Wim Huijsmans
Suikerhistorie
(Collectie ZHT)
Diezerpoortenplas 3 en 5 anno 2010. (Foto Jan van de Wetering)
IJssalon / cafetaria D. van Akker
Op zaterdag 30 juni 1956 ging aan de Diezerpoortenplas de royaal ingerichte ijssalon van Douwe van Akker voor het publiek open. Hij had dit pand aangekocht van J.A. Alferink, grossier in suikerwerken. Vlak voor de oorlog waren twee huizen, die tussen dit pand en de Diezerpoortenbrug stonden, afgebroken. Dat gaf Van Akker de mogelijkheid om een gezellig terras aan de gracht in te richten. In de ijssalon waren niet alleen allerlei soorten ijs, sorbets en coupes maar ook niet-alcoholische drankjes, patat, kroketten en gehaktballen verkrijgbaar. Uit de jukebox klonken de laatste tophits. Geen wonder dat deze ijssalon voor de Zwolse jeugd een gezellige ontmoetingsplek werd. Hier ontstonden romances en werden afspraakjes gemaakt. Een andere groep teenagers ontmoette elkaar bij Talamini op de hoek van de Roggenstraat en de Grote Markt. Tussen beide groepen bestond een zekere rivaliteit. Je behoorde of tot de Kakkers of tot de Talamini’s. Van Akker verkocht zijn laatste ijsjes in 1972 toen de zaak werd opgeheven.
Na een ingrijpende verbouwing was hier vanaf 1973 het kantoor van de gemeentelijk sociaal raadsman gevestigd. Hij was de redder in nood voor mensen die problemen hadden met regels en instanties.
In het rechter deel van het pand is nu uitzendbureau Ung gevestigd. Het linker deel van het pand (Diezerpoortenplas 3) huisvest sinds 2004 het Thais restaurant BaiYok. Het restaurant is sfeervol ingericht en het eten is tongstrelend. Op het terras met twee palmbomen als blikvangers geniet je zomers van een mooi uitzicht. Het is een plek waar opnieuw romances kunnen ontstaan…
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt weer een gloednieuwe uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift. Het is bijna een open deur, maar er valt weer een grote verscheidenheid aan Zwolse wetenswaardigheden en geschiedenissen te lezen. Het verhaal van Maria Hansen over Johan Christaan van Haersolte (1809-1881) neemt u mee tot ver over de Zwolse stadsgrenzen. Deze telg van een welgestelde familie zwierf in zijn jonge jaren tien jaar lang over de wereldzeeën. Daarbij onderhield hij middels brieven het contact met zijn familie in Zwolle. Niet alleen geven deze brieven een beeld van het bestaan aan boord en in den vreemde, ook werpen ze licht over het leven in het negentiende-eeuwse (welgestelde) Zwolle. Dat doet ook het artikel van Wim Huijsmans over de Roopoort, waarin verhaald wordt over de herkomst van de naam Roopoort, maar ook hoe de gegoede burgerij vlak buiten de stads-grenzen ‘lusthoven’ liet aanleggen.
Rob Enthoven en Willem Oosterwijk brengen een (bijna) vergeten Zwolse kunstschilder onder de aandacht: Herman J. Oosterwijk, die leefde van 1886 tot 1979. Deze autodidact schilderde vooral veel landschappen in de omgeving van Zwolle. Maar ook de Van Roijensingel en de Sassenpoort werden vaak op het doek vastgelegd, populair als deze voorstellingen waren bij toeristen.
Tot slot is er nog de eerste aflevering in een nieuwe serie over Zwolle in de jaren zestig die door Jan van de Wetering wordt opgestart. Daarin stelt hij zich de vraag: ‘Wat gebeurde er – bezien met de wijsheid van nu – in de jaren zestig in Zwolle? Ja, juist in Zwolle, die wat slaperige provinciestad.’ Bezie al deze bijdragen nog aangevuld met boekbesprekingen en het Suikerzakje en het kan weer zonder overdrijving gesteld worden: het Zwols Historisch Tijdschrift, een veelzijdig blad!
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
Een Zwolse wereldreiziger Maria Hansen 4
Zwolle in 1960 Jan van de Wetering 16
De Roopoort Wim Huijsmans 19
Herman J. Oosterwijk (1886-1979), een weinig bekende Zwolse kunstschilder Rob Enthoven en Willem Oosterwijk 28
Overdracht redactiearchief Zwolse Courant Steven ten Veen 33
Zwolle heeft nu ook een woordenboek
Na Deventer en Kampen
Philomène Bloemhoff – de Bruijn 35 Boekbespreking 39 Mededelingen 40 Auteurs 42
Omslag: Het smalle deel van de Roopoort, richting Burgemeester van Roijensingel, maart 2010. (Foto Jan van de Wetering)
Een Zwolse wereldreiziger
Maria Hansen
Johan Christiaan van Haersolte, 18091881. (Iconographisch Bureau)
J
ohan Christiaan van Haersolte (1809-1881) was een Zwolse jongen die op de jeugdige leeftijd van vijftien jaar een in de familie Van Haersolte ongebruikelijke beroepskeuze maakte: hij monsterde aan bij de marine. Waarschijnlijk was hij op het idee gebracht door zijn oom Wiete Hora Siccama, een ervaren scheepscommandant in dienst van de zeemacht. Tien jaar zeilde Johan over zee, eerst naar Afrika en Zuid-Amerika en over de Stille Zuidzee naar Oost-Indië, daarna werd hij enige jaren in de Middellandse Zee gestationeerd. Tijdens de oorlog met België lag hij bij Antwerpen en de gevreesde invasie van de Engelsen en de Fransen wachtte hij bij Den Helder af. Daarna ging hij nog enige maanden naar de Middellandse Zee terug.1 Het leven op zee was voor Johan van Haersolte een hele nieuwe ervaring, maar na een paar maanden raakte hij gewend aan het ritme aan boord van een oorlogsschip. De aankomende marine-officieren in opleiding werden flink aan het werk gezet. Ze hielpen mee het schip netjes en zeewaardig te houden. Vooral na een storm kon de schade aanzienlijk zijn en deze werd noodgedwongen zo snel mogelijk op open zee hersteld. In rustiger water of in de havens werd het schip schoon gekrabd en geverfd. De zeilschepen van de nationale vloot werden met regelmaat geïnspecteerd en zo nodig naar een dok gebracht, dat gaf aan de bemanning extra werk omdat het schip eerst onttakeld en na afloop weer helemaal opgetuigd moest worden. De jongens kregen aan boord ook theoretische lessen en legden examens af. In Nederlands Oost-Indië slaagde Johan voor zijn examen als adelborst eerste klasse. Op aanraden van zijn oom hield hij minutieus een scheepsjournaal bij met gegevens over wind en temperatuur, snelheid en positie. Doordat menige collega ziek werd – cholera, pest en scheurbuik kwamen regelmatig voor – had Johan het vaak erg druk. In Oost-Indië werd de schaarste aan personeel nog nijpender door de vele jongens en mannen die de binnenlanden ingestuurd werden en sneuvelden in de koloniale strijd. In Vlaanderen was het verlies aan manschappen minder groot, maar het oorlogsgeweld bulderde langs en op de Schelde; Johan was er pas een week toen het grote bombardement op Antwerpen in 1830 plaats vond. Op het Belgische land was het zo gevaarlijk dat hij in geen vijf maanden het schip kon verlaten. Op de Noordzee bood de marine konvooi aan vissersschepen vanwege de dreigende houding van Engeland en Frankrijk en in de Middellandse Zee bood de marine konvooi aan handelsschepen omdat het daar door de oorlog tussen Turkije en Griekenland gevaarlijk was. Johan zeilde er kris kras van haven naar haven en hield ’s nachts bij toerbeurt de wacht. Zijn tweede reis naar de Middellandse Zee had tot doel de ambassadeur naar Griekenland te begeleiden, hetgeen Johan de unieke gelegenheid bood een audiëntie bij de Griekse koning mee te maken. Na deze reis zwaaide hij als luitenant tweede klasse af.
