Opgewekte geschiedenissen: 1 Muziek voor zenuwlijders

Ter inleiding

Vanmorgen kwam mijn tweejarige kleindochter enthousiast op mij af. Ik sprong van overheidswege anderhalve meter naar achteren en virtueel voor alle zekerheid anderhalve eeuw terug in de geschiedenis. Daar ontsnapte ik net aan de Zwolse cholera-epidemie van 1866. Het zijn moeilijke tijden, met ook bij mij af en toe behoefte aan wat balsem voor de ziel. Een idee was geboren. De komende weken vindt u hier wat bescheiden Zwolse geschiedenissen van mijn hand. Als het even kan opgewekte geschiedenissen. Hieronder vindt u de eerste.

Jan van de Wetering

Zwolle
31 maart 2020

 

Opgewekte geschiedenissen: 1 Muziek voor zenuwlijders

In 1842 opende de Zwolse medicus E.T. Schaepman op het voormalige bolwerk bij de Diezerpoort een badhuis. De bezoekers hadden een ruime keus: er waren zwavel- en staalbaden, damp- en douchebaden, aromatische baden, zeebaden, en stort- en druipbaden. Zo kreeg de tegenwoordige Badhuiswal zijn naam. De badinrichting was vooral bedoeld voor mensen met een zenuwaandoening. Het was daarom tegelijkertijd een verpleeghuis met een aantal logeerkamertjes. De welgestelde gasten konden elke dinsdag en donderdag, gezeten op het bordes, genieten van een concert van een van de Zwolse muziekcorpsen. Waarbij, vertelt een geschiedschrijver, het orkest aan de overzijde van het water stond, ‘opdat de afstand het geluid wat zou temperen ten gerieve van de zwakkeren onder de zenuwlijders.’ Het was balsem voor hun ziel.

Links Badhuis van Schaepman op de Badhuiswal, ca. 1865.

Maar dit soort concerten was er niet alleen voor zenuwlijders. Wie in de negentiende eeuw op een mooie lente- of zomeravond door het centrum van Zwolle liep, had grote kans muziek te horen van één van de vele muziekverenigingen. Je had het christelijke muziekcorps David, de Thomas a Kempisharmonie, het socialistische zangkoor de Stem des Volks, het Zwolsch Dilettantenorkest en het Stedelijk Muziekcorps. Alleen al dit laatste corps gaf tussen mei en augustus maar liefst vijfentwintig openbare voorstellingen. Een stadsgids uit 1904 vermeldt: ‘Op de Groote Markt worden nu en dan ook muziekuitvoeringen gegeven door het Stedelijk Muziekcorps: dan ziet men jong en oud in grooten getale zich bewegen om de muziektent die voor dit doel is opgeslagen en het marktplein biedt een vroolijk gezicht.’ Op dezelfde manier vonden muziekuitvoeringen plaats bij de Buitensociëteit, op het Assendorperplein, op de Beestenmarkt (nu Harm Smeengekade), op de Brink en op het Grote Kerkplein.

 

Er was ook aandacht voor klassieke muziek. In de Buitensociëteit speelde het Zwols(ch) Symfonieorkest een breed repertoire van symfonische muziek en opera’s. In zekere zin was er bij die uitvoeringen een klassenscheiding. De gewone man kon de normale concerten niet betalen en om daaraan tegemoet te komen werden in de Buitensociëteit een paar keer per jaar druk bezochte volksconcerten gegeven.

Muziektent op de Grote Markt, Teun van der Veen

We leven in andere tijden. Jong en oud trekken niet meer gezamenlijk op naar een muziektent of naar een concert. Hun wegen zijn gescheiden. Bij klassieke concerten is het publiek overwegend grijs, met veel gekuch als bijvangst. De jongeren gaan naar plaatsen waar de lucht van wiet en verschraald bier hangt. En geluid dat geen barrière meer kent: ‘Laatst was ik mijn oordoppen vergeten tijdens een concert. Toen heb ik maar twee sigarettenfilters in mijn oren gestopt. Het ziet er niet uit, maar als ik daardoor 5 jaar langer kan horen, dan doe ik dat’, aldus een jongere in de Volkskrant (6 november 2008).

Meer en meer wordt muziek autistisch geconsumeerd en dat door zowel jong als oud. In de jaren negentig verloor ik het plezier in mijn dagelijkse treinreizen van Zwolle naar Den Haag. MP3-spelers sisten door de treincoupés, alsof er een zwerm woedende wespen was losgelaten. Dat gebeurt nu nog massaler, maar dan met de mobieltjes. Ik vrees de zomer met de doffe klanken uit de open ramen van auto’s, en ook de jonge zombies met schelle luidsprekertjes op hun fiets. Het badhuis is verdwenen. Waar vinden zenuwlijders nog balsem voor hun ziel?

Jan van de Wetering