
Roelfsema f52.000 betalen, waarvan f 10.000 voor
goodwill, f 7.000 voor de machines en f 35.000
voor de voorraad tabak. Het machinepark
bestond uit een grote kerfbank, een kleine kerfbank,
een droogtrommel, een koel- en zeefmachine,
een messenslijpmachine, twee pakmachines,
een banderolleerapparaat en een goederenlift.
De overdracht vond plaats op 1 januari 1939.
De huurprijs voor de panden Thorbeckegracht 7
en 8 bedroeg f 1.500.
Moeilijke oorlogsjaren
Het eerste jaar onder J.L. Roelfsema was succesvol.
Er werd een winst gemaakt van ca. f 7.000. Kort
daarop brak de Tweede Wereldoorlog uit. Zoals
voor vele bedrijven, was dit ook voor de tabaksindustrie
een rampzalige tijd. De bezetter richtte het
Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten op.
Dit bureau saneerde de bedrijfstak, waardoor er in
het hele land nog maar twaalf tabaksbedrijven
over bleven. Hieronder waren de Wed. CD. van
den Helm en de firma Roelfsema in Winschoten.
Zicolle,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Bij de volgende sanering vielen de beide bedrijven
echter uit de boot. Om het bedrijf draaiende te
houden en om aan de vraag tegemoet te komen,
werd toestemming gevraagd zogenaamde amateur-
tabak te mogen verwerken. Deze ‘amateurtabak’
is tabak die verkregen wordt uit door particulieren
gekweekte tabaksplanten. Deze ‘amateurs’
wisten natuurlijk niet hoe zij van de bladeren
goede tabak moesten maken.
De toestemming van het Rijksbureau werd pas
verkregen na herhaalde verzoeken en het toestoppen
van steekpenningen in de vorm van cosmetica.
De firma had te horen gekregen dat men voor
de tabak zelf geen belangstelling had (daar kon
men genoeg van krijgen), en dus werd tabak eerst
geruild tegen cosmetica en dit werd meegenomen
naar het bureau. Voor het verkrijgen van deze toestemming
moest wel een volledige lijst van alle
werknemers worden ingeleverd. Dit kon als
gevolg hebben dat werknemers werden opgeroepen
om in Duitsland te gaan werken. Geen van
hen is echter daar te werk gesteld.
Het einde
Na de Tweede Wereldoorlog werd de firma in
Winschoten opgeheven. Berend Jan Roelfsema, de
zoon van J.L. Roelfsema, werkte aanvankelijk in
Winschoten, maar werdvervolgens mede-eigenaar
van de Vereenigde Tabaksfabrieken Roelfsema
van den Helm in Zwolle. De vennootschap
legde zich toe op de vervaardiging van en handel
in tabaksproducten en aanverwante artikelen, dit
alles in de ruimste zin. Wat onder dit laatste verstaan
werd, blijkt uit een vermelding bij de Kamer
van Koophandel: vanaf 1 april 1953 was de NV Verenigde
Tabaksfabrieken Roelfsema van den Helm
tevens groothandel in rokersartikelen, metaalwaren,
huishoudelijke artikelen, galanteriën, zoetwaren,
luchtbuksen en luchtbukskogels, mondharmonica’s.
De groothandel werd gevoerd onder de
naam ‘Pyro’.
In 1956 verkocht Roelfsema de Verenigde
Tabaksfabrieken aan collega-tabakshandelaar de
Gebroeders Jakobs uit Meppel. Kort hierop kwam
het in handen van Theodorus Niemeijer uit Groningen.
Toen was het snel afgelopen met de
tabaksindustrie in Zwolle.
Roelfsema ging door met de bovengenoemde
groothandel onder de naam handelsonderneming
Roelfsema – van den Helm, gevestigd aan de
Thorbeckegracht 7. In 1960 waren hier nog negen
personen werkzaam, vier jaar later nog zes.
Het definitieve einde kwam op 1 oktober 1965,
toen de groothandel werd overgenomen door BV
Vipero te Meppel. B.J. Roelfsema aanvaardde een
functie als bedrijfsleider bij de sigarenfabriek Smit
en Ten Hove in Kampen.
Het pand Thorbeckegracht 8 werd al in 1957
verkocht aan Handelsvereniging AJ. ten Doesschate,
die in 1965 ook nummer 7 kocht. Rond
1980 zijn deze panden afgebroken en zijn op deze
plaats nieuwe woningen gebouwd.
Pakmachine aan de
Thorbeckegracht (collectie
HCO).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en
bitterfabriek
Annèt Bootsma –
van Hulten De firma Doijer en Van Deventer was jarenlang
een klassiek Zwols familiebedrijf. De
familie Van Deventer bleef met drie generaties
tot 1935 bij het bedrijf betrokken, de familie
Doijer met zes generaties zelfs tot 1989. Hoe de
families Van Deventer en Doijer tot het maken van
alcoholhoudende dranken zijn gekomen, is onbekend.
Wat wel vast staat is de exacte oprichtingsdatum
van het bedrijf en waar het van start ging.
Roode Bessenwijn
’19 Juli 1894. Roode Bessenwijn gemaakt van de
Roode Bessen van Cnopius (208 K°) en van
Wagenberg Festen te Vlijmen (1456 K°). Verhouding
45 K° Bessen & 30 K° Melis op 100 Liter.
Dit jaar besloten de Bessenwijnen te liggen in
het Strooppakhuis, zijnde deze plaats veel warmer
als het Vruchtenpakhuis. De ondervinding
heeft geleerd dat sinds de Bessenwijn gelegen heeft
in het Vruchtenpakhuis, wij ook last hebben
gehad van gistige Bessenwijn, wat wij toeschrijven
aan de vochtigheid van dat lokaal, daarom
dit jaar een proef genomen met het strooppakhuis.
Verder is genomen voor de fabricatie
eenigszins verwarmd water. Het leidingwater
toch is zeer koud & daardoor niet bevorderlijk
voor de gisting. Er is daarom gebruikt 5 liter
kokend water op 40 liter, om de koude weg te
nemen. De te maken fusten zijn op circa 5 liter na
vol gemaakt & iedere avond en morgen na gisting
weer aangevuld met lauw water. Het overloopend
drafis opgevangen voorloopig in een vat
gebracht om later opgestookt te worden’.
(Verslag van de rode bessenwijnproductie uit
1894, archief Doijer en Van Deventer).
‘Stookerij van fijne likeuren’
Op 2 mei 1814 werd een likeurstokerij opgericht
door Hendrik Arnoldus van Deventer (1788-1839),
echtgenoot van Sara Catharina Doijer (1788-1871),
met zijn oom Thomas Doijer (1754-1833) als commanditaire
vennoot. Het bedrijf werd gevestigd in
het pand Diezerstraat 58, waar daarvoor bierbrouwerij
‘De Witte Leeuw’ gevestigd was. Afbeeldingen
van biervaten en een leeuw in de fraaie gevel
herinneren daar heden ten dage nog aan. Dat juist
deze locatie eerst een bierbrouwerij en vervolgens
een likeurstokerij huisvestte, kwam doordat zich
in de tuin een wel bevond, een natuurlijke waterbron,
die zowel voor de brouwerij als de likeurstokerij
een belangrijke grondstof vormde.
Het bedrijf ging van start als een ‘Stookerij van
fijne Likeuren, Aromatiek Zwolsch Bitter, Ordinaire
Likeuren’ enz. De eerste jaren opereerde de
firma onder de naam H.A. van Deventer en Co. In
1826 werd Van Deventers neef Jan Jacob Doijer
(1801-1875, zoon van Thomas Doijer) mede-firmant;
vanaf dat moment was er ook officieel sprake
van de firma Doijer en Van Deventer.
In het pand aan de Diezerstraat waren aan de
straatkant de winkel en het kantoor gevestigd; aan
de tuinkant, bij de wel, lag de stokerij. De kelder
en zolder dienden voor opslag. De firma maakte
likeuren, bitters, jenever, limonadesiropen en na
enige tijd ook vruchtenwijnen. De opslag van met
name bessenwijn vereiste al spoedig extra pakhuis
en kelderruimte die her en der gehuurd werden.
Oude Vismarkt
Vanwege ruimtegebrek verhuisde het bedrijf in
1866 naar een pand op de Oude Vismarkt, hoek
Wolweverstraat. Dit pand zou goed honderd jaar
de hoofdvestiging van de firma blijven; de gevel
vermeldt nog altijd de naam Doijer en Van
Deventer, Likeurstokerij en de jaartallen 1814 en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Intercommunaal
telefoonnummer
FoL
1866. De voorgevel lag weliswaar aan de Oude Vismarkt,
maar het officiële adres was Wolweverstraat.
In dit pand was daarvoor een jeneverstokerij
gevestigd, genaamd ‘De Eendracht’. Tegelijkertijd
werd ook de mouterij waar het graan voor de
jeneverstokerij te kiemen werd gelegd aangekocht,
Wolweverstraat 7. Vanwege die graanopslag huisden
hier veel ratten, maar volgens overlevering
werden die door de toenmalige firmant J.J. Doijer
effectief uitgeroeid. De nieuwe behuizing was weliswaar
ruimer, maar had het bezwaar dat men niet
meer kon beschikken over een eigen waterbron.
Zwolle beschikte pas in 1892 over een eigen waterleiding.
Voor de vervaardiging van de vele producten
was veel water nodig dat moest worden
aangedragen vanaf de stadspomp in de Sassenstraat,
hoek Koestraat.
Het ging het bedrijf voor de wind, in de jaren
tachtig werden nog meer panden in de Wolweverstraat
en aan het aangrenzende Gasthuisplein aangekocht
voor de opslag en productie. De dranken
werden onder de eigen naam in het hele land, weliswaar
in die tijd nog met de nadruk op het oosten
en noorden, verkocht. Er werd ook geëxporteerd
naar het buitenland.
Rond 1900 waren firmant de heren Jan Jacob
Doijer Jzn. (1859-1920, kleinzoon van de eerste Jan
Jacob) en Jan Salomon van Deventer (geb. 1858,
kleinzoon van Hendrik Arnoldus). Volgens een
beschrijving uit 1947 van ‘baas’ M. Hendriks,
meesterknecht van 1895 tot 1935, werkten er in die
tijd twee personen op het kantoor, was er een
parttime boekhouder en waren er twee reizigers.
In de fabriek werkten negen vaste krachten: een
meesterknecht, een machinist, een kuiper, twee
kruikenvullers, twee tappers, een knecht en een
jongmaatje voor boodschappen en dergelijke.
Afhankelijk van het seizoen maakte men veelvuldig
gebruik van tijdelijke krachten en werd er,
indien nodig, gewoon langer gewerkt (zie ook
Briefhoofd van de firma
Doijer en Van Deventer
uit 1918, met daarop
afgebeeld het hoofdpand
aan de Oude Vismarkt/
Wolweverstraat.
(Briefhoofdencollectie,
HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door Teun van der
Veen gemaakte schets
van het hoofdgebouw
van Doijer en Van
Deventer aan de Oude
Vismarkt en de door het
bedrijf gebruikte panden
aan de Wolweverstraatuit
1968, vlak
voor de verhuizing naar
de Marslanden. Op de
schets is de neonreclame
in de vorm van een
schenkende fles en een
glas zichtbaar die in die
tijd aan de gevel van het
hoofdgebouw bevestigd
was. (Particuliere collectie)
kader). Omstreeks 1875 werd ook de fabricage van
parfumerieën onder het merk Idoze, afgeleid van
J(an) Do(ijer) Z(woll)e, ter hand genomen. In
1903 werd het merk officieel ingeschreven. Oorspronkelijk
legde men zich hoofdzakelijk toe op
Eau de Cologne die in mandflessen en in fusten
aan de groothandel werd geleverd. Later specialiseerde
men zich ook op flaconverpakkingen en
werd de sortering belangrijk uitgebreid. Idoze
bleef in productie tot 1963, toen het merk werd
verkocht aan een collega in Zutphen.
Vooruitgang
Goed twintig jaar na de aanleg van de waterleiding
deed elektriciteit in Zwolle zijn intrede, in 1915.
Daarvoor werd de verlichting geregeld met gaslampen
en als het nodig was werd er bijgelicht met
kaarsen. In de donkere dagen voor de decemberfeestdagen,
wanneer er erg lange werkdagen werden
gemaakt (zie kader) was dit moeizaam werken.
Elektrische verlichting betekende daarom
een enorme vooruitgang. Van elektrische apparatuur
werd verder overigens nog nauwelijks
gebruikt gemaakt, dat begon pas na de Tweede
Wereldoorlog een grote vlucht te nemen. Omdat
gedistilleerd de hoofdmoot van de bedrijvigheid
uitmaakte, vormden de distilleerketels het belangrijkste
bezit van de firma. Tijdens de oorlog wist
men ze met moeite uit handen van de Duitsers te
houden, onder het mom dat ze gebruikt moesten
worden in de Zwolse gaarkeuken. Zover is het niet
gekomen. Er was een prachtige collectie, een grote
stoomketel voor de distilleerketels, suikersmelters,
een advocaatmachine en alles in rood koper
uitgevoerd. De productie kon in de oorlog maar
zeer beperkt doorgaan, vanwege de rantsoenering
van belangrijke grondstoffen als alcohol en suiker.
Ook na de oorlog duurde het geruime tijd voordat
deze artikelen weer normaal te verkrijgen waren.
Naoorlogse expansie
Na de oorlog veranderde de drankenmarkt snel.
De belangrijkste verandering betrof de massale
overstap op glas (in plaats van aardewerk). Doijer
en Van Deventer was een van de eerste distillateurs
die daarop over ging. Het bedrijf introduceerde
in die tijd ook ‘Red Berry’, een goede en
lekkere vruchtenwijn. Dit product sloeg aan, er
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Uit vroeger tijden; een impressie van de dagelijkse
gang van zaken bij Doijer en Van Deventer
rond 1900.
‘Flesschen kregen we per wagon uit Duitschland en
we waren een heelen dag bezig met lossen en opbergen.
Hierbij hielpen de Wijndragers en de welbekende
Gait Mulder (toen nog een jong mensch van
± 18 jaar) met de verhuiswagen om flesschen te
brengen en lege manden terug te nemen.
Glas van kapotte flesschen ging in de glaskelder,
die meteen luik gesloten was en zich ook nog onder
de straat bevond. Ééns in ’t jaar moest die leeg. Het
gruisglas ging per schipper naar Loenen a/d Vecht,
vanwaar we ook nieuwe flesschen kregen. Kruiken
kwamen uit Duitschland (Girmscheidt). Stroop
(10 a 20 vaten), suiker (20 zakken a 100 kilo) en
citroenen (80 groote kisten) werden gebracht.
Brandewijn, jenever, cognac, rum, arac, spriritus
96% werden bezorgd door de Wijndragers.
Voor de spiritus waren twee reservoirs, één van
11.000 L inhoud, en één van 13.000 liter. Hieruit
ziet ge dat er veel werk gebeurde buiten het personeel
zelf en kunt ge begrijpen dat er zoo groote
kwantums dagelijks de fabriek konden verlaten.
Iedere dag was de groote wagen vol geladen met
manden, kisten en vaten voor het spoor.
Voorjaars en in ’t najaar ging de heer Van
Deventer de groote Twentsche reis maken. Hij was
daar drie weken voor noodig. Daarna ging de heer
Doijer op reis naar Amsterdam en verder geheel N.
Holland, tot Den Helder. Deze reizen gaven veel
commissies en was er volop werk.
De maanden Nov. en Dec. waren drukke
maanden, niet alleen met de verzending, maar dan
kwam er het citroenenpersen ook bij. Twee vrouwen
schilden per dag drie kisten citroenen en twee
mannen waren voor het uitpersen. Twee noodhulpen
vulden het personeel aan om zoo alles op tijd
voor elkaar te krijgen. De feestdagen als St. Nicolaas,
Kerstmis en Nieuwjaar gaven extra werk, en
dan ging het doorgaans tot negen uur ’s avonds
door. Tegen dien tijd werden een groot aantal kisten
met likeur in ’t voren klaar gemaakt, er stonden
dan welyo stuks om vlotte aflevering te bewerken.
Dan waren er ook vaak orders voor het buitenland.
De commiezen moesten de kisten verzegelen.
Om iets te noemen: 6 kisten met halve flesschen
“Zwolsch Bitter” [maag elixer] naar Egypte, kisten
met likeur naar Batavia, Buitenzorg, Semarang,
Soerabaja. Kisten met Elixer Longue Vita, ook voor
Indië. Kisten met likeur op kruikjes van ïdl. naar
Zweden. Verder ook nog verzending naar Amerika
(Argentinië). Ten tijde van de Transvaalsche Oorlog
naar de Delagoabaai, 48 kisten diverse wijnen, enz.
In het begin van het jaar ging alles gewoon van
7 tot 7. Overwerk werd betaald met 10 cent per uur.
In Juni begon het voorbereidende werk voor de bessencampagne.
Voor de kuiper was er dan veel werk.
De stukvaten AA, BB, enz, 26 in getal, moesten
klaar voor de bessenwijn plus nog een 30tal oxhoofden,
dan 12 stukvaten voor zwarte bessen en 2 voor
boschbessen en 15 halve booten voorframboozen.
Het persen van de roode bessen gebeurde in de
stokerij, maar daar was maar ruimte voor één pers,
waardoor slechts 4 vaten per dag gemaakt konden
worden, en ’s middags het werk doorging. De heer
Doijer bleef dan aan de fabriek. Van ’s morgens 6
uur tot ’s avonds 8 uur was men daarmee bezig.
Later ging dit werk naar de overkant [Wolweversstraat],
waar met 2 persen gewerkt kon worden en
dus per dag meer gemaakt. Daarna kwam de
motor om te draaien, zoodat het toen nog vlugger
ging.
Als de bessen genoeg getrokken waren, kwam
tegen de Zwolsche kermis de verzending. Wij werkten
dan van ’s morgens 6 tot ’s avonds 9 uur en
zagen anderen kermis vieren, ’s Middags in schofttijd
van 5 tot half 6 kwam een kermisman met zijn
orgel een poosje muziek maken. Hij kreeg wat centen
in zijn pet, een bittertje en zijn vrouw een glaasje
limonade. Ze gingen dan weer verder en we gingen
weer aan ’t werk met bessen afwegen en in de
vaten brengen voor den volgende dag’.
(Fragment uit een toespraak van de oud-meesterknecht
M. Hendriks – werkzaam bij de firma
van 1895 tot 1935 – ter gelegenheid van de opening
van een nieuwe fabrieksafdeling in juni 1947.
Archief Doijer en Van Deventer).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werden jaarlijks zo’n honderdduizend flessen van
verkocht. Een ander succesvol product was het
merk ‘1814’, onder welke naam binnenlands gedistilleerd
verkocht werd.
Er kwam ook steeds meer systematiek in de
manier van werken; voorheen verpakte men op
order maar geleidelijk ging men steeds meer vooruit
verpakken en op voorraad in het magazijn zetten.
Marslanden
Het bedrijf expandeerde, maar liep daarbij tegen
een oud probleem aan: ruimtegebrek. In de loop
der jaren had het bedrijf een complex panden aan
de Wolweverstraat en het Gasthuisplein aangekocht,
waar eindeloos in was verbouwd en verplaatst.
De verzameling oude panden vereiste echter
veel onderhoud, was bovendien structureel te
klein en totaal ongeschikt om efficiënt naar de
eisen des tijds te kunnen werken. Bovendien
beschikte men midden in de stad niet over een
open opslagterrein en werd de bereikbaarheid
door het toenemende verkeer ook steeds problematischer.
Er bestonden daarom al lang plannen
om de binnenstad te verlaten en tot algehele
nieuwbouw over te gaan. In 1966 kon eindelijk
met verwezenlijking daarvan begonnen worden,
als eerste fase werd toen een nieuwe vruchtenwijnfabriek
geopend op het nieuwe bedrijventerrein
van de Marslanden. Medio 1968 kon het hele
bedrijf daar een gloednieuwe behuizing betrekken
en werd de periode in de binnenstad afgesloten.
Omstreeks dezelfde tijd werden de Zwolse
drankengroothandel Koekkoek en de Delftse distilleerderij
Hellebrekers overgenomen.
Intercaves
In de jaren zeventig schakelde het bedrijf steeds
meer over op wijn. Begin jaren tachtig besloot
toenmalig directeur H.H. Doijer, geboren in 1926
en laatste telg uit de familie die bij het bedrijf
betrokken was, om samenwerking te zoeken met
een vooraanstaande branchegenoot. Er was geen
opvolging uit de familie en Doijer wilde op deze
manier de voortzetting van het bedrijf zo goed
mogelijk waarborgen. Zo kwam in 1982 de fusie
met distilleerderij M. Dirkzwager, onder meer
producent van Florijn, tot stand. De productie
van het gedistilleerd verhuisde naar Schiedam en
de wijnbelangen werden in Zwolle geconcentreerd.
Doijer en Van Deventer heette voortaan
Intercaves. De heer Doijer combineerde zijn
afscheid van het bedrijf met het 175-jarig bestaan
in 1989. De heer A.J. Brouwer, al mededirecteur
sinds 1968, zette de directie voort met de heer
R.J.A. Würzer.
De heer Brouwer was in 1989 al jaren bij het
bedrijf werkzaam en maakte de periode in de binnenstad
nog uitgebreid mee. Hij was tot 1999 bij
het bedrijf betrokken.
De periode aan de Marsweg behoort inmiddels
ook definitief tot het verleden; Intercaves verhuisde
in juli 2001 naar Nijkerk vanwege een in de
bedrijfsgeschiedenis van Doijer en Van Deventer
– Intercaves bekende reden: ruimtegebrek en
logistieke overwegingen. In tegenstelling tot het
voormalige hoofdpand aan de Oude Vismarkt,
dat er nog steeds staat, zijn de panden aan de
Marsweg gesloopt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
‘Richt u in naar uw zin’
de firma FJ. Schoemaker & Zn. (1843-1958)
De Zwolse firma F.J. Schoemaker & Zn.,
opgericht in 1843 en opgeheven in 1958,
dreef jarenlang handel onder het motto:
‘Richt u in naar uw zin’. De ‘Stoommeubelfabriek
& Behangerij F.J. Schoemaker en Zonen’ was
gedurende haar 115-jarig bestaan voor lange tijd
gevestigd aan de Oude Vismarkt 9.
Wat weten we van deze meubelfabrikant en
wat is er bewaard gebleven van de producten die
dit bedrijf leverde, dat ook hofleverancier was van
onze toenmalige koningin Wilhelmina, de koningin-
moeder Emma en de sultan van Koetei.
Economische situatie in Zwolle
Rond 1900 was Zwolle, naast hoofdstad van de
provincie en zetel van het gewestelijk bestuur, een
industriestad in ontwikkeling. Op het gebied van
handel, scheepvaart en het marktwezen beleefde
de stad in korte tijd een snelle groei door de sterk
verbeterde infrastructuur. Zwolle was door de
opening van de Willemsvaart toegankelijker
geworden voor de scheepvaart en de aanleg van
het spoorwegnet zorgde voor een snellere verbinding
over land. Voor de nijverheid van destijds,
die nauw verbonden was met handel, scheepvaart
en het marktwezen betekenden deze structurele
verbeteringen een stimulerende factor. Dit leidde
in 1902 tot de oprichting van ‘De Maatschappij
van Nijverheid te Zwolle’.1 Weliswaar bestond het
Departement Zwolle van Nijverheid al een tiental
jaren, terwijl de Maatschappij van Nijverheid,
voortgekomen uit de opheffing van de gilden, al in
1777 opgericht was. Door behartiging van belangen
fuseerden de twee landelijke verenigingen, de
‘Groote’ en de ‘Kleine’ Nijverheid tot de Maatschappij
van Nijverheid. Aanleiding tot deelname
van Zwolle aan de nieuwe vereniging was een door
Kampen georganiseerde wedstrijd voor werklieden
met een daaraan verbonden vaktentoonstelling.
