Een Zwols gebed voor donder en bliksem

Door 1 juni 2018Artikelen

Het donderde en bliksemde na een eindeloze serie veel te warme dagen in mei De dreiging van een naderend onweer zit diep in onze genen, net als de onberedeneerbare angst voor slangen en grote spinnen. Toen de regen dan eindelijk met bakken uit de hemel viel moest ik denken aan een fragment uit het oudste en kleinste boekje dat in mijn bezit is. Precies dertig jaar geleden kocht ik het bij een al weer verdwenen antiquariaat in Amersfoort. Het onooglijke boekje van amper 13 bij 8 centimeter, zag eruit alsof het door muizen of ratten was aangevreten, al moet ook een jarenlang intensief gebruik door hele generaties eigenaren niet uitgesloten worden geacht. De omslag was gerimpeld als een gedroogde oude varkensblaas en dat zou nog wel eens waar kunnen zijn ook: dat was indertijd een goedkope manier om perkament te maken. ‘Neem maar mee voor 5 gulden’ zei de baas.

Opdracht uit de eerste druk van 1645.

Maar enige eerbied is op z’n plaats. Het ging om de eerste druk van de Gereformeerde-Bloemhof, een in 1645 gedrukt Zwols gebedenboekje, geschreven door Wolterus ter Burg(h). Hij droeg het op ‘Aan de Wel-edele Agtbaare Wijze Discrete en zeer voorzigtige Heeren Burgemeesteren, Schepene en Raden der stad Zwolle. Deze Wolterus ter Burgh, rond 1620 van Hellendoorn naar Zwolle gekomen, was schoolmeester, koster en voorzanger (een in die tijd en nog lang daarna gebruikelijke combinatie) van de Bethlehemkerk. Hij moet een veelzijdig man zijn geweest: hij bood op zeker moment het Zwolse Armenhuis aan een patient onder zijn hoede te nemen omdat hij ‘sijn konst aen heeft willen tonen om te cureren.’
Het boekje, geschreven aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog, geeft ons inzicht in de gedachtewereld van die tijd. Het bevat namelijk naast morgen- en avondgebeden voor elke dag van de week, ook een serie thematische gebeden, die appelleren aan de zorgen en angsten van de Zwollenaren in het midden van de zeventiende eeuw. Zo drukt het Gebed voor Donder en Bliksem het reële gevaar van blikseminslag uit. In de tijd van Wolterus ter Burgh werd alleen al de toren van de Grote Kerk driemaal door de bliksem getroffen. De laatste keer, in 1669, was fataal: de spits brandde af, waarna de verzwakte toren in 1683 instortte.

Fragment uit een herdruk van de Gereformeerde_bloemhof uit 1830

Te vermoeden valt dat Ter Burgh in 1645 het einde van de Tachtigjarige Oorlog nog niet zag naderen. Hij schreef niet alleen een Gebed in Teyd van Krijg ende Oorlog, maar ook een Gebed der ruyteren ende soldaten die te veld trekken, en een Gebed voor een Belegerde. Maar Ter Burgh bleef op een goede afloop hopen, blijkens zijn ‘Gebed om de Vreede’ en ‘Een Dankzegginge voor Victorie’. In het Gebed in Dieren-teyd [dure tijd] beschrijft hij in krasse bewoordingen het leed van de gevolgen van de oorlog: ‘De honger is over het gansche land, en wij zien met groote smarten den groten jammer en ellende, dat vele menschen en vee van honger vergaan, ja de honger neemt zoo de overhand dat de eene mensch den ander, de moeder haar kind en de ouderen het vleesch haren zonen en dochteren eten’.
Oorlog of geen oorlog, mensen hebben zo hun zorgen van alledag, die volgens de leerstellingen van de Reformatie al bij de geboorte beginnen. Zoals Ter Burgh in zijn Gebed voor Ongetrouwde Lieden schreef: ‘Ik ben in ongeregtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder mij ontvangen.’ Het daarop volgende levenspad was allerminst eenvoudig. In zijn Gebed voor Getrouwde lieden hield Ter Burgh de Zwollenaren voor: ‘Laat ons in al den dag altijd eerlijk wandelen, niet in brasserij en dronkenschap, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid.’
De gevaren van een zwangerschap en bevalling waren in die tijd onvoorstelbaar groot. Het is om die reden dat Ter Burgh gebeden opnam voor ‘een Bevrugte Vrouwe’ en voor ‘een Vrouwe in Barends-nood’. Speciale gebeden waren er voor de minder bevoorrechten in de samenleving. In de bundel staat een Gebed der Dienstboden, dat opent met een voor die tijd open deur: ‘Lieve hemelsche Vader! Gij hebt ons gemaakt en daartoe geschapen dat wij andere lieden zullen dienen.’ In het gebed wordt de dienstboden gehoorzaamheid voorgehouden en de maning zich te onthouden van hoererij. Veelzeggend is dat de dienstboden vervolgens de bede mogen uitspreken dat ‘onze heeren en vrouwen die wij dienen niet gramstorig tegen ons mogen zijn, maar alle dreigingen nalaten.’

De Gereformeerde-Bloemhof, in de eerste druk 180 bladzijden, was in korte tijd heel populair tot ver buiten Zwolle. Het paste natuurlijk ook precies bij de zwaar bevochten Reformatie in de Lage Landen. De gebeden van Wolterus ter Burgh zouden worden opgenomen in tal van gereformeerde gebedenboekjes. De oorspronkelijke versie, later vele malen herdrukt door de Zwolse uitgeverij van Tijl, was zo populair dat er zelfs in 1908, dus 273 jaar later, nog steeds mee werd geadverteerd. Voor mijn eerste druk uit 1645 is het gotische lettertype gebruikt. Eenvoudiger leesbaar zijn de vele versie uit later jaren, die eenvoudig digitaal te vinden zijn, bijvoorbeeld op de site https://books.google.nl

De biografische gegevens over Wolterus ter Burgh heb ik ontleend aan het onvolprezen Zwols Biografisch Woordenboek van J.C. Streng, p.54-55

 

Jan van de Wetering, 1 juni 2018