Categorie

2020

Zwolse Historisch Tijdschrift 2020, Aflevering 3

Door 2020, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
37e jaargang 2020 nummer 3 850 euro
De geboorte van
het Zwolse toerisme
Themanummer
138 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
Suikerhistorie
70 jaar VVV Zwolle 18951965
In 1895 werd de Zwolsche Vereeniging tot bevordering
van het vreemdelingenverkeer en de verfraaiing
van de stad Zwolle en omstreken opgericht
tijdens een vergadering in een van de bovenzalen
van de Harmonie aan de Grote Markt Het
doel van de vereniging was om in samenwerking
met omliggende gemeenten te komen tot wat kan
strekken tot verfraaiing van de gemeente Zwolle
en van hare omstreken tot veraangenaming van
het verblijf aldaar en tot verlevendiging van het
verkeer Vanaf het begin stond de promotie van
Zwolle en omgeving hoog in het vaandel Dat
gebeurde door veel wervend materiaal uit te geven
in de vorm van gidsen folders en brochures Ook
bij de organisatie van evenementen was de VVV
nauw betrokken Zie verder het artikel van Jan van
de Wetering in dit nummer
De vereniging VVV werd in 1976 opgeheven
en omgevormd tot een stichting waarvan het college
van B en W de bestuursleden benoemde De
Zwolse VVV stond aan de wieg van de commissie
Zomerfeesten die later werd omgezet in de stichting
Stadsevenementen Zwolle SEZ
De VVV was in de loop der tijd op verschillende
locaties gehuisvest Na de Tweede Wereldoorlog
was dat onder meer aan de Ter Borchstraat
in een kiosk aan het Stationsplein 1953 in de
Hoofdwacht aan de Grote Markt 1966 in het
Refter aan het Bethlehemse Kerkplein 1972
aan het Grote Kerkplein 1979 en opnieuw in de
Hoofdwacht aan de Grote Markt 2009
Sinds 2013 is de VVV uit Zwolle verdwenen
Daarvoor in de plaats kan men nu terecht bij twee
Toeristische Informatie Punten een particulier
initiatief van ondernemend Zwolle te vinden in
het Zwolse Balletjeshuis aan het Grote Kerkplein
en bij Waanders in de Broeren
Wim Huijsmans
Collectie Dick Hogenkamp
De Grote Kerk met Hoofdwacht links op de Grote Markt omstreeks 1970
De VVV was twee keer in de Hoofdwacht gevestigd van 1966 tot 1972 en van
2009 tot 2013 Collectie HCO
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 139
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 138
De geboorte van het Zwolse toerisme
Jan van de Wetering 140
Vervolgd
Wie moet dit doen Redactie 189
Oud Nieuws
Een onverwachte maar kritische bezoeker
Kieks Agterom 192
Nieuws van onze website
Jan van de Wetering 198
Boekenrecent verschenen 200
Auteurs 201
Redactioneel
Door corona vallen veel mooie ideen in
het water Zo ook de nog maar heel korte
traditie om elk nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift in een historisch caf te presenteren
Hoe mooi zou het zijn geweest om het
eerste exemplaar van dit bijna themanummer over
de geboorte van het Zwols toerisme te overhandigen
aan een van onze onvolprezen stadsgidsen die
bezoekers van Zwolle door onze mooie stad gidsen
Een mooi idee maar corona heeft er een dikke
streep door gezet wat waarschijnlijk ook geldt voor
het bezoek van veel toeristen aan Zwolle
Meer thuis zijn betekent ook meer tijd voor
het lezen van ons tijdschrift Jan van de Wetering
neemt u mee in de initiatieven om Zwolle tot
een toeristische trekpleister te maken Hij laat u
wegdromen in de belevenissen van reizigers in
het verleden of reageren op de opinies die zij over
onze stad hadden In de rubriek Oud Nieuws
maakt u kennis met Zacharias Conrad von Uffenbach
die begin achttiende eeuw met zijn jongere
broer Zwolle bezocht en onder meer schreef over
de omstreden predikant Frederik van Leenhof
Vreemdelingen bewonderen al eeuwenlang in
Zwolle de mooie bouwwerken De meer recente
architectuur heeft ook pareltjes opgeleverd bijvoorbeeld
de ontwerpen van de vooraanstaande vertegenwoordiger
van het Nieuwe Bouwen JB Wiebenga
In een reactie op een artikel van Kees Canters in
het vorige ZHT geeft Johan Teunis een aardige inkijk
in Wiebengas Zwolse werkomstandigheden en de
relatie met zijn collega WBM Beumer
Op onze website wwwzwolsehistorischevereniging
nl kunt u nog veel meer Zwolse geschiedenis
vinden In de rubriek Nieuws van onze
website kunt u lezen welke nieuwe films en videos
daar geplaatst zijn
De redactie wenst u naast veel leesplezier
ook veel kijkplezier in deze vreemde tijden
Cover Vrolijk gezelschap voor een herberg
omstreeks 1680 Door Gerrit Grasdorp
Rijksprentenkabinet beeldbank
140 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
Jan van de Wetering
De geboorte van het Zwolse toerisme
Op reis of toch maar niet
Al vanaf het prille begin van de stad kwamen er
reizigers naar Zwolle om handel te drijven om
familie te bezoeken om strijd te leveren om te
studeren en om nog veel meer redenen maar bijna
nooit voor hun plezier Ze hadden om het maar
zo te zeggen wel wat anders te doen Natuurlijk
kwamen er in de oude tijden ook mensen naar
Zwolle voor hun plezier maar die kon je tellen op
de vingers van n hand Daar waren goede redenen
voor De meest basale is misschien wel dat een
plezierreis als het ware nog moest worden uitgevonden
Aardig is de anekdote over de Italiaanse
dichter en schrijver Petrarca als eerste toerist uit de
geschiedenis Op 26 april 1336 beklom hij de Mont
Ventoux in het zuiden van Frankrijk Hij schreef
daarover dat hij de eerste mens was die sinds de
klassieke oudheid een bergtop besteeg alleen maar
voor het uitzicht op de top Hij schreef dus niet dat
hij de eerste mens was die een berg beklom vele
schaapherders gingen hem voor maar hij was
wel de eerste die dat deed voor het uitzicht over het
landschap Alleen voor zijn plezier dus1
Een belangrijke reden om niet voor je plezier
te gaan reizen was dat het buiten de dorpen en steden
vaak gevaarlijk was Dat was in onze contreien
zeker het geval ten tijde van de Tachtigjarige
Oorlog 15681648 Maar ook nog lang daarna
In 1672 raakte de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog met Engeland Frankrijk
en de bisschoppen van Mnster en Keulen Toen
Bommen Berend de bisschop van Mnster dat
jaar Zwolle binnenviel werden reizigers die in
Zwolle overnachtten nauwlettend in de gaten
gehouden door het stadsbestuur Iedere herbergier
of logementhouder moest dagelijks vr het
sluiten van de stadspoorten opgave doen van de
gasten die er verbleven op straffe van een zware
boete als ze dat niet deden De reizigers kwamen
uit alle windstreken zelfs uit het buitenland maar
de meeste kwamen uit de regio Plezierreizigers
zaten er gezien de oorlogssituatie niet bij Het was
een bonte mengeling van militairen soms met
marketentsters paters en kosters schouten burgemeesters
van de omringende steden schippers
voerlieden kooplieden en boeren Slechts n
En toen bijna van de een op de andere dag droogde de toeristenstroom in Zwolle op Corona lockdown
anderhalve meter afstand binnenblijven Een paradox meer dan een maand lang zou Zwolle mooier
zijn dan het in jaren was geweest met zijn nu verlaten straten en pleinen zonder de chaos van alledag
terwijl de bezienswaardigheden stonden te stralen in de voorjaarszon Maar wat is een stad zonder mensen
Inmiddels juli 2020 stromen de straten weer vol met Zwollenaren en de eerste toeristen
In dit artikel gaan we terug naar de jaren waarin toeristen nog niet bestonden In Zwolle niet in Nederland
niet Om louter voor je plezier op reis te gaan is tijd en geld nodig en die combinatie was voor de meeste
mensen niet weggelegd En wie zich wel een plezierreis kon veroorloven deed dat spaarzaam want in tijden
zonder vliegtuigen autos en zelfs maar een fiets was elke reis een langdurige moeizame onderneming
Maar naarmate de algemene welvaart steeg vanaf eind negentiende eeuw groeide ook het aantal plezierreizigers
Het was in die tijd dat het woord toerist zijn intrede deed
Hoe die ontwikkeling is gegaan is onder andere af te leiden uit vele reisverslagen en wandelgidsen In
dit artikel hoop ik duidelijk te maken dat het scharnierpunt van het moderne toerisme in Zwolle omstreeks
1895 ligt Toen werd hier de Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer opgericht de voorloper
van de VVV en verscheen bovendien de eerste stads en wandelgids voor Zwolle nieuwe stijl
Francesco Petrarca
1304 1374 Bing
images
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 141
keer was er een vrouw bij de gravin van Bentheim
met haar gevolg2
Nieuwsgierig naar Zwolle
Maar toen jaren van vrede aanbraken was de animo
voor een plezierreis nog steeds erg klein Het
grootste deel van de bevolking was zes dagen per
week bezig om zijn brood te verdienen vakanties
waren er niet Plezierreizen waren voorbehouden
aan de adel en vermogende burgers waarbinnen
studenten en aankomende kunstenaars een
belangrijke groep vormden Zij konden op kosten
van hun ouders of andere weldoeners een gesubsidieerde
reis maken Toch was er na de Vrede van
Mnster in 1648 het slotakkoord van de Tachtigjarige
Oorlog iets veranderd Zwolle maakte net
als heel Overijssel definitief deel uit van de Republiek
der Zeven Verenigde Nederlanden Velen
realiseerden zich toen pas echt dat hun stad en
provincie deel uitmaakten van een groter geheel
Dat maakte nieuwsgierig hoe zagen die andere
gewesten en steden er eigenlijk uit Bijna iedereen
had wel van Zwolle gehoord maar afgezien van
handelslieden schippers en militairen waren er
slechts weinigen ooit geweest
Doorgaans bleef het bij die vaststelling maar
in de zeventiende en achttiende eeuw stond een
aantal mannen op de tijd van reizende vrouwen
moest nog komen die we de pioniers van het
hedendaagse toerisme kunnen noemen Ze waren
geletterd hadden belangstelling voor geschiedenis
waren nieuwsgierig n ze beschikten over
voldoende tijd en geld om op reis te gaan Tegelijkertijd
waren er al snel uitgevers die brood zagen
in de behoefte van reizigers aan informatie over de
Nederlanden Ze namen schrijvers in dienst die de
provincies ingingen of correspondenten die een
stad of dorp goed kenden Dat leidde tot een aantal
reisboeken zo omvangrijk dat de reizigers ze
waarschijnlijk niet meenamen maar ze voor hun
vertrek alleen gebruikten als informatiebron
De reisboeken van Jan en Nico ten Hoorn
Jan ten Hoorn een boekverkoper uit Amsterdam
was waarschijnlijk de eerste die een Nederlandstalig
reisboek op de markt bracht waarin Zwolle
genoemd werd In 1689 verscheen zijn Reysboek
door de Vereenigde Nederlandsche Provincin en
derzelver aangrenzende Landschappen en Koninkrijken
Veel eerder kon ook niet gezien de lange
reeks van onveilige jaren Hij gaf slechts korte
beschrijvingen van de bezienswaardigheden in
de belangrijkste steden Zwolle moest het net als
Deventer Kampen en Hasselt met slechts n
bladzijde doen Jan ten Hoorn of zijn correspondent
valt door de mand als hij over de Sint
Michalskerk de Grote Kerk schrijft dat deze
met een treffelijke toren was versierd De hoogste
Zwolse toren uit die tijd 113 m was in 1669
door de bliksem getroffen in brand gevlogen en in
1682 ten slotte ingestort Zelfs in de herdruk van
het boek in 1700 liet Van Hoorn de toren nog fier
overeind staan
Van de andere Zwolse bezienswaardigheden
noemde Ten Hoorn de Onze Lieve Vrouwekerk
Het Reysboek van Jan
ten Hoorn Wikimedia
142 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
die met een hooge doch stompe toorn uitmunt
de Bethlehem en de Broerenkerk het Raadhuis
nu zo schoon niet als t wel eertydts geweest
heeft het Weeshuis het Oudemannenhuis het
Heilige Geestgasthuis het Pesthuis het Soldatengasthuis
en het Ammunitie en Koornhuis
Tot slot prees hij de drie grote stadspoorten de
Diezerpoort Kamperpoort en Sassenpoort als
hooge en treffelijke gebouwen en de elf door een
brede en diepe gracht omgeven zware bolwerken3
Veertig jaar na de eerste druk van het Reysboek
van Jan ten Hoorn gaf zijn neef Nicolaas ten
Hoorn een vergelijkbaar boek uit Reisboek door
de voornaamste Koningryken en heerschappyen
van Europa 1729 Zijn tekst over Zwolle is exact
gelijk aan die van zijn oom Bijna een halve eeuw
na de ineenstorting stond de toren van de
St Michalskerk er nog altijd ongeschonden bij
Al die jaren was er dus nooit iemand echt in
Zwolle gaan kijken Het is duidelijk dat het genre
reisboeken nog in de kinderschoenen stond
Dat neemt niet weg dat de uitgevers het nut van
reisboeken helder voor ogen hadden Nicolaas ten
Hoorn schrijft in zijn Voorreeden
Wie ondervind niet dat het bezichtigen van
andere Landen en Koningryken tot nut en tot
leerzaamheit strekt wie weet niet dat het reizen
om Koophandel te dryven noodzaakelyk is
wie weet niet dat men om vermaak verre reizen
onderneemt om de afgelegene vreemdigheeden
te beschouwen beroemde Steeden te bezien de
nageblevene brokken der oudheit op te delven de
trotsheit der thans onder puin leggende wonderen
na te speuren de Staatkunde den Koophandel
Levenswyze Godsdienst konsten weetenschappen
en gelegendheeden der nabuuren en afgelegener
Staten te leeren kennen en eindelyk uit zo veelerhande
Volkeren het beste weet uit te kippen om
het goede en voordelige dat men uitgekoozen heeft
ook in zyn Vaderland over te brengen
In deze oertijd van het toerisme zijn de beweegredenen
van de reizigers aanmerkelijk veelzijdiger
dan die van tegenwoordig In onze tijd kijken veel
toeristen graag met een nostalgische blik naar de
steden die ze bezoeken De eerste plezierreizigers
keken niet alleen naar het verleden maar ook naar
het heden Jan en Nicolaas ten Hoorn schreven niet
over het Oudemannenhuis of het Weeshuis omdat
die gebouwen zo mooi waren maar omdat ze een
belangrijke functie voor Zwolle hadden Hetzelfde
geldt voor hun vermelding van de Zwolse verdedigingswerken
Die hadden nog de functie waarvoor
ze waren aangelegd Dat mocht gezien en bewonderd
worden al hadden ze hun beste tijd gehad
Overnachten in het Vliegende Paard
of in de Twee Tamboers
Oom en neef Ten Hoorn noemden slechts n
overnachtingsadres in Zwolle de Witte Wan
de Wanne op de Grote Markt nr 13 Dat was
voorzichtig gezegd wat zuinige informatie Zwolle
telde rond 1700 tussen de dertig en de veertig
herbergen en logementen die samen goed waren
voor twintig tot vijftig overnachtingen per dag
Andere populaire onderkomens waren bijvoorbeeld
de Zon Melkmarkt het Rode Hert Grote
Markt het Vliegende Paard Voorstraat de
Gulden Pauw Sassenstraat de Drie Moriaenen
bij de Kamperpoort de Keizer nu de Belgische
Keizer Melkmarkt de Keizerskroon Kamperstraat
de Valk Kamperstraat Op den Dyck
in het Gekroonde Mnster tegenwoordig Thorbeckegracht
64 en de Twee Tamboers bij het
Pelserpoortje4
Rechts Het pand van
Het Vliegende Paard
op Voorstraat 17 in
1972 De naam is blijven
voortbestaan in de
gelijknamige studentensociteit
die hier sinds
1995 gevestigd is Foto
Jan de Koning collectie
HCO
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 143
Die vele overnachtingsmogelijkheden zijn
begrijpelijk Zwolle ligt al eeuwenlang op een
knooppunt van land en waterwegen De stad
had mede daardoor vele handelscontacten met
steden in Overijssel en rondom de Zuiderzee
maar ook in Duitsland Engeland en de Oostzeelanden
Reizigers konden gebruik maken
van postkoetsen diligences trekschuiten en
zeilschepen die samen een uitgebreid en goed op
elkaar afgestemd netwerk vormden Op diverse
punten in de stad waren in en uitstapplaatsen
voor de postkoetsen zoals bij de Wanne aan de
Grote Markt en bij het Munstersche huis aan de
Dijk Thorbeckegracht Ze reden bijna dagelijks
letterlijk naar alle windstreken door over te stappen
kon je in een uur of zestig naar Hamburg
Bremen of Mnster reizen Met trekschuiten
kon je goedkoop naar onder andere Kampen en
Hasselt varen Reizigers uit Friesland of Noord
Holland konden dagelijks met een zeilschip over
de Zuiderzee naar Zwolle varen
Koorts koliek en winderigheid
Het Reysboek van Jan ten Hoorn is ook in ander
opzicht de moeite van het lezen waard Voorafgaand
aan de stedenbeschrijvingen gaf hij
waarschouwingen dienstig voor reizende lieden
Zoveel waarschuwingen dat het lijkt of de reizigers
een wereldreis vol gevaren gingen maken Je kon
maar beter goed voorbereid zijn Daarom bevat
zijn boek een eeuwigdurende almanak een papieren
zonnewijzer een tafel der watergetijden een
overzicht van de verschillen in gewichten tussen
de verschillende steden een reismedicijnboek
gebeden voor reizigers ochtend middag en
avondgezangen Maar eerst en vooral gaf hij deze
waarschuwing vooraf
Eer we den Reiziger aanwyzen op wat voor
manieren hy het bekwaamste zal Reizen dient
vooraf tot Waarschouwing dat hy zich vooral
heeft te wachten van deze volgende vier zwarigheden
als voor valsche Speelders Roovers Dieven
en Hoeren
Herberg bij Frankhuis
door Gerrit Grasdorp
16591716 RKD
144 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
Een reis door de zeven provincies van de
Republiek was inderdaad geen sinecure De reiziger
liep al gauw de kans te verdwalen in een
oceaan van herbergen schuit en wagenvaarten
In grote lijnen waren de land en waterwegen
naar de reisbestemming bekend maar niet de
staat waarin ze verkeerden Betrouwbare en
actuele informatie kregen de reizigers pas onderweg
van vervoerders en herbergiers Door de
vermoeienissen tijdens de reis staken maar al te
vaak ziekten de kop op Ten Hoorn waarschuwt
dat je tijdens het reizen bijvoorbeeld last kunt
krijgen van koorts koliek of winden Zijn advies
laat in de eerste herberg die je tegenkomt wat
Franse wijn met nootmuskaat en wat oranje
schillen sinaasappelschillen op het vuur zetten
en drink dat warm op Mocht dat niet werken
probeer dan bij een barbier een kwart loot ongeveer
8 gram Philonium Romanum een stevig
oosters kruidenmengsel uit de Romeinse tijd te
kopen en dat met wat anijswater op te drinken
Reizigers die over de Zuiderzee naar Zwolle voeren
konden zeeziek worden en dan was het goed
te weten dat een flinke teug van een glas half
zeewater half rode wijn de zeeziekte doet verdwijnen
Zelfs pestilentie kon niet worden uitgesloten
niet voor niets vermeldde Ten Hoorn het
Pesthuis in Zwolle Zijn advies was bij het minste
symptoom s morgens een lepel azijn met wat
wijnruit een bitter kruid in te nemen samen
met beschuit en okkernoten
Valsspelers rovers dieven en hoeren
Ook in herbergen was het uitkijken geblazen Je
kon er op rekenen terecht te komen in bedsteden
vol luizen Een zemen lap met wat kwikzilver
daarin genaaid kon dan uitkomst bieden Valsspelers
en dobbelaars waren nog veel gevaarlijker
Ten Hoorn adviseerde ze te ontlopen zeker als ze
met je wilden aanpappen Je moest vooral attent
zijn op bedriegers met geverfd hoofdhaar en valse
baarden Omdat reizigers toen vooral mannen
waren was een waarschuwing tegen de hoeren in
logementen op zijn plaats
Herberg met triktrakspelers
1669 Door
Egbert van Heemskerk
Rijksmuseum
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 145
Wacht u voor het lonken van hun ogen De
stralen die zij daar uit schieten zijn net zo vergiftig
voor uw ziel als het venijn van de allergiftigste
beesten schadelijk voor uw lichaam kan zijn Hun
vlees t geen zich van buiten zo schoon opdoet en
waar uw ogen op verlieven is van binnen niet dan
met etter en vuiligheid vervuld
In hoeverre al deze gevaren reel waren
valt moeilijk te zeggen Wel is zeker dat onze
gewesten nog lang na de Tachtigjarige Oorlog
onveilig waren door verschoppelingen van de
maatschappij landlopers bedelaars afgedankte
huursoldaten en gevluchte criminelen In stad
of dorp kregen ze alleen als het niet anders kon
tijdelijk onderdak Maar meestal werden ze al snel
de stadspoorten uitgejaagd met als gevolg dat het
platteland het afvoerputje van de samenleving
was Daar beroofden bendes onvoorzichtige reizigers
van geld en kostbaarheden Geadviseerd
werd daarom niet alleen op pad te gaan
Over reiskleding repte het Reisboek niet Zeker
is dat de reizigers eerst en vooral kleding droegen
die paste bij hun stand Er bestond vermoedelijk
weinig verschil tussen de kleding thuis of op reis
Rond 1700 bestond de stijf zittende kleding uit
vele lagen en het lichaam was van kop tot teen
bedekt De brede hoed voor mannen en het haar
tot op de schouders waren nog steeds in de mode
evenals het dragen van laarzen Maar het was een
overgangstijd Mannen en vrouwen van adel en
uit de stedelijke elite gingen pruiken dragen wat
het reiscomfort niet erg bevorderde De mode
van die tijd zal met name in de zomer tot bijna
ondraaglijke hitte hebben geleid Wie tijdens de
reis oververhit raakte werd aangeraden in plaats
van bier een half mutsje brandewijn te drinken of
een half glas Franse wijn
Citymarketing in 1733
Een informatiever reisboek is het Groot Algemeen
Historisch Geographisch Genealogisch en Oordeelkundig
Woordenboek een tiendelige serie over de
Zeven Provincin van David van Hoogstraten en
Jan Lodewijk Schuer5 Het boek verscheen in 1733
David van Hoogstraten
16581724
Universiteitsmuseum
Amsterdam
Gezicht op Zwolle
1729 door Andries
Schoemaker 1660
1735 Delpher Het
Geheugen atlas Schoemaker
146 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
enkele jaren na het overlijden van Van Hoogstraten
De auteurs hadden het lemma Zwol uitbesteed
aan Zwollenaar Pieter le Clercq 16931759
die onder andere bekend werd als vertaler van
Steeles Spectator Le Clercq leverde geen half werk
hij schreef zes volle bladzijden over de geschiedenis
van Zwolle zo gedegen dat de eerste grote Zwolse
stadshistoricus Van Hattum er ruim dertig jaar
later dankbaar gebruik van zou maken6 Bovendien
geeft Le Clercq in tegenstelling tot de reisboeken
van de familie Ten Hoorn correcte actuele informatie
hij maakt melding van zowel de brand als de
ineenstorting van de toren van de St Michalskerk
En dat werd tijd ook
Le Clercq gaf als een van de eersten verklaringen
voor de naam Zwolle Wolstad was een
mogelijkheid maar ook Zaal een oud herenhuis
dat wel werd uitgesproken als Zuol of Zwol
Mooi gevonden is zijn suggestie dat de stad zijn
naam heeft gekregen van het zwellen der runderbeesten
in hare grasrijke weiden of wel van enige
gezwellen die deze beesten er plachten te krijgen
We merken nog op dat ook in de reisboeken tot
ver in de negentiende eeuw onze stad nu eens
Zwol en dan weer Zwolle werd genoemd
Le Clercq was trots op zijn stad en liet dat weten
ook Zijn relaas is zo uitbundig positief dat het
lijkt op wat we in onze tijd citymarketing noemen
De stad is tamelijk groot zeer volkrijk luchtig
en met drie grachten doorsneden Zij heeft drie
pleinen of markten brede straten die zeer net
geplaveid zijn en waarop men eene zindelijkheid
bespeurt die men in andere steden van Overijssel
vergeefs zou zoeken Men ziet overal dat de Magistraat
alle vlijt aanwendt om de stad van buiten en
van binnen te verfraaien naar mate van hare welvaart
Zij ligt in eene zeer aangename landsdouwe
aan een riviertje dat in het Zwarte Water valt of
liever op het einde des Zwarten Waters
De lucht is er uitnemend gezond en zij is
omringd van vruchtbare korenlanden en grasrijke
weiden waarin hare inwoners en voornamelijk in
het bijgelegen vette Mastenbroek alle jaren vele
duizenden ossen weiden Deze vermakelijkheid
harer gelegenheid wordt dagelijks vermeerderd
door de zorg van den Magistraat die telkens nieuwe
lanen buiten de stad doet aanleggen en beplanten
tot vermaak der burgerij De stadswallen en
De Diezerpoort midden
zeventiende eeuw door
Gerard ter Borch 1617
1689 Rijksprentenkabinet
beeldbank
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 147
cingels zijn ook zeer vermakelijke oorden voor den
wandelaar die er onder het lommer van hoge Iepen
een aangenaam scherm vindt tegen het steken der
hete zon en het geblaas der gure winden
Vol lof is Le Clercq over de drie grote stadspoorten
van Zwolle Ze zijn hecht en zwaar van
bouw en het gezicht van een liefhebber der
bouwkunde waardig De Sassenpoort is een der
stoutste gebouwen die men zien kan Ook heeft
hij bewondering voor het wachthuis aan het eind
van de Kamperpoortenbrug Dat is gebouwd van
Bentheimersteen zo groots en sierlijk dat men
moeite zal hebben om in gansch Nederland een
weerga van dit stuk te vinden Al even imposant is
de Stadswaag de plaats waar de handelsgoederen
gewogen werden De Zwolse waag stond op de
hoek van de Voorstraat en de Luttekestraat Hij
vond het een tamelijk ruim gebouw dat ook tot
pakhuis diende om Hessische en andere Duitse
goederen bomen en stenen te bergen tot er weer
een wagen bevracht kon worden die met elf of
meer paarden getrokken werd Ook de stedelijke
bedrijvigheid liet Le Clercq niet onvermeld
Wat de fabrieken werkplaatsen dezer stad
betreft die bestaan meest in paardenharenknopen
spelden linnen en zoolleer Sedert enige
korte jaren heeft men er eene grote fabryk van
gewevene koussen opgericht een tweede zaagmolen
en twee pelmolens gezet bij die er reeds
waren Bovendien zijn een papierwindmolen
twee zoutketen een lymery een azynmakery eene
fabryk van allerhande zyde stoffen en eene van
Haarlemmer streepjes opgerecht
Wetend dat zijn verhaal ook de aandacht kon
trekken van handelaren beschreef Le Clercq uitvoerig
de voordelen van Zwolle als overslagplaats
Alleen al de ligging dat kon toch niet beter Het
Zwarte Water is bevaarbaar met snikken smakken
en diergelijke schepen en geeft den inwoonderen
daardoor gelegenheid om tot in de Oostzee te
gaan handelen de nodige koopmanschappen uit
Engeland te gaan halen en tot binnen in hunne
stad te brengen Vreemd vond hij dat de handel van
Bedrijvigheid bij het
Rodetorenplein midden
zeventiende eeuw door
Gerard ter Borch 1617
1689 Rijksprentenkabinet
beeldbank
148 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
de stad niet groter was want vervoerders die hun
waren via Zwolle doorvoerden bespaarden wel zestien
of achttien uur wagenvracht En bovendien
Hunne paarden die zij buiten de stad in de
weide jagen kosten hen ook minder dan de helft
van hetgene het voeder hen elders komt te staan
Daarenboven zijn de factoors handelaren te Zwol
zeer bekwaam in hun beroep uitnemend gedienstig
zeer zorgvuldig in het bewaren der goederen
hen aanbetrouwt en ongemeen yverig om dezelve
zodra het geschieden kan te expediren
Een smerige onzindelijke stad
Na deze lofzang op Zwolle is wat tegenwicht op
zijn plaats Misschien is het beter een stad te laten
beoordelen door een vreemdeling iemand die
met een niet vooringenomen blik zijn waarnemingen
doet Maar ach ook die zijn vaak het
resultaat van de waan van de dag Neem het reisverslag
van de Duitse wetenschapper boekenverzamelaar
en reiziger Zacharias Conrad von Uffenbach
16831734 uit Frankfurt De welgestelde
Von Uffenbach en zijn broer reisden in de jaren
17091711 per rijtuig postkoets en trekschuit
door onze gewesten en deden daarbij ook Zwolle
aan Want ook buiten de Republiek waren reizen
naar vreemde streken in opkomst Nog steeds
alleen onder de elite uiteraard maar toch
Het was een studiereis Von Uffenbach
beschreef net als veel plezierreizigers overigens
de cultureelhistorische bezienswaardigheden van
de steden en zijn ontmoetingen met beroemde
personen Hij betitelde de reis als Merkwrdige
Reise in tegenstelling tot een volgende reis naar
de Republiek in 1718 die het predikaat Lustreise
kreeg Maar toen werd Zwolle niet aangedaan
Volgens zijn beschrijving stapten de broers
in Kampen in een bolderwagen naar Zwolle een
rammelende hortende en stotende overhuifde
boerenwagen En dat met een broeinest van een
pruik op zijn hoofd als we af mogen gaan op zijn
statieportret De broers vonden onderdak in logement
Op den Dijck in Het Gekroonde Mnster
Thorbeckegracht 64 Na de vermoeiende reis
was hun humeur er niet beter op geworden Zowel
de huizen en de straten zagen er niet Hollands
uit In tegendeel Von Uffenbach vond de straten
smerig onzindelijk zeer onregelmatig smal en
slecht Hij was een beetje ontstemd omdat hij op
het verkeerde been was gezet door al te lovende
informatie over Zwolle in buitenlandse reisgidsen
Zijn waarneming was anders
Wij bemerkten terstond twee dingen die
geen zeer goed bestuur aanduiden Zoals het
spreekwoord zegt gelijk het uurwerk zo is ook
het bestuur van een stad Ofschoon nu dit spreekwoord
hoofdzakelijk de noodzakelijkheid van een
goed toezicht op het uurwerk zal aanduiden zoo
bemerkten wij toch dat de stad er slecht mede
voorzien is en men zeer weinig en niet wl hoort
slaan en een klokkenspel op de Peperbus zoals
bijna in alle steden der zeven Provincin volstrekt
niet hoort De tweede aanmerking was de onzindelijkheid
der straten hetgeen waarlijk geen klein
gebrek in de politie het beleid van de stad is
waarbij ten derde ook de bedelaars te rekenen zijn
die anders in Holland niet geduld worden
Ook een bezoek aan de Bethlehemkerk zinde Von
Uffenbach niet Er werd net een catechisatiebijeenkomst
gehouden maar er zaten geen kinderen
voor wie de catechisatie toch bedoeld was
maar alleen oude mannen Pas in de Grote of
St Michalskerk verbeterde zijn humeur een beetje
Hij vond het een recht schoon groot helder en
Rechts Interieur van de
Grote of St Michalskerk
een recht schoon
groot helder en voortreffelijk
gebouw met
fraaie preekstoel Door
Jan Gerritsz van Cuylenburg
16281662
Rijksprentenkabinet
beeldbank
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 149
voortreffelijk gebouw en ook de predikstoel was
fraai maar toch niet van het niveau van die in
Bolsward Wat hem wel behaagde was het toen
recente schilderij in de consistoriekamer van
Hendrick ten Oever van vijf Zwolse predikanten
en de koster Zo goed geschilderd was het volgens
hem dat als je het in de kerk van onderaf bekeek je
kon denken dat ze daar levend zaten Het schilderij
heeft de eeuwen overleefd en hangt nog steeds
op dezelfde plaats zodat we onze indrukken met
die van Von Uffenbach kunnen vergelijken Over
de Onze Lieve Vrouwekerk kon hij kort zijn daar
viel niets te zien daar zij sedert lang woest stond
en vrij vervallen was Dat klopte na de Zwolse
beeldenstorm van 1580 werd deze kerk al gauw
voor heel andere dan religieuze doelen gebruikt
Een paar honderd jaar na dato is een kleine
kanttekening wel op zijn plaats Zoals al eerder
gememoreerd was na een blikseminslag een paar
jaar eerder de imposante toren van de St Michalskerk
op 17 december 1682 met groot geraas
in elkaar gedonderd met carillon en al De lege
schatkist van de stad maakte een herbouw onmogelijk
zodat gekozen werd voor het meest haalbare
alternatief in 16861688 werd op de plaats
van de ingestorte toren een achtkantig gebouw
neergezet met daarbinnen de consistoriekamer
Het klokkenspel om de uren aan te geven heel
belangrijk in een tijd waarin niet veel mensen zich
de luxe van een uurwerk konden permitteren
werd overgenomen door de Peperbus de toren
van de Onze Lieve Vrouwekerk
Kein Statt so lustig als sie
Aangemoedigd door de nieuwe reisgidsen maar
soms ook geleid door persoonlijk vormgegeven
avontuur bezocht een kleine stoet aan reizigers uit
binnen en buitenland Zwolle En iedere bezoeker
had zijn geheel persoonlijke belangstelling
Al ontbreekt een kritische noot niet de meeste
plezierreizigers waren overwegend positief over
Zwolle vooral in vergelijking met andere steden
Een kleine greep uit de reisverslagen7
1632 Martin Zeiller Man schreibt von ihr dass
fast in ganz Deutschland kein Statt so lustig liege
als sie
1663 William Lord Fitzwilliam Hij vindt Zwolle
een mooie stad en prijst de vesting met elf bolwerken
en een hoornwerk De preekstoel in de Grote
of St Michalskerk is bijna net zo mooi als die uit
de Oude Kerk in Amsterdam
1697 de in Leiden studerende Engelsman John
Talman De opklapbruggen en fortificaties van
Deventer zijn steviger
Het schilderij van
Hendrick ten Oever
16391716 uit 1691
van vijf Zwolse predikanten
en een koster
Wikimedia Zie ook
p 194
Gezicht op Zwolle met
Diezerpoort rond
1700 door Gerrit Grasdorp
Rijksmuseum
150 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
1749 Theodorus Beckering Het pas gebouwde
tuchthuis is zo fraai dat het meer op een herenhuis
lijkt dan op een spinhuis Hij overnachtte in
logement In den Grooten Toelast Kamperstraat
10 waar de dag ervoor de prins van Hessen
Homburg met gevolg gelogeerd had
1776 JH Dielhelm Zwolle is een van de rijkste en
mooiste steden in heel Overijssel maar de zijstraten
van de grote en schone Markt zijn door het vee en
vooral vanwege de varkens zeer vuil Dat komt ook
door de vele goederenwagens die erdoor rijden
1780 Ernest baron von Knuth Zwolle is een uitstekende
mooie en aangename stad met alleen
en promenades een stad vol handel Een deel van
de straten doet niet onder voor die in Amsterdam
1782 Jakob Friedrich Ehrhart Hij zocht planten
langs de IJsseldijk en in het gebied tussen de IJssel
en de stad Enkele vondsten de heggeduizendknoop
ridderzuring en de Zwolse steenanjer
Een vermakelijke reis in Overijssel