Eén van de Zwolse industriëlen die deel uitmaakten
van de jury was Lodevicus M.H. Schoemaker,
zoon van de oprichter van de firma Frederikus
Johannes Schoemaker.2
Meubelindustrie
In de loop van de negentiende eeuw ontstonden in
Nederland twee soorten meubelindustrie: de luxemeubel-
en de massa-meubelindustrie. De eerste
groep was het oudst en nog rechtstreeks voortgekomen
uit de gilden. Het ging daarbij meestal om
kleine werkplaatsen. Meubelen of complete
inrichtingen die aan de hand van voorbeelden in
modelkamers of -boeken werden besteld, werden
vervaardigd door vakkundige en gespecialiseerde
meubelmakers. Goede kwaliteit kon worden gegarandeerd
door de zorgvuldige afwerking en het
gebruik van dure houtsoorten. De prijs van de
producten lag hoog, wat echter voor de opdrachtgever
geen bezwaar was, omdat hij voor zichzelf
iets exclusiefs wilde.3
Miriam Schneiders
Het vignet met het motto
‘Richt u in naar uw
zin’. (Uit: ‘Zwolle als
industriestad’, 1914,
HCO)
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het pand van Schoemaker
op de Oude Vismarkt
omstreeks 1900,
voor de verbouwingen
van 1901 en 1907 (collectie
HCO).
De firma Schoemaker
De meubelfabriek Schoemaker werd in januari
1843 op zeer bescheiden schaal opgericht. Frederikus
Johannes Schoemaker (1821-1880), afkomstig
uit Twello en gehuwd met de Zwolse Catharina
Hermanna van der Kolk (1818-1902), vestigde zich
in Zwolle als timmerman. Uit dit huwelijk werden
vijf kinderen geboren, onder wie twee zonen die
hun vader later in het bedrijf zouden opvolgen. Al
spoedig gingen de zaken zo goed dat men op zoek
moest naar een grotere ruimte. In 1851 werd in de
Diezerstraat een pand gekocht, dat zowel aan de
zijde van de Diezerstraat als aan de zijde van de
Oude Vismarkt voor meubelinrichting en fabricage
werd ingericht. Stelselmatig vond uitbreiding
plaats, zodat in 1872 nog een tweede magazijn in
de Diezerstraat aangekocht werd, waar de meer
courante meubelen verkocht zouden worden.
De firma Schoemaker nam geregeld deel aan
vaktentoonstellingen en zelfs wereldtentoonstellingen.
Zo behaalde de firma Schoemaker op de
tentoonstelling te Zwolle in 1862 voor zijn inzending
een bronzen medaille. En over de tentoonstelling
van 1879 wordt geschreven dat er een toenemende
aandacht is besteed aan een correcte
navolging van stijlen zoals het genre renaissance,
Louis XIV en Louis XVI. Verschillende malen
wordt in de Officieele Gids vermeld dat meubels
‘streng’ of ‘keurig in stijl’ waren uitgevoerd. De
firma F.J. Schoemaker en Zonen uit Zwolle wordt
speciaal genoemd omdat zij exposeerde met
‘… meubelen, die ieder afzonderlijk beschouwd,
streng het karakter toonen van het tijdvak, waarnaar
ze zijn vervaardigd. Het schijnt dat genoemde
firma hier een proef wil leveren, een ieder naar
zijn keuze, hetzij uit het tijdvak van Henri II, Louis
XIV, XV, XVI of uit den Griekschen stijl een greep
te doen, waarnaar gemakkelijk een geheele salon,
boudoir of eetzaal is in te richten.’4 Met deze
beschrijving krijgen we een aardige indruk van
wat de meubelfabrikant leverde. Deze firma
behoorde inderdaad tot de ‘luxe’-meubelindustrie
van die tijd.
In 1876, toen de firma F.J. Schoemaker het
grootste meubelbedrijf in Zwolle was, werkten er
zestien volwassen knechts en vier jongens. Schoemaker
had in dat jaar een inkomen tussen ƒ 2.400
en ƒ 3.000. Nadat de beide zonen Lodevikus Maria
Hermanus (1848-1917) en Hermanus Johannes
(1852-1913) in de zaak waren gekomen, werd de
naam van het bedrijf veranderd in: F.J. Schoemaker
en Zonen, Stoommeubelfabriek, Behangerij,
Zwolle. (Onder deze naam werd overigens in 1880
een tweede werkplaats opgericht voor de productie
van biljarttafels, die echter na 1901 door uittreding
van een der firmanten niet meer onder deze
naam werd gevoerd). Ook de zoon van Lodevikus,
Frederikus J.G.M. Schoemaker (geb. 1876), werd
lid van de firma.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
Landelijke afzet
De verkochte goederen werden geproduceerd in
de eigen werkplaats. Een advertentie van 1878 vermeldt
dat men meubelen, stoelen, spiegels, lijsten
en complete ameublementen maakte in alle stijlen.
Landelijk stond het bedrijf goed bekend. Van
de productie werd bijna alles landelijk afgezet,
slechts ‘/8 deel vond in Zwolle aftrek. Onder de
clientèle in Zwolle bevond zich in ieder geval de
gemeente. Op een betalingsbewijs van 24 december
1904 staat een bedrag van ƒ 28,78 voor de levering
van meubelen voor het bureau van de afdeling
Gemeentewerken, getekend door de gemeentearchitect
Lourens Krook. De meubelen werden
hoofdzakelijk met handmatig vervaardigd, maar
de firma liet het grovere werk machinaal verrichten.
Iets waar men trots op was, aangezien de
arbeidsomstandigheden ook in de luxe-meubelfabriekën
over het algemeen slecht waren. Toch
bleef het werk in de ambachtelijke werkplaatsen
zwaar en ook in de gemechaniseerde bedrijven
zorgden stof, lawaai en lijmdampen voor problemen.
Bovendien waren de machines niet altijd
even veilig. De waarborg voor een uitstekende
kwaliteit van de meubelen lag volgens de firma
Schoemaker aan het gebruik van prima grondstoffen
en de grote voorraden droog hout, opgestapeld
in houtstekken aan de Wolweverstraat en het
Eiland.
Vaktentoonstellingen
Op de vele vaktentoonstellingen mocht de firma
zich intussen blijven verheugen in de hoogste
onderscheidingen. Op de tentoonstelling te
Amsterdam in 1877 kreeg Schoemaker een eervolle
vermelding omdat hij ijverig scheen te zoeken ‘om
op den goeden weg te geraken: de uitvoering der
ornamentatie is niet slecht, doch alle samenhang
ontbreekt.’5 Het neigt haast naar een vernietigende
kritiek, omdat het er op lijkt dat Schoemaker de
neostijlen met elkaar vermengde, maar het bleek
toch voldoende te zijn voor een eervolle vermelding.
Twee jaar later in 1879 exposeerde de firma
in Arnhem met een ‘cabinet style Henri II, ƒ 650,-,
een ingelegde salonkast, fantasie, ƒ 340,-, een
damessecretaire genre neogrec, ƒ 225,- en ander
meubilair’. Maar dan wordt al weer geschreven
• * J
K « -X- Z W O L L E * -X- «
STOQM-MEUBEIFABRIEK
GORDIJNEN ï: TAPIJTEN, enz.
_ , , , , Nu. 2H Kunloor -:- -:- -:-
T…IOO» l « — » l . N)|_ 2„ Hu|s … … … …
HOFuratncieis
. . . VAK – – –
B. M. dl Koilnjln. – – –
‘f –
Z. H. ds Sollin 1. Kotld.
Jj
OIEZERSTRAAT l(i (Hooldraüuiln)
OUUE VISCIIMARKT 69 -:- -:-
Fabriek -:- -:- -:- -:-
OUDE VISCIIMARKT.
Briefhoofd van de firma F.J. Schoemaker uit 1908 met links een afbeelding van
het pand aan de Diezerstraat en rechts het hofleverancierwapen (collectie briefhoofden,
HCO).
dat er een toenemende aandacht is besteed aan
een correcte navolging van stijlen. Blijkbaar heeft
Schoemaker de eerdere kritiek positief opgevat.
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het ‘hoofdmagazijn’ van Schoemaker aan de Diezerstraat 16. (Uit: ‘Zwolle als
industriestad’, 1914, HCO).
De meubelmakerij, afdeling handwerk, van Schoemaker aan de Oude Vismarkt
9. (Uit: ‘Zwolle als industriestad’, 1914, HCO).
Predikaat
Volgens een verschenen uitgave van vóór 1914
over de Nederlandse meubelindustrie behoorde
de firma Schoemaker & Zonen tot de zeer weinige
meubelfabrikanten die aan haar producten de
‘hoogsten eischen’ stelden, iets wat slechts bij 15 %
van de fabrikanten het geval scheen te zijn. In 1905
mocht Schoemaker leveren aan het hof, zodat het
nu gerechtigd was tot het voeren van het koninklijke
wapen van koningin-moeder Emma. In 1906
viel hem nog eens deze eer ten deel voor koningin
Wilhelmina. In datzelfde jaar was de firma Schoemaker
ook nog eens gerechtigd het wapen te voeren
van de Sultan van Koetei. Maar waar ligt Koetei?
Op Borneo? En wat deed de sultan van Koetei
in 1906 met een biljartzaal van Schoemaker als
blijkt dat er na 1901 geen biljarttafels meer geleverd
werden onder naam van Schoemaker?
Oude Vismarkt 9
Ter ere van het 50-jarig bestaan in 1893 werd het
pand Diezerstraat nr. 16 voorzien van een nieuwe
gevel. In 1901 liet men ook de gevel aan de Oude
Vismarkt ‘moderniseren’, maar deze brandde in
1907 af. De Zwolse architect M. Meijerink kreeg de
opdracht een nieuw pand te ontwerpen. Het
resultaat is het nu nog steeds bestaande gebouw.
Het pand is in Jugendstilarchitectuur opgetrokken
en staat tegenwoordig geregistreerd als
gemeentelijk monument. Volgens de mode van
die tijd is gebruik gemaakt van geglazuurde witte
verblendsteen, afgewisseld met een blauwe steen
in de horizontale gevelbanden. Het gebruik van
gekleurde materialen was kenmerkend voor de
Jugendstil. Opvallende elementen zijn de halfronde
bovenetalages en de gepleisterde nissenreeksen.
De meubelmakerij had oorspronkelijk een winkelruimte
op de begane grond, het magazijn en de
werkplaats bevonden zich op de twee bovenverdiepingen.
De dubbele pakhuisdeur met hijsbalk
in de kap herinnert nog aan deze functie. De ruime
vensters zorgden voor een goede verlichting
van de werkplaatsen.
Overname en opheffing
In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel
en Fabrieken wordt de firma voor het eerst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
genoemd in 1918 als het zich als Stoommeubelfabriek
& Behangerij laat inschrijven als vennootschap
onder de naam van de toenmalige eigenaar
Frederikus J.G.M. Schoemaker (kleinzoon van de
oprichter) wonende Emmawijk 19. De zaak werd
gedreven met hulp van geleende gelden, schuldbrieven,
één van ƒ 15.000 zonder onderpand tegen
5 %. De aangever was enig firmant .6
In 1949 verkocht F.J.G.M. Schoemaker de firma
en verhuisde naar Den Haag.7 De ooit zo
beroemde firma werd overgenomen door
G.J.Th.J. Leering, afkomstig uit Enschede. Leering
handhaafde de bedrijfsnaam F.J. Schoemaker, nu
met de omschrijving ‘Kleinhandel in meubelen en
woningtextielgoederen’. De productie van de
exclusieve meubelen waar Schoemaker nationaal
zoveel furore mee maakte bleek niet langer haalbaar.
De heer Leering stuurde op 30 december
1957 zijn clientèle een brief, waarin hij aankondigde
zijn zaak per 1 januari 1958 verkocht te hebben
aan de NV Batjes, Interieurinrichtingsbedrijven.
Leering vertrok naar Den Haag om firmant te
worden van een Perzische tapijtenhandel.8 Dit
betekende het definitieve einde van de firma F.J.
Schoemaker & Zonen, 1843-1958.
Het Stedelijk Museum Zwolle heeft enkele meubelen
van de firma Schoemaker in de collectie.
Wellicht heeft uzelf nog een origineel exemplaar
van Schoemaker in uw bezit. Schoemaker signeerde
haar meubelen (voor het eerst in 1929?) met het
brandmerk: F.J. Schoemaker
Hofleveranciers
Zwolle
De gunst dit predikaat te mogen gebruiken is
zeker benut.
Noten
1 Zwolle als industriestad in 1914, Uitgegeven ter gelegenheid
van de Algemeene Vergadering van de
Maatschappij van Nijverheid te Zwolle, op 25,26 en
27 juni 1914, p.III-IV.
2 Idem, p.V.
3 E. Bergvelt et all, Industrie & Vormgeving in Nederland
1850-1950, Amsterdam 1985,
4 J.M.W. van Voorst tot Voorst, Tussen Biedermeier
en Berlage. Meubel en Interieur in Nederland 1835-
1895, Amsterdam 1992, p226 en 234.
Idem, p.283.
HCO Zwolle, Handelsregister van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken te Zwolle, Jaarletter A,
no.6, dossiernr. 6.
Idem, Jaarletter AL, no.2226, dossiernr. 6.
HCO Zwolle, Briefhoofdencollectie.
Het in 1907 voor de firma Schoemaker gebouwde Jugendstilpand Vismarkt 9. De
foto dateert uit 1972, het pand was toen nog in gebruik door Batjes. (collectie
HCO) •••^^^^^«B
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tingieterij Kamphof (1864-1938)
Annèt Bootsma –
van Hulten Van 1864 tot 1938 was in Zwolle de tingieterij
Kamphof gevestigd. Het grootste deel van
deze periode, van 1875 tot 1938, was dit
bedrijfin het geboortehuis van Potgieter, Luttekestraat
14, gehuisvest. In het algemeen was de twee-
De tinnegieterij Kamphofaan de Luttekestraat 14 omstreeks 1895. Voor de
ramen staan de tinnen voorwerpen geëtaleerd. (Foto Deutmann, collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
de helft van de negentiende eeuw een slechte tijd
voor de tinnegieterij; het ambacht bevond zich in
een crisis waar slechts weinig gieterijen aan wisten
te ontkomen. Kamphof was zo’n gieterij. Het was
een gerenommeerd en landelijk bekend bedrijf.
Afnemende vraag
Eeuwenlang hadden tinnen voorwerpen een substantieel
deel uitgemaakt van het huisraad maar in
de loop van de negentiende eeuw nam de vraag
naar tinnen gebruiksvoorwerpen sterk af. De productie
beperkte zich toen voornamelijk tot het
gieten van lepels, bordjes, bedkruiken, thee- en
koffiepotten en vloeistofmaten. Er bestond nog
wel wat behoefte aan siertin, in het laatste kwart
van de eeuw beleefde de vraag daarnaar zelfs weer
een lichte opleving, maar daaraan kon echter
gemakkelijk door een klein aantal gieters voldaan
worden. Deze ontwikkelingen werden in 1953 zeer
beeldend door J.A. Kamphof zelf beschreven:
‘Men wilde geen tin meer. Steeds meer ging men
over tot het gebruik van aardewerk en porcelein,
dat wel brak maar geen onderhoud vroeg. De
geheele inventaris van de eens zoo schitterende
“tinkast” werd soms ineens opgeruimd. Prachtige
verzamelingen met gegraveerde familie-wapens,
collecties die nu in ieder museum een eereplaats
zouden vinden, werden bij zakken vol verkocht en
gesmolten voor het maken van soldeer en door de
enkele gieters vergoten tot boerenlepels, ruwe
theepotten, bedkruiken etc. Maakten de gieters
voorheen kandelaars, tafelcomforen, sauskommen,
schalen, kannen en borden, thans maakten
deze in overeenstemming met de smadelijke
ondergang van het vak meest nog een onmisbaar
gebruiksartikel dat men, als niet brekend, toch
nog van tin prefereerde.’
Vele nog bestaande bedrijven werden in die
jaren dan ook opgeheven. Hun voornaamste
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Dit tinnen inktstel werd
omstreeks 1925 door de
firma Kamphof vervaardigd.
Het bevindt
zich tegenwoordig in de
collectie van het Stedelijk
Museum Zwolle.
(Collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
gereedschap, de bronzen gietvormen die de kern
van het bedrijf uitmaakten, verdwenen of in de
smeltkroes of werden door de overblijvende
bedrijven opgekocht. In Zwolle nam zo tingieter
Arend ten Klooster (geb. 1783) de gietvorm collecties
van twee Zwolse gieters en één Kampenaar
over. Ten Klooster overleed in 1860. Zijn weduwe
verkocht de gieterij per 1 januari 1864 aan de toen
31-jarige tingieter en geboren Zwollenaar Hendrik
Kamphof.
Hendrik Kamphof
Ten Klooster had zijn bedrijf uitgeoefend aan de
Melkmarkt. Van Kamphof is bekend dat hij aan de
Nieuwstraat woonde, het valt aan te nemen dat hij
daar ook zijn werkplaats had. Hij zette de gieterij
in ieder geval onder zijn eigen naam voort. In 1875
kocht hij Luttekestraat 14. Hierin werd aan de
voorkant een winkel gevestigd, aan de achterkant
aan de Ossenmarkt was de werkplaats en boven
woonde de tingieter met zijn gezin.
Aanvankelijk vervaardigde Kamphof de boven
beschreven gewone gebruiksvoorwerpen, zoals
lepels en vloeistofmaten, voor de stad en naaste
omgeving. De eerste grote uitbreiding van de zaak
vond plaats met de overname van een gieterij uit
Deventer met een collectie van onder meer originele
zeventiende-eeuwse gietvormen. Daarna
begon Kamphof meer gieterijen over te nemen:
een bedrijfin Leeuwarden, in Alkmaar, Hoorn en
drie in Amsterdam. Sommige van deze gieters verkochten
hun bedrijf onder voorwaarde dat in hun
oorspronkelijke vormen gegoten artikelen nog
voorzien moesten worden van hun eigen meestermerk.
Zo verscheen hier en daar ‘oud tin’ met de
merken van vroegere gieters maar uit Kamphof s
bedrijf afkomstig.
In 1902 wist Kamphof bij een publieke veiling het
belendende perceel, Luttekestraat 16 – een pas
gebouwd fraai Jugendstil-neorenaissance pand –
te verwerven voor f 9.650. Vanaf dat moment
werd in de beide panden een winkel gevestigd niet
alleen voor tin, maar ook voor galanterieën,
goud-, zilver-, nikkelwerken, etc. Toen Kamphof
overging tot deze uitbreiding van de winkel was
hij al 69 jaar. Waarschijnlijk deed hij dit ten
behoeve van drie ongetrouwde dochters, die met
z’n drieën de winkel runden en vanaf 1913 ook officieel
firmant werden in hun eigen firma H. Kamphof,
handel in huishoudelijke en luxe artikelen,
galanterieën etc. Hendrik Kamphof had in totaal
zes kinderen, vier dochters en twee zonen. Zijn
oudste zoon, Jacobus Arnoldus (geb. 1871), trad in
de voetsporen van zijn vader en werd ook tinnegieter.
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door de firma Kamphof
in de loop der jaren
gebruikte merken. (Uit:
Dubbe, ‘Tin en tinnegieters
in Nederland’).
Jacobus Arnoldus Kamphof
Toen J.A. Kamphof het bedrijf van zijn vader
overnam, gaf hij al vrij spoedig de productie van
gewone artikelen op. Hij nam nog enkele gieterijen
over, uit Delft en Breda, en diepte toen uit de
inmiddels aanwezige kapitale collectie alles op wat
uit een historisch of artistiek oogpunt waardering
verdiende. Hij voerde ook veel nieuwe ontwerpen
uit en speelde daarmee in op de aan het eind van
de negentiende eeuw ontstane opleving in de
belangstelling voor siertin. Men begon, zoals
Kamphof in het boven al eerder geciteerde artikel
beschrijft, die oude schotels en kannen ’toch wel
aardig’ te vinden. Vooral in een oud interieur, op
een oude kast ‘deed’ tin het. J.A. Kamphof: ‘Zooals
reeds is gezegd is het reveil van het oude vak voor
de nog bestaande gieters een aangename tijd
geweest: te beleven, dat na zooveel onrecht en
minachting het tin weer recht gedaan en in eere
hersteld werd; te zien dat voor een goed stuk weer
een goede plaats was; te weten dat het vak weer een
naam had onder de kunstambachten. Die eeuwige
boerenlepels in een hoek te kunnen gooien en in
die oude vormen te gaan zoeken naar mooie dingen;
die weer te kunnen maken en daarvoor koopers
en waardeering te vinden; zelfs voortwerkende
in de oude stijl; met nieuwe stukken de oude collecties
te kunnen uitbreiden, dat alles was als de
herstelling na een zware ziekte: een tijd om nooit
te vergeten.’
Direct achter het pand aan de Luttekestraat,
aan de Ossenmarkt, werd een nieuwe ruime gieterij
ingericht. Men had een uitgebreide clientèle
onder de detailhandel en er werd geëxporteerd
naar Engeland, Amerika en Nederlands-Indië.
Dit alles duurde tot 1937. J.A was inmiddels
66 jaar. Zijn huwelijk met Gesiena W. de Vries
(geb. 1882) was kinderloos gebleven. Bij gebrek
aan een opvolger, uit de familie of daarbuiten,
werd het bedrijf per 1 januari 1938 opgeheven.
Hendrik Kamphof was in 1923 op negentigjarige
leeftijd overleden; net als zijn vader bereikte ook
Jacobus Arnoldus een achtenswaardige leeftijd, hij
overleed i

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 1

Door 2001, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

r^
«.4
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
216957
(GemeentearchiefZwolle).
Ansichtkaart Wilhelminasingel met Sassenpoort
Poststempel 23 november 1910
‘Zwolle, 22/11/10
LM.,
‘k Had graag bij het pakket (mof en br…) ook werd
ingesloten waar ik om vroeg in m ’n brief, ‘k Heb dan
met geen bewijs of wissel noodig en vergeet Pa dan
niet op de berichtkaart een postzegel te plakken? Het
huis met een kruisje aangeduid is de achterkant van
no.5. De overkant van ’t water is Groot Weezenland.
Is je nekje weer beter?- Mevrouw is bijna den ganschen
dag al weer op, zoodat ik wel gauw weer thuis
zal komen. – Nu dag. JeA.’
De ansichtkaart laat ons een plekje van Zwolle
zien dat weinig veranderd is. Ook nu weerspiegelen
zich op een zomerse dag de huizen en de
bomen in het water van de stadsgracht. Het pand
waarvan sprake is, Wilhelminasingel 5-6, werd in
1895 gebouwd voor M. Oppenheimer, procureur.
De architect was H.G. Treep en het geheel werd in
neorenaissancestijl opgetrokken. Oppenheimer
bewoonde zelf Wilhelminasingel 6. Op Wilhelminasingel
5 woonde in 1910 Jan Carel Elemans.
Achter zijn naam stond in het adresboek vermeld:
‘agentuur en comm[issiehandel], assuranties,
brandstoffenhandel, dir. Informatie-bureau
“Creditform”, kantoor Thorbeckegr. 72’. Volgens
het wijkboek was A[altje] ten Klooster in 1910
dienstbode bij de familie Elemans. Mevrouw Elemans
was op 12 november 1910 bevallen van haar
derde zoon. Dat is wellicht de reden dat Aaltje
schrijft dat mevrouw bijna de hele dag al weer op
is. Het pand Wilhelminasingel 5 werd na het vertrek
van de familie Elemans jarenlang bewoond
door J. Hagenbeek, wijnhandelaar; daarna door
zijn dochter.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
heeft heel wat interessants te bieden. De artikelen
zijn gebaseerd op oorspronkelijk onderzoek, zoals
dat van Tineke Loggers over stadsarchitect Lourens
Krook. Hij was de bouwer van de Sassenpoortenbrug,
de Parkschool en het Gymnasium
Celeanum.
