Artikelen

On(t)roerend monumentaal: Het Openluchtbad

Het Openluchtbad gaat eind april weer open. Het bad is de afgelopen tijd van een nieuwe coating voorzien en ook andere onderdelen kregen een onderhoudsbeurt. Het Openluchtbad trok vorig jaar 75.000 bezoekers en heeft 6000 abonnees. Samen met Waanders in Broeren, de Fundatie en het Academiehuis ( de Grote Kerk) is het een monument dat veel bezoekers trekt. Waarom is het Zwolse Openluchtbad een rijksmonument van nationaal belang en wie was de architect van het bad?

Architect J.G. Wiebenga
Jan Gerko Wiebenga studeert van 1906 tot 1912 aan de T.H. te Delft voor civiel ingenieur. Na zijn studie gaat hij werken bij een fabriek van cementijzerwerken in Breda. Zijn eerste twee werkzaamheden zijn tekeningen en berekeningen voor twee boogbruggen over het Wilhelminakanaal bij Oosterhout uit 1912. Daarna is Wiebenga o.a. betrokken bij gebouwen in Maastricht (schaaldaken van de Sphinxfabrieken) en Nijmegen (betonnen koepeldak van de Cenakelkerk). Steeds vaker wordt Wiebenga gevraagd voor het berekenen en ontwerpen van constructies / bouwwerken. Met architect Van de Vlught bouwt hij in Groningen de nieuwe MTS. In 1924 en 1925 is hij in Amerika waar hij in New York werkt. Voor architect Duiker berekent hij de constructies van het sanatorium Zonnestraal (1926) te Hilversum. In Aalsmeer bouwt hij als directeur gemeentewerken o.a. een woonhuis en de U.L.O. school. Met architect Duiker ontwerpt hij in Den Haag, de Nirwanaflats (1929 ). Hij werkt met Brinkman en Van der Vlugt mee aan de beroemde Van Nellefabriek (1930) aan de Delfshavense Schie te Rotterdam, waar hij voor het eerste de constructie van paddestoelvloeren toepast. In al zijn werken had hij de opzet een brug te slaan tussen techniek en kunst. In 1931 wordt in Zwolle een directeur voor de op te richten Technische Dienst gevraagd. Dat wordt Wiebenga. Van begin 1931 tot eind 1934 vervult hij deze functie. In Zwolle staan naast wat kleinere werken een drietal grote projecten op stapel. Begin 1932 heeft Wiebenga de ontwerpen van de drie grote te realiseren werken al uitgewerkt. Naast het zwembad zijn dit het abattoir en een uitbreiding van het Sophia Ziekenhuis. Bij deze werken komt Wiebenga over constructies en esthetica in aanvaring met collegae en gemeentebestuur. Daarnaast ontstaan er organisatorische problemen bij zijn Technische Dienst en op zeker moment staat het functioneren van Wiebenga ter discussie. De vertrouwenscrisis leidt begin 1935 tot het opheffen van de Technische dienst en het eervol ontslag van directeur Wiebenga

Een zweminrichting en een voetbalterrein
Op 12 maart 1932 stuurt Wiebenga een ontwerp voor een zweminrichting en een voetbalterrein aan Burgemeester en Wethouders. In het uit te voeren plan heeft hij zwembad en voetbalterrein in één as tegenover elkaar ontworpen. Het bad met zijn springtorens ligt in een driehoekig terrein en heeft de hoofdingang aan de Ceintuurbaan. Langs de eerder genoemde as heeft Wiebenga het plan symmetrisch opgezet en gescheiden in een vrouwen- en mannenafdeling.
Op 9 november 1932 machtigen Burgemeester en Wethouders Wiebenga om een publieke aanbesteding te houden. Aannemer C. Spanhaak uit Zwolle is met 81.900 gulden de laagste inschrijver en deze mag het werk maken. Bij de betonconstructies van het zwembad krijgt Wiebenga de eerste aanvaringen met het gemeentebestuur over zijn slanke wijze van construeren. De bestaande bekisting van de springtorens moet worden afgebroken en de constructie wordt verzwaard. In 1991 heeft de betonconstructeur van de gemeente Zwolle een controleberekening gemaakt van het originele ontwerp en wapeningstekeningen. Uit deze berekening blijkt dat de destijds beoogde springtorens bij een berekening op sterkte aan de veiligheidseisen voldeden. Het slankere model van Wiebenga had het gehouden.