De oude reisverslagen vertellen veel over de
bezienswaardigheden maar weinig tot niets over
de reisomstandigheden Dat is precies omgekeerd
in het schelmenverhaal van Drie liefhebbers uit
Leiden waarschijnlijk studenten die in 1692 een
bootreis maakten vanuit Leiden over de Zuiderzee
en de IJssel Het is een vrolijke geschiedenis waarbij
we de vertelde gebeurtenissen met een flinke
korrel zout moeten nemen maar waarin toch iets
duidelijk wordt van de zeden en gewoonten in
onze contreien Het verhaal geeft bovendien een
mooi beeld van de confrontatie tussen heren uit
betere kringen en de boerenbevolking
Bij vertrek uit Leiden is het jacht van bequame
grote opgetuigd met wimpels vlaggen en een
kanon Met dat kanon kondigen de Leidenaren
in elke plaats hun aankomst en vertrek aan Het
moet een echte plezierreis worden en daarom
hebben ze een bas en violen meegenomen Maar
voorzichtigheid is geboden en daarom zijn er ook
pistolen en snaphanen vuursteengeweren aan
boord om zich zo nodig te kunnen verdedigen
tegen de boeren die ze blijkbaar als een potentieel
gevaar beschouwen Varend in de richting van
de Zuiderzee schieten ze op wild en watervogels
wat ze maar beter niet konden doen omdat dat al
gauw de woede van de boeren wekte
Vrolijk gezelschap voor
een herberg omstreeks
1680 Door Gerrit
Grasdorp Rijksprentenkabinet
beeldbank
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 151
Tijdens de overtocht op de Zuiderzee worden
ze midden in de nacht overvallen door een vele
uren aanhoudende windstilte maar uiteindelijk
krijgen ze het eiland Ens in zicht Ze brengen de
avond door in de herberg die de opperschout
beheert voor schippers en reizigers De heren
halen hun bas en violen tevoorschijn tot groot
vermaak van de eilanders Ze besluiten die nacht
vrolijk te zijn met de voornaamste meisjes die
haar daar selfs om hadden versogt t geen niet
konde gewygerd worden Even later zijn ook de
schout en zijn vrouw de dominee en de schoolmeester
van de partij Als de Leidenaren gaan spelen
is het hele gezelschap al gauw zo enthousiast
datter niet een was of hy danste voornamentlijck
de Boerinnetjes die gekleed waren met korte
rockjes even boven de knijen sprongen wel een
uur aen malkander sonder vermoeyt te worden
De eilandbewoners vertelden na afloop dat ze in
geen vijftig jaar zon plezier hadden gehad
De drie studenten varen de IJssel op en bij de
brug van Kampen schieten ze het kanon weer eens
af Ze pakken hun instrumenten beginnen te spelen
en al gauw staat de brug vol met nieuwsgierigen
Na een ruzie met de tollenaar van Kampen die hen
ten onrechte tol wil laten betalen ze hadden geen
vracht aan boord varen ze verder naar Wilsum
Ook daar bleef hun verblijf niet onopgemerkt In
de plaatselijke herberg vermoedelijk de Zwaan
speelden de heren weer eens een vrolijk deuntje
Dat veroorzaakte zon vreugde in het huisgezin van
de herbergier dat de jongens en meisjes die al in
bed lagen in hun hemdjes aan komen hollen De
vrouw van de herbergier zet de onverwachte gasten
ham vlees boter kaas en spekpannekoeken voor
Als het tijd wordt naar het jacht terug te keren
besluit een van de heren in de herberg te blijven
slapen hij was sinds Leiden niet meer uit de kleren
geweest Hij krijgt een slaapplaats op de hilde
zolder Op de bossen stro waarop hij probeert te
slapen zitten zoveel tandeloze beesten dat het lijkt
of ze er met zijn strobed vandoor willen gaan Eindelijk
in slaap wordt hij zo gebeten door de vlooien
dat hij wild om zich heen zwaait De vloer van de
hilde breekt hij valt naar beneden precies op de
rug van een kalf Dit tot groot plezier van het hele
huisgezin inclusief honden en varkens
Na een akkefietje in Zalk waar de snaphaan
tot vier keer toe weigert bij het schieten op ganzen
en ze maar net aan de woede van boeren ontkomen
varen ze bij Zwolle langs de Katerschans en
andere forten langs de IJssel De heren gaan niet
aan wal omdat er hier behalve die verdedigingswerken
niets te beleven viel In plaats daarvan
varen ze verder naar Deventer en Zutphen op weg
naar nieuwe vrolijke avonturen8
De Grand Tour van Gerard ter Borch de Oude
Hoe was het ondertussen gesteld met de reislust
van Zwollenaren Die was er zoals afgeleid kan
worden uit de aankopen van reisboeken bij Zwolse
boekhandelaren en uit de collectie van bibliotheekbezitters
Veelal zullen het reizen binnen eigen
land zijn geweest maar uit een reisverslag van een
gezelschap Zwolse magistraten blijkt dat ook reizen
buiten de landsgrenzen werden ondernomen In
het voorjaar van 1777 reisden ze via Antwerpen en
Brussel naar Parijs Daar bezochten ze kerken en
bibliotheken en bewonderden ze collecties brillerende
met de allerfraaiste schilderijen en schatten
van allerleij pretieuse silverwerken In 1813 kwam
Lambertus Nilant een kleinzoon van een Zwolse
Gerard ter Borch de
Oude ca 15821662
in 1660 geportretteerd
door zijn zoon Moses
ter Borch Rijksmuseum
152 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
regent erachter dat het stadsleven in Parijs aanmerkelijk
anders was dan in zijn geboortestad Het
krioelde er van menschen de hoeren liepen er door
elkaar dat het een plaizier was om te zien spraken
ons aan namen ons onder de arm en verzogten ons
met hun mee te gaan9
Doorgaans waren dit vrij korte reizen van een
of twee weken Veel langduriger was in die tijd
de zogenoemde Grand Tour Zon reis die soms
langer dan een jaar duurde was tijdens de zeventiende
en achttiende eeuw een populair sluitstuk
van de opleiding en opvoeding van jongelieden
uit de elite Vooral Itali was in trek Dankzij de
Romeinse tijd en de Renaissance werd dat land
gezien als het toppunt van beschaving en cultuur
Een mooi voorbeeld is de Grand Tour van Johann
Wolfgang von Goethe 17861787 Hij maakte
zijn Italienische Reise comfortabel maar soms ook
heel oncomfortabel in koetsen huurrijtuigen af
en toe met een pakket of postboot en soms zelfs
per muilezel Als de omgeving er zich voor leende
legde hij ook hele stukken te voet af
Een Grand Tour kon ook een serieus doel
dienen Vele jonge Europese kunstenaars in spe
maakten een studiereis naar Itali en andere zuidelijke
landen om zich te laten inspireren door de
pracht van steden en natuur Aan het begin van de
zeventiende eeuw reisden ieder voor zich twee
Zwolse jongemannen naar Itali Gerard ter Borch
de Oude en Pelgrom Hardenstein vader van de
latere Zwolse schilder Dirk Hardenstein 1620
1681 Ze hadden hetzelfde doel zich bekwamen
in de teken en schilderkunst Maar het een hoeft
het ander niet uit te sluiten hun Grand Tour
was deels een studiereis en deels een plezierreis
Gerard en Dirk lieten zich met veel geld op zak
van hun ouders graag de geneugten van het
leven onder de Italiaanse zon welgevallen Regelmatig
bezochten ze volkse kroegen Tijdens een
drinkgelag in La Scrofa de Zeug raakten ze zelfs
met elkaar in gevecht Of drank de oorzaak was is
niet bekend maar dat speelde wel een rol bij het
voornemen van Gerard om in 1611 vanuit Napels
de oversteek te maken naar Spanje Dat mislukte
omdat hij in de haven zo in beslag genomen was
door een met drank overgoten afscheid van zijn
landgenoten dat hij de boot miste
Ter Borch had in Itali zijn wilde haren verloren
merkte hij na thuiskomst op Hij was in 1602
vertrokken en keerde pas tien jaar later weer in
Zwolle terug Daar hield hij het tekenen en schilderen
al gauw voor gezien trad in het huwelijk en
verdiende jarenlang een dik betaalde boterham
als convooi en licentiemeester van Zwolle Toch
was zijn Grand Tour niet zonder resultaat hij
maakte in Rome talloze fraaie tekeningen van
Romeinse tempels tuinen en het Colosseum Die
ervaring droeg hij over op zijn kinderen die bijna
allemaal als natuurtalenten te beschouwen zijn
Zoon Gerard ter Borch de Jonge 16171681 zou
een van de beste schilders uit de Gouden Eeuw
worden terwijl dochter Gesina een belangrijke rol
speelde in het bewaren van niet alleen haar eigen
tekeningen maar ook die van haar vader en haar
broers Gerard Harmen en Moses Ook Gerard ter
Borch de Jonge maakte naast reizen door Duitsland
en Spanje een Grand Tour naar Itali10
Ham en room op de Trijselerberg
Onder welgestelde mensen was het in de zeventiende
en achttiende eeuw populair om een
paar maal per jaar een speeltocht te maken
Een uitstapje zouden we tegenwoordig zeggen
Onder stevig toezicht van volwassenen kon dat
uitgroeien tot een galante belevenis voor ongehuwden
om elkaar beter te leren kennen Dat was
mogelijk het geval bij een wandeling die Gesina
ter Borch 16311690 in 1660 met een aantal
vrienden naar de Trijselerberg bij Hattem maakte
Dat was vanuit de Sassenstraat waar ze woonde
een stevige wandeling van ruim 15 kilometer Ze
staken de IJssel over bij het Kleine Veer kochten
ham en room in Hattem en beklommen de Trijselerberg
om zich daar in de schaduw van elzenloof
neer te vlijen voor de lunch Het geluk scheen
eindeloos te duren tot het weer omsloeg De lucht
werd zwart zodat ze zich terug moesten haasten
naar Zwolle Op het veer begon het te donderen
en bliksemen Drijfnat na een dag van vreugde
en een uur van verdriet zoals Gesina het in een
gedicht over deze wandeling uitdrukte kwamen
ze een tijdje later door de Sassenpoort behouden
thuis Vermoedelijk is het hier geparafraseerde
gedicht van Gesina de eerste beschrijving van een
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 153
wandeling naar de Trijselerberg Tot aan het begin
van de twintigste eeuw kon je daar genieten van
een wijds uitzicht over de hele omgeving Geen
wonder dat een bezoek aan de Trijselerberg zou
uitgroeien tot een echte Zwolse klassieker onder
plezierreizigers en later toeristen Behalve het
gedicht maakte Gesina ook een aquarel die vermoedelijk
door deze dag is genspireerd Tegen de
achtergrond van de IJssel en Hattem zien we hoe
Gesina liefdesletters in een boom kerft11
Toerisme in eigen tuin
Ook in de achttiende eeuw bleef het aantal plezierreizigers
relatief klein Maar er kwam in die
tijd ook een andere vorm van vrijetijdsbesteding
bij Meer en meer welgestelde stedelingen kochten
in navolging van de adel een landgoed enof buitenplaats
in de omgeving Er ontstond een buitenplaatscultuur
op een plek waar de eigenaren in het
voorjaar en de zomer de drukte en de stank van
de stad konden ontvluchten Op het land vonden
ze een rustige schone en veilige omgeving die ze
bovendien naar hun eigen hand konden zetten
Dat wilde ook zeggen laten zien hoe welvarend
ze waren Landschapsarchitecten legden er naar
de nieuwste mode parken en tuinen voor vermaak
aan Na de kunstmatige rechtlijnige Franse
parkinrichting volgde de Engelse romantische
landschapsstijl Door mensenhanden werden
parken herschapen in wilde natuur Er waren
door bomen omzoomde lanen slingerpaadjes
met rododendrons vijvers heuveltjes en prieeltjes
voor een kop thee Voor de dames die hun blanke
huid wilden behouden werd een berceau aangelegd
een beschaduwd laantje van tot een boog
gesnoeide bomen
Bij voorkeur lagen die buitens dichtbij Zwolle
zoals Twistvliet Zandhove Boschwijk Landwijk
Kranenburg en Soeslo Met een rijtuig vaak in
eigen bezit waren ook andere Sallandse buitenplaatsen
en landgoederen makkelijk te bereiken
zoals De Horte Mataram Den Berg Den
Aalshorst Rechteren Vilsteren De Colckhof en
Den Alerdinck Een buitenplaats leek in zekere zin
wel een hedendaags vakantieresort een idyllische
veilige plek waar je onbelemmerd kon genieten
zonder bijna een stap te verzetten Maar s winters
was het er vaak te koud en omdat de kostverdieners
Gesina ter Borch heeft
zichzelf getekend
terwijl zij initialen in
een boom kerft 1661
Rijksmuseum
154 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
op veel dagen in de stad moesten zijn voor werk of
bestuurlijke verplichtingen reisden ze regelmatig
tussen de stad en buitenplaats heen en weer
Omdat de eigenaren van die buitenplaatsen
elkaar vaak tegenkwamen in de toen bloeiende
sociteiten lag het voor de hand dat uitnodigingen
volgden om elkaars buiten eens te bezoeken
Een buitenplaats met grote aantrekkingskracht
was Boschwijk van de Zwolse regent patriot en
dichter Rhijnvis Feith 17531824 Feith kocht
het in 1781 Het was een langgerekt bebost terrein
dat direct opviel in het open landschap waardoor
het omringd was Als dichter en romanticus lag
het voor de hand dat hij het landgoed transformeerde
tot een arcadisch landschap in de Engelse
landschapsstijl Zo aantrekkelijk was de combinatie
Feith en Boschwijk dat de buitenplaats regelmatig
bezocht werd door zijn vrienden uit Zwolle
maar ook door bekende literatoren Onder de titel
Een middag op Boschwijk schreef JA Molster
een impressie van zon vriendenbezoek aan Feith
Het gezelschap bestond die middag uit Rhijnvis
Feith Willem Bilderdijk advocaat en dichter
schrijver Johannes van der Palm hoogleraar
en dichter Jan Frederik Helmers zakenman
en dichter Elias Annes Borger hoogleraar en
dichter en de auteur Johannes Adriaan Molster
advocaat en essayist
Zicht op Boschwijk
omstreeks1820
Geschilderd door
Louis Rhijnvis Feith
17831845 zoon van
de dichter Collectie
Allemaal Zwolle vh
Stedelijk Museum
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 155
Het is een zwoele dag den 3 Augustus van het
jaar 1806 Wel te beklagen degeen die in het zweet
zijns aanschijns zijn brood toen winnen moet
Gelukkig die onder het lommer zich kan neervleijen
en al het genot smaken dat een zomerdag
zoo ruimschoots geeft zonder er de hitte van
te moeten torschen Ik weet niet hoe het mijne
lezers gaat doch als ik soms in de brandende zonnehitte
een eindweegs moest afleggen en een tuin
voorbij liep waar ik eenig gezelschap kalm rustig
en vooral koel onder een boom of in een koepel
bijeen zag dan bekroop mij dikwijls een gevoel
van afgunst en vond ik die gelukkigen zeer onbeleefd
en onmenscheljk dat ze mij niet uitnoodigden
mij armen wandelaar om bij hen plaats te
nemen en wat uit te blazen Ik leid u lezers op
dien warmen derden Augustus buiten onze vaderlandsche
stad Zwol Ge beklaagt het u ligt dat ik
u in die hitte medetroon en aan al de kwellingen
der middagzon bloot stel doch wij ontmoeten
vriendelijke goede menschen die ons niet zullen
weigeren als wij aankloppen en als het u lust
willen wij op het vriendelijk gezellig Boschwijck
een weinig uitrusten van de vermoeijenissen des
daags Boschwijck behoort onzen Rhijnvis Feith
Het zal er ons niet vervelen na een oogenblik rust
zal het ons ook nog eene aangename wandeling
aan bieden Ziet slechts die breede lommerrijke
lanen dien klaren vijver en al de Engelsche partijen
door den eigenaar zelven ontworpen en met
zorg nagegaan Het heeft eene tamelijk groote uitgestrekheid
en als ge tot het einde gaat waartoe
wij al langzamerhand naderen kunt ge uit dien
koepel die op dat heuveltje gebouwd is een charmant
uitzigt genieten op de omstreken van Zwol
en op de vette weilanden12
De multifunctionele bastions
Nederlanders zijn net als de Duitsers en de Engelsen
een volk van wandelaars Onder invloed van
de Romantiek denk aan invloedrijke auteurs als
Rousseau Goethe en later Wordsworth ontstond
ook onder de middenklasse een wandelcultuur
Zo hooggestemd als deze voorgangers hoefde een
Kaart van Zwolle met
de bastions getekend
vanwege de inname van
Zwolle door de bisschop
van Mnster in 1672
door de Vlaamse tekenaar
en graveur Gaspar
Bouttats de Oude ca
16401695 Delpher
Het Geheugen
156 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
minder romantische wandelaar overigens niet te
zijn wandelen in of buiten de stad was onder goede
weersomstandigheden gewoon een prettig tijdverdrijf
Het lijkt erop dat het Zwolse stadsbestuur
zich daar heel goed van bewust was Het creerde
kleine aanpassingen in de stad die het wandelen
misschien is flaneren een beter woord konden
veraangenamen Veel geld mocht het niet kosten
Het oog viel op de mogelijkheden die de alweer
honderd jaar oude verdedigingswerken boden
Na het einde van de Tachtigjarige Oorlog en
het tumult van de bezetting van de troepen van
Bommen Berend in 16721674 hadden de verdedigingswerken
gaandeweg hun oorspronkelijke
functie verloren en een nieuwe oorlogsdreiging
was niet in zicht Toch konden ze niet worden
afgebroken In opdracht van de afdeling Beheer
van s Lands fortificatin van de StatenGeneraal
was Zwolle verplicht de verdedigingswerken zo
goed mogelijk te onderhouden De oplossing van
het stadsbestuur was even vernuftig als goedkoop
Ze gaf toestemming voor het vestigen van leerlooierijen
en touw en lijnbanen goed voor de
stedelijke werkgelegenheid n ze liet de wallen en
de bastions beplanten met rijen bomen zodat het
er in de schaduw prettig wandelen was
Kijklustige wandelaars waren er al vanaf het
prille begin geweest maar die wandelaars kwamen
tot dan toe vooral om de sterkte van de verdedigingswerken
te bewonderen Nu verschoof
de aandacht naar het wandelen zelf De bastions
boden de wandelaar een totaalbeleving Wie toen
een bastionwandeling maakte kwam zintuigen
tekort je rook van verre de geur van graan olie en
eek eikenbast gebruikt bij het leerlooien en al
bij een beetje wind hoorde je het draaien van de
wieken En wie genoeg had van de molens kon de
arbeiders zien zwoegen op de leerlooierijen en de
lijn en touwbanen Of de doorsnee achttiendeeeuwer
dat ook zo ervoer is maar de vraag de stad
was ook buiten de bastions al vol van dat soort
geluiden en geuren
Pas in 1790 kreeg Zwolle de vrijheid te doen
met de fortificaties wat het wilde De gedachte
Gezicht op Zwolle met
Kamperpoort en Peperbus
door Pieter Jan van
Liender 17271779
Omstreeks 1760 Ongeveer
hetzelfde uitzicht
dat Harm Boom zie
pagina 170 had vanuit
zijn kamer in logement
De Zeven Provincin
in 1846 Rijksprentenkabinet
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 157
ging uit naar slopen De ironie wil dat vijf jaar
later toch weer een vijand voor de deur stond in
de winter van 17941795 viel het Franse revolutionaire
leger ons land binnen dat tot eind 1814
samen met het Bataafs patriottisch bestuur aan
de touwtjes bleef trekken Daardoor zou het nog
flink wat jaren duren voor de Zwolse bestuurders
een definitief besluit over de oude vestingwerken
namen Ondertussen kwamen plezierreisjes op
een laag pitje te staan
De stad is een onregelmatige veelhoek geworden
Na het vertrek van de Fransen werden onze
gewesten deel van het Koninkrijk der Nederlanden
en trad een lange periode van herstel in Toen
de rust was teruggekeerd kregen sinds lange tijd
plezierreizigers weer de kans op stap te gaan
In de zomer van 1823 wandelden twee Leidse
studenten Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp
honderden kilometers door het nieuwe
Koninkrijk Ze vertrokken op 28 mei uit Amsterdam
en kwamen op 12 juli in Zwolle aan Door
het slechte weer hadden ze vanuit Kampen de
trekschuit genomen Toen ze bij de Kamperpoort
van boord gingen was het maar een paar minuten
lopen naar logement de Zeven Provincin op de
hoek van de Hoogstraat nu Harm Smeengekade
van Jan Held een onderkomen voor heren
van stand Net als in elke andere plaats waar de
studenten verbleven legden ze meteen contact
met de stedelijke elite Maar dat viel aanvankelijk
tegen Gouverneur van Overijssel Bentinck tot
Buckhorst ontving hen in zijn ambtswoning in
de Diezerstraat beleefd maar koel en bleef staan
want hij was in groot kostuum en scheen haast te
hebben Meer Zwolse gastvrijheid ondervonden
ze van Herman Tobias de stadssecretaris Zijn
vrouw nodigde hen uit te komen souperen wat
uitpakte in eene heerlijke Fransche soep Daarna
wilden Van Lennep en Hogendorp wel iets van
Zwolle zien En net als de meeste hen voorafgaande
plezierreizigers kozen ze voor een wandeling
over de bastions
De Heer Tobias kwam ons zoals hij beloofd
had om vier uur afhalen Hij leidde ons over
de stadsschansen rond die met hoge en zware
bomen beplant waren De bolwerken heeft men
echter helemaal bedorven doordat er kleine tuintjes
ingevoegd zijn en een gedeelte van de gracht
gedempt is De stad is daardoor een onregelmatige
veelhoek geworden In een sociteit buiten de stad
dronken wij thee wandelden over enige fraaie
lanen en daarna door een bekoorlijke landstreek
met een aangename afwisseling van korenvelden
en weilanden De akkerlanden om de stad zijn
veel geld waard en worden hier berekend per mud
zaaigoed Na onze wandeling schreven wij brieven
en gingen tegen half twaalf naar bed
Te acht ure stapten wij
in den Buikslooter het
begin van de reis door
Nederland van Jacob
van Lennep en Dirk
van Hogendorp op 28
mei 1823 Uit Nederland
in den goeden
ouden tijd 1942
158 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
Een beetje gelijk hadden de heren uit Amsterdam
wel de vestingwerken waren in de loop der jaren
een rommeltje geworden Maar ondanks deze
wrevelige woorden maakte Zwolle een prettige
opgewekte indruk op ze De volgende dag wandelde
Tobias met hen naar de Grote Markt waar een
aantrekkelijke rij schoonheden aan het luisteren
was naar veldmuziek van de dragonders van het
Zwolse garnizoen Na een kop koffie in de Groote
Sociteit in de Koestraat nam hij hen mee voor
een wandeling langs het Zwartewater Ze genoten
van de prachtige vergezichten op de fraaie buitenplaatsen
langs de oever Ongetwijfeld hebben
ze hun oog laten vallen op de Ketelkolk aan de
Gasthuisdijk en op buitenplaats Twistvliet dat een
paar jaar eerder was aangekocht door houthandelaar
Eindhoven Enigszins verrast merkten ze op
dat het Zwartewater inderdaad zwart van kleur is
maar dat als je het water in een glas doet het wit
en helder is Weer terug bij de Zeven Provincin
was het buitenplein stampvol met Zwollenaren
die luisterden naar het tweede concert van het
garnizoen
Op de derde dag van hun verblijf in Zwolle
nam Tobias zijn gasten mee voor alweer een klassieke
wandeling Langs de pas aangelegde Willemsvaart
1819 wandelden ze naar het Katerveer
om daar met een boot de IJssel over te steken
Hattem vonden de gasten een ellendige vervallen
stad waar de straten zo slecht geplaveid waren
dat je er niet doorheen kon rijden Dat deden ze
dan ook niet Ze wandelden door korenvelden
over de hei naar de Trijselerberg waar ze van het
uitgestrekte panorama genoten tot Nijkerk aan
toe Beneden zagen ze dat het Huis Molecaten verworden
was tot een woonplaats voor honden Wel
waren de twee papiermolens van het landgoed in
bedrijf aangedreven door een beekje dat van de
berg af huppelde Weer terug in Zwolle maakten
ze nog een avondwandeling rond de stad wederom
onder leiding van de onvermoeibare Herman
Tobias Zo kwam een einde aan drie dagen sightseeing
Zwolle Het verblijf was Van Lennep en Van
Hogendorp goed bevallen Logement de Zeven
Provincin vonden ze zelfs het beste onderkomen
dat ze tot dan toe waren tegengekomen De vol
Logement de Zeven
Provincin op de
Beestenmarkt nu
Harm Smeengekade
omstreeks 1830 Het
logement beschikte over
een stalling voor vijftig
paarden en een ruim
wagen en koetshuis
Collectie HCO
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 159
gende dag was Tobias zo galant de heren met zijn
wagen met harddravers de stad uit te rijden in de
richting van Meppel Na een rit van drie uur kwamen
ze aan bij buitenplaats de Rollecate van baron
Van Dedem de stichter van het gelijknamige
kanaal Daar namen ze afscheid van hun gastheer
en bedankten hem voor al zijn vriendelijkheden
Met recht lijkt ons Herman Tobias verdient de
eretitel van de eerste stadsgids van Zwolle13
Het verleden wordt gesloopt
Vijftien jaar na het bezoek van Van Lennep en Van
Hogendorp nam de gemeente onder het bestuur
van burgemeester Vos de Wael een kloek besluit
met ingrijpende gevolgen In 1838 presenteerde het
college een plan voor de uitbreiding van Zwolle De
tijden en de omstandigheden zijn aanzienlijk
veranderd Sedert het laatst der vorige eeuw is Zwolle
gelukkig geene vesting meer Het beleid moest daarom
honderdtachtig graden worden bijgesteld
Oudtijds was men genoodzaakt de stad zoo
veel mogelijk ontoegankelijk te maken en ze tot
een groot bolwerk te stichten Thans kan men ze
geheel penstellen en de huivering verwekkende
bolwerken bastions en hooge wallen kunnen nu
tot aangenaame lustplaatsen en wandeldreven
aangelegd worden
Met voor Zwolle ongewone voortvarendheid
werd het plan gerealiseerd Vijf jaar later vertelde
burgemeester Vos de Wael trots tegen de raadsleden
dat de oude nauwe poorten zonder bouwkundige
waarde waren gesloopt en opgeruimd
De hoge wallen en borstweringen waren veranderd
in aangename wandeldreven
De kaart van Zwolle
omstreeks 1860 met de
begroeiing op de bastions
groen ingekleurd
Collectie HCO
160 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
En zo was het de stadsmuren en de meeste
grote en kleine poorten waren verdwenen de
Diezerpoort al in 1829 de Kamperpoort in 1833
Alleen de Sassenpoort overleefde de sloophamer
waarschijnlijk omdat die van de drie stadspoorten
nog het meest in goede staat verkeerde We
zouden de stadsbestuurders deze vernietiging van
het historisch erfgoed kunnen verwijten maar zij
keken er niet met de ogen van onze tijd naar Ook
na hen zouden Zwolse bestuurders vergelijkbare
keuzes maken En daarin had de burgemeester
gelijk door het sloopwerk was er ruimte gekomen
voor aangename lustplaatsen en wandeldreven
Een kaart uit het midden van de negentiende
eeuw laat zien dat alle elf bastions waren herschapen
in plantsoenen en lanen met dubbele rijen
bomen Ze waren nadrukkelijk bedoeld voor de
Zwolse gemeenschap om te wandelen een soort
toerisme in eigen stad Openbare of publieke
wandelingen werden ze genoemd Veel geld
was daar niet mee gemoeid want de gemeente
vond een oplossing waarbij het mes aan twee
kanten sneed zoals een bezoekster van onze stad
opmerkte
Alle werk aan stadswallen en wandelingen
wordt meestal in den winter verrigt wanneer
velerlei andere arbeid stil staat en dus vele lieden
bij gebrek aan werk zouden moeten bedelen Op
die wijze is de verfraajing der stad dienstbaar
gemaakt aan het hier aangenomene beginsel
ook bij het armwezen dat de ledigheid nimmer
mag gevoed en de ondersteuning aan lieden die
gezond zijn in arbeid moet verstrekt worden14
De openbare wandelingen werden al snel populair
onder Zwollenaren Ze lagen aan de rand van de
stad en dat was alleen al door de betrekkelijke
rust die dat bood aantrekkelijk voor welgestelden
om er een stadsvilla te bouwen Bij de latere
verkoop van een huis op zon locatie werd in de
advertenties dan ook nooit onvermeld gelaten
dat het gelegen was aan de openbare wandeling
De Suikerberg aan de Potgietersingel was een van
de populairste wandelingen in de stad Het park
was al veel eerder voorbestemd om wandelplaats
te worden Coenraad Willem baron van Dedem
16441714 volgens tijdgenoten een vermaard
krijgsman uit de Spaanse Successieoorlog kreeg
Het in 18401841
gebouwde Paleis van
Justitie op de plek van
de daar gesloopte wallen
ca 1845 Getekend
door FAC Hoffmann
onder supervisie van
J Plgger Foto collectie
HCO
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 161
van het stadsbestuur het recht het bastion met
bomen te beplanten en in te richten als wandeling
Hij kon vanuit zijn huis Koestraat 10 door
een gang onder de stadswallen zijn privwandelplaats
bereiken Eeuwenlang stond de Suikerberg
daarom ook wel bekend als het Bestevaershofje
of Bestevaers wandeling15
De metamorfose die Zwolle had ondergaan
mocht gezien worden Veel was gesloopt maar
velen vonden in die tijd dat de stad er door de aanleg
van de openbare wandelingen een stuk mooier
door was geworden Stadstekenmeester Jacob
Plgger 17951871 leraar aan de Zwolse tekenschool
zag er brood in en vroeg de jonge Zwolse
tekenaar FAC Hoffmann 18221889 een aantal
stadsgezichten te maken Dat leverde zes fraaie
gravures op stuk voor stuk gemaakt enkele jaren
na de aanleg van de openbare wandelingen Iedere
Zwollenaar zal zich na het zien van de prenten
hebben gerealiseerd de stad heeft een heel ander
aanzien gekregen
Het Engelse Werk
En er was meer In de negentiende eeuw werden
ook wandelingen buiten de grachtengordel aangelegd
Populair was de brede met bomen omzoomde
weg langs de Willemsvaart naar het Katerveer
Onderweg kon de wandelaar nog even iets nuttigen
bij het Koffie en Roomhuis van Tijssen Bij
het Katerveer troffen de wandelaars reizigers aan
uit de richting van Hattem die net met het veer de
IJssel waren overgestoken Logement en Koffiehuis
Katerveer was erg populair Van der Aa schreef in
zijn Handboekje voor reizigers 1849 Des zomers
heeft hier veelal des Zondagsnamiddags muziek
plaats en komen dan de Zwollenaren en Hattemers
derwaarts wandelen Hij vergat nog de zondagse
danspartijen die er georganiseerd werden16
Een en ander was goed te combineren met
een wandeling door het Engelsche Werk In 1828
had de gemeente besloten de oude verdedigingswerken
in het Nieuwe Werk te slopen om er door
architect Van Lunteren uit Utrecht een openbare
wandelplaats te laten aanleggen In de jaren dertig
werd dat plan gerealiseerd door inzet van Zwolse
werklozen Het geeft aan dat de gemeente Zwolle
belang hechtte aan groen in of nabij de stad
omdat juist in die jaren de financile toestand van
de stad vrij slecht was De naam van het park verwijst
naar de Engelse landschapsstijl die toen in
de mode was Wandelaars konden er genieten van
de volmaakte stilte en van den waarlijk schoonen
aanleg der heuvelachtige en waterpartijen17
Deel van het plan voor de renovatie van het Wandelpark genaamd het Nieuwe
Werk te Zwolle uit 1878 van de landschapsarchitect Wattez uit Bussum
Uit Rapport Historisch overzicht van het Engelse WerkSpoolderbos
162 jrg 37 nr 3 zwols historisch tijdschrift
Toch was het Engelse Werk niet meteen een
succes Het lag toch wel wat ver van de stad En
het werd er allemaal niet mooier op toen in 1864
de spoorlijn ZwolleUtrecht dwars door een deel
van het park werd aangelegd Mismoedig stelde
de raad vast dat het afgesneden stuk niet meer als
wandelplaats werd gebruikt en langzamerhand
een dichtbegroeide wildernis was geworden die
tot niets dient In 1878 liet het gemeentebestuur
een plan maken het park zo in te richten dat er
een schoone gelegenheid voor een rijtoer te verkrijgen
zou zijn Wat aangeeft dat de doelgroep in
die jaren nog steeds bestond uit de betere standen
Maar dat zou veranderen Tegenwoordig is het
park populair bij vele Zwollenaren Door zorgvuldig
beheer was en is het park alleen al bijzonder
door de rijke flora en fauna OudZwollenaar
Eli Heimans 18611914 natuurbeschermer
en schrijver van vele boeken over alles wat leeft
en bloeit kwam speciaal voor het Engelse Werk
graag nog eens terug naar zijn geboortestad
De laatste week van de vorige zomervacantie
heb ik te Zwolle doorgebracht t Was de heele
Maandag drukkend warm geweest zoo warm dat
ik geen lust had in t open veld of langs de dijken
te gaan botaniseeren Thuis blijven dus Neen
daarvoor is men immers in de vacantie niet buiten
Dan maar in de late namiddag naar
t Nieuwe Werk zoo als de officiele naam luidt of
naar t Engelsche Werk zoo als de Zwollenaars het
noemen Dat Engelsche Werk nu is een park zoo
mooi als er weinig in ons land zijn Misschien ben
ik in dit opzicht niet onbevooroordeeld maar mij
dunkt het Haagsche bosch en de Haarlemmerhout
zijn niet mooier18
Al in de negentiende eeuw was in het Engelse
Werk een prettige gelegenheid nu Uitspanning
Het Engelse Werk voor dorstige wandelaars Wie
te moe was om terug te wandelen kon zich bij het
Katerveer met een wagen naar Zwolle laten rijden
en vanaf 1885 met de paardentram Ideaal voor
gezinnen met kleine kinderen
Wandelboekje voor
natuurvrienden door
Heimans en Thijsse
1901 Collectie auteur
Het Engelse Werk omstreeks 1900 Collectie auteur
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 3 163
Op reis naar Zwolle
In de negentiende eeuw groeide het aantal plezierreizigers
gestaag Die kwamen hier merendeels
met schepen of rijtuigen aan Zwolle maakte deel
uit van een wijdvertakt netwerk van schepen
trekschuiten gewone schuiten zeilschepen
diligences vanuit en naar alle delen van het land
Over de weg was postwagenonderneming Concordia
van W en A Visscher en A Kiesebrink
een belangrijke vervoerder van post maar ook
van passagiers Het bedrijf was gevestigd bij logement
de Keizerskroon in de Kamperstraat De
paarden werden aan de achterkant op de Ossenmarkt
gestald Maar

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2020, Aflevering 1

Door 2020, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
37e jaargang 2020 nummer 1 850 euro
Z
w
o
l
l
e
i
n
j
a
r
e
n
v
a
n
o
o
r
l
o
g
1
9
4
0

1
9
4
5
2 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Suikerhistorie
Hotel Peters Grote Markt 11
Al eeuwenlang heeft Grote Markt 11 een horecafunctie
Tot 1887 stonden er op deze plek twee
panden die toen werden samengevoegd Het stond
bekend als Het Heerenlogement In 1937 kwam het