De historica Ingrid Wormgoor heeft al haar
kunnen ingezet bij het onderzoek naar Zwolse
vrouwenhuizen omstreeks 1400. Dat waren de
zogeheten begijnenhuizen van de Moderne Devotie.
Tussen beide artikelen beschrijft journalist
Willem Boxma zijn jeugdherinneringen aan de
Rijks HBS aan de Bagijnesingel en in het bijzonder
aan ‘Herr Ober’, de leraar Duits. Lees hoe de klas
in het oorlogsjaar 1942 weigerde een stuk uit Mein
Kampfte vertalen en wat de gevolgen waren.
Wil Cornelissen is voor het Tijdschrift in de
archieven van Joodse Gemeente in Zwolle gedoken.
Aan de hand van toevallig gevonden restanten
‘binnengekomen post’ schetst hij een sfeertekening
van de naoorlogse periode in de joodse
gemeenschap. De rest van de bevolking muntte
niet uit in het tonen van begrip en medelijden
voor het doorstane leed.
Deze aflevering wordt begonnen met een
amuse: Annèt Bootsma en Wim Huijsmans hebben
weer de geschiedenis achter een Zwolse
ansichtkaart weten te ontrafelen.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 2
Lourens Krook (1865 -1944),
Zwols gemeentearchitect Tineke Loggers 4
Herr Ober Willem Boxma 12
Zwolse vrouwenhuizen omstreeks 1400 Ingrid Wormgoor 18
Flarden Wil Cornelissen 27
Literatuur Marieke Schaap – Steegmans , 30
Onderzoek onderweg 31
Mededelingen 32
Agenda 33
Auteurs 34
Omslag: Walstraat, bouwresten van het St.-Geertruidenconvent, 1987.
(Collectie Gemeentearchief Zwolle)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lourens Krook (1865 -1944),
Zwols gemeentearchitect
Tineke Loggers
Veerallee3i, woonhuis
van Lourens Krook. Het
werd naar zijn eigen
ontwerp gebouwd in
1904/1905 (collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
Lourens Krook werd op 15 oktober 1865 in
Zwolle geboren. Hij was het jongste kind
van een Zwolse timmerman/aannemer, die
eveneens Lourens Krook heette. Als jongeman
volgde Lourens jr. een opleiding aan de Rijksnormaalschool
voor Tekenonderwijs in Amsterdam
en aan de Technische Hochschule in Aken.
Nadat hij deze opleidingen had afgerond, ging
Krook naar Halle aan de Saaie, bij Leipzig. Vervolgens
trad hij op 6 maart 1896 in overheidsdienst in
Lübeck, waar de ‘Baudeputation’ een ervaren
technicus vroeg voor de ‘Bearbeitung und
demnachstigen Bauführung grosserer Hochbauen’.
In december van dat jaar was Krook werkzaam
bij de aanleg van het Elbe-Travekanaal. Dit
kanaal loopt vanaf de Elbe bij Lauenburg naar
Lübeck, het verbindt de Lübecker Bucht in de
Oostzee met de Elbe en werd op 16 juni 1900 officieel
geopend. Krook werkte daarna nog twee jaar
voor de gemeente Lübeck. Op 29 november 1902
vertrok hij echter naar Amsterdam om daar
bureauchef te worden bij architect Eduard Cuypers
(1859-1927), een neef van de bekende Petrus
J.H. Cuypers (1827-1921). In die tijd leidde Ed.
Cuypers een architectenbureau en kunstnijverheidsatelier
in de Jan Luykenstraat, vlakbij het
Rijksmuseum. In 1902 ontwierp dit bureau onder
meer het gebouw van het Algemeen Dagblad aan
de Nieuwezijds Voorburgwal. De latere bekende
Amsterdamse-schoolarchitect Michel de Klerk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(1884-1923) genoot in diezelfde periode bij Cuypers
een opleiding. Ed. Cuypers ontwierp in een
eclectische stijl, maar liet zich daarbij beïnvloeden
door allerlei internationale architectonische ontwikkelingen
en door elementen uit de traditionele
landelijke bouwkunst. Krook werkte tot juni 1904
in Amsterdam, hij woonde toen in Naarden
Eind mei 1904 keerde Lourens Krook terug
naar zijn geboortestad Zwolle, waar hij tot 1930
zou werken als gemeentearchitect en enkele jaren
later tevens als directeur Bureau Gemeentewerken.
Hij kwam hier als opvolger van J.L. van
Essen, die per 1 april 1904 eervol ontslag had
gekregen. De gemeente had kennelijk dringend
behoefte aan hem, want er werd onderhandeld
over een vervroegd vertrek bij Cuypers. Krook liet
voor zichzelf in 1904/1905 een villa aan de Veerallee,
nummer 31, bouwen.
Gemeentearchitect en directeur Bureau Gemeentewerken
Krook stond hier al spoedig bekend om zijn ongelooflijke
plichtsbesef en werkkracht. Hij beheerste
alle facetten van het vak maar had een hekel aan
zinloze bureaucratie. Krook gebruikte verschillende
stijlen voor zijn ontwerpen, van neo-stijlen tot
de Amsterdamse-schoolstijl en het Rationalisme
van Berlage. Zijn kracht lag in de civiel-technische
aspecten. Het Zwolse archief bezit van Krook een
aantal tekeningen, op dik papier, prachtig uitgevoerd
in pen en Oost-Indische inkt, soms ingekleurd
en beletterd met een aan gotisch verwant
schrift.
Krooks werkzaamheden in Zwolle omvatten
het maken van ontwerpen voor gemeentelijke
nieuwbouw, zoals gebouwen voor openbare werken,
het stadhuis, scholen, bruggen en voor verschillende
verbouwingen en gemeentelijke uitbreidingsplannen.
Bekende objecten in het stadsgezicht
zoals het Gymnasium Celeanum en de
Sassenpoortenbrug zijn van zijn hand, evenals de
Parkschool en de Menistenbrug.
Een aantal gebouwen die Krook ontwierp voor
de Dienst Gemeentewerken is helaas inmiddels
gesloopt zoals gebouwen aan de Dijkstraat-Friesewal
en Rembrandtlaan. De oorspronkelijke
bestemming van deze gebouwen geeft weer hoe
Lourens Krook, in 1930
(collectie Gemeentearchief
Zwolle).
die dienst in die tijd functioneerde. In 1906 kwam
er een dienstwoning voor het Bureau Gemeentewerken
aan de Rembrandtlaan, in 1907 een passantenhuis
aan de Dijkstraat-Friesewal. In 1912
werd aan de Zamenhofsingel een dienstwoning
gecombineerd met een paardenstal voor de Dienst
Gemeentereiniging, waar in 1913 nog een hooizolder
bij kwam.
Krook bleek ook een zorgvuldig restauratiearchitect,
hetgeen tot uiting kwam bij de verbouwing
van het Reventer en bij de perikelen rond een
nieuw stadhuis, een al jarenlang slepende discussie
die in Zwolle bekend stond als de ‘stadhuiskwestie’.
De stadhuiskwestie
De stadhuiskwestie speelde van 1882 tot 1915, toen
de Eerste Wereldoorlog voor jaren een einde aan
al het gekrakeel maakte. Het stadhuis van Zwolle
stond en staat op de hoek Sassenstraat-Grote
Kerkplein. Door de bebouwing aldaar was er geen
ruimte voor uitbreiding. Voor de komst van
Krook waren er al diverse ideeën de revue gepasseerd,
waarbij de bestemming van de eeuwenoude
Schepenzaal (1448) een omstreden punt was. De
zaak bevond zich in een impasse toen Krook in
1904 in Zwolle werd aangesteld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ontwerp van Krook
voor de verbouwing van
een paardenstal voor de
Dienst Gemeentereiniging,
1912 (collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
Op 15 april 1907 was er sprake van een uitbreiding
van het bestaande stadhuis. Dat zou gebeuren
op de hoek Sassenstraat-Lombardstraat, waarbij
dan de Brouwerschool moest wijken.
Op 1 september 1908 presenteerde Krook twee
schetsplannen: één ontwerp waarbij de Schepenen
trouwzaal verplaatst werd en één waarbij deze
in tact bleef. Bij de ruimteverdeling in het bestaande
stadhuis speelde naast de Schepenzaal ook het
archief een rol. Zwolle beschikte over een kostbaar
archief met veel middeleeuwse stukken. De
gemeente wilde echter geen geld beschikbaar stellen
voor het onderhoud en had daarom een contract
met de staat gesloten, dat er op neer kwam
dat het gemeentearchief samen met het rijksarchief
naar de Sassenpoort zou gaan. Dit gebeurde
in 1898, op initiatief van de rijksarchivaris. De
poort werd gerestaureerd; een restauratie waarvan
de kosten beraamd waren op 22.000 gulden maar
die uiteindelijk 140.000 gulden bedroeg. Het
gemeentearchief bleef echter in de Sassenpoort
een ‘ondergeschoven kindje’. Deze situatie was in
1908 verergerd door de houding van de nieuwe
rijksarchivaris. Het archief was vanaf dat moment
niet meer toegankelijk. In 1912 werd het uiteindelijk
weer teruggebracht naar het gemeentehuis,
waardoor de ambtenaren gingen klagen over
ruimtegebrek.
De gemeenteraad was in 1908 voor verplaatsing
van de Schepenzaal, in tegenstelling tot
Krook. Een verplaatsing was voor Krook eigenlijk
onaanvaardbaar, daarom riep hij de hulp in van
een commissie van prominente Nederlandse
architecten bestaande uit Ed. Cuypers, K.P.C, de
Bazel, Salm en W. Kromhout. Uit de samenstelling
blijkt de belangrijke relaties die Krook had.
De Zwolse stadhuiskwestie bezorgde Krook ook
landelijke bekendheid. Het gerenommeerde
architectenblad Architectura besteedde in de jaren
1909 tot 1911 regelmatig aandacht aan zijn planZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nen. De commissie oordeelde dat verplaatsing van
Schepenzaal ‘een schending van het houwkunstmonument’
zou zijn en maakte een plattegrond
die met behoud van de Schepenzaal aan alle
gestelde diensteisen voldeed.
Krook ontwierp de gevel voor dit plan; een statig
gebouw op een voetstuk met een toren. De
ingang was via een bordes te bereiken. Dit plan
werd met 12 tegen 6 stemmen aangenomen, de
Schepenzaal scheen gered. Het plan werd echter
niet uitgevoerd.
Krook doorbrak tenslotte de ontstane impasse
met een ontwerp voor een nieuw stadhuis op het
terrein van villa Eekhout. Het was een variant van
het ontwerp voor de verbouwing: een U-vormige
plattegrond met een binnentuin en een voorgevel
met een toren en ingangspartij. De topgevel naast
de toren had een raamverdeling die nog is terug te
vinden in Krooks ontwerp van de voorgevel van
het Gymnasium Celeanum. De ingang van dit
stadhuis was gesitueerd tegenover de toen nog
smalle Nieuwe Havenbrug en de toren stond in de
zichtlijn van de brug, een belangrijke uitvalspoort
van de stad. Op 9 maart 1913 werd dit plan door de
raad met 16 tegen 3 stemmen goedgekeurd.
Het raadsbesluit werd echter afgekeurd door
Gedeputeerde Staten, een beslissing waartegen de
gemeente vervolgens op 20 oktober 1913 in beroep
ging. In november 1915 was het plan met plattegronden
en opstanden uitgewerkt en werd onderhandeld
over de grondaankopen.
De internationale ontwikkelingen doorkruisten
echter de realisatie omdat de gemeente eerst
het einde van de oorlog wilde afwachten. Daarna
kwam er niets meer van terecht. Van het stadhuisontwerp
van Krook resten alleen nog de maquette
en tekeningen.
Restauratiearchitect
De Zwolse oud-archivaris en geschiedschrijver
Thom. J. de Vries beschreef Krook als een architect
die tegen restauraties was: ‘Hij was een fervent
voorstander van nieuwbouw en haatte alle restauratiewerk.
Van restauratie van Reventer of politiebureau
wilde hij niet weten dat gold in zijn ogen
als tweederangs werk.’ Dat blijkt anders te zijn,
want al in 1902 was Krook corresponderend lid
van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond. Bij
de bouw van het stadhuis had Krook, in tegenstelling
tot de raadsleden, blijk gegeven voorstander
te zijn van behoud van de oude Schepenzaal.
Op 7 september 1915 keurde de raad de
opdracht aan Krook goed, om het Reventer of
Refter aan het Bethlehemse Kerkplein te restaureren
en te verbouwen tot handelsschool.
De restauratie is beschreven in het Bouwkun-
Schetsontwerp van
Krook voor een overbrugging
van de IJssel
aan het Katerveer, 1907.
Niet uitgevoerd (collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Maquette van het stadhuisontwerp
van Krook
uit1912 (foto Joos Lensink).
dig Weekblad van 2 oktober 1915, waarbij een uitvoerige
geschiedenis van het gebouw en het belang
van de restauratie is opgenomen. Volgens dit blad
had in 1875 een restauratie plaatsgevonden die in
strijd was met het advies van de Rijksadviseurs
voor Monumenten van Geschiedenis en Kunst en
die het gebouw onherkenbaar had verminkt. Voor
de restauratie naar het ontwerp van Krook in 1912
kreeg de gemeente een rijkssubsidie omdat het
gebouw ‘oordeelkundig’ zou worden gerestaureerd.
Bij de restauratie werd het pleisterwerk van de
muren gebikt en werden deze van een nieuwe buitenhuid
voorzien met stenen naar oude vorm en
kleur. De Handelsschool bleef tot 1966 in het Refter
gevestigd.
Uitbreidingsplannen
In de tijd dat Krook in Zwolle werkte, kwamen er
veel uitbreidingsplannen voor het gebied buiten
de stadsgracht tot stand. Op de oeuvrelijst van het
Bureau Gemeentelijke Monumenten worden verschillende
maquettes genoemd die Krook van uitbreidingen
maakte. In 1911 ontwierp Krook het
uitbreidingsplan Assendorp. In het gemeentearchief
is nog een schitterende tekening van hem
van een speelveld in die wijk. Toen verschillende
woningbouwverenigingen actief werden, kwamen
er belangrijke uitbreidingen buiten de stadskern.
Zo was er in 1922 een uitbreiding aan de Rembrandtlaan
en Frans Halsstraat, in 1927 in de Bollebieste,
waar door aannemer Witzand uit Zeist
werd gebouwd, en in 1928 een uitbreiding in de
Kamperpoort. Op de bouwgrond tussen de Wipstrikkerallee
en het Almelo’s kanaal werd een
tuinstad geprojecteerd volgens Engelse principes.
Scholen
Krook ontwierp aan het eind van de jaren twintig
verschillende scholen, zoals de Hobbemaschool
aan de Hobbemastraat, de Parkschool aan de
Westerlaan en de Elbertsschool aan de Lijnbaan.
In 1929 maakte hij het ontwerp voor het gymnasium
aan de Veerallee, naast zijn eigen huis. De aanbesteding
daarvoor vond plaats op 9 mei 1929. De
hoogste inschrijving was van de Gebroeders H. en
H. Schenkel uit Veendam, met een bedrag van
188.900 gulden; laagste inschrijving was van de firma
A. Kingsma en Zn. uit Leeuwarden met een
bedrag van 174.920 gulden. Een timmerman of
metselaar verdiende in die tijd 78 cent per uur een
opperman 65 cent. Op de plaats van de school
stond een woning die werd afgebroken en waarvan
de stenen opnieuw werden gebruikt.
In 1932/1934 ontwierp Krook samen met architect
A. Baart uit Leeuwarden een ambachtsschool
aan de Mimosastraat. Dit pand is nu Rijksmonument.
Het Oversticht
In 1926 werd op aandringen van een aantal Overijsselse
architecten en de ‘Vereeniging tot beoefening
van Overijssels regt en geschiedenis’ het
genootschap ‘Het Oversticht’ opgericht, waarin
opgenomen de Provinciale Schoonheidscommissie.
Het doel van dit genootschap was en is nog
steeds: ‘bevordering en instandhouding van het
landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel’.
De Zwolse burgemeester mr.dr. LA. van
Roijen werd voorzitter van Het Overstidht en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lourens Krook van de Provinciale Schoonheidscommissie.
In deze commissie zaten afgevaardigden
van verschillende belangengroeperingen als
de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), de
Maatschappij tot Bevordering van Bouwkunst,
Gedeputeerde Staten, een afgevaardigde van de
afdeling Overijssel van de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en de hoofden van gemeentewerken
in Overijssel. Tenslotte was er een vertegenwoordiger
van de Bond van Nederlandse
Tuinarchitecten.
De schoonheidscommissie kreeg de bouw- en
uitbreidingsplannen in de verschillende Overijsselse
gemeenten te beoordelen. Bovendien trachtte
de commissie te stimuleren dat ontwerpen door
bevoegde architecten werden gemaakt, in plaats
van door allerlei plaatselijke bouwers. Dit was een
vorm van kwaliteitsbewaking en beroepsbescherming.
Krooks taak was het om met zijn commissie
bekendheid en vooral vertrouwen van gemeenten
en opdrachtgevers te krijgen. Hij werkte samen
met de landschapscommissie van Het Oversticht
onder voorzitterschap van ir. W.P.C. Knuttel uit
Deventer en met ir. R…le Poole van het Staatstoezicht
op de Volksgezondheid voor Overijssel, die
ook een tijdlang bestuurslid van Het Oversticht
was.
De Holterberg
Een belangrijk voorbeeld van deze samenwerking
was het behoud van de Holterberg als natuurgebied.
Eind jaren twintig bestond er een grote
drang dit natuurgebied vol te bouwen met villa’s.
Het gebied werd beheerd door grootgrondbezitters
die uit waren op grondspeculatie, daarbij
inspelend op de toenmalige trend om buiten te
wonen. Architect T.J. Loggers (1900-1984) uit
Holten maakte als alternatief een uitbreidingsplan
waarbij de Holterberg als onbebouwd natuurgebied
gehandhaafd bleef. Loggers was oud-Zwollenaar
en twaalf jaar lang tekenaar bij Krook
geweest. Zijn initiatief ondervond erg veel weerstand
van de grootgrondbezitters en de bestuurders
van de gemeente Holten. Na een bezoek aan
1 •» J > ,
‘ ‘•’:’ 1 •
Restauratieplan voor
het Reventer of Refter,
1912 (collectie Gemeentearchief
Zwolle)
MUSEUM TE ZWOLLE l’.ENAAMD D£ REVENTER.
RESTM.T4TIEPLAN.
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Elbertsschool, 1930,
aan de Lijnbaan (collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
de Holterberg schreef voorzitter Krook: ‘Al moge
een enkele uiting van abnormaal vormenspel
duldbaar zijn, indien deze wordt beheerscht door
een fijngevoelige geest, al spoedig zullen zij, die op
en nabij Uwen berg wenschen te bouwen, zich
gedrongen voelen, dergelijke bizarre uitingen van
bouwkunst te imiteeren. Hij die “gewoon” bouwt,
zal spoedig meenen, voor conservatief te worden
gehouden en het besef, dat normale vormen zich
het best aanpassen bij schoone natuur – die ook
door de eeuwen heen zichzelf gelijk en toch zo
boeiend bleef – zal geheel verdwijnen.’ Daarnaast
vestigde Krook ook de aandacht op de kleuren die
volgens hem het best tot zijn recht kwamen als ze
geen schrille tegenstelling met het omringend
groen vormden: ‘Groote witte vlakken zijn daarom
te veroordelen. Zij scheuren elk natuurtafereel
uiteen.’ Dankzij de tussenkomst van Krook, Le
Poole en de Bond Heemschut werd door Gedeputeerde
Staten aan de gemeente Holten het Plan
Loggers dwingend opgelegd. De steun die Krook
aan Loggers gaf, maakte dat de Holterberg nu een
nationaal landschapspark kan worden.
In april 1940 legde Krook zijn functie als voorzitter
van de schoonheidscommissie neer, hij werd
opgevolgd door ir. W.P.C. Knuttel.
Markante gebouwen
Bij bestudering van de verschillende ontwerpen
van Krook is niet vast te stellen in welke stijl hij
Het Gymnasium Celeanum,
1929, aan de
Veerallee (collectie
Gemeentearchief Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
ontwierp. De expressieve stijl van de Amsterdamse
School gebruikte Krook voor de Elbertsschool
uit 1930 en de Sassenpoortenbrug uit 1908. De stijl
van deze brug is verwant aan de strakke (Amsterdamse)
variant van de Jugendstil; het is een zeer
geslaagd werk van Krook. De brug is een gemeentelijk
monument. De ambachtsschool aan de
Mimosastraat is als voorbeeld van het Nieuwe
Bouwen eveneens een gemeentelijk monument.
Het gymnasium is evenals de Parkschool in een
stijl verwant aan die van Eduard Cuypers. Krooks
eigen huis, Veerallee 31, lijkt beïnvloed door villa’s
van Kromhout in het Gooi. Hij gebruikte dus verschillende
stijlen en volgde hiermee de negentiende-
eeuwse gewoonte van Cuypers, die ook in verschillende
stijlen heeft ontworpen. De civiel-technische
benadering was waarschijnlijk belangrijker.
Architect Lourens Krook is enigszins in de vergetelheid
geraakt, maar zijn werk is nog terug te
vinden in de stadsontwikkeling van Zwolle en een
aantal markante gebouwen van zijn hand. Als
voorzitter van de Provinciale Schoonheidscommissie
van Het Oversticht gaf hij de aanzet tot een
vorm van monumentenbescherming.
Krook vertrok op eigen verzoek bij de gemeente;
er werd hem per 1 juni 1930 eervol ontslag verleend.
Hij werd opgevolgd door J.G. Wiebenga.
Lourens Krook overleed op 16 mei 1944. Hij
was ridder in de Orde van Oranje Nassau.
Verantwoording
De enige gegevens over architect Lourens Krook in
Zwolle zijn te lezen in: Geschiedenis van Zwolle deel II
door drs. Thom. J. de Vries. Waar deze auteur zijn
gegevens vandaan heeft, is niet na te gaan omdat hij
geen bronnen vermeldt. De gegevens voor bovenstaand
artikel zijn ontleend aan een onderzoek uit 1994 voor
het NAI Stichting BONAS voor de opstelling van een
catalogus van bibliografieën en oeuvrelijsten van architecten
uit dezelfde periode; en aan het onderzoek voor
mijn publicatie Eenvoudige architectuur in een schoone
omgeving. T.J.Loggers architect (1900-1984). Daarbij is
gebruik gemaakt van het Zwolse gemeentearchief (in
1994) dus voor de Inventarisatie 1842-1949 van
dec. 1999), informatie van de gemeente Lübeck, is literatuuronderzoek
in landelijk vakbladen verricht en is het
archief Oversticht, aanwezig in Rijksarchief Overijssel,
geraadpleegd.
Boven: De fraaie aan de Jugendstil verwante Sassenpoortenbrug uit 1908. Het is
de oudste vaste brug van Zwolle en hij is staat op de monumentenlijst (collectie
Gemeentearchief Zwolle).
Onder: De Sassenpoortenbrug in aanbouw, 1908. De draagconstructie werd vervaardigd
van het toen moderne materiaal beton (collectie Gemeentearchief
Zwolle).
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herr Ober
Willem Boxma
De Rijks HBS aan de
Bagijnesingel (uit: Vijfmaal
Zilver, 125 jaar
RHBS, MMS, Van der
Capellen Scholengemeenschap,
Zwolle,
1992).
Waarom hij op onze RHBS ooit met de
spotnaam ‘Herr Ober’ werd vereerd, is
me nooit duidelijk geworden. Misschien
was het vanwege zijn statige houding, de
platvoeten of het vlinderstrikje; eigenschappen
waaraan men ook de kelner herkent. De bijnaam
bestond trouwens al lang voor ik op de Rijks
Hogere Burgerschool mijn intree deed en er zal
moeilijk meer een leerling van vroegere jaargangen
te vinden zijn die nog kan vertellen wat spontaan
tot de ‘onderonze’ bekendheid had geleid.