Een in Oost-Indië door ziekte opgelopen doofheid wilde hij ‘aan de wal door meer deskundigen op eene geschikte wijze’ laten behandelen. Er bleek weinig aan te verhelpen, hij bleef slechthorend, volgens sommigen was hij zelfs stokdoof.2 Johan van Haersolte kwam naar Zwolle terug en hij maakte een geslaagde tweede carrière, dit keer in de politiek: hij werd burgemeester van Zwoller-kerspel, lid van de Provinciale Staten van Overijssel en lid van de Tweede Kamer. Op reis ging hij nog maar zelden. Hij verhuisde slechts één keer, van zijn ouderlijk huis aan de Melkmarkt naar de Koestraat waar hij sedert 1837 met zijn echtgenote Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk woonde. Over Geertruid Agnes en over hun dochter Sophie publiceerde ik al eerder in dit tijdschrift.3 In 1880 verleende koning Willem III Johan eervol ontslag, hij werd geprezen in een plechtig gedicht en hij werd postuum door de Maatschappij tot Bevordering van Landwinning – waarvan hij voorzitter was geweest – vereerd met een gedenkteken op het Zwolse Diep.4
Het gezin aan de Melkmarkt
Johan van Haersolte werd op 9 juli 1809 te Zwolle geboren als zoon van Coenraad Willem Anthony baron van Haersolte tot Haerst en jonkvrouwe Louise Christine Egbertine Françoise Hora Siccama. Hij was het derde van veertien kinderen en hij woonde met zijn ouders en zijn broers en zusters in een groot huis aan de Melkmarkt te Zwolle.5 In de zomermaanden vertoefde het gezin vaak bij hun (groot)ouders op het buitenhuis Den Doorn, vlak bij Zwolle gelegen, waar de kinderen konden ravotten in de grote tuinen en met een bootje het water op gingen. Grootvader Van Haersolte was zeer gesteld op het kleine volkje en ondersteunde het kinderrijke gezin van zijn enige zoon met financiële bijdragen.6 Dat was, na verminderde inkomsten tijdens de onzekere Napoleontische tijd, wel nodig. Toen ene heer Van Nalderen, bijgenaamd het Nekje, wenste: ‘dat uwe Kinderen op mogen groeijen als de Ceder op de Berg-Libanon’, antwoordde Johans vader gevat: ‘ik niet want dan moet ik nieuwe bedden laten maken’.7 Maar Coenraad van Haersolte was desondanks een van de rijkste inwoners van Zwolle, zeker na de dood van zijn vader in 1820. Het ontbrak zijn kinderen aan niets, als zorgzame ouder gaf hij hen een opvoeding die paste bij hun stand.
Aan boord miste Johan de huiselijke gezelligheid, vooral op feestelijke dagen. ‘Onbegrijpelijk is de lust die ik heb deze dag te huis te zijn ten einde de verjaring van Antje’s geboorte mede te vieren. Hiervan echter verstoken zijnde ben ik genoodzaakt hetzelve in mijn eenzaamheid te doen en Ulieden benevens Antje met dezelve per pen te feliciteren’. Hij probeerde zijn gelukwensen zo te versturen dat ze Zwolle op tijd bereikten. Vanaf de andere kant van de aardbol feliciteerde Johan zijn vader en zijn moeder met hun verjaardagen en dronk hij een glaasje port op hun gezondheid. De verjaardagen van zijn jongere broers en zusters zaten minder vast in zijn geheugen, ‘den 20sten is immers die van Lize? buiten die zijn er geloof ik nog 3 jarig in October, maar de datums ben ik vergeten’, schreef hij openhartig.
In Zwolle werkten zijn zusjes aan Johans welzijn. Lize maakte voor hem een tafelkleed en Antje zorgde voor ingelijste tekeningen. De meisjes zoomden zijn dassen, voorzagen zijn zakdoeken van een monogram en breiden zijn sokken. Als tegenprestatie kopieerde Johan ‘een twintigtal romances, met accompagment van Guitaar’. De beurs waar Betje veel werk aan had gehad vond Johan allerliefst. De meegegeven bouillonkoekjes bleken een succes, het was een middel om scheurbuik te voorkomen. In de Stille Zuidzee sloeg de ziekte toe en Johan schreef naar huis: ‘de Chirurgijn Majoor er achter gekomen zijnde dat ik – nadat de kakkerlakken de helft hadden opgegeten – nog eenige bouillon koekjes had, vroeg mij om dezelven om ze aan de voornaamste of zwaarste zieken te kunnen geven, daar het toch op zijn langst slechts een dag of vier meer duren
Titelblad van een scheepsjournaal dat Johan Chr. van Haersolte minutieus bijhield: ‘Aanteekeningen gehouden aan boord Z.M. Fregat Maria Reigers-bergen onder kommando van den kapitein ter Zee F. Coertzen, op eene Reis uit de Nederlanden, langs de kust van Guinea, die van Zuid Amerika rond Kaap Hoorn en vervolgens door den Stillen Oceaan naar de Nederlandsche bezittingen in Oost Indië 1824 à 1826.’ (FA Van Haersolte, HCO)
kon tot wij verversing bekomen konden en ik nog geen teekenen van Schoorbuik vertoonde. Op 2 der zieken heeft mijn afstand de beste uitwerking gehad en ik ben gelukkig de geheele reis nog niet ziek geweest’.
Door een ongesteldheid van zijn moeder ontving Johan een tijd lang geen brieven. Onwetend dat het door zwangerschap werd veroorzaakt, verzocht Johan dat mocht het weer gebeuren een van de broers of zusters moest schrijven, ‘dat heb ik vrij wat liever als in het geheel geen tijding’. Blij en verrast vernam hij ‘de gelukkige vermeerdering der Famille’. Uit het schrijven van Lize maakte hij op dat ze buitengewoon in haar schik was met het broertje, dat ze naar hartelust kon kussen en ‘likken’. Ook de komst van een nieuw zusje hoorde Johan pas na de geboorte toen een kennis hem schreef dat de bevalling goed was verlopen en dat ‘alle famille in Zwol wel was’.
Johan had begrijpelijker wijze met zijn oudste broers en zusters het meeste contact, voor de kleintjes toonde hij evenwel belangstelling en moedigde hen aan goed hun best te doen. ‘Lieve Daantje en Betje!’ – schreef Johan – ‘Gij moet niet denken dat ik u vergeten heb, ten bewijze van dit zal ik u een klein briefje schrijven.’ Hij had gehoord dat ‘gijlieden zoo zoet zijt en gij zoo goed begint te lezen, als dit zoo is zal ik niet mankeeren u een klein presentje mede te brengen. Vergeet niet Agaat en Sanna te zoenen en zij, als zij goed leeren, ik hen ook eens schrijven zal.’ Hij vroeg zijn zusjes ‘de correspondentie helpen onderhouden, opdat ik arme sukkel geen zes weken zonder tijding blijve.’ Van Lize ontving hij, bij uitzondering, een goede brief en Johan vreesde dat in dit tempo ‘de 3 kwaterns van Lijs’ nog in geen twee jaar vol zouden zijn. Het meisje verwachtte wel antwoord van haar grote broer. ‘Nu moet ik Lijs ook nog eenige woorden schrijven, anders is zij boos’, besloot Johan een brief aan zijn ouders. Zijn antwoord bleef evenwel uit en hij herinnerde zijn zusje ‘aan Van Alphen “geduld, is zulk een schoone zaak”.’
Met zijn ouders deelde Johan de zorgen voor zijn broers Willem en Daan. Willem gaf gedurig aanleiding tot onaangenaamheden en met leedvermaak hoorde Johan dat Willem in Leiden geplaagd werd. Ze konden iemand daar ‘nog al tam krijgen’, had hij van een collega gehoord en dat zou hem makker maken. Groot was Johans verbazing toen hij hoorde dat Willem in hun nichtje Jeanette zijn toekomstige echtgenote zag, ‘ik had nooit gedacht dat Willem er een gevonden zoude hebben naar zijn keus. Ik geloof dat zij juist het tegenovergestelde zijn: Willem ongepolijst en ruw. Nicht daarentegen scheen mij eene zeer fijne of liever delecate opvoeding genoten te hebben, die zij mijns inziens zeer ten nutte gebruikte; daarbij is zij geloof ik bedaard. Heb ik dit regt? of niet?’ Enige jaren later trouwde Jeanette met een ander en Willem bleef vrijgezel.
Daan moest kiezen of hij ‘zeeman of landkrap’ wilde worden. Johan raadde hem af bij de marine te gaan zonder ambitie voor het vak te voelen, want dan ging het nooit goed. Hun vader bezorgde de jongen een plaats in de cavalerie bij Eindhoven. Ook daar bleef Daan problemen geven. Johan schreef Daan dat hij door moest zetten omdat ‘anders de zaak in de geboorte gesmoord’ zou worden. Daan gaf ook te veel geld uit en bleef ‘een rare seigneur’. Toen Johan hem na lange tijd ontmoette, herkende hij hem eerst niet, ‘de uniform, waar ik hem nog niet in gezien had, deed hier zeker veel toe’. Maar veel veranderd bleek Daan niet te zijn, de jongen was nog steeds veel te driftig. Johan meende dat zijn broer geluk had met zijn ‘sevère Kaptein’ die Daans financiën bestierde, de jongen onder de duim hield en hem vooral nooit gelijk gaf, ‘zoo het hem niet ten volste toe komt’. In de laatste maand van 1834 ontving Johan slecht nieuws over Daans gezondheid. ‘Met leedwezen heb ik uit de brief van Antje vernomen dat het met Daan minder gunstig was, als toen ik Zwolle verliet en, begreep dus dat Gijlieden welligt nog eenige dagen bij hem zoudt vertoeven’. Op 22 december schreef Johan: ‘Heden geene tijding van Antje gekregen hebbende, zoo maak ik daaruit op dat het met Daan niet slimmer is en, begrijp dus dat Gijlieden wel weder in Zwolle terug zult zijn of ten minsten spoedig komen.’ Maar Daan bleef ziek en overleed in Eindhoven op 30 december 1834.