pand in bezit van PH Peeters die de naam wijzigde
in Hotel Peters Het behoorde tot de betere hotels
van de stad Het was dan ook niet verwonderlijk
dat het hotel in de Tweede Wereldoorlog gevorderd
werd door de Duitse Wehrmacht en dienst ging
doen als Wehrmachtheim voor het hogere Duitse
militaire kader Ook Nederlandse jongemannen
die wilden toetreden tot de Waffen SS werden hier
ter keuring opgeroepen Andere Wehrmachtheime
waren gevestigd in de Groote Sociteit Koestraat
8 en in cafrestaurant Centraal Sassenstraat 39
nu caflunchroom AnneMax In de oorlog bleef
Peeters zo goed en zo kwaad als dat ging zijn zaak
runnen Er vonden onder meer vergaderingen plaats
van organisaties die door de Duitsers niet verboden
waren zoals een waterschap Peeters verschafte zelfs
in het hol van de leeuw op zolder af en toe onderdak
aan onderduikers
In Wehrmachtheime konden Duitse militairen
in hun vrije tijd genieten van een hapje en een
drankje van muziek en soms van films Andere
deutschfreundliche cafs trof men aan in de Broerenstraat
op nr 10 onder de naam Deutsche Bierstube
nu Brasserie Dunnik en aan de Oude Vismarkt
op nr 38 naast het oude postkantoor Daar
kon men in cafrestaurant Victoria terecht
voor Gepflegte Biere en een Prima Kche
Peeters overleed in 1948 Het hotel werd achtereenvolgens
overgenomen door H Snijder en in
1968 door de heer Dijkstra Het werd toen Hotel
Dijkstra Tegenwoordig huisvest het de broodjeszaak
Vitos en restaurant La Meridiana genoemd
naar de achttiendeeeuwse zonnewijzer op het dak
Wim Huijsmans
Collectie ZHT
Hotel Peters tijdens de
Tweede Wereldoorlog
als Wehrmachtheim
voor Duitse officieren
Er stonden permanent
schildwachten voor de
deur Collectie HCO
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 3
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
Dagelijks leven in Zwolle tijdens de oorlog
In doorlopende lijn Frank Inklaar en
Jan van de Wetering 4
De bevrijding bracht de burgemeester van
Zwolle geen verlossing Sander van Walsum 5
Chaim en Selma EngelWijnberg getuigen over
vernietigingskamp Sobibor Piet den Otter 12
De deportatie van Zwolse Joden
Foto Keersluisbrug
Annt Bootsma van Hulten 22
Het levensverhaal van een vondelingetje
Hetty Hulshof leefde in twee werelden
Annt Bootsma van Hulten en Steven ten Veen 25
Zwolle gezien door Duitse ogen
De fotos van Gerhard Sandmann
Annt Bootsma van Hulten 33
Militair erfgoed in Zwolle en omgeving
Michael Klomp 44
In de schaduw van Leo Major drie Canadese
bevrijders die sneuvelden bij Zwolle
Jan Braakman 56
In memoriam Ger Dekkers Joos Lensink 65
Auteurs 66
Redactioneel
We leven in een oorlog kun je horen
in deze barre tijden anno 2020
Wat daar ook van zij en hoe anders
ook de oorzaken en omstandigheden ze brengen
de beleving van angst en onzekerheid van willekeur
en het gevoel overgeleverd te zijn misschien
wel dichterbij dan ooit Ook nu is het gewone bijzonder
en het bijzondere al bijna gewoon Ook nu
75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog
is vrijheid geen vanzelfsprekendheid
Het geeft dit eerste nummer van 2020 van het
Zwols Historisch Tijdschrift een andere lading
En de dag waarop het in de brievenbus of op de
deurmat kan vallen is op het moment van schrijven
van dit redactioneel nog ongewis Zeker is in
ieder geval dat het niet meer vr 14 april de dag
waarop Zwolle in 1945 werd bevrijd kon verschijnen
Zeker is ook dat enkele artikelen niet konden
worden opgenomen omdat bronnen en personen
niet of moeilijk bereikbaar waren
De inhoudsopgave hiernaast laat heel uiteenlopende
soms onvoorstelbare verhalen en
beelden zien van strijd moed leed wanhoop
toeval pech geluk macht en onmacht alledaagsheid
dat alles in jaren van oorlog de periode
19401945 Jaren ook van hoop En van verlangen
naar Vrijheid
Cover Met waterverf ingekleurde tekening
anoniem Particuliere collectie
4 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Dagelijks leven in Zwolle tijdens de oorlog
In doorlopende lijn
De dramatische gebeurtenissen in Zwolle
tijdens de Tweede Wereldoorlog steken
schril af tegen het leven van alledag dat
in aangepaste vorm gewoon doorging De Zwollenaren
gingen al na een paar dagen weer naar
hun werk naar de markt naar de winkels naar
de bioscoop naar de kermis of naar een voorstelling
In de zomer sprongen ze in het water en in de
winter trokken ze hun schaatsen aan Kortom ze
probeerden waar mogelijk al die dingen te doen
die ze vr de oorlog ook al deden
Als contrast met het oorlogsleed in de artikelen
in dit tijdschrift hebben we een willekeurige
keuze gemaakt uit de nietoorlogsgerelateerde
berichten in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche
Courant Zwolse Courant De berichten
staan in chronologische volgorde onderaan de
bladzijden en lopen in een doorgaande lijn door
het hele tijdschrift heen het eerste bericht is van
de dag vr de invasie het laatste bericht is van
een dag vr de bevrijding Tot ver in 1944 zijn er
berichten over dagelijks vertier Langzaam maar
zeker verdwijnen die evenals de advertenties
waarin winkels hun waar aanprijzen De oorlogsgebeurtenissen
gaan de steeds dunner wordende
krant domineren Toch gaat ook dan onder moeilijke
omstandigheden het leven door met zijn
jubilea begrafenissen openingstijden verhuisberichten
aanbod van zelfgemaakte kledingstukken
en huizenverkoop
Nog volop advertenties hier in de
Zwolse Courant van 2 oktober 1941
Wel al veel surrogaatproducten
of producten op de bon Delpher
1940 9 mei Tamse heeft een beeldige sorteering Moederdagcadeautjes 10 mei Huisvrouwen Er is noodig een groot aantal scho Frank Inklaar en
Jan van de Wetering
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 5
De bevrijding bracht de burgemeester
van Zwolle geen verlossing
Hij was de eerste burgemeester in Nederland die
tijdens de Duitse bezetting werd ontslagen Maar
na de bevrijding werd dat ontslag niet ongedaan
gemaakt vijf jaar eerder had hij kritiek geuit op
de vlucht van de koningin Dat was een vorm van
heiligschennis in het Nederland van 19451
In het stadhuis van Zwolle aan het Grote Kerkplein
zal het op zaterdagmiddag 14 april 1945
niet hebben gegonsd van de bedrijvigheid
Buiten werden de Canadese bevrijders hartstochtelijk
door de Zwollenaren begroet Elders in de
stad maakten burgers voortvarend een begin met
de verwijdering van de Duitse verkeersborden
Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten BS
van wie velen pas net tot de illegaliteit waren
toegetreden brachten NSBers moffenmeiden en
andere verdachte elementen over naar het Huis
van Bewaring aan de Menno van Coehoornsingel
Tezelfdertijd voltrok zich in de beslotenheid
van het stadhuis een kleine tragedie Oudburgemeester
Arnoldus van Walsum 55 had zich te
voet van zijn huis aan de Wipstrikkerallee naar
zijn oude werkplek begeven in de verwachting
daar als waarnemend burgemeester te worden
begroet Kort tevoren had de plaatselijke leiding
van de BS hem verzocht na de bevrijding het
burgemeesterschap tijdelijk op zich te nemen
Maar eigenlijk verwachtte Van Walsum de eerste
burgemeester in Nederland die op 26 juni 1940
wegens zijn antiDuitse houding was ontslagen
dat hij definitief in zijn ambt zou worden hersteld
Van die illusie werd hij meteen beroofd
Althans van de illusie dat zijn herbenoeming een
uitgemaakte zaak was Bij het betreden van zijn
werkkamer bleek namelijk dat hij niet de enige
was die aanspraak maakte op het burgemeesterschap
van de hoofdstad van Overijssel Achter het
bureau trof hij jonkheer Maurits van Karnebeek
aan de man die hem in 1940 na een kort interregnum
van waarnemend burgemeester jonkheer
Strick van Linschoten was opgevolgd
Van Karnebeek was een typische burgemeester
in oorlogstijd In een poging de stad voor een
NSBburgemeester te behoeden had hij contrecoeur
met de bezettingsautoriteiten moeten
samenwerken Om in september 1944 na de
deportatie van bijna 500 van de circa 800 Zwolse
Joden en de gedwongen tewerkstelling van veel
Zwolse mannen alsnog tot het inzicht te komen
dat de Duitsers niet tot compromissen geneigd
waren Hij verliet zijn post en dook onder
Van Walsum die in februari 1938 in Zwolle
was benoemd had dit hellende vlak niet willen
betreden Al na de zogenoemde Kristallnacht
in november dat jaar waarbij 92 Joden in nazi
Duitsland om het leven waren gebracht en Joodse
Arnoldus van Walsum
1890 1957 Collectie
HCO
one leege fleschen blikken trommels en weckglazen in te leveren aan de Huishoudschool Emmastraat 23 mei De voetbal begint weer
Sander van Walsum
6 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
eigendommen op grote schaal waren vernield
kwam hij tot de slotsom dat mocht Nederland
ooit worden bezet geen vruchtbare samenwerking
met de Duitsers mogelijk was
Die houding leidde meteen op 10 mei 1940
de eerste dag van de bezetting tot een aanvaring
met de nieuwe machthebbers Een Duitse officier
verlangde van hem dat hij burgers de opdracht
zou geven een wegversperring op te ruimen die
het Nederlandse leger bij zijn overhaaste terugtocht
had achtergelaten Van Walsum verwees de
officier naar de spierkracht van zijn eigen manschappen
Als die in staat waren geweest Zwolle
in enkele uren te bereiken zouden ze zeker een
simpele barricade kunnen verwijderen
Op 12 mei kwam het opnieuw tot een botsing
een Duitse officier informeerde naar de plaats
van het meest nabijgelegen vliegveld De burgemeester
liet hem weten deze inlichtingen niet te
kunnen verstrekken En daarmee was de toon
gezet voor het restant van zijn burgemeesterschap
Van Walsum verzette zich tegen de vestiging van
Duitse instanties in Zwolle hij maakte bezwaar
tegen feesten van Duitsers na de sluitingstijden
van de horeca hij probeerde het ontslag van een
Joodse kelner ongedaan te maken en hij weigerde
de Duitsers meerdere keren inzage te verschaffen
in het bevolkingsregister in de gegronde
verwachting dat hun belangstelling vooral uitging
naar Joodse Zwollenaren Hij was hooguit bereid
gegevens zonder vermelding van godsdienst te
verstrekken en nodigde de Duitsers uit daartoe
een schriftelijk verzoek bij het college van B en W
in te dienen
De Duitsers gingen daar niet op in Zij arresteerden
de burgemeester en brachten hem over
naar de koepelgevangenis in Arnhem Na zijn
vrijlating op 26 juni 1940 deelde de commissaris
van de koningin in Overijssel Alexander Eppo
baron van Voorst tot Voorst hem mee dat hij
eervol was ontslagen Twee dagen later informeerde
het college van B en W bij Karel Johannes
Frederiks secretarisgeneraal van Binnenlandse
Zaken of aan de Duitse autoriteiten inzage moest
worden verleend in de bevolkingsregisters om
toekomstige misverstanden te voorkomen Frederiks
beantwoordde die vraag per omgaande
bevestigend
De minachting der natie
Op 14 april 1945 trof de Zwolse burgemeester in
oorlogstijd zijn voorganger die geen burgemeester
in oorlogstijd had willen zijn in een werkkamer
die beiden als de hunne beschouwden Het
gesprek tussen de twee pretendenten is niet genotuleerd
maar het moet Van Walsum duidelijk zijn
geworden dat zijn opvolger niet van plan was voor
hem te wijken Hij maakte daarop demonstratief
een wandeling door de binnenstad Mogelijk om
de Zwollenaren te laten zien dat hij er nog was
Of om te kijken of hem op straat nog tekenen van
aanhankelijkheid ten deel vielen
Van Walsum werd op
zaterdag 17 februari
1938 in Zwolle feestelijk
ingehaald en genstalleerd
als burgemeester
Hij werd daarvoor
met een open rijtuig
opgehaald bij Wientjes
waar hij op dat moment
verbleef Collectie
auteur
Het echtpaar Van Karnebeek
Van Wijnbergen
in 1942 met tussen
hen in de commissaris
van de koningin in
Overijssel AE baron
van Voorst tot Voorst
Collectie HCO
Zondag as ZAC I Zwolsche Boys I ten bate van het Roode Kruis 30 mei Sterk door werk Zwollenaren Juist NU moet ge uw repa
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 7
Hoe het ook zij Van Walsum keerde niet terug
in zijn oude ambt Sterker hij moest voor een zuiveringscommissie
verschijnen Die erkende weliswaar
dat hij een juist begrip voor de goede zaak
had getoond maar dit woog niet op tegen een
vergrijp dat hem zwaar werd aangerekend het feit
dat hij op 15 mei 1940 op de plaatselijke draadomroep
uiting had gegeven aan zijn ontroering over
de vlucht van de koninklijke familie naar Engeland
Dat de prinses met de twee kleine kinderen
Beatrix en Irene red vlucht is niet verdedigbaar
maar begrijpelijk zei hij tot de luisteraars Doch
dat de koningin met de regering vlucht terwijl er
nog jongens voor haar door het vuur gaan is misdadig
Deze handelwijze is mij onbegrijpelijk
voor een vorstin uit het Huis van Oranje Degenen
die haar het advies hebben gegeven zo te handelen
verdienen de minachting der natie
Van Walsum zei in het openbaar wat velen in
mei 1940 dachten Ook de zuiveringscommissie
erkende dat het vertrek van de koningin naar
Engeland destijds door vele goede Nederlanders
niet aanstonds is begrepen Maar ze meende dat
hij als burgemeester niet op deze wijze uiting had
mogen geven aan zijn gevoelens De commissie
concludeerde dat Van Walsum in zeer ernstige
mate was tekortgeschoten in het betrachten van
de juiste houding in verband met de bezetting
Hiermee had hij zichzelf gediskwalificeerd voor
het burgemeesterschap van Zwolle en voor elk
vergelijkbaar ambt
De burgemeester sprak
geregeld voor de lokale
radioomroep hier de
aankondiging van zon
praatje in de Zwolse
Courant van 5 mei
1938 Delpher
De letterlijke tekst van de toespraak voor de lokale radio in Zwolle op woensdag
15 mei 1940 van burgemeester Van Walsum Collectie HCO
raties en karweitjes laten uitvoeren JA Ruberg aannemer 7 juni Zwolles markt was hedenmorgen buitengewoon levendig Naarmate de
8 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Het geval van Arnoldus van Walsum was
in meerdere opzichten uniek Hij was de eerste
Nederlandse burgemeester die door de Duitse
bezetter werd ontslagen de enige die volgens
Loe de Jong de Duitsers geen toegang heeft
willen verlenen tot het bevolkingsregister en de
enige wiens ontslag na de oorlog niet ongedaan is
gemaakt Met dit laatste zondigde het ministerie
van Binnenlandse Zaken tegen zijn eigen richtlijn
dat een door den bezetter ontslagen burgemeester
er recht op heeft dat thans officieel wordt vastgesteld
dat dit ontslag ten onrechte is verleend
en dat zijn ambtsvervulling als niet onderbroken
kan worden beschouwd
De Zwolse elite maakte echter geen bezwaar tegen
de gang van zaken Integendeel in 1938 was ze
tegen de benoeming van Van Walsum destijds
burgemeester van Vlaardingen gekant geweest
Van Walsum behoorde evenmin tot de veelal
adellijke kandidaten die commissaris der koningin
Van Voorst tot Voorst in gedachten had Maar
minister van Binnenlandse Zaken Van Boeijen
net als Van Walsum lid van de CHU beschikte
anders Hij meende dat het armlastige Zwolle op
dat moment meer behoefte had aan een noeste
werker dan aan een representatieve figuur Bij
zijn installatie op 19 februari 1938 gaf locoburgemeester
Treep nadrukkelijk uiting aan zijn ongenoegen
over het feit dat de minister geen nota had
willen nemen van de Zwolse voorkeuren
De gemeente spande zich in 1945 dan ook
allerminst in voor de terugkeer van Van Walsum
op zijn oude post Ze aanvaardde wel het ontslag
van de burgemeester maar niet de financile
verplichtingen die daar uit voortvloeiden In
1946 vorderde ze zelfs het geld terug dat sinds de
bevrijding aan hem was uitgekeerd als onderdeel
van de ontslagregeling die in 1940 was getroffen
Die uitkering vloeide zo redeneerde de
gemeente voort uit een besluit uit bezettingstijd
dat nu zijn rechtsgeldigheid had verloren Daaraan
verbond ze net de gevolgtrekking dat het
ontslag van Van Walsum dus ook moest worden
teruggedraaid
Na 1945 correspondeerde de gemeente Zwolle
nog lange tijd met de minister van Binnenlandse
Van Walsum probeerde
in een open brief in de
Zwolse Courant van
12 juni 1940 de schade
aangericht door zijn
eerdere emotionele
woorden nog te beperken
tevergeefs zoals na
de oorlog zou blijken
Delpher
tijd voortschrijdt blijkt het economische leven zich snel te herstellen 21 juni Vroom Dreesman Vacantieherinneringen bewaart men het
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 9
Zaken over de vraag of het wel billijk was om haar
met de uitbetaling van wachtgeld aan de oudburgemeester
te belasten Zoo wordt eervol ontslag
een strafmaatregel voor de gemeente wier bestuur
destijds bij de benoeming evenwel geenerlei
invloed heeft kunnen uitoefenen
Van Walsum legde zich niet voetstoots neer bij
zijn verwijdering uit het openbaar bestuur Hij
vroeg om een onderhoud met de minister van Binnenlandse
Zaken maar die verwees hem wegens
drukte door naar de waarnemend chef van de afdeling
Binnenlands Bestuur Tegenover hem uitte Van
Walsum zijn spijt over de radiorede maar voerde
hij ook aan dat zon emotionele oprisping hem toch
niet eeuwig mag blijven schaden
In november 1945 solliciteerde hij naar zijn
oude positie die na het onverwachte vertrek van
Van Karnebeek was vrij gevallen Daarbij verwees
hij naar diverse steunbetuigingen uit de Zwolse
bevolking Zijn jongere broer Gerard PvdA die
in 1952 burgemeester van Rotterdam zou worden
beijverde zich voor zijn rechtsherstel Maar
het mocht allemaal niet baten De rest van zijn
leven zou Arnoldus zich met ereambten tevreden
moeten stellen Afgezien van een positie als waarnemend
burgemeester van Waarder Bartwoutswaarder
en Rietveld gemeenten die bij Woerden
en Bodegraven zouden worden gevoegd Die
functie legde hij neer in 1956 Een jaar later overleed
hij op 67jarige leeftijd
Geen frivoliteiten
Arnoldus van Walsum was mijn grootvader
Hij stierf in mijn geboortejaar Ik heb hem dus
nooit gekend Maar hij figureerde geregeld in de
verhalen over vroeger van mijn vader een van
zijn acht kinderen Er werd meer met respect dan
met liefde over Arnoldus gesproken Hij moest
het meer van zijn doorzettingsvermogen hebben
dan van flair waarmee hij niet was behept of van
intellectuele brille
Wipstrikkerallee 157
in 2020 Van Walsum
bewoonde dit huis van
eind maart 1938 tot
eind 1949 Foto Elske
Bootsma
best door fotos Fotografeer dus veel het is nu voordelig 29 juni Het Zwolsche Lingeriehuis Koopt nu zomerstofjes zonder stamkaart
10 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Thuis en in het gemeentehuis hij debuteerde
op 25jarige leeftijd als burgemeester in Krimpen
aan den IJssel was hij een rechtvaardig humaan
chef Hij was een trouwe kerkganger Maar geen
man van frivoliteiten Mijn grootmoeder romantischer
aangelegd dan hij wekte hem eens s nachts
om hem op een prachtige volle maan te attenderen
Daarin stelde hij geen enkel belang De nacht is om
te slapen sprak hij alvorens naar een andere zij
te wentelen De ingetogen viering van Oudejaarsavond
placht hij ook toen zijn kinderen volwassen
waren af te sluiten met de mededeling Jelui
mag uitslapen tot half negen
Hij zag er op toe dat hij aan al zijn kinderen evenveel
geld had besteed op het moment dat zij in het
huwelijk traden En hij hield er soms een naar
hedendaagse maatstaven curieus eergevoel op na
Kort voor zijn overlijden woonde hij in de Deventer
schouwburg een optreden van Wim Sonneveld
bij In een van diens sketches werd zo ervoer
mijn grootvader het althans het Leger des Heils
belachelijk gemaakt Met die onbetamelijkheid kon
hij nog wel leven Maar hij vond het onbegrijpelijk
eerloos dat beneden in het foyer een heilsoldaat
stond te collecteren Die zou toch niet naar giften
moeten hengelen van mensen die hem kort tevoren
nog hadden uitgelachen Zelfs zijn kinderen konden
de redenering maar moeilijk volgen
Maar Arnoldus kon dus ook impulsief en
emotioneel zijn Mijn in 2012 overleden vader
herinnerde zich nog goed hoe aangedaan hij
was over de Kristallnacht de nacht van 9 op 10
november 1938 Hij was verdrietig en woedend
Hij stampte op de grond Hij begreep niet hoe
zich in een land als Duitsland dat hij altijd nog
Arnoldus van Walsum
en zijn echtgenote Josina
Schoon Tim in 1943
met hun acht kinderen
en een schoondochter
De foto werd gemaakt
ter gelegenheid van hun
25jarig huwelijk
Collectie HCO
25 oktober De PEClinksbuiten Doorneweerd die wegens onbehoorlijk optreden van het veld werd gestuurd is door den NVB voor
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 11
vrij hoog had zulke barbaarse taferelen konden
afspelen Op 15 mei 1940 reageerde hij dus ook
emotioneel op het bericht dat koningin Wilhelmina
naar Engeland was gevlucht met noodlottige
gevolgen voor hemzelf
De gemeente Zwolle heeft in 1983 alsnog een
straat naar hem vernoemd een strook asfalt aan
de zuidkant van het spoor die wordt omzoomd
door onderwijsgebouwen van de Hogeschool
Windesheim en kantoorpanden Burgemeester
in oorlogstijd Maurits van Karnebeek is met een
straat even buiten het stadscentrum ook in dit
opzicht beter bedeeld
Met medewerking van Anne Floor Lanting kenniscommunicatiemedewerker
bij de Hanzehogeschool
te Groningen
Noot
1 Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de Volkskrant
van 15 april 2020 en werd hier overgenomen
met toestemming van de auteur
Literatuur en bronnen
Wil Cornelissen Arnoldus van Walsum de ontslagen
burgemeester in Zwols Historisch Tijdschrift 10
1993 nr2 p 4551
Kees Ribbens Bewogen Jaren Zwolle in de Tweede Wereldoorlog
Zwolle 1995
Peter Romijn Burgemeesters in oorlogstijd Besturen onder
Duitse bezetting Amsterdam 2006
Andere Tijden Burgemeester in oorlogstijd 7 mei
2006 httpswwwanderetijdennlaflevering390
Burgemeesterinoorlogstijd
Diverse stukken uit het archief van het Provinciaal Bestuur
van Overijssel en het Nationaal Archief Den
Haag
Een deel van de
Burgemeester van
Walsumlaan in Zwolle
Zuid Links gebouwen
van Hogeschool Windesheim
Foto Elske
Bootsma
lopig geschorst 30 november Elken dag moeten de aardappels geschild worden Met een schilmachine is t maar een oogenblik bovendien
12 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Chaim en Selma EngelWijnberg
getuigen over vernietigingskamp Sobibor
Semjon Rosenfeld was de laatste overlevende
van het vernietigingskamp Sobibor In
juni 2019 overleed hij in zijn woonplaats
Tel Aviv 96 jaar oud Selma EngelWijnberg de
laatste Nederlandse Sobiboroverlevende was
kort daarvoor op 4 december 2018 eveneens op
96jarige leeftijd in East Haven VS gestorven
Selma Saartje Wijnberg is geboren in
Groningen op 15 mei 1922 als jongste kind van
Samuel Asser Wijnberg en Alida Nathans Ze
had drie oudere broers Abraham Marthijn en
Mozes1 Het gezin verhuisde in 1929 naar Zwolle
en betrok in 1932 het koosjere hotel Wijnberg
aan de Zwolse Veemarkt 23 In Selma de vrouw
die Sobibor overleefde beschrijft journalist en historicus
Ad van Liempt het dramatische verhaal
van haar onderduik en deportatie haar verblijf als
dwangarbeidster in Sobibor de ontmoeting daar
met haar Poolse medegevangene en latere echtgenoot
Chaim Engel de opstand van de gevangenen
en hun ontsnapping uit het kamp de onderduik
samen met Chaim in Polen tot de bevrijding door
de Russen in juli 1944 hun terugkeer naar Zwolle
de kille ontvangst hier en hun uiteindelijke emigratie
eerst naar Isral later naar de Verenigde
Staten2
Piet den Otter
Selma omstreeks 1938 met haar drie broers Links Bram Abraham rechts boven Marthijn en rechts onder
Maurits Mozes Van de broers Wijnberg overleefde alleen Bram de oorlog Maurits en Marthijn werden in
januari 1943 omgebracht in Auschwitz Collectie Familie Selma EngelWijnberg
zuinig Fa H Oldenhof Diezerstraat 5052 24 december De Vereniging IJsbaan Spoolde heeft haar banen in het Engelsche Werk voor het
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 13
Spreken namens de doden
Driekwart eeuw leefden Selma en Chaim met de
herinneringen aan hun verblijf in de hel op aarde
Hun geluk Sobibor overleefd te hebben betekende
ook een zware en blijvende emotionele last Hun
hele leven lang voelden zij de plicht telkens weer te
vertellen wat zich had afgespeeld Om nabestaanden
te vertellen wat het lot van hun geliefden
vrienden kennissen was geweest Om namens de
tienduizenden die het kamp niet hadden overleefd
de daders aansprakelijk te stellen Om de wereld te
waarschuwen voor herhaling In 1983 verwoordde
Selma het bij het tweede proces tegen kampbeul
Frenzel in de Duitse stad Hagen als volgt Het is
elke keer weer gruwelijk we zijn weer terug in
het kamp en iedere keer zeggen we we gaan niet
meer zo komen we nooit van onze nachtmerries
af Maar als het zover is gaan we natuurlijk wel
Wij meten namens de doden spreken3
Er leeft niemand meer die nog uit eigen ervaring
de herinnering aan de verschrikkingen en de
ontmenselijking in Sobibor levend kan houden
De verhalen van de overlevenden liggen vast in
boeken films interviews en documenten Het
duurde in Nederland enkele decennia voordat de
eerste grote wetenschappelijke historische studies
over de Holocaust verschenen Jacob Presser
voelde in zijn monumentale studie Ondergang
De vervolging en verdelging van het Nederlandse
Jodendom uit 1965 dezelfde plicht tegenover
de slachtoffers als Selma Wijnberg Zij hadden
niemand anders in deze wereld dan de geschiedschrijver
die hun boodschap kon doorgeven4
Veel overlevenden van de Holocaust tekenden
hun herinneringen meteen na 45 op veelal in
de vorm van egodocumenten Ook justitie legde
uit oogpunt van opsporing van oorlogsmisdaden
al vroeg herinneringen van overlevenden vast
Daarom werden op 22 juni 1946 Selma Wijnberg
en haar man Chaim Engel verhoord door twee
rechercheurs van de Zwolse afdeling van het
Bureau Opsporing Oorlogsmisdaden over wat
hen in het vernietigingskamp Sobibor was overkomen
Hun verklaring behoort tot de vroegste Nederlandse
getuigenissen over Sobibor en de Holocaust
Een begrip dat overigens pas vanaf de jaren
vijftig in gebruik kwam Selma en Chaim putten
in 1946 uit recente herinneringen nog niet benvloed
door latere kennis en verhalen van anderen
het geheugen nog niet gefilterd en vertekend door
de werking van de tijd Het geheugen was nog
vers de gebeurtenissen nog onverwerkt de kennis
Selma en Chaim
omstreeks 1980
Bing images
Selma en Chaim met hun in oktober 1944 in Polen
geboren baby Emiel Het jongetje overleefde de
zware tocht terug naar Nederland via Odessa en
Marseille niet en overleed in mei 1945 In 1946 en
1948 werden in Zwolle nog een dochter en een zoon
geboren Collectie Familie EngelWijnberg
publiek opengesteld Het ijs is van uitstekend gehalte en volkomen betrouwbaar 30 december In verband met den Nieuwjaarsdag zal het
14 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
nog fragmentarisch Het procesverbaal van hun
verhoor wordt hierna in zijn geheel afgedrukt
Het is een zeer indringend verhaal
Sobibor
Het vernietigingskamp Sobibor lag in een dun
bevolkt moerasgebied in het huidige OostPolen
niet ver van het huidige drielandenpunt tussen
Polen Oekrane en WitRusland Andere grote
vernietigingskampen in deze omgeving waren
Belzec Chelmno en Treblinka Het grootste kamp
was Auschwitz deels vernietigingskamp deels
werkkamp evenals Majdanek
Slechts enkele tientallen gevangenen overleefden
Sobibor waar in de korte tijd tussen mei
1942 en oktober 1943 circa 170000 mensen zijn
vermoord Onder hen bevonden zich 148 Joodse
Zwollenaren Mirjam Chaja van Zwaanenburgh
uit de Schoutenstraat was de jongste ze werd
maar zes maanden oud Judikje van Esso uit de
Zeven Alleetjes was de oudste 87 jaar oud Negentien
treinen met aan boord 34313 mannen vrouwen
en kinderen arriveerden tussen 2 maart en 20
juli 1943 vanuit het doorgangskamp Westerbork
in Sobibor De meesten werden binnen enkele
uren na aankomst vermoord in de gaskamers hun
stoffelijke resten verbrand hun as gestort in de
omgeving
Vernichtung durch Arbeit vernietiging door
zware arbeid in combinatie met slechte verzorging
en mishandeling was een tweede moordmethode
van de nazis Ongeveer duizend Nederlandse
mannen en vrouwen zijn op het perron van Sobibor
geselecteerd voor dwangarbeid in Sobibor zelf
en in werkkampen in de omgeving als Dorohucza
LublinMajdanek en LublinAlter Flugplatz Van
deze groep Nederlanders keerden na de oorlog
slechts drie mannen en vijftien vrouwen terug
Selma Wijnberg en de Utrechtse Ursula Stern
verbleven langere tijd in Sobibor zelf De zestien
anderen onder wie ook de Zwolse zussen Jetje en
Sientje Veterman uit de toenmalige Bitterstraat
werden enkele uren na aankomst vanuit Sobibor
naar andere kampen doorgezonden5
Onder leiding van Alexander Petsjerski een
RussischJoodse krijgsgevangene en officier in het
Rode Leger kwamen op 14 oktober 1943 de werkgevangenen
in Sobibor in opstand tegen de SS en
hun Oekraense helpers Ongeveer 300 gevangenen
weten te ontsnappen van wie er 47 het
einde van de oorlog zouden halen Na de opstand
hebben de Duitsers op bevel van ReichsfhrerSS
Heinrich Himmler alles in het werk gesteld om
alle sporen uit te wissen door de achtergebleven
gevangenen te vermoorden het kamp te ontmantelen
alle documentatie te verbranden en het
terrein met bomen te beplanten Alle bewijsstukken
moesten verdwijnen elke herinnering aan de
slachtoffers uitgewist De nazis zijn in deze opzet
niet geslaagd Het handjevol overlevenden van de
opstand waar onder Petsjerski heeft de wereld
kunnen vertellen hoe de systematische vernietiging
zich in Sobibor heeft voltrokken
Sobiboroverlevende Jules Schelvis 1921
2016 heeft uitvoerig wetenschappelijk onderzoek
gedaan naar de geschiedenis van het kamp Hij
interviewde overlevenden en kon gebruik maken
van de informatie die door de Duitse justitile
autoriteiten sinds 1960 was verzameld ter voor
Tot 2019 waren er geen
fotos bekend van Sobibor
Een kleinzoon van
de plaatsvervangend
commandant Johann
Niemann stelde in
dat jaar een album en
fotos ter beschikking
Niemann overleefde
de opstand niet Hier
een waarschijnlijk
gensceneerde foto van
hem te paard op het
perron waar de treinen
in Sobibor aankwamen
Op de achtergrond een
woonbarak van kampbewakers
Zomer 1943
US Holocaust Memorial
Museum collectie
Niemann
huisvuil dat anders Woensdag werd opgehaald Dinsdag worden opgehaald 1941 17 januari Hotel Wijnberg Thdansant Zondagmiddag
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 15
bereiding van de Sobiborprocessen Zijn boek
Vernietigingskamp Sobibor is ht internationale
standaardwerk6
Chaim en Selma getuigen op 22 juni 1946
Al ver voor het einde van de oorlog hadden de
geallieerden besloten dat de Duitse oorlogsmisdaden
niet onbestraft mochten blijven Ook Nederland
nam deel aan de opsporing van oorlogsmisdadigers
binnen en buiten het Koninkrijk Op 29
mei 1945 werd daarvoor het Bureau Opsporing
Oorlogsmisdrijven BOOM opgericht Onderzoek
in Duitsland liep via de Nederlandse Missie
tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven Op 22 juni
1946 leggen Selma en Chaim EngelWijnberg ten
overstaan van twee rechercheurs van het BOOM
te Zwolle getuigenis af over wat hen tijdens de
oorlogsjaren is overkomen Het verslag berust in
het Historisch Centrum Overijssel7
Selma vertelt gedetailleerd hoe zij in Sobibor
terecht is gekomen en hoe de selecties bij
aankomst verliepen Ze geeft een nauwkeurige
beschrijving van de inrichting van het kamp en
beschrijft hoe de massamoord werd uitgevoerd
Ook verhaalt zij over de dwangarbeid die ze
moest verrichten en de gruwelijkheden waarvan
ze getuige was Tot slot doet ze verslag van de
opstand en haar vlucht uit het kamp De verklaring
van haar man Chaim is beknopter maar ook
hij geeft details over zijn dwangarbeid en de terreur
van de SS en hun helpers tegen de gevangenen
Tot slot portretteert hij een aantal in Sobibor
werkzame SSers
In juni 1946 nog maar een jaar na de bevrijding
was in Nederland de kennis over de massamoord
in de vernietigingskampen nog tamelijk
fragmentarisch Niemand had het brede overzicht
Nabestaanden en instanties tastten veelal
nog in het duister over het precieze individuele lot
van veel gedeporteerden Het Informatiebureau
van het Nederlandse Rode Kruis kreeg opdracht
hiernaar onderzoek te doen Sterk leunend op verklaringen
van de schaarse overlevenden schetste
het Rode Kruis begin 1947 in het rapport Sobibor
voor het eerst een omvattend beeld van de aard en
de omvang van de tragedie die zich in Sobibor had
voltrokken8 Wat velen al vreesden en vermoedden
werd met zekerheid vastgesteld de naar Sobibor
gedeporteerden zouden niet meer terugkeren
De minister van justitie stelde mede op basis van
het rapport de vermoedelijke sterfdatum van de
slachtoffers vast zodat de uitgifte van formele
overlijdensakten kon beginnen en erfeniskwesties
of andere juridische zaken konden worden afgewikkeld
Ook voor 148 Joodse Zwollenaren
Later minutieus onderzoek van Jules Schelvis
heeft uitgewezen dat de verklaringen van Selma en
Chaim grotendeels juist zijn De constructie van
de gaskamers is in werkelijkheid anders geweest
