1986
ZWOLS
HISTORIÓCH
TIJDSCHRIFT
ZWOL&E H16TODI6CNE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER DRIE / JAARGANG DRIE / 1986
53 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
54 Zwolle: “Van stuwwal tot stad” of “Van duin tot
dorp” ? A.J. Hendrikman
62 De Zwolse “Fabriek- en Handwerk-Nijverheidtentoonstelling”
van 1860 Dr. P.J.C, de Boer
67 Omslag Zwols Historisch Tijdschrift R. Salet
BOEKBESPREKING
73 “Herstel, Hervorming of Behoud? Tien Overijsselse
steden in de patriottentijd, 1780-1787″
Besproken door N.C.F, van Sas
72 BOEKAANKONDIGINGEN
VAN DE INSTELLINGEN
76 Bericht van de Culturele Raad Overijssel
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhoud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor & mevr. A. van der Wurff.
• Zwolse Historische Vereniging
Niets uu deze uitgave mag worden verveelvoudigd en /
of openbaar gemaakt door middel van druk. lotocopy.
microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In dit nurrmer van het Tijdschrift zijn twee artikelen opgenomen.
In het eerste draagt A.J. Hendrikman een aantal argumenten aan
waarom het ontstaan van Zwolle minder verbonden lijkt met de
aanwezigheid van een stuwwal, zoals verondersteld wordt in het
in 1976 verschenen boek Zwolle van stuwwal tot stad, maar is
ontstaan uit een boerennederzetting gevestigd op een rivierduin.
In het tweede artikel staat de Fabriek- en Handwerk-Nijverheidtentoonstelling
van 1860 te Zwolle centraal. Hoewel het initiatief
van de afdeling Zwolle van de Vereeniging ter bevordering
van de Fabriek- en Handwerk-Nijverheid op zich succesvol is geweest,
is er geen industrie van enige omvang uit voortgekomen.
R. Salet geeft een aanvullende toelichting bij de omslag van
het Zwols Historisch Tijdschrift (zie ook het tweede nummer van
deze jaargang) en heft enkele onvolkomenheden in de beschrijving
op.
Verder bevat deze uitgave een boekbespreking, boekaankondigingen
en een bericht van dé Culturele Raad Overijssel.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift.
54
ZWOLLE: ‘VAN STUWWAL TOT STAD” OF “VAN DUIN TOT DORP” ?
A.J. HENDRIKMAN
INLEIDING
In 1976 verscheen er bij uitgeverij Waanders een boek onder de
titel Zwolle van stuwwal tot stad 1). Hoewel de titel op zich
leuk allitereert is het de” vraag of de vlag de lading geheel
dekt. In dit boek wordt het ontstaan van Zwolle verbonden met
de aanwezigheid van een drempel, die ontstaan zou zijn doordat
de IJssel de heuvelrug van de Noordoost-Veluwe zou hebben afgesneden.
De stuwwal zelf bestaat uit door het landijs opgestuwd
materiaal gedurende de voor-laatste ijstijd. Tijdens de Saaieijstijd
drong een gletsjer het IJsseldal binnen en vormde aan de
westzijde de Veluwse heuvelrug.
In de afgelopen jaren is er nogal wat -archeologisch/bodemkundig
en geologisch onderzoek gedaan in Zwolle tijdens diverse bouwactiviteiten,
waardoor de bestaande bodemkundige kennis is aangevuld.
In dit artikel wil ik, al inventariserend, enkele vragen
stellen bij de relatie stuwwal-Zwolle en pogen argumenten
aan te dragen voor de stelling dat het ontstaan van Zwolle als
nederzetting eerder aan een duin gebonden is, dan aan een stuwwal.
Ik heb mij daarbij in hoofdzaak gebaseerd op de bronnen,
die aan het eind van dit artikel zijn vermeld. Een definitief
antwoord op de vraag of de aanwezigheid van een stuwwal direct
verband houdt met het ontstaan van Zwolle zal alleen door
verdergaand bodemkundig/geologisch onderzoek kunnen worden
verkregen.
BESCHRIJVING VAN BESTAAND BRONNENMATERIAAL
Op bijgaand kaartje is de (natuurlijke) landschapsstructuur van
Zwolle en omgeving aangegeven (fig.1). Gestippeld is de omtrek
van de stuwwal van de noordelijke Veluwe, zoals deze zich
voortzet in de ondergrond tot aan of mogelijk voorbij de Zwolse
binnenstad 2). De hoofdstructuur van de terreinvormen in
dit gebied, de morfologie, is z.o.V n.w. Dit geldt zowel voor
de hoger gelegen zandgronden als voor. het afwateringspatroon,
dat overigens ten dele kunstmatig is. De structuur van de
stuwwal echter staat hier haaks op, namelijk z.w. – n.o. De
strekkingslijnen van de geschubde stuwwallagen worden in défig.
1
zandrug
afgegraven zandrug
contouren begraven stuw al’
1 km.
56
tail aangegeven op de geologische kaart van Nederland (fig.2)
3). Indien nu, zoals in het eerder aangehaalde boek Van stuwwal
tot stad, sprake was van een drempel dan zou die drempel
op de volgende manieren kunnen zijn ontstaan (fig.3):
1. Door een radiaal afwateringspatroon van het regenwater.
2. Door verlegging van de IJsselloop, waardoor het noordoostelijke
stukje van de stuwwal werd afgesneden.
Echter in geen van beide gevallen ontstaat het patroon van
langgerekte (zand)ruggen die z.o. – n.w. georiënteerd zijn.
Vervolgens is het bekend dat na de vorming van de Gelderse
en Sallandse stuwwallen de glaciale bekkens geleidelijk zijn
opgevuld met riviersedimenten. Wat nu nog als heuvelruggen in
het landschap zichtbaar is, zijn in feite de toppen van thans
grotendeels begraven stuwwallen.
Uit een geologisch onderzoek bij het pompstation van het Engelse
Werk blijkt dat er sprake is van zo’n begraven stuwwal die
daar dicht onder het oppervlak ligt 4 ) . Op ongeveer 13 a 15 meter
diepte begint de stuwwal, die veel hoger moet zijn geweest.