Muziek
In het grote pand aan de Melkmarkt werd veel gemusiceerd. Zoals in alle huizen van goedgesitueerden was er natuurlijk een piano in huis, en muziek begeleidde Johan overal en altijd. Hij speelde fluit en kreeg les van ene Benedictus, hij probeerde op de citer te tokkelen en nam aan boord ook de gitaar onder handen. Het bespelen van dat instrument wilde Johan een tijdje proberen ‘om te zien of ik er progressen op maak; zoo niet dan leg ik ze onmiddelijk neer om geen tijd te verknoeijen en, mijn confraters aan boord, niet de geheele dag nutteloos met dat geknip lastig te vallen.’ Hij verzocht zijn vader aan Van Raai te schrijven om twee gitaren uit te zoeken ‘van verschillende middelbare qualiteit met schroeven en geene gewone sleutels zooals op de violen’, zodat hij kon kiezen. ‘Daar de meeste Guitaren in de hoge tonen valsch zijn, zoude ik gaarne hebben dat Papa hem goed op het hart drukte dat hij ze vooraf goed onderzocht, want dat ik anders de moeite maar heb om ze terug te zenden. Zoo ik hem zelf om die guitaren schrijf dan stuurt hij hetgeen hij kwijt wil zijn, en dan heb ik de last en de onkosten van het terugzenden, en als Papa hem schrijft zal hij hoop ik dit niet durven doen.’ Doordat het schip vroegtijdig vertrok schreef Johan haastig naar huis de aankoop te laten varen, hij zou proberen er onderweg een te kopen. Enige tijd later berichtte hij een geslaagde aankoop, de gitaar was goed van toon ‘maar, zonder mechanic, daar het een Italiaansch instrument is.’
Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. De familie Van Haersolte woonde in het derde pand van links, nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO)
Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis van 18241826 gemaakte schets, Stille Zuidzee. (FA Van Haersolte, HCO) Fragment uit het scheepsjournaal van Johan Chr. van Haersolte, 1824-1826. (FA Van Haersolte, HCO)
Op de schepen en aan de wal verzorgde Johan menige muziekavond, soms traden professionele musici op en soms speelden de jongens zelf. Hij verzocht in zijn brieven om bladmuziek met ‘solo’s van 1 fluit’ en met duetten voor twee fluiten, voor fluit en viool en voor fluit en gitaar, speciaal het duet van La Dame Blanche. Het liefst had hij ouvertures van opera’s. Op de Molukken bracht hij menige vrolijke avond door met het spelen van ‘eenige duetten of eenig ander muziek’, de een speelde viool, clarinet of fluit, de ander zong zeer aardig en speelde gitaar of piano forte. Op verzoek van de resident gaf Johan een obligaat op de fluit; het was een serenade voor fluit, viool en gitaar, en het viel zeer in de smaak. Op Malta had hij ‘eenige Liefhebberij concerten aan de wal gehad welke tot 1 uur ’s nachts duurden.’ Zelfs bij ‘wilde menschen’ in de Stille Zuidzee hoorde Johan muziek. ‘Zij hebben namentlijk een grootte kinkhoren, hiervan is de bovenste punt afgeslepen en door de daardoor ontstane opening blazen zij en maken de verschillende tonen, door de hand op of van het gat te nemen. Als men zulk een geluid ’s nachts hoorde, zou men verschrikken, zulk een geluid maken zij er meede; het heeft veel van ’t gebrul eener leeuw.’ Beter beviel hem het gezang van een vijftal Tirolers, vermoedelijk eenzelfde groep die ook in Zwolle opgetreden had. De ‘harmonie was overheerlijk’, maar ‘zoo men hun per individu beoordeelt, zoo is het niet veel. Ook is het veel te eentoonnig om het een heele avond achtereenvolgend te horen.’ Johan waardeerde muziek steeds meer. Naar zijn eigen zeggen omdat hij ‘nu eigentlijk voor ’t eerst in de gelegendheid was om er van te profiteren.’ In z’n eentje spelen vond hij niet zo aardig, maar met meerdere mensen musiceren en ook nog voor een belangstellend publiek beviel hem goed.
Ouderlijke hulp
Zonder de inzet van hun vader en diens sociale netwerk waren de carrières van Johan en zijn broers niet zo goed gelukt. Van nieuws over promoties en wijzigingen in de organisatie van de marine was Johans vader als een der eersten op de hoogte en hij bezorgde zijn zonen benoemingen en bevorderde overplaatsingen en promoties. Johans financiën verliepen via zijn vader, deze ontving Johans gage en betaalde daarvan aan Johan een jaarlijkse som van tweehonderd gulden, in de vorm van bankbiljetten, wissels of kredietbrieven. Soms was het onvoldoende en vroeg Johan: ‘Ik wilde gaarne weten wat Papa mij jaarlijks veroorloofd te trekken boven tractement’ waarna zijn vader hem weer uit de brand hielp.
Johans moeder zorgde voor volle manden, dozen en pakketten met levensmiddelen, kleding en linnengoed, papier, pennen en kaarsen. Johans kleding werd besteld bij ene Pass die de maten van Johan kende en zijn schoenen werden door schoenmaker Rijn geleverd. Johan was ontevreden over de kwaliteit van de laatste. Het hem toegestuurde horloge was ook al niet goed, het liep achter en dat kwam waarschijnlijk doordat zijn broer Anton het verkeerd had ingesteld. Aan zijn vader, die lid was van meerdere leesgezelschappen en van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen,8 vroeg Johan zeekaarten en boeken. ‘Zoo de reis van den Heer Troost van het Leesgezelschap is, wilde ik verzoeken of Papa die voor mijne rekening wilde kopen.’ Ook ‘het 2de deel van de Dagreizen van Baril-hal op de kusten van Z. Amerika’ dat door het leesgezelschap was verkocht, wilde Johan graag hebben en ‘indien er het Engelsche werk over het tuigen van schepen nog bij kan, dan verzoek ik dit ook.’ ‘Het volgende werk Géographie etc. de Malte Bruin van de Gratificatie’ stond eveneens op zijn lijstje, maar hij verzocht zijn vader hierover eerst eens met de onderwijzer en publicist Jan Antonie Oostkamp of andere deskundigen te spreken.
Belangstelling
Johan van Haersolte las serieuze boeken over geschiedenis en hij schreef over de leefwijzen en de gebruiken van vreemde volken. In Griekenland bezocht hij de koningsgraven in Mycene en kocht er antieke munten, op Malta bewonderde hij de graftombes van de Maltezer Ridders. Dat hij door het uitbreken van de pest weinig van Tripolis en Egypte zag, vond hij erg jammer. Hij waardeerde de natuur en een windstille warme nacht op zee gaf hem ‘eene onuitputbare stof tot beschouwing’. Van Jan Antonie Oostkamp, die onder andere over natuurkundige onderwerpen schreef,9 kreeg Johan een betoog cadeau dat handelde over de waarschijnlijkheid dat de maan en de planeten bewoond waren.
De oorlogssituaties waar Johan keer op keer mee in aanraking kwam, deden hem verzuchten: ‘Overal is er toch oorlog! Twist is overal bekend!’ Zelfs op een eilandje in de Stille Zuidzee. Hij schreef: ‘Deze bewoners van het eiland Nukahiwa zijn namentlijk verdeeld in 4 of 5 takken en voeren onderling oorlog. Diegenen die om de baai woonden, waar wij in geankerd lagen, hadden het te kwaad met het volk dat over de gebergten woonde, welke die baai omringden. Zij noemden die Tijpjes; als zij nu met varkens bij ons kwamen was hun geschreeuw: of tokkie, tokkie, dat is een bijl, of Pou Pou tijpie, Mattie, Mattie, dat beteekende kruid om Tijpjes te vermoorden’.
Verlof
Toen Johan bij Antwerpen en bij Den Helder voor anker lag probeerde hij regelmatig verlof voor een reis naar Zwolle te regelen. Maar de ene keer was de tijd te kort, de andere keer was de reis te duur, dan weer kon hij wegens gebrek aan collega’s niet gemist worden of werden alle verloven wegens de neemt niet weg dat ze mijn inziens goed zijn, daar het ligchaam onder dezelve continueel evaporeert’. Hij vroeg zich af of het hulpmiddel om de ziekte uit te zweten in Zwolle al bekend was.
oorlogsomstandigheden ingetrokken. Hij schreef Baai met fraai berg-
zijn ouders: ‘Hoe gaarne ik ook in Zwolle bij u landschap, schets door
zoude willen zijn, zoo verlang ik echter in de tegen- Johan Chr. van Haer
woordige omstandigheden geene non activiteit. solte, Stille Zuidzee.
