On(t)roerend monumentaal 14: de Katerveersluizen

Door 18 september 2019Artikelen, Nieuws

Dit jaar wordt in Zwolle de 200ste verjaardag van de Willemsvaart gevierd. De Willemsvaart was de verbinding met de stad en de IJssel waar ze in Zwolle eeuwen op gewacht hadden. Daar waar de Willemsvaart en de IJssel samenkomen liggen de Katerveersluizen. Een bijzonder sluizencomplex. Wellicht nog meer dan het beklimmen van de Peperbus of een bezoek aan de Sassenpoort vinden de Zwollenaren hun weg naar de Katerveersluizen. Vooral in de zomer is een fiets of wandeltocht naar de historische sluizen gelegen in een lommerrijke omgeving populair. Maar waar komt de naam Katerveer vandaan?

Het Katerveer

In december 973 schenkt Keizer Otto II aan het klooster in Elten het Catertol. Cate, Kate of Kote betekende waarschijnlijk hoeve. Het dorp Kathen lag aan de IJssel waarschijnlijk gedeeltelijk op Gelders en gedeeltelijk op Overijssels grondgebied. Dit was wellicht ontstaan door het veranderen van de loop van de rivier. In de 15de eeuw verdween het dorp Katen bij een dijkdoorbraak in het water van de IJssel.
Aan het einde van de 12de eeuw was het door het gestegen peil van de IJssel moeilijk zo niet onmogelijk het water te doorwaden of met een wagen te doorkruisen. Veel traditionele oversteekplaatsen waaronder die nabij Herxen en Hattem zullen in onbruik zijn geraakt.
De bisschop van Utrecht moet deze gang van zaken hebben aangegrepen om nabij het dorp Katen, enkele kilometers ten noorden van Hattem, een veerdienst over de rivier in te stellen. De veerstal bevond zich op de linkeroever van de IJssel, recht tegenover het nauw met Katen verbonden Spoolde. De bewoners van deze buurtschap vielen onder de parochie Katen en staken tot ver in de middeleeuwen het water over om daar naar de kerk te gaan. Nadat de IJssel was veranderd in een goed bevaarbare waterweg, werd de bij Katen tol geheven op de door het scheepsvaarveerkeer meegevoerde handelsgoederen. De eerste schriftelijke vermelding van het Katerveer dateert van september 1385, toen de bisschop er gebruik van maakte. Naar allerwaarschijnlijkheid zal hij de overtocht gemaakt hebben op een veerschuit. Een veerschuit was namelijk op dat moment al geruime tijd de verbinding tussen de beide oevers van de IJssel.

 

Er was behalve het hogere water peil van de IJssel vermoedelijk nog een reden voor de bisschop om het Katerveer in te stellen. Kort na 1200 was hij de namelijk de controle over de Veluwe kwijtgeraakt aan zijn grote tegenstander, de graaf van Gelre. Uit latere gegevens blijkt dat het veerrecht, het monopolie om mensen, vee of goederen over te varen, zich stroomopwaarts uitstrekte tot Werverschoer of Werven, ongeveer vijf kilometer zuidwaarts van Hattem en stroomopwaarts tot Zalk.
Vanaf het einde van de 12de eeuw moest al het wegverkeer, dat vanuit de bisschoppelijke hoofdresidentie Utrecht over de Veluwe naar het noorden trok, de IJssel bij het Katerveer overbruggen. Reizigers en kooplieden werden dus vanzelf naar Zwolle geleid, waardoor de nederzetting kon uitgroeien tot een belangrijke pleisterplaats tussen West- en Midden-Nederland en de ten oosten en noorden gelegen gebieden.
Bij de landverbinding met het westen en zuiden besteedde het bestuur van Zwolle veel geld aan het verkrijgen van controle op de IJsselpassage bij het Katerveer. De bisschop van Utrecht had het lucratieve veerrecht in 1417 overgenomen van de pastoor van Katen en vervolgens doorverkocht aan particulieren. Later in 1464 werd Zwolle de eigenaar van het veer en de bijhorende stal en bleef dat tot het einde van het veer bijna 500 jaar later.