Het bad wordt op 9 juni 1933 officieel geopend. Vlak na de opening van het bad schrijft architect B. Merkelbach voor een recensie in het blad “De 8” o.a. het volgende: “ Wij willen ons niet verwonderen over het feit dat de arbeid van iemand die de wenschen van de tegenwoordige jeugd in zijn werk tot uiting tracht te brengen in botsing komt met de vaak bekrompen geest van een provinciestad. Het is Wiebenga echter gelukt om een zwembad te bouwen dat meer van deze tijd is, dan in het mekka der architect, Amsterdam, mogelijk bleek. Dit is typerend voor zijn kracht en overtuiging. Hij heeft bewust of onbewust aangevoeld dat men bij een dergelijke inrichting elke architectonische demonstratie moet vermijden.”

De Zwollenaren kunnen dan zwemmen in een bad dat voldoet aan de eisen die toen voor Olympische wedstrijden gesteld werden. Er zijn in totaal zes bassins met zowel links als rechts van de as een kleuterbad van 10 x 20 meter en een diepte van 40 cm, een ondiep bassin van 12 x 40 meter met een maximale diepte van 1.30 meter en een diep bassin van 20 x 100 meter. De baden van het ondiepe en diepe zijn onderling gescheiden door 10 cm dikke betonwanden met loopvlakken. Om de vrouwen en mannen te scheiden is het grote bassin in het midden gescheiden door een drijvend wegneembaar scherm. Om bij zwemwedstrijden geen last van golfbewegingen te hebben, bedenkt Wiebenga een speciale antigolfconstructie. Om het water een aangename kleur te geven zijn de betonwanden aan de binnenzijde afgepleisterd met een lichtblauwe pleisterspecie. Langs het wedstrijdbad is een tribune met 400 zitplaatsen ontworpen.

 

Het zwembad is ruim van opzet. Beide afdelingen hebben langs de ondiepe baden een strand met ligstoelen en parasols. De afmetingen van beide stranden zijn 40 x 22 meter. Er is een zandlaag van fijn wit zand – uit Zandvoort- met een laagdikte van ongeveer 60 cm. Het entreegebouw met kassa is met zijn platte dak met overstek en stalen ramen en deuren met grote glasoppervlakken kenmerkend voor de stijl van Wiebenga. In de afgelopen decennia is het bad enkele keren gerestaureerd. In de laatste restauratie werd o.a. de symmetrie zoveel mogelijk hersteld. Om de symmetrie te versterken en als eerbetoon aan Wiebenga zijn drie duiktorens bij het linkerbad, oorspronkelijk het vrouwenbad, in de maatvoering zoals de apostel van het Nieuwe Bouwen berekend en ontworpen had, weer aangebracht.