Een verlof van 8 of 12 dagen zoude bijzonder aan (FA Van Haersolte,
genaam zijn, maar hier valt ook niet aan te denken.’ HCO)
Zelfs veertien dagen was ‘wat kort en kost evenwel
veel geld’. Johan en zijn broers deden hun best op
dezelfde dagen met verlof thuis te zijn en dat was
een onderneming die meestal mislukte. ‘Tegen dat
Mama nu berekent de famille compleet te huis is,
verzoek ik het mij te willen schrijven, om alsdan
ook te trachten verlof te krijgen’, deed Johan een
poging. Hij moest bij het ministerie een reden met
‘hooge noodzakelijkheid’ opgeven en die had hij
niet. Dat hij al heel lang niet thuis was geweest kon
de minister niet vermurwen. Ver van huis moest
hij zich tevreden stellen met ‘een glaasje holland
sche wijn, bij het licht eener hollandsche waskaars,
rokende hollandsche tabak uit eene gekregen hol
landsche pijp, snuivende nu en dan hollandsche
zinken snuif uit een in holland gekochte snuifdoos.’
Zo schiep hij de illusie toch een beetje thuis te zijn.
Den Doorn
Een verblijf op het buitenhuis Den Doorn, dat
aan de Vecht in de buurschap Haarst lag,10
lokte Johan zeer aan. Hij verheugde zich ‘met de
gedachten van in de nazomer buiten te zijn’. ‘Is
het water alles weg en zijn de weilanden al bruik
baar?’, informeerde hij geïnteresseerd. Hij vroeg
hoe zijn vader van de beesten was afgekomen en
hoe de slacht was uitgevallen en wat de grasver
pachtingen hadden opgeleverd. Hij wilde graag
weten wat Den Doorn aan vruchten opbracht en
hoe het met de vetwijderij van Antje ging. ‘Als
wij niet naar zee moeten, dan kom ik zeker voor
eenige dagen dit zomer op den Doorn’, beloofde
Johan zijn ouders maar hij moest zijn verlangen
naar een zomers buitenleven elf jaar opschorten,
pas na zijn zeemansleven kwam het er weer van.
De familie en vele vrienden brachten in de
zomermaanden veel tijd door op Den Doorn.
Alleen een naderende cholera-epidemie joeg de
familie – eigenaardig genoeg – terug naar de stad,
die toch een centrum van besmetting werd geacht
maar waar wel meer medische hulp te vinden was,
zoals Johan opmerkte. Er was ook meer stank dan
De havezate Den Doorn op het platteland want op het hoogtepunt van de
aan de Vecht te Haarst epidemie werden in de hele stad teertonnen in
in 1980. In de negen- brand gestoken, ook op de Melkmarkt, ter bestrij
tiende eeuw was het huis aanzienlijk groter. ding van de ziekte. De rook benam de bewoners en de passanten de adem.11 Johan schreef dat hij
(Uit: De havezaten in Salland en hun bewo ‘een zoogenaamde anti-cholera gordel van ƒ 12.-’ had aangeschaft. Hij was van mening
ners) ‘dat er capitalen op gewonnen worden, maar dit
De natuurproducten van het landgoed hadden Johans praktische belangstelling en ze werden hem – toen hij bij Den Helder voor anker lag
– vaak en gul toegestuurd, hoewel zijn vader het sturen van zulke dingen gekheid vond. Maar als zijn moeder aanbood hem iets te sturen liet Johan de gelegenheid niet voorbij gaan. Hij accepteerde volgaarne ‘een paar tongen, en een potje bessen of flamboze geleij’. ‘Het zuur en de appelen welke ik ontvangen heb zijn overheerlijk, maar voor de hazenooten schijnt het geen best jaar geweest te zijn. De druiven zijn ook goed overgekomen. De Oranje bloeisem heb ik op brandewijn gezet. Enfin, alles was lekker en goed.’ Hij verzocht zijn zusjes ‘vruchten in makerij’ en hij dankte voor de ‘overheerlijk smakende gekonfijte Citroenen’. ‘Antje zal de kleintjes wel weer koppertjes voor mij laten plukken en wat roode genever voor mij willen maken!’ De ‘bischop’ was ‘perfect wel’. De zuurkool en de ingezouten snijbonen waren ‘delicieus’, ook smaakte de ‘Zwolsche Saucis de Boulogne’ uitstekend. De koek was een beetje vochtig geworden maar toch lekker. Zeer welkom was een mand met groenten want de jonge groenten waren schaars en duur. Meloenen en komkommers, ‘beide iets nieuws voor hier’, waren een weinig aangestoken maar hij hield zich aanbevolen voor groenten of vruchten die een reis van twee dagen konden verdragen. De inhoud van een volgende mand was beter, de komkommers en de bloemkolen waren mooi. Op zijn beurt verzamelde Johan meloen zaden in de hoop dat ‘de broeierij’ op Den Doorn doorging.
Tabak en wijn
Mannen rookten graag en veel en Johan deed zijn best zijn vader en broers te verrassen met bijzondere rookwaren zoals ‘Curacaosche Cigaren’ en ‘echte Woodwill Havana Cigaren’. Turkse tabak en Turkse pijpenkoppen werden in Zwolle afgeleverd en Johan was nieuwsgierig naar de reacties. ‘Hoe bevalt dan die pijp aan Papa? Rookt Papa er uit? De gekorven tabak is voor dezelve en de andere behoort niet gekorven te worden, die moet aan stukjes gebroken worden en dan (de stelen er uit zoekende) in de pijp stoppen’. Zijn moeder schreef dat Anton en Willem veel van de tabak hielden, ‘maar roken zij die uit dat lange kerse-bomen houten roer en amber mondstuk of uit Hollandsche Pijpen’, informeerde Johan. Voor broer Willem had hij een bijzondere aankoop gedaan: ‘een waterpijp met 3 slangen en 2 pijpekoppen en de bijbehorende Turkse tabak en een barnsteenen of ambre mondstuk met eenige pijpekoppen.’ Het barnstenen mondstuk – onderrichtte hij – ‘is geen aangenaam roken daar men het op zijn Oostersch voor de mond moet houden en niet er in, daar het ook te dik voor is. Echter heeft het een groot voordeel, dat is dat men zonder voor aansteking van het een of ander bang te zijn, men de pijp kan lenen om te roken, hetgeen hier ook het gebruik is. De tabak moet zeer vochtig blijven en zeer los in de pijp gestopt worden.’
Steeds was er de onzekerheid of de waren op de plaats van bestemming arriveerden en of er geen water of een kakkerlak bijgekomen was of dat het schip niet aangekomen was. ‘Heeft Papa geen kisje cigaren gekregen van den heer van Heeckeren van Dasselaar op Overvelde bij Wijhe? Ik heb het reeds over de maand verzonden’, waarschuwde Johan en meldde dat hij – op zijn beurt
– de pijp had ontvangen en dat vooral de sigaren van Schaepman uit Zwolle goed bevielen.
De familie werd door Johan goed voorzien van wijnen, hij verscheepte hele vaten en vele flessen naar huis. Bij de consul op Menorca, een van de Balearen, bestelde Johan een vat droge witte ‘Catelogne wijn’, op Malta ‘Marescino’ likeur en van Sicilië kwam ‘Marcella wijn’. ‘Alba Flora Wijn’, ‘Malaga Muscaat’, en ook ‘eenige differente muskaat wijnen op flesschen’ vonden hun weg naar de Melkmarkt. De wijn op fust werd door zijn vader afgetapt en verdeeld.
Uitwisseling van nieuwtjes
Zolang Johan ergens op de wereldzeeën zeilde, keek hij uit naar nieuws van thuis. Een gedetailleerde brief van zijn moeder was hem zeer aangenaam nadat hij ‘eene geruime tijd buiten Zwolsche tijding was geweest’. Hij informeerde naar de concerten
en bals in de stad. ‘Men spreekt hier van een Bal in Door Johan Chr. van
Zwolle waar alles in Nationale Kleeding geweest Haersolte tijdens zijn
zoude zijn, de dames namentlijk. Is dit waar of is zeereis van 1824-1826
het een paskwil?’ Hij stelde honderd-en-een vra gemaakte schets. (FA
gen: gaf Groebel nog les aan huis en bleef Baudet Van Haersolte, HCO)
stads-schoolmeester? Wie volgde Randa als kapel
meester op en wie nam de plaats van Van Hobo
ken bij de Wener Zangers in? Waarom werd de
Sociëteit van Mühlman verkocht?12 Wie betaalde
de herbouw van het dak van de dertien jaar eerder,
in 1815, afgebrande toren van de OLVrouwekerk?
En hoe was de weddenschap van Van Bommel
afgelopen? Hoe was het met de boedel van Queisen
gegaan? En wie waren de erfgenamen van jufrouw
Van Laer en welke mevrouw Eekhout was overle
den? Was het de vrouw van ‘den Bankroetier’? De
oude Heer Van Voorst was dat dezelfde die ‘nu en
dan stapel was?’ En hoe was het met die twee broers
Van Hekeren afgelopen, die met die hark gevoch
ten hadden? De problemen tussen de dominee en
zijn gemeente volgde Johan zo goed mogelijk en
concludeerde dat de Zwolse gemeente met schade
en schande wijzer was geworden en een betere
dominee had gekregen. ‘In wien zijn plaats is hij
gekomen?’ In plaats van de op 11 februari 1829
overleden dominee Wernardus Tineken? Helaas
zijn de brieven van zijn ouders – met de antwoor
den op alle vragen – niet bewaard gebleven.