Veelal doemen aliassen plotseling op, zonder een
duidelijke verklaring en zonder dat de bedenker
bekend is.
De ober was leraar Duits en voor de meidagen
van 1940 deed niets vermoeden dat hij meer
‘deutschfreundlich’ was dan alleen op grond van
zijn vak verondersteld mocht worden. Ik kan niet
anders zeggen dan dat ik hem wel een geschikte
vent vond. Nooit liep hij als een spitsvondige miezerik
langs de schoolbanken in een poging een van
ons te betrappen op een open leerboekje op de
knieën of op een andere traditionele, dan wel originele
spiekmethode. Het was bij de ober mogelijk
hoge cijfers voor proefwerken te behalen. Hij
placht te zeggen: ‘Je doet maar. Als je voor je eindexamen
zit, zul je op jezelf aangewezen zijn.’ Vandaar
dat we de ober steeds hoffelijk groetten als
mijn vriend en ik hem op weg naar school voorbijfietsten.
Een prater was de ober niet, eerder kwam hij
zwijgend de klas binnen en hij muntte ook in zijn
doceren niet uit in veelsprakigheid. Eens liet hij
zich tijdens een gesprek over de eigen taal en
vreemde talen ontvallen, dat de Nederlandse taal
in wezen niet meer dan een hulpmiddel in de
communicatie was. Elk mens sprak in Nederland
wel een dialect, waarbij de een wat verder van en
de ander wat dichter bij het officiële Nederlands
stond. Hij was zelf een Groninger, zei hij, en
gebruikte het Nederlands om zich in de rest van
het land verstaanbaar te maken. Zo was het ook
met het Duits. Als Nederlander sprak je in je eigen
land Nederlands, maar je redde je in Duitsland
met Duits. Zijn noordelijke herkomst verklaarde
misschien ook de neiging zich met weinig woorden
te behelpen.
Hoezeer Herr Obers doceren in de Duitse taal
en letterkunde tevens verwant was aan het nazisme,
kwam enige weken nadat de Duitsers ons land
waren binnengetrokken aan het licht. Een speldje
met een priemende wolfsangel op de revers van
zijn colbertjasje bevestigden de geruchten die hem
vooruit waren gesneld: de ober was NSB-er! Nou
en, hij was dan ‘fout’, maar hij was toch altijd een
geschikte vent geweest? Een kwaaie Mussert-klant
kon hij toch niet zijn. En dus gingen we door met
hem te groeten als we hem fietsend inhaalden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lang zou de gedoogde animositeit niet duren.
Allengs kwam de politieke gezindheid van de
doorgaans kortaf pratende leraar naar boven. Met
de toenemende afkeer jegens Duitsers en des te
meer jegens landverraders waarvoor leden van de
NSB werden gehouden, steeg ook de distantie
tegenover de ober. Dus reden we hem niet langer
voorbij, maar bleven we tot aan de school op
gepaste afstand achter hem fietsen, om een groet
te vermijden. Soms reed de ober zo langzaam dat
je wel genoodzaakt was hem te passeren. Het werd
dan wel moeilijk aan hem voorbij te gaan en net te
doen of je hem niet kende. Van huis uit was je
immers geleerd je beleefd tegenover dames en
heren te gedragen en bij een treffen je hoedje af te
nemen. Eerlijk gezegd, ik voelde me ondanks mijn
anti-gevoelens onbehoorlijk als ik trappend als
een gek, met de neus bijna op het stuur, langs hem
heen snelde.
De ober kreeg het kat-en-muis spelletje al
gauw in de gaten en op een middag gaf hij lucht
aan zijn gevoelens. Waarom we hem niet groeten!
Hij wilde duidelijk stellen dat ieder zijn mening
over de huidige politieke situatie mocht hebben,
dus moesten ook wij zo sportief zijn hem in zijn
opvattingen te respecteren. Hij was er daarom
voor de politiek buiten de school te houden. ‘Je
kunt’, poogde hij ons op het hart te drukken,
‘eikaars mening toch ontzien en als fatsoenlijke
burgers met elkaar omgaan.’ Hij wenste dat wij als
welopgevoede jongelui, die we toch waren, hem
op straat netjes gedag zouden zeggen.
Nou, op straat? Verwachtte hij soms ook dat
we hem als nette leerlingen zouden groeten als we
hem in volledig WA-tenue, nota bene met stampende
laarzen voorop een zwarte stoet van brullende
NSB-kompanen marcherend, aan ons voorbij
zagen trekken? Nee, toch! Zijn wrange uitnodiging
‘Gij, Dietse gouwen, reikt elkaar de hand’
ging ons te ver. De ober kon ons wat! We gingen
dus consequent door met hem op straat niet te
groeten, ook al moesten we desnoods op gepaste
afstand achter hem blijven fietsen.
Met het verstrijken van de bezettingsjaren
scheen Herr Obers sympathie voor het nationaalsocialisme
niet te tanen. Hij verscheen vaker
zwart-geüniformeerd op school, niet zelden in een
Gjalt Spijkstra, 27/12
1923 – 23/n 1996 (collectie
auteur).
zeldzaam geworden DKW. Van lieverlee van collega’s
en leerlingen geïsoleerd geraakt, bleef hem
niets anders dan steun te putten uit het gezelschap
van partijgenoten in het Kringhuis. Of was er misschien
sprake van Groningse koppigheid en wilde
hij zich ook binnen het naderende uur van de
waarheid niet laten kennen? Hoe dit ook zij, hij
bleef halsstarrig ‘deutschfreundlich’ en zou tot op
de laatste dag lid blijven van de wankelende meelopersbeweging.
Tot hoever de gezindheid van de ober zich uitstrekte,
kwam aan het licht op een winterse dag in
december 1942. We zouden ’s middags proefwerk
Duits hebben, van de ober natuurlijk, ’s Morgens
had 5b repetitie van hem gehad. Tijdens de pauze
kwamen opgewonden leerlingen uit die klas op
ons af. ‘Moet je horen, weet je wat als vertaling
werd gevraagd? Een stuk uit Mein Kampf!’ In de
eerste regels van de tekst, in Herr Obers fraaie
hand van schrijven – en mooi schrijven kon hij –
op het bord hadden ze de herkomst niet direct
onderkend. Eerst toen er tien zinnen stonden was
tot hen doorgedrongen dat die bepaald niet van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
T k i j f ÖUlt-pt/UiJtwH, . l
O-(.-/U*M*M>S -S*A S<4A&vuM, v< Drie fragmenten uit de eerste brief, die Gjalt op 23/121942 vanuit het Huis van Bewaring in Arnhem aan zijn ouders schreef. Zie voor transcriptp. ij {privé-collectie). Goethe en zeker niet van Rainer Maria Rilke afkomstig waren. Overrompeld en misschien ook bevreesd voor eventuele gevolgen hadden ze zich, zij het morrend, bij de opgaaf neergelegd en er opzettelijk slordig werk van gemaakt of een vertaling die nergens op sloeg. Lekker zat hun dat achteraf niet. We waren dus gewaarschuwd voor die middag. Goede raad was duur. Straks zou de ober ook ons een passage uit Hitlers verfoeide boek voorleggen en ons opdragen die te vertalen. Na kort beraad besloten we min of meer eendrachtig zo'n opdracht te weigeren. Had de ober niet zelf voorgesteld de politiek buiten de school te houden? Wat deed hij dan nu? Verdommen dus! Mijn vriend Gjalt, klassenvertegenwoordiger en anti in hart en ziel - hij bestond het regelmatig propaganda- affiches voor dienstneming in de Waffen SS van de muur in de hal te scheuren - nam het op zich namens de klas het woord te doen. Het uur des oordeels naderde. Zwijgend en statig als gewoonlijk trad Herr Ober de klas binnen, in de hand een boek waarvan het antracietkleurige omslag al in een oogopslag verried dat het niet behoorde tot de gebruikelijke schoolliteratuur. Het kon niet anders, ook hier werd de fnuikende lectuur binnengebracht waarvoor 5b alarm had geslagen. Gespannen wachtten we op wat de ober aan ons ter vertaling zou voorleggen. Enkelen koesterden nog de hoop, dat de aversie in 5b de ober had weerhouden ten tweede male Hitlers gewraakte opvattingen aan zijn leerlingen op te dringen. Maar zie, zonder ons op zijn keus voor te bereiden, stelde de ober zich voor het bord op, sloeg het meegebrachte boek, waarvan hij de pagina met het uitgekozen citaat al met een papierstrook had' aangegeven, open en begon in zijn getekend handschrift het bord te vullen. Na twee regels Duits in krijt op de zwarte achtergrond - alsof het zo, in zwart-wit, geschreven had moeten zijn - beseften we dat het uur U was aangebroken. Het werd angstig stil in de klas. Hitlers vuil spoot krassend in schoonschrift over het bord. Een vulpen kletterde van een bank. Nu en dan kuchte iemand. Achterin fluisterden twee bankgenoten. Een enkeling, onrustig geworden door de dreigende sfeer, nam aarzelend de pen op en deed er niets of iets nietszeggends mee. De ober bereikte het eind van het citaat uit Mein Kampf en sloot het af met een punt, een ferme uiteenspattende tik met het krijtje tegen het bord. Vervolgens kruiste hij demonstratief de armen en sprak: 'Dat is het. Ik wil nu van jullie zien wat je er van maakt.' Even leek er twijfel over en tussen de banken te waren. Van doen we het nu wel of doen we het niet. Aller blik richtte zich op Gjalt, die het nu maar zeggen moest. Onze man stond op, zijn kaarsrecht uit de schoolbank oprijzende, robuuste gestalte straalde onverzettelijkheid en vastbeslotenheid uit. In hem zagen we de leider die ons door de één uur durende staking zou loodsen. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 'Meneer', sprak hij, de klassenvertegenwoordiger. Rustig, overtuigd van zijn gelijk, bewust van zijn positie en verantwoordelijkheid jegens ons die met kloppend hart dit moment tegemoet hadden gezien. Gjalt bleef beleefd en netjes. Welopgevoed, zoals de ober ons immers wilde zien, sprak hij zijn opponent aan met 'meneer'. 'Meneer, namens de klas wil ik u zeggen dat wij hebben besloten deze vertaling niet uit te voeren.' Hij herinnerde de ober aan de afspraak dat politiek, of het nu Nederlandse of Duitse politiek was, niet op school thuishoorde en ging weer zitten. De ober verbleekte. 'Dat wordt dan een onvoldoende. Voor jullie allemaal!' riep hij en wierp het krijtje, dat hij nog steeds in de hand hield, nijdig in het bakje naast het bord. Zichtbaar aangeslagen door het falen van zijn macht verviel hij in zijn gewoonlijke zwijgzaamheid. Hij zeeg neer op de leraarstoel en vond klaarblijkelijk moed noch aanleiding meer ons op andere gedachten te brengen. Besluiteloosheid verbergend stond hij vervolgens plotseling op en verliet het lokaal, naar we aannamen om steun te zoeken bij de directeur, die ook van zijn partij was. De rest van de middag ging in verwarring voorbij. Er was geen aandacht meer voor het volgende en laatste uur, wat spijtig was voor de docent die het vullen moest. De volgende dag hadden we geen les van de ober en geleidelijk verliep de spanning, waarmee we naar school waren gekomen. Tot tijdens een bepaald uur de conciërge in de deuropening verscheen. Of Gjalt mee wilde komen. Hij noemde hem niet Gjalt, maar bij diens achternaam zoals in die jaren gebruikelijk was. Mijn dappere vriend stond op uit zijn bank en volgde de man. We zagen hem niet in de klas terug. Aan het eind van het laatste lesuur pakte ik zijn tas en besloot die naar zijn ouders te brengen. Ik besefte dat ik er geen prettige boodschap aan toe te voegen had. Moeder overstuur natuurlijk. Vader haastte zich naar het politiebureau en vernam daar dat hij te laat was om zijn zoon nog te spreken. Gjalt was nog dezelfde middag naar het Huis van Bewaring in Arnhem overgebracht. Samen met een klasgenoot trachtte ik, in jeugdige overmoed, in het kringhuis van de NSB de ober te pakken te krijgen en hem te bewegen moeite te doen mijn vriend vrij te krijgen. Maar de ober was er niet en werd er ook niet meer verwacht. Jaren later vertelde Gjalt me dat de Nederlandse politieagenten die hem van school hadden gehaald, hem het aandoen van handboeien hadden bespaard op voorwaarde dat hij gewillig mee zou lopen en een vluchtpoging uit zijn hoofd zou laten. De klas vergat Gjalt niet. Ludieke kaarten met opbeurende slogans als 'kop op' en 'de oorlog gaat over', gingen regelmatig op de brievenbus. De jongen bleef waar hij was opgesloten, naar hij me later vertelde in een cel die hij met andere opgepakte verzetsstrijders deelde. Tegen kerst besloten de klasgenoten een campagne te starten om zijn afzondering enigszins te verlichten. Elke leerling van de klas kwam met iets aan om het karige gevangenisvoedsel - meestal een 'diner' bestaande uit soep van aardappelschillen - wat aan te vullen. Van de luxe als een ontbijtkoek en een blikje sardientjes tot koude zelfgebakken pannenkoeken toe. Ook fruit ontbrak niet. Het kon niet op! Wat de mensen toch nog in huis hadden! Een koffer was gauw gevuld. Twee vrienden, tevens klasgenoten, in 1942. Rechts Gjalt Spijkstra, naast hem Willem (Wim) Boxma (collectie auteur). 16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Twee fragmenten uit een tweede brief van Gjalt, eveneens aan zijn ouders gericht, gedateerd 3/1 1943. Zie voor transcriptp. ij (privécollectie). 'X JJLL ..JJ~~dd...Ma*. 3- !-'(,! yJLJLk ^MAJLI hJUlJL JLJLk , h^JUlJL X Mr tk. ujUtvXk , ~-AMJL L^|* Niet alleen omdat ik zijn vriend was, maar ook omdat ik vanwege het beroep van mijn vader, spoorwegambtenaar, gratis kon reizen nam ik het op mij de zwaar gevulde koffer naar het Huis van Bewaring in Arnhem te brengen. Daar binnengelaten vroeg ik gevangene Gjalt te spreken. Ik wilde hem graag persoonlijk de koffer met inhoud overhandigen, zei ik. De bewaker die mij ontving was een beminnelijk mens, daar niet van. Hij maakte op mij niet de indruk een militair te zijn en zeker geen Duitse, want hij droeg voorzover ik kon beoordelen een gewoon cipierspak. Aan mijn verzoek, dat hij stellig uitermate jongensachtig naïef vond, kon hij niet voldoen. Nee, nee, die persoon zat in de SD-afdeling en daar werd geen enkel contact met de arrestanten toegelaten. Hij wilde de koffer wel even voor me wegbrengen, maar de inhoud moest natuurlijk vooraf worden gecontroleerd. Of ik maar even wilde wachten, de koffer kreeg ik beslist na lediging terug. Hij liet mij een ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT kale wachtkamer met banken rondom de muren binnengaan. Het knarsen van het deurslot deed mij beseffen, dat de bewaker het zekere voor het onzekere nam. Stel je voor dat ik een ijzerzaag in de worst of zelfs een wapen in de ontbijtkoek had verstopt. Een half uur later kwam de gevangenbewaarder terug, met de lege koffer. Later heb ik van mijn vriend gehoord dat hij de inhoud inderdaad en in goede orde had ontvangen, er zeer dankbaar voor was geweest en hem met zijn celgenoten had gedeeld. Na vier weken hechtenis mocht Gjalts vader zijn zoon uit het gevang ophalen. Nadat wij de HBS achter ons hadden gelaten en Gjalt en ik elk ons weegs waren gegaan, verdween de ober uit mijn gedachten. Na de bevrijding, toen ik al uit Zwolle was vertrokken, kwam mij in de plaatselijke krant het verslag van een Tribunaal-zitting onder ogen. In de naam van de veroordeelde vond ik Herr Ober terug. Gek misschien - het deed me wat. Ergens had ik hem immers toch een geschikte vent gevonden. Transcript afgebeelde brieffragmenten: 20-12- 42 Ik ben hier Vrijdagavond om 7U45 aangekomen. Toen zaten we hier met 8 man. Zaterdag zijn er 4 ergens anders heengebracht; s'middags kwam er weer een nieuwe bij. Wij hebben hier een kamer en suite, n.1. een huiskamer met een lange houten tafel met krukjes er om heen, en een klein W.C.tje in de hoek. Door een ijzeren hek kom je in de slaapzaal, waar vier ijzeren kooien met kribben staan. Die kooien en het hek worden s'avonds om ± 8U30 gesloten. We kunnen hier kartonnen ijscobakjes en mappen met etiketjes maken, waarmee we 15 et per 1000 verdienen. We worden twee maal daags gelucht gedurende een half uur. We lopen dan 8 passen heen, 8 passen terug. We mogen één maal in de 14 dagen naar huis schrijven. We hebben vier ramen, twee in de huiskamer en twee in de slaapkamer. Ze zijn helemaal tegen de zolder, zodat we alleen de lucht kunnen bewonderen. 3-1- 43 In de tweede plaats bedank ik jullie en de eventuele andere gulle gevers voor het paket, door Wim gebracht en de koffer met inhoud, gebracht door "de Grote Onbekende". Beiden bedank ik nog wel voor hun moeiten. Jonge, jonge, wat was ik blij met die spulletjes. Ik ben, denk ik, wel een uur bezig geweest alles te onderzoeken; ik kon er bijna niet bij wegkomen. Van een gedeelte is reeds een buitengewoon dankbaar gebruik gemaakt. Met Kerstmis hebben we als Kerstgave een brief van de dominee en een stukje boter extra gehad. Het zal wel verkeerd zijn, maar het laatste werd meer gewaardeerd dan het eerste. De werkmeester heeft vorige week een grote stapel papiertjes en lijm gebracht, zodat wij zakjes kunnen plakken. Het is de bedoeling, dat er in die zakjes shampoo wordt gedaan. Aan de voorzijde staat dan ook een heel mooie juffrouw met nog mooier haar afgebeeld. Over haar gesproken, mijn tandenborstel begint ook al aardig kaal te worden. Nu, mijn brief begint al aardig vol te worden, dus zal ik met het nieuws maar uitscheiden tot nader order. De groeten aan Wim en de andere kennissen. Diezelfde, personen wens ik ook nog een "Gelukkig Nieuw Jaar". Vraag Wim, de groeten aan onze kennissen te doen. Met de beste groeten en een tot spoedig weerziens, Gjalt.' 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse vrouwenhuizen omstreeks 1400 Ingrid Wormgoor Zwolle rond 1550. Plattegrond van Jacob van Deventer (collectie Gemeentearchief Zwol- Ie). Voor veel mensen zijn de Middeleeuwen onlosmakelijk verbonden met kloosters. Vóór het eind van de veertiende eeuw bestonden er in Zwolle, en ook in de rest van Overijssel, echter maar weinig kloosters. De stad heeft het zelfs lange tijd zonder kloostergemeenschappen gesteld. Pas een kleine tachtig jaar nadat Zwolle in 1230 stadsrechten kreeg, kwam het eerste mannenklooster in de stad: in 1309 werd het Bethlehemklooster gesticht. Enkele decennia later ontstond de eerste kloosterlijke instelling voor vrouwen: het Oldeconvent.1 r Na dit rustige en bescheiden begin van het Zwolse kloosterleven, nam het aantal kloosters en kloosterachtige instellingen vanaf het eind van de veertiende eeuw plotseling snel toe. In een periode van ongeveer twintig jaar verrezen het klooster bij Windesheim (officieel het Domus Beatae Mariae Virginis geheten), het Agnietenbergklooster op de Nemelerberg en het Fraterhuis in de stad voor de mannen. De vrouwen kregen er, afgezien van het al langer bestaande Oldeconvent, zes nieuwe huizen bij; allemaal in of vlakbij de stad gelegen. Hieronder wil ik nagaan hoe al deze vrouwenhuizen ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT tot stand kwamen en wie daar bij betrokken waren. Uiteraard speelde ook het godsdienstig klimaat aan het einde van de veertiende eeuw daarbij een grote rol. Moderne Devotie De Moderne Devotie was ongetwijfeld de belangrijkste godsdienstige stroming in de IJsselstreek vanaf het eind van de veertiende eeuw. Het was een hervormingsbeweging waarvan Geert Grote de belangrijkste inspirator was. Deze burgemeesterszoon uit Deventer bekeerde zich omstreeks 1374 tot een sobere levenshouding. Hij deed afstand van een groot deel van zijn bezittingen en trok zich gedurende enkele jaren terug in een klooster. In 1379 werd hij tot diaken gewijd en daarmee had hij toestemming om te preken. Hij trok al predikend rond - vooral in de IJsselstreek - en bezocht Zwolle verschillende malen. Door zijn preken verwierf hij grote bekendheid. Hij stierfin 1384. Ook in Zwolle sloegen de preken van Geert Grote aan en verwierf hij aanhangers en volgelingen zoals de stadspastoor Regnerus van Drynen en de rector van de stadsschool Johannes Cele. Deze twee mogen we misschien wel als sleutelfiguren zien bij de verspreiding van het ideeëngoed van de Moderne Devotie, omdat ze allebei de mogelijkheid hadden om op grote aantallen mensen hun ideeën over te brengen; de een door middel van preken in de Michaëlkerk en de ander via de scholieren. Verder speelde Henricus van Gouda een belangrijke rol in de stad. Hij was door Geert Grote vanuit Deventer naar Zwolle gestuurd. Daar was hij betrokken bij de oprichting van het Agnietenbergklooster en het Fraterhuis. Misschien is Geert Grote wel het meest bekend als grondlegger van de Broeders en Zusters van het Gemene Leven, ofwel gemeenschappen van mensen die wilden leven naar zijn idealen. In het huis van Geert Grote in Deventer leefde vanaf 1374 een groep arme, vrome vrouwen. In 1379 stelde Grote leefregels voor hen vast. Ook het eerste fraterhuis, het Meester Florenshuis in Deventer, ontstond uit een aantal mensen die bij elkaar waren gaan wonen en aanvankelijk geen leefregels of gemeenschappelijk bezit kenden. Veel van wat bekend is over het leven van Moderne Devoten in en om Zwolle, staat beschreven in de kronieken van Jacobus de Voecht en Johannes Busch. Jacobus kwam omstreeks het jaar 1450 in het Zwolse Fraterhuis wonen en schreef zijn kroniek aan het eind van de vijftiende eeuw. Johannes Busch was kloosterling in het klooster Windesheim en schreef zijn Chronicon tussen 1456 en 1459.2 Vooral Jacobus de Voecht benadrukte het belang van het Zwolse Fraterhuis en met name van Henricus van Gouda en Gerard van Kalker (de eerste rector van het Fraterhuis) voor de totstandkoming van de vrouwenhuizen. De vraag is of zijn voorstelling terecht en volledig is. Ter Kinderhuis Het oudste zusterhuis waarvoor de bovengenoemde Henricus van Gouda als biechtvader optrad, is waarschijnlijk het Caeciliaconvent of het Ter Kinderhuis in de Nyer Deserstrate (de huidige Nieuwstraat). De eerste oorkonde waarin het huis voorkomt, dateert van 25 april 1389. Het huis bestond op dat moment al, want Bertrade, dochter van Herman Wermboldeszone, schonk toen haar moederlijk erfdeel aan de ongetrouwde vrouwen die in gemeenschap leefden in het huis dat tussen dat van Johan van Tibencampe en dat van Dirik van Versene in de Nyer Deserstrate lag.3 Dezelfde Bertrade of Bertruut had, samen met 'Het Kinderenhuijs te Zwoll 162/ tekening uit de achttiende eeuw van Jacobus Stellingwerf (collectie Stedelijk Museum Zwolle). -/.e 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Walstraat 13 -19 omstreeks 1910. De panden 11 - ij hebben deel uitgemaakt van de kloostervleugel van het St. -Geertruidenconvent = Kadenetershuis (collectie Gemeentearchief Zwolle). haar oom Jacob Wermerssoen en Liese diens vrouw, Berthe dochter van Jan van Tibencampe en Ghese dochter van Jacob Wermerssoen, dit huis aan de maagden en weduwen geschonken. Wanneer ze dat deden is echter niet duidelijk. De schenking wordt namelijk alleen vermeld in een akte van 1394, maar de schenkingsakte zelf is verloren gegaan.4 Johannes Busch, de schrijver van een kroniek over het klooster Windesheim en ook de auteur van een anoniem geschrift, het zogenoemde Frensweger handschrift, geven een aanvulling op deze feiten. Volgens Busch werd de stichting van het klooster in Windesheim mogelijk gemaakt door schenkingen van een aantal aanzienlijke personen uit Deventer, Kampen en Zwolle. Eén van hen was Aleyda Dreyer, 'een seer devote vrouwe, die ierste beghinster, mater ende regierster der devoter susteren toe Swolle, ghehieten der kinder hues'. Deze Aleyda woonde samen met enkele andere dames (matronae) zoals Aleidis Scutken, Gertrude Kadeneter, de grondlegster van het Kadenetershuis en Bertrude, zuster in het domus puellarum gedurende de beginperiode op het nieuwe kloostercomplex. Ze zorgden er voor de keuken, de bakkerij, de brouwerij en voor de wasserij. Aleidis Scutken bleef tot het einde van haar leven in het klooster 'als een Martha' voor de kloosterlingen zorgen. De andere drie vrouwen vertrokken daarentegen naar Zwolle toen er voldoende leken in het klooster waren om dit werk te verrichten.5 Eenmaal terug in Zwolle wilden Bertrude (waarschijnlijk was dat dezelfde Bertrade die verschillende schenkingen aan het Ter Kinderhuis had gedaan) en Aleida Dreyer ongetwijfeld hun devote levenswijze voortzetten. Mogelijk heeft Bertrude toen samen met haar familie het huis in de Nieuwstraat beschikbaar gesteld voor maagden en weduwen. Aleida Dreyer ging er ook wonen en kreeg er de leiding; ze werd de eerste 'moeder' zoals Busch meedeelt. Henricus van Gouda werd hun eerste rector en biechtvader.6 Behalve de namen van deze twee aanzienlijke dames en hun biechtvader, is niet veel bekend over de beginperiode van het Ter Kinderhuis. Hun idealen en levenswijze waren geïnspireerd door de Moderne Devotie en de vrouwen zullen dus op een eenvoudige, sobere manier geleefd hebben. Hun rector en biechtvader Henricus van Gouda voerde een gemeenschappelijk leven in. Verder schrijft een biograaf van Henricus van Gouda dat Zwolse burgers hun kinderen naar de vrouwen zonden om de eerste basisvaardigheden aan te leren (in prima fundacione) en voor het aanleren van goede gewoonten en discipline. Dit was volgens hem ook de verklaring van de naam 'Ter Kinderhuis' voor het Caeciliaconvent. Het Caeciliaconvent werd namelijk Ter Kinderhuis genoemd omdat burgers die er hun kinderen (pueros) lieten onderrichten, zeiden 'Wij gaan ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 naar het huis van onze kinderen' wanneer ze op feestdagen hun kinderen gingen bezoeken.7 De kinderen woonden er dus in huis.8 Kadenetershuis Het is te verwachten dat Gertrude Kadeneter (of Cadeneter) bij terugkeer in de stad Zwolle de levenswijze die ze bij het klooster Windesheim had leren kennen, wilde voortzetten, net zoals Bertrude en Aleida Dreyer hadden gedaan in het Ter Kinderhuis. Over de oprichting van 'haar' huis, het Kadeneters- of St.