Na zijn ontstaan is de heuvel ten dele geërodeerd en later weer
bedekt met dekzand uit de laatste ijstijd en met klei en veen
uit het Holoceen. In het park Eekhout wordt de bovenkant aangetroffen
op -12 m. N.A.P., daarboven bevindt zich (dek)zand met
een dikte van 11 meter. In de inleidende beschrijving geeft het
geologisch rapport bij het structuurplan van Zwolle een variabele
diepte aan van -5 tot -10. meter N.A.P. van de bovenkant
van de stuwwal 5). Aangezien de huidige maaiveldhoogte in dit
gebied ligt tussen de 0,2 en 4,0 m. N.A.P., moet het afdekkende
pakket op de stuwwal een dikte hebben die varieert van 5 tot 14
meter. Er moet direct aan worden toegevoegd dat het tegenwoordige
terreinniveau het resultaat is van zowel afgraving van hogere
zandgronden, ophoging door de mens als bodemdaling door inklinkinc
6). Bij de bouw van het stadhuis is een vloer aangetroffen
op 1,78 m. N.A.P., circa 2,5 meter beneden het niveau
van de Sassenstraat 7). De oorspronkelijke, natuurlijke en ongeroerde
bodemlaag bevindt zich op ongeveer 1,40 m. N.A.P.
Stel dat dat het oorspronkelijke landoppervlak is geweest in
de dertiende en veertiende eeuw bij een toenmalige zeespiegel
van -O,30 m. N.A.P. en derhalve een iets hogere waterstand in
IJssel en Vecht, dan is het toch onwaarschijnlijk dat het hier
om de drempel van een stuwwal gaat 8 ) .
In de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden zijn zandige opduikingen
gevonden, zogenaamde donken in hoogte variërend van
6 tot 12 meter 9). Al deze rivierduinen zijn ingepakt in veenlagen,
afgedekt met een kleilaag en rusten op een rivierleemlaag,
die gevormd is aan het eind van het Pleistoceen, de
57
fig.2 Schematische voorstelling van strekkingslijnen
in een stuwwal met een geschubde structuur van
zand- en grindlagen gescheiden door leemlagen.
fig.3 A = radiaal afwateringspatroon
B = strekkingslijnen van de stuwwal
58
“Hochflutlehm”. De donken steken met hun koppen boven het omringende
maaiveld uit en liggen zo’n 1 a 2 meter boven N.A.P.
Op andere plaatsen zijn hele complexen begraven rivierduinen
aangetroffen (fig.4). De donken zijn veelal de vestigingsplaats
van mensen geweest. Men treft er de dorpen Hoornaar,
Minkeloos en Hoogblokland aan. De zandige ruggen in Zwolle en
omgeving doen zeer sterk denken aan het patroon in de Alblasserwaard.
– HA*
.lom.
fig.4 Begraven rivierduinen in de Alblasserwaard.
Rivierduinen op een leemlaag en tussen veen met
ingeschakelde kleilagen.
Ook in Noord-Limburg werden rivierduincomplexen aangetroffen.
Tussen Venlo en Mook zijn zij sterk ontwikkeld en bereiken
plaatselijk een hoogte van meer dan tien meter 10). En ook
hier is het opvallend dat zij gevormd zijn op een leemlaag uit
de laatste periode van de laatste ijstijd, het Laat-Glaciaal.
Door hun hoge ligging ten opzichte van de Maas zijn de duinen
hier niet bedekt door veen en klei (fig.5). Het zou interessant
zijn om na te gaan of er hetzelfde patroon van zandruggen
zou ontstaan, wanneer die Noord-Limburgse rivierduinen
ten dele zouden worden begraven. Met behulp van een gedetailleerde
roogtelijnenkaart is dat mogelijk. Overigens zijn de
rivierduinen overal in ons land gevormd als grote zandmassa’s
bij een veel lagere zeestand dan nu. Ik spreek dan over de periode
7.000 – 6.000 v.Chr. toen bij een zeespiegelstand van
twintig meter boven het huidige niveau, uit de periodiek
droogliggende rivierbeddingen zand opstoof. De overheersende
westenwind legde dit zand oostelijk van de IJssel en de Maas
als duintjes neer. In het ruilverkavelingsgebied Salland-West
is zelfs bij Herxen een complex rivierduintjes aangetroffen
59
in twee etages. De duinvorming is hier doorgegaan tot in het
Holoceen en het zand is ingepakt in afwisselend klei- en veenlagen
(fig.6) 11).
L lom.
fig.5 Rivierduinen in Noord-Limburg op een leemlaag,
waaronder rivierafzettingen uit de Eemtijd en
Weichsel.
-3m .
fig.6 Rivierduinen bij Herxen ingepakt in afwisselend
klei en veenlagen uit het Holoceen.
Poider Sekdoorn met begraven dekzand.
60
Direct oostelijk van de Zwolse binnenstad liggen nog meer zandruggen.
Het betreft onder andere de hoogte van Langenholte,
Berkum .;n Herfte. De eerder besproken duinen grenzen daar direct
aan. Zij hebben dezelfde strekkingsrichting z.o. – n.w.
De ruggen van Herfte, Berkum en Langenholte bestaan uit dekzanden
gevormd tijdens het Laat-Glaciaal, 11.000 – 8.000 v.Chr. Onder
zeer koude en droge omstandigheden en bij een zeespiegelstand
van -90 m. N.A.P. werden door de zuidwestelijke/noordwestelijke
wind dikke pakketten zand afgezet. Hoewel dekzanden grote
oppervlakten van oost en zuid Nederland bedekken, moet niet
gedacht worden aan een egaal tapijt van zand. Het terrein vertoont
het beeld van ruggen en laagten.
BESLUIT
De vraag die nu opkomt is, of de zandrug, waarop Zwolle is ontstaan,
vermoedelijk als boerennederzetting in de achtste of negende
eeuw, een rivierduin is of een dekzandrug 12).
Om dit te weten te komen moet er een antwoord worden gegeven op
de volgende vragen:
1. Bevindt zich onder de zandrug van de Zwolse binnenstad een”
leemlaag ?
2. Wat is de korrelgrootteverdeling van die zandrug ? (Dekzand
bestaat in het algemeen uit fijner zand dan de rivierduinen)
13).
3. Bevat het zand rijkere mineraaldeeltjes, zoals dit bij rivierzand
het geval is of is het net als het dekzand arm
van samenstelling ? ;
Wat vraag 2 betreft: bekend is dat de vorming van de oudste rivierduinen
ten dele samenviel met de vorming van de jongste dekzanden.
Stuifmeelkorrelonderzoek kan dus geen volledig uitsluitsel
geven als het gaat om de ouderdom. Bij graafwerk aan de
Spooldersluis is vastgesteld dat de aanwezige zandrug bestaat
uit dekzand en onmiddellijk grenst aan de afzettingen van het
IJssellandschap 14).