De torenbrand in de Peperbus, 12 januari 1815. (Uit: De Vries, Geschiedenis van Zwolle)
Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis van 1824-1826 gemaakte schets van een Javaan. (FA Van Haersolte, HCO)
Johan ploos de Haarlemmer Courant uit op
zoek naar berichten uit Zwolle. De dood van Cornelis Pannekoek, lid van de Raad van Zwolle, had
hij ‘zoo op ’t ogenblik uit de Courant vernomen’. Hij las dat dominee Jorissen ‘voor deszelfs beroep naar ’s Hage bedankt heeft’ en dat mevrouw Stibbe in de kraam lag. Al kreeg hij geen brieven van thuis, ‘zoo weet ik toch wel Zwolsch nieuws’, schreef hij en vertelde dat De Kof met kapitein De Werd uit Zwolle was uitgezeild en dat de schipper aan boord op het punt stond te trouwen met een meid die bij Foreez, aan de Nieuwmarkt, gewoond had; ‘zij kende mij voort aan ’t gezicht’. Naast de brieven en de krant hoorde Johan ook Zwols nieuws van zijn oom Hora Siccama die hij soms in een haven van de Middellandse Zee trof. Maar het meeste nieuws uit Zwolle hoorde hij van zijn collega De Bruijn, die hij in vrijwel elke haven ontmoette. Deze De Bruijn was waarschijnlijk eveneens uit Zwolle afkomstig, de families Van Haersolte en De Bruijn waren bevriend.
Zijn ouders lazen in Johans brieven veel nieuws over zeevarende familie en stadgenoten. Neefje Tengnagel maakte het wel en neef Bouricius had zich ‘capitaal gedragen’ in het Sluische Gat. Van der Wijck ging de Marine verlaten, hij had gevraagd om bij de artillerie geplaatst te worden. ‘Hij heeft groot gelijk dat hij nu zijne carrière verandert. Evenwel had ik nooit (in zijn plaats) militair gebleven. Hij zal spoedig berouw hebben. Ik weet niet of de Ouden Heer het nog geheim wil houden en verzoek dus hiermede voorzichtig te zijn tot als het gedecideert is’, waarschuwde hij. Een andere keer schreef hij: ‘Mama rappeleert zich nog wel Thierrij die bij den Heer Goudoever aan huis was en doorging voor zeer ondeugend, voor zoover ik mij rapelleer. Deze is thans 2e Luitenant bij de Marine en is gedecoreerd.’ ‘De Vader van Prinsen’ – berichtte Johan – ‘welke bij Clignett aan huis geweest is, is dood, en zijne moeder is hertrouwd en woont tegenwoordig te Sourabaaij. Hier wonen twee Clignetts en, als ik het wel heb, zijn het neven van Mevrouw Clignett in Zwol.’
In Soerabaja deed zich een onverwachte ontmoeting voor: ‘Ik ging in een Societeit, denkende dat het een koffijhuis was, doch binnen komende kwam er een Heer naar mij toe die vroeg of hij mij introduceeren mocht – hieruit begreep ik dat het een Societeit was – waarop ik dit zeer vriendelijk aanbod aannam. Nauwelijks had ik mij neergezet of genoemden Heer vroeg of er geen Haersolte op de Maria Reigersbergen was, waarop ik hem antwoordde dit zelf te zijn. De genoemde Heer heet Fix, Deurwaarder, gezworene exploteur, voorlezer en koster; hij zeide dat hij in het jaar 1814 bij ons ingekwartierd is geweest en dat alstoen het geheele huisgezin buiten logeerde; hij logeerde in de zoogenoemde Gouverneurs kamer; tegenover de kamer daar hij logeerde was eene groote kamer in derwelke een piano stond, onder de Piano stond een muziek kastje, waar onder anderen dat van Pompernikel in lag, welk stuk hij dikwijls speelde; hieruit zag ik dat hij waarheid sprak. Hij is een Groninger, speelt een zeer goede fluit en verscheidene andere instrumenten.’
Natuurlijk berichtte Johan ook over de mislukkelingen in Oost-Indië: over neef De Groot die ‘mottig en mager’ was, over neef De Vaijnes van Brakell die berucht was, er liederlijk uitzag en niets uitvoerde en over een verre neef Van der Duin, een ‘dendi manqué’ en een ‘baantjes gast’.
In Batavia logeerde Johan bij een heer en mevrouw Thorbecke. De heer Thorbecke had in Oost-Indië zijn grootste rol gespeeld nadat diverse van zijn wissels in Holland waren geweigerd, ‘hij is dan ook reeds opgeroepen om zich te verantwoorden, doch met die verantwoording zou het zeer slim gesteld zijn’, zo werd verteld. De zaken van de heer Tengnagel waren al op een faillissement uitgelopen, zijn weduwe had de boedel geweigerd en moest van een klein pensioentje zien rond te komen.
Artikelen voor thuis
De familie van Johan maakte van de geboden gelegenheid gebruik buitenlandse waren aan te kopen. Voor de heren waren dat voornamelijk drank en rookwaren, de dames bestelden stoffen, sieraden en geurflesjes (rozen en jasmijn) en Johans moeder wilde twee tapijten hebben uit Smirna. Vanuit de Middellandse Zee ontving de familie vijgen en olijven, verse Sultana’s en andere rozijnen. Zijn zusters kregen ‘Belletjes en Colliers’. Uit Texel verzond Johan twee vaatjes oesters ‘van differente soorten’ en hij was tevreden dat ze de familie goed hadden gesmaakt, ‘indien ze meer verlangt worden moet Papa maar schrijven’.
De kostbare flesjes rosenolie geurden al zonder ze open te maken, als ze maar eventjes in de handen werden genomen. De familie rook evenwel niet veel en Johan onderwees: ‘De roze olie mag wel open gemaakt worden maar dan is het eene zeer digoutante lucht. Ik kan mij niet begrijpen dat ze niet genoeg ruikt. Men kan er geen kamer mede parfumeren zonder ze open te doen, dat is zeker, maar in een werkdoosje of in de hand gaat dit wel. In de zon leggen dan zullen de flesjes spoedig leeg zijn’. In een volgende brief vervolgde hij: ‘Wat aan de rose olie ontbreekt weet ik niet, maar als er geen reuk aan is als het vloeibaar in ’t flesje is zonder hetzelve open te doen, dan is zij het bewaren niet waard, dan ben ik bedrogen’. Hij had een flesje tussen zijn linnengoed gelegd en de hele kast rook er naar. In Zwolle had men inmiddels begrepen hoe de rozenolie het beste geurde zodat Johan tevreden vaststelde dat de rozenolie zeer naar zijn zin werd gebruikt. ‘Dat er nu reuk aan is en voortijds niet’ was hem een raadsel. Een ander product waar veel over gediscussieerd werd waren ‘Pastilles’. Johan struinde in Smirna
Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis gemaakte schets van een Javaan. (FA Van Haersolte, HCO) Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis gemaakte schets van een palmkust, Stille Zuidzee. (FA Van Haersolte, HCO)
vergeefs de bazar af op zoek naar snoeren ronde zwarte pastilles, men vertelde hem dat de pastilles door het dragen vanzelf zwart werden. Omdat hij zich niet meer herinnerde welke maat hij een vorige keer had gestuurd, pakte hij grote en kleine in, wat nog een kunst op zich was. ‘Ik heb zorg gedragen dat dezelve ongesuikert aan zullen komen en de Pastilles voor den Heer Spengler heb ik in een doosje apart gedaan, ten einde ze niet weer naar de tabak stinken. Ik zal eindelijk het inpakken wel leren’. Hij was nieuwsgierig te horen hoe ‘Mevrouw en Mijnheer Spengler’ de pastilles bevielen.
Speciaal voor de dames ontpopte Johan zich tot een kenner van zijde. In Smirna was ‘gewaterde zijde voor kleedjes’ in allerhande kleuren te koop. De lappen waren ongeveer van gelijke grootte en uit elk stuk konden twee japonnen gemaakt worden en hij gaf de maten bij benadering op. ‘Nu kan Mama zelfs opmaken of zulk een stuk genoeg is voor twee Japons, zoo niet dan verzoek ik, indien de zijde bevalt, het getal oude of nieuwe Ellen op te geven die er voor een kleedje nodig zijn. Men is niet verplicht een heel stuk te nemen’. Hij stuurde vijf kleurstaaltjes op, ‘zoo echter de kleuren niet bevallen, weet ik niet beter als de kleur die begeerd wordt op een stukje teken papier in een brief over de Post mij te doen geworden’. ‘Wat het wateren der zijde aangaat kan men niet op deze staaltjes rekenen, daar de meesten van het staal oud zijn en andere dikwijls door de vingers gegaan en smoezelig geworden zijn. Het eene stuk is meer en het andere minder gewatert.’ Voor Tengnagels moeder had Johan een stuk donker blauwe zijde gekocht. Mevrouw Tengnagel liet er een japon van maken die haar zeer goed beviel. Maar de zijde beviel mevrouw Van Haersolte niet en Johan begreep niet waarom.