dan Selma en Chaim dachten Dat waren de plekken
in het kamp waar zij niet zelf zijn geweest
Chaims schatting van 1000000 slachtoffers is op
basis van later teruggevonden nazidocumenten
bijgesteld tot iets meer dan 170000
Opvallend is de zakelijke toon en het ontbreken
van emoties Daar is ongetwijfeld de
techniek van onderzoek en verslaglegging van de
rechercheurs debet aan Justitile waarheidsvinding
vergt verifieerbare koele feitelijkheid Het
ging erom letterlijk op te schrijven wat er precies
gebeurd was Tegelijkertijd kan zakelijk vertellen
voor getuigen ook een manier zijn om demonen
uit het verleden in bedwang te houden en het
onbevattelijke in woorden uit te drukken
Joodse medeburgers moesten verdwijnen louter
om wie ze waren omdat ze Joods waren Sobi
Registratiebewijs van
Selma EngelWijnberg
van het Consulaat
Generaal van Polen in
Amsterdam Collectie
Familie Selma Engel
Wijnberg
met medewerking van The Merry Swingers 23 januari Bioscoop Buitensociteit Van vrijdag tot en met donderdag OPERABAL een film
16 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
bor en de andere vernietigingskampen vormden
het eindpunt in een lang proces van stigmatisatie
en discriminatie van registratie economische en
fysieke segregatie en uiteindelijk deportatie en
massamoord op Joodse medeburgers Het verhaal
uit eerste hand van deze planmatig en industrieel
georganiseerde massamoord volgt hierna alleen
met aangepaste spelling
Procesverbaal 9
Op zaterdag 22 juni 1946 verscheen voor ons NN
en NN respectievelijk hoofdagentrechercheur en
agentrechercheur der gemeentepolitie te Zwolle
beiden tevens onbezoldigd rijksveldwachter
Saartje Wijnberg geboren 15 juni 1922 te Groningen
echtgenote van C Engel wonend aan de Veemarkt
23 te Zwolle die ons als volgt verklaarde
In december 1942 werd ik als jodin in Bilthoven
waar ik ondergedoken was gearresteerd
Eerst werd ik ingesloten in het huis van bewaring
te Amsterdam en eind januari of begin februari
1943 met een groot transport joden overgebracht
naar het concentratiekamp Vught Op 1 april 1943
werd ik overgebracht naar het kamp Westerbork
en op 6 april 1943 met een transport van ongeveer
2000 joden vandaar naar Sobibor gevoerd Sobibor
ligt in Polen op een afstand van ongeveer 40
kilometer van Chelm en 200 kilometer ten oosten
van Warschau Het bleek mij weldra dat het kamp
Sobibor geheel was ingericht als vergassingslager
Onmiddellijk bij aankomst aldaar dit was op 9
april 1943 werden de vrouwen van de mannen
gescheiden De kinderen werd vrij gelaten met wie
zij mee wilden gaan Om een beeld te geven van
de indeling van het kamp het volgende Het kamp
bestond uit drie lagers en wel Lager I bestemd
als verblijfs en werklager Lager II waarin zich
magazijnen en ontkleedruimten bevonden en
Lager III waarin zich de vergassingsbarak en het
crematorium bevonden De bewaking bestond uit
Oekraners dit waren oorspronkelijk Russische
krijgsgevangenen die zich gemeld hadden bij de
Selma achter de kassa
en Chaim geheel
rechts in hun modezaak
in de Thomas a
Kempisstraat in Zwolle
omstreeks 1950 Collectie
Familie Selma
EngelWijnberg
van het stralende onvolprezen Weenen charmant vroolijk en ondeugend 5 februari Griep heerscht in Zwolle vooral onder de schooljeugd
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 17
SS Duitse SSlieden waren belast met de algehele
leiding in het kamp
Nadat de mannen en vrouwen van ons transport
na aankomst van elkaar gescheiden waren
werd een 30tal jonge vrouwen en een 70tal mannen
uitgezocht en aangewezen voor werkzaamheden
in het kamp Ook ik werd hierbij uitgezocht
en aangewezen voor werkzaamheden in Lager II
De overigen van het transport werden in groepen
van 500 600 overgebracht naar de ontkleedruimte
in Lager II Daar werden zij toegesproken
door de Oberscharfhrer Michels die hen meedeelde
dat zij eerst zouden worden ontluisd en
daarna voor tewerkstelling zouden worden overgebracht
naar de Oekrane Dit alles geschiedde
met het doel de slachtoffers zonder moeite naar
de vergassingsbarak te krijgen Hierna werden de
haren van de vrouwen geknipt en moesten zij zich
geheel ontkleden De vrouwen moesten zich in de
barak ontkleden de mannen buiten Vervolgens
werden zij met de kinderen onbewust van het lot
dat hen wachtte overgebracht naar de vergassingsbarak
in Lager III Deze barak bestond uit
een grote ruimte waarin douches waren aangebracht
Uit deze douches kwam echter geen water
doch gas waardoor allen de verstikkingsdood
stierven Vanuit Lager II zag ik de slachtoffers de
vergassingsbarak binnengaan Buiten hoorde men
dan het bekende geluid wanneer een groot aantal
mensen in een beperkte ruimte samen zijn hetgeen
weldra overging in gejammer en geschreeuw
Korte tijd later werd alles stil Het is mij bekend
dat de vloer van de vergassingsbarak uit twee
delen bestond Deze gingen dan vaneen en de lijken
der slachtoffers werden in trollys welke onder
deze barak doorliepen opgevangen en daarmee
getransporteerd naar het crematorium Enige
uren later zag men dan in Lager III een groot vuur
branden en hing er een verschrikkelijke stank over
het kamp Het crematorium bestond uit een in de
grond ingebouwde oven
Wat het werk van de uitgezochte mannen en
vrouwen betreft het volgende een gedeelte van de
vrouwen en mannen werd tewerk gesteld in het
Lager I waar zich werkplaatsen bevonden zoals
bakkerij en smederij kleermakerij enz Een ander
deel waaronder ook ik werd tewerk gesteld in
Een schijnbaar rustiek
dorpje de eerste aanblik
van Sobibor US
Holocaust Memorial
Museum collectie
Niemann
8 februari Het laat zich aanzien dat ook in deze gemeente melk op school zal worden verstrekt 6 maart Het is een gelukkig verschijnsel
18 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Lager II en belast met het sorteren van de kleding
van de vergaste gevangenen Deze kleren werden
na sortering opgeslagen in magazijnen en later
naar Duitsland verzonden Aangezien de meeste
joden hun kostbaarste bezit op transport hadden
meegenomen waren hierbij dingen van grote
waarde Ook het afgeknipte haar werd verzameld
en naar Duitsland gezonden Levensmiddelen
voor zover het conserven betrof kwamen ter
beschikking van de bewaking
Een deel van de uitgezochte mannen werd
bestemd voor de arbeid in Lager III Zij waren
belast met het transport van de lijken van de vergassingsbarak
naar het crematorium en tevens belast
met het verzamelen van de kostbaarheden zoals
ringen en dergelijke Door deze gang van zaken
kwam het voor dat sommigen hun eigen familieleden
naar het crematorium moesten brengen en
verbranden Geen van de in Lager III tewerkgestelden
verliet dit Lager levend Waren op deze wijze
enige transporten opgeruimd dan omsingelden de
Duitsers plotseling Lager III en schoten alle daar
tewerkgestelden dood Uit een nieuw transport of
uit Lager I en II werden dan weer nieuwe arbeiders
voor Lager III gezocht die na enige tijd aldaar te
hebben gewerkt op hun beurt ook weer op dezelfde
wijze werden afgemaakt
Bij de transporten van Nederlandse joden
leverde de vergassing voor de Duitsers geen moeilijkheden
op daar zij totaal onbewust waren welk
lot hun wachtte Bij de transporten van Poolse
joden was dit echter anders gesteld Het bestaan
van het kamp en de gang van zaken was blijkbaar
in Polen uitgelekt Indien er transporten Poolse
joden kwamen verzetten deze zich tegen het bevel
zich te ontkleden omdat zij wisten dat dit het
voorspel was van hun dood Zij werden dan door
de bewaking met behulp van bloedhonden naar
de vergassingsbarak gedreven waarbij de Duitsers
dan lukraak met hun pistolen of geweren in de
mensenmenigte schoten waarbij ettelijke slachtoffers
vielen Velen werden dan op deze wijze
gewond en dan rechtstreeks naar het crematorium
getransporteerd en daar levend verbrand
Ik kan mij herinneren dat er eens een transport
Poolse joden aankwam Dit transport had reeds
acht dagen per trein door Polen gezworven In
elke veewagen waarin deze joden waren opgesloten
zaten soms 250 joden samengepakt Deze
waren reeds in een ander kamp ontkleed en bij
aankomst geheel naakt Ook hadden zij gedurende
deze tijd geen eten of drinken gehad Elke
wagon bevatte bij aankomst reeds een groot aantal
doden terwijl van de overlevenden verschillende
krankzinnig waren In het kamp was een perron
gebouwd waar de trein voorreed Trollys werden
dan voor de wagons gereden en zowel de lijken
als de levenden werden op deze wijze naar Lager
III gebracht Op deze wijze werden ook bij andere
transporten ouden van dagen of gebrekkigen zonder
onderscheid tussen levend of dood naar Lager
III getransporteerd Deze wijze van overbrengen
heb ik meerdere malen gezien doordat de trollys
onze barakken passeerden Men zag dan soms
gedeeltelijk ontvleesde lichaamsdelen boven de
trollys uitsteken
Op een dag werd het kamp Belchitz dat in de
buurt van Sobibor lag opgeheven10 Ook dit
was een vergassingslager Het overgebleven personeel
allen gevangenen was meegedeeld dat
zij in ons Lager tewerk gesteld zouden worden
Toen zij bij aankomst in Sobibor opdracht kregen
zich te ontkleden weigerden zij dit daar zij toen
begrepen welk lot hun wachtte Wat er toen precies
gebeurde kon ik niet zien doch ik hoorde
schieten Enige uren later kregen ik en andere
medegevangenen opdracht de kledingstukken
van deze gevangenen te sorteren en het bleek dat
deze geheel met bloed doordrenkt waren en verschillende
kogelgaten vertoonden Hieruit kon
dus worden afgeleid dat deze gevangenen waren
doodgeschoten Naar schatting waren dit ongeveer
30 personen
Zelf ben ik getuige geweest van het volgende
In het kamp werden enige varkens gehouden
die werden verzorgd door een Poolse jodenjongen
Een der varkens werd ziek De SS Oberscharfhrer
Frenzel verweet dit aan de Poolse
jongen Frenzel zei dat hij voor straf naar Lager
III zou worden gebracht De jongen die zeer goed
begreep dat dit het einde van zijn leven betekende
dat er in deze onzekere dagen veel belangstelling bestaat voor een literairen avond De grote zaal van hotel Peters was tot in den hoeken
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 19
liep toen uit de nabijheid van Frenzel weg Frenzel
schoot toen de jongen neer Hierop liep hij op de
jongen die slechts gewond was toe Hij greep
een voorwerp dat in zijn nabijheid lag wat dit
was weet ik niet en gaf de jongen hiermede enige
verschrikkelijke slagen waardoor diens buik werd
opengereten en beide armen werden gebroken De
jongen die ondanks zijn verwondingen nog bij
kennis was werd hierna op last van Frenzel op een
plank gelegd waarna Frenzel de jongen door vier
joden door het kamp liet dragen Frenzel zei dat
een ieder die trachtte te vluchten dit lot te wachten
stond Over het zieke varken werd door hem niet
meer gesproken De gewonde jongen die reeds
stervende was vroeg aan zijn medegevangenen
om hem te wreken Op het voorplein voor Lager
III trok Frenzel zijn pistool en maakte de jongen
met een pistoolschot af
Omstreeks september 1943 kwamen er enige
transporten Russische joodse krijgsgevangenen
Ook hiervan werd een aantal uitgezocht voor
werkzaamheden in het kamp Deze beraamden
met een aantal Poolse joden een plan om uit te
breken Reeds meerdere malen waren dergelijke
plannen voorbereid doch steeds weer verraden
Het gevolg hiervan was dat een groot aantal
tewerkgestelden werd doodgeschoten Om deze
reden was het plan der Russen en Polen slechts
aan weinigen bekend gemaakt Op 14 oktober
1943 werd des middags het sein gegeven voor een
algemene opstand Een gedeelte van de kampleiding
was afwezig Van de bewakers werden
16 Duitsers en Oekraners door de gevangenen
afgemaakt Daarna begon de stormloop op de
prikkeldraadomheining van het kamp Van de 600
gevangenen die toen nog in het kamp waren zijn
er voor zij de omliggende bossen hadden bereikt
nog honderden in de omliggende mijnenvelden
terecht gekomen en verongelukt Ik had in het
kamp kennis gekregen aan een Poolse jongen die
ook als gevangene in Lager II werkte met wie
ik thans getrouwd ben Ik ben met mijn man en
ongeveer 40 anderen Polen ingetrokken Later
hebben mijn man en ik ons afgescheiden en zijn
wij ondergedoken bij een Poolse boer in Rakoduby
In juli 1944 werden wij bevrijd door de Russen
Wij zijn toen nog een tijd in Polen gebleven en
hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om
nog een bezoek te brengen aan het kamp Sobibor
Het bleek ons toen dat het kamp in het geheel niet
meer bestond en dat de plaats bezaaid was met
rogge In de omgeving werd ons verteld dat na
onze vlucht de achtergebleven gevangenen door
de Duitsers waren afgemaakt en dat het kamp
daarna door de Duitsers was platgebrand In juni
1945 zijn wij via Czernowitz Odessa en Marseille
naar Nederland gereisd
Ik kan mij nog herinneren dat tijdens mijn verblijf
in het kamp Sobibor een zeer hoge Duitse officier
een bezoek bracht aan het kamp Blijkbaar was dit
reeds enige dagen tevoren bekend want al het in
het kamp door de kampleiding gehouden pluimvee
en de varkens werden verstopt in de omliggende
bossen Tijdens het bezoek van deze officier
werd er juist een aantal gevangenen vergast en
verbrand De officier sloeg de vergassing gade
door een kijkglas in de wand van de vergassingsbarak
Wie deze officier was weet ik niet en ik kan
u ook geen beschrijving van hem geven
Mijn man die reeds een half jaar voor mij in
het kamp was gekomen zal u omtrent de bewakers
wel nadere bijzonderheden kunnen geven
Voor zover mij bekend is behalve mijn man en
SSofficieren vermaken
zich in hun kantine
in Sobibor een bizar
tafereel als je je realiseert
wat zich daar
vlakbij afspeelde US
Holocaust Memorial
Museum collectie Niemann
gevuld met belangstellenden die gekomen waren om den heer K Norel uit Enkhuizen te hooren over Nationale veerkracht vroeger en nu
20 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
ik uit het kamp Sobibor alleen nog in Nederland
teruggekeerd een zekere Ursula Stern wonende
Haagstraat 13 te Utrecht
Vervolgens hoorden wij Chaim Engel geboren te
Brudzew Polen 10 januari 1916 vertegenwoordiger
wonende aan de Veemarkt 23 te Zwolle die
verklaarde
In oktober 1942 werd ik bij een razzia in Izbich
Polen opgepakt en met een transport joden
vervoerd naar het kamp Sobibor Met 28 andere
mannen werd ik uitgezocht en in het kamp tewerk
gesteld De rest van het transport met uitzondering
van een aantal joodse vrouwen die ook
tewerk werden gesteld werd hierna vergast en
verbrand op de reeds door mijn vrouw beschreven
wijze bij wiens verklaring ik mij geheel aansluit
Onder andere was ik belast met het knippen
van het hoofdhaar van de vrouwen voordat zij de
vergassingsbarak binnengingen Gedurende de
winter werkte ik aan een graafmachine Hiermede
werden de lijken opgegraven van de slachtoffers
die in de beginperiode van het kamp waren vergast
en begraven aangezien men toen nog niet
over een crematorium beschikte De opgegraven
lijken werden hierna alsnog verbrand Hiermee
zijn vele maanden gemoeid geweest
In aansluiting van de verklaring van mijn
vrouw wil ik nog enkele voorbeelden van de
behandeling in het kamp aanhalen Voor het minste
vergrijp werd men onmiddellijk doodgeschoten
Persoonlijk ben ik er van getuige geweest dat
de SS Oberscharfhrer Wagner een jood doodschoot
die bij het sorteren van levensmiddelen
afkomstig van vergaste joden een blikje sardines
openmaakte om de sardines op te eten
Er werd vermoed dat de Nederlandsche
gevangenen een plan tot opstand hadden voorbereid
Op last van den SS Oberscharfhrer Frenzel
werden toen 72 Nederlandsche tewerk gestelde
gevangenen doodgeschoten als afschrikwekkend
voorbeeld11
Het is mij bekend dat blijkens mededeling van
tewerkgestelde gevangenen in de Schreibstube
op de reeds door mijn vrouw omschreven wijze
ongeveer 1000000 mensen in het kamp zijn vermoord
of vergast en daarna verbrand
Op 14 oktober 1943 bij de door mijn vrouw
beschreven opstand ben ik met haar gevlucht In
Polen heb ik na de bevrijding nog vele nasporingen
gedaan naar overgebleven lotgenoten Het
staat voor mij vast dat slechts een veertigtal personen
de ontvluchting hebben overleefd De rest is
of omgekomen in de mijnenvelden rond het kamp
of door hun onbekendheid in Polen weer in handen
der Duitsers gevallen
Tijdens mijn verblijf in het kamp Sobibor zijn mij
verschillende namen van de Duitsers die de leiding
in het kamp hadden bekend geworden12 De
naam van de kampcommandant kan ik mij niet
meer herinneren Ik herinner mij de namen van
de volgende personen
De SS Oberscharfhrer Wagner deze is afkomstig
uit Wenen Zijn signalement luidt als volgt oud
thans ongeveer 33 jaar lang ongeveer 180 m zeer
flink postuur donker blond haar spreekt Italiaans
en Engels Wagner was een groot sadist en heeft
onder andere meerdere malen de zieken uit de
barakken naar Lager III laten brengen
SSOberscharfhrer Frenzel dit was een slager
afkomstig uit Berlijn Signalement oud ongeveer
38 jaar lang ongeveer 170 175 m geweldig dik
blond haar
Oberscharfhrer Michels signalement oud
ongeveer 32 jaar middelmatige lengte smal postuur
donker haar donkere ogen Hij was degene
die de gevangenen voor hun vergassing meedeelde
dat zij ontluisd zouden worden
SSScharfhrer of Oberscharfhrer Gomersky
een bekend bokser uit Silezi oud ongeveer
34 jaar lang 165 168 m blond haar echt bokserstype
Gomersky heeft er zich tegenover ons
op beroemd dat hij in Lager III een jood met 12
zweepslagen had doodgeslagen
SSUnterscharfhrer Wolff was van beroep
fotograaf Had een fotozaak gehad in Oostenrijk
vermoedelijk in Wenen Signalement oud ongeveer
40 jaar lang 165 m zwart grijzend haar
Maakte zich veel aan mishandeling van vrouwen
schuldig
Nowak van beroep kapper oud ongeveer 28
jaar klein gezicht donker haar Hij had de rang
van Unterscharfhrer
1942 1 juli De leerlingen van het Gymnasium trokken er gisteren onder leiding van enkele leeraren op uit Eenige klassen gingen per trein
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 21
Weiss oud ongeveer 30 jaar licht blond haar
smal gezicht Nauwkeurig signalement niet
bekend
Verder zijn mij nog de namen bekend van
bewakers waarvan ik echter geen signalement kan
opgeven en wel de Obersturmfhrer Ross een
zekere Buhr een zekere Van der Kamp Laatstgenoemde
heeft vroeger in Polen gewoond en heeft
daar nog een broer wonen
Waarvan door ons op afgelegde ambtseed is opgemaakt
getekend en gesloten dit proces verbaal
Zwolle 7 juli1946
NN get
NN get
Noten
1 Samuel Asser Wijnberg Leek 06021882 Zwolle
02041941 Alida WijnbergNathans Vries
10041887 Auschwitz 12101942 Abraham
Wijnberg Leek 14051916 Toronto 28051977
Mozes Wijnberg Leek 11011918 Auschwitz uiterlijk
31011943 Marthijn Wijnberg Groningen
32121919 Auschwitz uiterlijk 31011943
Op maandag 4 mei 2020 stond de onthulling op
Veemarkt 23 van Stolpersteinen voor Alida Mozes
en Marthijn Wijnberg gepland maar vanwege de
coronacrisis is deze onthulling vooralsnog uitgesteld
2 Ad van Liempt Selma de vrouw die Sobibor overleefde
Laren 2010 Zie ook Ingrid Petiet Selma
een leven een tentoonstelling in Zwols Historisch
Tijdschrift 34 2017 nr 2 p 176181
3 Van Liempt p 121122
4 J Presser Ondergang De vervolging en verdelging
van het Nederlandse Jodendom 19401945 sGravenhage
1977 oorspr 1965 dl I p IX
5 Mirjam Blits beschrijft in Auschwitz 13917 Hoe ik
de Duitse concentratiekampen overleefde Meppel
2012 het lot van de groep vrouwen waartoe ook
de zussen Veterman behoorden evenals de omgekomen
Annie TroostwijkHijmans uit de Bilderdijkstraat
6 Jules Schelvis Vernietigingskamp Sobibor Amsterdam
1997 4e druk
7 Historisch Centrum Overijssel Archief 0726
Politieke Opsporingsdiensten POD en Politieke
Recherche afdelingen PRA te Zwolle en Kampen
invnr 628
8 Informatiebureau van het Nederlandsche Roode
Kruis Sobibor Tweede verbeterde en aangevulde
uitgave Den Haag 1947 Online op
httpswwwgeheugenvannederlandnlnlgeheugen
viewsobiborhaaslandsbergerselowskycoll
ngvnmaxperpage36page1querySobibo
ridentifierEVDO023ANIOD05_7880 Laatst
geraadpleegd op 5 maart 2020
9 Het originele document is getypt De tekst is in zijn
geheel letterlijk overgenomen alleen de spelling
is licht gemoderniseerd De alineaindeling is gehandhaafd
10 De laatste dwangarbeiders van het vernietigingskamp
Belzec werden waarschijnlijk in juni 1943
afgevoerd naar Sobibor Van Liempt p 7274
11 Onder hen ook de Zwollenaren Menno Troostwijk
en Mozes Gerrit Zeehandelaar Schelvis p 169
170 Van Liempt p 62 65 38
12 Uitgebreid over de in Sobibor werkzame SSers
Schelvis p 282347
Met dank aan Ad van Liempt voor de afbeeldingen
op p 13 onder 15 en 16
Selma WijnbergEngel in 2010 Foto Marcel Antonisse
naar Hulshorst om daar te genieten van de natuurrijkdom van de Veluwe 4 juli Wasscherij De Boschbleek Uw goed gaat langer mee als
22 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
De deportatie van Zwolse Joden in beeld
Sinistere foto Keersluisbrug
Annt Bootsma
van Hulten
t meegaat met Wasscherij De Boschbleek Groot Weezenland 29 16 juli Uitgaande van den Kring Zwolle van Christelijke Zang en
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 23
Foto JA Eelsingh
collectie HCO
Oratoriumvereenigingen werd gisteren nabij het theehuis Urbana een zangconcours gehouden waarvoor groote belangstelling bestond
24 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
De Duitse bezetter startte in de zomer
van 1940 een systematisch proces van
identificeren registreren discrimineren
stigmatiseren en isoleren van de Nederlandse
Joodse bevolking Dit proces culmineerde vanaf
juli 1942 in de deportaties naar doorgangskamp
Westerbork en vandaar verder naar de vernietigings
of werkkampen in het Oosten Zo werden
107000 Joden uit Nederland weggevoerd Van de
deportaties naar Westerbork bestaat nauwelijks
beeldmateriaal alleen uit Amsterdam zijn er fotos
bekend en er is een heel kort filmfragment uit
Leeuwarden
Het was dus een bijzondere vondst toen in
november 2019 een foto van een Zwolse deportatie
opdook De deportatie van de Zwolse Joodse
bevolking voltrok zich op drie momenten op 2 en
3 oktober 1942 18 en 19 november 1942 en 8 en
9 april 1943 De foto is vermoedelijk genomen op
2 oktober 1942 Verdeeld over drie groepjes zie je
zeventien Zwolse Joden herkenbaar aan hun op
de borst gedragen ster lopen op de toenmalige
Keersluisbrug over de Willemsvaart Het eerste
groepje drie mannen duwt een kar met bagage en
bevindt zich al op de Willemskade De anderen
vrouwen en kinderen lopen nog op de brug De
groep wordt begeleid door drie Nederlandse politiemannen
Ze waren ongetwijfeld op weg naar
het Gymnasium Celeanum aan de Veerallee waar
de Joden die nacht in de gymnastiekzaal genterneerd
werden tot hun transport de volgende dag
naar Westerbork Het is met de kennis van nu
wrang te zien dat Zwollenaren er bij stonden en
keken hoe hun stadsgenoten afgevoerd werden
Zelf hadden deze waarschijnlijk ook nog geen idee
wat hen boven het hoofd hing
De foto werd ontdekt door HCOmedewerker en
Tweede Wereldoorlogspecialist Paul Harmens
Hij zat tussen negatieven van de destijds bekende
Zwolse fotograaf Jan Anthonie Eelsingh 1866
1949 Eelsingh heeft de foto clandestien gemaakt
vermoedelijk door het raam van Willemskade 9
waar nu Chinees Restaurant Sozing gevestigd is
De foto zat aan het eind van een filmrol waarop
Eelsingh officile portretten van Duitse officieren
had gemaakt Het was strafbaar als je dit soort
taferelen fotografeerde Deze deportatie vond
overdag plaats later gebeurde het vooral s avonds
of s nachts
De onscherpte van de foto draagt bij aan het sinistere
karakter Je weet dat er 450 Zwolse Joden zijn
weggevoerd en nooit teruggekeerd maar met zon
beeld erbij krijgen de kille cijfers meteen een heel
andere en indrukwekkender inhoud
Literatuur
Niek Megens Uniek beeld eerste foto van deportatie
Joden buiten Amsterdam duikt op in Zwolle in de
Stentor 23 november 2019
Dammis Baan ea Jodenvervolging in twaalf portretten
Stichting Judaca 2016
Wim Coster Van Zwolle naar Westerbork en verder
Historisch Centrum Overijssel 2009
Dezelfde plek waar de
foto in 1942 genomen
werd Op de plaats
waar de Keersluisbrug
tot 1965 lag ligt nu het
kruispunt Emmawijk
Willemskade Foto
Elske Bootsma
18 juli Reederij Koppe NV Salonstoombootdienst ZwolleKampenAmsterdam Dagelijksch ook Zondags Vertrek Diezerkade 820
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 25
Het levensverhaal van een vondelingetje
Hetty Hulshof leefde in twee werelden
Hetty Hulshofvan Gelder 77 jaar oud
vertelt haar levensverhaal ogenschijnlijk
zonder emoties Er verschijnt zelfs regelmatig
een gulle lach op haar gezicht Maar achter
die pose gaat een intense tragedie schuil die zij
mede dankzij een jarenlange therapie zo ver heeft
weggestopt dat zij een normaal leven kan leiden
In kort bestek ziet haar levensverhaal er als
volgt uit Geboren op 17 oktober 1942 in Hengelo
wordt Frederika van Gelder twee maanden oud
op zaterdag 19 december op de stoep van een
kleine kruidenierswinkel aan de Vlasakkers in
Zwolle te vondeling gelegd De bewoners Klaas
en Hennie van der HorstSchurink brengen de
baby naar het Sophia Ziekenhuis aan de Rhijnvis
Feithlaan Het vondelingetje gaat op 20 januari
1943 naar een broer en schoonzus van de kruidenier
het kinderloze echtpaar Frits en Roelie
van der Horstvan der Hulst die tegenover de
Jeruzalemkerk aan de Molenweg in Assendorp
wonen Zij worden met instemming van de Voogdijraad
de pleegouders van het meisje en noemen
haar Hetty Haar geboortedatum wordt door de
bekende Zwolse huiskinderarts Betsy Hengeveld
zeer accuraat geschat op 15 oktober slechts twee
dagen voor de werkelijke datum Als Hetty negentien
jaar oud is haar HBSdiploma heeft behaald
en bibliothecaresse is geworden verlaat zij Zwolle
om in dienst te treden bij de bibliotheek in Zaandam
In 1967 trouwt zij met Hans Hulshof die uiteindelijk
hoogleraar Moedertaal en Didactiek in
Leiden wordt Het echtpaar krijgt twee kinderen
en woont in Bergen NoordHolland
Joodse ouders
Afgezien van het feit dat Hetty een vondeling was
lijkt er verder weinig bijzonders aan de hand met
haar levensverhaal Maar dat gegeven komt in
een totaal ander perspectief te staan als we weten
dat haar biologische ouders Joods waren en vermoord
zijn door de Nazis Isral van Gelder geb
1898 kantoorbediende bij Stork in Hengelo en
zijn vrouw Saartje van GelderMooij geb 1901
hebben drie kinderen als de oorlog uitbreekt
de zoons Benjamin geb 1927 en Hartog geb
1935 en dochter Leentje Antje geb 1931 Als
Frederika in oktober 1942 wordt geboren zijn de
Joodse inwoners van ons land verplicht om een
ster op hun kleding te dragen en zijn de eerste
treinen al vanuit Westerbork richting het oosten
vertrokken Isral en Saartje besluiten in december
1942 om onder te duiken Het gezin zal over
vijf adressen verspreid worden Frederika zal te
vondeling gelegd worden bij het bevriende echtpaar
Meenks dat een slagerswinkel heeft aan de
Hetty van Gelder als
bibliothecaresse 1961
Annt Bootsma
van Hulten
Steven ten Veen
Aankomst Amsterdam 1630 15 augustus De Volkstuinders die een tuintje van de gemeente hebben gepacht kunnen een vervoersbewijs
26 jrg 37 nr 1 zwols historisch tijdschrift
Krabbenbosweg in Hengelo Maar vlak voor hun
geplande onderduik wordt op de Spoelsterstraat
in Hengelo al een ander eveneens Joods meisje
te vondeling gelegd Daarop vindt er bij de familie
Van Gelder een controle plaats om te kijken of
dit niet toevallig baby Frederika betreft Maar
zij ligt nog prinsheerlijk in haar wiegje Het is nu
echter te riskant om de baby bij de familie Meenks
neer te leggen De slager en zijn vrouw brengen
het meisje daarom naar Zwolle Kruidenier Klaas
en zijn vrouw Hennie worden als een veilig adres
beschouwd want de Meenksen kennen een uit
Hengelo afkomstige schoonzus van Hennie Zo
treffen de Van der Horsten op de avond van zaterdag
19 december 1942 de baby op de stoep voor
hun huis aan en ze weten niet beter te doen dan
haar naar het Sophia Ziekenhuis te brengen
Politiebericht
Een paar dagen later staat in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant het politiebericht
dat voor een woning aan de Vlasakkers te vondeling
is gelegd een kind van het vrouwelijk geslacht
Het wordt beschreven als circa drie maanden
oud met een gewicht van ongeveer vier kilogram
een lengte van 57 centimeter donkerbruine
ogen blond haar en dopneus gevolgd door een
beschrijving van de kleertjes die de kleine droeg
Verder stond bij het kind een kartonnen doos
waarin kinderkleertjes en luiers zaten een doosje
Zwitsal kinderzalf een aangebroken zakje Zwitsal
kinderpoeder en een zuigfles met speen inhoudende
160 gram melk Opvallend detail in het
politiebericht is de kleur van het haar blond De
familie Van der Horst weet wel beter het haar van
de baby is heel donker Men vermoedde dat ze
Joods was en dat wilden ze niet te veel benadrukken
vertelde de emerituspredikant Hans Pieter
van der Horst in een interview dat in december
2016 in het Zwols Historisch Tijdschrift stond1
Hans is een zoon van het echtpaar Van der Horst
Schurink Hij werd drie maanden eerder dan
Hetty geboren en voor hem werd zij en is zij nog
steeds zijn Joodse nichtje
Hettys biologische
ouders Isral van
Gelder en zijn vrouw
Saartje van Gelder
Mooij met hun oudste
twee kinderen Benjamin
en Leentje Antje
omstreeks 1938
voor aardappelen bemachtigen 24 augustus Zoojuist verscheen VLOOIEN en LUIZENPLAAT met toelichtend geschriftje Deze plaat leent
zwols historisch tijdschrift jrg 37 nr 1 27
Bitter lot
Zo groeit Frederika op als Hetty bij een vader en
moeder die niet haar biologische ouders zijn en
in een stad die zestig kilometer van haar geboortehuis
aan de Johannaweg in Hengelo ligt Het
zal negen jaar duren voor zij dat te horen krijgt
Maar nog altijd wel onwetend van het bittere lot
dat haar ouders en haar zus Leentje trof Door verraad
werden haar ouders al snel opgepakt en naar
het doorgangskamp Westerbork gebracht In de
trein op weg naar Polen werpen Isral en Saartje
van Gelder een briefkaart naar buiten gedateerd
17 maart 1943 en geadresseerd aan den Heer B
Meenk Krabbenbosweg 14 Hengelo O Saartje
schrijft Mijn man en ik zitten in de trein op weg
naar Polen We konden ons noodlot niet ontlopen
maar we verliezen de moed niet en hopen dat we
weer met alles was ons lief is vereenigd worden
Op de voorkant van de kaart heeft Isral geschreven
Ook van mij een laatste groet Wij zijn vol
goeden moed en gaan met vertrouwen de toekomst
tegemoet Wij hebben pech gehad maar als
Drie vondelingetjes in Zwolle
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Zwolle naast Hetty Hulshofvan Gelder nog twee babys te
vondeling gelegd en ook in deze beide gevallen ging het om Joodse meisjes Op donderdagavond
14 januari 1943 vonden Jo Hagedoorn en zijn vrouw in het tuintje voor hun woning aan de Zonnebloemstraat
19 een baby van naar schatting zes weken oud Bij het meisje stonden twee flessen met karnemelk
en een doos waarin luiers lakens sloopjes watten spenen en kleertjes zaten De baby werd
net zoals bij Hetty het geval was naar het Sophia Ziekenhuis gebracht De Voogdijraad wees haar toe
aan de familie Hagedoorn en ze werd in het bevolkingsregister ingeschreven als Sophia Hagedoorn
Dat het meisje bij de familie Hagedoorn op de stoep werd gelegd was geen toeval Johannes Jo
Hagedoorn bureauchef op het advocatenkantoor van mr H Bouman was actief in het verzet Zo was
hij betrokken bij de verspreiding van het illegale blad Trouw en bij de Ordedienst die zich onder meer
bezighield met sabotage en spionage Dat er een vondeling zou worden gebracht wist hij al De ouders
van de baby op zoek naar een betrouwbaar adres hadden hem in het complot betrokken Zelf zaten zij
en hun andere kinderen

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2020, Aflevering 4

Door 2020, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
37e jaargang 2020 nummer 4 – 8,50 euro
Afscheid Annèt Bootsma – van Hulten Met egodocumenten én
interview Margriet Meindertsma
zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 207
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 206
Afscheid van het Zwols Historisch Tijdschrift
Annèt Bootsma – van Hulten 208
Louis Cohen in ‘Hotel de Houten Lepel’
Jan van de Wetering 212
De herinneringen van Steven van Egten
Annèt Bootsma – van Hulten 222
Burgers in een kleine stad
Steven van Egten (†) 224
Een rooms-katholiek jongetje in
het protestantse Zwolle in de jaren vijftig
Harry Koopman 243
‘Hoogtes van zeventig meter horen thuis
in Rotterdam, niet in Zwolle’
Gesprek met oud-wethouder Margriet
Meindertsma Koen Nijmeijer 254
Oud Nieuws – Jong talent voor oude stukken
Kiekès Agterom 267
Recent verschenen, digitaal 269
Recent verschenen 270
Mededelingen 271
Auteurs 273
Redactioneel
Voor u ligt het laatste nummer van 2020.