Wat vraag 3 betreft: in de bouwput van het oude stadhuis is destijds
een podsolprofiel aangetroffen Dit wijst op een bodemvorming
in mineralogisch arm zand bij – toenmalig – lage grondwaterstanden
15). Echter in Noord-Limburg zijn ook in de rivierduinen
podsolen aangetroffen die later weer zijn overstoven.
61
CONCLUSIES
Afhankelijk van nader onderzoek dat verder bewijsmateriaal moet
leveren en op grond van de beschikbare literatuur kom ik tot de
volgende voorzichtige conclusie: Op een zandige hoopte, vermoedelijk
een rivierduin of mi»schien een dekzandrug is een boerennederzetting
ontstaan in de achtste/negende eeuw na Christus.
Uit deze nederzetting ontwikkelt zich later de stad Zwolle.
Beide zandige hoogten zijn door de wind gevormd, zodat de titel
in de aanvang van dit artikel gebruikt “Zwolle: van duin tot
dorp”, gewettigd is.
NOTEN
1. R. van Beek e.a., Zwolle van stuwwal tot stad, Zwolle op de
drempel (Zwolle 1976) 5.
2. Zwolle van stuwwal tot stad laat op blz. 5 de stuwwal doorlopen
tot oostelijk van de Vecht. Het rapport van de Rijks
Geologische Dienst uit het Structuurplan van Zwolle (1971)
blz. 4 geeft de begraven stuwwal aan tot aan de Vecht.
3. Dr.Ir. P. Ente, De bodem van Overijssel (Wageningen 1965)
4. Rijks Geologische Dienst, Geologisch onderzoek Engelse
Werk (rapport 10.269, 28-7-1978).
5. Rijks Geologische Dienst, Geologisch rapport bij het
Structuurplan Zwolle (1971)
6. J.P. van den Berg, “Het water als vriend in het historisch
landschap van Salland” in Van Beek en land en mensenhand
(Utrecht 1985) 76.
7. R. van Beek e.a. 11.
8. Ir.D.M. van der Schrier, “Zwolle Zwartewaterstad” in Zwols
Historisch Jaarboek 1985 (Zwolle 1985) 56.
9. Rijks Geologische Dienst, Geologische kaart van Nederland,
Gorinchem Oost (Haarlem 1970).
10. Stichting voor Bodemkartering, Bodemkaart van Nederland,
Oost-Venlo (Wageningen 1975) 40.
11. W.B. Kleinsman e.a., Geomorfologie van het ruilverkavelingsgebied
Salland-West (Wageningen 1980) rapport 1476 afb. 2.
12. R. van Beek e.a. 7.
13. Toelichting bij de bodemkaart van Nederland (Wageningen
1965) 190.
14. C. Hamming e.a., “Afzettingen van de IJssel nabij Zwolle”
in Boor en Spade (1965-14) 89 – 96.
15. R. van Beek e.a., 7.
62
DE ZWOLSE “FABRIEK- EN HANDWERK-NIJVERHEIDTENTOOSBTELLING”
VAN 1860
DR. P.J.C. DE BOER
In de eerste decennia van de negentiende eeuw was er in Nederland
nog niets te bespeuren van een economische ontwikkeling
die gelijkenis vertoonde met de industriële revolutie, zoals
die zich in ole ons omringende landen aan het voltrekken was.
Dit gebrek aaLn ondernemingsgeest werd door de Zwollenaar Potgieter
gekarakteriseerd in de figuur ‘Jan Salie’ uit de, uit
1839 daterende, allegorische novelle ‘Jan, Jannetje en hun
jongste kind’. Ook Hildebrand verwees in de ‘Camera Obscura’
naar deze slappe mentaliteit toen hij over de oude heer Stastok
opmerkte dat deze ‘een vrij bloeiende lintweverij gehad had;
om de strikte waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij die
nog had, maar er werd volstrekt niet meer gewerkt en op de zolders
lag nog een aanzienlijke partij oortjesband, die hij liever
zag verrotten dan haar onder de markt te verkopen. Hij behoorde
alzoo tot die mensen die hun zaken aan de kant gedaan hebben
en, het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een vrij
aardig inkomen, een onverzettelijke afkeer van stoommachines en
de Haarlemse Courant tevreden stellen 1)’.
De verandering die zich na 1850, zij het schoorvoetend, begon
af te tekenen heeft ook het Zwolse economische leven niet geheel
onberoerd gelaten. De eerste stoommachine werd daar in
1853 in de ijzergieterij van G.J. Wispelweij & Co, een ‘grootbedrijf’
met tweeënveertig arbeiders, in bedrijf genomen. De
beenzwartfabriek van Krol, de Machinefabriek aan de Veerallee,
de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen en de Gemeentelijke
Gasfabriek volgden, zodat omstreeks 1875 er al zo’n achtentwintig
stoommachines in bedrijf waren 2).
Bij deze industriële ontwikkeling heeft de afdeling Zwolle van
de ‘Vereeniging ter bevordering van de Fabrieks- en Handwerk-
Nijverheid’ een niet onbelangrijke rol gespeeld. Dit was
overigens niet het enige terrein waarop zij zich begaf, al passen
de door haar ondernomen activiteiten wel in het kader van
stimulering en vernieuwing van de industriële bedrijvigheid in
Zwolle. Dat zij daarbij het belang van technisch onderwijs niet
onderschatte blijkt wel uit het initiatief in 1853 om te komen
tot een industrieschool. Op 21 januari van dat jaar werd daarvan
in een advertentie in de Zwolsche Courant melding gemaakt.
63
Als initiatiefnemer hiervan werd de heer W.E.J. Tjeenk Willink
genoemd, terwijl de heren L. Vroom, K.T.W. Eymaal en A.J.
Doyer Hzn daarbij als commissarissen van de school werden genoemd.
Deze industrieschool was een van de weinige, die het
landelijk gezien, goed zou doen. Voorts was er een Commissie
van Werkverschaffing waarin zitting hadden de heren B. Reinders
(voorzitter), G.W. Robow, J. Kamphuis en de al eerder genoemde
A.J. Doyer Hzn 3). In mei 1859 werd door de Commissie in Comitium
(een vergaderlokaal, thans het pand Papenstraat 7) een
‘Vereerend Getuigschrift’ ingevoerd, dat uitgereikt zou gaan
worden aan hen die meer dan twintig jaar in hetzelfde bedrijf
werkzaam waren geweest 4). Daarnaast werden er door de ‘Vereeniging’
herhaaldelijk prijsvragen uitgeschreven waarbij, zoals
uit de in de advertentie gegeven opdrachten blijkt, een beroep
werd gedaan op de vindingrijkheid en beheersing van velerlei
technieken 5).