-Gertrudishuis is echter zeer weinig bekend. Mogelijk ging Gertrude na haar terugkeer uit Windesheim alleen, of samen met andere alleenstaande vrouwen in de stad wonen. Aangezien ze uit een welgestelde familie kwam - de familie Kadeneter had verschillende schepenen voortgebracht - zullen de inkomsten en huisvesting bij de stadsmuur in de Schoutensteeg, geen onoverkomelijke bezwaren hebben opgeleverd. Het is heel goed mogelijk dat ze rond 1390 een eigen huis had ingericht. Schoengen en Post noemen dat jaar als het stichtingsjaar van het Kadenetershuis.9 In die beginperiode vormden de vrouwen een informeel gezelschap: er was geen sprake van beloften of van gemeenschappelijk bezit. Gertrude was de toonaangevende figuur in huis. Toen Lubba, de weduwe van Volkerus Hungerus, namelijk in 1409 haar testament opmaakte, bedacht ze Ghertruet Kadeneter met vier gulden. De andere vrouwenhuizen die inmiddels in en bij de stad waren verrezen, werden in het testament allemaal genoemd met hun vestigingsplaats, eventueel met de vermelding 'begijnen' erbij. Zo kregen bijvoorbeeld de begijnen in de Nygenstad (het Ter Kinderhuis), de begijnen bij het huis van Gherd ten Bussche en up der Maet elk vier gulden. De oude begijnen in het Oldeconvent kregen een jaarrente.10 Gertrude Kadeneter was de enige die alleen met haar naam werd genoemd. Walstraat, bouwresten van het St.-Geertruidenconvent, 1987. (Collectie Gemeentearchief Zwolle). 22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT De Waalse kerk in de Schoutenstraat, omstreeks 1915. De huidige Waalse kerk was vroeger de kapel van het Kadenetershuis (collectie Gemeentearchief Zwolle). Negen jaar later was er sprake van een meer gereglementeerd huis. In 1417 sloten de stad Zwolle en een aantal vrouwen, onder wie Gertrude Kadeneter, een overeenkomst waarbij de stad aan de vrouwen een stuk land bij de stadsmuur in erfpacht gaf. Dit stuk land lag naast hun huis; vroeger had de stadspaardenmolen er gestaan. De stad stond de vrouwen tegelijk toe hun huis erfelijk te gebruiken als een gemeenschappelijke woning die niet zou vererven aan hun erfgenamen. In ruil voor deze gebiedsuitbreiding moesten ze beloven rustig, in onderdanigheid en in kuisheid te leven. Ze mochten niet trouwen, niet zonder toestemming van hun bewaarster buitenshuis overnachten en niet tot een kloosterorde toetreden zonder toestemming van schepenen en raad. Tenslotte moesten ze beloven om op dezelfde wijze als andere burgers hun diensten te vervullen.11 Kortom, op initiatief van het stadsbestuur werd hier een summier begin van regelgeving vastgelegd. Bij de overgang van een groep(je) vrouwen die in een huis samenwoonden naar een zusterhuis, speelden vertegenwoordigers van de Moderne Devotie een rol. Net zoals bij het Ter Kinderhuis was Henricus van Gouda er rector en biechtvader. Ook Gerard van Kalker, de eerste rector van het Fraterhuis, was vanaf het begin bij het Kadenetershuis betrokken. Nadat Henricus van Gouda in 1410 was overleden, volgde Johannes van Haarlem hem op als rector en biechtvader bij vier vrouwenhuizen: niet alleen bij het Ter Kinderhuis en het Kadenetershuis, maar ook bij het Huis op die Maat en het Huis ten Busch. Huis op die Maat Volgens Jacobus de Voecht, een van de bewoners van het Zwolse Fraterhuis die aan het eind van de vijftiende eeuw een kroniek schreef over dit huis, namen Henricus van Gouda en Gerard van Kalker het initiatief voor het Kadenetershuis en voor de Huizen op die Maat en Ten Busch.12 Voor het Kadenetershuis lijkt dat enigszins gechargeerd en datzelfde geldt voor het Huis op die Maat. Op z'n minst benadrukt De Voecht de rol van zijn huisgenoten wat sterk. In het geval van het Kadenetershuis ging dat ten koste van het klooster te Windesheim, waar Gertrude Kadeneter woonde; in het geval van het Huis op die Maat is de rol van het Bethlehemklooster onderbelicht. Dat klooster - dat inmiddels ook onder de invloed van de Moderne Devotie was gekomen - maakte in 1397 de oprichting van dit vrouwenhuis mogelijk doordat het een hofstede gelegen in de Voetzmaet voor het zeer geringe bedrag van één pond per jaar in erfpacht gaf aan vijf vrouwen. Deze vijf vrouwen, Greten Zalckinch, Wobbeken van den Berghe, Mette Willamsdochter en Aleyde en Hillen Zibertsdochter kregen het als gemeenschappelijke woning voor alle maagden en weduwen die God daar in kuisheid wilden dienen en die daar zouden wonen. Voor het geval het vrouwenhuis in verval ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT zou raken, stelde het klooster de voorwaarde dat het het huis zou terugkrijgen wanneer het verlaten werd of wanneer de prioren van de kloosters Windesheim en Bethlehem van mening zouden zijn dat het huis niet meer diende tot eer van God.13 De heren van het Bethlehemklooster hadden zich geen zorgen hoeven te maken. Het Huis op die Maat ontwikkelde zich voorspoedig. In 1484 werd het tegelijk met het Huis ten Busch een officieel klooster. De groei en aantrekkingskracht van de twee nieuwe kloosters blijken dan uit het feit dat het stadsbestuur hun inwonersaantal beperkt tot 52; er mogen hoogstens 32 geprofeste nonnen in elk klooster wonen en hooguit 20 conversinnen. Alleen de ligging buiten de stadsmuren werd het klooster uiteindelijk fataal. In de jaren zeventig van de zestiende eeuw werden de gebouwen vernield tijdens een oorlog. De vrouwen vonden toen onderdak in het Agnietenbergklooster. Huis Ten Busch Zoals boven vermeld, noemt Jacobus de Voecht het Huis Ten Busch in het rijtje dat Gerardus Kalker en Henricus van Gouda initieerden. Behalve deze mededeling is niet veel bekend over de vroegste geschiedenis van het huis. We weten wel dat het in 1401 bestond en dat het huis buiten de stadsmuren lag. Op 15 oktober 1401 maakte Lubba, de vrouw van Hugo Olyman namelijk haar testament op en daarin wordt het Huis Ten Busch genoemd: aan de vrome maagden die in het huis van Gerardus ten Bussche (of Bosch) buiten de stadsmuren wonen, stelde zij zes gulden in het vooruitzicht.14 De officiële Latijnse naam van het huis luidde Domus in nemore beatae Mariae, ofwel Mariënbusch. Meestal werd het echter Huis ten Busch genoemd. Gezien deze naam en de huisvesting in het huis van Gerard ten Bussche, lijkt het logisch te veronderstellen dat Gerardus ten Bussche (of diens vrouw of dochter) iets te maken had met de oprichting van het huis. De rol van Gerard van Kalker en Henricus van Gouda bleef waarschijnlijk beperkt tot de geestelijke leiding. De materiële en financiële voorzieningen kwamen van iemand uit de familie Ten Bussche. Deze familie had daarvoor ongetwijfeld voldoende middelen, want evenals de familie Kadeneter had de familie Ten Bussche verschillende schepenen geleverd. Of er ook vrouwelijke leden van de familie in Mariënbusch woonden, kunnen we niet zeggen, omdat er uit de beginperiode geen inwoonsters bekend zijn. Heel misschien was Femme Gherardi, die in 1445 tegelijk met negen andere dames aan de maagden in het Huis ten Bussche al haar roerende en onroerende goederen schonk, de dochter van Gerardus ten Bussche. Ze zou echter ook heel goed de dochter van een andere Gerard kunnen zijn.15 Wytenhuis Over de eerste bewoonsters van het Wytenhuis is iets meer bekend. Het waren drie nichtjes of verwanten (neptes) van Wyte van Windesheim. Deze Wyte was een broer van Meynold van Windesheim, die een hoge functie had bekleed aan het hof van de Utrechtse bisschop Florens van Wevelinckhoven en die de oprichting van het Fraterhuis financieel mogelijk had gemaakt. Hij was ook een oom van Theodericus van Herxen, rector van het Fraterhuis. Wyte en zijn broer Meynold werden in 1396 samen opgenomen in het Fraterhuis waar Meynold korte tijd later overleed.16 De drie nichtjes van Wyte wilden God dienen. Waarschijnlijk om hen in deze wens tegemoet te komen kocht Wyte op 30 juni 1404 een huis en erf in de Musschenhage buiten de Voorsterpoort en 'De Boschbleek' en de Dominicanenkerk omstreeks 1935. De exacte ligging van het Huis ten Busch is niet bekend. De naam Boschbleek doet er nog aan denken. (Collectie Gemeentearchief Zwolle, foto A. Meulenbelt). ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT De Pannekoekendijk, rechts Mussenhage, links de Jufferenwal. Eindjaren zestig. Het Wytenhuis en Zuytemhuis lagen in de Mussenhage, mogelijk waar nu ongeveer de Pannekoekendijk ligt. (Collectie Gemeentearchief Zwolle). gelegen aan het water.17 Op 31 juli 1409 schonk hij dit huis aan de vrouwen die in het huis in reinheid, onderdanigheid en liefderijkheid samenwoonden. Biechtvader van de bewoonsters was op dat moment Henricus van Gouda.18 Ter wille van zijn nichtjes gaf Wyte van Windesheim jaarlijks een vat boter aan de vrouwengemeenschap. Toen hij echter op een gegeven moment de seculiere priester Gerardus Tricht als biechtvader wilde laten aannemen, weigerden de dames dit. Theodericus van Herxen had hen namelijk sterk afgeraden om een seculiere priester te accepteren en had hen voor advies naar de prior van Windesheim gezonden. Deze adviseerde hetzelfde en raadde hen tevens aan om onder het Gregoriushuis te blijven. Toen zij dat inderdaad deden, staakte Wyte verontwaardigd zijn jaarlijkse gift van een vat boter. Bovendien haalde hij zijn nichten weg uit het huis. Twee van hen stuurde hij naar het klooster Klaarwater bij Hattem. De derde trouwde en kreeg een zoon, Johannes ten Kolke. De overgebleven drie of vier zusters bleven in het Wytenhuis wonen en bleven onder de geestelijke leiding van het Fraterhuis staan.19 De onenigheid tussen Wyte van Windesheim en het Fraterhuis over de benoeming van een biechtvader is mogelijk ontstaan na de dood van Henricus van Gouda in 1410, toen er een andere biechtvader moest komen. Waarschijnlijk woonde Wyte toen al enige tijd niet meer bij de fraters. In 1409, bij de dood van de eerste rector, wordt hij namelijk niet vermeld onder de inwoners, terwijl vaststaat dat hij in 1418 nog in leven was.20 Zuytemhuis Niet alle vrome initiatieven hadden een evenlange levensduur als de hiervoor genoemde. Zo woonden er voordat het Wytenhuis tot stand kwam al zusters in het Zuytemhuis. Dit huis lag naast het Wytenhuis in de Musschenhage buiten de Voorsterpoort, maar volgens Jacobus de Voecht kwam het niet tot bloei. Dat kan niet gelegen hebben aan een gebrek aan belangstelling want er woonden elf of twaalf vrouwen. De Voecht vermeldt echter dat het huis tot twee maal toe door brand verwoest werd en dat de maagden en weduwen daarom uiteindelijk vertrokken. Tien van hen gingen naar het huis Ter Maat en één of twee voegden zich bij de drie of vier vrouwen die een nieuwe congregatie in een huisje van Wyte van Windesheim waren begonnen.21 Wanneer dit alles zich afspeelde en of het verhaal van De Voecht volledig is, is niet helemaal duidelijk. Volgens hem bestond het Zuytemhuis al voordat het Wytenhuis bewoond was. In 1414 verkreeg Gertruyd van Zuytem het huis waar ze woonde, gelegen in de Musschenhage naast het Wytenhuis in erfpacht.22 Wanneer ze daar al meer dan tien jaar woonde, eventueel met meerdere vrome vrouwen, klopt het verhaal van De Voecht. Daarna komen echter de problemen. Gertruyd overleed vóór 6 mei 1438 in het huis gelegen naast het Wytenhuis in de Musschenhage; dat zal dus wel om hetzelfde huis gaan. De priesters Tricus van Herxen en Lephardus van Ulsen brachten toen een verdeling tot stand van haar nalatenschap. Het huis ging samen met de twee maagden Mette Berent en Lutghart van der Sande naar het Wytenhuis op voorwaarde dat het Wytenhuis meer goede maagden zou aannemen om God te dienen en het huis met hen te delen. De zusters van het Huis op die Maat, waar de andere maagden van wijlen Gertruyd heen waren gegaan, mochten het huisraad dat ze hadden meegenomen behouden. Bovendien kregen ze een jaarZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT rente van vier mud rogge en een jaarrente van 6,25 stadspond en voorts alle koeien.23 Volgens deze officiële akte verdween het Zuytemhuis dus na het overlijden van Gertruyd en was er van brand geen sprake. Het blijft echter onduidelijk waarom de bewoonsters van het Zuytemhuis niet gewoon een andere 'moeder', of leidster kozen. Eigenlijk was het met elf of twaalf bewoonsters beter levensvatbaar dan het Wytenhuis, waar slechts drie of vier vrouwen woonden. Er moet dus iets anders aan de hand zijn geweest. Maar wat? Was er misschien toch brand zoals De Voecht schrijft? Conclusie In de korte tijd tussen 1387 en 1409 ontstonden binnen en vlak buiten de stadsmuren zes nieuwe vrouwenhuizen. Alle zes huizen lagen binnen de stadsvrijheid, dat wil zeggen het gebied waar het stadsrecht gold. Alleen al dit aantal geeft aan dat de geest van de Moderne Devotie diep was doorgedrongen in het Zwolse stadsleven. In een kleine stad zoals Zwolle in die tijd was, zullen zes nieuwe instellingen immers wel zijn opgevallen. En dat deze nieuwe huizen onder invloed van de nieuwe hervormingsbeweging tot stand kwamen, staat buiten kijf. Van vier huizen is immers bekend dat Henricus van Gouda er als biechtvader optrad. Van de overige twee, het Wytenhuis en het Zuytemhuis, is niet bekend wie de biechtvader was. Van beide huizen mogen we echter aannemen dat ze nauwe betrekkingen hadden met moderne devoten. Het Wytenhuis was immers mogelijk gemaakt door Wyte van Windesheim, die op dat moment nog in het Zwolse Fraterhuis woonde. En toen het Zuytemhuis werd opgeheven gingen alle inwoonsters over naar een ander zusterhuis. Wanneer gekeken wordt naar het aantal inwoners van de stad omstreeks het jaar 1400 en naar het aantal vrouwen dat zich zodanig aangesproken voelde door de Moderne Devotie dat ze in één van de zusterhuizen wilden leven, dan blijkt dat ongeveer een of twee procent van de bevolking in een zusterhuis ging wonen. Dat betekent dat twee tot vier procent van de vrouwen zich terugtrok uit het openbare leven. Vergeleken met het huidige aantal inwoners (Zwolle heeft nu ruim 100.000 inwoners) zou dat betekenen dat 2000 tot 4000 vrouwen zich uit het Zwolse stadsleven zouden terugtrekken. Bij deze berekening ben ik uitgegaan van het gegeven dat er in het jaar 1404 666 vuursteden belastingplichtig waren.24 Om te berekenen hoeveel mensen er bij die vuursteden woonden, gaat men in het algemeen uit van 4,5 of 4,7 persoon per vuurstede. Voor Zwolle kom je dan op ongeveer 3000 inwoners. Wanneer er in elk vrouwenhuis vijf tot tien vrouwen leefden, zou het om dertig tot zestig vrouwen gaan. Met alleen geestelijke invloed van de mannelijke moderne devoten konden echter geen vrouwenhuizen gesticht worden. Vrome intenties waren niet voldoende. De vrouwen leefden weliswaar eenvoudig, maar er waren toch allerlei materiële zaken nodig. De voorstelling die Jacobus de Voecht in zijn kroniek geeft over de vrouwenhuizen moet dan ook genuanceerd en aangevuld worden. Voor De Voecht was eigenlijk alleen de geestelijke leiding van belang. Voor de vrouwen waren daarentegen meer zaken belangrijk. Woonruimte was uiteraard de belangrijkste voorwaarde om een zusterhuis te kunnen stichten, maar verder waren er ook reguliere inkomsten nodig zoals jaarrenten, land en vee. Zonder de financiële en materiële steun van de (vrouwelijke) leden van enkele vooraanstaande Zwolse families, zoals Bertrade de dochter van Herman Gezicht op de Kamperpoort, tekening achttiende eeuw. Het Wytenhuis en Zuytemhuis lagen buiten de Kamperpoort. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle). 26 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Plattegrond van de stad Zwolle in de zestiende eeuw. Naar de plattegrond in de stedenatlas van Georg Braun en Franciscus Hogenberg, 1581. Het is een mooie duidelijke kaart, maar de ronde vorm van de stad komt niet met de werkelijkheid overeen. Rechtsonder ligt de Kamperpoort. (Collectie Gemeentearchief Zwolle). Wermboldeszone, Aleyda Dreyer, Gertrude Kadeneter, (familie van) Gerardus ten Bussche, Wyte van Windesheim en Gertruyd van Zuytem hadden er nooit zoveel vrouwenhuizen gesticht kunnen worden. Deze mensen waren stuk voor stuk van aanzienlijke komaf. De families Ten Bussche en Kadeneter hebben verschillende schepenen voortgebracht; Gertruyd van Zuytem en Wyte van Windesheim behoorden tot de latere riddermatige geslachten van dezelfde naam. Al deze families waren rijk en bekleedden belangrijke functies in de Zwolse of Overijsselse samenleving. Kortom, de idealen van armoede, soberheid en nederigheid van de Moderne Devotie, hadden zonder de steun van de maatschappelijke bovenlaag niet goed van de grond kunnen komen. Noten 1. Een klooster is aangesloten bij een officieel door de kerk goedgekeurde kloosterorde. E

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 4

Door 2002, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

J. •i
2002 m
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
(Collectie Dijk)
Ansichtkaart Meppelerweg
(nu Meppelerstraatweg)
Poststempel 15 oktober 1913
‘W.F. -.-
Kom morgen donderdag met de 7.17 trein thuis. We
zijn gisteravond naar de bioscoop geweest en daarvan
daan Ep van de trein gehaald. Wij gaan alle
dagen een rijtoertje maken, en ’s morgens gaan we
wandelen de stad in. Hoe gaat alles, goed, ik denk
het van wel.
Hier alles wel. Groetend E. Keijer – K[…]’
Op wat tegenwoordig de hoek van de Meppelerstraatweg
en de Hogenkampsweg is, zijn deze twee
in 1905 en 1906 gebouwde panden, een stal en een
villa, nog steeds te vinden. Ze werden gebouwd
voor de familie Dijk, hengstenhouders, maar
vooral ook internationale paardenhandelaars.
Rechts naast de villa, gescheiden door een klein
weggetje, lag een boerderij die eveneens van de
familie was. Links lag (en ligt nog altijd) de Algemene
Begraafplaats. Schuin tegenover de familie
Dijk bevond zich het station van de Dedemsvaartsche
Stoomtramwegmaatschappij (DSM), een
tramweg die heeft bestaan tot 1947.
De kaart komt uit een reeks die in eigen beheer
door de familie Dijk werd uitgegeven. Ongetwijfeld
voor correspondentie- en reclamedoeleinden,
maar ook, volgens de heer J.E. Dijk (geb. 1920),
omdat zijn vader Egbert (geb. 1891) iedere dag een
kaart naar zijn verloofde stuurde. Dit betrof een
meisje Keijer uit het Groningse Weiwerd (bij Delfzijl).
De kaart was ook aan deze familie geadresseerd.
De ‘Ep’ waarover gesproken wordt, is
Egbert Dijk. Hij en zijn verloofde trouwden in
1917. Lees meer over de familie Dijk en hun bedrijf
vanaf pagina 140.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Redactioneel Inhoud
In dit Zwols Historisch Tijdschrift spelen het paard
en de weg vanuit de stad naar de Agnietenberg een
belangrijke rol. Het was in het jaar 1407 dat de
Zwolse schepen Berend van Yrte te paard naar
Lübeck ging om te bewerkstelligen dat Zwolle
opnieuw in de Hanze werd opgenomen. Na acht
weken kwam hij terug, echter zonder zijn eigen
bestepaard, dat hij in Meppen (vlak voor de grens)
moest achterlaten. Met een geleende viervoeter
volbracht hij de thuisreis.