Het was een bijzonder jaar en dat geldt
ook voor dit tijdschrift. Niet alleen het
jaar loopt ten einde, maar ook het hoofdredacteurschap
van Annèt Bootsma. Maar liefst twintig
jaar heeft Annèt deze functie bekleed, naast de
vier jaar dat ze gewoon redacteur was. In die periode
is het Zwols Historisch Tijdschrift uitgegroeid
tot dit mooie tijdschrift. Zonder Annèt, ons
schaap met de zeven poten, zou dat onmogelijk
zijn geweest. Het laatste nummer van haar hoofdredacteurschap
heeft Annèt zelf ingevuld. Ze
heeft een voorliefde voor egodocumenten, die het
persoonlijke element in de geschiedenis zo goed
weergeven. Daarom is dit tijdschrift gevuld met
Zwolse egodocumenten: jeugdherinneringen van
Steven van Egten (†) en van Harry Koopman, een
enquête over de detentie van Louis Cohen en een
interview met Margriet Meindertsma.
Wat ook ten einde loopt is de rubriek
Suikerhistorie, want ook Wim Huijsmans stopt als
redacteur, na een carrière van maar liefst 35 jaar.
Met zijn enorme kennis van de Zwolse geschiedenis
is Wim altijd ons ijkpunt en onze vraagbaak
geweest.
Het zal raar zijn om in het volgende nummer
van het ZHT de namen van Annèt en Wim niet
meer in het colofon te zien staan. We zullen hun
enthousiasme en kennis enorm missen. Maar het
tijdschrift zal blijven bestaan met een vernieuwde
redactie, die gaat proberen om het hoge niveau
dat we hebben bereikt te handhaven. Zodat u ook
in het volgens jaar kunt blijven genieten van een
mooi tijdschrift.
De redactie wenst u goede feestdagen
en veel leesplezier!
206 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Cover: Scheidend eindredacteur Annèt Bootsma –
van Hulten kijkt naar diverse jaargangen van het
tijdschrift, die door de jaren heen onder haar vakkundige
leiding van de pers kwamen rollen.
Suikerhistorie
Provinciehuis, Luttenbergstraat
Al bijna vijf eeuwen vormt Overijssel een zelfstandige,
staatkundige eenheid. In 1528 droeg de bisschop
van Utrecht, na jaren van oorlog met de hertog van
Gelre, het wereldlijke gezag over Overijssel over aan
Karel V, koning van Spanje en keizer van het Duitse
Rijk. Tot die tijd stond dit gewest bekend als het
Oversticht. In Overijssel liet Karel V zich vertegenwoordigen
door een stadhouder. Vertegenwoordigers
van edelen en de drie steden (Deventer, Zwolle
en Kampen) vormden het bestuur, samen de Staten
van Overijssel vormend, bekend onder de naam
Ridderschap en Steden. Zij hadden geen vaste vergaderplek
maar kwamen na 1578 twee keer per jaar bij
elkaar in de stadhuizen van een van deze drie steden.
Deze situatie veranderde in 1802 toen Zwolle
hoofdstad van de provincie werd. Vanaf 1848
vormden Provinciale Staten het hoogste bestuursorgaan
in de provincie, was het college van Gedeputeerde
Staten het dagelijks bestuur en zat de
gouverneur of commissaris der koning(in) beide
vertegenwoordigende lichamen voor. Het provinciaal
bestuur kreeg een eigen onderkomen in de
Diezerstraat op de hoek met de Rodehaanstraat
waar het was gehuisvest tot 1973. In dat jaar werd
aan de Luttenbergstraat het nieuwe provinciehuis,
ontworpen door architect H. Duintjer, geopend
door koningin Juliana. In de jaren negentig vond
een aanzienlijke uitbreiding plaats aan de zijde
van het Almelose Kanaal. Een kunstwerk in de
vorm van een vel papier met potlood siert sinds
2006 het dak van het provinciehuis.
Na 35 jaar stop ik met mijn redactiewerk voor
het Zwols Historisch Tijdschrift. Dat houdt in dat
ik na twaalf jaargangen ook een punt zet achter
deze rubriek. Dit is mijn laatste bijdrage. Ik hoop
dat u al die jaren met genoegen de informatie over
de afgebeelde Zwolse suikerzakjes hebt gelezen.
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Het Provinciehuis kort na de opening in de jaren zeventig. (Collectie HCO)
ONTWERP pRov1NCIEHUIS
ovERIJSSf.1,.
208 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 209
het ZHT. In 2000 vertrok toenmalig eindredacteur
Ingrid Wormgoor vanwege een verhuizing
naar Groningen. Ik werd haar opvolger en ben dat
al die jaren gebleven.
Ik heb me in de redactie altijd als een vis in het
water gevoeld. Het is buitengewoon inspirerend en
geeft veel voldoening om met gelijkgestemden en
een op elkaar ingespeeld team in een goede sfeer
een fraai eindresultaat te maken. We hebben in de
loop der jaren het tijdschrift steeds verder uitgebouwd,
waarbij het mes aan twee kanten sneed, een
goed tijdschrift trok meer leden, en dat gaf weer
meer financiële armslag voor omvang, kwaliteit en
uiterlijk. Een vanwege moderne technieken gestage
verlaging van de drukkosten speelde hierin ook een
belangrijke rol. Een echte mijlpaal was de introductie
van kleur in het tijdschrift, vanaf 2007, eerst nog
gedeeltelijk, daarna volledig.
ZHT: podium voor iedereen die resultaten
van onderzoek over Zwolle wil publiceren
De Zwolse Historische Vereniging is opgericht
voor iedereen met belangstelling voor de
geschiedenis van Zwolle en het Zwols Historisch
Tijdschrift is destijds bedoeld als podium voor
iedereen die resultaten van (serieus) onderzoek
over Zwolle wil publiceren. Dit is altijd een
belangrijke richtlijn voor ons geweest. Het ZHT is
geen wetenschappelijk tijdschrift, maar we streven
uiteraard wel naar een bepaald kwaliteitsniveau.
Niet alle aangeboden stukken bleken daarom
publicabel, maar we hebben altijd zorgvuldig
gekeken wat voor potentie er in een bepaald
onderwerp zat en of het, indien nodig, herschreven
moest of kon worden. Als lokaal tijdschrift
ben je sowieso afhankelijk van ‘amateurs’, het
aantal echte vak professionals, – historici, archivarissen,
archeologen, kunsthistorici, journalisten –
dat zich beroepsmatig met de Zwolse geschiedenis
bezighoudt, is simpelweg te klein. Zo is het tijdschrift
in de loop der jaren op drie verschillende
manieren ingevuld, met aangeboden artikelen van
auteurs, eigen artikelen van redactieleden en artikelen
geschreven door auteurs op verzoek van de
redactie (met name het geval bij themanummers).
We hebben altijd ingezet op verantwoorde,
maar ook leesbare en toegankelijke artikelen, met
een afwisseling van korte en lange stukken, een
spreiding in onderwerp en spreiding in tijd. Een
streven dat in de praktijk moeilijk genoeg bleek,
met name een goede spreiding in de tijd en korte
artikelen. Er zijn helaas maar weinig auteurs die
een goed artikel kunnen schrijven over de tijd
van het Ancien Regime, die periode blijft daarom
structureel onderbelicht. En wat de lengte van de
artikelen betreft, geef een historicus, amateur of
professial, een pen, en hij/zij raakt op dreef en valt
moeilijk meer te stoppen… Regelmatig kreeg ik
een mailtje in de trant van, ‘Annèt, je zei maximaal
3000 woorden, maar ik heb zoveel interessante
dingen ontdekt, ik zit inmiddels op 5000, in hoeverre
is dat een bezwaar…’
Een ander belangrijk uitgangspunt was om
aan te sluiten bij wat ik altijd noem de ‘historische
actualiteit’, zoals bijvoorbeeld dit jaar het
themanummer bij 75 jaar bevrijding, vorig jaar
de aandacht voor de burgemeesterswissel en het
themanummer 200 jaar Willemsvaart.
Ons lezerspubliek beslaat een breed spectrum,
met aan de ene kant degenen die geïnteresseerd
zijn in geschiedenis en meer willen weten over de
stad waarin ze wonen, en aan de andere kant degenen
voor wie herkenbaarheid een grote rol speelt,
met een heel groot menggebied daar tussenin. Als
redactie moet je hier een evenwicht in vinden.
Puur historische artikelen worden vaak als moeilijk
of taai ervaren, maar te veel aandacht voor
herkenbaarheid wordt nostalgie, want het moet
ons inziens wel altijd gaan om de context.
Egodocumenten
Context speelt ook een belangrijke rol bij egodocumenten.
Het woord egodocument staat voor
autobiografische teksten, zoals memoires, dagboeken,
brieven en reisverslagen. De term werd
rond 1955 bedacht door de historicus Jacques
Presser. Hij definieerde egodocumenten als teksten
waarin de ‘ik’, de schrijver, als schrijvend en
beschrijvend subject voortdurend in de tekst aanwezig
is.* Het heeft een flinke tijd geduurd voordat
egodocumenten als volwaardige historische
bron gezien werden. Maar inmiddels is het inzicht
wel algemeen dat één getuigenis meer zeggingskracht
kan hebben dan onderzoekresultaten op
basis van vele strekkende meters archiefmateriaal.
Egodocumenten zijn per definitie subjectief, maar
met deze wetenschap en het in acht nemen van de
context vormen ze een zeer directe toegang tot het
verleden. Memoires laten zich vaak lezen als fictie,
maar gaan over de werkelijkheid, zie bijvoorbeeld
de herinneringen van Steven van Egten in dit
nummer op pagina 222.
De persoonlijke benadering van het verleden
is voor de lokale geschiedschrijving van wezenlijk
belang, het zijn de ooggetuigenverslagen
die het kleine verhaal van binnenuit vertellen
en het verleden kleur geven. Bekende Zwolse
egodocumenten zijn bijvoorbeeld de Zwolse
mijmeringen, herinneringen aan de jaren 1881-
1914 van C.M. van Hille-Gaerthé en Van Zwolle
tot Brest-Litowsk van Igor Cornelissen (zie voor
meer titels de website van de ZHV). In het ZHT
hebben we veel egodocumenten gepubliceerd,
ik noem in dit verband Wil Cornelissen (†) en
Willem van der Veen, allebei meesters in het
genre. We hebben in de vorm van themanummers
twee manuscripten met memoires uitgebracht,
‘De Oude Gaper, Herinneringen rond
een oude en vermaarde drogisterij’ van Steven
van Egten in ZHT 21 (2004) nr. 4, en ‘Jeugdherinneringen’
van Joh.J. Doyer, in ZHT 23 (2006)
nr. 4. Heel geslaagd waren mijns inziens ook de
uitgaven waarin een en ander gecombineerd kon
worden: de special over de Zwolse ziekenhuizen
in december 2013 die gelardeerd was (na een
oproep van de redactie) met persoonlijke herinneringen,
en de persoonlijke herinneringen aan
de Oude Veerweg in het 200 jaar Willemsvaartnummer
uit de zomer van 2019.
Persoonlijk heb ik altijd een zwak voor het persoonlijke
in de geschiedenis gehad. Het is daarom
dat ik in mijn laatste nummer afscheid neem
Afscheid van het Zwols Historisch Tijdschrift
Annèt Bootsma –
van Hulten Voor u ligt het laatste nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift (ZHT) dat onder
mijn eindredactie verschijnt. Daarmee
komt voor mij een einde aan 24 jaar redactiewerk,
waarvan 20 jaar als eindredacteur van dit blad.
De Zwolse Historische Vereniging (ZHV) werd
in december 1983 opgericht, mijn eigen lidmaatschap
van de vereniging dateert uit 1984. Na mijn
studie geschiedenis in Leiden woonde en werkte ik
toen nog in Rotterdam, ik was er bestuurslid van
het Historisch Genootschap Roterodamum en was
actief binnen de WIARIJN (Werkgroep Industriële
Archeologie Rijnmond). Het lidmaatschap van de
ZHV was een cadeautje van mijn aanstaande Zwolse
schoonfamilie: ‘Echt iets voor jou’. De verandering
van focus van de wereldhavenstad Rotterdam
naar de provinciestad Zwolle vergde wel enige tijd.
Ik moet bekennen dat ik als het toenmalige blaadje
van de Zwolse vereniging, met doorwrochte artikelen
maar in een buitengewoon simpele uitvoering,
in de brievenbus viel ik het met een half oog scande
en dacht, dat komt nog wel eens… achteraf een
voorspellende gedachte. In 1990, ik woonde inmiddels
vijf jaar in Zwolle, werd ik via Ingrid Wormgoor
bestuurslid van de ZHV. De jonge vereniging
had zich in korte tijd al stevig genesteld in de stad.
De ZHV telde toen zo’n 450 leden, een aantal dat
met twee grote ledenwerfacties opgekrikt was naar
goed 700 eind jaren negentig. In dat verband wil
ik hier Jaap Hagedoorn, Ben Kam (†) en Joke van
Ulsen memoreren. Zij hebben enorm veel werk
verzet, destijds en later ook nog om de ZHV tot
bloei te brengen; Jaap en Ben vooral op organisatorisch
en inhoudelijk vlak, Joke in praktisch
opzicht. Tegenwoordig telt de ZHV zo’n 900 leden.
Voor een rechtgeaard historicus is het echte
historische werk natuurlijk veel leuker dan
bestuurswerk, dus daarom stapte ik in 1996 over
van het bestuur van de ZHV naar de redactie van
210 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 211
met een aantal egodocumenten. We beginnen
met de getuigenis van de activistische socialist
Louis Cohen over zijn verblijf in het Zwolse Huis
van Bewaring in 1893, vervolgens met jeugdherinneringen
van Steven van Egten aan zijn protestants-
christelijke jeugd in de eerste decennia
van de twintigste eeuw in Zwolle en de terugblik
van Harry Koopmans op zijn katholieke jeugd
in de Zwolse binnenstad in de jaren vijftig. Drie
representanten van het verzuilde Nederland, drie
verschillende belevingswerelden, allen levend in
hun eigen waarheid. Louis Cohen bestempelt de
destijds grootste ondernemer van Zwolle,
G.J. Wispelweij, als een ‘uitzuiger’, dat label kregen
waarschijnlijk alle ondernemers per definitie
van hem. Voor Steven van Egten waren in zijn
jeugd alle katholieken ‘papen’, en Harry Koopman
ervoer als kind in een missieoptocht in de
jaren vijftig al dat zoiets in het overwegend protestantse
Zwolle niet op prijs gesteld werd, het
aantal katholieken betrof destijds ongeveer een
vijfde van de bevolking.
Ten slotte een interview met oud-wethouder
Margriet Meindertsma over haar ambtsperiodes
in de jaren tachtig en negentig. Een interview is
officieel geen egodocument, maar het heeft veel
raakvlakken, er staat een ik-figuur centraal en er
moet rekening gehouden worden met de subjectiviteit
van zowel de geïnterviewde als de interviewer.
Interviewer Koen Nijmeijer en geïnterviewde
Margriet Meindertsma nemen stelling tegen de
nieuwe uitbreidingsplannen van het gemeentebestuur,
een stellingname die ik overigens persoonlijk
van harte onderschrijf.
Tot slot
In mijn functie van eindredacteur heb ik de afgelopen
jaren veel bijzondere en gepassioneerde
mensen leren kennen en de stad heeft voor mij
een enorme verdieping gekregen. Ik ben van
Zwolle gaan houden en fiets of loop er graag door
heen, om de verhalen die de huizen en straten mij
inmiddels vertellen te ervaren.
Binnen de redactie heb ik met bevlogen en kundige
redacteuren mogen samenwerken. Hoogtepunten
waren er vele, themanummers met bijzondere
presentaties, om er slechts een paar te noemen: ‘De
busse van Skutte’ (2004), ‘Carina en Harro Bouman,
een bijzonder echtpaar op Koestraat 18’ (2005),
‘Zwolle IJzersterk, Wispelwey’ (2007), ‘Terug naar
de Eindstraat’ (2008), ‘De Zwolse beurtvaart’ (2009),
‘Speuren naar Spoolde (2010), ‘De oude spoorbrug
1862-2011’ (2011), ‘Westenholte-Voorst-Frankhuis’
(2012), ‘Vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg’
(2013), ‘De Zwolse Ziekenhuizen’ (2013) en ‘Odeon
175 jaar’ (2014).
Gedenkwaardig is de reis die Jan van de Wetering,
Lydie van Dijk en ik namens de redactie
samen met filmer Martin de Fluiter in oktober
2016 ondernamen naar een klooster in Frankrijk,
op zoek naar de verdwenen kaak van Thomas a
Kempis. We hebben dat uitvoerig beschreven in het
tijdschrift en de filmbeelden staan op de website.
Persoonlijk hoogtepunt was de koninklijke
onderscheiding die ik in 2019 mocht ontvangen op
instigatie van de ZHV. Persoonlijk dieptepunt, zij
het dat dit niet rechtstreeks met het tijdschrift of
de vereniging in verband stond maar wel impact
had op het hele Zwolse historische wereldje, was de
sluiting van het Stedelijk Museum Zwolle door de
gemeente in 2017. Het kind is daarbij met het badwater
weggegooid, en alle goedbedoelde inspanningen
van Allemaal Zwolle ten spijt schiet het tot
nu toe weinig op met de totstandkoming van een
nieuw museum en zijn de mogelijkheden daartoe
ook veel beperkter.
In het ZHT is een wezenlijk stuk van de Zwolse
geschiedenis vastgelegd en ik ben oprecht trots op
het aandeel wat wij als redactie daar aan geleverd
hebben. Cultuur-historisch werk krijgt over het algemeen
helaas niet de maatschappelijke waardering,
laat staan beloning die het zou verdienen. Daarom
des te meer respect voor al degenen met wie ik in de
redactie heb samengewerkt en die dit jarenlang op
vrijwillige basis toegewijd en kundig hebben gedaan,
ieder met zijn eigen specifieke vaardigheden en kennis.
Een groot applaus voor, in chronologische volgorde:
Ingrid Wormgoor, Jean Streng, Menno van der
Laan, Wil Cornelissen (†), Harry Stalknecht, Lydie
van Dijk (†), Jan van de Wetering, Frank Inklaar,
Steven ten Veen en Michael Klomp.
Twee redacteuren staan niet in dit rijtje omdat
ik ze speciaal wil noemen: Wim Huijsmans en
Wim Coster. Zij verlaten nu net als ik de redactie.
Wim Huijsmans is in dienstjaren altijd onze nestor
geweest, hij maakte 35 (!) jaar deel uit van de
redactie. Als (oud)archivaris is hij buitengewoon
nauwkeurig en heeft hij een ongelofelijke kennis
van de Zwolse geschiedenis en het Zwolse (Stads)
archief. Op Wim kon ik altijd een beroep doen:
‘Wim klopt dit wel, klopt dat wel? Kijk het svp.
nog even na.’ Afgezien van al zijn eigen bijdragen
zijn er zo weinig artikelen in het ZHT verschenen
waar Wim Huijsmans niet zijn blik over heeft
laten gaan. De redactie zal zijn enorme kennis en
kunde in de toekomst node gaan missen.
Wim Coster is een buitengewoon creatief en
productief historicus. Helaas heeft hij maar een
korte periode deel uitgemaakt van de redactie,
maar hij betoonde zich meteen een zeer voortvarend
redactielid en hij had in 2019 een belangrijk
aandeel in de totstandkoming van het themanummer
over de Willemsvaart en dit jaar bij het
Bevrijdingsnummer. Daarnaast is hij al jarenlang
betrokken bij de ZHV, hij was onder meer voorzitter
van 1998 tot 2000. Wim neemt nu wegens
tijdgebrek afscheid, maar hopelijk blijft hij, of zijn
alter ego Kiekès Agterom, nog veel bijdragen voor
het tijdschrift leveren. Wim en Wim, mijn grote
dank voor de plezierige samenwerking en een
diepe buiging voor jullie allebei!
Het is een zware taak om een tijdschrift als het
ZHT op de huidige basis op de rails te houden.
Ik eindig daarom met de oude en de nieuwe
redactieleden daarbij heel veel sterkte, inspiratie
en succes te wensen.
* Arianne Baggerman en Rudolf Dekker, ‘ “De gevaarlijkste
van alle bronnen.” Egodocumenten:
nieuwe wegen en perspectieven’, in Tijdschrift voor
Sociale en Economische Geschiedenis 1 [2004] nr. 4
p. 3-22
Wim Coster, Annèt
Bootsma en Wim
Huijsmans in september
2007, op de
afscheidsreceptie van
archivaris Albert Mensema
in het Historisch
Centrum Overijssel.
(Particuliere collectie)
212 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 213
aan, zodat op zeker moment de politie gedwongen
was de straten met ‘de blanke sabel’ schoon te
vegen en hulp in te roepen van de in Zwolle gelegerde
militaire macht. Net als in Amsterdam was
er geen directe aanleiding voor de volkswoede,
maar ook hier zal ongetwijfeld de machteloosheid
om verandering te brengen in een armoedig leven
de voedingsbodem zijn geweest.
Hoe schrijnend de situatie was, laat een berekening
zien van het huishoudboekje van een
doorsnee Zwolse arbeider. In 1872 verdiende een
gewone werkman ongeveer f 5,- per week (zes
werkdagen van doorgaans twaalf uur per dag),
terwijl de wekelijkse uitgaven voor een gezin met
drie kinderen f 8,- bedroegen en dat terwijl in
dat bedrag de uitgaven voor vlees (als er al geld
voor was alleen op zondag), kleren en schoeisel
niet zijn meegenomen.1 Wie het verschil tussen
inkomsten en uitgaven wilde rechttrekken had
de keus tussen bezuinigen (minder eten, minder
brandstof voor de kachel) of bij een van de plaatselijke
armeninstellingen aankloppen, zoals de
Zwolsche Armeninrigting, waar je een uitkering
kon krijgen op basis van werkzaamheden die je
thuis moest verrichten, zoals breien, spinnen en
mattenvlechten.
De gesjochten jongens
Onder deze voor hem maar al te bekende omstandigheden
kwam Levie Cohen, roepnaam Louis,
samen met zijn vrouw (Betje Os) en jonge gezin
(drie kinderen), in 1890 naar Zwolle. Ze gingen
wonen in de Tuinstraat, waar ook zijn leeftijdsgenoot
Helmig Jan van der Vegt woonde. In het
hele land, ook in Zwolle, hing iets in de lucht
dat niet meer te stoppen was: steeds meer arbeiders
gingen zich organiseren in vakbonden en
belangenverenigingen om betere werk- en leefomstandigheden
af te dwingen. Zo ontstonden
hier in de jaren tachtig en negentig snel achter
elkaar onder meer een afdeling van het Algemeen
Nederlandsch Werkliedenverbond, de christelijke
werkliedenvereniging Patrimonium, de roomskatholieke
werkliedenvereniging Sint Jozef, een
afdeling van de Bond voor Algemeen Kiesrecht,
de Zwolse Spoorwegvereniging, de Zwolse Schilders-
en Behangersvereniging en de Zwolse Kalken
Steenbewerkersbond. En voor dit artikel het
belangrijkste: de oprichting in 1881 van de Sociaal
Democratische Bond (SDB), gevolgd door een
Zwolse afdeling van die bond in 1885.
De SDB was een revolutionair-socialistische
partij, opgericht door de charismatische Ferdinand
Domela Nieuwenhuis, een voormalige predikant
uit Friesland. Door zijn lezingen ‘bekeerden’
zich overal in het land arbeiders tot het socialisme.
Dat was ook het geval bij Louis Cohen –
nog in zijn Amsterdamse tijd – en Helmig Jan van
der Vegt. Al gauw vonden de twee buurtgenoten
elkaar om zich in te zetten voor de nieuwe partij.
Daar was behoefte aan, want in arbeiderskringen
waren er nog maar weinig mensen met voldoende
opleiding of natuurlijke capaciteiten om de partij
leiding te geven en de belangen van de arbeiders
te behartigen, zoals de strijd voor het algemeen
kiesrecht, de achturen-werkdag en betere lonen.
Noodzakelijkerwijs werd de strijd dus voor een
groot deel ‘van onderaf ’ gevoerd door sociaal
bewogen mensen als Cohen en Van der Vegt.
Er waren veel mensen nodig om propaganda
te voeren: lezingen houden, debatteren, artikelen
in socialistische bladen schrijven en op wat eenvoudiger
niveau het colporteren van die bladen.
Wie zich daartoe geroepen voelde, moest voor de
duvel niet bang zijn. De propagandisten kregen
op straat ontelbare keren te maken met scheldpartijen
en soms ook fysiek geweld. De landelijke
en plaatselijke vergaderingen van de SDB werden
steevast onmogelijk gemaakt door intimidatie van
de zaaleigenaren door de Zwolse politie. Tijdens
het colporteren legde de politie aan de lopende
band bekeuringen op en wie niet op zijn woorden
lette, kon een paar dagen de gevangenis in.
Zo kwam het dat een curieus gezelschap van
laag opgeleide, maar verbaal vaardige mannen uit
Zwolle hun krachten bundelden om zich in te zetten
voor de SDB. In de kolommen van de kranten
uit die tijd komen we met enige regelmaat Zwollenaren
tegen als P. Arnolli, J.M. van Vlaardingen,
Izaak Os, C.A. Stalenhoef, J. Tuyten, M. Spits en
Hartger de Vries. ‘We waren allemaal gesjochten
jongens’, schreef Helmig Jan van der Vegt, waar-
Louis Cohen in ‘Hotel de Houten Lepel’
Jan van de Wetering
De voedingsbodem van het Zwolse socialisme
Of de Amsterdammer Louis Cohen op die dag in
het najaar van 1893, drie jaar na zijn verhuizing
naar onze stad, al een beetje gewend was in Zwolle
is niet bekend, maar de problemen binnen het
milieu waarin hij zich begaf, zullen hem bekend
zijn voorgekomen. Het proletariaat had vele jaren
van werkloosheid en sociale discriminatie achter
de rug. In de Jordaan was het volk al in 1886 massaal
de straat opgegaan tijdens het Palingoproer.
Er was naar het leek een marginale aanleiding
voor de volksopstand: de politie had het volksvermaak
palingtrekken verboden, daarmee was
volgens de Jordanezen hen het laatste pleziertje
dat ze nog hadden afgenomen. Maar de onderliggende
aanleiding lag dieper.
Dat was in Zwolle niet anders. De Zwolse socialist
Helmig Jan van der Vegt verwoordde het zo:
‘In de achterbuurten heerschten verschrikkelijke
toestanden: lage loonen, ellendige krotten, lange
werktijden, onmenschelijke behandeling.’ Ook in
Zwolle was het de afgelopen jaren tot ongeregeldheden
gekomen. In 1885 nog trok een oncontroleerbare
massa van een paar honderd jongeren en
soldaten rellend door de Zwolse binnenstad. Ze
gooiden ruiten in en richtten andere vernielingen
Op 18 oktober 1893 meldde Zwollenaar Louis Cohen zich bij de gevangenis aan de (nu) Menno van
Coehoornsingel voor het uitzitten van een celstraf van één maand. Hij voelde zich een politieke
gevangene en daar viel wat voor te zeggen, hoewel het ‘bevoegd gezag’ er destijds een andere mening
over zal hebben gehad. Het was niet de eerste keer dat hij door het uitdragen van zijn politieke opvattingen met
de politie in aanvaring was gekomen. Cohen was een socialist in hart en nieren en dat werd in die jaren door
velen als een bedreiging van de gevestigde orde gezien. De sinds 1848 in de grondwet vastgelegde vrijheid van
vereniging en vergadering, van meningsuiting en van drukpers was geen belemmering voor politie en rechters
om socialisten, hun partijen en hun publicaties te vuur en te zwaard te bestrijden. Dat is precies wat Louis
Cohen overkwam. Het pièce de résistance van dit artikel is de letterlijke tekst van een schriftelijke enquête,
waarin Louis Cohen antwoord geeft op vragen over zijn verblijf in de Zwolse gevangenis. Daaraan vooraf
gaat een korte beschrijving van het leven van Louis Cohen en de tijdsomstandigheden waardoor hij in de
gevangenis terecht kwam.
Helmig Jan van der
Vegt (1864-1944),
omstreeks 1904.
(Delpher, Geheugen)
Louis (Levie) Cohen
(1864-1933). (Uit:
Vliegen, De Dageraad
der volksbevrijding)
Het vaandel van de
Christelijke Metaalbewerkersbond,
opgericht
1900, afdeling Zwolle,
1917. (Delpher, Geheugen)
Ferdinand Domela
Nieuwenhuis (1846-
1919), in 1903.
(Delpher, Geheugen)
214 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 215
schijnlijk degene met de beste opleiding, in zijn
opgeschreven herinneringen.2 De herinnering
aan Izaak Os, zwager van Louis Cohen, is levend
gehouden door zijn kleinzoons Wil en Igor Cornelissen,
die veelvuldig over hem, ook in dit tijdschrift,
geschreven hebben.
De Volksvriend en een hoopje koemest
Louis Cohen verdiende zijn brood met de kleinhandel
in bier, boter en alles waar maar handel in
zat. Dat was geen vetpot. Hij woonde nog maar
net een half jaar in Zwolle toen hij ook politiek
gezien aan de slag ging en er tegelijkertijd een
extra inkomensbron bijkreeg. Op 27 juni 1891 liet
hij de eerste aflevering verschijnen van De Volksvriend,
Socialistisch Weekblad voor Drenthe en
Overijssel. Hij was uitgever en redacteur tegelijk.
Cohen schreef een groot deel van de (voor zover
mij bekend) niet bewaard gebleven afleveringen
vol, zorgde voor de distributie en hielp zelfs mee
colporteren op straat. Dat leverde hem in 1892
zijn eerste gevangenisstraf op. Samen met zijn
partijgenoten Stalenhoef, Arnolli en Van Harte
werd hij opgepakt wegens colporteren, waar ze
geen vergunning voor hadden. Cohen kreeg acht
dagen gevangenisstraf, zijn vrienden respectievelijk
vier, twee en nog eens twee dagen.3 Socialisten
in andere steden hadden in die tijd dezelfde ervaringen.
Cohen liet zich niet ontmoedigen. Hij publiceerde
in De Volksvriend op scherpe toon zijn
politieke opvattingen, net zoals hij dat inmiddels
in lezingen en spreekbeurten gewoon was te doen.
Dat moest een keer misgaan en dat gebeurde dan
ook. In aflevering 44 van 22 april 1893 schreef hij
een artikel, getiteld ‘Lage streken’. Daarin beschuldigde
hij politieagent Spanhak ervan een eenvoudige
arbeider van de Zwolse gemeentelijke reinigingsdienst
brodeloos te hebben gemaakt. Wat
was het geval? De arbeider had tijdens het laden
van straatvuil op de veemarkt een hoopje koemest
zelf meegenomen, in plaats van dat samen met
de andere mest af te leveren bij de mestverzamelplaats.
De arbeider kreeg van de directeur van de
reinigingsdienst eerst een boete van 1 gulden (een
kwart weekloon), maar schorste zijn medewerker
alsnog omdat burgemeester Van Nahuijs geklaagd
had dat de boete te laag was. Volgens Cohen had
niet de directeur de burgemeester getipt, maar de
politieagent. Aan het eind van zijn artikel had hij
de lezers gewaarschuwd voor de boze opzet van
Spanhak, met de woorden: ‘houd hem in de gaten’.
De officier van justitie was van mening dat
Cohen de agent valselijk had beschuldigd, zonder
grondig onderzoek en dat hij alleen ‘op verzekering
van de eerste de beste’ zijn artikel had
geschreven. Cohen ontkende het beledigende van
zijn artikel en vond dat hij alle reden had om de
politie vijandig te bejegenen, gezien het ongemotiveerde
optreden van de politie tegen sociaaldemocraten.
Hij kreeg tijdens de rechtszaak de lachers
op zijn hand toen hij de dagvaarding nietig wilde
laten verklaren omdat daarin gesproken werd van
Spanhak en Spanhaak ‘en hem alzoo de beleediging
van twee personen wordt ten laste gelegd’.4
Hotel de Houten Lepel
Louis Cohen werd tot een maand gevangenisstraf
veroordeeld. Op 18 oktober 1893 meldde hij zich
aan de poort van ‘De Houten Lepel’, zoals de gevangenis
spottend door de socialisten werd genoemd.5
Zijn opname ging niet ongemerkt voorbij:
‘Een tiental partijgenooten vergezelden hem
naar de gevangenis. Aan den ingang gekomen riep
hij, toen de cipier de deur opende: “Leve de sociale
revolutie!”, wat door de hem vergezellende partijgenooten
werd beantwoord met een luid hoera!
Uit een brief door hem aan zijn vrouw geschreven,
vernemen wij dat de ‘droge baden’ (van een droog
bad word je niet mat, ook cynisch bedoeld, in de
gevangenis waren geen baden en er was ook geen
goede wasgelegenheid) hem geen nadeel doen.
Hij oefent zich in de schoone kunst van mattenvlechten.
Het zou hem zeer aangenaam zijn als de
partijgenooten hem eens schreven, zijn adres is:
No. A 245 Strafgevangenis Zwolle.’6
Terwijl Cohen in de gevangenis zat, ging de uitgave
van De Volksvriend gewoon door. Als redactieadres
werd vermeld: Hotel de Houten Lepel.
Gedurende zijn maand gevangenisstraf mocht hij
voor één dag zijn cel verlaten. Hij moest getuigen
ten gunste van een arbeider die tijdens de kermis
in conflict gekomen was met een politieagent.
Advocaat was niemand minder dan Pieter Jelles
Troelstra. Cohen werd tot ongenoegen van de
rechter met een daverend applaus ontvangen door
zijn partijgenoten op de tribune.7 Op 22 november
werd Cohen weer vrijgelaten. Ook nu weer
had hij niet over belangstelling te klagen:
Uit de socialistische liederenbundel
Liederen speelden een belangrijke rol in de socialistische beweging. Ze werden
op straat gezongen en tijdens de meifeesten in het Engelse Werk. De
tekst van de liederen liet niets aan duidelijkheid te wensen over, zoals bijvoorbeeld
het lied ‘Moeder ga voor je kindje staan’. Hier het eerste couplet:
Moeder ga voor je kindje staan,
Want daar komt de justitie aan.
De justitie is een kwade man
Die geen arme menschen lijden kan.
En waar hij komt met zijn grimmig gelaat
Is ’t krom of recht
Is ’t valsch of waar,
Daar luistert geen justitieman naar.
Heeft hij je kindje eenmaal vast
Dan komt het zeker in de kast.
Socialistische liederenbundel uit 1912. (Collectie auteur)
‘Hotel de Houten Lepel’,
het Huis van Bewaring
in Zwolle omstreeks
1890, toen nog zichtbaar
vanaf de stadsgracht.
Nu is het driesterrenrestaurant
De
Librije hier gevestigd.
(Collectie HCO)
6 Cll:NT
SOCIALISTISCHE
LIEDERENBUNDEL
■■ oc:auauunn DEI ,. D • .1. , • • IMSUll&ll
216 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 217
‘Vrijdagmiddag is onze partijgenoot Cohen
te Zwolle weer in vrijheid gesteld. ’s Morgens
bevonden zich reeds een 100-tal partijgenooten
en geestverwanten voor de gevangenis, die nadat
ze ongeveer een half uur lang de Carmagnole [lied
dat populair werd tijdens de Franse revolutie,
JvdW] en andere liederen hadden gezongen, weer
aftrokken doordat de cipier kwam zeggen dat
Cohen om 12 uur pas ontslagen zou worden, wat
echter niet gebeurde. Om één uur, toen er natuurlijk
niemand meer was, werd hij losgelaten.
Zaterdagavond trad hij in een openbare
vergadering als spreker op, met het onderwerp:
“Moderne ketterjacht”. Nadat spreker zijn wedervaren
in de gevangenis had uiteengezet en er op
gewezen had hoe hij, evenals zoovele anderen,
was geworden het slachtoffer der vervolgingen
waaraan wij blootstonden, verklaarde hij met des
te meer ijver voor onze zaak te zullen strijden.
Een daverend applaus viel spreker ten deel.’8 Louis
Cohen was in korte tijd een echte Zwollenaar
geworden.