Haar verzoek om porselein liep ook op een teleurstelling uit, Johan schreef zijn moeder: ‘Nu eens over het Porcelijn. Hoe of iemand vertellen kan dat Smyrna het Porcelijn-land is weet ik niet, maar ik kan u verzekeren dat er geen porcelijn te krijgen is als met veel moeite en zonder merken. Al het aardewerk etc. wordt van Engeland alhier ingevoerd.’
Het rariteitenkabinet aan de Melkmarkt
Johan stuurde vele onbekende producten naar huis. In Zwolle werden sieraden van de inwoners van Polynesië, gemaakt van boontjes en botten, afgeleverd. De ‘nageldoosjes’ die van kruidnagelen waren gemaakt kwamen uit Oost-Indië. Hij zag er ook een prauw van kruidnagelen, ‘Papa zal zich nog wel dat prauwtje herinneren, dat wij bij den Procureur Schonk in den Haag gezien hebben, nu zoo maakt men ze hier ook. Ik heb een paar mandjes en een pennenkoker mede gebracht, maar geen prauw want daar moest men 30 of 40 ropijen voor afschuiven.’ Hij nam ‘extra mooie hoorns en schelpen’ mee en kocht een sprekende kakatoe. Voor zijn vader zette Johan een slang op jenever en een door hem gevangen haai zette hij op arak, van de ‘ruggestreng’ van de haai liet hij een wandelstok maken. Zo vulde het huis aan de Melkmarkt zich met buitenissigheden van over de hele wereld, waar bezoekers zich aan konden vergapen.
De collectie werd aangevuld met beschrijvingen en tekeningen. Johan beschreef een zeeleeuw als volgt: ‘Dit dier gelijkt veel op een zeehond, zijn buik is juist zooals die van eene grootte haai, maar zijn kop is juist zooals die van een leeuw. Hij heeft maar twee vinnen – zooals ik ze noem – hoewel zij meer gelijken op een arm zonder huid en met deze twee vinnen zwemt hij.’ Hij deed uitgebreid verslag van een stierengevecht dat hij in Spanje bijwoonde. Hij noteerde de samenstelling van het Egyptische leger, hij beschreef een audiëntie bij de Griekse koning en de veldslag bij Navarino op de Peloponnesos in 1827 en maakte nauwgezette positietekeningen van diverse havens.
Hoewel Johan de tekenlessen die bij zijn opvoeding hoorden weinig gewaardeerd had, pakte hij tot verbazing van zijn moeder op reis pen en penseel weer op, naar eigen zeggen geïnspireerd door een collega. Op zijn tekeningen konden de Zwollenaren zien hoe een getatoueerde krijger uit Polynesië er uit zag en welke klederdracht men op Java en in Griekenland droeg. De rotsen van Dover en de palmeneilanden van de Stille Zuidzee tekende Johan natuurgetrouw uit. Soms stuurde hij schetsen naar zijn zus zodat zij ‘er wat fleur en geur’ aan kon geven.
De gehele collectie vormde een impressie van Johan van Haersolte’s verre reizen, die hij zorgvuldig koesterde en voor het nageslacht bewaarde. De meegebrachte voorwerpen zijn niet meer te traceren, maar de overige herinneringen – de brieven, de reisverslagen en de tekeningen – zijn bewaard gebleven.
Noten
1. De informatie voor dit artikel is – tenzij anders aangegeven – afkomstig uit door Johan van Haersolte geschreven brieven en reisverslagen. Transcripties hiervan zijn uitgegeven als: M.L. Hansen, (ed.), Perrokieten en papagayen, papaijers en pisangs. Een reis om de wereld 1824-1826, Overijsselse Handschriften 21, Epe 2007. M.L. Hansen, (ed.), Schouwspelen. Een reis naar de Middellandse Zee 1834, Overijsselse Handschriften 22, Epe 2007. M.L. Hansen, (ed.),
Het anker wordt geligt. Brieven vanuit de hele wereld van J.C. baron van Haersolte 1824-1834, Overijsselse Handschriften 23, Epe 2007
2.
HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199
3.
Zie: M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De huwelijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duitsland, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse Handschriften 11, Epe 2002
M.L.
Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002), 62-72
M.L.
Hansen, ‘Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder. Geertruid Agnes barones
van Haersolte, 1813-1874’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 24 (2007), 49-61
4.
HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 145, 146 en 155
5.
Nu Grote Markt 12-13
6.
M..L. Hansen (ed.), Bankroet. De ondergang van Johan Willem Simon van Haersolte, 1810, Overijsselse Handschriften 9, Epe 2001, brieven 35, 54 en 113
7.
HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199
8.
J. Brouwer, Lezen en schrijven in de provincie. De boeken van Zwolse boekverkopers 1777-1849. z.p. 1995, 237-238
9.
J.C. Streng, Zwols Biografisch Woordenboek. Een draagbaar mausoleum, Hilversum 2004, 190-191
10.
A.J. Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Salland en hun bewoners, Alphen aan de Rijn 1983, 421-429
11.
P.J. Lettinga, ‘Cholera in Zwolle’, in: Zwols Historisch Jaarboek, 1984, 42-69
12.
De reden van de verkoop is niet bekend maar in het pand waar sedert vele jaren sociëteit werd gehouden werd na de verkoop in 1828 de sociëteit De Harmonie gevestigd (W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle, Zwolle 1890/1973, 17)
Getatoueerde krijger uit Polynesië, geschetst door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis van 1824-1826. (FA Van Haersolte, HCO)
Zwolle in 1960
Jan van de Wetering
T
waalf jaar was ik, bij het prille begin van de jaren zestig. Een jongetje nog. Ik zou er later met enige regelmaat aan herinnerd worden: ‘Jij bent dus opgegroeid in de jaren zestig.’ De roemruchte jaren zestig, is de achterliggende boodschap. Ik kan het niet ontkennen. Op een of andere manier ben ik door die jaren getekend, want of je het wilt of niet, ieder mens is, hoe verschillend ook, een beetje een kind van zijn tijd. Maar wat wil dat zeggen? Nu het stof van die geschiedenis enigszins bezonken is, merk ik dat die jaren zestig bij mij, maar ook bij veel anderen, verschillende beelden oproepen. Een bevrijdende tijd, als je in termen van het doorbreken van traditie en taboes wilt denken. Maar op die leeftijd was ik mij van geen taboe of traditie bewust. Een desastreuze tijd, waarin de eerste stappen werden gezet naar de ongeremde ontplooiing van het ik, waarvan we nu – in mijn opinie – de wrange vruchten plukken. Maar ook dat besefte ik toen niet. Net zo min als ik een scherp beeld heb van de tijd waarin ik nu leef. Wij schrijven met reden onze geschiedenis het liefst achteraf.
En dat is wat ik hier en in de volgende afleveringen van het Zwols Historisch Tijdschrift wil doen. Wat gebeurde er – bezien met de wijsheid van nu – in jaren zestig in Zwolle? Ja juist in Zwolle, die wat slaperige provinciestad, en niet in Amsterdam, ‘waar het toen allemaal gebeurde’, zoals menigeen zegt. Mijn verwachting is dat de veranderingen hier trager gingen en met een minder fel gezicht. Wat was de tijdgeest, wat waren de gebeurtenissen die de stad en haar bewoners zouden veranderen? Een historisch onderzoek is het allerminst. En mijn waarnemingen zijn niet die van een socioloog, maar van een nieuwsgierige. Ik laat me meedrijven met het nieuws dat toen zes dagen per week aanspoelde op de bladzijden van de Zwolse krant. Of zoals die krant toen voluit heette de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Dit alles in de hoop dat er ooit een gezaghebbende studie naar deze ook voor Zwolle boeiende jaren zal worden gedaan.
De stad gaat op de schop
Zwolle had zichzelf aan het eind van de jaren vijftig wakker geschud, de stad moest mee in de vaart der volkeren. Industrie moest er komen en daarmee werkgelegenheid en economische voorspoed. En als er toch een universiteit in het oosten van het land nodig was, waarom dan niet in Zwolle, de grootste stad van Overijssel en bovendien centraal gelegen. Tijd ook om de oude kleren waarin de stad zich hulde, te vervangen. De binnenstad, maar ook wijken als de Kamperpoort en Dieze vertoonden sleetse plekken. Krotten stonden er, waar je maar keek. Opruimen en er betere woningen voor in de plaats zetten, was de boodschap. Zwolle was zich er goed van bewust dat het op 1 januari 1960 op de drempel van een nieuwe tijd stond.
Maar – en zien wij hier een typisch Zwols trekje?