PROGRAMMA fan PRIJSVRAGEN
LITOESClïKEVEN EOOB DE
AFDEELIWG ZWOLLE,
PEn
YETÏEENir.ING TOT BFVOKDETtïNG VAN FABRIEKEN
HANDUEKK-NIJ VERHEID IN NEDERLAND.
X». 1. Een t.ifiUje op éeüc »olo;n — het blad iagerigt tot ichaalcen
dambord Prijl f 10.00
N». 2. Een siei’.ijk bewirkt Bloemc-jtafeltjc vao gev!
ot!iteu ijzerdraad, waarop geplaatst eeae
rogclkooi van di’.o werk . „ 10.00
N», 3. Eene plank half met link-, half met loodwit
gercrird, waarop iii tehrGetter» het pswooe
alphslieth is geselingen, e:i een zelfje alpbjbct
ia k.ip.’laie of trck!i.tt;rs; de «..LirijQtltcr» ioof
3 ueder!. i!»i:acn ue kap.tale lettrrs uiar
evcoiv:ii:liüid „ » 5.00
X°. 4. Een ijzt’ren E-spasnnlct dienvnile tot slal’in!;
van een gewoon Jraairaam , de stnaf !;tr,i ^.60
El , de bcwegic; of sluiting ter keuze vau
den vcrTaardiypr ,. 10.00
N». 5. 2 Cunsoles, gebeiteld uit wit maruier , ia Hen
vorm van Corinthische tEodilloot, volgoiu Vig.
no.la — de Coiiioïes lang 0.23 breed nanr eisrh » » 10.00
afb.1 PROGRAMMA van PRIJSVRAGEN
(uit: Zwolsche Courant 3 februari 1857)
Hoewel deze activiteiten van de ‘Vereeniging1 zeker niet onbelangrijk
te noemen zijn, behoorden toch tot de meest in het oog
lopende activiteiten vooral de door haar georganiseerde tentoonstellingen.
De betekenis hiervan werd steeds groter en kan
wellicht een indicatie vormen voor de toename van de industriële
ontwikkeling in Zwolle. Waren er op de eerste tentoonstelling
in 184O slechts 31 inzendingen, twintig jaar later waren dat er
bijna duizend en wist deze een kleine vijfduizend bezoekers aan
64
te trekken 6). Hiervoor was dan ook door de plaatselijke courant
al weken lang het publiek in stad en provincie warm gemaakt. Zo
schreef zij op 25 juni 1860: “Het zal niet noodig zijn onze staden
gewestgenooten tot verdere belangstelling in de zaak op te
wekken. Ieder, die weet in welk verband de bloei van de nijverheid
met de welvaart des volks staat, verheugt zich voorzeker
in het uitzigt op eene vrij volledige voorstelling van datgene
wat Overijssels industrie op het uitgebreide gebied der nijverheid
levert. De dagen dezer tentoonstelling te Zwolle zullen
zeer veraangenaamd worden door andere exposities, volksspelen en
vrijwillige medewerking van onderscheidene colleges en particuliere
personen”.
De tentoonstelling, die duurde van 13 tot 26 augustus, werd gehouden
in de zalen van Odeon. De organisatoren hiervan waren
J. Thiebout (voorzitter), A. van Naamen van Eemnes (onder-voorzitter),
J.S. van Deventer (penningmeester), W. Koch (secretaris)
en verder de heren S.A. Jacobs, J. Cnopius, R. Reinders,
G. Schaepman en G.D. Swannenburg de Veye. De heren wisten zich
in elk geval verzekerd van de steun van de Zwolsche Courant,
die op 6 augustus bovendien de verwachting uitte dat velen
‘door het uitsteken van vlaggen een bewijs hunner belangstelling
zullen geven in de Vereeniging van wie deze tentoonstelling
uitgaat’. Dat deze loftuiting gegrond was, blijkt wel uit
het feit dat er bijna duizend voorwerpen werden ingezonden.
Op maandag 13 augustus werd door de voorzitter van de ‘Vereeniging’
Mr. J. Thiebout de opening verricht. Na deze plechtigheid
‘vereenigden zich de vele aanwezigen in de tuin van Odeon, die
nooit sierlijker aanzien had dan nu, niet alleen door de ten
toon gestelde bloemen en vruchten, maar ook door de keurige decoratiën
en schoone verlichting. Het muziek der Stedelijke
Schutterij verhoogde daar het feestelijk genot. De groote zaal
van het Odeon zelve is smaakvol gedrapeerd met de oranje en
nationale kleuren, waartusschen de busten van Z.M. de Koning
en Z.K.H. Prins Frederik, benevens de wapenschilden van onderscheidene
van Overijssels Gemeenten een fraai effect maakten 7)1.
De zorg dat ook het ‘gewone volk’ kon delen in deze festiviteiten
werd toevertrouwd aan de ‘Vereeniging tot het houden van
Volksvermaken te Zwolle’. De door haar georganiseerde roeiwedstrijd
en vermakelijkheden als een wedstrijd op waterschoenen,
vlaggespel te water, boegsprietlopen, tobbespel enzovoorts waren
toch van een andere orde dan de geïmproviseerde buitenpartij
die de heren die de algemene vergadering van de ‘Vereeniging’
bezochten voor zichzelf in petto hadden. Zij lieten
zich, zoals de Zwolsche Courant op 17 augustus 1860 wist te
melden, in de geïllumineerde tuin bij Thijssen, onder de muzi65
Vereenlglog tot bet boaden van
Volksvermaben te Zwolle.
Ter peiegenheid v»n de TentoonsleüH.g T»O l’ro»inci«’f
Nijverheid ui het gewone Zomerfeeat plaats heülieu op /-o.-
drrdag den 16 /tiigmtm aorntaande, op de Tuifm.nia en dr
IVelen’m, heginntride om 3 uren cn ruiildag! mei ttn ROEIWEDSTRIJD
met Booten der Vcr«*n:Ling, Prijs f 1.3. P r e m i e tj.