Vereniging Openluchtbad Zwolle
De gemeenteraad van Zwolle nam in 1988 het besluit het Gemeentelijke Openluchtbad te sluiten. De zomer van 1991 zou het laatste seizoen zijn van het bad. Na het raadsbesluit in 1988 formeerde had zich echter een groep “Vrienden van het Openluchtbad”, die een groot gedeelte van de Zwolse bevolking wist te mobiliseren in de strijd tegen sluiting. Na afloop van het laatste (bad) seizoen is het bad zelfs enige maanden gekraakt / bezet gehouden. Parallel lopend aan deze actie heeft een Zwolse inwoner in september 1991 de Rijksdienst voor de Monumentenzorg attent gemaakt op de dreigende sloop en een waardestelling aangevraagd. Aan dit verzoek werd reeds in dezelfde maand door de RDMZ gehoor gegeven. De conclusie van de waardestelling luidde: “Samengevat kan worden gesteld dat het Openluchtbad uit 1933 – 1934 naar ontwerp van Jan Gerko Wiebenga zowel in architectonisch als in cultuurhistorisch opzicht een belangrijke waarde vertegenwoordigt en één van de weinige zo niet het enige nog tamelijk ongeschonden openluchtbad is in de vormentaal van het Nieuwe Bouwen in Nederland.” Daaruit voortvloeiend is het Openluchtbad sinds 1994 rijksmonument.

Om het bad te kunnen blijven exploiteren is de “Vereniging Openluchtbad Zwolle” opgericht. Zij heeft in 1992 na overleg met de gemeente en het Openluchtbad volledig overgenomen. De vereniging weet het bad te exploiteren met vrijwilligers.

Tekst:
-Johan Teunis

Bronnen:
-HCO Zwolle, Gemeente Zwolle en Nederlands Architectuurinstituut

Literatuur;
-Wiebenga de apostel van het Nieuwe Bouwen (ISBN 90 – 6450 – 051 – 7)
-Informatiebladen 15 en 19 van monumentenzorg en archeologie in Zwolle
-We gaan vanmiddag …. Naar het Openluchtbad (ISBN 978-90-8932-100-8 )

Foto’s:
– Hans Westerink
– Gemeente Zwolle
– HCO Zwolle

Lees meer
Kook mee uit het Oorlogs-Kookboek

Vleesloos eten: Schijngehakt

In de volgende aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift (april 2018) staat het laatste artikel van Jan van de Wetering over Zwolle tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hier alvast letterlijk en figuurlijk een voorproefje.

De laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog was er een groot tekort aan levensmiddelen door de blokkades van de Britten en de duikbotenoorlog van de Duitsers in de Noordzee. Vlees en vele andere levensmiddelen werden schaarse producten en waren alleen nog op de bon te krijgen. In de Zwolsche Courant verschenen artikelen over koken in oorlogstijd. Zo leerden de Zwollenaren onder andere maaltijden te bereiden zonder vlees. Eén van die recepten, schijngehakt geheten, is te vinden in het Oorlogs-Kookboek uit 1918, ‘Een eenvoudige handleiding ter bereiding van smakelijke, voedzame gerechten en vleeschloze schotels uit de thans beschikbar zijnde levensmiddelen, met praktische ervaring samengesteld door een Hollandsche Huisvrouw.’ De redactie van onze website was nieuwsgiering hoe dat schijngehakt zou smaken. Een klein fotografisch verslag.

 

Het Oorlogs-Kookboek uit 1918

Het recept voor Schijngehakt

 

Aan de slag!

Gepureerde bonen en eieren

Aardappelen koken en uien bakken

In paneermeel rollen

Even bakken en klaar om te eten

Oordeel eetclub na honderd jaar Oorlogs-Kookboek: een beetje vies en een beetje lekker!

 

 

 

 

 

 

 

Lees meer
Beeldverslag 150 jaar stationsgebouw

Op 16 maart jl. hield Kees van de Meene bij Waanders in de Broeren een lezing over 150 jaar stationsgebouw. De afbeeldingen van zijn powerpointpresentatie zijn hier te zien in de PDF.