– de noodzakelijke veranderingen gingen zo traag. Het was de centrale boodschap van de traditionele nieuwjaarswens van Thomasvaer en Pieternel op 1 januari. Ook in 1960 werd die weer op rijm uitgesproken tijdens een bijeenkomst in Odeon. De tekst was van Willem van der Veen (hij publiceert nog regelmatig in het Zwols Historisch Tijdschrift) en werd door twee Zwolse acteurs uitgesproken in Odeon. Thomasvaer memoreert dat Zwolle een stad van allure wil worden. Den Haag wees Zwolle niet voor niets aan als ontwikkelingskern. Nu nog de daad bij het woord voeren zegt hij:
‘Een plan van de hoge Haagse heren
Om de industrie in Zwolle te stimuleren,
Let wel, het is maar een stimulans
Aan Zwolle de eer om te grijpen die kans.’
De krotopruiming gaat volgens Thomasvaer en Pieternel in een Zwols tempo. Het voor de financiering van de sloop en wederopbouw opgerichte Krotopruimingsfonds dreigt in het vergeetboek te raken. Maar dat is schijn, want het fonds, dat de naam draagt van oud-burgemeester jhr. Strick van Linschoten, wordt in die eerste maanden van 1960 nieuw leven ingeblazen. Regelmatig verschijnen advertenties in de krant waarin de Zwolse burgers wordt verzocht een financiële bijdrage te leveren. Blijkbaar was de schatkist van de stad niet goed genoeg gevuld.
In de nieuwjaarswens wordt ook gewaarschuwd voor ongebreidelde bomenkap in Zwolle. Er zijn plannen voor de kap van bomen langs de Wezenlanden en in de Veerallee ging de bijl er al in. Thomasvaer zegt daarover:
‘Sinds zij daar cru met geweld zijn geveld,
Staat men over breedte en kaalheid versteld.’
Tijdens de nieuwjaarswens is al iets van de komende nieuwe tijdgeest in Zwolle zichtbaar, al was men zich dat niet bewust. Pieternel klaagt over de Zwolse jeugd en over ‘de nozemrel’ die zich het afgelopen jaar voordeed. Volgens Thomasvaer loopt het zo’n vaart niet, alhoewel er blijkbaar klappen vielen:
‘Nou zeur dan niet over dat beetje sensatie,
Anders raak je bij ’t jongvolk uit de gratie;
En ook voor de politie was ’t een festijn.
Ze hoefden niet karig met klappen te zijn.’
Nozem
De lezers van de Zwolse krant maakten in 1955 voor het eerst kennis met het modewoord ‘nozem’. Op 31 augustus van dat jaar krijgen de lezers uitleg over wat nu precies een nozem is: ‘Iemand met peau de suède schoenen met hoge zolen voor het swingen, met opgevulde schouders in de jasjes, met zwarte dassen en met veel ringen aan de pinken.’ Eind jaren vijftig, begin jaren zestig moet het woord voor de modale Zwollenaar een negatieve bijklank hebben gehad. Met regelmaat bericht de krant over rellen met nozems in binnen- en buitenland. De politie moet eraan te pas komen om ze in toom te houden. Maar afgezien van het in de nieuwjaarswens vermelde incident in1959 blijft in Zwolle alles nog bij het oude. Wel noemen zes scholieren van het Christelijk Lyceum en van de Handelsschool zich Zwolse ‘nozems’, tijdens een inzamelingsactie voor een diaconessenziekenhuis in Suriname. De aanhalingstekens zijn een knipoog van de Zwolse krant: de lezers moesten vooral niet denken dat het hier om echte nozems ging.
Na nieuwjaarsdag 1960 ging het leven in Zwolle met nieuw elan van start. Een elan dat onder woorden werd gebracht door een nieuwe burgemeester. Jhr. Strick van Linschoten was op 1 januari met pensioen gegaan en werd op 28 januari opgevolgd door J.A.F. Roelen, daarvoor burgemeester van Delfzijl. Bij zijn installatie liet zijn ambitie niets aan duidelijkheid te wensen over:
‘De fase van belangrijke en noodzakelijke industriële expansie waarin ons land na de oorlog is geraakt, kan Zwolle niet alleen niet onberoerd laten, nee, wanneer er één stad is, die gezien zijn vele mogelijkheden een nationale plicht heeft om deze mogelijkheden gul ter beschikking te stellen, is het ongetwijfeld Zwolle. Een stad, met alle voordelen van een stedelijk milieu ten aanzien van traditie, cultuur en sociaal leven, maar gelukkig zonder het beklemmende van de mierenhoop van de “grootstad”. Een stad die als het ware gereed ligt om het onvermijdelijk openbarsten van de overbevolkte Randstad Holland op te vangen.’
De Zwollenaren konden hun borst nat maken, want één ding was duidelijk: Zwolle ging op de schop.
De Roopoort
D
e Roopoort vormt de verbinding tussen de Burgemeester van Roijensingel en de Parkstraat. Vanaf de singel is de weg alleen maar toegankelijk voor fietsers en voetgangers. Onlangs werd een aantal nieuwe woningen opgeleverd aan de Roopoort. Een van de eigenaren vroeg zich af hoe de Roopoort aan zijn naam gekomen was. Daar wordt in dit artikel nader op ingegaan. De geschiedenis van de Roopoort gaat zeker drie en een halve eeuw in de tijd terug.
Buitenwonen
Op de kaart van Joan Blaeu, die uit circa 1650 dateert, zien we ter hoogte van het bolwerk De Suikerberg (waar nu de Potgietersingel ligt), aan de overkant van de stadsgracht een weggetje lopen. Dit weggetje begint op het punt waar de singel met een dubbele rij bomen beplant is. Het weggetje loopt vanaf de stadsgracht haaks naar links en vervolgens naar rechts. Het volgt daarmee exact de huidige loop van de Roopoort en de Westerstraat. Deze namen waren uiteraard destijds nog niet bekend.
Het gebied rond dit weggetje was nog onbebouwd. Om de stad lagen uitgestrekte landerijen. Blaeu heeft dat aangegeven door hier en daar een koe in te tekenen. In de achttiende eeuw veranderde de situatie. De binnenstad raakte vol. In de voorsteden voor de Diezerpoort (Nieuwstad), voor de Kamperpoort en voor de Sassenpoort
Wim Huijsmans
De Roopoort met rechts drie nieuwe huizen, maart 2010. (Foto Jan van de Wetering)
(Assendorp) vond toen de meeste nieuwbouw plaats. Omdat er geen vaste oeververbinding was vanuit de Luttekestraat naar de (huidige) Burgemeester van Roijensingel, bleef bebouwing aan deze zijde van de stad aanvankelijk achterwege. Komende vanuit de Luttekestraat kon je de stadsgracht alleen maar oversteken met een pontje, het zogeheten Luttekeveer.
Aardse paradijzen
In de achttiende eeuw woonden welgestelde families ’s winters in de stad en zomers op hun buiten. Rond Zwolle stonden tal van havezaten en buitenplaatsen. In de Kamperstraat, de Koestraat en de Bloemendalstraat bezaten veel adellijke en vermogende families een stadshuis dat in het voorjaar verlaten werd. Met het personeel vertrok men in april om pas in het najaar terug te keren. In de zomer genoot men van het landleven en van de natuur. In de vaak prachtig aangelegde tuinen ontving men gasten in prieel of tuinhuis om van gedachten te wisselen over politieke onderwerpen of gezellig bij te praten. Uitgebreide wandelingen werden gemaakt en men genoot van de ongerepte natuur. Vaak bleven de gasten ook enkele dagen logeren. Zo ook bij Rhijnvis Feith, die zodra het weer in het voorjaar het toeliet, op Boschwijk (aan de weg naar Heino) verbleef. Het werd hem soms wel eens te druk met al die gasten, want hij had zelf ook een groot gezin. Feith en zijn vrouw hadden namelijk negen kinderen. En zo groot was Boschwijk nu ook weer niet. Aan dezelfde weg naar Heino, op de hoek van de toenmalige Water-steeg (nu Kuyerhuislaan), lag ook het buitentje Landwijk van de familie Gelderman, dat omschreven werd als een ‘aardsch paradijs’.1
De gegoede burgerij in de stad probeerde het leven van de rijken na te volgen. Zij hadden meestal ook een aanzienlijk huis in een van belangrijkste straten van de stad, maar niet het vermogen om een tweede huis op het platteland te kopen. Het lag wel binnen hun financiële mogelijkheden om buiten de stadsgrachten ergens een stukje grond te kopen. Daar werd dan een tuin van gemaakt en een tuinhuisje neergezet.
Dit fenomeen deed zich in heel Nederland voor. Rond de steden lagen vele tuinen en lusthoven met idyllische namen. Weg van de drukte en de zomerse benauwdheid van de grote stad was het in de lusthoven heerlijk toeven. De zinnen werden geprikkeld door kleurrijke en welriekende bloemen. Het gezang van de vogels was er betoverend. Vele dichters hebben de lusthof beschreven zoals Hildebrand (N. Beets) in zijn Camera Obscura. In het verhaal over de familie Stastok zit Hildebrand in een prieel te lezen en praat hij over vroeger. Willem Bilderdijk bezong de lusthof op lyrische wijze in het volgende gedichtje:
‘In dien lusthof bloeit de vreugd
in omarming van de deugd,
strooit heur zilvren bloesembladen
op met thijm gevloerde paden,
waasemt heil en wellust uit.’