Verdfr zuilen onderscliriJeu Wedstrijd u CD Veim.iLciijko?-
dm plaats debbeu , »!a: Wedttriji op Watersclineneii, YLugtspel
te Water, Boegspiic;!oopeo , Zaklocpen, Tuhbespel nu
AM’t zul wordeu «f^euisitl^ door de Mjütk vau lul
SteJrüjk Muziekcorps eu worden besla:ea met tta Prachtig: Vuurwerk.
afb.2 Aankondiging van diverse wedstrijden
kale omlijsting van de Schutterij, door bekroonde soorten begonia’s,
fuchsia’s, chrysanten, dahlia’s, verbena’s, rozen enzovoorts,
letterlijk in de bloemetjes zetten.
De ingezonden stukken op de tentoonstelling werden voorgelegd
aan een jury bestaande uit acht personen. Om een neutrale beoordeling
te garanderen, waren hiervan slechts drie Zwollenaren
lid, namelijk Mr. J. Thiebout en de heren J. van Wijngaarden en
B. Reinders. De jury was zeer te spreken over de inzendingen en
meende zelfs dat ‘meerdere van de tentoongestelde voorwerpen
aanspraak zouden hebben op eene Wereldtentoonstelling bekroond
te worden 8)1. Naast het grote aantal voorwerpen, valt ook de
diversiteit ervan op. Voor de jury dus bepaald geen gemakkelijke
opdracht om het zestigtal zilveren en bronzen medailles en de
‘Vereerende Getuigschriften’ toe te kennen. Onder de prijswinnaars
bevond zich een tweeëndertigtal Zwollenaren. Zo werd een
zilveren medaille toegekend aan G.J. Wispelweij voor een door
hem ontwikkelde hydraulische hooipers, waarmee hooi in vervoerbare
pakken kon worden geperst. Door de sterke uitbreiding van
het Pruisische leger was hooi namelijk een belangrijk exportartikel
aan het worden. Voorts waren er bronzen medailles voor
A.J. Kamphuis (meubelen), Schaepman en Helmich (geëmailleerd
ijzeren potwerk) H. van Tongeren (kookmachine), G. en W. Eleveld
(badkuip met verwarmingstoestel. Het betrof hier een
stort-, douche- en regenbad, dat de onverplaatsbare gemetselde
baden kon vervangen). Brons werd ook toegekend aan W.E.J.
Tjeenk Willink voor drukwerk. ‘Vereerende Getuigschriften’
werden behaald door onder meer E.D. Schaepman (kunst-, mineraalen
geneeskundige wateren), de Wed. A. Schuttelaar (brandwaarborgkast),
J.M.W. Waanders (bindwerk), terwijl W.O. Sterk voor geconfijte
oranjes en verduurzaamde groenten deze erkenning wist
te behalen.
66
Een aanzienlijk aantal voorwerpen, namelijk 176, werd vervolgens
aangekocht om samen met tweehonderd zogenaamde Rozen of Gezigten
van Zwolle, als prijzen te dienen voor een loterij. Hiervoor
werden 2.442 loten a f 1,— verkocht. Voor dit, voor die tijd
toch aanzienlijke bedrag, kon naast de Gezigten van Zwolle, ook
meegedongen worden naar – onder andere – een ovalen vleesstulp,
open haard, dertig el geweven cocosgaren, dolkmes, damesschrijftafel,
reiskoffer, wastafel, hondehuisje, springveren matras,
buffetétagère, zitbank, aquarium, paraplubak, guéridon (siertafeitje
op een poot), turfbak en een buste van Koning willem III.
De prijzen moesten acht dagen na de trekking zijn opgehaald.
Wat achterbleef zou verkocht worden ten bate van de algemene
armen van Zwolle 9).
Hoe succesvol de tentoonstelling ook geweest is, industrie van
enige omvang is daaruit niet voortgekomen. Zwolle had dan wel
een gunstige geografische ligging, maar kapitaal en grondstoffen
ontbraken. Ook de Zwolse arbeiders, als deze al over de
benodigde technische vaardigheden beschikten, verkozen het
werken in de buitenlucht boven dat in de fabriek. Dit overigens
wel in tegenstelling tot de Twentse boerenfamilies die door de
huistextielnijverheid wel over de technische vaardigheden beschikten
en voor wie de overstap naar een fabrieksmatige productie
makkelijker te maken was. De ontwikkeling van Zwolle
van een rustige, wat stijve en deftige provinciehoofdstad met
veel ambtenaren naar een stad waarin de industrie economisch
van belang werd, vergt een nader onderzoek en valt dan ook
buiten het bestek van dit artikel.
Noten.
1. Hildebrand (ps. N. Beets), ‘De familie Stastok’ in Camera
Obscura (Haarlem 1970, 1e druk Haarlem 1839), 23 e.v..
2. F.C. Berkenvelder, Ach lieve tijd; 750 jaar Zwolsen,
Zwollenaren en hun nijverheid en industrie (Zwolle 1980),
455.
3. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 29 december
1854.
4. Idem, 13 mei 1859.
5. Idem, 13 mei 1854 en 3 februari 1857.
6. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle II (Zwolle 1961),
253.
7. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 15 augustus
1860.
8. Idem, 20 augustus 1860.
9. Idem, 15,17,20,22,23,27,29 augustus en 3 september 1860.
67
OMSLAG ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT (2)
R. SALET
Aanvullende opmerkingen bij de toelichting bij de omslag van
het Zwols Historisch Tijdschrift.
In het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 2 1986 wordt een toelichting
bij de omslag van het tijdschrift gegeven. In de toelichting
zitten naar mijn mening een paar onvolkomenheden die
ik wil opheffen. Daarnaast wil ik nog wat aanvullingen geven.
De anonieme kopergravure “Swolla” uit de achttiende eeuw is
een kopie van een eveneens anonieme gravure uit de zestiende
eeuw getiteld “Swolla”. De prent toont een stadsgezicht vanuit
het zuiden. De graveur moet ongeveer ter hoogte van het huidige
stationspostkantoor gestaan hebben om zijn schetsen te maken.
Hij is daar in ieder geval voor 1580 aan het werk geweest.
Dit weten we omdat de Zwolse raad in 1577 besluit, op aandrang
van de landsregering, om de zwakste plekken van nieuwe vestingwerken
te voorzien. Deze lagen kennelijk in het zuiden, want in
1579 besluit de raad tot de aanleg van een bolwerk tussen de
Kamperpoort en de oude Kruittoren. Tien jaar later wordt er ook
één aangelegd tussen de Gelderse Toren en de Sassenpoort.
In 1593 is de noordzijde van de stad aan de beurt. Cornelis
Bloemaert krijgt de opdracht om een reeks van bolwerken voor de
,,-<*•
Cornelis Bloemaert; Ontwerptekening voor nieuwe
vestingwerken te Zwolle, 1593 (copie)
(Collectie P.O.M.)