Lees meer
Ont(t)roerend goed: Het hof van Suythem

De geschiedenis van een stenen woonhuis

Bij een aantal panden in de Zwolse binnenstad dateert de kern van het gebouw uit de middeleeuwen. Fragmenten of complete onderdelen zijn als zodanig te herkennen. Het gaat hier vaak om onderdelen als balklagen, kappen, kelders, vensters en muurrestanten. Daarnaast is er een aantal panden direct als middeleeuws herkenbaar. Het betreft hier de zogenaamde versteende huizen.
In Zwolle zijn in de 15de eeuw praktisch alle huizen nog van hout en voornamelijk met riet en stro gedekt. Alleen de rijken waren onder de pannen. De houten huizen waren zeer brandgevaarlijk. In oude Zwolse kronieken wordt vermeld dat de stad in 1324 bijna geheel zou zijn afgebrand. Bewijzen op grond van archeologisch onderzoek zijn echter nog nooit gevonden. Om stadsbranden tegen te gaan, wordt het rond 1400 in Zwolle verplicht bij nieuw te bouwen huizen een harde dakbedekking toe te passen. En wordt aanbevolen de gezamenlijke scheidingsmuur in steen op te trekken. In de Zwolse archieven wordt in 1463 voor het eerst melding van het gebruik van daktegels. Het beleid van het stadsbestuur heeft zijn vruchten afgeworpen. De ramp van een grote stadsbrand is aan Zwolle voorbijgegaan.

De versteende huizen worden bewoond door de adel, geestelijkheid en notabelen van de stad. In de winter maakt de adel graag gebruik van haar stadswoning. Op het platteland zijn de wegen dan niet begaanbaar en in de stad kan men elkaar ook in de winter gemakkelijk bezoeken. Zaken, politiek of sociale contacten kunnen gewoon doorgaan. Een ander reden voor de adel om een stadswoning te bezitten is de geborgenheid van de stad. In roerige tijden kon men zich verschansen. Enkele voorbeelden van stenen huizen in Zwolle zijn het Hof van Ittersum gelegen in de Sassenstraat naast de Bethlehemkerk, Melkmarkt 41 met traptoren, het zogenaamde Drostenhuis en het Hof van Suythem in de Praubstraat /Goudsteeg.
Een aantal van de meer dan 400 jaar geleden gebouwde stenen huizen hebben nog steeds een woonbestemming of hebben deze opnieuw gekregen. Een voorbeeld zijn de woningen in het Hof van Suythem aan de Praubstraat en Goudsteeg. Het oudste gedeelte van het complex ligt aan de Goudsteeg en dateert uit het midden van de 16de eeuw met nog een oudere kelder. De panden aan de Praubstraat hebben met gebouwen uit begin 17de tot begin 19de eeuw verschillende bouwfases. Het stramien van het oorspronkelijke stratenpatroon van Zwolle is in grote delen van de zuidelijke binnenstad nog steeds terug te vinden. Dat geldt ook voor de omgeving van de hof van Suythem.