Een zwaar leven
Cohen liet zich niet afschrikken en ging onvermoeibaar
door met het uitgeven van De Volksvriend
en met zijn spreekbeurten. Maar ondertussen
begon zich een schisma af te tekenen binnen
de SDB. Een deel van de leden wilde in de lijn van
Domela Nieuwenhuis de kant van de revolutie
op, desnoods met alle middelen, al werd nooit
concreet verwoord wat daaronder verstaan moest
worden. Een ander deel van de leden neigde steeds
meer naar de parlementaire weg om hun doelen te
bereiken. Op die manier konden concrete zaken
als het algemeen kiesrecht, de achturen-werkdag
en betere lonen sneller bereikt worden. En dat was
precies wat de niet theoretisch geschoolde arbeiders
wilden. Helmig Jan van der Vegt en Louis
Cohen kozen voor de sociaal-democratische weg
en speelden een belangrijke rol bij de oprichting
van de SDAP in de Atlas aan de Ossenmarkt op 26
augustus 1894.9 De initiatiefnemers zouden onder
leiding van Pieter Jelles Troelstra al gauw bekend
staan als ‘de twaalf apostelen’.
Wat de sociaaldemocraten in de kaart speelde,
was dat de SDB een jaar eerder was verboden
omdat de rechter van opvatting was dat de partij
onwettige middelen propageerde om haar revolutionair
doel te bereiken. De oprichting van de
SDAP was een stap in de richting van een onzekere
toekomst. De woede onder de achtergebleven sympathisanten
van de SDB over de breuk was groot.
Louis Cohen en de zijnen werden verketterd door
hun vroegere vrienden, die partijloos achterbleven.
De inkomsten uit advertenties in De Volksvriend
verminderden zodat het blad niet meer rendabel
was. Tot overmaat van ramp verloor Cohen door
zijn politieke activiteiten veel klanten van zijn
kleinhandel. Samen met zijn gezin verhuisde hij in
1896 terug naar Amsterdam, waar hij zijn propaganda
voor de SDAP voortzette en daarnaast werk
vond als handelsreiziger.
Tussen 1905 en 1917 was hij voorzitter van
handelsreizigersvereniging Eendracht. In die
functie kwam hij in botsing met de in 1906
opgerichte NVV-bond van handels- en kantoorbedienden.
Cohen verhinderde de toetreding
van de Eendracht tot het NVV, omdat die bond
volgens hem niets voor de reizigers had gedaan.
De voorzitter van het NVV sloeg terug met de
opmerking dat Cohen ‘een apostel in ruste was’
en een ‘water-en-melk sociaal-democraat’. Door
zijn harde opstelling vervreemdde Cohen langzamerhand
van zijn partijgenoten van de SDAP. In
1927 verhuisde hij naar Brussel, werd daar ziek,
keerde berooid terug naar Amsterdam, waar bleek
dat hij aan een ongeneeslijke kwaal leed. In 1930
vroeg een familielid om financiële steun voor hem
aan het partijbestuur. In advertenties werd ook
nog een oproep gedaan hem financieel te steunen,
maar uiteindelijk verwees het partijbestuur Cohen
naar het armenbestuur. Hij overleed in Amsterdam
op 5 augustus 1933 in tehuis De Joodsche
Invalide, hoewel hij zich al vóór zijn Zwolse tijd
tot atheïst had verklaard.10
Een politieke misdadiger
In 1897-1898 werd een enquête over de Behandeling
van Politieke misdadigers in Nederlandsche
Gevangenissen uitgevoerd op initiatief van de
redactie van de Jonge Gids. Redacteur van dat
tijdschrift was de bekende socialistische (toneel)
schrijver Herman Heijermans (Diamantstad, Op
Hoop van Zegen).11 Er was zeker sprake van vooringenomenheid,
hoe voorstelbaar die ook was.
Voorstelbaar omdat in de jaren tachtig en negentig
van de negentiende eeuw niet alleen Louis
Cohen om curieuze redenen gevangen was gezet,
maar met hem honderden anderen, vaak om
geen andere reden dan dat ze voor hun politieke
mening waren uitgekomen. Heijermans wond in
de inleiding van de enquête geen doekjes over zijn
standpunt: ‘Het feit dat er in Holland niet alleen
een afschuwelijk gevangenis-systeem bestaat, dat
dit daarenboven zonder eenige verzachting wordt
toegepast op zogenaamde “politieke misdadigers”,
heeft ons doen besluiten de erbarmelijke behandeling
der gevangenen, die om een politiek misdrijf
gemarteld worden, aan eene enquête te onderwerpen
en deze in ons tijdschrift te publiceeren.’
Deze tekst stuurde hij ook naar de door de
redactie geselecteerde respondenten, samen met
een lijst van vijftien vragen, met het verzoek deze
binnen acht dagen te beantwoorden. Bij de plaatsing
van de antwoorden sprak Heijermans de volgende
wens uit: ‘De bourgeois-lezers van de Jonge
Gids kunnen voorloopig allergezelligst de bestialiteiten
van het Nederlandsch gevangeniswezen
overpeinzen.’12
De onheilspellende woorden van Heijermans
brachten de ondervraagde personen niet het
hoofd op hol. Allemaal gaven ze nuchter antwoord
op de gestelde vragen. Van de veronderstelde
martelingen en bestialiteiten werd geen melding
gemaakt, van erbarmelijke omstandigheden
en een hondse behandeling van het personeel des
te meer. In totaal werden vijftien, merendeels landelijk
bekende socialisten ondervraagd, deels uit
de tijd van de SDB en deels uit die van de SDAP.
Onder hen Domela Nieuwenhuis en drie van de
twaalf apostelen: Cohen, Fortuyn en Vliegen.
Voor we het woord geven aan Louis Cohen
zelf, merk ik nog op dat met de genoemde ‘uitzuiger,
fabrikant Wespelweij’, de Zwolse ondernemer
G.J. Wispelweij van de bekende Zwolse ijzergieterij
en machinefabriek wordt bedoeld, destijds de
grootste onderneming in Zwolle. Geneesheer dr.
J.C. Gaerthé was een bekend Zwols huisarts uit
de Walstraat. Hij was de vader van de schrijfster
C.M. van Hille-Gaerthé, die in haar boek Zwolse
mijmeringen menige herinnering aan hem heeft
opgehaald.
‘De Twaalf Apostelen’,
de oprichters van de
SDAP in Zwolle in
1894. (collectie HCO)
Het fabriekscomplex
van Wispelweij in
vogelvlucht, omstreeks
1900. De fabriek lag
op het Noordereiland,
links de Assiesstraat,
rechts de stadsgracht.
Er werkten toen ongeveer
tweehonderd
mensen. (Collectie
Wispelweij, HCO)
~nn~lun!midekv!Gclnn
Tot ~lll2l!’OOdan bond.
Olllwcrlll!llnil!Uwewnlvedllan
~llnrlwcrtbelodde lood-/
Dot’t-fldemvilllf1e11do~
Oor’t-fldtetoo,Qn>OIQrokkur,
DorlYI! de dooperHm den ctoot –
Doadodoodl
Zwolsche IJierglelorij on Machinefabriek •/d. Firma G. J. WISPELWEIJ & Co., ZWOLLE.
218 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 219
‘De enquête, inlichtingen van den Heer L. Cohen
Wanneer en waar werdt gij veroordeeld?
En ter oorzake van wat?
In Juli 1893 werd ik te Zwolle veroordeeld,
wegens een persovertreding, namelijk beleediging
van een ambtenaar in de uitoefening van zijn
functie tot een maand gevangenisstraf. Dit vonnis
werd door ’t Hof te Arnhem bevestigd. In Oktober
van datzelfde jaar onderging ik die straf, in het
huis van arrest en bewaring te Zwolle.
Hoe was de behandeling door U van de politie
ondervonden tijdens eerste verhoor, arrest, enz.?
Ik werd alléén voor dat feit gehoord door den
commissaris van politie, die toen niet vriendschappelijk
tegen mij gestemd was, daar ik qua
redacteur-uitgever van het toen aldaar verschijnend
socialistisch weekblad De Volksvriend, niet
goed bij hem stond aangeschreven.
Hoe was de behandeling door den directeur
uwer gevangenis, door de commissie van
toezicht, door den geneesheer?
De cipier was over het algemeen zeer welwillend
en ik merkte dat hij – hoewel in mindere
mate – dit ook tegen andere gevangenen was. In
het eerst was één der beambten met name Willink,
zeer tegen mij ingenomen. Hij had vooraf te kennen
gegeven – dit werd ik officieus gewaar – mij
te zullen donderen. Later, toen hij daarvan last
ondervond, doordat het publiek hem daarover
lastig viel, zeer vriendschappelijk; zoodat hij soms
enkele uren dat hij vrij had mij in mijn cel gezelschap
hield. Dit deed trouwens de directeur ook
dikwijls.
Van de commissie van toezicht heb ik weinig
bezoek gehad. Een dier heeren, zekeren Wespelweij
[=Wispelweij], fabrikant en als uitzuiger dikwijls
door mij in het blad gesignaleerd, durfde mij
beleedigen. Ik heb hem behoorlijk op zijn plaats
gezet, zoodat hem den lust benomen werd dit
voor de tweede keer te doen.
Hoe was de voeding?
De voeding was slecht toebereid; het brood
van slechte kwaliteit. Het gewone menu was :
gortsoep, erwtensoep, gestampt eten (rats) elken
dag afwisselend. Daar het onsmakelijk eten mij
den eetlust niet opwekte, hield ik elken dag over.
Voornamelijk de gortsoep was voor iemand met
niet al te fijne tong, oneetbaar. Dr. Gaerthé, een
der commissieleden, die zijdelings gehoord had,
dat ik over het eten had geklaagd, vroeg mij wat
ik daarop aan te merken had. Doordat ik nog al
tamelijk het roggebrood nuttigde en daarvan bij
dit slechte eten niet voldoende had, probeerde ik
een weinig van het middagmaal te bewaren om
het bij het brood te eten. In kouden toestand stonk
het. Gedurende twaalf dagen heeft hij het eten
geproefd en kwam tot de conclusie dat de oorzaak
der wansmaak daarin bestond, dat het eten in
blikken bakken werd rondgediend. Daarin is echter
geen verandering gekomen.
Welk werk moest gij verrichten en was het
U veroorloofd te weigeren?
Ik moest aan een zeer ontzenuwend werk
arbeiden, aan matten vlechten; d.w.z. korte
strookjes aan elkander zetten en vlechten. Weigeren
is niet geoorloofd, doch ik werkte wanneer ik
wilde. Het reglement schrijft echter 10 uren daags
arbeid voor, waaraan een strenge bewaarder de
hand kan houden. Dit werd op andere gevangenen
wel eens toegepast.
Heeft men U veroorloofd werk te verrichten naar
uw eigen keuze?
Ik heb gevraagd om copieerwerk. De cipier
antwoordde, dat hij gaarne iets anders voor mij
zou willen, doch er was niets. Andere partijgenooten
mochten hun handwerk, bijvoorbeeld
schoenmaken, voor eigen rekening uitoefenen.
Het reglement laat dit toe, voor die bedrijven die
geen hinderlijk geraas veroorzaken.
Stond men U lectuur toe? En in hoeverre was deze
aan censuur onderworpen?
De lectuur in de gevangenis was gewone feuilletons
van bladen of kleine novellen. Op verzoek
is mij toegestaan de Algemeene Geschiedenis van
Streckfuss te lezen en Flamarion’s Hemel en Aarde.
Natuurlijk moest dit volgens het reglement door de
commissie van toezicht gekeurd worden. Bladen en
tijdschriften zijn onvoorwaardelijk verboden.
Hoe dikwijls mochten familie of vrienden
U komen bezoeken en welke voorwaarden
worden daarbij gesteld ?
Een dag per week mocht ik bezoek hebben van
familie of vrienden. Dit bezoek vindt plaats in een
daarvoor ingerichte spreekcel. De gevangene wordt
in een cel gebracht, voorzien van traliën en ten overvloede
nog bekleed met ijzerdraad, gebruikelijk voor
kippenhokken; daarvoor staat een bewaarder. Ook
deze cel is afgesloten op dergelijke wijze; en daarvóór
mogen de familieleden den gevangene toespreken.
De afstand tusschen bezoeker en gevangene is dus
zoodanig, dat in een cel tusschen bezoeker en gevangene
de bewaarder staat die alles moet contròleeren
wat gesproken wordt. Voorwaarden, voor zoover ik
weet, zijn mij niet gesteld.
Heeft uwe gezondheid door de opsluiting geleden?
Niets.
Zijt gij tijdens uw verblijf in de gevangenis in uw
godsdienstige of anti-godsdienstige overtuiging
gekrenkt?
Ik behoefde geen godsdienstoefeningen bij te
wonen. De rabbijn kwam mij nimmer bezoeken.
Indien de opsluiting langer duurt dan twee maanden,
verplicht het reglement bijwoning van godsdienstoefeningen,
ook al is die oefening ook van
De zandstenen ingangspartij
van het Huis van
Bewaring, evenals het
gebouw uit 1739. (Foto
J. de Koning, collectie
HCO)
Links: Een cellengang
op de benedenverdieping
van het Huis
van Bewaring, toen
Penitentiaire Inrichting
genaamd, omstreeks
1980. Eind negentiende
eeuw was er uiteraard
nog geen centrale verwarming
of elektrische
verlichting. (Foto Ben
Kam)
Slot van een celdeur,
omstreeks 1980. (Foto
Ben Kam)
220 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 221
andere religieuze strekking. In mijn atheïstische
gevoelens ben ik niet gekrenkt.
Stond men U voldoende lichaamsbeweging en
lucht toe?
Het reglement verplicht beweging in de open
lucht gedurende één half uur per dag. In een cel
van een paar vierkante meter, van voren met
traliën, van boven open, moet men heen en weer
marcheeren, evenals een wild dier onrustig in een
dierentuin op en neer loopt. Ik was altijd blij als
dien tijd om was.
Hoe was de ligging?
Niet zoo goed als de sluiting. Doch daar ik
milicien [= als dienstplichtige in dienst] geweest
ben, verwachtte ik niet beter. Een stroomatras,
dito hard kussen, maar voldoende dekens.
Hoe was de kleeding?
Zeer bourgeois-democratisch. Allen gelijk
gekleed: Een grof buis van katoen, dito broek en
gelen halsdas en gemerkt katoenen ondergoed.
Een fatsoenlijk mensch schaamt zich om daarmede
op straat te loopen. Het schoeisel bestaat uit
een paar klompen. En daar men in een dergelijke
inrichting het “niet zo nauw moet neemen”, waren
ze mij te wijd. Ik moest mij derhalve oefenen in
het loopen, wat mij veel moeite kostte.
Hoe was de inrichting der cellen en hoe de reinheid?
Natuurlijk zeer ongezellig. De eerste cel die ik
betrok was zeer donker. Daarna kreeg ik een cel
die voldoende licht doorliet. De cel was geheel
opgetrokken van steen; ook de vloer was “versteend”
en wanden en zoldering gewit. Indien
ik een vergelijking moest maken, zou ik zeggen:
Verbeeld u, indien u al schaatsenrijdende onder
een pijp – steenen brug – doorgaat. Het ameubelement
bestond uit: een ledikant, wat aan de muur
werd gehaakt, een paar plankjes als kastje in den
hoek, een tafel van een halve vierkante meter en
een tabouret van plusminus 25 kilo als zitplaats.
Boven het tafeltje een vleermuisgasvlam. De
wandversiering bestond uit een paar uittreksels
van reglementen van het huis. De reinheid liet
niets te wenschen over.
Welke is uw meening over het tegenwoordig
celsysteem in het algemeen ?
Ik ben van oordeel, dat het gevangenisstelsel
op normale menschen zeer demoraliseerend
werkt. Een der ellendigste uitvindsels is het celsysteem.
De eenzaamheid, het gevangeniswerk,
de weinige afwisseling in het leven maakt dat men
allengs in een toestand komt, die verstandsverbijstering
ten gevolge moet hebben. Het was mij
onmogelijk te studeeren. Ik las en herlas, maar
had moeite te begrijpen en nog minder kon ik iets
onthouden. Hoewel ik geen wroeging gevoelde
of mij schaamde over mijn misdaad, was het mij
meermalen onmogelijk te slapen. Ik geloof dan
ook, dat langdurige gevangenisstraf, bijvoorbeeld
twee jaren, den mensch verstandelijk knakt.
L. Cohen’
Noten
1. Rapport aan het hoofdbestuur der Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen, door het Departement Zwolle
over den toestand en de onderlinge verhouding van
arbeidgevers en arbeiders in en om Zwolle, 1872,
p.20-21
2. Vegt, Helmig Jan van der, ‘De klop op de Zwolsche
deur’, in: Zwolsch Nieuws- en Advertentieblad, 1931-
1932, bibliotheek HCO
3. Recht voor Allen, 4 november 1892
4. POZC, 26 mei 1893
5. Vegt, Helmig Jan van der, De klop op de Zwolsche
deur
6. Recht voor Allen, vrijdag 27 oktober 1893
7. Meer hierover zal te lezen zijn in een serie artikelen
die ik hoop te schrijven voor het ZHT over de opkomst
van het socialisme in Zwolle.
8. Recht voor Allen, 22 november 1893
9. Frits David Zeiler , ‘ “De Atlas” omstreeks 1894;
danshuis of socialistenhol’ in Zwols Historisch Tijdschrift
11 (1994 ), nr. 3 p. 92-99
10. Reinalda, Bob, ‘Levie Cohen’, Biografisch Portaal,
BWSA 1 (1986), laatst gewijzigd 22-05 2002
11. De Jonge Gids, onder redactie van Herman Heijermans
jr., eerste jaargang 1897/1898, p. 709-712, Uit
Enquete over de Behandeling van Politieke misdadigers
in Nederlandsche Gevangenissen
12. De Jonge Gids, 1897/1898, p. 709-712, Uit Enquete
over de Behandeling van Politieke misdadigers in Nederlandsche
Gevangenissen
Interne trap met afsluithek,
omstreeks 1980.
(Foto Ben Kam)
Uitzicht op de binnenplaats,
omstreeks 1980.
(Foto Ben Kam)
222 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 223
Een van de mooiste zaken van het historisch
bedrijf is als je tijdens een onderzoek van
het een in het ander rolt en bevindingen
met elkaar kunt verbinden. Tijdens de voorbereidingen
in 2002 van het themanummer ‘Koopmansgeest’,
Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002)
nr. 3, kreeg ik een prachtig fotoalbum uit 1903
onder ogen van de drogisterij en grossierderij
‘de Oude Gaper’, gevestigd aan het begin van de
Diezerstraat en destijds eigendom van Jurriaan
ten Doesschate. Het fotoalbum bevond zich in het
bezit van de familie Ten Doesschate. Vervolgens
kwamen we er achter dat zich in het HCO nog
een manuscript met herinneringen aan de Oude
Gaper bevond, geschreven door Steven van Egten,
zoon van een voormalige bedrijfsleider van het
bedrijf. Een schat aan materiaal, waarvan we op
dat moment maar een fractie kwijt konden. Deze
twee gegevens resulteerden vervolgens opnieuw
in een prachtig themanummer in december 2004,
getiteld De Oude Gaper, Herinneringen rond een
oude en vermaarde drogisterij. (ZHT 21 (2004)
nr. 4). De herinneringen van Steven van Egten
waren hierin praktisch letterlijk opgenomen, in
combinatie met de foto’s uit het fotoalbum.
Steven van Egten was inmiddels overleden,
maar ten behoeve van deze uitgave in 2004 lukte
het ons zijn zoon en dochter op te sporen in het
midden van het land. Uit dit contact bleek dat Van
Egten veel herinneringen op schrift had gesteld,
onder meer aan zijn jeugd in Zwolle en aan zijn
tijd als militair in Kampen. Deze manuscripten
hebben wij nu al weer zestien jaar in portefeuille,
dit nummer met egodocumenten is een mooie
gelegenheid om daar een deel van te publiceren.
Steven van Egten werd in 1899 in Zwolle geboren
als derde kind en enige zoon in het gezin
van Berend van Egten (1865-1935) en Jentje van
Dingstee (1862-1936). Vader Berend was een boerenzoon
uit Assendorp, die vanwege de noodzaak
om geld te verdienen op 15-jarige leeftijd in dienst
trad bij de Oude Gaper, het begin van een 55-jarig
dienstverband. Berend was niet alleen trouw aan
zijn werkgever, maar ook aan zijn christelijke
geloofsovertuiging. Hij behoorde in 1888 tot de
(her)oprichters van een christelijke jongelingsvereniging
en hij was 45 jaar zondagsschoolonderwijzer
in Berkum, een verdienste waarvoor hij bij
zijn veertigjarig jubileum in 1930 een koninklijke
onderscheiding ontving. Hij bracht het zelfs tot
kerkenraadslid van de Nederlands Hervormde
Gemeente in Zwolle, een eerbiedwaardig college
waarvan het lidmaatschap doorgaans alleen aan
notabelen was voorbehouden. Het gezin Van Egten
woonde achtereenvolgens aan de Spoelstraat, de
Van der Laenstraat in Assendorp en vanaf 1908 aan
de Oude Vismarkt 7, een pand dat in het verlengde
van de winkel aan de Diezerstraat lag en dat tot dan
door de familie Ten Doesschate zelf bewoond werd.
Berend van Egten bekleedde vanaf toen ook de
positie van bedrijfsleider in de Oude Gaper.
Steven van Egten ging net als zijn zusjes Aaltje
(1895), Geertje (1897) en Hermien (1901) naar de
Oranjeschool, een in 1902 opgerichte school voor
Christelijk Volksonderwijs aan de Jufferenwal.
Daarna volgde hij de Mulo aan de Marnixschool aan
de Korte Kamperstraat. Steven van Egten was een
levendig en ondernemend kind en een ongedurige
puber, die het niet kon uithouden in de twee kortstondige
kantoorbaantjes die hij na zijn eindexamen
had. Eerst bij de Firma O. de Leeuw, een groothandel
in ijzerwaren en landbouwgereedschappen in de
Diezerstraat, een baantje dat hij kreeg omdat de heer
De Leeuw net als zijn vader ouderling in de hervormde
kerk was, zij het dat De Leeuw veel vrijzinniger
was dan de rechtzinnige Van Egten. Maar de hele
dag (van 8 tot 12, van 2 tot 5 en van 6 tot 8 uur) op
een kantoorkruk was voor Steven een te zware opgave.
Vervolgens probeerde hij zijn geluk bij de Cooperatieve
Stoomzuivelfabriek Hoop op Zegen in de
Philosofenallee, waar de goede naam van zijn vader
eveneens tot aanbeveling strekte. Met de beoordeling
‘Het is een erg aardige jongen, maar hij is zo gauw
afgeleid en ook nogal speels’ kwam ook daar een einde
aan zijn dienstverband. In 1916 vertrok Steven op
17-jarige leeftijd naar het garnizoen in Kampen om
beroepsmilitair te worden, een vurige wens van hem.
Hij schopte het tot sergeant, maar de dienst bracht
hem niet wat hij zich er van voorgesteld had. In 1922
verliet hij het leger met antimilitaristische gevoelens
en bleef de rest van zijn leven pacifist. Hij vervolgde
zijn carrière bij het KNMI in De Bilt, waar hij belast
was met waarnemingen. Hij bleef daar werkzaam
tot zijn pensionering. Steven trouwde in 1925 met
Anna Elisabeth Volbeda (1899-1994). In hun woonplaats
De Bilt richtte Steven een padvindersgroep
op, hij was ouderling bij de Nederlands Hervormde
Gemeente, ambtenaar van de burgerlijke stand en hij
werkte mee aan een boek over de geschiedenis van
het KNMI. Steven van Egten overleed in 1984.
Geschiedenis had Stevens grote belangstelling. Met
al zijn nagelaten memoires heeft hij ook zelf letterlijk
geschiedenis geschreven. Stond in zijn verhaal
‘De oude Gaper’ vooral het wonen, leven en werken
in dit bedrijf centraal, in ‘Burgers in een kleine stad’
beschrijft hij met name het christelijke kleinburgerlijke
milieu waarin hij opgroeide. Het manuscript
werd in 1980 afgerond. Omdat het hele verhaal te
lang is, is hier gekozen voor de fragmenten waarin
Steven de kerkelijke activiteiten van zijn vader
Berend beschrijft, die letterlijk belijdend lidmaat
van de Nederlands Hervormde Gemeente was; een
levensvervulling die met hart en ziel werd beleefd.
Fragmenten die bijvoorbeeld over Stevens schooltijd
op de Marnixschool gaan, zijn te lezen op de
website van de Zwolse Historische Vereniging.
Berend van Egten zal niet hebben kunnen bevroeden
dat zijn leven ooit nog zo in de openbaarheid
zou komen, als echte Zwollenaar had hij dat waarschijnlijk
maar uiterst matig gevonden. Maar dankzij
zijn zoon hebben we nu veel informatie over de
sociale werkelijkheid waarin Berend en zijn gezin
leefde, zien we bijvoorbeeld van binnenuit hoe het
er in de zondagsschool in Berkum aan toe ging of
op het jaarlijkse Zendingsfeest in het Engelse Werk.
Steven van Egten kijkt met een milde blik en af en
toe licht ironisch terug op zijn christelijke jeugd in
Zwolle, hij schrijft levendig met een bewonderenswaardig
geheugen voor sprekende details. De originele
tekst is licht aangepast qua taal en spelling, en
her en der wat ingekort of voorzien van jaartallen.
Op de volgende pagina’s zijn verhaal.
Cover Zwols Historisch
Tijdschrift 19 (2002)
nr. 3. Berend van Egten
staat in de deuropening
van de Oude Gaper,
1903. Dit tijdschrift
staat op de website van
de Zwolse Historische
Vereniging.
Links: Cover Zwols
Historisch Tijdschrift
21 (2004) nr. 4. Berend
van Egten zit aan een
tafel in het taplokaal
van olijf- en slaolie in
de Oude Gaper. Dit
tijdschrift staat op de
website van de Zwolse
Historische Vereniging.
Annèt Bootsma –
van Hulten
De herinneringen van Steven van Egten
224 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 225
ken was, moesten rente en aflossing van de hypotheek
klaar liggen. Er moest dan ook op een of
andere manier geld binnenkomen. Sociale hulp
bestond niet en mensen op hun geld laten wachten,
dat strookte niet met de geldende moraal. De
oudste zoon Berend moest dus geld verdienen.
Door de narigheid thuis had hij zelfs de lagere
school niet helemaal kunnen afmaken. Maar er
was geen andere mogelijkheid.
’s Morgens vroeg, nog voor de Gaper zijn deuren
opende, was de jonge Berend al uit de veren.
Hij liep dan met zijn moeder naar een weiland in
Dieze om daar de koeien te melken. Berend droeg
de volle emmers naar de rand van de stad, waar
zijn moeder het juk overnam en de emmers verder
naar de Assendorperstraat droeg.
Om klokslag zes uur stond Berend voor de
Gaper om aan zijn lange werkdag daar te beginnen.
Ondanks zijn gebrekkige schoolopleiding of
misschien juist daardoor, was Berend geweldig
leergierig. Van de enkele centen die hij als loopjongen
fooi kreeg, kocht hij op de markt boeken
die hij dan ’s nachts in zijn bed bij een stompje
kaars lag te lezen, en dat na een werkdag van minstens
veertien uur. Het was dan ook begrijpelijk
dat de eigenaar van de Oude Gaper, meneer Ten
Doesschate,3 plezier had in deze pientere jongen
en dat hij een waardevolle kracht werd in de zaak.
Geleidelijk kreeg Berend moeilijker en verantwoordelijker
taken. Toen bleek dat hij goed met
mensen kon omgaan, werd hij winkelbediende.
Dat ging zo goed dat hem uiteindelijk de volledige
verantwoordelijkheid voor de winkel toevertrouwd
werd. Dat was goed gezien, want vader
had twee belangrijke eigenschappen: hij was eerzuchtig
en hij had veel plezier in zijn werk, zodat
hij al heel gauw als een vakkundig drogist bekend
stond.
De familie Van Egten was hervormd. In vaders
ouderlijk huis aan de Assendorperstraat heerste
een wat vrome, ietwat piëtistische geest. Het
Réveil had deze mensen niet onberoerd gelaten.4
Ik herinner mij dat in de boekenkast van vader de
mannen van het Réveil goed vertegenwoordigd
waren: Spurgeon, Da Costa, Bilderdijk. Het was
allemaal degelijke lectuur. Vanzelfsprekend hoorde
hierbij ook het lidmaatschap van de hervormde
jongelingsvereniging.
De Doleantie
In 1886 kwam de Doleantie,5 de kerkelijke afscheidingsbeweging
geleid door Abraham Kuyper,
die ook de hervormde gemeente van Zwolle niet
onberoerd liet. Zwolle was een in grote meerderheid
vrijzinnige gemeente. Er stond maar één
rechtzinnige predikant, ds. J. Vermeer. Hij was een
overtuigend kanselredenaar, volgens de overlevering
stonden de mensen, als hij preekte, lang voor
de dienst begon in de rij om een plaatsje in de kerk
te bemachtigen.6
Geen wonder dus, dat toen Kuypers oproep
klonk om tot de belijdenis der vaderen terug te
keren of anders de hervormde kerk te verlaten, de
hoop van scherp slijpend Zwolle gericht was op
het verlossende woord dat van Vermeer zou moeten
komen. Maar Vermeer was zo verknocht aan
de hervormde kerk dat dat verlossende woord uitbleef.
Integendeel: hij riep op om trouw te blijven
aan de ‘vaderlandse’ kerk.
De jongelingsvereniging was door de gebeurtenissen
in hevige beroering geraakt. Er waren
twee stromingen. De meerderheid van het bestuur
was op de hand van Kuyper en pleitte voor
afscheiding. Een minderheid, waaronder vader,
pleitte voor de bestaande toestand: één ongedeelde
christelijke jongelingsvereniging, die vrij stond
van de kerk. In de vergaderingen werd fel gediscussieerd.
In de hitte van de strijd ontzagen de
tegenstanders elkaar niet en bittere verwijten rolden
over de tafel. Een derde deel van de leden ging
uiteindelijk mee met de dolerenden. Jarenlange
vriendschappen werden verbroken. Als vader hier
jaren later over vertelde, klonk er bitterheid in zijn
stem over datgene dat hij als een ernstige misstap
beschouwde.
Op 1 mei 1888 werd, mede door vader, een
nieuwe vereniging opgericht. Zij koos als naam:
‘De Heer is onze Banier’.7 Deze wat zonderlinge
naam was in het dagelijkse spraakgebruik moeilijk
te hanteren. Het werd dan ook al gauw: ‘De
Banier’. Niemand kon toen nog vermoeden welk
een belangrijke plaats deze jongelingsvereniging
in hervormd Zwolle zou gaan innemen. Al
gauw kwamen er afdelingen in de verschillende
Zwolse buurten. Er kwamen knapenverenigingen
en jongeliedenverenigingen met weer allerlei
onderafdelingen. Vanuit de jongelingsvereniging
werden zondagsschoolonderwijzers gekweekt
voor de zondagsschool ‘De Zaaier’, die verspreid
over Zwolle en aangrenzende buurtschappen
vele honderden kinderen bereikte. De vormende
waarde, die van de jongelingsvereniging op de
leden uitging, valt moeilijk naar waarde te schatten.
De meeste jongens hadden net als vader weinig
schoolopleiding. Op de jongelingsvereniging
leerden ze Bijbelstudie, discussiëren, reciteren van
gedichten, organiseren. Doordat de activiteiten
bovendien niet uitsluitend gericht waren op de
kerk, werd het vormend karakter ervan nog in
belangrijke mate versterkt. Naar onze moderne
smaak mankeerde er nog wel wat aan, maar in
die tijd was deze invloed erg belangrijk. Vader zei
De kalender wees 1 mei 1880, toen mijn
vader Berend van Egten2 op vijftienjarige
leeftijd zijn intrede deed in de Oude
Gaper, de bekende drogisterij aan de Diezerstraat
14. Het was een ongewone stap voor deze boerenzoon,
die op de boerderij van zijn vader maar
node gemist kon worden. Maar het waren bar
slechte tijden. De landbouwcrisis van de tachtiger
jaren teisterde de boerenstand. Ze hadden het
moeilijk, de boeren. Het lot trof mijn grootvader
Steven van Egten in bijzondere mate. Hij had
een kleine boerderij aan de Assendorperstraat.
Maar het waren niet alleen de slechte tijden die
zijn leven moeilijk maakten. In de kracht van zijn
leven was grootvader blind geworden, doordat
van beide ogen het netvlies losliet. Daar was toen
nog geen kruid tegen gewassen, zodat grootvader
in diepe duisternis het leven door moest.
Geen wonder dat de boerderij achteruit holde.
Dit te meer omdat grootmoeder een hartkwaal
had. Te eten was er wel, maar als het jaar verstre-
Tot ongeveer 1880 had
Assendorp nog een landelijk
karakter, met veel
(kleine) boerderijen.
Hier een boerderij aan
de Assendorperdijk.
Het pad rechts is de
huidige Sallandstraat,
gezien in de richting
van de Molenweg. Op
de achtergrond is al
nieuwbouw zichtbaar.
(Collectie HCO)
Berend van Egten, 1865-1935, als jonge man.
(Particuliere collectie)
Steven van Egten (†)
Burgers in een kleine stad1
226 | jrg. 37 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 4 | 227
later vaak: ‘Wat ik geworden ben, ook maatschappelijk,
heb ik aan de jongelingsvereniging te danken.
Hier is mij de lust tot studie bijgebracht.’
De jongelingsvereniging vulde na de lange
werkdagen hun leven en daar vonden ze ook hun
vrienden. Een van de leden was Cornelis van
Dingstee, een jonge onderwijzer. Hij was opgevoed
in het Burgerweeshuis in Zwolle. Zwolle was
een liberale stad en dat betekende dat hij onderwijzer
bij het Openbaar Onderwijs werd. Maar al
gauw had Cornelis daar geen vree mee en ging hij
over naar het Christelijk Onderwijs, hetgeen voor
hem een fikse salarisverlaging betekende, naar ik
meen van f 600,- naar f 500,- per jaar. Cornelis van
Dingstee en Berend van Egten werden vrienden
en zijn steeds vrienden gebleven.
Verkering
Cornelis van Dingstee had een zuster Jentje. Zij
diende in Amsterdam. Doordat zij drie broers
had die in Zwolle woonden, kwam zij haar vrije
dagen in Zwolle doorbrengen. Haar vader, mijn
grootvader Van Dingstee, had indertijd een kruidenierszaak
in Hasselt gehad.8 Hij kwam jong te
overlijden en liet daardoor zijn gezin in moeilijke
omstandigheden achter. In de denkwijze van die
dagen paste het niet van gaven te leven, hoewel
grootmoeder gefortuneerde familie had. Vandaar
dat met name de oudste kinderen al vroeg leerden
de handen uit de mouwen te steken. De jongens
werden uitstekende vaklieden. Zij zorgden voorbeeldig
voor hun moeder, die niet sterk was. Ook
moeder moest hard werken en sober leven. Deze
gang van het leven en waarschijnlijk ook haar
preutse aard zullen wel de reden zijn geweest, dat
Jentje, hoewel ze een knap

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2020, Aflevering 2

Door 2020, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
37e jaargang 2020 nummer 2 – 8,50 euro
Willem van der Veen …
een jongen van de binnenstad
‘De Grote Markt waar ik ben geboren,
met schuin aan de overkant de Harmonie’
zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 71
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 70
Een jongen van de binnenstad
Toen Zwolle nog ophield achter in
de Rembrandtlaan Willem van der Veen 72
Van de Middelweg naar Oberhausen
Het oorlogsverhaal van Kees Contermans
Gerrit Barbé en Chris Contermans 89
Het gebouwtje van Speeltuinvereniging
Assendorp aan de Hortensiastraat
‘Wie moet dit doen?’ Kees Canters 99
In 1930 werd de IJsselbrug bij
het Katerveer geopend
Had dat niet eerder gekund?