68
Diezerpoort te ontwerpen. Op zijn ontwerptekening gedateerd
1593 zijn de zuidelijke bolwerken, het zogenaamde Eekmolenbolwerk
en Suikerbergbolwerk te zien. Op de anonieme prent ontbreken
ze echter. Het stadsgezicht kan dus met zekerheid voor 1580
gedateerd worden.
Wat heeft de graveur nu allemaal precies afgebeeld? Uiterst
links zijn schepen (2) op het Zwarte Water te zien. De molen
(I) staat niet op het Maagdenbastion maar op het Rode Torenplein.
Als men de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg erbij
neemt, die in dezelfde tijd is gemaakt als de prent, wordt het
duidelijk. Wat men voor het Maagjesbolwerk heeft aangezien is
namelijk de halfronde kade (?) bij de monding van de Grote Aa.
Het bolwerk zou pas veel later worden aangelegd. De Rode Toren
is niet afgebeeld. De graveur kon vanaf de plek waar hij stond
de toren niet zien. Evenals de waterpoort over de Grote Aa (zie
Braun en Hogenberg). Afgebeeld is de in 1502 gebouwde Organisttoren
(3), zo genoemd omdat de toren aan de stadsorganist werd
verhuurd, die aan het eind van de huidige Voorstraat stond.
Vervolgens de Drake(n)toren (4), 36 meter hoog en bekroond met
een windvaan in de vorm van een draak (niet zichtbaar afgebeeld),
Dan volgt de grootste verdedigingstoren die de Zwolse vesting
gekend heeft en die lange tijd als gevangenis heeft dienst gedaan,
de uit de eerste helft van de veertiende eeuw stammende
Jan Baghstoren(.5). De toren stond vlakbij het Hopmanshuis.
De fraaie Kamperpoort is de volgende. Bestaande uit de in 1488
gebouwde Kamperbuitenpoort (6) en de veel oudere, waarschijnlijk
vroeg dertiende eeuws, voormalige Voorsterpoort (6b), nu
Kamperbinnenpoort genoemd. Tussen de Kamperpoort en de Sassenpoort
bevindt zich een dubbele stadsmuur van elkaar gescheiden
door de oude, vroeg middeleeuwse stadsgracht (zie Braun en Hogenberg).
De binnenmuur (h) stamt uit de dertiende eeuw, de
buitenmuur (i) is laat veertiende vroeg vijftiende eeuws.
Voor de Peperbus en de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) is in de
binnenmuur de Oude Kruittoren (8) zichtbaar. Hij wordt gebruikt
als kruitmagazijn en daarom zijn de gewelven met klei
afgedekt.
Op de voorgrond een watertje dat via een sluisje (c) in de
stadsgracht uitmondt.
Verder de binnenmuur volgend komen we bij het Veldhuisrondeel
(d), een grote halfronde verdedigingstoren. Schuin achter deze
toren zien we in de verte een torentje van een huis (9) in de
Nieuwstraat. Hoog boven alles uit steekt de toren van de Groteof
St. Michaelskerk (10). Op de voorgrond is de Gelderse Toren
(II) en de Nieuwe Kruittoren (12) te zien. De beide torens
vormen één complex verbonden door muren (zie Braun. en Hogenberg).
o I I2
i 1 1 1 I i4 b '1 I I i
ZWO 15 E H I6TO R 16C H VER EN 1 C i 1; C
Anoniem; Gezicht op Zwolle, gravure plm. 1580
(Collectie P.O.M.)
ier bevond zich namelijk tot 1531 de Luttekepoort, een landpoort
(de toegangsweg is op de kaart van Braun en Hogenberg nog
te zien). Deze al in 1393 vermelde poort wordt bij de aanleg
van de buitenmuur gesloten en in 1531 gesloopt en vervangen door
een nieuwe die dienst doet als kruitmagazijn.
Rechts van de Kruittoren is een dakruiter (een klein puntvormig
torentje op de nok van een dak geplaatst) van het Fraterhuiscomplex
(13) zichtbaar. Nog iets verder naar rechts een dakruiter
van de Broerenkerk (14). Vervolgens in de Binnenmuur
ter hoogte van de Blijmarkt de Gerrit Lesckertoren (151, een
uit de veertiende eeuw stanmende ronde, spitse toren.
De Raadhuistoren (16) en een dakruiter van de Latijnse School
(e) volgen, dan een toren van een huis (17) in de Praubstraat.
Een dakruiter van het Heilige Geestgasthuis (18) is eveneens
zichtbaar. Dan gebeurt er iets merkwaardigs: in plaats van de
Bethlehemskerk beeldt de graveur een toren van een huis (19) in
de Bloemendalstraat af, om vervolgens alsnog de Bethlehemskerk
(2û) aan de horizon te laten verschijnen, op een plaats waar de
dakruiter van de kapel van het St. Geertruidenconvent, de huidige
Waalse Kerk, had moeten verschijnen. Heeft hij zich hier vergist
of is het bewust om der wille van de compositie zo gedaan?
Een raadsel dat waarschijnlijk nooit opgelost zal worden.
Voor de Bethlehemskerk wordt het in de buitenmuur gebouwde
wachthuis (21) met bijbehorende toren afgebeeld.
71
c I
I Braun en Hogenberg; Stadsplat tegrond van Zwol le, plm. 1581 ( C o l l e c t i e P.O.M. I 1
72
Tot s l o t volgen de Sassenpoort (22) en een halfronde muur die
het p l e i n voor de poort beveiligde en waar de buitenmuur op
aansluit.
Aan de landzijde staat een u i t k i j k t o r e n (i)). Vanaf deze toren
hield men het vee dat op de stadsweiden graasde i n de gaten en
kon men naderend onheil signaleren. Tussen de u i t k i j k t o r e n i S
nog de Diezerpoort (23) afgebeeld.
Naast de a l genoemde torens en poorten bevonden zich i n de
buitenmuren ook nog zes zogenaamde Halve Manen, kleine halfronde
verdedigingswerken (9). OP de Prent z i j n er twee afgebeeld
die tussen de Kamperpoort en de Gelderse Toren waren gelegen en
vier tussen de Gelderse Toren en de Sassenpoort. Op de plattegrond
van Braun en Hogenberg staat er één minder afgebeeld, terw
i j l er ook een aantal voor de binnenmuur i s getekend. Deze
laatste kon de graveur vanaf z i j n p o s i t i e n i e t waarnemen. Afgezien
van het ontbreken van de kapel van het St. Geertruidenconvent
heeft de maker van het stadsgezicht "Swolla" een zeer
nauwkeurige afbeelding van de stad gemaakt zoals deze er na
1531 (de sloop van de Luttekepoort) en voor 1580 (aanleg Eekmolen-
en Suikerbergbolwerk) vanuit het zuiden moet hebben uitgezien.