Op 7 augustus 1338 verklaarden de deken en het kapittel van Sint Lebuines te Deventer grond in erfpacht te hebben gegeven aan Aelve van Suythem. De familie is welgesteld en afkomstig uit het buurtschap dat even ten noorden van Windesheim ligt en waar zij hun naam aan ontlenen. Op dat tijdstip is er nog geen sprake van een havezate te Zuthem maar zal daar een eenvoudige boerenhoeve gestaan hebben. Voor diensten verleend aan de bisschop van Utrecht, tevens landsheer van Overijssel, wordt de familie beloond. Ze krijgen goederen en worden tot de riddermatigen gerekend. De boerenhoeve wordt dan een havezate. Al in het begin van de 15de eeuw heeft de adellijke familie Van Suythem binnen de stad Zwolle een stenen huis in de Begijnenstraat ( nu Praubstraat ). Door huwelijk en vererving komt Alof van den Ruytenberg in het begin van de 16de eeuw in bezit van dat huis aan de Begijnenstraat. Hij is door huwelijk verwant aan belangrijke Utrechtse geslachten en een vurig aanhanger van de bisschop van Utrecht. Zwolle steunt in die tijd de hertog van Gelre in zijn strijd tegen de bisschop van Utrecht. In 1521 plunderen de Zwollenaren het huis te Zuthem. De bisschop van Utrecht draagt in 1528 zijn wereld gezag in Overijssel over aan Karel V. Er breekt een rustiger tijd aan en Van den Ruytenberg laat zijn havezate in Zuthem weer herbouwen. Ook in Zwolle wenst hij een beter onderkomen. In ieder geval wordt het oude huis van Van Suythem, aan de Praubstraat, afgebroken om er een groter, mooier maar vooral sterker huis op te bouwen. Het nieuwe huis , krijgt de bekende winkelhaak- of L-vorm als plattegrond. Net als de meeste andere adellijke huizen in Zwolle. Het gaat om de huidige panden Goudsteeg 10, 12 en 14. Vergelijkbaar met andere steden zijn deze huizen in Zwolle niet groot en ontbreekt vaak de tuin. De hoofdvleugel van het hof van Suythem staat bijna haaks op de Praubstraat. Een traptoren, in de inwendige hoek van de L, verbindt de verdiepingen met elkaar. De toren wordt bekroond met een uivormig dak. Uit dendrochronologisch onderzoek blijkt dat het constructiehout van de Hof van Suythem in 1557 gekapt is. Door dit jaartal te vergelijken met gegevens uit het archiefonderzoek is het zo goed als zeker dat Adolf , de kleinzoon van Alof, de bouwheer is van het Hof van Suythem.

Na 1600 wordt het huis korte tijd bewoond door burgemeester Helmich van Twenhuysen. Hij bouwt in deze periode een stal bij het huis. De stal ligt aan de Koestraat en is de voorloper van het huidige pand Praubstraat 29. In 1611 koopt Derk Dorenbosch, griffier der Staten, het huis van Helmich van Twenhuysen. De griffier wordt in 1616 schuldig bevonden aan kindermoord , echtbreuk, verduistering van gelden en van vernieling van ambtelijke stukken, De zaak rond de kindermoord en de echtbreuk is door de magistraat van Zwolle geseponeerd. Wellicht speelt mee dat de vrouw van een der Zwolse burgemeesters bij de zaak betrokken is. Door intriges van anderen en door zijn eigen malversaties raakt Dorenbosch aan lager wal en is hij genoodzaakt het huis te verkopen. Jacobus Vriezen bouwt rond 1650 tussen de stal en het grote stenen huis een ruimte voor stalknechten en de tuigkamers, het huidige Praubstraat 27. Dit pand grenst aan de zuidgevel van Goudsteeg 14 welk laatste onderdeel is van het stenen huis. In 1770 wordt Dirk Willem van Raesvelt de nieuwe eigenaar van de Hof van Suythem. Hij verbouwt het huis naar de mode van die tijd. Kruisvensters, trapgevels en de traptoren verdwijnen. Rond 1787 wordt het huis weer verder uitgebreid en wordt de overgebleven vrije ruimte aan de Praubstraat bijna geheel volgebouwd en ontstaat het huidige pand Praubstraat 25 Het oude stenenhuis wordt nu in plattegrond bijna vierkant. Begin 19de eeuw vinder er nog een aantal verbouwingen plaats. In de jaren 80 van de vorige eeuw is het Hof van Suythem met zijn rijksmonumenten gerestaureerd en hebben de verschillende panden een woonbestemming gekregen. Het hof van Suythem kan met deze bestemming verder in zijn reis door de tijd. Dat er rond 1557 een sterk stenenhuis gebouwd is mag duidelijk zijn.

Tekst: Johan Teunis
Bron: Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle 2 (ABZ 2 1994)
Foto’s: Angelique Neef-Kok

Lees meer
On(t)roerend goed: de Statenzaal

Naast het neoclassicistische Provinciale Griffie of Gouvernementsgebouw uit 1874 ( nu de winkel van Zara ) begon men in 1895 met de bouw van en nieuwe Provinciehuis en Statenzaal. Het pand is in neogotische stijl opgetrokken en gesitueerd op de hoek van de Diezerstraat en de Rode Haanstraat. Wat is de geschiedenis van dit prachtige Zwolse pand?