Harry Koopman 110
Oud Nieuws
Diezerstraat wordt Diezerpromenade
Kiekès Agterom 121
Nieuws van onze website
Jan van de Wetering 128
Boeken 130
Mededelingen 132
Auteurs 133
Redactioneel
Willem van der Veen, in 1931 geboren
aan de Grote Markt, is de ‘brugfiguur’
voor plaats en tijd in deze aflevering.
In 1950 kwam hij als leerling-journalist in dienst
van de Zwolse Courant, toen nog ‘de krant van
Tijl’. Als ‘jongen van de binnenstad’ neemt hij
zijn lezerspubliek nog één keer mee door Zwolle
en door de tijd. Zo gaat het bijvoorbeeld over het
in de oorlog beroemde én beruchte Hotel Peters
en de verwarring in zijn nog jeugdige hoofd,
omdat ‘ze bij Jakobs,’ van de sportwinkel, ‘Joden
waren.’
Het hotel en de winkel lagen om de hoek
van de tegenwoordige Diezerpromenade, tot
1970 Diezerstraat geheten. Willems collega
Kiekès Agterom, ‘journalist in de verleden
tijd’, vertelt waarom en hoe die verandering
blijkbaar moest plaatsvinden. Vier dagen na
deze herdoop werd de tweede IJsselbrug bij
Zwolle geopend. Bij het Katerveer werd veertig
jaar dáárvoor de eerste brug geopend; zij het
ruim driekwart eeuw later dan gewenst, zoals
Harry Koopman laat zien.
Op de plaats van diezelfde IJsselbrug, toen
weggeslagen en vervangen door een pontje, begint
het indringende oorlogsverhaal van Kees Contermans,
dat werd gereconstrueerd door zijn zoon
Chris en Gerrit Barbé.
Kort na de geboorte van Willem van der Veen
werd in Assendorp een speeltuin met een bijzonder
gebouw geopend. Kees Canters onderzocht
wie de architect was van dit complex: architect
J.G. Wiebenga of zijn collega en opvolger W.B.M.
Beumer.
Met zijn helaas (!) laatste van de vele bijdragen
aan dit tijdschrift neemt Willem van der Veen
afscheid van zijn lezerspubliek. Maar Jan van de
Wetering laat (onder andere) zien hoe ze ook via
de website bereikbaar blijven!
70 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Cover: Het ‘hoge rad’ van de jaarlijkse kermis op de
Grote Markt, geschilderd door Willems vader Teun
van der Veen. (Particuliere collectie)
Zie ook pagina 75
Suikerhistorie
Practische Ambachtsschool, Mimosastraat 1
Een speciaal suikerzakje ter gelegenheid van een
jubileum was in de jaren vijftig en zestig van de vorige
eeuw een regelmatig fenomeen. In 1962 bestond
de Practische (toen nog met een c) Ambachtsschool
tachtig jaar. De school was tot 1898 gehuisvest in
het Pestengasthuis in de Nieuwstraat en verhuisde
toen naar de Menno van Coehoornsingel, in het
latere Flevogebouw. Toen ook dit pand te klein
werd voor alle leerlingen, bouwde men een groot en
ultramodern schoolgebouw op de hoek van de Hortensiastraat
en de Mimosastraat, naar een ontwerp
van architect A. Baart en stadsarchitect L. Krook.
De opening vond plaats op 1 april 1934. Het gebouw
doet qua stijl denken aan het Nieuwe Bouwen en
kenmerkt zich door het functioneel toepassen van
materialen, zoals de stalen kozijnen. Opvallend zijn
de lichte open ruimten, grote glasvlakten en platte
daken. De vele glas-in-lood ramen in het gebouw
accentueren het open karakter. Vele duizenden
ambachtslieden uit Zwolle en omgeving zijn op
deze LTS (Lagere Technische School) opgeleid. Het
gebouw werd verlaten in 1985. De LTS verhuisde
toen naar de Russenweg. Jarenlang stond het gebouw
aan de Mimosastraat leeg. Het werd gekraakt door
onder meer kunstenaars, die het gebouw wisten te
behouden voor de sloop. In 2007 heeft woningstichting
SWZ de school gekocht, gerenoveerd en in oude
luister hersteld. Er kwamen op de begane grond en
eerste verdieping ateliers en werkruimtes voor kunstenaars,
op de tweede verdieping een kleine dertig
woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens.
De kunstenaars hebben zich verenigd in de stichting
DOAS, een afkorting voor De Oude Ambachtsschool,
en ontplooien tal van activiteiten. Voormalige
praktijkruimtes van de LTS doen nu weer dienst
als werkplaats. Een prachtig staaltje van circulair
bouwen en duurzaamheid.
Wim Huijsmans
(Collectie Hogenkamp)
De Oude Ambachtsschool in 2011 na de restauratie. (Foto Bierman Henket
Architecten)
PRACTISCHE AMBACHTSSCHOOL
MIMOSASTRAA T 1 zwOLLE
72 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 73
Een jongen van de binnenstad
Toen Zwolle nog ophield achter in de Rembrandtlaan
Ik heb geen schop, ik kan niet harken
ik onderscheid geen kikker van een pad
en ook nauwelijks een koe van een varken,
ik ben een jongen van de Zwolse binnenstad.
Op het platteland, daar voel ik mij verloren,
daar is het net of ik het luchtledig zie.
Nee, dan de Grote Markt waar ik ben geboren,
met schuin aan de overkant de Harmonie.
Ik kan de geit niet melken, dat is nogal glad,
ik ben een jongen van de Zwolse binnenstad.
(Vrij naar Toon Hermans)
Een jaar of zeventig geleden, toen ik nog
jong was en bij mijn ouders op de Grote
Markt woonde, was het voor mij een peulenschil
om eventjes per fiets vanaf mijn geboortehuis
de grens van Zwolle te bereiken. ’t Begon
met de Roggenstraat en de Vispoortenplas, daarna
twee dicht bij elkaar liggende bruggen over
en dan was ik al bijna in de Rembrandtlaan om
binnen een paar honderd meter te eindigen in
de buurgemeente Zwollerkerspel. Je kwam daar
plotseling terecht op het echte platteland, waar
kleine boerderijtjes stonden. Daar woonden keuterboertjes
met echtgenotes die nog de Saksische
klederdracht droegen. Vrijdags verkochten ze
hun tuinproducten op de Zwolse markt, zoals
dat eeuwenlang gebeurde. Zwolle was dan wel de
hoofdstad van de provincie Overijssel, maar had
in die jaren slechts 50.000 inwoners. Dat kwam
voornamelijk doordat het een geknevelde stad
was, die rondom in een ijzeren omklemming
werd gehouden door de plattelandsgemeente
Zwollerkerspel, waardoor Zwolle geen kant op
kon. Die uitgestrekte gemeente Zwollerkerspel
die alle kanten op waaierde, had wel zijn eigen
gemeentehuis midden in Zwolle staan. Men kon
het vinden op Ter Pelkwijkpark 18 in een mooi,
roodachtig gebouw dat nu alweer sinds 1967
voor allerlei doeleinden is gebruikt. In datzelfde
jaar kon de stad Zwolle eindelijk profiteren van
het opheffen van Zwollerkerspel, niet alleen met
een aanwinst van een flink aantal bewoners,
maar meer nog van veel bouwgrond.
Hoed van de burgemeester
Een vroegere burgemeester van Zwollerkerspel,
jonkheer mr. G.A. Strick van Linschoten, werd
in 1946 de burgemeester van Zwolle. Hij bleef
overigens in Zwollerkerspel wonen, in de laan die
nu zijn naam draagt. ‘Strick’, zoals zijn bijnaam in
verkorte vorm luidde, groeide spoedig uit tot een
geliefde burgervader. Zelf bewaar ik een mooie en
grappige herinnering aan hem. Daarbij moet ik
vertellen dat ik in het begin van 1950 was aangenomen
als leerling-journalist op de redactie van
de Zwolse Courant, destijds nog omslachtig Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant gehe-
Willem van der Veen
Willem van der Veen
Of in dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift de
allerlaatste bijdrage van Willem van der Veen staat, zal nog
moeten blijken. Schrijven hoort bij zijn leven en dat houdt niet
op als je 88 jaar oud bent. Maar Willem, geboren en getogen
in Zwolle, begint wel te merken dat hij een gevorderde leeftijd
heeft bereikt. Zijn altijd zo fenomenale geheugen laat hem zo
nu en dan in de steek en een beetje rustiger aan doen mag zo
langzamerhand ook wel. Maar dat er van zijn hand in de nabije
toekomst toch nog een artikel over zijn geliefde stad Zwolle verschijnt,
zou geen verbazing wekken.
Het schrijven zit de op 1 februari 1932 geboren Willem van der
Veen zoals gezegd in het bloed. Dat veel van zijn artikelen, sonnetten
en liedjes met Zwolle te maken hebben, is vanzelfsprekend als
je bedenkt dat hij in het hart van de stad het levenslicht zag: in de
woning boven het pand aan de Grote Markt waar jarenlang boekhandel
Waanders was gevestigd. En zoals zijn vader Teun het leven
in die mooie oude stad met penseel op het doek zette, deed zoon
Willem toen hij van het gymnasium was dat met de pen op papier.
De journalistieke carrière van Willem begon in Kampen,
maar verplaatste zich al snel naar de Melkmarkt in Zwolle
waar de redactie van de Zwolse Courant destijds was gevestigd.
Van 1969 tot 1992 was hij als kunstredacteur en redacteur van
de zaterdagbijlage aan de Zwolse verbonden. Tal van acteurs,
musici en schrijvers heeft hij geïnterviewd en zijn beschouwingen
en rubrieken scoorden een hoog waarderingscijfer bij de
lezers. Ruim veertig jaar lang schreef hij recensies van toneel,
cabaret en (jazz)muziek. Met die bijdragen, zo’n 2500, zou een
dik boek kunnen worden gevuld.
Veel bekendheid verwierf Willem met de musicals die hij
schreef en waarin hij meestal zelf de hoofdrol speelde. Hoogtepunt
daarvan was ongetwijfeld ‘Een kwartje is geen kwertien’,
gemaakt in 1980 ter gelegenheid van ‘Zwolle 750’. Elf
keer was de grote zaal van Odeon uitverkocht, een absoluut
record. Het fenomenale geheugen van Willem resulteerde in
de rubriek ‘Zwolle in de achteruitkijkspiegel’ in de stadseditie
van de Zwolse. Later is ze als een vierdelige serie in
boekvorm uitgegeven. Andere uitgaven van hem zijn onder
andere Teun, het lange leven van een Zwolse vakman in de
kunst over zijn vader en Voordat de vluchtheuvel verdween
met sonnetten over oud Zwolle.
Ten slotte mag niet onvermeld blijven, dat Willem een
talentvol sportman was. Of het nu voetbal, tennis of biljarten
was, Willem stond zijn mannetje. Maar uitblinker was hij op
het hockeyveld. Liefst 21 jaar achtereen speelde hij in het eerste
elftal van de Zwolsche Mixed Hockey Club (ZMHC), waarvan
hij erelid is. In 1956 was hij als reserve geselecteerd voor het
olympisch elftal, maar het ging helaas niet door omdat Nederland
op het laatste moment de spelen in Melbourne boycotte
vanwege de Russische inval in Hongarije.
Na zijn pensionering is Willem voor het Zwols Historisch
Tijdschrift gaan schrijven. Zo’n dertig bijdragen zijn van zijn
hand verschenen, waaronder twee complete themanummers:
in 2004 ‘De Busse van Skutte’ en in 2005 ‘Harro en Carina Bouman,
een bijzonder echtpaar in de Koestraat’. En in wat wellicht
zijn allerlaatste bijdrage is, neemt hij ons nu, direct na deze
korte hommage, nog één keer mee door Zwolle en door de tijd.
Steven ten Veen
Willem van der Veen en zijn vrouw Lineke traden in 2015
op in Odeon voor de leden van de Zwolse Historische
Vereniging bij de presentatie van het themanummer van
het Zwols Historisch Tijdschrift ‘175 jaar Odeon’
(Collectie Willem van der Veen)
Op 1 februari 1953
vierde Willem van
der Veen (links) zijn
21ste verjaardag bij
zijn ouders op de Grote
Markt. Het was toen
de avond van de Grote
Watersnoodramp.
Staand in het midden
vader Teun, rechts
moeder Goutje. Gasten
waren de acteur en
schilder Henk Voges
met zijn vrouw (op de
vloer zittend voor de
warme haard).
74 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 75
ten. Het was in de tijd dat er in Nederland nog
geen scholen voor de journalistiek bestonden. De
eerste zou pas een jaar of tien later komen. Men
ging er toen van uit dat journalistiek het best te
leren viel als je pardoes in het diepe werd gegooid.
Zo van school (19 jaar jong) werd ik in de eerste
weken al naar allerlei vergaderingen gestuurd
om er een verslag van voor de krant te maken.
Op een van die bijeenkomsten ontmoette ik ook
burgemeester Strick van Linschoten. Omdat ik
mij na afloop had verstout hem te vragen om een
verduidelijking van een punt uit het betoog dat
hij daar ten beste had gegeven. Minzaam had hij
mij te woord gestaan. Een paar dagen later kwam
ik hem in de Veerallee toevallig tegen. We waren
beiden op de fiets. Ik, snotneus, groette hem en
zag een flits van herkenning in zijn ogen. Op mijn
schuchtere ‘dag burgemeester’ nam hij – ene hand
aan het stuur – met een brede zwaai zijn hoed af.
Perplex fietste ik door en, tot bezinning gekomen,
nam ik mij voor dat die man voor mij nooit meer
kapot kon…
Laat ik nu bij mijn gelijktijdig afscheid van de
journalistiek en het Zwols Historisch Tijdschrift,
waaraan ik de laatste twintig jaar met veel plezier
heb meegewerkt, een indruk geven van de eerste
twintig jaren van mijn leven. Voornamelijk heb
ik die doorgebracht in het hartje van Zwolle, met
mijn ouders en een jongere broer, wonend in een
groot bovenhuis op de Grote Markt. Om precies
te zijn: boven de befaamde boekhandel Waanders
die tegenwoordig door haar verrassende verhuizing
naar de middeleeuwse Broerenkerk een nationale
bezienswaardigheid is geworden.
Grote grijze pannenkoek
Mijn Grote Markt is inmiddels mijn Grote Markt
niet meer. Wat ze er de laatste decennia ook aan
hebben geknutseld, het lijkt niet meer op de waardige,
vriendelijk uitstraling die het mooie plein
vroeger bezat. Het liefst zag ik de Grote Markt
nog ingericht met de oude vluchtheuvel in het
midden. Die grote grijze pannenkoek, waarop ik
vanuit mijn ouderlijk huis neerkeek. Het schonk
Zwolle een perfect middelpunt van de stad. De
meest geknipte plek voor de kerstboom in december,
de muziektent op de vroegere Koninginnedag
en het reuzenrad in de kermisweek. Juist door die
grote ronde steenplak in het midden kwamen de
evenwichtige verhoudingen van Zwolle’s oudste
plein het beste uit. Ook als er op de marktdagen
kramen op stonden. Vandaag de dag kijkt men
aan tegen een uitgestrekte rommel van terrasstoeltjes
en tafeltjes, tussen welke een niet onaardig
maar nauwelijks opvallend beeld van glas en
plastic met moeite valt te ontwaren. Het heeft niet
de allure om een stadsbeeld te verfraaien. Dan
kunnen ze beter dat mooie beeld op het plein aan
de andere kant van de kerk (Adam) weer naar de
Grote Markt verplaatsen.
Maar laat ik mij in mijn laatste bijdrage aan
het Zwols Historisch Tijdschrift verder niet bezig
houden met kritiek op het heden en alles wat nog
komen kan. Het gaat in dit blad om de dingen die
zijn geweest. Laten we nog maar eens denken aan
de tijd van het Zwolse verkeer rond 1940, toen
ik nog met mijn stepje op de stoep van ons huis
speelde. Dat verkeer werd toen plotseling een stuk
rustiger. Vóór die tijd – men kan het zich nu nauwelijks
nog voorstellen – ging het hele verkeer van
het westen en het zuiden naar het noorden dwars
door de Zwolse binnenstad. Alles croste door de
nauwe straten. Een deel ging via de Luttekestraat,
Grote Markt, Oude Vismarkt, Gasthuisplein en
Een beeld van de aanleg
van de roemruchte
‘vluchtheuvel’ op de
Grote Markt in 1929.
Die grote ronde ‘pannenkoek’
was bijna een
eeuw een mooi middelpunt
van de oude binnenstad
die plaats bood
aan menig officiële of
feestelijke gebeurtenis.
(Collectie HCO)
Teun van der Veen
schilderde vanuit het
raam van zijn atelier
het ‘hoge rad’ van de
jaarlijkse kermis op de
Grote Markt. (Particuliere
collectie)
76 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 77
Ter Pelkwijkstraat. Een ander deel via de Burgemeester
van Roijensingel, Sassenpoortenbrug en
Wilhelminasingel. Daarna kwamen de stroompjes
samen bij de Diezerpoortenbrug en vloeiden via
Diezerkade en Oude Meppelerweg naar het noorden.
Keerden ze terug, dan was ook de drukke
Diezerstraat een mogelijkheid, want daar gold van
het noorden uit éénrichtingverkeer. De loop van
het verkeer veranderde van karakter na het uitbreken
van de oorlog in 1940. Toevallig was juist in
die tijd de bouw van de brug over het Zwartewater
gereedgekomen, samen met de weg langs het oude
Zwolle die heden ten dage een deel van de A28
uitmaakt. Het vormde een onbedoeld presentje
voor de bezetters die er dankbaar gebruik van
maakten om hun oorlogsmaterieel te verplaatsen.
Hetzelfde gold voor de IJsselbrug, die door de
Duitsers snel hersteld werd nadat een deel daarvan
door het Nederlandse leger was opgeblazen.
Hoge ramen
Als ik vandaag de dag nog wel eens in de binnenstad
rondloop en ik kom op de Grote Markt, kijk
ik altijd even omhoog naar de hoge ramen boven
de voormalige boekhandel van Waanders, pal
tegenover de Hoofdwacht en de Grote Kerk (welk
warrig brein haalde het in zijn hoofd om zo’n oude
kerk een ‘academiehuis’ te noemen?). Nou ja, in
mijn gedachten zie ik in het meest rechtse raam
van het bovenhuis aan de overkant de wieg staan,
waarin ik op de eerste dag van februari 1932 ben
gedropt als eerste zoon van Goutje en Teun van
der Veen. Dat was toen de slaapkamer van mijn
ouders. Een jaar of twee later werd die kamer veranderd
in het atelier van mijn vader die in Zwolle
en omstreken bekend werd als een tekenaar en
schilder die voor geen onderwerp uit de weg ging
en die in dat atelier zijn hele clientèle ontving.
Maar niet allemaal tegelijk.
Die tien ramen – de vijf van de zolder op de
tweede verdieping meegerekend – hebben in
de jaren na de bevrijding trouwens ook nog een
belangrijke rol gespeeld in het vermaak van de
feestvierende Zwolse bevolking. En wel als geïmproviseerde
tribune. Als er weer eens wat op de
Grote Markt te doen viel, kwamen er vaak zoveel
mensen opdagen dat de rijen toeschouwers een
onmogelijke dikte bereikten. Het had tot gevolg
dat er bij mijn ouders verre vrienden en vage ken-
Een kijkje op de Grote Markt in de zeer hete zomer van 1947. Het is uiterst stil op straat. Er loopt een militair op de vluchtheuvel en voor
de winkel van Waanders staat nog een militaire jeep. Eén auto rijdt de Oude Vismarkt op. De vijf zonneschermen van Willems geboortehuis
zijn uitgeklapt evenals die van buurman Jakobs, de sportwinkel, en aan de andere kant die van banketbakker Alferink. Op de
linkerhoek naar de Diezerstraat trekt wellicht de IJssalon van Talamini nog een paar klanten. (Collectie HCO)
Willem van der Veen (88) staat voor het bovenhuis op de Grote Markt, waar hij
is geboren en het grootste deel van zijn jeugd in Zwolle beleefde. Achter de twee
ramen rechts op de eerste verdieping stond zijn wieg. Later werd deze kamer het
druk bezochte atelier van zijn vader Teun. Op de begane grond was jaren lang
de bekende boekhandel van Waanders gevestigd. (Foto Wim van Zant)
Een nog jonge vader Teun maakt in zijn atelier een
grote reclameplaat van de vroeger zeer populaire
acteur Johan Kaart.
78 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 79
nissen aanbelden. En wel met de vraag of ze misschien
bij ons boven mochten kijken. Mijn ouders
waren niet zo goed of de horden namen geleidelijk
aan bezit van alle ramen aan de voorkant. Achter
elk van de tien ramen verdrongen de onverwachte
bezoekers zich, zodat er zelfs voor mijn vader en
moeder nergens een kiertje meer was om een blik
op straat te werpen. En voor mijzelf al helemaal
niet. Maar ik had er iets op gevonden. Ik sleepte
de keukentrap naar beneden en zette deze in de
geopende voordeur, waarmee ik mijzelf een riante
plaats bezorgde. Het was in 1949 toen de kersverse
koningin Juliana en haar prins-gemaal Bernhard
op bezoek kwamen en daarmee ’s middags voor
een record aan toeschouwers in Zwolle zorgden.
’s Avonds maakten koningin en gemaal na de ontvangst
bij hotel Wientjes nog een extra rijtoertje
naar de Bollebieste, waar de actiefste Oranjevereniging
van de stad te vinden was. En waarachtig..!,
toen zaten een aantal kijkers van ’s middags
weer bij ons achter de ramen.
Met moeder
In mijn heel jonge jaren speelde dat grote holle
huis midden in de stad een aparte rol in mijn
leven. Er viel binnen en buiten altijd wel iets te
beleven. Als het binnen geen bezoekers van mijn
vader waren, was het buiten wel menselijk straatmeubilair,
dat wil zeggen: de ‘pleisteraars’ die
niet van het stukje stoep vlak voor onze voordeur
waren weg te slaan. Ze kwamen in de ochtenduren
en stonden er vaak nog met elkaar te redeneren
als de tijd van het avondeten in aantocht was.
Vooral tegenover mijn moeder waren ze altijd heel
aardig. Maar dat was niet zo’n wonder, want zij
was toen nog een jonge vrouw die heel zuinig was
op haar uiterlijk. Over mijn moeder gesproken:
die zat ook heel vaak voor het raam te kijken naar
al die mensen en hun gedoe op de Grote Markt.
Daarbij hield ik haar graag gezelschap en luisterde
naar haar commentaar op al die bekende en onbekende
mensen die buiten passeerden.
Al vroeg raakte ik daar, op heel jonge leeftijd,
mijn geloof in Sinterklaas kwijt. Schuin tegenover
ons huis was namelijk de kapperszaak van
Wolff gevestigd. De baas en zijn dochter hielden
zich ook bezig met kostumering en grime. Tot
mijn prille verbazing zag ik in de sinterklaastijd
de ene na de andere ‘bisschop’ uit de kapsalon
komen. Soms waren ze zelfs op de fiets en zag
ik gewone schoenen en kleren. Een keer zelfs
klompen en sokophouders aan hun benen en
gewone hoeden en petten op hun hoofden. Dat
kon in mijn prille brein geen zuivere koffie zijn.
Waar ik het als eersteklasser op de lagere school
vandaan haalde weet ik niet, maar ik had in die
tijd toch al zoveel verantwoordelijkheidsgevoel
tegenover de medeleerlingen in mijn klas, dat
ik op school mijn mond hield als Sinterklaas op
bezoek kwam. Ik zweeg bewust over het door mij
geconstateerde bedrog teneinde het feestje niet te
bederven.
Toen de oorlog uitbrak was ik acht jaar en
besteedde op de brede stoep die op de Grote
Markt voor ons huis lag een groot deel van mijn
vrije tijd aan mijn rolschaatsen en step. Maar de
oorlog leidde er toe dat ik daardoor tegen mijn
wil in contact raakte met de Duitse vijand die
beslag had gelegd op het naburige Hotel Peters.
De ingang daarvan was slechts een paar meter
van onze voordeur verwijderd. In dat hotel
kwamen vaak hoge Duitse militairen bijeen, die
zich binnen prima amuseerden en die zich vaak
lieten vergezellen door chic geklede vrouwen. Ik
reed vaak op mijn rolschaatsen vlak vóór de twee
schildwachten langs, die op de stoep de wacht
hielden en soms opmerkingen maakten over
mijn gerij. De twee hoteleigenaren, Henk en Alie
Peters, hadden in hun hotel niets meer te vertellen.
Zij zaten zich in een achterafkamertje te verbijten
in de nabijheid van gasten die allerminst
welkom waren. En bedenk dan ook nog dat ze
met al die Duitsers in hun hotel zowaar een tijdje
onderdak hebben verleend aan een Joods echtpaar
in een kleine ruimte ergens op de zolders.
De haat van Henk en Alie tegen de Duitsers werd
er alleen maar erger door.
Antisemitisme
Dat laatste kon niet gezegd worden van sommige
middenstanders uit de Zwolse binnenstad. Er
waren er een aantal met uitgesproken sympathieën
voor de bezetters. Antisemitisme was evenmin
een zeldzaamheid. Even voor de oorlog was ik
daarmee op een merkwaardig indirecte, achteraf
zeer verontrustende manier, geconfronteerd.
Ouder dan acht jaar was ik toen niet, maar de
ervaring staat me scherp voor de geest. Veel later,
toen alle gruwelijke verhalen over de Holocaust
loskwamen, heb ik er vaak aan terug moeten denken.
Als ik op de stoep speelde, dribbelde ik vaak
even binnen bij onze buurman Jakobs die een
grote zaak in sportkleding en -attributen dreef.
Ze ontvingen mij daar als een welkom vriendje.
Samen met zijn moeder
kijkt de jonge Willem
door een huiskamerraam
naar het verkeer
op de Grote Markt.
H.S Wolff, hier getekend door Teun van der Veen,
was de kapper en grimeur die vele jaren lang in de
tijd van Sinterklaas zorgde voor de aankleding van
vele bisschoppen en Pieten. Hij had zijn bedrijf in de
Korte Ademhalingssteeg schuin tegenover het huis
van de jonge Willem. (Collectie HCO)
De jonge Willem van
der Veen op de step
op de stoep vlak voor
zijn geboortehuis op de
Grote Markt.
80 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 81
Van dochter Bep, die in de winkel hielp, mocht
ik rondstruinen tussen de toonbanken en zelfs
weleens met de vingers aan voor mij interessante
sportwerktuigen zitten, zoals tennisrackets, hockeysticks
of een echte leren voetbal met veter. Was
het een wonder dat ik er niet was weg te slaan?
Totdat er plotseling iets gebeurde, waardoor ik
in verwarring raakte. Een straatvriendje hoorde ik
zeggen dat ‘ze bij Jakobs Joden waren.’ Hoe scherp
ik het me herinner, wordt geïllustreerd door het
feit dat ik nog op de meter nauwkeurig weet waar
ik me op dat moment bevond. Ik werd als jochie
overvallen door – het is moeilijk uit te drukken –
een gevoel van teleurstelling, van weerstand, van
twijfel over die aardige mensen, waar ik toch zo
graag heen ging. Alsof dat aardig zijn eigenlijk niet
mocht of kon… Het is afschuwelijk er aan terug
te denken dat dergelijke gedachten in de hoofden
van kleine jongetjes konden opkomen. Hoe kwamen
ze daar in terecht? Ik kan me niet herinneren
dat er bij ons thuis over werd gesproken, maar
antisemitisme had zich kennelijk zozeer in die
vooroorlogse maatschappij ingevreten dat zelfs
kinderen gevoelig waren voor deze ziektekiemen.
Gelukkig denken kleine jongetjes niet zo lang over
iets na. Bij Jakobs bleef ik graag buurten… totdat
het niet meer kon… Toen was het al een paar jaar
oorlog en waren de omstandigheden radicaal
veranderd, vooral voor mensen als onze buren. Zó
radicaal dat ze spoedig daarna op de Grote Markt
nimmer meer werden gezien. Op één na. De jongste
dochter, Zus genaamd, keerde terug en zette de
winkel samen met haar man Dolf Davidson nog
vele jaren voort!
Winkelen in binnenstad
Na meer dan zeventig jaar herinner ik mij nog als
de dag van gisteren dat ik toen al goed op de hoogte
was van bijna alles wat Zwolse middenstanders
te bieden hadden. Dat kwam door mijn moeder.
Een dierbare hobby van haar was ‘winkelen’ en
ze vond het nog leuker als ze daarbij gezelschap
had. Meestal kwam die behoefte haar onverwacht
aanwaaien, en dan was ik de eerste die ze vroeg
om haar te begeleiden… Op die manier kreeg ik
een tot de dag van vandaag durend beeld van de
Zwolse winkelstand voor ogen, dat men niet bij
zo’n snotneus zou verwachten.
Als ik nu in de Diezerstraat loop, kijk ik
treurig om me heen, aangezien het aanbod van
artikelen in verhouding tot vroeger, sterk is afgenomen.
Dat komt door de enorme toename van
al die grootwinkelbedrijven en de thuisbezorging
via internet. Vroeger zag alles er heel anders uit
in de verschillende branches. Toen zag men nog
een grote verscheidenheid van winkels in de Diezerstraat:
brood- en banketbakkers, snoepwinkels,
liefst drie muziekwinkels, meubelwinkels,
tabakswinkels, boekwinkels, drie kruideniers,
hoedenwinkel, twee apothekers, drie slagers,
huishoudelijke voorwerpen, textiel- en kledingwinkels
in alle soorten, drankwinkels, rookwaren,
twee juweliers, een warenhuis (V en D) en een
bioscoop. Nu breek je bijna alleen je nek over kleding
en schoenen.
Het is vandaag de dag toch bijna niet meer
te geloven dat er omstreeks 1940 in Zwolle nog
tegen de negentig bakkers en honderd sigarenwinkels
waren. Men kan het nalezen in de oude
adresboeken van de stad in het HCO. Naast de
adressen van al die Zwollenaren bevatten ze ook
lijsten van beroepen. Onder het hoofd ‘brood- en
banketbakkers’ (velen waren het vroeger allebei)
vindt men in het boek van 1950 nog tachtig bakkers,
in die tijd een zeer respectabel aantal voor
een provinciestad van 50.000 inwoners.
In het Zwolle van vlak na de oorlog waren er
nog minstens zoveel slagers. Ik vraag mij af hoe
al die vakbroeders aan de kost kwamen. Alleen
een bovenlaag van de mensen at destijds elke dag
vlees. Bij hele volksstammen stond het alleen ’s
zondags op het menu. De concurrentie was er –
begrijpelijk – moordend. De grootste concentratie
van slagers vond men in het buurtje Thomas a
Kempisstraat/Vechtstraat. Niet minder dan acht
(!) van de vakbroeders deden elkaar daar grote
concurrentie aan.
Aan de andere kant van de stad, in de smalle
Hoogstraat, vond men een nog intensievere
opeenhoping van slagers. Oorzaak daarvan was
ongetwijfeld de onmiddellijke nabijheid van de
Veemarkt. En dan had je bijvoorbeeld ook nog de
lange Assendorperstraat met zeven slagerijen, de
Diezerstraat met vijf en als laatsten ex aequo met
vier slagers de Diezerstraat, Van Karnebeekstraat
en Roggenstraat. Opvallend was verder dat het
katholieke geloof bovenaan stond bij de slagers en
ook nog dat er zelden een van hen armoede heeft
geleden. Er moet dus wel wat aan dat vlees te verdienen
zijn geweest.
Wat een verschil is er ook met de slagerijen
van vroeger en nu! Toen hingen de halve varkens
en hun koppen, de grote stukken van andere
beesten en de lange worsten aan grote haken in de
winkel. Nu liggen de voorbewerkte stukjes vlees,
het gehakt en de andere fijne vleeswaren in plastic
verpakt in verlichte glazen vitrines, meestal in de
supermarkten en sporadisch nog in een ‘ouderwetse’
winkel.
Wedstrijdjes van niks
In tegenstelling met de huidige tijd waarin bijna
alles wordt aangegrepen om maar feest te kunnen
vieren of grote manifestaties en vertoningen op
touw te zetten, was het in mijn jonge jaren maar
een stille boel in Zwolle. Nu komen er duizenden
– vooral jonge mensen – op af. Daarom mag
het verbazing wekken dat er vlak na de oorlog bij
een inwonertal dat minder dan de helft van het
huidige bedroeg, soms wel meer dan achtduizend
mensen afkwamen op een voetbalwedstrijd die
niet meer dan een lachertje was. Aan het einde
van de jaren veertig tot ver in de jaren zestig trokken
drommen volk op een avond in het begin van
de zomer naar het stadion aan de huidige Ceintuurbaan,
dat toen nog Gemeentelijk Sportpark
heette. De attractie was de ‘voetbalkraker’ Zwolse
Gemeenteraad tegen de Zwolse Pers. De grap
begon in het begin van de zomer van 1948. In die
tijd was het nog gebruik dat sommige agendapunten
van de gemeenteraad in besloten zitting
werden behandeld. Dan sommeerde de voorzitter
(burgemeester Strick van Linschoten) de persvertegenwoordigers
om de zaal voor een poosje te
verlaten. Journalisten waren er in die tijd nogal
wat, doordat er in Zwolle wel vijf (!) plaatselijke
kranten – geen gratis huis-aan-huisbladen – werden
verspreid.
Op die bewuste avond in 1948, toen er naar
goed gebruik grote geheimzinnigheid rond een
waarschijnlijk onbenullige kwestie moest worden
betracht, stonden de journalisten weer eens broederlijk
op de gang in het oude stadhuis op de hoek
van de Sassenstraat en het Grote Kerkplein. Na
een tijdje wachten begonnen ze de tijd te doden
met het schoppen tegen een leeg sigarettendoosje.
Het verveelde spelletje ontaardde in een verbeten
partijtje dat zich niet zonder enig gedruis voltrok.
Plotseling werd de geïmproviseerde indoormatch
onderbroken door de burgemeester in eigen
persoon, die eens poolshoogte kwam nemen van
het oneerbiedige lawaai dat tot de raadzaal was
doorgedrongen en de fracties in hun diep geheime
discussies had gestoord. Strick van Linschoten
riep de trapgrage horde tot de orde, waarna de
persmuskieten hijgend antwoordden dat ze hun
schotkracht graag eens tegen een delegatie van
raadsleden wilden demonstreren. Ze waren
hoogst verbaasd dat het voorstel van deze uitdaging
stante pede met algemene stemmen werd
aanvaard.
En zo kwam het dat bijna zeventig jaar geleden
raadsleden en journalisten in voetbalplunje
op een stampvol Gemeentelijk Sportpark ten bate
van de tbc-bestrijding tegenover elkaar stonden
De Diezerstraat, uitkomende op de Grote Markt, is ongetwijfeld de belangrijkste
straat van Zwolle, maar heeft de laatste jaren toch wat aan veelkleurigheid
verloren. Willem trof er in zijn jeugd – aan de hand van zijn moeder – veel meer
verscheidenheid van winkels aan.
82 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 83
en warempel nog begonnen te schoppen ook. Het
schertswedstrijdje groeide in de volgende jaren
uit tot een waar volksfeest met een stampvol stadion,
attracties voor de Zwolse bevolking en open
landauers, waarin de elftallen vanaf het Grote
Kerkplein door een grote massa burgers werden
uitgezwaaid voor hun tocht naar het vergeleken
bij nu petieterige stadionnetje waarin toch nog
achtduizend kijkers een plaatsje konden vinden.