Bron: Salet, R.; Opkomst en ondergang van de Zwolse vesting,
i n P m f l e t V I I (1985) nr. 1.
BOE KAAN KONDIGINGEN
Van provinciehuis t o t bibliotheek;
onder eindredactie van L. Lapoutre.
Zwolle, Waanders - Bibliotheek Zwolle, 1986.
24 cm., 32 blz., afb.
1961 - 1986 ; Kroniek van 25 jaar wijkorganisatie Holtenbroek.
Meppel, 1986.
21 cm., 24 b l z . , afb.
Ley, Henri
Voor Zwoll' t o t nut en sieraad; de totstandkoming van de
schouwburg Odeon t e Zwolle 1838 - 1840.
Zwolle, 1986.
21 cm., 34 b l t . , afb.
73
BOEKBESPREKING
HERSTEL, HERVORMING OF BEHOUD? TIEN OVERIJSSELSE STEDEN IN
DE PATRIOTTENTIJD, 1780-1787.
M.A.M. FRANKEN EN R.M. KEMPERINK (ea)
Overijsselse Historische Bijdragen, 99 (1984)
N.C.F. VAN SAS
Het langdurige verblijf van onze achttiende-eeuwse patriotten in
het verdoemhoekje lijkt nu wel definitief tot het verleden te
behoren. Het oude verwijt dat hun optreden "onnederlands" zou
zijn geweest, is door Geyl en De Wit met klem van redenen weerlegd,
en dat de patriotten anti-orangistisch waren vormt al lang
geen belemmering meer voor een serieuze bestudering. Voor het
jaar 1987 staan de nodige tentoonstellingen en bijeenkomsten op
stapel en Overijssel heeft op die festiviteiten al een voorschot
genomen met de herdenking van Joan Derk van der Capellen, de
burgerbaron en symboolfiguur van het patriotse protest, die
echter al in 1784 kwam te overlijden. Cap^llens herdenking was
de aanleiding voor de verschijning van het hier besproken boek
over de patriottenbeweging in tien Overijsselse steden. Het
komt voort uit scripties geschreven door M.O.-studenten aan de
Noordelijke Leergangen en vormt een geslaagd voorbeeld van projectmatig
onderzoek, in de historische wereld nog altijd een
vrij ongebruikelijke figuur. De tien auteurs hebben allen gewerkt
volgens hetzelfde stramien, zonder evenwel de individualiteit
van de afzonderlijke steden geweld aan te doen. Het boek
vormt tevens een sprekend pleidooi voor de waarde van locale
en regionale geschiedenis.
Naast de drie hoofdsteden Zwolle, Deventer en Kampen, komen zeven
-dus niet alle- kleinere steden aan de orde. De auteurs geven
steeds een korte schets van de demografische, economische
en religieuze structuur van hun stad en proberen de politieke
ontwikkeling doorzichtig te maken door die te faseren. Ze kijken
naar de dragers van de patriottenbeweging, naar hun tegenstanders,
naar de gestelde eisen, de rol van magistraat en gezworen gemeente,
burgercommissies, gilden, vrijkorpsen en petitionnementen.
Gelukkig houdt hun verhaal niet op bij het binnentrekken
van de Pruisische troepen in de nazomer van 1787, maar kijken
ze nog even verder, om te zien hoe de contrarevolutie zich
heeft voltrokken. In deze bespreking zal het accent liggen op
de gebeurtenissen in Zwolle. Er was daar zonder twijfel sprake
van een patriottenbeweging met een breed draagvlak, maar de
reactie van de autoriteiten -steeds van groot belang voor het
74
al dan niet op gang komen van een revolutionaire beweging- was
van dien aard dat het patriottisme in rustiger banen werd geleid
dan bijvoorbeeld in Deventer. De man die hiervoor vooral
verantwoordelijk was, was burgemeester L.G. Rouse, de vertrouwensman
van de stadhouder in 'Zwolle en behorend tot het
informele netwerk van correspondenten waarmee Willem V zijn
invloed in de Republiek probeerde geldend te maken. De persoonlijke
standing en de wijze van optreden van zo'n plaatselijke
contactman konden van groot belang zijn. Aanstootgevend
en willekeurig handelen kon het patriottisme stimuleren; beheerst
en redelijk gedrag (zoals in het geval van Rouse) had
soms het omgekeerde effect. Evenals in Deventer speelden de
gilden in Zwolle bij het op gang brengen van het patriottisme
een belangrijke rol. In september 1782 zetten zij een petitiebeweging
op touw -één van de geijkte actiemiddelen uit die
tijd- die meer dan 2.000 handtekeningen opleverde. Op een bevolking
van ongeveer 12.000 is dat een verbluffend resultaat
dat heel duidelijk de intrinsieke kracht van het Zwolse patriottisme
aangeeft. De gilden speelden in Zwolle ook een
centrale rol bij de oprichting van het burgercorité, eind 1782.
Met de creatie van een vrijkorps, een jaar later, was in
Zwolle het vertrouwde rijtje van patriotse actiemiddelen compleet.
Op een kritiek moment etaleerde ook de grote massa van
de bevolking haar betrokkenheid bij het plaatselijke hervormingsproces
door met duizenden in de Onze-Lieve-Vrouwekerk samen
te komen om politieke eisen kracht bij te zetten. Het Zwolse
patriottisme ontwikkelde zich overigens volgens een niet ongebruikelijk
patroon. Evenals elders in Overijssel was het
eerst de meente die haar positie trachtte te versterken ten opzichte
van de magistraat om vervolgens in de radicale jaren
1785-1787 links te worden ingehaald door de burgercommissie die
een verdergaand program van democratisering voorstond.
Het Twolse patriottisme is door P.J. Lettinga in het algemeen
helder en competent in kaart gebracht. Maar natuurlijk blijft
er nog wel wat te wensen over. Soms worden de ontwikkelingen
wel erg beknopt beschreven en wordt een nadere detaillering node
gemist, een bezwaar dat trouwens ook geldt voor diverse
andere bijdragen uit de bundel. Zo ergens, dan moeten toch bij
de beschrijving van politieke verhoudingen op locaal niveau, de
mannetjes die het beeld hebben bepaald het volle licht krijgen.