Of Berend van Yrte en Thomas a Kempis
(1380-1471) elkaar in Zwolle, waar toen circa 4000
mensen woonden, ontmoet hebben is onbekend.
De kans is echter groot. En wellicht was dat dan op
de weg tussen de stad en de Agnietenberg, waar
Thomas woonde. Deze weg kreeg, voor zover die
binnen de stedelijke bebouwing lag, aan het eind
van de negentiende eeuw de naam Thomas a
Kempisstraat, als eerbetoon aan deze grote Zwollenaar.
Verderop heette die weg toen Meppelerweg,
nu Meppelerstraatweg. En hier woonde de
familie Dijk, die de laatste anderhalve eeuw een
florerende handel in paarden en koeien dreef. Aan
de gevel van hun huis is dat nog steeds te zien.
Ging het bij Berend van Yrte om zijn beste paard,
bij Dijk betrof het luxe paarden.
De Zwolsche Mixed Hockey Club bestaat
100 jaar, speelt op en vindt vertier bij het hockeyveld
aan de Haersterveerweg, de weg richting
Agnietenberg. Uit het artikel wordt andermaal
duidelijk dat vroeger de beste paarden op stal werden
gezocht… Kortom: de redactie hoopt dat u na
het voorgaande een (lees)honger heeft als een
paard.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsmavan
Hulten en Wim Huijsmans 138
Dijk, van alle markten thuis
Honderd jaar internationale paardenen
koeienhandel vanuit Zwolle
Siem van der Weerd 140
Een zeppelin boven de Zwolse
binnenstad JeanineOtten 150
De Hottinger-kaart van Zwolle
en omgeving (1783) Herman Versfeit 152
Thomas a Kempis Ton Hendrikman 156
‘Een club der vrijage van
de goede standen’, 100 jaar ZMHC
Willem van der Veen 164
Boeken 166
Mededelingen 169
Auteurs 170
Omslag: Zondagmorgen 13 oktober 1929 8.20 uur;
ondanks het vroege tijdstip zijn vele Zwollenaren op
de Grote Markt ooggetuige van de zeppelin boven de
stad. (Foto SMZ)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dijk, van alle markten thuis
Honderd jaar internationale paarden- en koeienhandel
vanuit Zwolle
Siem van der Weerd
Fragment uit het voorwoord
van de memoires
van de toen bijna tachtigjarige
Jacob Dijk,
1971: ‘Er zullen altijd
wel mensen zijn die veel
meer hebben beleefd,
maar dus altijd baas
boven baas. Het gaat
dus alleen om mijn
eigen belevenis van deze
jaren. De schrijver, J.
Dijk.'(CollectieDijk)
Eeuwenlang was Zwolle een belangrijk handelscentrum
voor grootvee. De rundvee- en
paardenmarkten van de stad behoorden tot
de belangrijkste van het land. Paardenmarkten
werden altijd op de laatste donderdag van de
maand gehouden. Veel meer nog dan op de vrijdagse
veemarkt kwamen de paarden en de handelaren
van ver. Tot de bekende handelaren behoorde
vanaf 1875 de familie Dijk. Op grote schaal handelde
deze familie gedurende tientallen jaren vanuit
Zwolle op internationaal niveau in paarden.
De mechanisatie in de landbouw verdrong de
paarden. Omstreeks 1960 kwam er vrijwel een
eind aan de paardenfokkerij voor landbouwgebruik
en waren de hoogtijdagen van de paardenhandel
voorbij.
De familie Dijk is al meer dan een eeuw gevestigd
aan het begin van de Meppelerstraatweg, naast de
Algemene Begraafplaats. Jan Egbert Dijk (1920),
bij boeren en paardenliefhebbers in de regio
bekend als de ‘jonge Jan’, nam nog volop deel aan
de paardenhandel en herinnert zich tal van feiten.
De oudere familie- en bedrijfsgeschiedenis is
gelukkig ook bewaard gebleven. Oom Jacob, één
van de vroegere firmanten, schreef in 1971, op bijna
tachtigjarige leeftijd zijn herinneringen op. Met
een schrift van zeventig bladzijden vol herinneringen
liet hij een rijke bron aan feiten en anekdotes
na. Talrijke familiefoto’s en krantenartikelen helpen
mee de verhalen tot leven te wekken. In die
krantenartikelen werd meestal geschreven over
hun bekende hengstenhouderij of over hun grote
vakkennis op het gebied van paardenkeuringen en
jureringen tijdens concoursen. De paardenhandel
echter, de financiële basis van het bedrijf, kreeg tot
nu toe veel minder aandacht.
Goed voorbereid
Jan Egbert Dijk jr. vertelde voor dit artikel wat hij
nog wist over de afgelopen zestig jaar. Zijn vader
Egbert (1891) en diens broer Jacob (1892) stamden
uit een familie van boeren en handelaren in Dieze.
Zijn overgrootvader, Egbert uit 1842, had altijd al
veel paarden voor de handel op voorraad. Zijn
grootvader Jan Egbert sr. (1867) scheen voor de
handel geboren te zijn. Deze besefte al snel dat zijn
zonen, Egbert en Jacob, naast het rijden met de
bokkenwagen en het voetballen met een opgepompte
varkensblaas ook moesten worden voor-
£-•* f
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
bereid op de boerderij en de handel. Met de
knechten trokken de twee jongens er al vroeg met
paard en wagen op uit om mee te helpen bij het
hooien of het uitspreiden van de mest. Moeder
Hendrikien Dijk-Jans hield van orde en aanpakken
en had oog voor anderen. Ze zorgde dat er op
donderdag enkele vierduiten in de vensterbank
lagen voor de langskomende bedelaars.
Meestal brachten de dienstmeisjes de melk van
de boerderij naar de klanten in de stad. Soms, als
ze ‘aan het spinnen waren’, vrijaf hadden, moesten
de broers de melk rondbrengen. Ze werden
ook wel eens op pad gestuurd om overtollige melk
te verkopen. Dat kon op de Grote Markt voor de
Harmonie, waar vooral schippers de afnemers
waren. Voor een mengel (1 liter) betaalde je acht
cent, een oord (halve liter) was ook mogelijk.
Als veel koeien in een zelfde periode hadden
gekalfd, was er veel meer melk dan de vaste klantenkring
vroeg. Melk van pas afgekalfde koeien
bevat weinig vet en werd door de klant als waterig
beoordeeld. Als Egbert en Jacob de melk in de
buurt wilden verkopen, kregen ze aan de deur
soms te horen: ‘We schrobben vandaag niet.’
Binnen het netwerk van handelscontacten dat
hun vader Jan Egbert vóór 1900 had opgebouwd
kwamen ook veel buitenlanders voor. Dat was de
aanleiding voor Jan Egbert zijn zonen talen te
laten leren. Egbert en Jacob werden naar de Franse
school van meester Brouwer aan het Grote Kerkplein
gestuurd. Egbert ging in april 1906 naar een
kostschool in Boskoop om Duits en Engels te
leren. Hij bleef daar bijna twee jaar. In Boskoop
studeerden ook veel kinderen van buitenlandse
handelaren.
Jacob volgde na de Franse school lessen aan
het instituut Loman aan de Emmawijk 1. Onderweg
moest hij vaak met de schooltas op de rug nog
enkele koeien of een paard meenemen naar de
markt of afleveren aan de Veelading aan de Willemsvaart.
Het Veeladingcomplex naast het
spoorlijntje naar Kampen bestond uit een laadperron
en een grote veestalling.
Later werden de beide broers naar België
gestuurd om het Frans nog vlotter te leren spreken.
Egbert ging naar Visé en Jacob werd als
volontair geplaatst bij een bekende, de joodse vee-
Jan Egbert Dijk, 1867 –
1941. De vader van
Egbert (1891) en Jacob
(1892). (Collectie Dijk)
handelaar Jacques Samuël aan de Rue des Paradis
in Luik. Eens per veertien dagen kocht Samuël
zo’n dertig koeien in Zwolle. Jacob moest ze dan
in Luik melken. Afgemolken koeien gingen terug
naar Zwolle voor de slacht. De handel naar België
nam flink toe.
In 1908 kocht vader Jan Egbert in opdracht van
Mornard Relinne honderden koeien in Zwolle en
Leeuwarden. Per stuk verdiende hij dan 10 gulden.
De hengst Patriarch
wordt getoond achter de
boerderij aan de Meppelerstraatweg.
Op de
achtergrond is de marechausseekazerne
zichtbaar
en de achterkant
van de huizen aan de
Jupiterstraat. De foto is
genomen omstreeks
1950. (Collectie Dijk)
142 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De nieuwe stal uit 1905,
met uitstekend paardenhoofd
en de uitgebeitelde
woorden ‘ƒ.
Dijk’ en ‘Luxe paarden’.
Deze stal is nu
verbouwd tot woning
van de familie].E. Dijk.
Rechts naast de stal lag
de een jaar later
gebouwde villa, zie ook
de rubriek ‘Groeten uit
Zwolle. (CollectieDijk)
Jacob mocht vervolgens in 1909 met zijn vader
mee naar de Cinquantenaire, de markthallen in
Brussel, om Belgische trekpaarden te kopen.
Omstreeks 1910, toen de broers tegen de twintig
waren, hadden ze een stevige theoretische en
praktische opleiding achter de rug. Jacob schreef
openhartig: ‘Wij zijn vader wel dankbaar dat hij
ons zo heeft laten leren.’
Op de markt
In die tijd werden vanuit de boerderij aan de Meppelerstraatweg
al veel paarden verhandeld, maar
niet alle paarden vonden een nieuwe eigenaar. De
overgebleven exemplaren gingen naar tientallen
markten en jaarmarkten. Extra treinen reden op
marktdag vanaf de Veelading aan de Willemsvaart
naar Leeuwarden, Utrecht, Gorinchem of Haarlem.
Na aankomst op het station maakten vader
en zoons Dijk vaak gebruik van het gereedstaande
hotelrijtuig, een service die de betere hotels hun
gasten boden. De paardenknechts brachten de
paarden te voet naar de markt. Vanaf station
Leeuwarden naar de markt in Kollum was dat nog
zeker enige uren lopen.
Iedere maand werd aan de Zwolse Brink en
Diezerkade paardenmarkt gehouden. Het in stap
en draf laten zien van de paarden, het ‘monsteren’,
gebeurde op de Rhijnvis Feithlaan of op het Diezerplein.
De boeren verkochten daar vaak hun
afgerichte paarden en keerden huiswaarts met een
jong nog niet beleerd paard.
In Utrecht deed vader Jan Egbert altijd veel
zaken met Worms, een handelaar uit Colmar in
Elzas-Lotharingen. In Rotterdam had Dijk een
vaste klantenkring in het havengebied. Vele
‘petroleumpaarden’, werkzaam op de olieraffinaderijen,
werden door Dijk geleverd.
Dijk haalde veel paarden uit de omgeving van
Aurich en Oldenburg, omdat die in Noord-Oost
Nederland erg op prijs werden gesteld. Honderden
hengsten uit dit gebied vonden via Dijk een
nieuwe eigenaar, hij exporteerde zelfs naar Amerika.
Regelmatig ging hij naar Duitsland om
geschikte dekhengsten te zoeken voor het dekstation
in Zwolle. In de tijd dat Dijk nog geen telefoon
had maar wel regelmatig telegrammen moest
beantwoorden, gebruikte hij de telefoon van grutter
Bartels uit de Vechtstraat. Ook vanuit het buiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
tenland belde vader Jan Egbert naar Bartels, exact
om zeven uur ’s avonds, omdat er dan één van zijn
zoons aanwezig was.
Paarden voor de strijd
Vanaf 1913 kocht Dijk geen paarden meer in het
buitenland, maar kochten de Duitsers en de Fransen
paarden in ons land. Het was een voorbode
van de wereldoorlog. De grote legers werden op
‘paardensterkte’ gebracht. Hoewel Nederland buiten
de oorlog bleef, vorderde de overheid wel veel
paarden voor de mobilisatie. Boeren en paardenfokkers
moesten paarden en stallen afstaan voor
het leger. Militairen namen ook bij Dijk de paardenstal,
de zolders en het koetshuis in beslag. Jan
Egbert Dijk sr. en de bekende Zwolse stalhouder
Zwartjens kregen de taak de gevorderde paarden
uit Zwolle en omgeving op de Turfmarkt te taxeren.
Nu was het Rijk altijd al een belangrijke afnemer
van paarden van Dijk geweest. De firma leverde
veel paarden aan de marechaussee van de
kazernes in Zwolle, Leeuwarden en Arnhem.
Soms kwamen de jonge marechaussees uit Zwolle
met de trenzen (de hoofdstellen) en al naar de
stallen om een paard van hun keuze uit te zoeken,
ongeveer zoals jonge ICT-managers bij de dealer
hun lease-auto ophalen. Tijdens de diensttijd
bereed men zijn ‘eigen’ paard. Dijk wees iedereen
al in de stal ‘zijn’ paard toe, waarop de jonge
De broers Jacob (links)
en Egbert (rechts) Dijk
in 1910. De broers
scheelden net geen jaar,
Egbert werd op 22
november 1891 geboren,
Jacob op 21 november
1892. In december 1893
kregen ze nog een zusje,
Hendrika Frederika.
Jacob schreef in 1971 zijn
memoires, Egbert is de
vader van Jan Egbert
Dijk, de ‘jonge Jan’.
(Collectie Dijk)
De Veelading aan de
Weerallee, 1921. Het
Veeladingcomplex
bevond zich naast het
spoorlijntje naar Kampen
en bestond uit een
laadperron en een grote
veestalling. (Foto Eelsingh,
collectie G. de
Weger)
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een pasje van Egbert
Dijk voor de nationale
en internationale landbouwtentoonstelling
in
Den Haag van de
‘Koninklijke Nederlandsche
Landbouwvereeniging’
in 1913. (Collectie
Dijk)
Koninklijke Nederig Landbouwvereenïgïno.
Nat. in Intern. Lplbouwtentoonstelliiig
g.—15 Se?t. 1913.
Handteekemng
DOORLOOPEND BEWIJS V A N 4 H 5 A N G VOOR
J
bediende van
?..JLi6…Z..
£07
De Secretaris derl(. N. L.
V. R. Y. CKOESEN.
knaap dan ook trots terug reed naar de kazerne.
Het africhten van de paarden voor marechausseedienst
gebeurde in de Konijnenbelten in Westenholte.
Rijksveearts dr. Lubberink en overste Wijnand
deden de geneeskundige keuring en de aankopen.
L
De boer deugde dus ook niet
Toen Dijk eens rond 1920 zeer vroeg in de ochtend op de fiets richting Veelading
reed om te controleren of de treinwagons gereed stonden, hoorde hij een
paard draven op de Beestenmarkt, nu de Harm Smeengekade. Het bleek een
best Belgisch paard te zijn, begeleid door twee mensen op de fiets. De mannen
wilden het paard wel verkopen. Dijk kocht het paard voor 575 gulden, een veel
te lage prijs. Er zat iets niet pluis. Het paard werd ondergebracht in één van de
veestallen aan de Harm Smeengekade en Dijk riep stiekem de politie. Terwijl
de mannen bij hem aandrongen op betalen arriveerden de agenten en werden
de heren ingerekend. De echte eigenaar van het paard vond later in de veestal
zijn paard terug en beloofde Dijk eerste recht van koop. Later verkocht hij het
paard toch aan een ander voor 1400 gulden. De boer deugde dus ook niet.
Later werden de aankopen door het Rijk centraal
geregeld. Militairen van de remontecommissie
zorgden er voor dat het leger steeds over voldoende
paarden beschikte. De paarden, ‘remonten’,
moesten geleverd worden aan een paar leveringsplaatsen,
zoals Culemborg. Meestal reisde de
remontecommissie langs de handelaren om te kijken
wie hoeveel paarden mocht leveren. De eindkeuring
vond dan plaats in Culemborg. Op een
keer moest Dijk daar twaalf zwarte paarden laten
keuren. Hij verscheen echter met dertien paarden,
twaalf zwarte en een donkerbruine. Bij de keuring
op verrichtingen en gebreken werd het bruine
paard om zijn kleur geweigerd. Dit paard wilde
niet aangespannen worden en moest dus als ruiterpaard
verkocht worden. Als dat niet zou lukken
betekende dat een flinke verliespost. Het legeronderdeel
van de marechaussee gebruikte geen menpaarden,
maar alleen rijpaarden. Het paard liet
zich bij het voordraven van z’n beste kant zien en
Egbert duidde de remontecommissie dat hij juist
dit paard had meegenomen omdat hij het zo’n
typisch ‘marechausseepaard’ vond. Na een week
beraad was ook nummer dertien verkocht en had
Dijk een zorg minder.
Midden onder de Eerste Wereldoorlog, in
1916, kondigde een Duitse tussenpersoon aan dat
op zekere dag bij de Veelading paarden voor uitvoer
naar Duitsland aangeboden konden worden.
De Duitse tussenhandelaren die de paarden moesten
kopen waren echter al een dag eerder gearriveerd.
Jan Egbert Dijk nodigde ze prompt bij hem
thuis uit en liet ze 77 paarden zien. De inkopers
vonden er 75 goed genoeg voor export naar Duitsland.
De volgende dag kon Dijk fluitend naar de
Veelading. Jacob herinnert zich dat het hem ‘duizelde’
toen hij de cheque kreeg van 75 keer 1325
gulden, samen bijna een ton. De twee overgebleven
paarden werden voor een zacht prijsje verloot
onder de aanwezige boeren.
Het vredesjaar
Vanaf 1918 handelden de broers Egbert en Jacob
ook voor eigen rekening, buiten hun vader om.
Een eerste zorg na de oorlogstijd was het te gelde
maken van alle Duitse marken die ze nog in hun
bezit hadden. Omwisselen bij de bank betekende
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 145
verlies lijden, er iets voor kopen was dus het beste.
Nadat de broers een importvergunning hadden
bemachtigd, kochten ze enkele dure Duitse hengsten.
Omdat Nederland buiten de oorlog was gebleven,
was hier de veestapel nog redelijk op peil.
Veel Belgische vluchtelingen probeerden bij
terugkeer naar hun land met koeien van hier hun
uitgedunde veestapel weer aan te vullen. Direct na
de oorlog probeerde Dijk voor terugkerende Belgen
ongeveer 200 ‘vluchtelingenkoeien’ naar België
te exporteren. Een kleine proefzending koeien
liep bij Maastricht in de fuik en werd door de Belgische
douane in beslag genomen. Tot overmaat
van ramp brak onder de koeien ook nog mond- en
klauwzeer uit. Hoewel de rest van de zending bijtijds
terug naar Zwolle werd gedirigeerd, kostte
deze exportpoging veel geld.
Interbellum
Omstreeks 1920 kwam de paardenhandel naar
Duitsland weer op gang, omdat de politieke situatie
verbeterde. De vraag naar paarden was
enorm, omdat duizenden paarden tijdens de oorlog
waren gedood. Van vrije invoer was voorlopig
geen sprake zolang Duitsland bezet gebied bleef.
Toch leverde Dijk in deze periode vele honderden
paarden. Om voldoende verkoopvoorraad te hebben
moesten overal in Nederland paarden worden
aangekocht. Dijk plaatste in een krant op Texel
een advertentie met de mededeling dat de firma
op marktdag paarden wenste aan te kopen. Het
werd een succesvolle dag en met 21 paarden stak
men ’s avonds over naar Den Helder.
Na enige tijd echter stagneerde de handel met
Duitsland opnieuw. Per paard moesten 500 marken
invoerrechten worden neergeteld en dat was
te veel om nog winst te maken. De export viel weg,
maar de politieke situatie bleef voor 1930 in Duitsland
redelijk stabiel. Dijk probeerde voortdurend
nieuwe handelsterreinen te vinden. Zo leverde de
firma toch nog tientallen paarden aan Duitse bierbrouwerijen.
In Neu-Brandenburg kocht Dijk
merries voor verkoop in Nederland. Vanuit Brandenburg
vervoerde hij ook paarden en kalveren
per trein naar Tsjechië of Slowakije. Bij een dergelijk
lang transport ging een kleine verzameling
List en Bedrog
Niet altijd zat het goed met de centen. Aan huis werden
eens twee beste paarden voor een stevige prijs
verkocht aan een dame uit Rotterdam. De levering
zou ook in Rotterdam plaatsvinden. Na de koop
werd keurig een cheque uitgeschreven. Maar toen
Jacob net voor de aflevering in Rotterdam toch nog
even informeerde naar de kredietwaardigheid van de
dame, kreeg hij argwaan. Hij besloot alsnog contant
geld te vragen. Zijn handelsinstinct bedroog hem
niet, de dame bleek inderdaad geen cent te bezitten.
Is dat niet mijn koe?
Op weg naar zijn stamcafé kwam Jacob op een zaterdagavond eens een man
tegen die een koe begeleidde. De man was onderweg naar de nachtboot op
Amsterdam. Omdat Dijk vermoedde dat het een koe van hemzelf was, sommeerde
hij de man de koe af te staan. Verschrikt liet deze de koe los en rende
weg. Na enig zoeken werd de dief ontdekt in een heg, maar opnieuw volgde
een vluchtpoging. Verscholen in een greppel van een twijgwaard, met een
groot mes op zak, werd hij even later aangehouden.
Jan EgbertDijk, de ‘jonge
Jan’, geb. 1920, met
een paard op de Grote
Markt op weg naar
waarschijnlijk de Veelading
of de Veemarkt,
eindjaren dertig. Op de
achtergrond het pand
hoek Grote Markt I
Oude Vismarkt, waar
nu ‘HetNotenwinkeltje’
is gevestigd. (Collectie
Dijk)
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het ouderlijk huis van
Jacob en EgbertDijk, de
boerderij aan de Meppelerstraatweg.
Op de
voorgrond staan Egbert
en zijn echtgenote,
Annechien Jantina
Keijer (geb. 1891).
Egbert en Annechien
trouwden in 191/, de
foto moet omstreeks die
tijd genomen zijn.
Linksonder is het begin
van wat nu de Hogenkampsweg
is, zichtbaar.
Links naast de boerderij,
aan de andere kant
van deze voorloper van
de Hogenkampsweg,
lagen de nieuwe villa en
stal van de familie.
(Collectie Dijk)
Jan EgbertDijk (geb.
1920) in 1924 met zijn
moeder A.]. Dijk-Keijer
en zusje Betsy (geb.
1918) voor de deuren
van de dekstal. (Collectie
Dijk)
geneesmiddelen en hulpmiddelen voor het vee
mee. Indien zich onderweg een tepelbeschadiging
voordeed, beschikte men over melknaalden en
melkbotjes om toch de uiers te kunnen legen.
Crisistijd
‘Toen kwamen de slechte jaren’, zo beschreef
Jacob in zijn herinneringen de periode vanaf 1930.
Overproductie van vee en een neergaande economie
waren de kenmerken van de jaren tot aan de
Tweede Wereldoorlog. Het was zelfs zo dat als
drachtig vee werd gedood er slachtpremies konden
worden opgestreken. Handel met Duitsland,
die voor Dijk van groot belang was, kon alleen nog
als ruilhandel doorgaan. Voor alles was een vergunning
nodig. Wie niet over durf en financiële
reserves beschikte, viel af want de betalingen vonden
pas na enige weken plaats. Dijk exporteerde
nog wel via het Belgisch paardenstamboek naar
Duitsland. De paarden kocht hij dan rond
Dedemsvaart, waar de boeren veel Belgische paarden
gebruikten.