De Franse architect Violet-Le-Duc zorgde in het midden van de 19de eeuw voor een vernieuwde belangstelling in de bouwkunst van de Gotiek. In Nederland speelde Koning Willem II een belangrijke rol bij de herontdekking van de Gotiek. Hij gaf opdracht een Gotische zaal (bouw 1840) aan te leggen achter het paleis aan de Kneuterdijk te Den Haag. In Nederland kan men architect P.J.H. Cuypers (1827 tot 1921) als grondlegger van de Neogotiek zien. Cuypers liet zich inspireren door de ambachtelijkheid en de vormen van de middeleeuwse bouwkunst, hoewel hij de toepassing van eigentijdse materialen en technieken niet achterwege liet.

In 1875 werd jonkheer mr. Victor De Steurs tot hoofd benoemd van de nieuwe afdeling Kunsten en Wetenschappen van het ministerie van binnenlandse zaken, een functie die hij tot 1901 zou bekleden. In deze periode oefende hij samen met P.J.H. Cuypers grote invloed uit op het bouwen en de monumentenzorg in Nederland. De Steurs wordt gezien als de grondlegger van de ‘moderne’ monumentenzorg. Bij de minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen drong De Steurs er op aan civiel architecten te benoemen voor het beheer van rijksgebouwen. Een van die architecten was Jacobus Van Lokhorst ( 1844-1906). Bij zijn benoeming was de in Utrecht geboren Van Lokhorst 33 jaar oud. Bij de Stadsschool van Teken- en Bouwkunst in Utrecht had hij een opleiding gevolgd. Van Lokhorst was van mening dat een hogere opleiding alleen maar een overlast aan wiskunde gaf en dat het vak bouwkunde bij hogere opleidingen voor hem weinig meerwaarde had. De autodidactische architect noemde zich zelf ‘ een bloempje van de koude grond’.

 

 

De geschiedenis van de provinciale bestuursgebouwen in de Diezerstraat begint in 1803. Toen kocht het rijk de voormalige woning van Baron Sloet tot Tweenijenhuizen. Daarvoor was het provinciebestuur enige jaren gehuisvest in de Koestraat in het pand wat wij nu kennen als de Groote Sociëteit. Al gauw was de behuizing aan de Diezerstraat te klein en werden tot 1865 verschillende panden aangekocht. In 1874 werden de aangekocht panden gesloopt en volgde een algehele vertimmering aan de zijde van de Diezerstraat en kwam de kolossale voorgevel van het Gouvernementsgebouw (later bibliotheek en nu de winkel van Zara) tot stand. Op de 19de–eeuwse Zwollenaar maakte de sobere neoclassicistische architectuur niet veel indruk.
In 1892 werden in de Diezerstraat op de hoek met de Haansteeg twee leegstaande panden gesloopt. De weg is dan vrij voor de bouw van een nieuwe Statenzaal. Van Lokhorst krijgt nadat hij een plan van de Zwolse architect F.C. Koch had afgewezen de opdracht een nieuwe Statenzaal te ontwerpen. De gevels zijn opgetrokken in een rode gladde Friese baksteen, met in Bentheimer zandsteen uitgevoerde vensterbanken en waterlijsten. Beeldhouwwerken op en aan de gevel is in de Franse kalksteen Savonniere uitgevoerd. Het hoofdblok is gelegen aan de Diezerstraat en biedt op verdiepingshoogte plaats aan de ‘Nieuwe’ Statenzaal met publieke tribune.