Door de ondertekenaren van petities te vergelijken met gildeboeken
en, voorzover aanwezig, ledenlijsten van het vrijkorps,
sociëteiten, vrijmetselaarsloges, leesgezelschappen, en wat er
verder ook aan verenigingen geweest mag zijn, moet het mogelijk
zijn nog dieper door te dringen in de sociale structuur van het
Zwolse patriottisme. Door die "sociabiliteit" in al haar facetten
bij het onderzoek te betrekken, kan het proces van politi75
sering beter zichtbaar gemaakt worden en kunnen bijvoorbeeld
crypto-politieke leesgezelschappen worden ontmaskerd. De auteur
maakt melding van het bestaan van een burgersociëteit in Zwolle,
maar daarover zijn helaas weinig gegevens bewaard gebleven. Intrigerend,
en zeker niet onaannemelijk, is zijn veronderstelling
dat deze sociëteit ook na de Restauratie van '87 als patriotse
mantelorganisatie is blijven voortbestaan. Dit vragen-naar-meer
wil overigens niets afdoen aan de waardering voor het werk dat
nu al verricht is. Een vraagteken plaats ik wel bij de summiere
mededeling dat de Zwolse katholieken (22% van de bevolking) "dezelfde
politieke rechten (kregen) als de gereformeerde ingezetenen",
en bij de apodictische slotopmerking dat het religieuze
profiel van Zwolle "geen invloed" heeft gehad op de patriottenbeweging.
Op zijn minst vereist een dergelijke bewering enige
toelichting. Hoe stond het bijvoorbeeld met het percentage katholieke
ondertekenaren van de diverse petities, welke rol
speelden de katholieken in het vrijkorps, hoe gedroegen de
(geestelijke) leiders van de katholieke bevolkingsgroep zich?
Van de overige hoofdstukken heeft elk wel zijn eigen aantrekkelijkheden.
Eén van de meest interessante bijdragen is die over
Kampen, waarin een op zichze'.f vrij gematigde patriotse ontwikkeling
wordt geanalyseerd met veel gevoel voor plaatselijke en
persoonlijke bijzonderheden. Paradoxen levert de bundel ook op:
in Oldenzaal zien we de bekende patriot Racer actief op zijn
thuisbasis, maar in Almelo treedt dezelfde Racer op als verdediger
van de rechten van het Huis en de familie Van Rechteren
tegen de locale patriotten. Waar elders de "teergeliefde"
Willem V als vijandbeeld fungeert, is dat in Almelo de gravin
Van Rechteren, hetgeen nog eens het sterk anti-aristocratische
karakter van het Overijssels patriottisme onderstreept. In
Almelo vielen bij het contact tussen het patriotse vrijkorps
en het legertje grafelijke pachters soms rake klappen. Ook
in verschillende andere plaatsen werd het gebruik van geweld
niet geschuwd en het lijkt niet onaannemelijk dat de patriottentijd
per saldo toch wat gewelddadiger is geweest dan vaak
wordt aangenomen.
In zijn slotbeschouwing constateert Franken terecht dat de roep
om Grondwettige Herstelling meer inhield dan alleen herstel van
oude rechten en wel degelijk ook eigentijdse politieke vei—
langens omvatte. Verder wijst hij onder meer op de wijde verspreiding,
zowel geografisch als sociaal, van het patriottisme
in Overijssel en op de toenemende religieuze tolerantie. Ook
brengt hij de ontwikkelingen in Overijssel in verband met
Palmers conceptie van een democratische revolutie in de hele
westerse wereld, en met de door C.H.E. de Wit gehanteerde
76
aristocratisch-democratische antithese. Het vele goede van deze
bundel doet hopen dat de editors hun voorzichtige aankondiging
van een vervolgdeel over het Overijsselse platteland gestand
zullen kunnen doen. Misschien zou daarin de ideologische
dimensie van het patriottisme, het bewerken van de publieke
opinie in pamfletten en periodieken, en de wijze waarop over
politiek werd gediscussieerd, nog wat meer aandacht kunnen
krijgen dan in deze bundel. Hoe lonend die aandacht kan zijn
bewijst het verhaal over het kleine Hardenberg (nog geen 700
inwoners), waar een geschil over enkele weggelopen koeien
leidde tot een principiële discussie over de aard van de
plaatselijke democratie en de rechten van burgers in een vrije
republiek.
BERICHT VAN DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL
Nieuwe consulent voor de afdeling musea, oudheidkunde, monumenten.
De heer G. Buist uit Deventer wordt de opvolger van Frits
Zeiler, die met ingang van 1 maart jongstleden werd benoemd tot
hoofd bureau culturele zaken van de gemeente Kampen.
De heer Buist is 30 jaar. Hij studeerde aan de Rijksuniversiteit
van Groningen geschiedenis met als hoofdvak: sociale en
economische geschiedenis, en als bijvakken: culturele antropologie,
historische geografie en nieuwste geschiedenis. Regionaal
en historisch onderzoek heeft altijd de voorkeur van de
heer Buist gehad.
Na zijn studie heeft hij in samenwerking met het Nedersaksisch
Instituut te Groningen een portret gemaakt van het dagelijks
leven in de gemeente Oosterhesselen gedurende de periode 1900-
1940.
Van 1982 - 1984 was hij coördinator volwasseneneducatie bij de
gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde. Daarna was hij studieconsulent
bij het studiecentrum Deventer van de Open Universiteit.
De heer Buist begon zijn werkzaamheden bij de Culturele Raad
Overijssel op 1 juli 1986.
ZWOLét HI«TODIêCIU VtDtNICINC
BESTUUR:
voorzitter:
J. Hagedoorn
secretaris:
R. Salet
penningmeester:
H. Brassien
lid:
R.T. Oost
lid:
B.H. Edel
SECRETARIAATSADRES:
Sellekamp 32
LEDENADMINISTRATIE:
Brederostraat 76
Tyassenbelt 28, Zwolle
Sellekamp 32, Zwolle
Brederostraat 76, Zwolle
Jeilissenkamp 2, Zwolle
8014 DR
8023 AV
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK:
Westerstraat 34 8011 CG
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT:
Jeilissenkamp 2 8014 EW
GIROREKENING:
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
type/layout: henk brassien/OLIVETTI-livius (90%)
druk: adm.centrum "DE SASSENPOORT" - Zwolle
omslag: "SWOLLA", kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden




Like ons!