Slanke toren
Als ik in mijn jeugd door een raam aan de achterkant
van mijn ouderlijk huis naar buiten keek,
zag ik vlakbij een toren waarvan de lange, slanke
spits nagenoeg even hoog de lucht in stak als het
haantje van de Peperbus. De binnenstad telde
toen twee katholieke parochies. Die van de Roggenstraat
(St. Michael) bouwde haar toren in het
laatste decennium van de negentiende eeuw en
wilde niet onderdoen voor de zusterparochie
(Onze Lieve Vrouwe) op de Ossenmarkt. De
architect kreeg de opdracht de hoogte van de
nieuwe toren zorgvuldig aan te passen aan die van
de eeuwenoude Peperbus. De mooie toren die het
silhouet van de binnenstad verrijkte, heeft er nog
geen eeuw gestaan. Toen de Zwolse binnenstad
in de jaren zestig werd overvallen door een wilde
rage van onberedeneerde afbraak en nog minder
doordachte nieuwbouw, moest die Michaëlstoren
er net als de kerk aan geloven.
Het refrein van het liedje ‘De slanke toren’ dat ik
een jaar of dertig geleden schreef voor een van mijn
programma’s in schouwburg Odeon, gaat als volgt:
‘Dan denk je even aan die slanke grijze toren
Symbool van alles wat hier uit de stad verdween.
In onze jeugd was hem een droevig lot beschoren.
Hij ging ten onder tot de allerlaatste steen.
De oude Peperbus bleef zomaar eenzaam achter.
Hij mist zijn makker, ginder in de Roggenstraat,
maar blijft voor Zwolle altijd nog de trouwe wachter
en luidt zijn klokken tot het laatste uurtje slaat.’
Van 1949 af werd op het Gemeentelijk Sportpark (nu het PEC-stadion) een voetbalwedstrijd gespeeld tussen leden van de Zwolse
gemeenteraad en de journalisten van Zwolle. Dit treffen groeide uit tot een waar volksfeest. Op de foto vlnr.: Hans Jacobs (Vrije Volk),
Gijs van Keulen, Jan Louwen, Hans Schothorst, Willem van der Veen (allemaal Zwolse Courant, de auteur is de enige die nog leeft),
Hans Schrauwen (Ten Heuvels Courant), Siertsema, Rotteveel (allebei Zwolse Courant), Ernst Stavenuiter (Overijsselsch Dagblad),
Ben Zomerdijk (Trouw), Joh. Boetze (Zwolse Courant), Alferink (Overijsselsch Dagblad).
Vanuit een bovenraam
in de Diezerstraat,
maakte Teun van der
Veen een schilderij van
de Roggenstraat, het
drukste straatje van
Zwolle. Het biedt een
mooi uitzicht op de
helaas halverwege de
twintigste eeuw door
afbraak jammerlijk verloren
gegane toren van
de Sint Michaëlskerk,
die nagenoeg even hoog
was als Zwolle’s paradepaardje
de Peperbus.
(Particuliere collectie)
84 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 85
Keuring voor de dienstplicht…
Bijna even dicht bij die slanke toren in de Roggenstraat
stond op het Broerenkerkplein, schuin
tegenover de Librije, de oude militaire kazerne.
Daar werden jaarlijks de keuringen verricht van
de jeugdige kandidaten voor de dienstplicht.
Toen ik in 1949 net van de middelbare school was
gekomen werd ik daarvoor opgeroepen. Het leek
mij niks, zo vlak na de oorlog. Een paar van mijn
vrienden liepen al in een uniform, maar hun voorbeeld
kon mij niet enthousiast maken, integendeel.
Die keuring kon ik echter niet ontlopen.
Na in een zaal van de kazerne op de begane
grond een reeks proeven te hebben ondergaan,
werd mij bevolen de hoge trap naar de bovenste
verdieping van het gebouw te bestijgen om daar
het slot van mijn keuring te ondergaan. Braaf
nam ik plaats op een bank op de gang, waar ik op
mijn beurt moest wachten. Het duurde heel lang
en het bleef er doodstil. Na zeker een uur hoorde
ik eindelijk iemand de trap op komen. Het bleek
een nijvere schoonmaker met zijn attributen. ‘Wat
doe’j ier?’, vroeg hij me in het Zwolse dialect, ‘Zie
bint allemaole al nöör uus’..! Het enige wat ik kon
doen, was de trap weer af te dalen … zonder ook
maar het flauwste vermoeden dat ik er in mijn
verdere leven nooit meer iets van zou horen!
‘De Beuties’
Vlakbij die slanke toren, aan het einde van de
Roggenstraat, was een plek te vinden waar de
Zwolse jeugd menig kwartje is kwijt geraakt.
Veel viel er toen in de binnenstad voor meisjes
en jongens niet te beleven, maar de ‘Beuties van
Slendebroek’ vormden in en vlak na de oorlog
een mogelijkheid om even aan de grauwheid en
armoe van het dagelijkse leven te ontsnappen. Het
waren simpele roeibootjes die door brugwachter
Slendebroek van de Vispoortenbrug werden verhuurd
voor een kwartje per uur. De jongeren voeren
ermee de grachten rond, zetten in hun fantasie
hele zeeslagen op touw en liefdespaartjes proefden
de romantiek die aan een tochtje in een bootje met
z’n tweetjes verbonden is.
In een Zwols programma in een volle Odeonzaal
zongen we er een liedje over. Het begon zo:
De sierlijke slanke toren
van de Sint Michaëlskerk
in de Roggenstraat,
hier gezien vanuit de
Korte Ademhalingssteeg,
was driekwart
eeuw een van de
belangrijkste bakens in
de Zwolse binnenstad.
(Collectie HCO)
Tijdens de griepepidemie
van 1954 speelde
Willem van der Veen
als amateuracteur
de gemakkelijkste rol
van zijn leven. Voor
de krant moest een
foto gemaakt worden
van een grieppatiënt.
‘Onder de dekens had
ik mijn daagse broek
en de schoenen nog
aan…!’
86 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 87
‘De zon ging lekker op ons koppie schijnen
en we wandelden naar Slendebroek.
Daar bij de brug in het ouwe Zwolse ‘grachie’
lagen al die bootjes om de hoek.
Een kwartje voor een uurtje kon je toen nog wel betalen.
We zeiden tot elkander: laten wij niet langer dralen.
Refrein: Stap maar in, samen lekker roeien.
Gezellig met ons tweetjes aan de riemen.
Vaar maar weg, doe maar kalm bij het stoeien
en de liefde zal gelijk ontkiemen.’
Zwolse typen
In mijn jeugd vertoonden zich heel wat schilderachtige
typen in het straatbeeld van de Zwolse
binnenstad. In tegenstelling met die van nu bleven
ze niet zelden hun leven lang in beeld. Een flink
deel van hen kwam van het Eiland en Achter de
Broeren, een volksbuurt die nog niet zo heel lang
geleden plaats moest maken voor een winkelcentrum,
dat nu al weer – een jaar of veertig later – op
de schop moet. Veel van die vreemde figuren,
veelal mannen, huisden daar vroeger in kleine
optrekjes of in de volkslogementen, die onder
meer in de nu verdwenen Klokkensteeg of Drietrommeltjessteeg
te vinden waren.
Maar er waren ook vrouwen die in de kijker
liepen. Neem nu Miene Belle. Ze werd zo
genoemd omdat ze lange oorbellen droeg. Ze was
een van de vrouwen die bij de visafslag op het
Rode Torenplein zorgden voor het schoonmaken
van de verse vis. Die werd daar toen vrijwel dagelijks
aangevoerd. Over haar jak en rok droeg ze
altijd een bonte schort, waaraan ze de handen kon
afvegen. ‘Anders wördt mien goed zo gasterig, zei
ze ‘op zien Zwols’.
Miene Belle woonde in een heel klein bovenhuisje
op het Eiland, volksbuurt nummer één in
Zwolle. Ze was ongetrouwd, maar het verhaal ging
dat ze zes mannen heeft gehad. Die kwamen om
beurten bij haar langs, soms met duidelijk zichtbare
gevolgen. Ze zei dan in ’t Zwols: ‘Dan skudt
d’r mi’j zo een kind uut de broekspiepe…!’ Maar
van wie dat kind was..? Dat wist ze niet.
Miene Belle ging ook met vis langs de deuren.
Op een keer belde ze aan bij de oude heer Vroom
op de Eekwal (telg uit de landelijk bekende katholieke
zakenfamilie van Vroom en Dreesmann
en de baas van het Zwolse filiaal van V&D). Een
dienstmaagd deed open en nam de vis mee naar
binnen. Maar ze kwam al heel gauw terug met de
vraag: Ben je katholiek of protestant?’ Miene antwoordde:
‘Ik binne protestant, gien toffelemone.’
‘Nou’, zei de meid, ‘Dan heeft meneer geen vis
nodig!’
Miene Belle droop af, maar dacht bij zichzelf:
‘Ik kriege ze wel..!’ Een tijdje later ging ze naar
de zaak van Vroom en Dreesmann in de Diezerstraat
en liet daar tien el dure katoen afmeten.
Toen de verkoopster het wilde inpakken, vroeg
Miene langs de neus weg: ‘Bin’t jullie katholiek of
protestant?’ ‘We zijn katholiek, mevrouw’, zei de
verkoopster. ‘Old oew katoen dan maer en gèèf
’t an oew olde baos met de komplementen van
Miene Bell..!’ Al die figuren die men dagelijks
in de binnenstad kon tegen komen, hadden ook
allemaal een bijnaam. Ik heb er ooit eens een
hele reeks verzameld. Ik doe er een greep uit: de
Zieden Broek, de Kalken Nõze, Bollen Diene, de
Klunder-ape, de Kolde Kikkert, Voele Geessien,
de Boeklappe, Diene met de Musse, enfin, zo kan
ik nog even doorgaan. O ja, en dan had je ook nog
de ‘Schrik van Harculo’, die altijd lopend een fiets
aan de hand had en dan met raar geschreeuw de
voorbijgangers verschrikte.
Paarden en boeven
In het Zwolle dat de oudsten onder ons nog
hebben meegemaakt, reden heel wat paard-enwagens
rond. Sommige hadden een openbare
functie, zoals bijvoorbeeld de begrafeniswagens
en trouwkoetsen van de bekende stalhouder Gait
Mulder. Zijn paradepaardje was wel de calèche
met een vierspan ervoor. Op Koninginnedag reed
het bestuur van de Centrale Commissie Oranje
er mee rond en vlak na de oorlog maakten ook
koningin Juliana en prins Bernhard er een ritje
mee door de binnenstad van Zwolle. Gait Mulder
zat zelf vaak op de bok, vrolijk zwaaiend met de
zweep.
Bij de jeugd trok vooral de zogeheten boevenwagen
veel bekijks. Deze vervoerde verdachten en
veroordeelden van het spoorstation of de rechtbank
op de Blijmarkt naar de gevangenis op de
Spinhuiswal. Het was een nogal griezelige zwarte
kar met roosters aan weerskanten, waardoor je
een glimp van de gevangenen op kon vangen. De
kar bevatte twee cellen, één voor mannen en één
voor vrouwen. Achterop aan weerszijden van de
deur bevonden zich twee zitplaatsen voor veldwachters.
Jongens renden vaak mee als de bankjes
vrij waren, sprongen achterop en reden stiekem
mee.
Een kar waar iedereen zijn neus voor op trok,
was de tonnenwagen van de reinigingsdienst. Veel
mensen hadden in die tijd nog geen wc en kregen
elke week een schone ton voor hun behoeften.
Deze werden gehaald en gebracht door mannen
met een leren beschermingsstuk op de schouder,
waarop ze de ton droegen. Die mannen kon een
flinke dosis moed niet worden ontzegd.
Een van de ‘beuties’ van Slendebroek, de brugwachter, die er wel tien bij zijn huis had liggen.
Je mocht er toen voor een kwartje een uur mee varen. Het was een dankbaar vermaak voor de Zwolse jeugd.
Gait Mulder op de bok
van een tweespan.
(Collectie HCO)
88 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 89
Ondanks haar gebreken was en is Zwolle nog
steeds een stad die velen van ons in hun hart hebben
gesloten. En wel om de eenvoudige reden dat
zij, ieder voor zich, hun eigen Zwolle hebben. Daar
speelden ze als kind op straat, beleefden hun eerste
liefdes en zetten ze zich af tegen hun ouders, zoals
ze het nu weer van hun eigen kinderen ervaren.
Geen levensverhaal en geen herinnering is
gelijk aan die van anderen. Het zijn juist al die verschillen
die de stad voor ons dierbaar maken. Met
ons allen en voor ons allen vormen wij een uniek
en authentiek Zwolle … dat van mij..!
Die conclusie verdient een muzikaal einde.
Denk de klanken er maar bij..!
Het Zwolle van
Zo vaak ik er wandel bij ons in de stad,
komt de herinnering steeds op mijn pad.
Dan zie ik de mensen en hoor het verhaal
dat bij hen past, ja, bij hen allemaal.
De straten, de lanen, het plein en de gracht,
al die gestalten die ik daar verwacht.
Zij vormen de specie en binden de steen,
ze maken van Zwolle mijn Zwolle alleen.
Op onze aarde zijn vast wel duizend steden,
nog heel wat mooier en bruisender dan jij.
Maar welke steden ik ooit mag betreden,
Jij blijft toch het Zwolle van mij.
Van alle plekken die wij met lof bezingen,
van Acapulco, Hawaii of Curaçao,
van Amsterdam, Lissabon, Scheveningen
zing ik toch het liefste van jou.
Want waar je je jeugd heb gesleten,
Hebt gelachen, gehuild en gevrijd
Of soms in de rats heb gezeten,
al die beelden, die raak je nooit kwijt.
Op onze aardbol te midden van de steden
Of waar je zoekt in verleden of heden,
Daar is maar één Zwol’, dat van MIJ…!
Nb. Alle afbeeldingen waar geen bronvermelding bij
staat komen uit de collectie van de auteur.
Van de Middelweg naar Oberhausen
Het oorlogsverhaal van Kees Contermans
Gerrit Barbé en
H Chris Contermans1 et is zondag 29 juni 1941 en Nederland
is goed een jaar onder Duitse bezetting.
Op de veerpont van Hattem naar Zwolle
heerst desondanks een opgewekte stemming.
Zwolsche Boys heeft zojuist een uitwedstrijd tegen
VV Hattem gespeeld en met 4-1 gewonnen.2 Aangezien
de IJsselbrug nog niet hersteld is na in de
meidagen van 1940 door het Nederlandse leger
te zijn opgeblazen, is het druk op de pont. Zo zijn
er voetballers en supporters van de Zwolse club
aanwezig, maar ook een paar Duitse officieren.
Op een gegeven moment gaan de Duitsers zingen:
‘Wir fahren gegen Engeland’, waarop iemand
van de Zwollenaren aanvult met ‘plomp, plomp,
plomp.’3 De Duitsers vatten dit niet lichtzinnig
op. Eenmaal bij het Katerveer aangeland pakken
zij hun wapens. Na wat heen en weer geschreeuw
en het uitdelen van enkele klappen worden de
negentienjarige Kees Contermans en een andere
voetbalsupporter ingerekend.
De twee worden er van verdacht de spot met
de bezetter te hebben gedreven en zij worden
overgebracht naar de Ortskommandantur te
Zwolle (hoofdkwartier van de Wehrmacht aan de
Van Roijensingel 13). Hier worden zij niet zachtzinnig
ondervraagd. Hoewel ze allebei weten wie
er gezongen heeft, laten de mannen niets los. Het
feit dat zij geen verraders willen zijn en dat de
feitelijke ‘dader’ een goede voetballer is, speelt
hierbij de belangrijkste rol.4 Hun zwijgen draagt
er toe bij dat ze een aantal dagen worden vastgezet.
Dankzij de bemiddeling van het bestuur
van de Zwolsche Boys worden zij vrijgelaten. De
mannen moeten zich wel elke avond melden,
waarbij zij fysiek onder druk worden gezet om de
naam van de ‘zanger’ prijs te geven. Ze worden
bij hun shirt gepakt tot de knopen er af springen
en geslagen op lichaam en gezicht. Kees verliest
bij een van deze ‘ondervragingen’ een stuk van
de zijkant van zijn tong. De mannen blijven
echter zwijgen, waarop de Duitsers besluiten
hen tot voorbeeld te stellen. Er worden voorbereidingen
getroffen voor een rechtszaak voor het
Kriegsgericht in Groningen. De twee als getuigen
opgeroepen Duitse officieren blijken inmiddels
naar het Oostfront te zijn gestuurd, waar zij later
zullen sneuvelen. Hierdoor raakt de zaak in de
vergetelheid en loopt het voor de twee Zwollenaren
met een sisser af. Als gevolg van het voorval
op de pont krijgt Zwolsche Boys een speelverbod
opgelegd en wordt aartsrivaal PEC dat jaar kampioen
in de 2de klasse b.5 Voor Kees zal de oorlog
hierna echter nog wel de nodige andere ellende
brengen.
Kees Contermans met
zijn zusjes Annie en
Dinie, 1935.
Illustratie: Internet
90 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 91
Kees Contermans
Kees (Cornelis) Contermans is op 11 november
1921 geboren in de Eindstraat te Zwolle, toentertijd
een beruchte straat in de buurtschap Dieze.
Zijn ouders zijn Cornelia de Jager en Alexander
Johannes Theodorus Contermans. Kees is de
oudste van hun vijf kinderen. Na hem volgen
een broertje dat al als baby overlijdt, en drie zussen:
Annie, Dinie en Minie. Met hen heeft hij
een goede band. Omdat het vader Contermans
dan financieel iets beter gaat, verhuist het gezin
in 1935 naar Middelweg 50, om de hoek van de
Eindstraat. Kees zit, evenals zijn zusjes, op de
Openbare Lagere School nr. 5 aan de Berkumstraat,
de school van meester J.K. Schouwstra. Na
de lagere school gaat hij werken, onder meer bij
tabaksfabriek Van der Helm, slagerij Van Dooren,
Reinders Oliefabrieken en bouwbedrijf Kamphuis.
Aan het begin van de oorlog werkt hij bij een
poelier aan de Thomas a Kempisstraat. Op last van
de bezetter moet het kippenbestand in Nederland
echter uitgedund worden, want het graan dat deze
dieren eten is nodig voor de voedselvoorziening.
De kippen die worden geslacht gaan panklaar in
kratten naar Duitsland. Als sabotageactie stoppen
de slachters spijkertjes om de kratten mee dicht te
timmeren in borst en poten van de kippen.
Naar Oberhausen
Omstreeks eind 1942, zo’n anderhalf jaar na het
zangincident, krijgt Kees Contermans de oproep
om in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland
te vertrekken. Hij werkt op dat moment
bij bouwbedrijf Kamphuis. Vanwege de in april
dat jaar gestarte Holland-Aktion I, het ronselen
van werkkrachten voor de Duitse industrie, is
ook dit bedrijf uitgekamd.6 Wat doet een man
van 21 jaar oud wanneer hij de oproep krijgt om
zich te melden? Aan onderduiken denk je niet.
Er zijn weinig onderduikadressen beschikbaar
en hoe kom je daaraan? Als je niet gaat, wordt je
familie gegijzeld, net zo lang tot je zelf verschijnt.
Zo geschiedt het dat Kees zich meldt bij het
arbeidsbureau en medisch wordt gekeurd. Zoals
vrijwel iedereen, want de keuring stelt niets voor,
wordt hij geschikt geacht voor uitzending naar
Duitsland. Hij krijgt een voorschot van dertig
gulden voor de eerste onkosten en vervolgens
moet er van alles geregeld worden: hij heeft een
paspoort nodig, dat hij gratis kan krijgen, maar
ook een koffer. Hoe kom je aan een koffer? De
meeste opgeroepen mannen en jongens zijn nog
nooit van huis geweest. Er zijn mannen die zelf
een koffer maken of laten maken van hout. Daarnaast
kun je zwart ook aan een koffer proberen
te komen, want in de winkels is al niet veel meer
(met of zonder bon) te koop. Bovendien moet je
ook nog eens al je distributiebescheiden inleveren,
bonnen en stamkaart, waardoor je ook niets
meer kunt kopen. Kees krijgt net als alle andere
tewerkgestelden een brochure, Wegwijzer voor
hen die in Duitschland gaan werken, en een lijst
met wat hij mee moet nemen, als hij deze zaken
überhaupt al bezit.
Op de dag van vertrek moet hij zich melden
op het station van Zwolle. Er staat daar al een
grote groep mannen en jongens te wachten op de
speciale trein naar Duitsland.7 De heenreis wordt
betaald. En daar gaat Kees, als dwangarbeider
weggevoerd net als vele anderen, in totaal 700.000
jongens en mannen uit Nederland. De trein
brengt hem via Oldenzaal/Bentheim de Duitse
grens over naar een verzamelkamp, waar de groep
verdeeld wordt over diverse bedrijven.
Hij komt terecht in Oberhausen/Holten bij
de grote fabriek Ruhrchemie. Hier worden onder
meer kunstmest, zoetstof, koolwaterstoffen, vetten
en synthetische benzine vervaardigd uit bruinkool.
8 Het kamp (Lager) waar Kees ondergebracht
wordt ligt in de buurt van Oberhausen/Sterkrade.9
Het bestaat uit houten barakken. Er verblijven
daar al Russen en Polen, die verplicht een merkteken
‘Ost’ op hun kleding dragen. Zij zitten afgescheiden
van de Nederlanders, Fransen en Belgen.
In 1943, na de gedeeltelijke overgave van Italië,
komen daar ook nog Italianen bij. Ze worden als
verraders gezien en net als de Oost-Europeanen
slecht behandeld.
Leven in de Stube
Kees en zijn lotgenoten worden ondergebracht in
barakken. Deze zijn opgedeeld in zogenoemde
Stuben, kamers van 5 x 5 meter en 2,5 meter hoog.
Er zijn twee ramen in aangebracht met houten
luiken voor de verduistering. In zo’n kamer staan
zes stapelbedden en kunnen twaalf personen
gehuisvest worden. Soms zijn het er meer. Naast
de bedden staan aan weerszijden twee smalle hoge
houten kasten voor de persoonlijke spullen van de
bewoners. Verder zijn er twee langwerpige houten
tafels met elk zes krukken eromheen. Boven elke
tafel hangt een lamp, dit is de verlichting van de
kamer. Voor verwarming en om te koken wordt
er gebruik gemaakt van een kachel en de mannen
beschikken ook over een elektrisch kookplaatje.
Tot slot is er in de Stube een bak of teiltje aanwezig
voor de koffie, dat wil zeggen surrogaatkoffie, die
gemaakt wordt van chicorei en gebrande eikels.
Toen Kees naar
Duitsland ging om te
werken, moest hij zijn
stamkaart en bonnen
inleveren.
Het bedrijf Ruhrchemie
in Oberhausen-Holten
in 1938. (Foto Albert
Renger-Patzsch)
VOEDllfGSMIDDELEJ /
lle EN 1Ze PERIODE 194, /
RESERVE RESERVI!.
A95 A9i
AI NALCK OP!
A-401
DX 317
~ ,& BRO
~~ 4
BROOb BRUO
92 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 93
Aangezien er geen suiker of melk is moet je dit
‘puur’ drinken. Brood moet je zelf verzorgen
door middel van geld en bonnen die je elke week
ontvangt. Vaak ruilen de mannen de vleesbonnen
voor broodbonnen. Bier is niet op de bon, maar
in het laatste oorlogsjaar schaars. Daarnaast zijn
er maaltijden (zonder vlees) waarvoor geen bon
nodig is. Tot slot hebben de mannen ook nog een
Raucher (rokers) kaart. Aan tabak en sigaretten
valt overigens moeilijk te komen. Op de tabaksbonnen
zelf krijgen ze maar een klein rantsoen
en uit de pakketten die de dwangarbeiders van
huis mogen ontvangen, zijn de tabak of sigaretten
doorgaans al door de controle gestolen. Om toch
aan iets te roken te komen, zoeken de dwangarbeiders
onderweg naar de fabriek of naar de stad naar
peuken, stompjes sigaar en pruimtabak gezocht.
De eigen peuken bewaren ze ook, om weer nieuwe
sigaretten van te draaien. Deze sigaretten kunnen
ze vervolgens weer ruilen tegen spullen waar
moeilijk aan te komen valt. Sommige ‘collega’s’
van Kees krabben de naden van de tafels uit, in de
hoop dat er nog tabak in zit. Ook wordt er geruild
met de andere buitenlanders. Brood tegen tabak,
de zogenaamde Belgische shag.
De verzorging in het kamp is allerbelabberdst
en de hygiëne laat veel te wensen over. Het
krioelt er van het ongedierte; luizen, wantsen en
vlooien. Kees wordt al snel na aankomst kampioen
vlooienvanger. Hij vangt ze en drukt ze
dood tussen zijn nagels. De poten van de houten
kribben (stapelbedden) waar ze in slapen staan in
blikjes water, om de wantsen niet de gelegenheid
te geven in de bedden te kruipen. Desalniettemin
ontkomen de mannen er niet aan, aangezien de
wantsen zich vanaf het plafond op de slapenden
laten vallen en zich zo alsnog door de bedden verspreiden.
Als het te erg wordt met het ongedierte,
worden de mannen naar Dinslaken gestuurd om
ontluisd te worden. Hier moeten zij dan al hun
kleding uitdoen en aan Russinnen geven die bij de
ontluizingsoven werken. Er wordt dan ‘en masse’
gedoucht in grote badruimtes en de mannen
worden behandeld met een desinfectiemiddel.
In hun blootje staan ze daarna met honderden te
wachten tot het eigen pakketje uit de oven komt.
Dit is klam en heet, omdat er met stoom wordt
ontluisd. Na een paar dagen zit iedereen echter
alweer onder het ongedierte. De barakken worden
soms ontluisd door gassen, maar dit heeft weinig
zin. Het stinkt ontzettend en de lucht gaat in je
kleren zitten.
Lange dagen
De werktijden lopen van zes tot zes. Twaalf uur
op, twaalf uur af, zes dagen in de week. Eerst
hebben de mannen nog één dag vrij in de week,
Twee foto’s van Kees en
zijn lotgenoten, staande
voor hun Lager. Op de
linker foto staat Kees in
het midden, op de rechter
tweede van rechts.
Een (willekeurige)
werkpas van Ruhrchemie
uit de oorlog.
Kees had ook zo’n pas.
(Gedenkhalle und
Bunkermuseum Oberhausen)
Nog twee foto’s van Kees en zijn lotgenoten voor hun Lager. Op de linker foto
houden twee mannen een tang vast, waarmee ‘Jemand in der Zange haben’
uitgedrukt wordt, (iemand in de tang hebben, lees: gevangen houden). Rechtsachter
op de foto zijn door de geopende deur nog wat contouren van mannen te
zien. Achter vlnr.: J. Drent, H. Lok, J. Duim; voor vlnr.: K.M. Graaf, Kees Contermans,
J. de Vries.
Op de rechter foto houden drie mannen waaronder Kees (staand tweede van
links) een rietje op een suggestieve plek vast. Volgens Duitse kenners impliceert
dit ‘Ich pisse drauf ’ (ik pis er op, lees: ik heb er schijt aan).
94 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 95
later niet meer. De ene week hebben ze zes dagdiensten,
één dag vrij, dan weer een week zes
nachtdiensten. ’s Morgens wordt de hele barak
om 05.00 uur met veel kabaal gewekt. Over de
hele lengte van de barak is een gang waardoor een
Duitser van kamer naar kamer loopt, op de deur
bonst en schreeuwt: ‘Aufstehen! Kaffee holen! Raus,
raus!’ Binnen een mum van tijd zijn alle mannen
wakker en in de weer. Als het ontbijt, scheren en
wassen achter de rug zijn (de meesten slapen in
hun werkkleding, zodat die ook niet gestolen kan
worden), is het ‘Abmars an die Arbeit!’ Alle mannen
verzamelen zich buiten, waarna de groep
onder bewaking van gewapende Duitsers (de
Arbeitsschutz) lopend naar de fabriek gaat. Het is
hierbij niet ongebruikelijk dat er van de kant van
de Duitsers geschreeuwd en gevloekt wordt. Kees
is zijn gevoel voor humor nog niet verloren en
één van de bewakers wordt al gauw zijn mikpunt.
Hij begroet deze man elke ochtend met ‘Iezegrim’,
waarop de Nederlanders in lachen uitbarsten. Ook
‘Iezegrim’ zelf lacht mee. Dit gaat een tijd goed
tot de Duitser hem op een morgen aanspreekt en
zegt: ‘Mach das nie wieder Bursche, ich weiss was
das bedeutet!’ Iemand had hem blijkbaar verteld
dat iezegrim een scheldwoord is en zoiets als chagrijn
betekent.
De werkzaamheden in de fabriek zijn zwaar,
eentonig en gevaarlijk. Er gebeuren dan ook veel
ongelukken. De kosten van de verpleging worden
ingehouden op het loon van de mannen, evenals
de boetes die ze oplopen voor te lang op het toilet
te blijven, te roken, te laat op de werkplek te verschijnen,
ongeoorloofd van de werkplek te gaan
en dergelijke.
Voor het middageten in de bedrijfskantine zijn
er speciale bonnen, die per dag worden uitgegeven.
In de pauze die de mannen hebben wordt er
in deze kantine gegeten. Meestal bestaat de maaltijd
uit soep, in de schil gekookte aardappelen,
Pellkartoffeln, die van binnen vaak hol zijn of rotte
plekken hebben. of een eenpansmaaltijd. De soep
bestaat hoofdzakelijk uit water met hier en daar
een stukje aardappel, kool of Steckrübe (koolraab).
Daarnaast zit er, als je geluk hebt, wat groen in.
Soms zit hier wat bruine saus bij. De rotte aardappel
kan je ruilen bij het loket voor een goede,
waarvoor je opnieuw in de rij moet gaan staan. Er
moet ondertussen wel iemand op je eten letten,
dat koud wordt, maar desalniettemin gestolen kan
worden.
Achter de kantine zijn vaak Russen op zoek
naar deze rotte aardappelen in de afvaltonnen. Zij
krijgen namelijk minder en slechter te eten dan
de dwangarbeiders van andere nationaliteiten. In
het algemeen worden zij zeer slecht behandeld en
krijgen zij het zwaarste en vuilste werk toebedeeld.
In hun vrije tijd maken ze van haar en stro ringen
en andere voorwerpen die ze ruilen voor brood.
Daarnaast maken ze kinderspeelgoed dat ze stiekem
met de lokale bevolking ruilen voor eten. Als
voedsel krijgen zij zogenaamd Russenbrood. Dit
is gebakken van een mengsel van aardappelen,
zaagsel, bladeren en een klein beetje meel. Daar
krijgen zij kool en/of koolsoep bij. Het verhaal
gaat dat de kat van de Lagerführer eens gevangen
en opgegeten is door de Russen.
Als de werkdag er op zit, gaan de mannen
onder bewaking terug naar het Lager. Er wordt in
de barak gekookt en met een beetje geluk hebben
de mannen in de buurt wat te eten opgescharreld
of in de kantine wat kunnen organiseren.
Daar wordt namelijk ook voedsel verhandeld als
je bonnen of geld hebt. Na het eten is er tijd voor
ontspanning. Zo wordt er gekaart, een brief naar
huis geschreven, kleding gewassen, gezongen en
geslapen. De post die de mannen versturen en
ontvangen wordt bijgehouden op speciale kaarten
en waar nodig gecensureerd. Bij inkomende of
uitgaande post komt het vaak voor dat zinnen zijn
uitgeknipt of zwart gemaakt. Vanaf 1944 komt
ook de post op rantsoen, er mogen dan nog maar
twee brieven per maand verstuurd worden.10
Bij de fabriek is een groot bassin, waar water uit
wordt gehaald om te koken, maar waar ook in
wordt gezwommen en dat verder gebruikt wordt
als bluswater bij branden na de bombardementen.
Bombardementen
In de schaarse vrije tijd die Kees en zijn collega’s
hebben, mogen ze ook wandelen en ontspannen
in de stad. De Nederlanders ‘genieten’ nog een
zekere mate van vrijheid. Soms, als er geld voor is,
gaan zij naar de bioscoop, maar het meeste geld
gaat toch op aan eten en drinken. In de bioscoop
wordt aan het begin van een film veel propaganda
vertoond, met daarna een Duitse Heimatfilm. Het
komt regelmatig voor dat de film onderbroken
wordt door het luchtalarm. Het licht gaat nooit
helemaal uit, zodat de Duitsers de bezoekers in
de gaten kunnen houden. Er zijn namelijk vaak
ongeregeldheden, zoals joelen en fluiten tijdens de
redevoeringen in het bioscoopjournaal. Daarnaast
is het bij het afgaan van het luchtalarm handig als
je wat licht hebt.
Het werk en de slaap worden vaak onderbroken
door bombardementen. Overdag zijn het de
Amerikanen en ’s nachts de Engelsen. Saillant
detail, dezelfde eskaders bommenwerpers zijn
eerst al over Zwolle getrokken, omdat deze stad
in de aanvliegroute naar het Ruhrgebied ligt.
Voor de bommen vallen, wordt er met fosfor eerst
een markering aangebracht in de lucht, zodat de
bemanning weet waar zij de explosieve lading
moeten afwerpen. De dwangarbeiders noemen
deze fosforstrepen omgekeerde kerstbomen.
Tegen het einde van de oorlog worden er zogenoemde
bommentapijten afgeworpen, bommen
die heel dicht bij elkaar vallen en een enorme
schade aanrichten. Bij een bombardement mogen
alleen de Duitsers in de schuilkelders en bunkers,
zij hebben hier speciale passen voor. De arbeiders
moeten maar zien waar ze blijven en vinden
vaak hun toevlucht in zogenoemde Splittergraben
(splintergeulen = loopgraven). Dit zijn een soort
loopgraven bestaande uit zand en stenen en een
dak van golfplaten. Zij bieden bescherming tegen
bomscherven, maar niet tegen voltreffers. Wanneer
het de mannen lukt om in een Splittergrab
terecht te komen, moeten zij hun mond open
houden in verband met de luchtdruk bij de inslag
Een eskader Lancaster
bommenwerpers op 11
september 1944 op weg
naar het Ruhrgebied,
in dit geval Gelsenkirchen.
(gelsenblog.de/
archives/2346)
96 | jrg. 37 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift jrg. 37 – nr. 2 | 97
van de bommen. Het gevaar bestaat anders dat
de trommelvliezen knappen. Later mogen ook de
Nederlanders met speciale passen in de bunkers
en schuilkelders. De rest van de dwangarbeiders
wordt echter aan hun lot overgelaten. Er zijn
enkele hoogbunkers (ronde torens van dik beton)
op het werkterrein en in Oberhausen zelf.
Verlof
In april 1943 mag Kees met verlof naar huis. Er
moet een collega in Duitsland borg voor hem
staan, dit wordt ook wel Bürgschaft genoemd.
Indien hij niet zou terugkomen, mag deze collega
niet meer op verlof.11 Wanneer zijn verlof is afgelopen,
neemt Kees samen met een andere Zwollenaar
de trein terug naar Duitsland. Zij bevinden
zich in de buurt van Enschede wanneer hen het
nieuws bereikt dat Zwolle gebombardeerd is. De
stad zou in brand staan en er zouden veel doden
te betreuren zijn. Beide mannen bedenken zich
geen moment en keren weerom. Wonderbaarlijk
genoeg weten zij de stad te bereiken, ondanks
een controle onderweg. Eenmaal in Zwolle gaan
zij direct naar familie en vrienden. Hier blijkt het
vermeende bombardement mee te vallen en krijgen
zij de ware toedracht van het verhaal te horen.
Op de vroege ochtend van 28 april 1943 heeft een
Engels jachtvliegtuig een aanval uitgevoerd op het
kruitschip De Hoop, dat lag aangemeerd in het
Zwartewater. Het kruit ontplofte en door de luchtdruk
werden de vleugels van het vliegtuig gerukt
en stortte het vervolgens neer in een weiland langs
de Hasselterdijk. Aan boord werd het stoffelijk
overschot van de Canadese vliegenier Graeme
Eaton Macdonald gevonden. Vier huizen aan de
Hasselterdijk werden grotendeels verwoest en er

Lees verder