Zwolle als knooppunt

De voorspoedige ontplooiing van Zwolle als interregionaal middelpunt voor het uitwisselen en doorvoeren van handelsgoederen stond of viel met een goede bereikbaarheid van de stad.
In de functie van Zwolle als handelsplaats traden echter na 1813 ingrijpende veranderingen op. De prominente positie als overslagcentrum tussen Duitsland en het westen van Nederland, die gaande weg de 18de eeuw al fors was aangetast, stortte definitief ineen. De langverwachte opening in augustus 1819 van het kanaal tussen de stadsgracht en de IJssel, de naar de koning vernoemde Willemsvaart , kon het tij niet keren. De handelsstromen hadden zich onomkeerbaar verlegd, waardoor het Hollandse stapelrecht overbodig was geworden. De felle concurrentie van de Duitse Noordzeehavens en het bevaarbaar maken van de Westfaalse waterlopen als de Lippe en de Eems gaven de nekslag aan het buitenlandse goederenvervoer via Zwolle.
De teloorgang van het Zwolse zee verkeer was mede te wijten aan het uitblijven van een adequate oplossing voor een oud probleem; de gebrekkige kwaliteit van de waterverbindingen. Vanaf de late jaren zestig in de 19de eeuw werkten Zwolle en Kampen met de provincie en het Rijk aan een alternatief traject naar zee via de benedenloop van de IJssel. In het kader van de verbeteringen van den waterweg van Zwolle naar zee diende ook de Willemsvaart te worden verruimd en uitgediept. Alle bruggen over het kanaal en de stadsgracht kregen een doorvaartbreedte van twaalf meter. Bij het Katerveer werd een nieuw, groot sluizencomplex gebouwd. Bij de Willemskade werd de vaart naar het westen verlegd. De hele operatie, inbegrepen de bouw van een nieuwe keersluis en het dempen van de oude vaart tegenover de Nieuwe Haven, was omstreeks 1880 voltooid. Zwolle was voor kustvaarders weer goed te bereiken.

De Katerveersluizen

 

 

De Katerveersluizen zijn een unieke combinatie van een vestingwerk en een waterbouwkundig werk. Het sluizencomplex van twee sluizen ligt bij de uitmonding van de Willemsvaart in de IJssel. Het maakt onderdeel uit van een schans die behoort tot de in 1598 aangelegde Zwolse linies. In de kleine sluis geeft een steen aan dat deze sluis gebouwd is tussen 1818-1819. De doorvaarbreedte is ca 6 meter. Over de sluis bevindt zich een enkele ophaalbrug uit 1873. De grote sluis heeft een doorvaarbreedte van ca 12 m met daarover een dubbele ophaalbrug uit 1873. De bruggen zijn vervaardigd van geconstrueerd ijzer. Beide sluizen hebben fraaie binnensluisdeuren in de landhoofden. De Zwolse Katerveersluizen zijn daarmee een unieke combinatie van een vestingwerk en een waterbouwkundig werk.

De IJsselbrug, het einde van het Katerveer

In 1864 werd Zwolle vanaf Utrecht via de spoorbrug over de IJssel met de trein bereikbaar. Wegverkeer moest nog steeds gebruik maken van het veer. Met het doorknippen van een oranje lint opende minister van Waterstaat P.J. Reymer op woensdag 15 januari 1930 de gloednieuwe verkeersbrug over de IJssel bij het Katerveer, de op één na langste oeververbinding van Nederland. Een belangrijke fysieke barrière met het midden en het westen was uit de weggenomen. Het aan de gemeente Zwolle toebehorende Katerveer werd weliswaar in de laatste jaren door een snelle ijzeren motorpont onderhouden, maar de gebrekkige verbinding vormde toch een hinderlijk obstakel voor het sterk groeiende autoverkeer. Tegenwoordig herinneren allen het veerhuis en de veerstoep nog aan het Katerveer , dat eeuwenlang de beide oevers met elkaar verbond.

 

Tekst: Jan Ten Hove / Johan Teunis
Bron: Erfgoed Zwolle, archieven V.O.R.G. en de Geschiedenis van Zwolle door Jan Ten Hove. Uit de Geschiedenis van Zwolle zijn hele passages op rij gezet en veelal letterlijk overgenomen.
Foto’s en afbeeldingen: Openingsfoto Jan van de Wetering, Foto Katerveer Schaepman, overige foto’s op de laatste na  Wikimedia Commons, laatste foto Erfgoed Zwolle.