Onder een van de gewelfaanzetten van het kruisgewelf van het kruisgewelf in het voorportaal achter de hoofdingang aan de Diezerstraat is de beeltenis van Van Lokhorst vereeuwigd. Het was niet zijn eerste bouwwerk in Zwolle. Tussen 1890 en 1892 bouwde hij de Gouverneurswoning aan het Ter Pelkwijkpark. Het gebouw in neorenaissance stijl met neogotische elementen werd in 1985 gesloopt om plaats te maken voor het gebouw de Genverberg. Van Lokhorst was ook de ontwerper van de al eerder gerealiseerde Statenzaal in Leeuwarden. De gelijkenis valt dan ook op. In oktober 1895 stuurt Van Lokhorst zijn ontwerp naar de minister. Al op 29 november van het zelfde jaar wordt de bouw aanbesteed. Laagste inschrijvers met een prijs van 90.980 gulden waren de Zwolse aannemers Blocks en de Herder. Voor het beeldhouwwerk was Bart van Hove verantwoordelijk, decoraties zijn een ontwerp van Jan de Quack en de gebrandschilderde ramen komen van atelier Nicolas uit Roermond.

 

 

In november 1898 werd de nieuwe Statenzaal plechtig geopend. De Zwolse burger reageerde enthousiast op de neogotiek van architect Van Lokhorst. Wanneer we naar de neogotiek kijken moet je je realiseren dat wat je ziet niet altijd is wat je denkt dat je ziet. Zo zijn bijvoorbeeld de kloeke moerbalken in de Statenzaal niet van massief eiken maar bestaan ze uit omtimmerde stalen balken. Dat geeft aan dat de architecten in de neogotiek ook van ‘nieuwe’ materialen en constructie gebruik maakten. De muren zijn in polychromie (veelkleurig) uitgevoerd met figurale beschilderingen. De gebrandschilderde glas-in-loodramen bepalen in hoge mate de veelkleurigheid in de zaal. In de ramen zijn de wapens van ridderschappen, Twente, Vollenhoven en 61 verschillende Overijsselse gemeente opgenomen. Drieëntwintig gemeenten beschikten destijds niet over een officieel wapen en voor tien gemeenten was het wapen nog niet officieel vastgesteld. Speciaal voor deze zaal zijn deze toen ontworpen door Jhr. Mr. Victor de Steurs. De lichtarmaturen (oorspronkelijk graskronen) zijn een ontwerp van Jan de Quack. Het meest toegespitst op Overijssel zijn zeven afbeeldingen geschilderd door kunstschilder Van de Laars naar een ontwerp van de Weense kunstenaar George Sturm. Het zijn afbeeldingen uit de vroege geschiedenis van Overijssel. Zo is er een voorstelling van Thomas a Kempis, die de religieuzen van Windesheim onderricht. Een andere Zwolse voorstelling toont hoe de Zwollenaren Karel van Gelre in 1524 gevangen zetten.

Maar niet alleen de Statenzaal met de commissarisstoel en de banken voor de statenleden zijn een lust voor het oog. Ook de overige vertrekken als gangen en werkkamers met meubilair zijn rijkelijk gedecoreerd. Zo vragen in de gangen de fraai betegelde lambriseringen en vloeren de aandacht. Dit alles maakt de Statenzaal tot een Gesamtkunstwerk waar Zwolle trots op kan zijn. De Statenzaal is dan ook een architectonisch en cultuurhistorisch hoogtepunt in Oost Nederland. De Statenzaal staat momenteel gedeeltelijk leeg. Een monument vraagt voor zijn reis door de tijd om een goede bestemming. Naar dat laatste is de gemeente Zwolle voor de Statenzaal al enige tijd naar opzoek.

Tekst Johan Teunis
Bron: Gemeente Zwolle, Monumenten Magazine 2010

Foto’s: Hans Westerink
– hal met trappenhuis,
– de gebeeldhouwde vrouw in de voorgevel stelt gerechtigheid voor,
– gebrandschilderde ramen in de Statenzaal met wapen van Zwolle

Foto Statenzaal: Jan van de Wetering

 

 

 

Lees meer
1 2 3
footerbackground