Lust in de hof
In het gebied, dat zich globaal uitstrekte tussen de huidige Van Karnebeekstraat en de Willemsvaart, kochten vermogende burgers aan het begin van de achttiende eeuw een stukje grond en lieten daar een tuinhuisje opzetten. Zat men goed in de slappe was, dan nam men een tuinman in de arm om er een mooie tuin aan te leggen met een tuinhuisje. Evenals de zeer rijke families, die het genot op hun buitenplaatsen zochten, beleefde de gegoede burgerij plezier in hun eigen lusthof, die op loopafstand van hun woning gelegen was. Ook zij ontvingen daar vrienden en gasten. Er werd over alledaagse zaken gesproken of over actuele politieke onderwerpen. Er werd een pijpje gerookt en een glas wijn gedronken. Aan het eind van de dag wandelde men dan – al dan niet vast ter been
– weer naar huis om de nacht binnen de poorten van de stad door te brengen. Als de poort gesloten was, kwam men er niet meer in, behalve tegen betaling.
Het tuinhuis of de hof was voor jonge mensen een aangename plek om elkaar beter te leren kennen. De romantiek vierde er hoogtij. In de beslotenheid van de hof werden aardige en lieve woordjes gewisseld, die uiteindelijk konden leiden tot een echtelijke verbintenis. Het tuinhuis was ook de plek waar Willem la Clé de herenliefde bedreef. Rond 1780 had hij een hof met een tuinhuisje buiten de Diezerpoort waar tegen de avond jonge heren niet alleen voor een glas wijn en een pijpje tabak werden uitgenodigd. Hij werd voor zijn wellustige en ‘infame’ handelingen zwaar gestraft.2
Vereniging van eigenaren
Rond 1750 bezat een aantal burgers van Zwolle enkele hoven en landerijen in het Klein Wezen-land, die te bereiken waren via een kleine poort. Dat poortje stond aan de ingang van een weggetje, dat later de naam kreeg van Roopoort omdat die kleine poort waarschijnlijk uit rode baksteen was opgebouwd en bedekt met rode dakpannen. Ook de levering van rode verf in latere tijd geeft wel aan dat de poort rood van kleur was. Dit poortje – het was van geringe omvang – werd in 1722 voor het eerst genoemd. Uit 1751 is een document bewaard gebleven waaruit blijkt dat de poort hoognodig gerepareerd moest worden. Het luidt aldus:
‘Vermids de poorte voor de gang na [= naar] de Hoven en Landen in de Kirmerije agter de Gelderse Toren zederd enige tijd vervallen en eindelijk geheel is weg geraakt, en zulks tot merklijk nadeel en onvrijheid van die Hoven en Landen is strekkende; zo hebben de geinteresseerdens geresolveerd [= besloten] daar ter plaats wederom een nieuw poorte te doen zetten, verbindende zig jeder zijn aandeel daar toe te betalen volgens de aaloude usantie [= gewoonte] zo ras dezelve zal wezen gemaakt, en hebben tot het bezorgen [= zorgen dat het ook gebeurt] van dien verzogt de mede geinteresseerde de Heer D.H. Rietberg. In kennisse van waarheid hebben de geinteresseerdens deze getekend. Zwolle, 3 junii 1751.’ Dan volgen de namen van Derk Hermen Rietberg, Geertruid Roijer, Henrik Hakvoord, J. Dumpel, E. van Muijden, Ida Weijenberg en J. van Hattum.3
Er was dus sprake van een soort vereniging van eigenaren, die hun bezit in de Kirmerije voor derden hadden afgesloten met een poort. Via deze poort, gelegen aan de singel, kon men de hoven en landen bereiken. Met de Kirmerije, ook wel Kiriwerie genaamd, werd het gebied aangeduid tussen de stadssingel en waar nu ongeveer het station ligt. Aan het eind van de achttiende eeuw kwam een groot deel van dit gebied in het bezit van het
Hervormd Weeshuis en kreeg het de naam Klein Detail uit de platte-
Wezenland. Met het Groot Wezenland werd het grond van ‘Swolla’ van
eigendom van het weeshuis aan de oostzijde van Joan Blaeu, circa 1650.
de stad aangeduid. De Kruidtoren stond aan het Het weggetje waar
eind van de Luttekestraat aan de stadsgracht. tegenwoordig de Roo-
De poort was aan vervanging toe en de gezamen poort loopt is omcirkeld.
lijke eigenaren beloofden plechtig dat ieder zijn (Collectie HCO)
deel zou betalen. Rietberg was degene van de
‘geinteresseerdens’, die erop zou toezien dat het
werk werd uitgevoerd en bij wie de rekeningen
konden worden ingediend. Van de ondertekena
ren behoorden er drie tot families die op bestuur
lijk gebied in Zwolle de lakens uitdeelden en zeer
goed bij kas waren (Roijer, Van Muijden of Mui
den, en Rietberg). De overige vier waren ook niet
onbemiddeld. Van Hattum was advocaat en de
vader van Burchard Joan van Hattum, de schrijver
van Geschiedenissen der stad Zwolle, 1767-1775,
en mevrouw Weijenberg bezat twee panden aan
de Grote Markt (waar nu de Harmonie staat).
Van de ‘geinteresseerdens’ van de Roopoort
is een aantal archiefstukken bewaard gebleven. In
1767 werden zij opnieuw opgeroepen voor een
gezamenlijke vergadering op het Refter aan het
Bethlehems Kerkplein. Andermaal was het hoog
nodig dat de ‘poort weder wierde hersteld en voor
vorder verval bevrijd, opdat niet geheel weg rake,
Rekening van J. Gijswijt voor in het jaar 1800 geleverde smidswaren, onder meer hengsels, krammen, nagels, platen en twintig dakpannen. Het opschrift luidt: ‘Per ord[r]e Mons(ieur) H. Engeler voor de erven Aan De Rode poorte voor de steeg in Het Weezenlant Deb[e]t aan
J. Gijswijt.’ De rekening is voldaan in februari 1801. (Collectie HCO)
tot merkelijk nadeel en onvrijheid van de hoven en landen.’ Onder de opgeroepenen stonden nu ook de namen van P.T. Goltz en R. van Sonsbeeck, beiden lid van het Zwolse stadsbestuur.
Het is jammer dat van dit gezelschap, dat de Roopoort in stand wilde houden, slechts weinig archiefstukken bewaard gebleven zijn. Het laatste stuk dateert uit 1828. Tussen de stukken zitten vele kwitanties voor onderhoud van de poort. Om de zoveel jaar moesten de hengsels worden vermaakt of werden er nieuwe grendels geleverd. Het aantal krammen, spijkers (‘nagels’) en boutjes werd op de rekeningen precies vermeld. De uitgave voor rode verf op een van kwitanties verklaart andermaal de naam van de poort. Voor het dak van de poort werden in 1800 twintig nieuwe pannen aangeschaft.4
Er is een ongedateerde rekening uit circa 1820 bewaard waarbij G.A. Engeler als gemachtigde van de belanghebbenden van de Roopoort optrad. Hij had in totaal een bedrag van negen gulden, zeven stuiver en acht penningen voorgeschoten. Dit bedrag werd hoofdelijk verdeeld. Ieder moest per hof of per stuk land – te bereiken via de Roopoort – een bedrag van vijftien stuiver en tien penningen betalen. Met grote letters staat onder de rekening: bovenstaande voldaan.
Van hof naar stadsvilla
Rond 1850 veranderde de situatie drastisch. In 1819 was de Willemsvaart gegraven. Een nieuwe haven werd aangelegd nabij de Eekwal. Over de stadsgracht kwam rond 1845 een voetbrug te liggen, die de verbinding vormde tussen de Luttekestraat en het Klein Wezenland. Deze kleine brug werd in 1875 vervangen door een nieuw exemplaar die we nu kennen als de Nieuwe Haven-brug. Rond 1860 werd Zwolle aangesloten op het spoorwegennet. In 1864 kwam de spoorbrug over de IJssel klaar en met de bouw van het station werd het gebied tussen het station en de stad een gewilde locatie om te bouwen. Het stadsbestuur was van mening dat de singels, zeker voor reizigers die per spoor de stad bezochten, een zekere voornaamheid’ moesten uitstralen. Vandaar dat langs het Klein Wezenland (nu Burgemeester van Roijensingel) uitsluitend stadsvilla’s en riante herenhuizen gebouwd mochten worden met grote tuinen. Dit ging ten koste van de vroegere hoven. De nieuwe huizen werden onder architectuur gebouwd en waren bestemd voor rijke kooplieden, fabrikanten en hoge ambtenaren. Men woonde daar ‘op den hoogsten stand’. Het huis Klein Wezenland (Burgemeester van Roijensingel) 5 is tussen 1875-1877 gebouwd voor mr.
L.J. Rietberg, kantonrechter. Deze familie had daar grond liggen. Onder




Like ons!