Eens kon Dijk samen met een collega uit
Brummen 64 kleine ‘Belgen’ leveren voor de keukenwagens
van het Nederlandse leger. Dat was
echter moeilijker dan gedacht, want ze konden er
maar 59 vinden. En de vraag van het leger werd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
nog groter, ook omdat een andere collega eveneens
te weinig paarden kon leveren. Dankzij de
‘jodenman Lazerus’ uit Winschoten kon Dijk toch
nog twaalf paarden bijkopen.
Vanaf de voormobilisatie in 1939 kocht het
leger veel paarden en vanaf de algemene mobilisatie
in augustus had de krijgsmacht nog veel meer
paarden nodig. Jacob Dijk kreeg de opdracht de
vorderingscommandant in Meppel te helpen en
moest proberen in één dag een trein vol paarden
naar Den Haag te sturen. De burgemeester van
Meppel zorgde voor de betaling van de 180 paarden.
Jacob werd treincommandant en kreeg vijftien
helpers mee. De bekende Zwolse paardenman
Huib Dubbeldam, die toen in Den Haag wachtmeester
was, kwam de paarden met soldaten afhalen.
Luit de Jonge, een andere bekende Zwollenaar
die in Den Haag bij een exportbureau voor vee
werkte, regelde de terugreis voor de begeleiders.
Toch ging in dat jaar ook de gewone handel
door. Zo had een Italiaanse graaf die bij Van Gijtenbeek
aan het Stationsplein logeerde, gehoord
van de exportactiviteiten van Dijk. Hij kwam
langs en in het Frans werd onderhandeld. De graaf
kocht veertig koeien, die Egbert naar Italië bracht.
De zoon van Egbert, Jan Egbert jr. die toen
negentien jaar oud was, deed ook ervaring op in
het buitenland. Hij bracht paarden naar Parijs
voor koning Faroek van Egypte. De voorkeur van
de koning ging uit naar bruine ruinen met weinig
Monstering
Het in een korte tijd aankopen van grote aantallen
paarden voor de export was een omvangrijk
en intensief gebeuren. Tal van boeren werden
bezocht en de afspraken verschilden per aankoop.
De joodse veehandelaarEduard Keizer, die in het
begin van de vorige eeuw aan de Emmawijk 11
woonde, voerde het systeem van monstering in.
Het vond veel navolging. Bij een monstering werd
in een advertentie een oproep gedaan paarden
van een bepaalde soort en leeftijd op een aangegeven
plaats te laten zien. Zo werd op initiatief van
de handelaar een kleine markt gecreëerd, een plek
waar vraag en aanbod elkaar ontmoetten. In de
regio Zwolle was dat vaak de ‘Toerist’ in Berkum
of ‘Waanders’ in Staphorst. Het monsteren, het
laten voordraven van de paarden, vond dan daar
plaats. Met de eigenaar van het paard kwam men
daarna al dan niet tot aankoop.
Een export collectie voor
Spanje staat opgesteld
op de monsterbaan achter
het bedrijf.
Omstreeks 1938. (Collectie
Dijk)
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negen bruine ruinen
bestemd voor koning
Faroek van Egypte.
Klaar om naar Parijs
getransporteerd te worden,
1939. Links vooraan
staat Jacob Dijk.
(Collectie Dijk)
wit. Jan Egbert jr. kende Parijs, waar hij talen had
gestudeerd. Zijn middelbare-schooltijd had hij
doorgebracht aan de Handelsschool in het Refter.
Opnieuw oorlog
In 1939 moesten alle paarden in het gebied van de
waterlinie, tussen Muiden en de Biesbosch, worden
getaxeerd. Jacob Dijk was een van de taxateurs.
Van onder water zetten kwam in de meidagen
van 1940 echter niets, schrijft Jacob: ‘De Duitsers
vlogen er toch over heen.’
Over de oorlog wordt in zijn memoires nauwelijks
geschreven. Met allerlei baantjes werd de
tijd gevuld en taxaties waren aan de orde van de
dag. De boerderij zorgde nog enigszins voor een
vaste bron van inkomsten.
In die oorlogsjaren werd de Noordoostpolder
drooggelegd en in cultuur gebracht. Dierenarts
Bakker uit Kampen zorgde voor de nodige paarden,
die hij als afgekeurde dekhengsten uit Limburg
haalde. De hengsten voldeden echter niet,
want ze waren niet geschikt om te werken. Omdat
Dijk de dierenarts kende kreeg hij van hoofdinspecteur
CL. van Steen van de Directie Wieringermeer
de opdracht eens tien paarden als probeersel
te leveren. Het pakte goed uit. ‘Koop maar
door’, was de vervolgopdracht. Jaren achtereen
werden vanuit Zwolle paarden in de polder ingezet.
Uiteindelijk leverde Dijk er wel 900. Afgerekend
werd steeds in het tegenwoordige Flevogebouw
aan de Menno van Coehoornsingel.
De boerderij aan de
Meppelerstraatweg eind
jaren dertig. Op de
voorgrond is nog een
stukje rails te zien van
de tram naar Dedemsvaart.
In deze tijd
bewoonde Jacob de
boerderij en Egbert de er
links naastgelegen ‘villa’,
waarvan nog een
stukje te zien is. De
boerderij werd rond
1960 gesloopt om plaats
te maken voor de
Hogenkampsweg. (Collectie
Dijk)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149
Hofleverancier
Na de oorlog kocht Dijk tientallen jaren lang paarden
voor het Koninklijk Staldepartement. De stalmeester
van 1946 tot 1980, W.F.K. Bishoff van
Heemskerck, was een graag geziene gast van de
familie. Het viel soms niet mee om aan de vereiste
maatvoering en spanvorming te voldoen, zeker
omdat ook aan de betrouwbaarheid niet getornd
mocht worden en de paarden geen opzichtige
kleur mochten hebben. Vanwege de goede relatie
tussen Dijk en het Staldepartement vond in de
jaren vijftig in het Gemeentelijk Sportpark aan de
Ceintuurbaan een demonstratie plaats van koetsen
en paarden van het Koninklijk Huis. Toen
werd er ook gereden met de beroemde ‘crème
calèche’, die was bespannen met vier paarden.
PK’s versus paardenkracht
De verkoop van grote aantallen paarden ging tot
ver na de oorlog door. Zo werden eens meer dan
duizend paarden naar Italië geleverd, een gebeurtenis
die ook in de pers veel aandacht trok. Maar
Dijk leverde ook dichter bij huis. De grutters Bartels
uit de Vechtstraat en Marsman aan de Thorbeckegracht,
de slepers Lenderink en De Munnik,
de biscuitfabriek van Helder uit de Kamperpoort,
de zeepfabriek van Broek aan het Broerenkerkplein
en de oliefabriek van Reinders, zij allen vervoerden
met paarden die door de handslag van
Dijk waren gekocht. Reinders hield de plaatselijke
besteldienst met paard en wagen zelfs in stand tot
1962, het jaar dat koetsier Jochem de Velde Harsenhorst
met pensioen ging.
Maar de komst van de tractor was niet meer te
stuiten. De paarden legden het af tegen de vele
pk’s van de McCormick of de Fordson. De edele
viervoeters mochten nog een tijdje op de boerderij
blijven, maar werden niet meer ingezet op het
land. In de jaren zestig verdwenen de paarden van
het boerenerf. Het merendeel ging naar de slacht.
In de nadagen van het paard was het vooral de
jonge Jan Egbert die nog in paarden handelde.
Zijn vader Egbert en oom Jacob waren intussen de
zeventig gepasseerd en hadden afstand genomen
van het bedrijf. De boerderij op de noordelijke
hoek van de Hogenkampsweg en de Meppelerstraatweg
was inmiddels ingeklemd door de nieu-
Inladen voor Italië. De
gebroeders Rivolta, met
bontkraag, paardenhandelaren
uit Milaan
aan wie meer dan 1000
paarden geleverd werden,
zijn ook aanwezig.
Eindjaren veertig.
(Collectie Dijk)
we huizen van Dieze-Oost. Toch bleef er handel in
paarden. Vooral de opkomende ruitersport deed
de animo voor paarden weer toenemen. Op
bescheiden schaal speelde Dijk daarin tot 1990 een
rol.
De stal aan de Meppelerstraatweg uit 1905 is
voor de familie Dijk verbouwd tot geriefelijke
woning. Hoog in de gevel steekt een paardenhoofd
uit de muur, met aan weerszijden de onlosmakelijk
met elkaar verbonden begrippen ‘J-Dijk’
en ‘luxe paarden’.
Een aanspanning van Reinders Oliefabrieken omstreeks 1930. Op de bok zit links
de bekende koetsier Jochem de Velde Harsenhorst. De wagen heet de Aloë en
behoorde bij de gelijknamige fabriek van Reinders. Op de wagen liggen lijnoliekoeken,
een restproduct van de olieproductie en uitstekend geschikt als veevoer.
Op de achtergrond staat de Rode Molen uit 1724, die in 1934 werd gesloopt om
plaats te maken voor de Ceintuurbaan. Rechts is nog net iets van de Passiebloem
te zien. (Collectie van Dijk)
150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een zeppelin boven de Zwolse binnenstad
Jeanine Otten Nadat de Zwolse Courant al dagen tevoren
over de mogelijke route van de Graf Zeppelin
boven Nederland had bericht, verscheen
op zondagmorgen 13 oktober 1929 om tien
voor half negen het luchtschip boven Zwolle. Het
was de vorige dag 12 oktober om kwart over elf
’s avonds vertrokken uit het Duitse Friedrichshafen,
waar de zeppelins gebouwd werden, met
aan boord een journalist van de Zwolse Courant.
Zijn verslag van de reis is paginagroot vier kolommen
breed te lezen in de Zwolse Courant van
maandag 14 oktober 1929.
Na een tocht over Delfzijl (6.52 uur), Groningen
(7.15 uur), Meppel, Staphorst (8.10 uur),
Zwolle (8.20 uur), Olst (8.35 uur), Deventer (8.38
uur), Apeldoorn met een ererondje en revérence
boven Paleis het Loo (8.50 uur), Den Bosch (9.50
uur), Waalhaven, Dordrecht, Rotterdam, Delft,
Den Haag, Scheveningen, Leiden, Sassenheim,
Haarlem, Amsterdam (waar boven Schiphol een
postzak werd uitgeworpen), Utrecht, Doorn, Nijmegen,
Beek (12.50 uur) en een sprookjesachtige
reis over de Rijn was de Graf Zeppelin om zeven
uur ’s avonds weer terug in Friedrichshafen. De
tocht boven Nederland had precies zes uur en tien
minuten geduurd. De belangstelling op de grond
was overweldigend. Overal dromden mensenmassa’s
samen op pleinen en markten.
In de krant van 14 oktober 1929 is een ooggetuigenverslag
opgenomen over de Graf Zeppelin
boven Zwolle. Hieronder volgt de letterlijke tekst
(in de oude spelling):
‘Zwolle, “Graf Zeppelin” boven de stad
In den vroegen Zondagmorgen
Het prachtige weer maakte het vroeg opstaan gisterochtend
niet al te moeilijk en wie omstreeks
zeven uur naar buiten wandelde zag zijn moeite
beloond door een kostelijk uitzicht over de velden
in morgennevels onder de blauwe lucht. De meeste
stadsgenooten verwachtten het luchtschip nog
lang niet, ofschoon het vertrek op een vervroegd
uur hen had kunnen waarschuwen. De verwachting
dat het om negen uur zou komen, was gebaseerd
op het eerst aangekondigde vertrek
omstreeks half twaalf. Maar Zaterdagavond werd
nog door den omroep bericht, dat het luchtschip
om kwart voor elf was vertrokken en zoo kon het
ook zooveel eerder hier zijn.
Berichten omtrent den loop der reis bleven uit
en eerst omstreeks acht uur werd hier en daar verteld,
dat de “Graf Zeppelin” te Steenwijk was
gezien. Toen hoorden wij sinds eenigen tijd al
waar wij stonden een ver verwijderd dof gebrom,
dat uit het Noorden scheen te komen.
In zicht
Opeens wees iemand een blanke ronde vlek aan,
als een wolkje met een kern, die zichtbaar werd
boven de verre gebouwen en boomen, en weldra
was er geen twijfel meer aan, het was het naderende
luchtschip. Het bleek te komen uit de richting
van Meppel en Zuidwaarts te koersen, werd grooter
en duidelijker, totdat het eenigszins van richting
veranderde en meer Westwaarts stevende. De
scheepswand blonk helder in het zonlicht, de
voorsteven schitterde als metaal, de gondels werden
zichtbaar.
In allerijl waarschuwden nu de uitkijkers hun
thuisgebleven huisgenooten en grappige tooneeltjes
speelden zich af op balcons en in tuinen, waar
velen zich nu kwamen vertoonen in nachtgewaad,
aangevuld met haastig aangetrokken jassen enz.
Anderen vonden geen gelegenheid meer om zich
te kleeden en bleven uit bed kijken als dit mogelijk
was.
Zoo kwam het, dat op de straten en buitenwegen
weinig mensen bijeen waren, maar dat het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151
luchtschip toch door iedereen is gezien. Het voer
hoog, statig nader, naar het scheen op halve
kracht. Tenminste was het motorgebrom niet
sterk en de vaart betrekkelijk gering.
Boven Zwolle
Na zijn koers gewijzigd te hebben, is de “Graf Zeppelin”
dwars over de stad gekomen, zeker op een
paar honderd meter hoogte, van Oost naar West,
over het Noordelijk deel, ongeveer boven de
Thorbeckegracht langs. Het was toen ongeveer
kwart na acht. Hij voer vrij ver Noordelijk langs de
Peperbus, waar de vlag was uitgestoken, over de
nieuwe stadswijk in het Westen [Schildersbuurt],
iets ten Noorden daarvan, boog daarna weer om
naar het Zuiden, werd boven het Engelsche werk
gezien en voer zeer snel langs de IJssel, ver links
van het torentje van Hasselt zuidwaarts.
Het is een onvergetelijk gezicht geweest, zooals
het gevaarte rustig en met kalme vaart voorbijging,
blinkend grijs, de motorgondels en de kajuit
met groote ramen. Het was niet mogelijk menschen
op te merken. Wel werd beneden hangend
de Duitsche handelsvlag zwart wit rood gezien en
duidelijk was in roode letters de naam Graf Zeppelin
te lezen, evenals in zwart de letters en het
nummer van het luchtschip. Op het oogenblik,
dat het passeerde, begonnen de locomotieven op
het emplacement de begroeting met de stoomfluit,
welke aan boord ook gehoord is, zooals men
elders in dit nummer kan lezen. Overal zag men
kijkers met foto-toestellen in de weer en menige
mooie opname werd gemaakt.
Zoo langzaam voer het grootsche luchtvaartuig,
dat velen trachtten mee te loopen om het te
zien verder gaan. Eenmaal over de Willemsvaart
echter ontwikkelde het dadelijk weer een groote
snelheid, zoodat men het nog alleen kon zien verdwijnen
aan den Zuidelijken hemel, waar het nog
lang zichtbaar bleef.
Natuurlijk was het luchtschip het gesprek van
den heelen verderen dag. “Heb je hem gezien?”
was de inleiding van elk gesprek en ieder had hem
nog weer mooier gezien dan de vorige. Daarover
echter is wel iedereen het eens, dat alles heeft meegewerkt
om ons dezen Zondagmorgen iets onvergetelijks
te doen zien.’
De Zwolse Courant wordt bewaard in het Historisch
Centrum Overijssel. Het oudste exemplaar
dateert uit 1791. Om de kranten tegen schade door
raadplegen te beschermen, zijn ze op microfilm gezet.
Iedereen kan gratis in het Historisch Centrum
Overijssel de kranten op een speciale reader-printer
lezen. Een fotokopie van een pagina kost € 0.57.
Het Historisch Centrum Overijssel is gevestigd aan
de Eikenstraat 20 te Zwolle. De toegang is gratis.
Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 9-17 uur.
Tel. 038 4266300, e-mail: info@hcov.nl, website:
http://www.historischcentrumoverijssel.nl
Zondagmorgen 13 oktober
1929 8.20 uur;
ondanks het vroege tijdstip
zijn vele Zwollenaren
op de Grote Markt
ooggetuige van de zeppelin
boven de stad.
(Foto SMZ)
152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Hottinger-kaart van Zwolle en omgeving
(1783)
Herman Versfeit Ruim tweehonderd jaar geleden hebben militaire
ingenieurs de streek rond Zwolle en
andere delen van Overijssel in kaart
gebracht. De door hen vervaardigde kaarten, die
lang verborgen hebben gelegen in de voor buitenstaanders
niet toegankelijke militaire archieven,
zijn in vrijwel alle gevallen de oudste betrouwbare
en gedetailleerde kaarten van het gekarteerde
gebied. Zij maken deel uit van de ‘Atlas Topographique
van het frontier des IJssels, Wedde en Westerwoldingerland’.
Deze als de ‘Hottinger-atlas’
bekend staande verzameling van 112 handschriftkaarten
van Noord- en Oost-Nederland, vervaardigd
tussen 1773 en 1792, berust in het Nationaal
Archief te Den Haag. Van deze kaartenserie hebben
64 geheel of gedeeltelijk betrekking op Overijssel.
Een van de kaarten geeft een fraai beeld van
Zwolle en omgeving, in het jaar 1783. In dit artikel
zal het ontstaan van de Overijsselse kaarten worden
beschreven. De kaarten uit de Hottinger-atlas
zullen in juni 2003 door de Drentse Historische
Vereniging als atlas worden uitgegeven.1
Militaire kartografie
Veel van de kaarten die in het verleden van ons
land zijn vervaardigd hebben een militaire achtergrond.
Voor de legerleiding is door de eeuwen
heen een goede kennis van het gebied waarop de
strijd zich zou kunnen afspelen van groot belang
geweest. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-
1648) en de tijd daarna waren de krijgshandelingen
voornamelijk gericht op het veroveren van
vijandelijke en de verdediging van eigen vestingsteden
en schansen. Eenmaal in het bezit van dergelijke
versterkingen viel het omliggende gebied
welhaast automatisch toe aan de bezitter van de
vesting. In die tijd was er dan ook vooral behoefte
aan stadsplattegronden en tekeningen van schansen.
In de loop der tijd verschoven de krijgshandelingen
echter steeds meer in de richting van een
strijd tussen grote legereenheden te velde. Begin
negentiende eeuw, ten tijde van de Napoleontische
oorlogen, zouden dit soort veldslagen de
uitslag van de oorlogvoering zelfs vrijwel geheel
gaan bepalen. Door deze veranderingen ontstond
er bij de militairen een toenemende behoefte aan
gedetailleerde topografische terreinkaarten. In
ons land betrof dat vooral kaarten van de gebieden
die voor de verdediging van belang waren. Een
aanzienlijk deel van het grondgebied van de Republiek
werd omsloten door natuurlijke barrières,
die voor een vijandelijk leger een flinke belemmering
vormden. Van noord naar zuidwest waren
dat de moerassen in het oosten van Groningen en
Drenthe, die langs de zuidgrens van Drenthe, de
IJssel, Maas, Rijn en Waal en de Zeeuwse wateren.
Een relatief groot deel van de militaire topografische
kaarten die in het verleden werden vervaardigd
hebben daardoor op die gebieden betrekking.
Ook andere grensgebieden, zoals het oosten
van Overijssel en Gelderland, waren als mogelijk
strijdtoneel van militair belang en werden dus
gekarteerd.
De kartering van de rivieren
Zoals hiervoor genoemd, hebben de IJssel en
delen van de Rijn en de Waal vroeger een belangrijke
rol gespeeld in de verdediging van ons land
tegen aanvallen vanuit het oosten. Betrouwbare
kaarten waren voor de legerleiding dan ook van
groot belang. In juli 1773 gaf stadhouder Willem V
luitenant ingenieur Herman van Hooff opdracht
om ‘Eene Kaarte te formeeren van het terrein tusschen
Nijmegen, de Rivier de Whaal op, en de Rijn
af, over Arnhem, langs den IJssel, over Doesburg,
Zutphen, Deventer, Zwolle en Campen, tot aan
Zwarte-Sluis, met de situatie daar annex, bijzonZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153
derlijk de gefortificeerde Steeden en Forten, Rivieren,
Watergangen, Dijken en Sluijzen’.2
Van Hooff is ruim vijfjaar met het opmeten en
tekenen van de kaarten bezig geweest. Het gebied
dat hij karteerde bestond uit de rivieren en een
strook land aan weerszijden ervan. De breedte van
die strook wisselde, meestal bedroeg hij ongeveer
één uur gaans, zo’n vijf kilometer dus. In februari
1779 kon hij het resultaat van zijn arbeid, een kaart
met een omvang van maar liefst 630 x 270 centimeter,
aan de Raad van State toezenden. Drie jaar
later was ook het nette exemplaar van de kaart
gereed. Hij tekende dit met hulp van de extraordinaris
ingenieurs M.A. Snoeck en J.A. van Kesteren.
Op 26 februari 1782 overhandigde hij deze
‘Caart van een gedeelte der Whaalstroom, gedeelte
van de rivier den Rhijn en den geheelen IJsselstroom
met de situatie daar annex’ aan de Raad
van State. Zowel deze nette kaart als de eerder
genoemde brouillonkaart bevinden zich nu in het
Nationaal Archief.3
Zijn werk moet in de smaak gevallen zijn, want
de Raad gaf hem direct na ontvangst van de nette
kaart opdracht nog een tweede exemplaar te vervaardigen.
Ditmaal moesten de bladen een dusdanig
formaat hebben dat zij in een atlas konden
worden opgenomen. Zij moesten daar echter ook
weer uitgenomen kunnen worden om ze desgewenst
aaneen te kunnen voegen. Dit exemplaar
was al in oktober 1783 gereed.
De kartering van Salland
Het gebied ten oosten van de IJssel is in de loop
der eeuwen herhaaldelijk het toneel van strijd
geweest. Veel meer dan het westen van ons land
heeft het in het verleden geleden onder invallen
van vijandelijke legers, van belegeringen van vestingsteden
en van verwoestingen op het platteland.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog heeft Holland
alleen in de beginperiode te maken gehad
met Spaanse invallen. In Oost-Nederland daarentegen,
is tijdens deze oorlog tot eind twintiger
jaren van de zeventiende eeuw gevochten. Later in
die eeuw heeft het gebied ook nog twee Munsterse
en een Franse inval te verduren gehad. Voor de
verdediging van de Republiek hadden deze delen
van Overijssel en Gelderland een grote strategi-
Het in Oost-Nederland gekarteerde gebied is op dit kaartje met lichtgrijs aangegeven.
De rechte lijnen markeren de uiterste grens van de kaartbladen. De militaire
ingenieurs vervaardigden tussen 1773 en 1787 in totaal go kaarten, alle op
een schaal van honderd roeden op een Rijnlandse duim (1:14.400). De niet
gekarteerde stroken langs de Duitse grens werden in 1812 alsnog door Franse
militaire ingenieurs in kaart gebracht.
sche waarde. Betrouwbare kaarten van het gebied
waren voor de legerleiding dan ook van groot
belang.4
De Raad van State gaf daarom in 1785 de ervaren
ingenieur J.F. Wollant opdracht Salland en de
154 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Detail van de kaart met
Zwolle en omgeving. In
de nieuwe atlas zullen
de kaarten in kleur
opgenomen worden,
wat de details beter tot
hun recht doet komen.
Voor ‘ons gevoel’ moet
de kaart een kwartslag
gedraaid worden,
omdat het noorden
links ligt in plaats van
boven.
Graafschap in kaart te brengen. Hij moest zijn
kaarten op de door Van Hooff vervaardigde
rivierkaarten laten aansluiten. Na een jaar alleen
aan het werk te zijn geweest kreeg hij versterking.
In maart 1786 werd extraordinaris ingenieur M.A.
Snoeck bij de werkzaamheden ingeschakeld en in
het voorjaar 1787 kwam ook extraordinaris ingenieur
H.J. van der Wijck de gelederen versterken.5
Zonder problemen verliepen de terreinopnames
niet. De ingenieurs werden door de inwoners
van de streken waar zij hun werkzaamheden
moesten verrichten soms zeer onvriendelijk bejegend.
Zo schreef Wollant in september 1786 dat
hij: ’te platten lande door de bewoonders op eene
verregaand licentieuse wijse in deselve quartieren
gemaltraiteert werd’. Ondanks deze moeilijkheden
kon Wollant de gereedgekomen kaarten in
oktober 1787 bij de Raad inleveren. Tezamen bestreken
zij de provincie Overijssel (met uitzondering
van Noordwest-Overijssel en Twente) en, op
enkele stroken langs de Duitse grens na, de gehele
Graafschap Zutphen. Ook de door Van Hooff c.s.
vervaardigde rivierkaarten maakten er deel van
uit. Deze waren, zoals in een voorgaand hoofdstuk
beschreven, tijdens de kartering van de rivieren
tussen 1773 en 1783 niet vol getekend. In de volgende
karteringsfase werden de wit gebleven delen
van de kaarten alsnog ingevuld. De door het drietal
vervaardigde kaarten maken nu deel uit van de
Hottinger atlas in het Nationaal Archief te Den
Haag. Wel werden de 25 kaarten wegens het
onhandig grote formaat – een van de kaarten had
bijvoorbeeld een afmeting van 90 bij 180 cm – in
een later stadium in 74 kleinere opgedeeld.6
In een volgende karteringsfase werden ook van
Twente, Zuidoost-Drenthe en Westerwolde kaarten
vervaardigd. Dat gebeurde onder leiding van
de van oorsprong Zwitserse kapitein ingenieur
J.H. Hottinger, aan wie de kaartenverzameling
zijn naam ontleend. De niet gekarteerde stroken
langs de Duitse grens in het oosten en zuiden van
de Graafschap en Twente werden in 1812 alsnog
door Franse en Nederlandse militaire ingenieurs
onder leiding van chef d’escadron d’Epailly in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 155
kaart gebracht. De acht door hen op een schaal
van 1:20.000 vervaardigde kaarten berusten in het
militaire archief te Vincennes. In het Rijksarchief
in Gelderland zijn foto’s van deze kaarten aanwezig.
7
De kaart van Zwolle
Weliswaar woonden de inwoners van Zwolle aan
het eind van de achttiende eeuw nog grotendeels
binnen de wallen, maar daarbuiten begon naar het
noord- en zuidoosten toch al bebouwing te ontstaan.
Die bebouwing is op de kaart huis voor huis
te herkennen. In de stad zelf is de bebouwing gegeneraliseerd,
maar het nu nog vrijwel geheel
bestaande stratenpatroon is goed zichtbaar. Anno
2002 is Zwolle enorm gegroeid, onder andere tot
aan de op de kaart getoonde plaatsen Berkum en
Zalné. Nabij de stad lagen de met arcering aangegeven
essen, waarop de landbouw werd bedreven
en daarbuiten strekten de hooi- en graslanden
zich over grote afstanden uit.
Opvallend op de kaart zijn de vele buitenplaatsen
in de omgeving van de stad. Ten zuidoosten is
bijvoorbeeld het aan de weg naar Almelo gelegen
Boschwijk te zien, vanaf 1783 de woning van de
dichter Rhijnvis Feith. Tot zijn dood in 1824
gebruikte hij dit buiten als zomerverblijf. Ook de
andere buitens stelden welgestelde inwoners van
Zwolle in staat de drukte en warmte van de
zomerse stad te ontvluchten om op het platteland
verkoeling te zoeken.
De atlas
In de door de Drentse Historische Vereniging uit
te geven atlas zullen alle kaarten van de Hottingeratlas
van Noord en Oost-Nederland worden opgenomen.
In totaal bestrijken deze kaarten Salland,
Twente, de Graafschap, de streek rond Arnhem en
Nijmegen, Zuidoost-Drenthe en Westerwolde.
Ook de zes tussen 1792 en 1794 door Hottinger
c.s. vervaardigde kaarten van de omgeving van de
stad Groningen zullen worden opgenomen.
De oorspronkelijke kaarten zijn alle op een
schaal van honderd roeden op een Rijnlandse
duim (1:14.400) getekend. In de uit te geven atlas
zullen zij op een kleinere schaal worden afgebeeld.
De details zullen echter goed herkenbaar blijven.
De atlas, die een formaat krijgt van 33,5 x 24 cm,
zal in kleurendruk worden uitgevoerd. Juist het
kleurgebruik op de kaarten maakt details, zoals
bijvoorbeeld de bebouwing, goed zichtbaar. Het
kaartgedeelte zal worden voorafgegaan door een
uitgebreide historische inleiding, waarin van elk
van de gekarteerde gebieden een beschrijving zal
worden gegeven van het militaire belang ervan en
van de wijze waarop de kaarten tot stand kwamen.
Naschrift
Het initiatief van de Drentse Historische Vereniging
verdient alle lof. De kaarten zullen door deze uitgave
voor een groot publiek toegankelijk zijn. Hoewel Zwolle
met haar omgeving maar een klein deel in deze uitgave
beslaat, is zij vanwege de precieze en fraaie weergave van
belang.
De atlas kan besteld worden bij de Drentse Historische
Vereniging, Postbus 243,9400 AE Assen. Tot juni 2003
bedraagt de voor intekenprijs € 40 (excl. verzendkosten).
Een briefje of een e-mail naar dhv@dhvdrenthe.
info met vermelding van ‘Bestelling Hottingeratlas’
is voldoende. U krijgt de atlas dan eind juni, begin
juli met een acceptgiro voor de betaling toegezonden.
Noten
1. Nationaal Archief (NA), Geniearchief, OSK IJ 11, W
17, OSPV G 41. In het Nationaal Archief wordt onder
nummer IJ lla ook een verkleinde versie van de
kaarten, op een schaal van 1:44.600, bewaard.
2. Scholten, F.W.J., Militair topografische kaarten en
stadsplattegronden van Nederland 1579-1795, Alphen
aan de Rijn 1989,115; NA, Geniearchief, Memoriën
4.OMM, inv.nr. 202, IJ 41, bijlage; NA,
RvSt, inv.nr. 329, resolutie 31.8.1773.
3. Scholten, 115,116; NA, RvSt, inv.nr. 341, resolutie
3.9.1779; inv.nr. 345 resolutie 29.11.1781; inv.nr.
346, resoluties 6.2.1782, 26.2.1782; Geniearchief,
Memoriën 4.OMM, inv.nr. 202, IJ 41. De brouillon
en de nette kaart worden onder nummer 4 OSK IJ
10 c en 4 OSK IJ 10 in het Nationaal Archief bewaard.
4. Meij, PJ. e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-
1795, Boek II, Zutphen 1975,109,131.
5. NA, RvSt, inv.nr 358, resoluties 28.3.1786,5.4.1786,
Scholten, 118,119.
6. NA, RvSt, inv.nr. 1146, ingekomen stukken,
31.10.1786; Scholten 119.
7. Zie ook: Versfeit, H.J., De Franse kaarten van
Drenthe en de noordelijke kust, Groningen 2001,36.
156 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis
Ton Hendrikman
Thomas van Kempen
op de Agnietenberg bij
Zwolle. Schilderij op
doek, anoniem, vermoedelijk
zeventiende eeuw.
(Collectie Onze Lieve
Vrouwebasiliek). Een
vrijwel identiek schilderij
hangt in het Stedelijk
Museum Zwolle.
Door een bijzondere samenloop van
gebeurtenissen stond het jaar 2001 in het
teken van Thomas a Kempis (of van Kempen).
Aan het begin van dat jaar vond er een fusie
plaats tussen de Zwolse rooms-katholieke
parochies (met uitzondering van de Dominicanenkerk
of, officieel, het Rectoraat Thomas van
Aquino) die verder gingen onder de koepelnaam
Parochie Thomas a Kempis. De Zwolse beeldhouwer
Torn Waterreus kreeg de opdracht een nieuw
beeld van Thomas a Kempis te vervaardigen ter
vervanging van het oude verweerde beeld uit 1904,
mede in verband met het toen op handen zijnde
eeuwfeest van Dominicanenkerk en -klooster in
het jaar 2002. Kunstenaar Jan Snoeck kreeg van de
gemeente Zwolle de opdracht, gebaseerd op en
geïnspireerd door de nagelaten werken van Thomas,
een werkstuk te maken voor de Thomas a
Kempiszaal in het oude stadhuis. De componist
en oud-directeur van het Conservatorium Zwolle,
Jacques Reuland, liet zich onder meer inspireren
door het geestelijk erfgoed van Thomas en componeerde
een klein oratorium onder de titel
Thomas a Kempis in Monte Sanctae Agnetis. In het
najaar van 2001 maakte de KRO-televisie een programma
over Thomas a Kempis in de reeks MystiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 157
ci van Hadewijch tot Hillesum. Bij Ten Have/Agora
verscheen de vierde uitgave van De navolging
van Christus in de vertaling van Gerard Wijdeveld.
En tenslotte werden er in het jaar 2001 initiatieven
genomen voor een tentoonstelling in het Stedelijk
Museum Zwolle over Thomas a Kempis. Deze
tentoonstelling is inmiddels gerealiseerd in
samenwerking met het Stadtische Kramermuseum
in Kempen. De opening vond plaats op
9 november 2002 en de tentoonstelling zal nog te
bezichtigen zijn tot 12 januari 2003.
Al met al aanleiding genoeg in te gaan op de
persoon van Thomas a Kempis, zijn plaats binnen
de Moderne Devotie, de beweging van Geert Grote
(1340-1384) uit Deventer, en op de geestelijke
nalatenschap van deze beweging, waarvan Thomas
tot de belangrijkste vertegenwoordigers mag
worden gerekend.
De beginjaren
Thomas Hemerken of Hamerken werd in 1379 of
in 1380 in het – tegenwoordig in Duitsland gelegen
– stadje Kempen geboren. Kempen behoorde tot
het aartsbisdom Keulen, waaronder toen ook een
groot deel van de noordelijke Nederlanden ressorteerde.
De vader van Thomas was een ambachtsman,
vermoedelijk zilversmid, getuige het hamer –
tje dat hij in het familiewapen voerde. Thomas
had nog een vijftien jaar oudere broer, Johannes.
Deze Johannes behoorde tot de kloosterlingen van
het eerste uur van het Mariaklooster in Windesheim;
hij was in 1387 betrokken bij de stichting
ervan. Evenals zijn broer voelde Thomas Hemerken
zich aangesproken door de roep die van de
religieuze en kerkelijke vernieuwingsbeweging
van Geert Grote uitging en die reeds een grote
bekendheid had gekregen binnen het bisdom
Utrecht waarvan Zwolle en Deventer de regionale
uitstralingscentra waren. De Moderne Devotie
verzette zich tegen het toenemend geestelijk verval
in kerk en maatschappij. Het kerkelijk gezag van
de paus was ernstig aangetast door het Westers
Schisma (1378-1417). Twee pausen resideerden er
toen; één in Avignon, de andere in Rome. In alle
geledingen van de kerkelijke hiërarchie was het
verwerven van betaalde ambten en carrièremakerij
als een sluipende ziekte doorgedrongen. In de
samenleving stond materieel gewin hoger aangeschreven
dan het gedrag van een innerlijk evenwichtig
levend mens. Het kon niet uitblijven dat
dit gevolgen had voor de kwaliteit van het geestelijk
leven en het daaruit voortvloeiend gedrag. De
Moderne Devotie stond ten opzichte van deze
misstanden een mentaliteitsverandering voor. In
het bijzonder richtte zij zich op jonge mensen;
scholieren, schoolgaand aan de verschillende
Latijnse stads- en kapittelscholen waarvan diverse
door onderwijshervormingen die nieuwe levenshouding
uitdroegen. De stadsschool van Zwolle
onder leiding van de onderwijshervormer magister
Johan Cele (ca. 1340-1417) en de kapittelschool
van Sint-Lebuïnus te Deventer onder leiding van
Willem Vreden waren toonaangevend in Thomas’
tijd.
Zo trok in 1392 de twaalfjarige scholier Thomas
vanuit Kempen naar het klooster Windesheim.
Zijn broer stuurde hem terug naar Deventer
met een aanbevelingsbrief voor Florens Rade-
Thomas a Kempis.
Fragment uit de houtsnede
‘St. Augustinus,
vader der reguliere
kanunniken en leraar’.
Anoniem, ca 1480.
Staatsmuseum voor
Kunst, Kopenhagen.
158 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis, foto
van het oorspronkelijke
vijftiende-eeuwse schilderij
dat zich in Keulen
bevond en in 1942 verloren
is gegaan. Het schilderij
werd toegeschreven
aan de Zwolse schilderJohan
van den
Mynnesten (1435? –
1504).(Collectie SMZ)
wijns, een van Geert Grote’s goede vrienden. In
Deventer werd Thomas opgenomen in het convict
(kosthuis) voor arme scholieren (domus pauperum)
onder de hoede van heer Florens, die als
Thomas’ mentor optrad. Florens Radewijns was
ook de stichter van het eerste fraterhuis in Deventer,
waar de grondslag werd gelegd voor de latere
huizen van de Broeders van het Gemene (gemeenschappelijke)
Leven. Het betrof een gemeenschap
van leken, die geen kloostergeloften aflegden,
maar gehoorzaamheid beloofden aan de rector
van het huis en met elkaar wilden leven volgens
het ideaal van de vroege kerk.
Intrede in het klooster op de Agnietenberg
In 1399, na zijn schoolloopbaan te hebben beëindigd,
keerde Thomas naar Windesheim terug.
Vandaaruit trok hij verder naar Zwolle. Vermoe-
VROMAS AKEMPISl
delijk volgde hij nog enkele lessen aan de beroemde
Latijnse school van meester Cele en kerkte hij
in de Onze Lieve Vrouwekapel aan de Ossenmarkt,
waarvan de eerste bouwfase net was voltooid.
Naar gebruik van die tijd en om geld voor
de bouw te genereren, was aan het bidden in de
druk bezochte kapel een aflaat verbonden. Zo trad
ook Thomas hier in de voetsporen van de vele pelgrims
want De Onze Lieve Vrouwekapel was toen
ook een bedevaartskerk, mede toegewijd aan de
pestheilige Antonius Abt. In hetzelfde jaar, hij was
toen 18 of 19, meldde Thomas van Kempen zich
aan de kloosterpoort van het Agnietenklooster op
de Nemelerberg vlak bij de Vecht, waar naar het
Deventer voorbeeld in 1386 vanuit de Praubstraat
een fraterhuis was gesticht en onder de schutse
gesteld van Sint-Agnes. Thomas ontmoette hier
voor de tweede keer zijn broer. Het broederhuis
werd namelijk in 1398 omgevormd tot een klooster
van Reguliere kanunniken van Windesheim volgens
de regel van Augustinus en behoorde tot de
kloosterfederatie het Kapittel van Windesheim.
Tot eerste prior werd benoemd Johannes van
Kempen. Dit klooster zou Thomas, behoudens
twee onderbrekingen, niet meer verlaten. De eerste
keer in 1402 om samen met zijn broer de nalatenschap
van zijn ouders te regelen in Kempen en
de tweede keer gedurende een conflict rond de
Utrechtse bisschopsbenoeming, toen de communiteit
moest uitwijken naar Ludingakerke bij Franeker
(1429-1432).
Schrijf- en vormingswerk
Na een noviciaatsperiode van zeven jaar deed
Thomas in 1406 zijn eeuwige professie, maar het
duurde nog tot 1413 of 1414 voordat hij zich tot
priester liet wijden. Waarom hij met dat besluit zo
lang heeft getalmd, is onbekend. In 1425 werd
Thomas benoemd tot subprior. Dat hield onder
meer in dat hij de taak van novicenmeester uitvoerde.
Dit was hem op het lijf geschreven. Thomas
heeft een belangrijke rol gespeeld bij de opleiding
en vorming van jonge kloosterlingen. In die
tijd schreef hij talloze geestelijke tractaten (opstellen),
die met die novicenmeesterstaak samenhingen.
Alles in het Latijn, naar het gebruik van die
tijd. Latijn was immers de universele taal van kerk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 159
en wetenschap. Intussen was Thomas ook begonnen
met het verzamelen van uitspraken en kernachtige
bijbelspreuken, die in kringen van de
Moderne Devotie opgeld deden; zij noemden dit
het geestelijk notitieboekje otRapiarium. Hiermee
legde Thomas vanaf 1420 de basis voor het al tijdens
zijn leven beroemd geworden boek De Imitatione
Christi (Over de Navolging van Christus).
Twintig jaar lang voegde Thomas aan deze tractaten
verbindende teksten toe, herschreef en redigeerde
ze. Hij structureerde de tekst in uiteindelijk
vier ‘boeken’, die samen de Navolging vormen. Al
tijdens zijn leven werden diverse redacties gekopieerd,
verspreid en gelezen binnen en buiten de
kringen van de Moderne Devoten. Vandaar dat er
verschillende redactionele versies bekend zijn. In
1441 sloot Thomas dat project af. De definitieve
handgeschreven redactie, voorzien van het jaartal
1441 en van zijn naam, bevindt zich in de Koninklijke
Bibliotheek in Brussel.
Tot op de dag van vandaag blijkt dit boek een
bron van grote geestelijke en mystieke rijkdom te
zijn met veel praktische wenken voor de opbouw
van een persoonlijk geestelijk leven. De populariteit
van de Navolging blijkt ook uit de vroege vertalingen
die er bekend zijn in diverse toenmalige
landstalen. Zo is er al een Middelnederlandse vertaling
bekend uit omstreeks 1440, een Middelengelse
vertaling uit circa 1475 en een Middelfranse
uit rond 1490, afgezien nog van de vele drukken
die vanaf het derde kwart van de vijftiende eeuw
verschijnen.
In de periode tussen 1427 en 1439 kopieerde
Thomas van Kempen ook de gehele bijbel in vijf
delen. Dit op de Agnietenberg tot stand gekomen
en door enkele medebroeders rijk geïllustreerde
werk is te bewonderen in de Hessische Hochschul-
& Landesbibliothek in Darmstadt. Een
ander belangrijk werk is de kroniek van het Agnesklooster.
Op de hoge leeftijd van 84 jaar begon
Thomas op aandringen van zijn medebroeders
aan dit karwei. Hij heeft de geschiedenis van het
huis tot aan zijn dood in 1471 bijgehouden. Hij
beschreef daarin de periode van 1386 tot 1471. Veel
heeft hij dus nog kunnen optekenen uit mondelinge
overleveringen. Een onbekend gebleven
medebroeder zette de geschiedschrijving nog
/ // 9 7 nocoa/Ccrcff . /
J
1
Irmvrls u/er.
Qoro. Nild<$n 1 ik/oosécrhof vopcfrnv'//5o(?/ï //*> C7ÊöoScCWnC-
Kyvi>SGancr
Van neé ~^Qntelen —
V) /’T) , nair,r/m)
•jfenrtcoS fèvh
JfoA. Ommen
(yer. Coriiiasn
yenr. QicxKer
4Jenf. Vjilhalmi
f L “7 V^
1
•J^rJi
i
3aet-/srt£
£afiiéée/-
2 aal
CC/ 6t~/or-
Grafplaats van Thomas van Kempen in de oostelijke kruisgang van het Sint-
Agnesklooster, zoals beschreven in de Agnietenbergkroniek. Reconstructie door
Paul Rademaker, 1999. (Uit: Een klooster ontsloten. De kroniek van Sint-Agnietenberg
bij Zwolle, p. ji)
i6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het door de kunstenaar
F. W. Mengelberg ontworpen
monument voor
Thomas a Kempis in de
oude Sint Michaëlkerk
aan de Roggenstraat.
Het monument was 8
meter hoog en werd in
1897 onthuld. Onderin
bevond zich de schrijn
met het gebeente van
Thomas. Op de zwart
marmeren onderbouw
stond, in het Latijn:
‘Ter ere, niet ter herinneringvan
Thomas a
Kempis, wiens naam
langer blijft dan elk
monument’. Profetische
woorden, want het
monument werd bij de
sloop van de kerk in
1965 evenmin gespaard.
Op de tentoonstelling in
het SMZ is een reconstructie
gemaakt met de
brokstukken die men
her en der heeft kunnen
traceren. (Uit: Ach Lieve
Tijd, deel 9)
voort tot 1477. De oudst bekende vertaling in het
Nederlands van de in het Latijn geschreven
Chronicon Canonicorum Regularium Montis SanctaeAgnetis
door Johannes Kattenbelt verscheen in
1718. Johannes Kattenbelt was een neef van
Arnold(us) Waeyer, die in de schuilkerkentijd veel
betekend heeft voor de zielzorg onder de Zwolse
katholieken.
Bij zijn dood liet Thomas van Kempen een
omvangrijk oeuvre na. De rector van het Gymnasium
Thomaeum in Kempen, Michael Josephus
Pohl, verzorgde tussen 1902 en 1922 een zevendelige
uitgave van het verzameld werk van Thomas,
de Opera Omnia. Ter gelegenheid van het eeuwfeest
van het eerste deel in de reeks is in het Duitse
Kempen dat feit dit jaar met een internationaal
congres gevierd.
Na Thomas’ dood
Toen Thomas van Kempen op 25 juli 1471, de
feestdag van Sint-Jacobus, in het klooster op de
Agnietenberg ’s avonds na de completen overleed,
werd hij begraven in het oostelijk deel van de
trans, die deel uitmaakte van de kruisgang. In een
bescheiden hoekje in de directe nabijheid van een
van de steunberen van de kloosterkerk werd Thomas’
lichaam bijgezet. Later zal deze informatie
van groot belang blijken te zijn voor het vinden
van Thomas’ stoffelijke resten twee eeuwen na zijn
dood. Het Sint-Agnesklooster op een uur gaans
van de binnenstad was toen vrijwel verdwenen, al
moeten er toen nog muurresten in het terrein op
Bergklooster zichtbaar geweest zijn.
De zestiende eeuw was een tijdperk van grote
onrust. De conflicten met de hertog van Gelder en
later de godsdiensttwisten en de daaruit voortvloeiende
Tachtigjarige Oorlog hadden een verwoestende
uitwerking op het Agnietenklooster. In
1561, nog geen honderd jaar na Thomas overlijden,
werd het klooster opgeheven. Tien jaar later
werd de kloosterbibliotheek verkocht en raakten
de kostbare boeken verstrooid. Enkele gebouwen
werden afgebroken en het overig deel verkocht
aan de zusters Augustinessen van het Zwolse
klooster ‘Op die Maet’, die er hun intrek namen.
Vanaf 1575 nam allerhande krijgsvolk bezit van het
strategisch gelegen gebouwencomplex nabij de
Vecht. In 1580 kreeg het Zwolse stadsbestuur, dat
toen de kant van de reformatie had gekozen, de
goederen van het Agnietenklooster definitief in
handen. Een jaar later besloten schepenen en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
raden het klooster af te breken. Met het vrijgekomen
materiaal werden ondermeer de vestingwerken
aangelegd. De openbare uitoefening van de
katholieke eredienst werd verboden en de tijd van
de schuilkerken brak aan.
Reliekschrijn
In 1672, in de geschiedenis bekend als het ‘Rampjaar’,
bezetten troepen van de bisschoppen van
Munster en Keulen ondermeer Zwolle. Deze
bezetting zou twee jaren duren. In de middeleeuwen
viel ons land kerkelijk bijna in zijn geheel
onder het bisdom Utrecht dat op zijn beurt weer
deel uitmaakte van het aartsbisdom Keulen. Er
bestonden dus oude historische banden met deze
streek. De Keulse keurvorst en kardinaal-aartsbisschop
Maximiliaan Hendrik Ernst van Beieren liet
de boven al eerder genoemde Arnold Waeyer,
priester in de schuilkerkentijd van de statie in de
Spiegelsteeg en goed bekend met de kloosterkroniek,
de plek aanwijzen op Bergklooster waar
Thomas van Kempen begraven was. Aanvankelijk
had de Keulse bisschop de bedoeling de stoffelijke
resten van Thomas als relikwieën na

Lees verder